EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02009R1071-20220221

Consolidated text: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1071/2022-02-21

02009R1071 — NL — 21.02.2022 — 003.002


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1071/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 oktober 2009

tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) Nr. 613/2012 VAN DE COMMISSIE  van 9 juli 2012

  L 178

6

10.7.2012

►M2

VERORDENING (EU) Nr. 517/2013 VAN DE RAAD  van 13 mei 2013

  L 158

1

10.6.2013

►M3

VERORDENING (EU) 2020/1055 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 15 juli 2020

  L 249

17

31.7.2020


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 209, 24.8.2023, blz.  10 ((EU) 2020/1055)




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1071/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 oktober 2009

tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

1.  
Deze verordening regelt de toegang tot en de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer.
2.  
Deze verordening is van toepassing op alle in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen. Zij is eveneens van toepassing op ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer willen gaan uitoefenen. Verwijzingen naar ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen, worden geacht, in voorkomend geval, ook te verwijzen naar ondernemingen die dat beroep willen gaan uitoefenen.
3.  
Met betrekking tot de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde gebieden kunnen de betrokken lidstaten de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen, aanpassen voor zover het vervoer volledig in die gebieden door aldaar gevestigde bedrijven wordt uitgevoerd.
4.  

In afwijking van lid 2 is deze verordening, tenzij in de nationale wetgeving anders is bepaald, niet van toepassing op:

▼M3

a) 

ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die een toelaatbare maximummassa van 3,5 ton niet overschrijden en die uitsluitend nationaal vervoer verrichten in hun lidstaat van vestiging;

▼M3

a bis) 

ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die een toelaatbare maximummassa van 2,5 ton niet overschrijden;

▼M3

b) 

ondernemingen die personenvervoer over de weg uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden verrichten, of die een andere hoofdactiviteit uitoefenen dan die van ondernemer van personenvervoer over de weg;

▼B

c) 

ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitsluitend uitoefenen met motorvoertuigen met een toegestane maximumsnelheid van 40 km/h.

▼M3

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea moet elk vervoer over de weg, anders dan vervoer voor rekening van derden of voor eigen rekening, waarvoor geen directe of indirecte vergoeding wordt ontvangen en dat geen directe of indirecte inkomsten genereert voor de bestuurder van het voertuig of voor anderen, en dat geen verband vertoont met een beroepsactiviteit, worden beschouwd als vervoer voor niet-commerciële doeleinden.

▼B

5.  

De lidstaten kunnen alleen vrijstelling van de toepassing van alle of van een gedeelte van de bepalingen van deze verordening verlenen aan wegvervoerondernemingen die uitsluitend nationaal vervoer verrichten dat slechts een geringe weerslag heeft op de vervoersmarkt wegens:

a) 

de aard van de vervoerde goederen, of

b) 

de geringe afstanden die worden afgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. 

„beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg”: de activiteit van elke onderneming die met een motorvoertuig of met een samenstel van voertuigen goederen voor rekening van derden vervoert;

2. 

„beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg”: de activiteit van elke onderneming die, met motorvoertuigen die door hun bouwtype en uitrusting geschikt en bestemd zijn om, met inbegrip van de bestuurder, meer dan negen personen te vervoeren, voor het publiek of voor sommige categorieën gebruikers toegankelijk personenvervoer verricht tegen betaling door de vervoerde persoon of door degene die het vervoer organiseert;

3. 

„beroep van wegvervoerondernemer”: het beroep van ondernemer van personenvervoer dan wel goederenvervoer over de weg;

4. 

„onderneming”: elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon, met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groepering van personen zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder winstoogmerk, alsmede elk overheidsinstantie, ongeacht of zij zelf rechtspersoonlijkheid bezit dan wel afhankelijk is van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid, die passagiers vervoert, of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen vervoert;

5. 

„vervoersmanager”: de door een onderneming tewerkgestelde natuurlijk persoon of, wanneer die onderneming een natuurlijke persoon is, die persoon, of een ander natuurlijke persoon die die onderneming op grond van een overeenkomst heeft aangesteld en die de werkelijke en permanente leiding voert over de vervoersactiviteiten van de onderneming;

6. 

„vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer”: een bestuursrechtelijk besluit waarbij aan een onderneming die aan de in deze verordening neergelegde voorwaarden voldoet, vergunning wordt verleend om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen;

7. 

„bevoegde instantie”: een nationale, regionale of plaatselijke instantie in een lidstaat die, ten behoeve van de afgifte van vergunningen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, controleert of een onderneming aan de in deze verordening neergelegde voorwaarden voldoet en die bevoegd is voor de afgifte, schorsing of intrekking van de vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer;

8. 

„lidstaat van vestiging”: de lidstaat waar een onderneming gevestigd is, ongeacht het land van oorsprong van haar vervoersmanager.

Artikel 3

Vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer

1.  

Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen moeten:

a) 

werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat gevestigd zijn;

b) 

betrouwbaar zijn;

c) 

voldoende financiële draagkracht bezitten, en

d) 

de vereiste vakbekwaamheid bezitten.

▼M3 —————

▼B

Artikel 4

Vervoersmanager

1.  

Een onderneming die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefent, wijst ten minste één natuurlijk persoon aan, de vervoersmanager, die voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder b) en d), en die:

a) 

de werkelijke en permanente leiding voert over de vervoersactiviteiten van de onderneming;

b) 

een reële band heeft met de onderneming, bijvoorbeeld als werknemer, directeur, eigenaar of aandeelhouder, of de onderneming beheert of, indien de onderneming een natuurlijke persoon is, zelf die persoon is, en

c) 

zijn woonplaats in de Gemeenschap heeft.

