EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02013R0883-20210117

Consolidated text: Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/2021-01-17

02013R0883 — NL — 17.01.2021 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 883/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 september 2013

betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad

(PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU, Euratom) 2016/2030 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 oktober 2016

  L 317

1

23.11.2016

►M2

VERORDENING (EU, Euratom) 2020/2223 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 december 2020

  L 437

49

28.12.2020


Gerectificeerd bij:

 C1

Rectificatie, PB L 297, 4.11.2016, blz.  25 (883/2013)




▼B

VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 883/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 september 2013

betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad



Artikel 1

Doelstelling en taken

1.  

Met het oog op een krachtigere bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna tezamen, naargelang van de context, „de Unie” genoemd) worden geschaad, verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding, opgericht bij Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom („het Bureau”) de onderzoekstaken die zijn toevertrouwd aan de Commissie bij:

a) 

de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie; en

b) 

de toepasselijke overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand die de Unie met derde landen en internationale organisaties heeft gesloten.

2.  
Het Bureau biedt de lidstaten de bijstand van de Commissie bij het organiseren van een nauwe, regelmatige samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten met het oog op coördinatie van hun maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie tegen fraude. Het Bureau draagt bij aan het ontwerpen en uitwerken van methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Bureau bevordert en coördineert — met de lidstaten en tussen de lidstaten onderling — de uitwisseling van operationele ervaring en beste procedurepraktijken op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Unie, en ondersteunt gezamenlijke fraudebestrijdingsmaatregelen die de lidstaten op vrijwillige basis nemen.
3.  

Deze verordening geldt onverminderd:

a) 

Protocol nr. 7 inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht;

b) 

het Statuut van de leden van het Europees Parlement;

c) 

het Ambtenarenstatuut;

▼M2

d) 

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

e) 

Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ).

▼B

4.  
Binnen de instellingen, organen en instanties opgericht bij de Verdragen of op basis daarvan („instellingen, organen en instanties”), verricht het Bureau administratieve onderzoeken met het oog op het bestrijden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Daartoe spoort het ernstige feiten op in verband met de uitoefening van activiteiten in dienstverband die onverenigbaar kunnen zijn met de plichten van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie en aanleiding kunnen geven tot disciplinaire en, in voorkomend geval, strafrechtelijke sancties, dan wel onverenigbaar kunnen zijn met de analoge verplichtingen van de leden van instellingen, organen en instanties, de hoofden van instanties of personeelsleden van instellingen, organen en instanties die niet vallen onder het Ambtenarenstatuut (tezamen „de ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden”).

▼M2

4 bis.  
Het Bureau ontwikkelt en onderhoudt een nauwe band met het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat via nauwere samenwerking is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad ( 3 ). Die band is gebaseerd op wederzijdse samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het voorkomen van dubbel werk. Doel van die band is in het bijzonder ervoor te zorgen dat, om de financiële belangen van de Unie te beschermen, alle beschikbare middelen worden ingezet door de complementariteit van hun respectieve mandaten en de steun van het Bureau aan het EOM.

▼M2

5.  
Voor de toepassing van deze verordening kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties administratieve regelingen met het Bureau treffen. Die administratieve regelingen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de doorgifte van informatie, het verrichten van onderzoeken en de follow-up daarvan.

▼B

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„financiële belangen van de Unie” : inkomsten, uitgaven en activa, vallende onder de begroting van de Europese Unie, respectievelijk onder de begrotingen van de instellingen, organen en instanties of onder de begrotingen die zij beheren en controleren;

2.

„onregelmatigheid” : „onregelmatigheid” als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95;

▼M2

3.

„fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad” : hetgeen daaronder wordt verstaan in de toepasselijke handelingen van de Unie, en het begrip „elke andere onwettige activiteit” omvat onregelmatigheden in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95;

4.

„administratief onderzoek” („onderzoek”) : alle controles, verificaties en andere acties die het Bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 4 onderneemt, ter verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen en tot vaststelling, in voorkomend geval, van het onregelmatig karakter van de onderzochte activiteiten; die onderzoeken laten de bevoegdheid van het EOM of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten inzake het instellen en voortzetten van strafvervolging onverlet;

▼B

5.

„betrokken persoon” : enig persoon of enige marktdeelnemer tegen wie vermoedens bestaan van fraude, corruptie of elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en tegen wie om die reden een onderzoek door het Bureau wordt ingesteld;

6.

„marktdeelnemer” : hetgeen daaronder wordt verstaan in Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en in Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96;

7.

„administratieve regelingen” : door het Bureau overeengekomen regelingen van technische en/of operationele aard die in het bijzonder gericht kunnen zijn op het faciliteren van samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bij de regeling betrokken partijen, uit welke regelingen geen bijkomende juridische verplichtingen voortvloeien;

▼M2

8.

„lid van een instelling” : een lid van het Europees Parlement, een lid van de Europese Raad, een vertegenwoordiger van een lidstaat op ministerniveau in de Raad, een lid van de Commissie, een lid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), een lid van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank of een lid van de Rekenkamer, met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht bij het vervullen van taken in die hoedanigheid.

▼M2

Artikel 3

Externe onderzoeken

1.  
Op de in artikel 1 bedoelde terreinen verricht het Bureau controles en verificaties ter plaatse in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.
2.  
Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse overeenkomstig deze verordening en, in zoverre deze niet onder deze verordening vallen, overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.
3.  
Marktdeelnemers verlenen het Bureau medewerking tijdens zijn onderzoeken. Het Bureau kan om schriftelijke en mondelinge informatie verzoeken, inclusief door middel van een onderhoud.
4.  
Wanneer de betrokken marktdeelnemer zich, overeenkomstig lid 3 van dit artikel, onderwerpt aan een controle en verificatie ter plaatse waarvoor op grond van deze verordening machtiging is verleend, zijn artikel 2, lid 4, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, en artikel 6, lid 1, derde alinea, en artikel 7, lid 1, van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 niet van toepassing in zoverre die bepalingen naleving van het nationale recht vereisen en de toegang tot informatie en documenten van het Bureau kunnen beperken onder dezelfde voorwaarden als die welke op de nationale administratieve controleurs van toepassing zijn.
5.  
De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verleent de personeelsleden van het Bureau op verzoek van het Bureau zonder onnodige vertraging de nodige bijstand om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, als omschreven in de in artikel 7, lid 2, bedoelde schriftelijke machtiging.

Overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de personeelsleden van het Bureau toegang krijgen tot alle informatie en documenten in verband met de onderzochte feiten die nodig blijken voor het doelmatige en doeltreffende verloop van de controles en verificaties ter plaatse, en dat zij documenten of gegevens kunnen veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur onderworpen worden aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie onder dezelfde voorwaarden als waaronder en in dezelfde mate als waarin de nationale controleautoriteiten onderzoek mogen doen naar apparatuur in particulier bezit, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

6.  
Indien de personeelsleden van het Bureau vaststellen dat een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle en verificatie ter plaatse die op grond van deze verordening is toegestaan, namelijk indien de marktdeelnemer weigert het Bureau de nodige toegang te verlenen tot zijn gebouwen of andere plaatsen voor professioneel gebruik, informatie verhult of verhindert dat de activiteiten worden uitgevoerd die het Bureau in het kader van een controle en verificatie ter plaatse moet verrichten, verlenen de bevoegde autoriteiten, inclusief, waar passend, rechtshandhavingsinstanties van de betrokken lidstaat, de nodige bijstand aan het personeel van het Bureau, zodat het Bureau zijn controle en verificatie ter plaatse doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan verrichten.

Wanneer zij overeenkomstig dit lid of lid 5 bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die van toepassing zijn op de betrokken bevoegde autoriteit. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor dergelijke bijstand de toestemming van een gerechtelijke autoriteit vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

7.  
Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse op vertoon van een schriftelijke machtiging in de zin van artikel 7, lid 2. Het verstrekt, uiterlijk bij aanvang van de controle en verificatie ter plaatse, de betrokken marktdeelnemer informatie over de procedure die bij de controle en verificatie ter plaatse moet worden gevolgd, inclusief de toepasselijke procedurele waarborgen, en over de plicht tot medewerking van de marktdeelnemer.
8.  
In de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden eerbiedigt het Bureau de procedurewaarborgen waarin deze verordening en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorzien. Bij een controle en verificatie ter plaatse heeft de betrokken marktdeelnemer het recht om geen zichzelf belastende verklaringen af te leggen en het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze. Bij het afleggen van verklaringen tijdens een controle en verificatie ter plaatse krijgt de marktdeelnemer de mogelijkheid om een van de officiële talen van de lidstaat waar hij gevestigd is, te gebruiken. Het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze belet niet dat het Bureau toegang heeft tot de gebouwen van de marktdeelnemer, en mag het begin van de controle en verificatie ter plaatse niet onnodig vertragen.
9.  
Indien een lidstaat niet met het Bureau samenwerkt overeenkomstig de leden 5 en 6, kan de Commissie de relevante bepalingen van het Unierecht toepassen om de middelen in verband met de betrokken controle en verificatie ter plaatse terug te vorderen.
10.  
In het kader van zijn onderzoekstaak verricht het Bureau de controles en verificaties waarin artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en de in artikel 9, lid 2, van die verordening bedoelde sectorale regelingen voorzien, in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.
11.  
Tijdens een extern onderzoek kan het Bureau toegang verkrijgen tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. In dat geval is artikel 4, leden 2 en 4, van toepassing.
12.  
Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een extern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de instellingen, organen en instanties in kwestie hiervan in kennis stellen.

Onverminderd de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde sectorale regelingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten ervoor dat passende actie wordt ondernomen, waaraan het Bureau overeenkomstig het nationale recht kan deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen het Bureau desgevraagd in kennis van de naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van hun bevindingen met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanwijzingen.

▼B

Artikel 4

Interne onderzoeken

▼M2

1.  
Onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties op de in artikel 1 bedoelde terreinen worden verricht overeenkomstig deze verordening en de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie („intern onderzoek”).
2.  

Tijdens interne onderzoeken:

a) 

heeft het Bureau zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur worden onderworpen aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie voor zover de apparatuur wordt gebruikt voor professionele doeleinden, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

Het Bureau is bevoegd om de boekhouding van de instellingen, organen en instanties te controleren. Het Bureau kan alle documenten en de inhoud van alle informatiedragers die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen en kan, zo nodig, deze documenten of gegevens veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen;

b) 

kan het Bureau ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden verzoeken om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie, die grondig gedocumenteerd is overeenkomstig de toepasselijke Unieregels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

3.  
Volgens dezelfde regels en voorwaarden als bedoeld in artikel 3 kan het Bureau controles en verificaties ter plaatse verrichten in de gebouwen van marktdeelnemers om toegang te krijgen tot relevante informatie over de onderzochte feiten bij de instellingen, organen en instanties.
4.  
De instellingen, organen en instanties worden ingelicht wanneer de personeelsleden van het Bureau een intern onderzoek in hun gebouwen verrichten, documenten of gegevens raadplegen of verzoeken om informatie die die instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben. Onverminderd de artikelen 10 en 11 kan het Bureau in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie meedelen.

▼B

5.  
De instellingen, organen en instanties voeren passende procedures in en nemen de maatregelen die nodig zijn om in alle stadia het vertrouwelijke karakter van interne onderzoeken te waarborgen.
6.  
Indien bij een intern onderzoek blijkt dat een ambtenaar, een ander personeelslid, een lid van een instelling of orgaan, een hoofd van een instantie of een personeelslid een betrokken persoon zou kunnen zijn, wordt de instelling, het orgaan of de instantie waartoe die persoon behoort, daarvan in kennis gesteld.

In gevallen waarin het vertrouwelijk karakter van het interne onderzoek niet met behulp van de gebruikelijke communicatiekanalen kan worden gewaarborgd, gebruikt het Bureau passende alternatieve kanalen voor de doorgifte van informatie.

In uitzonderlijke gevallen kan het verstrekken van die informatie worden uitgesteld op grond van een met redenen omkleed besluit van de directeur-generaal, waarvan het Comité van toezicht na de beëindiging van het onderzoek in kennis wordt gesteld.

7.  
De in lid 1 bedoelde besluiten van de respectieve instellingen, organen en instanties omvatten in het bijzonder een regel betreffende de verplichting voor ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden om samen te werken met en informatie te verstrekken aan het Bureau, met inachtneming van het vertrouwelijke karakter van het interne onderzoek.

▼M2

8.  
Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een intern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie hiervan in kennis stellen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau desgevraagd in kennis van naar aanleiding daarvan ondernomen acties en van de bevindingen met betrekking tot de hierboven bedoelde aanwijzingen.

▼B

Indien nodig stelt het Bureau ook de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat in kennis. In dat geval zijn de procedurevereisten van artikel 9, lid 4, tweede en derde alinea, van toepassing. Indien de bevoegde autoriteiten besluiten om naar aanleiding van de aan hen doorgegeven informatie overeenkomstig het nationale recht actie te ondernemen, stellen zij het Bureau desgevraagd daarvan in kennis.

Artikel 5

Opening van een onderzoek

▼M2

1.  
Onverminderd artikel 12 quinquies kan de directeur-generaal een onderzoek openen bij voldoende ernstige vermoedens van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de informatie dienaangaande door derden of anoniem wordt verstrekt. Bij dat besluit om een onderzoek te openen kan tevens worden gelet op het efficiënte gebruik van de middelen van het Bureau en het proportionele karakter van de gebruikte middelen. Bij interne onderzoeken wordt met name nagegaan welke instelling, welk orgaan of welke instantie het best geplaatst is om het onderzoek te verrichten, op basis van met name de aard van de feiten, de daadwerkelijke of potentiële financiële gevolgen van het geval in kwestie, en de kans op gerechtelijke follow-up.
2.  
Het besluit om een onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, of op verzoek van een lidstaat.
3.  
Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, of wanneer het Bureau een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met het Bureau is overeengekomen.

Dit lid is niet van toepassing op onderzoeken door het EOM op grond van Verordening (EU) 2017/1939.

▼B

4.  
Binnen twee maanden nadat het Bureau een verzoek als bedoeld in lid 2 heeft ontvangen, wordt het besluit genomen om al dan niet een onderzoek te openen. Dit besluit wordt onverwijld meegedeeld aan de lidstaat, de instelling, het orgaan of de instantie waarvan het verzoek is uitgegaan. Een besluit om geen onderzoek te openen wordt met redenen omkleed. Indien het Bureau na afloop van de termijn van twee maanden geen enkel besluit heeft genomen, wordt het Bureau geacht het besluit te hebben genomen om geen onderzoek in te stellen.

Wanneer een ambtenaar, een ander personeelslid, een lid van een instelling of orgaan, een hoofd van een instantie of een personeelslid overeenkomstig artikel 22 bis van het Ambtenarenstatuut, aan het Bureau informatie verstrekt over een vermoeden van fraude of onregelmatigheid, stelt het Bureau die persoon in kennis van het besluit om al dan niet een onderzoek naar de feiten in kwestie te openen.

▼M2

5.  
Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, kan hij alle relevante informatie, naargelang het geval, onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, of aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig de op de instelling, het orgaan of de instantie toepasselijke regels. Waar passend komt het Bureau met de instelling, het orgaan of de instantie passende maatregelen overeen om de bron van die informatie geheim te houden, en zo nodig vraagt het Bureau om in kennis te worden gesteld van de ondernomen actie.
6.  
Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, hoewel er voldoende ernstige vermoedens bestaan dat er sprake is geweest van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doet hij de in lid 5 bedoelde informatie onverwijld toekomen.

▼B

Artikel 6

Toegang tot informatie in databases voordat een onderzoek wordt ingesteld

1.  
Het Bureau heeft het recht om, voordat er een onderzoek wordt geopend, toegang te krijgen tot alle relevante informatie in databases die worden beheerd door de instellingen, organen en instanties wanneer dit onontbeerlijk is om te beoordelen of vermoedens op feitelijke gronden gebaseerd zijn. Dat recht van toegang wordt uitgeoefend binnen de door het Bureau te bepalen termijn die noodzakelijk is om de gegrondheid van de vermoedens snel te kunnen beoordelen. Bij de uitoefening van zijn recht van toegang neemt het Bureau de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht.
2.  
De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie betoont loyale samenwerking door het Bureau toe te staan alle relevante informatie te vergaren; de voorwaarden voor het vergaren van de informatie worden vastgesteld in de in artikel 4, lid 1, bedoelde besluiten.

Artikel 7

Uitvoering van de onderzoeken

▼M2

1.  
De directeur-generaal geeft leiding aan het verrichten van onderzoeken, waar passend op basis van schriftelijke instructies. Onderzoeken worden onder zijn leiding uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die hij heeft aangewezen. De directeur-generaal voert zelf geen concrete onderzoekshandelingen uit.

▼B

2.  
De personeelsleden van het Bureau verrichten hun taken na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin hun identiteit en hun hoedanigheid zijn vermeld. De directeur-generaal verstrekt die machtiging, waarin het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.

▼M2

3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen de personeelsleden van het Bureau de nodige bijstand zodat die hun taken overeenkomstig deze verordening effectief en zonder onnodige vertraging kunnen uitvoeren. Wanneer zij zulke bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die op hen van toepassing zijn.
3 bis.  

Op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, met betrekking tot de onderzochte feiten, verstrekken de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Bureau onder dezelfde voorwaarden als deze die op de nationale bevoegde autoriteiten van toepassing zijn, de volgende informatie:

a) 

informatie beschikbaar in de in artikel 32 bis, lid 3, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen;

b) 

indien dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, de registratiegegevens van transacties.

Het verzoek van het Bureau bevat een motivering van de geschiktheid en proportionaliteit van de maatregel met betrekking tot de aard en de ernst van de onderzochte feiten. Dergelijke verzoeken hebben alleen betrekking op de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde informatie.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de betrokken bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de punten a) en b) van de eerste alinea.

3 ter.  
De instellingen, organen en instanties zien erop toe dat hun ambtenaren, andere personeelsleden, leden, hoofden en personeelsleden de nodige bijstand verlenen, opdat het personeel van het Bureau zijn taken doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan uitoefenen.

▼B

4.  
Indien een onderzoek zowel externe als interne aspecten omvat, zijn respectievelijk artikel 3 en artikel 4 van toepassing.
5.  
De onderzoeken worden zonder onderbreking verricht gedurende een periode die in redelijke verhouding moet staan tot de omstandigheden en de complexiteit van de zaak.
6.  

Wanneer in de loop van een onderzoek blijkt dat het wenselijk zou kunnen zijn om administratieve voorzorgsmaatregelen te nemen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, stelt het Bureau de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie onverwijld in kennis van het lopende onderzoek. Hierbij wordt de volgende informatie verstrekt:

a) 

de identiteit van de betrokken ambtenaar, het betrokken ander personeelslid, het betrokken lid van een instelling of orgaan, het betrokken hoofd van een instantie of het betrokken personeelslid en een samenvatting van de feiten;

▼M2

b) 

alle informatie die de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan helpen bij het nemen van een besluit over passende administratieve voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;

▼B

c) 

de aanbevolen bijzondere maatregelen inzake geheimhouding, met name wanneer onderzoeksmaatregelen worden gebruikt die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit behoren, of in het geval van een extern onderzoek tot de bevoegdheid van een nationale autoriteit, overeenkomstig de op onderzoeken toepasselijke nationale voorschriften.

▼M2

De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan te allen tijde het Bureau raadplegen om, in nauwe samenwerking met het Bureau, te besluiten alle passende voorzorgsmaatregelen te nemen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau onverwijld in kennis van alle voorzorgsmaatregelen die zijn genomen.

▼B

7.  
Indien noodzakelijk zijn de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gehouden om, op verzoek van het Bureau, passende voorzorgsmaatregelen nemen conform hun nationale recht, in het bijzonder maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen.

▼M2

8.  
Indien een onderzoek niet kan worden afgesloten binnen twaalf maanden nadat het is geopend, brengt de directeur-generaal, na het verstrijken van die twaalf maanden, en vervolgens om de zes maanden, verslag uit aan het Comité van toezicht, onder vermelding van de redenen die het oponthoud veroorzaken en, waar passend, de beoogde maatregelen om het onderzoek sneller te doen verlopen.

Artikel 8

Verplichte informatieverstrekking aan het Bureau

1.  
Op de in artikel 1 bedoelde terreinen geven de instellingen, organen en instanties alle informatie betreffende mogelijke gevallen van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, onverwijld aan het Bureau door.

Wanneer de instellingen, organen en instanties overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 aan het EOM een melding doen, kunnen zij voldoen aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde verplichting door aan het Bureau een afschrift van de aan het EOM toegezonden melding door te geven.

2.  
De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geven op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief onverwijld alle documenten en informatie in hun bezit die verband houden met een lopend onderzoek van het Bureau aan het Bureau door.

Voorafgaand aan de opening van een onderzoek geven zij, op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, alle documenten of informatie in hun bezit door die nodig zijn om de vermoedens te beoordelen of om de in artikel 5, lid 1, vastgestelde criteria voor de opening van een onderzoek toe te passen.

3.  
De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geven onverwijld, op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief, alle andere relevant geachte informatie, documenten of gegevens in hun bezit die verband houden met de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, aan het Bureau door.
4.  
Dit artikel is niet van toepassing op het EOM met betrekking tot strafbare feiten ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939.

Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het EOM om het Bureau relevante informatie over zaken te verstrekken overeenkomstig artikel 34, lid 8, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 4, en artikel 101, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2017/1939.

5.  
De bepalingen met betrekking tot de doorgifte van informatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad ( 5 ) blijven onverlet.

▼B

Artikel 9

Procedurewaarborgen

1.  
De onderzoeken van het Bureau zijn gericht op zowel belastende als ontlastende feiten. De onderzoeken worden op objectieve en onpartijdige wijze verricht met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld en de in dit artikel vastgestelde procedurewaarborgen.
2.  
Het Bureau kan op eender welk tijdstip van een onderzoek een betrokken persoon of een getuige in een onderhoud horen. Een gehoorde persoon heeft het recht om niet tegen zichzelf te getuigen.

De uitnodiging voor een onderhoud met een betrokken persoon wordt ten minste tien werkdagen van tevoren toegezonden. Deze termijn kan worden verkort met de uitdrukkelijke instemming van de betrokken persoon of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek. In het laatste geval mag die termijn in geen geval minder dan 24 uur bedragen. De uitnodiging bevat een opsomming van de rechten van de betrokken persoon en vermeldt in het bijzonder het recht zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze.

De uitnodiging voor een onderhoud met een getuige wordt ten minste 24 uur van tevoren toegezonden. Deze termijn kan worden verkort met de uitdrukkelijke instemming van de getuige of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek.

▼M2

De in de tweede en de derde alinea bedoelde voorschriften gelden niet voor het afnemen van verklaringen in het kader van controles en verificaties ter plaatse. De in artikel 3, leden 7 en 8, bedoelde procedurewaarborgen gelden voor de betrokken persoon, met name het recht om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze.

▼B

Wanneer tijdens het onderhoud blijkt dat een getuige een betrokken persoon zou kunnen zijn, wordt het onderhoud beëindigd. De procedureregels van dit lid en van de leden 3 en 4 worden onmiddellijk van toepassing. De getuige wordt onmiddellijk geïnformeerd over zijn rechten als betrokken persoon en ontvangt op zijn verzoek een afschrift van opgetekende, in het verleden door hem afgelegde verklaringen. Het Bureau mag verklaringen die de persoon in het verleden heeft afgelegd, niet tegen hem gebruiken zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen die verklaringen van opmerkingen te voorzien.

Het Bureau stelt over elk onderhoud een verslag op en geeft de gehoorde persoon hierin inzage, zodat hij het kan goedkeuren dan wel er opmerkingen over kan maken. Het Bureau verstrekt de betrokken persoon een afschrift van het verslag van het onderhoud.

3.  
Zodra in een onderzoek blijkt dat een ambtenaar, een ander personeelslid, een lid van een instelling of orgaan, een hoofd van een instantie of een personeelslid een betrokken persoon zou kunnen zijn, wordt deze ambtenaar, dit ander personeelslid, dit lid van een instelling of orgaan, dit hoofd van een instantie of dit personeelslid daarvan in kennis gesteld, voor zover dit niet schadelijk is voor het verloop van het onderzoek of van enige onderzoeksprocedure die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit behoort.
4.  
Onverminderd artikel 4, lid 6, en artikel 7, lid 6, mogen na afloop van het onderzoek geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon worden getrokken zonder dat die persoon in de gelegenheid wordt gesteld om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben.

▼M2

Daartoe nodigt het Bureau de betrokken persoon uit om schriftelijk dan wel in een onderhoud met door het Bureau aangewezen personeelsleden zijn oordeel over de feiten te geven. De uitnodiging bevat een samenvatting van de feiten die de betrokken persoon betreffen, alsmede de bij de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 voorgeschreven informatie, en vermeldt de termijn voor het indienen van opmerkingen, die ten minste tien werkdagen vanaf de ontvangst van de uitnodiging tot het maken van opmerkingen bedraagt. Die termijn kan worden ingekort met de uitdrukkelijke instemming van de betrokken persoon of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek. In het eindverslag van het onderzoek wordt naar dat oordeel verwezen.

In terdege gemotiveerde gevallen waarin het nodig is het vertrouwelijk karakter van het onderzoek of een lopend of toekomstig strafrechtelijk onderzoek door het EOM of een nationale gerechtelijke autoriteit veilig te stellen, kan de directeur-generaal, waar passend na raadpleging van het EOM of de betrokken nationale gerechtelijke autoriteit, besluiten de nakoming van de verplichting om de betrokken persoon uit te nodigen zijn opmerkingen te maken, uit te stellen.

▼B

In gevallen als bedoeld in artikel 1, lid 2, bijlage IX, van het Ambtenarenstatuut wordt het feit dat de instelling, het orgaan of de instantie niet binnen een termijn van een maand reageert op het verzoek van de directeur-generaal tot opschorting van de nakoming van de verplichting om de betrokken persoon uit te nodigen zijn oordeel over de feiten te geven, als een positief antwoord opgevat.

5.  
Een gehoorde persoon heeft het recht zich uit te drukken in een van de officiële talen van de instellingen van de Unie. Van ambtenaren of andere personeelsleden van de Unie kan echter worden verlangd dat zij zich uitdrukken in een officiële taal van de instellingen van de Unie die zij goed beheersen.

▼M2

Artikel 9 bis

Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.  
De Commissie benoemt, volgens de in lid 2 bedoelde procedure, een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (de „Toezichthouder”) voor een niet-verlengbare ambtstermijn van vijf jaar. Na afloop van die ambtstermijn blijft de Toezichthouder in functie totdat in zijn vervanging is voorzien.
2.  
De Toezichthouder is administratief verbonden aan het Comité van toezicht. Het secretariaat van het Comité van toezicht verleent de Toezichthouder alle nodige administratieve en juridische ondersteuning.
3.  
De Commissie wijst het personeel en de financiële middelen die nodig zijn voor de Toezichthouder, binnen haar goedgekeurde begroting toe aan het Comité van toezicht.
4.  
Na een oproep tot kandidaatstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie een lijst op van geschikte kandidaten voor het ambt van Toezichthouder. De Commissie benoemt de Toezichthouder na het Europees Parlement en de Raad te hebben geraadpleegd.
5.  
De Toezichthouder beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van procedurewaarborgen.
6.  
De Toezichthouder oefent zijn functies in volledige onafhankelijkheid uit, onder meer onafhankelijk van het Bureau en van het Comité van toezicht, en vraagt noch aanvaardt daarbij instructies van anderen.
7.  
Indien de Toezichthouder niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan hij door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming van zijn functie worden ontheven.
8.  
Op grond van het in artikel 9 ter bedoelde mechanisme houdt de Toezichthouder toezicht op de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen en van de regels die van toepassing zijn op de onderzoeken van het Bureau. De Toezichthouder is verantwoordelijk voor de behandeling van de in artikel 9 ter bedoelde klachten.
9.  
De Toezichthouder brengt over de uitoefening van deze functie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau. In dat verslag verwijst hij niet naar afzonderlijke onderzoeken en neemt hij de vertrouwelijkheid van onderzoeken in acht, zelfs als deze zijn afgesloten. De Toezichthouder brengt verslag uit aan het Comité van toezicht over alle structurele problemen die voortvloeien uit zijn aanbevelingen.

Artikel 9 ter

Klachtenmechanisme

1.  
Een betrokken persoon heeft het recht een klacht in te dienen bij de Toezichthouder met betrekking tot de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen, alsmede wegens schending van de regels die van toepassing zijn op onderzoeken van het Bureau, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten. De indiening van een klacht heeft geen opschortend effect op de uitvoering van het onderzoek waarop de klacht betrekking heeft.
2.  
De betrokken persoon beschikt over een termijn van één maand nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die beweerdelijk een schending vormen van de procedurewaarborgen of regels bedoeld in lid 1 van dit artikel, om een klacht hierover in te dienen. Er kan hoe dan ook geen klacht meer worden ingediend als het onderzoek langer dan één maand is afgesloten.

Klachten met betrekking tot de in artikel 9, leden 2 en 4, bedoelde termijn worden evenwel ingediend vóór het verstrijken van de in die bepalingen bedoelde termijn van tien dagen.

3.  
Na ontvangst van een klacht stelt de Toezichthouder de directeur-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

Binnen tien werkdagen na de dag van ontvangst bepaalt de Toezichthouder of aan de leden 1 en 2 is voldaan.

Indien aan de leden 1 en 2 is voldaan, verzoekt de Toezichthouder het Bureau om actie te ondernemen teneinde de klacht op te lossen en de Toezichthouder hiervan binnen 15 werkdagen op de hoogte te stellen.

Indien niet aan lid 1 of lid 2 is voldaan, sluit de Toezichthouder het dossier af en stelt hij de klager daarvan onverwijld in kennis.

4.  
Onverminderd artikel 10 verstrekt het Bureau aan de Toezichthouder alle informatie die nodig is om de Toezichthouder in staat te stellen te beoordelen of de klacht gerechtvaardigd is, alsmede informatie om de klacht te kunnen oplossen en om de Toezichthouder in staat te stellen een aanbeveling uit te brengen.
5.  
De Toezichthouder brengt onverwijld een aanbeveling uit over de wijze waarop de klacht kan worden opgelost, en hoe dan ook binnen twee maanden nadat het Bureau de Toezichthouder in kennis heeft gesteld van de maatregelen die het heeft genomen om de klacht op te lossen. Indien de Toezichthouder geen informatie heeft ontvangen binnen de in lid 3, derde alinea, bedoelde termijn van 15 dagen, brengt hij binnen twee maanden na het verstrijken van die termijn een aanbeveling uit.

In uitzonderlijke gevallen kan de Toezichthouder besluiten de termijn voor het uitbrengen van een aanbeveling met nog eens 15 kalenderdagen te verlengen. De Toezichthouder stelt de directeur-generaal schriftelijk in kennis van de redenen voor een dergelijke verlenging.

De Toezichthouder kan aanbevelen dat het Bureau zijn aanbevelingen of verslagen wijzigt of intrekt wegens schending van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen of van de regels die van toepassing zijn op door het Bureau uitgevoerde onderzoeken, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten.

Voordat de Toezichthouder een aanbeveling uitbrengt, raadpleegt hij het Comité van Toezicht met het oog op het verkrijgen van een advies.

De Toezichthouder dient de aanbeveling in bij het Bureau en stelt de klager hiervan in kennis.

Indien de Toezichthouder binnen de in dit lid bepaalde termijnen geen aanbeveling uitbrengt, wordt aangenomen dat de Toezichthouder de klacht zonder aanbeveling heeft afgewezen.

6.  
Zonder inmenging in het lopende onderzoek beoordeelt de Toezichthouder de klacht volgens een contradictoire procedure.

De Toezichthouder kan ook getuigen verzoeken om schriftelijk of mondeling toelichtingen te verstrekken die hij relevant acht om de feiten te beoordelen. Getuigen mogen weigeren om dergelijke toelichtingen te verstrekken.

7.  
De directeur-generaal neemt de passende maatregelen die op grond van de aanbeveling geboden zijn. Indien de directeur-generaal besluit geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder, deelt hij de klager en de Toezichthouder de voornaamste redenen voor dat besluit mee, tenzij een dergelijke mededeling het lopende onderzoek zou beïnvloeden. De directeur-generaal zet de redenen om geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder uiteen in een nota die bij het eindverslag van het onderzoek wordt gevoegd.
8.  
Het klachtenmechanisme op grond van dit artikel laat de rechtsmiddelen uit hoofde van de Verdragen, met inbegrip van rechtsvorderingen tot schadevergoeding, onverlet.
9.  
De directeur-generaal kan de Toezichthouder om advies vragen over elke aangelegenheid die verband houdt met procedurewaarborgen of grondrechten en die binnen het mandaat van de Toezichthouder valt, ook over een besluit uit hoofde van artikel 9, lid 3, om het in kennis stellen van de betrokkene uit te stellen. De directeur-generaal vermeldt in een dergelijk verzoek binnen welke termijn de Toezichthouder moet antwoorden.
10.  
Onverminderd de termijnen waarin artikel 90 van het Statuut voorziet, wacht in gevallen waarin door een ambtenaar of een ander personeelslid van de Unie een klacht overeenkomstig artikel 90 bis van het Statuut is ingediend bij de directeur-generaal en een klacht over dezelfde aangelegenheid is ingediend bij de Toezichthouder, de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder af voordat hij de klacht beantwoordt.
11.  
De Toezichthouder stelt, na raadpleging van het Comité van toezicht, uitvoeringsbepalingen vast voor de behandeling van klachten.

Die uitvoeringsbepalingen omvatten met name nadere regels over:

a) 

het indienen van een klacht;

b) 

het uitwisselen van informatie tussen het Comité van toezicht, de Toezichthouder en de directeur-generaal;

c) 

de procedure voor het behandelen van de kwesties die in een klacht door het Bureau aan de orde zijn gesteld;

d) 

het onderzoek van een klacht in een contradictoire procedure overeenkomstig lid 6, eerste alinea;

e) 

de uitvaardiging en mededeling van de aanbeveling van de Toezichthouder;

f) 

terdege gemotiveerde gevallen waarin de directeur-generaal kan afwijken van de aanbeveling van de Toezichthouder en de in dergelijke gevallen te volgen procedure.

▼B

Artikel 10

Geheimhouding en gegevensbescherming

1.  
De in het kader van externe onderzoeken doorgegeven of verkregen gegevens zijn, ongeacht de vorm ervan, beschermd door de bepalingen die betrekking hebben op deze onderzoeken.
2.  
De in het kader van interne onderzoeken doorgegeven of verkregen gegevens vallen, ongeacht de vorm ervan, onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming van de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van de Unie.
3.  
De betrokken instellingen, organen en instanties zien erop toe dat het vertrouwelijk karakter van de onderzoeken van het Bureau, de wettelijke rechten van de betrokken personen en, ingeval er gerechtelijke procedures lopen, alle op deze procedures toepasselijke nationale voorschriften, worden geëerbiedigd.

▼M2

3 bis.  
Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad ( 6 ) is van toepassing op het melden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, en op de bescherming van personen die melding maken van dergelijke inbreuken.
3 ter.  
Indien het Bureau een gerechtelijke follow-up aanbeveelt, onverminderd de vertrouwelijkheidsrechten van klokkenluiders en informanten, en overeenkomstig de toepasselijke regels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, kan de betrokken persoon het Bureau verzoeken om het uit hoofde van artikel 11 opgestelde verslag te verstrekken voor zover het op hem betrekking heeft. Het Bureau stelt alle ontvangers van dat verslag onverwijld in kennis van dat verzoek en verleent uitsluitend toegang met de uitdrukkelijke toestemming van de ontvangers. De ontvangers reageren binnen een termijn van twaalf maanden na ontvangst van het verzoek. Indien binnen die termijn geen bezwaar wordt aangetekend, verleent het Bureau toegang.

De bevoegde autoriteit kan het Bureau ook toestemming verlenen om vóór het verstrijken van die termijn toegang te verlenen.

▼M2

4.  
Het Bureau wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725.

▼M1

De functionaris voor gegevensbescherming is bevoegd voor de verwerking van gegevens door het Bureau en door het secretariaat van het Comité van toezicht.

▼B

5.  
De directeur-generaal zorgt ervoor dat het verstrekken van informatie aan het publiek op neutrale en onpartijdige wijze gebeurt en dat de openbaarmaking van die informatie geschiedt met inachtneming van het vertrouwelijke karakter van onderzoeken en in overeenstemming is met de beginselen van dit artikel en van artikel 9, lid 1.

▼M1

Overeenkomstig het Ambtenarenstatuut is het de personeelsleden van het Bureau en het personeel van het secretariaat van het Comité van toezicht verboden informatie waarvan zij in hun ambt kennis hebben genomen, aan onbevoegden mede te delen, tenzij die informatie reeds rechtmatig openbaar of voor het publiek toegankelijk is gemaakt; ook na beëindiging van de dienst blijft deze verplichting op de personeelsleden rusten.

De leden van het Comité van toezicht zijn gebonden aan dezelfde geheimhoudingsplicht in het kader van de uitoefening van hun taken, en blijven na afloop van hun mandaat aan die plicht gebonden.

▼B

Artikel 11

Verslag en naar aanleiding van onderzoeken te ondernemen actie

1.  
Na afloop van een onderzoek door het Bureau wordt onder gezag van de directeur-generaal een verslag opgesteld. Daarin wordt gewag gemaakt van de rechtsgrondslag van het onderzoek, het verloop van de procedure, de geconstateerde feiten, de voorlopige juridische kwalificatie en de inschatting van de financiële gevolgen van die feiten, de inachtneming van de procedurewaarborgen overeenkomstig artikel 9 en de conclusies van het onderzoek.

▼M2

Het verslag gaat waar passend vergezeld van aanbevelingen van de directeur-generaal betreffende te ondernemen actie. Die aanbevelingen vermelden waar passend of er door de instellingen, organen en instanties en door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten tuchtrechtelijke, administratiefrechtelijke, financiële of gerechtelijke acties moeten worden ondernomen; in het bijzonder worden de geschatte in te vorderen bedragen en de voorlopige juridische kwalificatie van de geconstateerde feiten vermeld.

2.  

Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen worden de desbetreffende bepalingen van Unierecht en, in zoverre het van toepassing is, van het nationale recht van de betrokken lidstaat in aanmerking genomen.

Verslagen die op basis van de eerste alinea worden opgesteld, vormen, samen met alle bewijsstukken ter ondersteuning van en als bijlage bij die verslagen, toelaatbare bewijsmiddelen:

a) 

in niet-strafrechtelijke procedures voor de nationale rechter en in administratieve procedures in de lidstaten;

b) 

in strafrechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen, en zij worden beoordeeld volgens dezelfde regels als administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs en hebben dezelfde bewijskracht;

c) 

in gerechtelijke procedures voor het HvJ-EU en in administratieve procedures binnen de instellingen, organen en instanties.

De lidstaten stellen het Bureau in kennis van alle regels van nationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van punt b) van de tweede alinea.

Met betrekking tot punt b) van de tweede alinea zenden de lidstaten het Bureau op zijn verzoek de definitieve beslissing van de nationale rechters toe zodra de betrokken gerechtelijke procedures zijn voltooid en de definitieve rechterlijke beslissing openbaar is geworden.

Deze verordening laat de bevoegdheid van het HvJ-EU en de nationale rechter en de bevoegde instanties in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures om de bewijskracht van de door het Bureau opgestelde verslagen te beoordelen, onverlet.

2 bis.  
Het Bureau neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen een consistente kwaliteit hebben.
3.  
De na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle daarmee verband houdende documenten worden overeenkomstig de regels betreffende externe onderzoeken toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, indien noodzakelijk, aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat en, indien van toepassing, de instellingen, de organen of de instanties, ondernemen de acties die op grond van de resultaten van het externe onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan het Bureau binnen de in de aanbevelingen bij het verslag bepaalde termijn, en daarnaast op verzoek van het Bureau. De lidstaten kunnen het Bureau in kennis stellen van de betrokken nationale instanties die bevoegd zijn om dergelijke verslagen, aanbevelingen en documenten te behandelen.

▼B

4.  
De na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle relevante daarmee verband houdende documenten worden aan de betrokken instellingen, organen of instanties toegezonden. Die instellingen, organen of instanties ondernemen de acties, in het bijzonder de acties van tuchtrechtelijke of juridische aard, die op grond van de resultaten van het interne onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan het Bureau binnen de in de aanbevelingen die het verslag vergezellen bepaalde termijn, en bovendien op verzoek van het Bureau.

▼M2

5.  
Wanneer uit het na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslag blijkt dat sprake is van strafrechtelijk vervolgbare feiten, wordt die informatie, samen met de aanbevelingen, onverwijld doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat, onverminderd de artikelen 12 quater en 12 quinquies.

Op verzoek van het Bureau zenden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, binnen een in de aanbevelingen vastgestelde termijn, het Bureau informatie over de genomen maatregelen, zo die er zijn, en, waar toepasselijk, de redenen waarom de aanbevelingen niet zijn uitgevoerd, nadat het Bureau overeenkomstig de eerste alinea van dit lid informatie heeft verstrekt.

▼M2 —————

▼B

7.  
Onverminderd lid 4, indien na afloop van een onderzoek de betrokken persoon geen enkel feit ten laste kan worden gelegd, sluit de directeur-generaal het onderzoek betreffende die persoon en stelt hij de betrokken persoon daarvan binnen tien werkdagen in kennis.

▼M2

8.  
Wanneer een informant het Bureau informatie heeft verstrekt die tot het onderzoek heeft geleid, stelt het Bureau die informant ervan in kennis dat het onderzoek is afgesloten, tenzij het van oordeel is dat die informatie de legitieme belangen van de betrokken persoon en de doeltreffendheid van het onderzoek en van de in aansluiting daarop genomen maatregelen, of vertrouwelijkheidsvereisten schaadt.

▼B

Artikel 12

Uitwisseling van informatie tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten

▼M2

1.  
Onverminderd de artikelen 10 en 11 van deze verordening en de bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 kan het Bureau de informatie die het in het kader van externe onderzoeken heeft verkregen, te gelegener tijd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten doorgeven teneinde hen in staat te stellen overeenkomstig hun nationale recht passende actie te ondernemen. Het kan dergelijke informatie ook doorgeven aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie.

▼B

2.  
Onverminderd de artikelen 10 en 11 geeft de directeur-generaal aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat de informatie door die het Bureau in het kader van interne onderzoeken heeft verkregen over feiten die tot de bevoegdheid van een nationale gerechtelijke autoriteit behoren.

Overeenkomstig artikel 4 en onverminderd artikel 10 geeft de directeur-generaal aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie de in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie door, met inbegrip van de identiteit van de betrokken persoon, een samenvatting van de geconstateerde feiten, de voorlopige juridische kwalificatie van die feiten en de inschatting van de gevolgen ervan voor de financiële belangen van de Unie.

Artikel 9, lid 4, is van toepassing.

▼M2

3.  
De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat stellen, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, het Bureau onverwijld en in elk geval binnen twaalf maanden na ontvangst van de overeenkomstig dit artikel aan hen doorgegeven informatie in kennis van de actie die zij naar aanleiding van die informatie hebben ondernomen.

▼B

4.  
Het Bureau kan in procedures voor de nationale rechterlijke instanties bewijsmateriaal naar voren brengen conform het nationale recht en het Ambtenarenstatuut.

▼M2

5.  
Het Bureau kan relevante informatie verstrekken aan het Eurofisc-netwerk dat bij Verordening (EU) nr. 904/2010 is ingesteld. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen het Bureau relevante inlichtingen uit het Eurofisc-netwerk verstrekken overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 904/2010.

Artikel 12 bis

Coördinatiediensten fraudebestrijding

1.  
Voor de toepassing van deze verordening wijst elke lidstaat een instantie (de „coördinatiedienst fraudebestrijding”) aan om een effectieve samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, met het Bureau te faciliteren. De coördinatiedienst fraudebestrijding kan, waar passend en overeenkomstig het nationale recht, voor de toepassing van deze verordening als een bevoegde autoriteit worden beschouwd.
2.  
Op verzoek van het Bureau en voordat een besluit is genomen of er al dan niet een onderzoek wordt geopend, en ook tijdens of na een onderzoek, verlenen of coördineren de coördinatiediensten fraudebestrijding de nodige bijstand opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. Die bijstand omvat met name de bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die overeenkomstig artikel 3, leden 5 en 6, artikel 7, lid 3, en artikel 8, leden 2 en 3, wordt verleend.
3.  
De coördinatiediensten fraudebestrijding kunnen het Bureau op verzoek bijstand verlenen, zodat het Bureau overeenkomstig artikel 12 ter coördinatieactiviteiten kan verrichten, met inbegrip van, waar passend, horizontale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de coördinatiediensten fraudebestrijding.

Artikel 12 ter

Coördinatie-activiteiten

1.  
Op grond van artikel 1, lid 2, kan het Bureau samenwerking organiseren en faciliteren tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, instellingen, organen en instanties, alsook, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, autoriteiten van derde landen en internationale organisaties. Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie kunnen de deelnemende autoriteiten en het Bureau informatie, met inbegrip van operationele informatie, verzamelen, analyseren en uitwisselen. Het personeel van het Bureau kan bevoegde autoriteiten die onderzoeksactiviteiten verrichten, op verzoek van die autoriteiten vergezellen. Artikel 6, artikel 7, leden 6 en 7, artikel 8, lid 3, en artikel 10 zijn van toepassing.
2.  
Het Bureau stelt, waar passend, een verslag over de verrichte coördinatieactiviteiten op en geeft dit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken instellingen, organen en instanties door.
3.  
Dit artikel doet geen afbreuk aan de uitoefening door het Bureau van bevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen die autoriteiten en de Commissie.
4.  
Het Bureau kan deelnemen aan gemeenschappelijke onderzoeksteams die overeenkomstig het toepasselijke Unierecht zijn opgericht, en kan in dat kader op grond van deze verordening verkregen operationele informatie uitwisselen.

Artikel 12 quater

Verslag aan het EOM over strafbare gedragingen

1.  
Het Bureau dient bij het EOM zonder onnodige vertraging een verslag in over alle strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939. Het verslag wordt zonder onnodige vertraging voor of tijdens een onderzoek van het Bureau toegezonden.
2.  
Het in lid 1 bedoelde verslag bevat ten minste een beschrijving van de feiten, met inbegrip van een beoordeling van de schade die is of wellicht zal worden berokkend, de mogelijke juridische kwalificatie, en eventuele beschikbare informatie over potentiële slachtoffers, verdachten of andere betrokkenen.
3.  
Het Bureau is niet verplicht bij het EOM een verslag in te dienen over kennelijk ongegronde vermoedens.
4.  
Indien de door het Bureau ontvangen informatie niet de in lid 2 van dit artikel omschreven elementen omvat, en er geen lopend onderzoek van het Bureau is, kan het Bureau overgaan tot een voorlopige evaluatie van de vermoedens. De evaluatie wordt onverwijld verricht en in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de informatie. Tijdens die evaluatie zijn artikel 6 en artikel 8, lid 2, van toepassing. Na die voorlopige evaluatie dient het Bureau bij het EOM een verslag in over elke strafbare gedraging als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
5.  
Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde strafbare gedraging aan het licht komt tijdens een onderzoek door het Bureau, en het EOM na het in dat lid bedoelde verslag een onderzoek opent, zet het Bureau zijn onderzoek naar dezelfde feiten niet voort, tenzij overeenkomstig artikel 12 sexies of artikel 12 septies.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

6.  
De instellingen, organen en instanties kunnen het Bureau verzoeken een voorlopige evaluatie uit te voeren van vermoedens die aan hen worden gemeld. Voor die verzoeken zijn de leden 1 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing. Het Bureau stelt de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie in kennis van de resultaten van de voorlopige evaluatie, tenzij de verstrekking van die informatie een door het Bureau of het EOM gevoerd onderzoek in gevaar kan brengen.
7.  
Indien het Bureau na de melding aan het EOM overeenkomstig dit artikel zijn onderzoek afsluit, zijn artikel 9, lid 4, en artikel 11 niet van toepassing.

Artikel 12 quinquies

Geen dubbel onderzoek

1.  
Onverminderd de artikelen 12 sexies en 12 septies zet de directeur-generaal een lopend onderzoek stop en opent hij geen nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 5, indien het EOM een onderzoek uitvoert naar dezelfde feiten. De directeur-generaal stelt het EOM in kennis van elk besluit tot stopzetting dat om die redenen is genomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

2.  
Het EOM mag het Bureau, om het in staat te stellen overeenkomstig zijn mandaat passende administratieve maatregelen te overwegen, relevante informatie verstrekken over zaken waarin het EOM heeft besloten geen onderzoek uit te voeren of die het heeft geseponeerd. Indien bij het Bureau nieuwe feiten bekend worden die ten tijde van het besluit om te seponeren als bedoeld in artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 niet bekend waren bij het EOM, kan de directeur-generaal het EOM verzoeken een onderzoek te heropenen overeenkomstig artikel 39, lid 2, van die verordening.

Artikel 12 sexies

Steun van het Bureau aan het EOM

1.  

Tijdens een onderzoek door het EOM, en op verzoek van het EOM overeenkomstig artikel 101, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939, ondersteunt het Bureau, overeenkomstig zijn mandaat, de activiteit van het EOM, of vult het die activiteit aan, met name door:

a) 

informatie en analyses (ook forensische) te verstrekken en deskundigheid en operationele ondersteuning te bieden;

b) 

de coördinatie van specifieke acties van de bevoegde nationale bestuurlijke autoriteiten en organen van de Unie te faciliteren;

c) 

administratieve onderzoeken te verrichten.

Bij het verlenen van steun aan het EOM ziet het Bureau af van handelingen of maatregelen die het onderzoek of de vervolging in gevaar kunnen brengen.

2.  

Een in lid 1 bedoeld verzoek wordt schriftelijk doorgegeven en vermeldt ten minste:

a) 

de informatie over het onderzoek van het EOM voor zover relevant voor het doel van het verzoek;

b) 

de maatregelen die het EOM het Bureau verzoekt te nemen;

c) 

waar passend, de geplande timing om het verzoek uit te voeren.

Zo nodig kan het Bureau om aanvullende informatie verzoeken.

3.  
Indien het Bureau binnen zijn mandaat ondersteunende maatregelen uitvoert waar op grond van dit artikel om werd verzocht door het EOM, zorgen het EOM en het Bureau, ter bescherming van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en de grondrechten en procedurewaarborgen, er in nauwe samenwerking voor dat de toepasselijke procedurele waarborgen van hoofdstuk VI van Verordening (EU) 2017/1939 in acht worden genomen.

Artikel 12 septies

Aanvullende onderzoeken

1.  
Wanneer het EOM een onderzoek uitvoert, en de directeur-generaal van het Bureau in terdege gemotiveerde gevallen vindt dat het Bureau overeenkomstig zijn mandaat ook een onderzoek moet openen ter facilitering van het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties, stelt het Bureau het EOM daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van de aard en het doel van het onderzoek.

Na ontvangst van dergelijke informatie en binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn, kan het EOM bezwaar maken tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen. Indien het EOM bezwaar maakt tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen, stelt het het Bureau zonder onnodige vertraging in kennis wanneer de redenen voor het bezwaar niet langer van toepassing zijn.

Indien het EOM binnen de overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn geen bezwaar maakt, kan het Bureau een onderzoek openen en voert het dit onderzoek uit in continu overleg met het EOM. Als het EOM er nadien bezwaar tegen maakt, schorst het Bureau zijn onderzoek of zet het dit stop, of ziet het af van bepaalde onderzoekshandelingen.

2.  
Indien het EOM in antwoord op een verzoek om informatie dat overeenkomstig artikel 12 quinquies is ingediend, het Bureau ervan in kennis stelt dat het geen onderzoek uitvoert en het later een onderzoek naar dezelfde feiten opent, stelt het het Bureau daar onverwijld van in kennis. Indien de directeur-generaal na ontvangst van dergelijke informatie van oordeel is dat het door het Bureau geopende onderzoek moet worden voortgezet teneinde het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties te faciliteren, is lid 1 van dit artikel van toepassing.

Artikel 12 octies

Werkafspraken en uitwisseling van informatie met het EOM

1.  
Het Bureau vindt met het EOM overeenstemming over werkafspraken. Dergelijke werkafspraken bestaan onder meer uit praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie, waaronder persoonsgegevens, operationele, strategische of technische informatie en gerubriceerde informatie, en voor aanvullende onderzoeken.

De werkafspraken omvatten gedetailleerde regelingen over de continue uitwisseling van informatie tijdens de ontvangst en de controle van vermoedens met het oog op de vaststelling van de bevoegdheid ten aanzien van onderzoeken. Ze omvatten ook regelingen inzake de overdracht van informatie tussen het Bureau en het EOM, wanneer het Bureau optreedt ter ondersteuning of ter aanvulling van het EOM. Ze voorzien in termijnen voor het beantwoorden van elkaars verzoeken.

Het Bureau en het EOM vinden overeenstemming over de termijnen en de nadere regelingen met betrekking tot artikel 12 quater, lid 5, artikel 12 quinquies, lid 1, en artikel 12 septies, lid 1. Tot een dergelijke overeenstemming is bereikt, antwoordt het EOM onverwijld op de verzoeken van het Bureau, en in elk geval binnen tien werkdagen na een in artikel 12 quater, lid 5, en artikel 12 quinquies, lid 1, bedoeld verzoek, en binnen twintig werkdagen na een in artikel 12 septies, lid 1, eerste alinea, bedoeld verzoek om informatie.

Voorafgaand aan de vaststelling van de werkafspraken met het EOM zendt de directeur-generaal de ontwerpwerkafspraken ter informatie toe aan het Comité van toezicht, en aan het Europees Parlement en de Raad. Het Comité van toezicht brengt onverwijld advies uit.

2.  
Het Bureau krijgt op basis van een hit/no hit-systeem indirect toegang tot informatie in het casemanagementsysteem van het EOM.

Telkens wanneer een match wordt gevonden tussen gegevens die het Bureau in het casemanagementsysteem heeft ingevoerd en die waarover het EOM beschikt, worden zowel het Bureau als het EOM hiervan op de hoogte gebracht. Het Bureau neemt de nodige maatregelen om het EOM op basis van een hit/no hit-systeem toegang te geven tot informatie in zijn casemanagementsysteem.

De technische en veiligheidsaspecten van de wederzijdse toegang tot de casemanagementsystemen, met inbegrip van interne procedures om ervoor te zorgen dat elke toegang terdege gemotiveerd wordt voor de uitvoering van hun taken en wordt gedocumenteerd, worden in de werkafspraken vastgesteld.

3.  
De directeur-generaal en de Europees hoofdaanklager komen ten minste jaarlijks bijeen om zaken van gemeenschappelijk belang te bespreken.

▼B

Artikel 13

Samenwerking van het Bureau met Eurojust en Europol

▼M2

1.  
Binnen zijn mandaat om de financiële belangen van de Unie te beschermen, werkt het Bureau op passende wijze samen met het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) en met het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol). Voor zover noodzakelijk met het oog op het faciliteren van die samenwerking komt het Bureau met Eurojust en Europol administratieve regelingen overeen. Die praktische regelingen kunnen betrekking hebben op de uitwisseling van operationele, strategische of technische informatie, met inbegrip van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie en desgevraagd ook van voortgangsverslagen.

▼B

Wanneer dit de coördinatie en de samenwerking tussen nationale onderzoeks- en vervolgingsautoriteiten kan ondersteunen en versterken of wanneer het Bureau de bevoegde autoriteiten van de lidstaten informatie heeft doen toekomen die aanwijzingen bevat voor fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en die een ernstige vorm van criminaliteit vertegenwoordigt, verstrekt het Bureau relevante informatie aan Eurojust, voor zover die binnen het mandaat van Eurojust valt.

2.  
De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten worden door het Bureau tijdig ervan in kennis gesteld dat door hen verstrekte informatie door het Bureau aan Eurojust of Europol wordt doorgegeven.

Artikel 14

Samenwerking met derde landen en internationale organisaties

1.  
Door het Bureau kunnen op passende wijze met de bevoegde autoriteiten in derde landen en met internationale organisaties administratieve regelingen worden overeengekomen. Het Bureau coördineert zijn optreden, indien passend, met de bevoegde diensten van de Commissie en met de Europese Dienst voor extern optreden, in het bijzonder voordat dergelijke regelingen worden overeengekomen. Deze praktische regelingen kunnen betrekking hebben op de uitwisseling van operationele, strategische of technische informatie, met inbegrip van voortgangsverslagen indien daarom wordt verzocht.
2.  
Het Bureau stelt de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten vooraf in kennis van het feit dat door hen verstrekte informatie door het Bureau aan de bevoegde autoriteiten van derde landen of aan internationale organisaties wordt doorgegeven.

Het Bureau houdt een register bij van alle doorgiftes van persoonsgegevens, onder vermelding van de redenen voor de doorgifte, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 15

Comité van toezicht

▼M2

1.  
Het Comité van toezicht houdt geregeld toezicht op de wijze waarop het Bureau zich van zijn onderzoekstaak kwijt, ter versterking van de onafhankelijkheid die het Bureau bij de uitoefening van de bij deze verordening toegekende bevoegdheden in acht neemt.

Het Comité van toezicht monitort in het bijzonder de ontwikkelingen betreffende de toepassing van de procedurewaarborgen en de duur van onderzoeken.

Het Comité van toezicht voorziet de directeur-generaal van adviezen, die in voorkomend geval vergezeld gaan van aanbevelingen, onder meer betreffende de middelen die nodig zijn om de onderzoekstaak van het Bureau uit te voeren, alsook betreffende onderzoeksprioriteiten van het Bureau en betreffende de duur van de onderzoeken. Die adviezen kunnen worden uitgebracht op eigen initiatief, op verzoek van de directeur-generaal of op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, maar mogen geen inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken vormen.

Het Bureau maakt op zijn website zijn antwoorden op de adviezen van het Comité van toezicht bekend.

De instellingen, organen of instanties ontvangen een kopie van de overeenkomstig de derde alinea gegeven adviezen.

Het Comité van toezicht krijgt toegang tot alle informatie en documenten die het nodig acht te hebben voor de uitvoering van zijn taken, met inbegrip van verslagen en aanbevelingen over afgesloten onderzoeken en geseponeerde zaken, doch zonder inmenging in lopende onderzoeken, en met inachtneming van de vereisten in verband met vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

▼B

2.  
Het Comité van toezicht is samengesteld uit vijf onafhankelijke leden, die ervaring hebben in een hoge gerechtelijke of onderzoeksfunctie of in een vergelijkbare functie op de werkterreinen van het Bureau. Zij worden door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming benoemd.

Het besluit tot benoeming van de leden van het Comité van toezicht voorziet tevens in een reservelijst met potentiële leden die zijn aangewezen om de leden van het Comité van toezicht voor de verdere duur van hun ambtstermijn te vervangen in het geval dat een of meer van die leden zich terugtrekken, overlijden of permanent arbeidsongeschikt worden.

3.  
De ambtstermijn van de leden van het Comité van toezicht bedraagt vijf jaar; deze termijn kan niet worden verlengd. Er worden beurtelings drie en twee leden vervangen om ervoor te zorgen dat de deskundigheid van het Comité van toezicht behouden blijft.
4.  
Na afloop van hun ambtstermijn blijven de leden van het Comité van toezicht in functie totdat in hun vervanging is voorzien.
5.  
Een lid van het Comité van toezicht dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming van zijn functie worden ontheven.
6.  
De kosten die de leden van het Comité van toezicht bij de uitoefening van hun taken maken, worden vergoed, en zij ontvangen een dagvergoeding voor elke dag die zij aan de uitoefening van deze taken besteden, overeenkomstig de toepasselijke regels van de Commissie.
7.  
Bij de uitoefening van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van het Comité van toezicht instructies van welk(e) regering, instelling, orgaan of instantie dan ook.

▼M2

8.  
Het Comité van toezicht wijst zijn voorzitter aan. Het stelt zijn reglement van orde vast nadat dit ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is voorgelegd. Het Comité van toezicht wordt bijeengeroepen op initiatief van zijn voorzitter of van de directeur-generaal. Het komt minstens tienmaal per jaar bijeen. Het Comité van toezicht besluit bij meerderheid van de stemmen van zijn leden. De Commissie verzorgt het secretariaat van het Comité van toezicht, in nauw overleg met dit Comité. Voordat de benoeming van een personeelslid van het secretariaat plaatsvindt, wordt het Comité van toezicht geraadpleegd en zijn zienswijze in aanmerking genomen. Het secretariaat handelt in opdracht van het Comité van toezicht en onafhankelijk van de Commissie. Onverminderd haar controle op de begroting van het Comité van toezicht en het secretariaat daarvan, mengt de Commissie zich niet in de toezichthoudende taken van het Comité van toezicht.

▼M1

Ambtenaren die in het secretariaat tewerkgesteld zijn, vragen noch aanvaarden van welke regering, instelling, orgaan, instantie of agentschap dan ook instructies voor de vervulling van de toezichthoudende taken van het Comité van toezicht.

▼B

9.  
Het Comité van toezicht stelt minstens één activiteitenverslag per jaar op, dat met name betrekking heeft op de beoordeling van de onafhankelijkheid van het Bureau, de toepassing van de procedurewaarborgen en de duur van de onderzoeken. Die verslagen worden toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

Het Comité van toezicht kan aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer verslagen voorleggen over de resultaten van de onderzoeken van het Bureau en de naar aanleiding van die resultaten ondernomen actie.

Artikel 16

Gedachtewisseling met de instellingen

▼M2

1.  
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben jaarlijks een ontmoeting met de directeur-generaal om op politiek niveau van gedachten te wisselen over het beleid van het Bureau inzake methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Comité van toezicht neemt aan de gedachtewisseling deel. De Europees hoofdaanklager wordt uitgenodigd om de gedachtewisseling bij te wonen. Vertegenwoordigers van de Rekenkamer, het EOM, Eurojust en Europol kunnen op verzoek van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de directeur-generaal of het Comité van toezicht worden uitgenodigd om op ad-hocbasis bij de gedachtewisseling aanwezig te zijn.
2.  

Binnen het doel van lid 1 kan de gedachtewisseling betrekking hebben op elk onderwerp dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomen. De gedachtewisseling kan met name betrekking hebben op:

a) 

de strategische prioriteiten voor het beleid van het Bureau inzake onderzoeken;

b) 

de uit hoofde van artikel 15 voorziene activiteitenverslagen en adviezen van het Comité van toezicht;

c) 

de uit hoofde van artikel 17, lid 4, door de directeur-generaal opgestelde verslagen en, indien passend, andere door de instellingen opgestelde verslagen met betrekking tot het mandaat van het Bureau;

d) 

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties, met name het EOM, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

e) 

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

f) 

de betrekkingen van het Bureau met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties in het kader van de in deze verordening bedoelde regelingen;

g) 

de doeltreffendheid van de werkzaamheden van het Bureau met betrekking tot de uitoefening van zijn mandaat.

▼B

3.  
Alle instellingen die aan de gedachtewisseling deelnemen zorgen ervoor dat de gedachtewisseling geen inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken vormt.
4.  
De instellingen die aan de gedachtewisseling deelnemen, houden in hun optreden rekening met de in de gedachtewisseling naar voren gebrachte standpunten. De directeur-generaal verstrekt in de in artikel 17, lid 4, bedoelde verslagen informatie over de eventuele door het Bureau ondernomen actie.

Artikel 17

Directeur-generaal

1.  
Het Bureau staat onder leiding van een directeur-generaal. De directeur-generaal wordt door de Commissie aangesteld overeenkomstig de in lid 2 vermelde procedure. De ambtstermijn van de directeur-generaal bedraagt zeven jaar; deze termijn kan niet worden verlengd.

▼M2

2.  
Met het oog op de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep tot het indienen van sollicitaties bekend. Die bekendmaking vindt plaats uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de ambtstermijn van de dienstdoende directeur-generaal. De Commissie stelt een lijst van geschikte kandidaten op. Na een gunstig advies van het Comité van toezicht over de door de Commissie toegepaste selectieprocedure, bereiken het Europees Parlement en de Raad te gelegener tijd overeenstemming over een shortlist van drie kandidaten uit de door de Commissie opgestelde lijst van geschikte kandidaten. De Commissie benoemt de directeur-generaal uit die shortlist.
3.  
De directeur-generaal vraagt noch aanvaardt van welke regering, instelling of instantie dan ook instructies voor de vervulling van zijn taken met betrekking tot het openen en uitvoeren van externe en interne onderzoeken of coördinatieactiviteiten, of met betrekking tot het opstellen van de verslagen naar aanleiding van die onderzoeken of coördinatieactiviteiten. Indien de directeur-generaal van oordeel is dat een maatregel van de Commissie zijn onafhankelijkheid aantast, stelt hij het Comité van toezicht daar onmiddellijk van in kennis en beslist hij of hij bij het HvJ-EU beroep tegen de Commissie instelt.
4.  
De directeur-generaal brengt regelmatig, en ten minste jaarlijks, verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer over de resultaten van de door het Bureau verrichte onderzoeken, de actie die naar aanleiding daarvan is ondernomen en de problemen die daarbij zijn gerezen, onder eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken, de wettelijke rechten van de betrokken personen en informanten en, waar passend, de nationale procesrechtelijke bepalingen. Die verslagen bevatten ook een beoordeling van de maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties hebben genomen naar aanleiding van verslagen en aanbevelingen van het Bureau.
4 bis.  
Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad in het kader van hun begrotingscontrolerechten kan de directeur-generaal informatie verstrekken over de activiteiten van het Bureau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van onderzoeken en follow-up-procedures. Het Europees Parlement en de Raad waarborgen de vertrouwelijkheid van de overeenkomstig dit lid verstrekte informatie.
5.  

De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van de activiteiten en de uitoefening van de onderzoekstaak van het Bureau, alsmede van de naar aanleiding van onderzoeken ondernomen follow-up-acties.

De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van:

a) 

de gevallen waarin geen gehoor is gegeven aan de aanbevelingen van de directeur-generaal;

b) 

de gevallen waarin informatie is doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten of aan het EOM;

c) 

de gevallen waarin geen onderzoek geopend is en de gevallen waarin de zaak geseponeerd is;

d) 

de duur van onderzoeken overeenkomstig artikel 7, lid 8.

▼B

6.  
De directeur-generaal kan schriftelijk de uitoefening van bepaalde van zijn taken uit hoofde van artikel 5, artikel 7, lid 2, artikel 11, lid 7, en artikel 12, lid 2, aan een of meer personeelsleden van het Bureau delegeren, waarin de voorwaarden en grenzen van deze delegatie zijn vastgesteld.

▼M2

7.  
De directeur-generaal stelt een mechanisme in voor interne advisering en controle, met inbegrip van een wettigheidstoetsing, onder meer met betrekking tot de eerbiediging van de procedurewaarborgen en de grondrechten van de betrokken personen en van het nationale recht van de betrokken lidstaten, waarbij in het bijzonder wordt gelet op artikel 11, lid 2. De wettigheidstoetsing wordt uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die experts op het gebied van recht en onderzoeksprocedures zijn. Hun advies wordt aan het eindverslag van het onderzoek gehecht.
8.  

De directeur-generaal stelt richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures vast ten behoeve van de personeelsleden van het Bureau. Die richtsnoeren zijn in overeenstemming met deze verordening en hebben onder meer betrekking op:

a) 

de gang van zaken bij de uitvoering van het mandaat van het Bureau;

b) 

nadere regels inzake onderzoeksprocedures;

c) 

de procedurewaarborgen;

d) 

nadere details inzake interne advies- en controleprocedures, met inbegrip van de wettigheidstoetsing;

e) 

gegevensbescherming en beleid inzake communicatie en toegang tot documenten als bedoeld in artikel 10, lid 3 ter;

f) 

de band met het EOM.

▼B

Deze richtsnoeren en eventuele wijzigingen daarvan worden vastgesteld nadat het Comité van toezicht in de gelegenheid is gesteld daarover zijn oordeel te geven, en worden vervolgens ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en ter bekendmaking op de website van het Bureau gepubliceerd in de officiële talen van de instellingen van de Unie.

▼M2

9.  
Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt of zijn immuniteit opheft, raadpleegt zij het Comité van toezicht.

▼B

Over tuchtmaatregelen tegen de directeur-generaal neemt de Commissie een met redenen omkleed besluit dat zij ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad en het Comité van toezicht doet toekomen.

10.  
Enige verwijzing naar de „directeur” van het Bureau in teksten van juridische aard wordt gelezen als een verwijzing naar de directeur-generaal.

▼M1

Artikel 18

Financiering

De totale begrotingskredieten voor het Bureau worden opgevoerd op een speciaal begrotingsonderdeel binnen de afdeling Commissie van de algemene begroting van de Europese Unie en worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling. De kredieten voor het Comité van toezicht en zijn secretariaat worden opgenomen in de afdeling Commissie van de algemene begroting van de Europese Unie.

De lijst van het aantal ambten bij het Bureau wordt als bijlage opgenomen bij de lijst van het aantal ambten bij de Commissie. De lijst van het aantal ambten bij de Commissie omvat de ambten voor het secretariaat van het Comité van toezicht.

▼M2

Artikel 19

Evaluatieverslag en eventuele herziening

1.  
Uiterlijk vijf jaar na de datum die is vastgesteld overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in over de toepassing en het effect van deze verordening, met name ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM. Dat verslag gaat vergezeld van een advies van het Comité van toezicht.
2.  
Uiterlijk twee jaar na de indiening van het evaluatieverslag op grond van de eerste alinea, dient de Commissie waar passend een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om het kader voor het Bureau te moderniseren, met inbegrip van aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het Bureau, zijn functies of de procedures voor zijn activiteiten, met bijzondere aandacht voor zijn samenwerking met het EOM, grensoverschrijdende onderzoeken, en onderzoeken in lidstaten die niet deelnemen aan het EOM.

▼B

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1073/1999 en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen in samenhang met de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 21

Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

1.  
Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2.  
Artikel 15, lid 3, is van toepassing op de duur van de ambtstermijn van de leden van het Comité van toezicht die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze verordening gaat de voorzitter van het Europees Parlement over tot aanwijzing, bij loting, van twee leden van het Comité van toezicht van wie de taken, in afwijking van het bepaalde in artikel 15, lid 3, eerste zin, zullen eindigen bij het verstrijken van de eerste 36 maanden van hun ambtstermijn. Twee nieuwe leden worden automatisch benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar, ter vervanging van de aftredende leden op basis en in de volgorde van de lijst van artikel 1, lid 2, van Besluit 2012/45/EU, Euratom van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 23 januari 2012 betreffende de benoeming van de leden van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ( 7 ). Die nieuwe leden zijn de eerste twee personen van wie de naam op die lijst voorkomt.
3.  
De derde zin van artikel 17, lid 1, is van toepassing op de duur van de ambtstermijn van de directeur-generaal die in functie is op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

INGETROKKEN VERORDENINGEN (ALS BEDOELD IN ARTIKEL 20)

Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1)

Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad

(PB L 136 van 31.5.1999, blz. 8)




BIJLAGE II



CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1073/1999 en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 5

Artikel 2, punt 1

Artikel 2, punt 2

Artikel 2, punt 3

Artikel 2

Artikel 2, punt 4

Artikel 2, punt 5

Artikel 2, punt 6

Artikel 2, punt 7

Artikel 3, eerste alinea

Artikel 3, lid 1, eerste alinea

Artikel 3, tweede alinea

Artikel 3, lid 1, tweede alinea

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3, tweede alinea

Artikel 3, lid 3, derde alinea

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 6

Artikel 4, lid 1, eerste alinea

Artikel 4, lid 1, eerste alinea

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3, eerste alinea

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3, tweede alinea

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 4, eerste zin

Artikel 4, lid 5

Artikel 4, lid 5, eerste alinea

Artikel 4, lid 6, eerste alinea

Artikel 4, lid 6, tweede alinea

Artikel 4, lid 5, tweede alinea

Artikel 4, lid 6, derde alinea

Artikel 4, lid 6, onder a)

Artikel 4, lid 7

Artikel 4, lid 6, onder b)

Artikel 4, lid 8

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, eerste alinea

Artikel 5, lid 2, eerste alinea

Artikel 5, tweede alinea

Artikel 5, lid 2, tweede alinea

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 4

Artikel 5, lid 5

Artikel 5, lid 6

Artikel 6

Artikel 6, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 7, lid 2, eerste zin

Artikel 6, lid 3

Artikel 7, lid 2, tweede zin

Artikel 6, lid 4

Artikel 3, lid 3, eerste alinea

Artikel 7, lid 4

Artikel 6, lid 5

Artikel 7, lid 5

Artikel 6, lid 6

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 6

Artikel 7, lid 7

Artikel 7, lid 8

Artikel 7, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 8, lid 3

Artikel 9

Artikel 8, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 8, lid 2, eerste alinea

Artikel 10, lid 2

Artikel 8, lid 2, tweede alinea

Artikel 8, lid 3

Artikel 8, lid 4

Artikel 10, lid 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 9, lid 1

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 11, lid 1, tweede alinea

Artikel 9, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 9, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 9, lid 4

Artikel 11, lid 4

Artikel 11, lid 5

Artikel 11, lid 6

Artikel 11, lid 7

Artikel 11, lid 8

Artikel 10, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 12, lid 2, eerste alinea

Artikel 12, lid 2, tweede alinea

Artikel 12, lid 2, derde alinea

Artikel 10, lid 3

Artikel 4, lid 4, tweede zin

Artikel 12, lid 3

Artikel 12, lid 4

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 15, lid 1, eerste alinea

Artikel 15, lid 1, tweede alinea

Artikel 11, lid 1, tweede alinea

Artikel 15, lid 1, derde alinea

Artikel 15, lid 1, vierde alinea

Artikel 15, lid 1, vijfde alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 15, lid 2, eerste alinea

Artikel 15, lid 2, tweede alinea

Artikel 11, lid 3

Artikel 15, lid 3

Artikel 11, lid 4

Artikel 15, lid 4

Artikel 15, lid 5

Artikel 15, lid 6

Artikel 11, lid 5

Artikel 15, lid 7

Artikel 11, lid 6

Artikel 15, lid 8

Artikel 11, lid 7

Artikel 17, lid 5, derde alinea

Artikel 11, lid 8

Artikel 15, lid 9

Artikel 16

Artikel 12, lid 1

Artikel 17, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 12, lid 3, eerste alinea

Artikel 17, lid 3

Artikel 12, lid 3, tweede alinea

Artikel 17, lid 4

Artikel 12, lid 3, derde alinea

Artikel 10,lid 3

Artikel 17, lid 5, eerste alinea

Artikel 17, lid 5, tweede alinea

Artikel 17, lid 6

Artikel 17, lid 7

Artikel 17, lid 8

Artikel 12, lid 4, eerste zin

Artikel 17, lid 9, eerste alinea

Artikel 12, lid 4, tweede zin

Artikel 17, lid 9, tweede alinea

Artikel 17, lid 10

Artikel 13

Artikel 18

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 16

Artikel 21, lid 1

Artikel 21, lid 2

Artikel 21, lid 3

Bijlage I

Bijlage II



( 1 ) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

( 2 ) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

( 3 ) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

( 4 ) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

( 5 ) Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).

( 6 ) Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

( 7 ) PB L 26 van 28.1.2012, blz. 30.

Top