2.  

Wanneer de onderneming de in artikel 3, lid 1, onder d), vastgestelde vakbekwaamheid niet bezit, kan de bevoegde instantie toestemming geven om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen, zonder overeenkomstig lid 1 van dit artikel aangewezen vervoersmanager op voorwaarde dat:

a) 

de onderneming een in de Gemeenschap wonende natuurlijke persoon aanwijst die voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder b) en d), en die op grond van een contract gerechtigd is de functie van vervoersmanager namens de onderneming uit te oefenen;

b) 

het contract tussen de onderneming en de onder a) bedoelde persoon de taken omschrijft die die persoon daadwerkelijk en op permanente wijze moet uitvoeren, en diens verantwoordelijkheden als vervoersmanager bepaalt. De te omschrijven taken bestaan met name in die betreffende het beheren van het voertuigonderhoud, de controle van de vervoerscontracten en vervoersdocumenten, de basisboekhouding, de toewijzing van ladingen of diensten aan de bestuurders en voertuigen en de controle van de veiligheidsprocedures;

c) 

de onder a) bedoelde persoon, in zijn hoedanigheid van vervoersmanager, geen vervoersactiviteiten beheert van meer dan vier verschillende vervoersondernemingen met een totaal wagenpark van maximaal 50 voertuigen. De lidstaten mogen een lager aantal ondernemingen en/of kleiner wagenpark vaststellen dat die persoon mag beheren;

d) 

de onder a) bedoelde persoon de vastgestelde taken alleen in het belang van de onderneming uitvoert en zijn verantwoordelijkheden onafhankelijk van andere ondernemingen voor welke de onderneming vervoer verricht, uitoefent.

3.  
De lidstaten kunnen besluiten dat een overeenkomstig lid 1 aangewezen vervoersmanager niet daarenboven overeenkomstig lid 2 aangewezen wordt, of alleen aangewezen wordt met betrekking tot een beperkt aantal ondernemingen of een wagenpark dat kleiner is dan het in lid 2, onder c), bedoelde wagenpark.
4.  
De onderneming deelt de bevoegde instantie mee wie als vervoersmanager(s) is (zijn) aangewezen.

HOOFDSTUK II

VOORWAARDEN WAARAAN MOET WORDEN VOLDAAN OM TE VOLDOEN AAN DE EISEN VAN ARTIKEL 3

▼M3

Artikel 5

Voorwaarden inzake de vestigingseis

1.  

Om aan het vereiste in artikel 3, lid 1, onder a), te voldoen, moet een onderneming in de lidstaat van vestiging:

a) 

beschikken over gebouwen waar zij toegang heeft tot de originele documenten inzake haar hoofdactiviteiten, in elektronische of enige andere vorm, met name de vervoersovereenkomsten, documenten in verband met de voertuigen waarover de onderneming beschikt, boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, arbeidsovereenkomsten, socialezekerheidsdocumenten, documenten met gegevens over de dispatching en detachering van bestuurders, documenten met gegevens over cabotage, de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde autoriteit toegang moet krijgen om te kunnen controleren of de onderneming aan de voorwaarden van deze verordening voldoet;

b) 

de activiteit van haar voertuigenpark zodanig organiseren dat de voertuigen waarover de onderneming beschikt en die voor internationaal vervoer worden gebruikt, ten minste binnen acht weken na vertrek uit de lidstaat terugkeren naar een van de exploitatievestigingen in die lidstaat;

c) 

zijn ingeschreven in het handelsregister van die lidstaat of in een soortgelijk register, wanneer dat uit hoofde van het nationaal recht vereist is;

d) 

onderworpen zijn aan de belasting op inkomsten en, wanneer dat uit hoofde van het nationaal recht vereist is, een geldig btw-nummer hebben;

e) 

zodra een vergunning is verleend, over één of meer voertuigen beschikken die zijn ingeschreven, in het verkeer zijn toegelaten of mogen worden gebruikt overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat, ongeacht of die voertuigen in volle eigendom zijn dan wel onderworpen zijn aan bijvoorbeeld een huurkoopovereenkomst of een huur- of leasingovereenkomst;

f) 

haar administratieve en commerciële activiteiten daadwerkelijk en ononderbroken verrichten met de adequate apparatuur en voorzieningen in gebouwen als bedoeld onder a) die zich in die lidstaat bevinden, en haar vervoersactiviteiten daadwerkelijk en ononderbroken uitvoeren met de onder g) bedoelde voertuigen en met adequate technische voorzieningen die zich in die lidstaat bevinden;

g) 

in de regel en op permanente basis beschikken over een aantal voertuigen dat voldoet aan de voorwaarden onder e) en bestuurders die normaal gesproken gestationeerd zijn in een exploitatievestiging in die lidstaat, in beide gevallen in verhouding tot het volume vervoersactiviteiten dat de onderneming uitvoert.

2.  

Naast het vereiste in lid 1 kunnen de lidstaten verlangen dat een onderneming in de lidstaat van vestiging:

a) 

in verhouding tot de omvang van de activiteiten van de onderneming, in de gebouwen over naar behoren gekwalificeerd administratief personeel beschikt en dat de vervoersmanager tijdens de gewone kantooruren bereikbaar is;

b) 

in verhouding tot de omvang van de activiteiten van de onderneming, naast de technische voorzieningen als bedoeld in lid 1, onder f), op het grondgebied van die lidstaat over operationele infrastructuur beschikt, met inbegrip van een kantoor dat tijdens de gewone kantooruren geopend is.

▼B

Artikel 6

Voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis

1.  

Onverminderd lid 2 van het onderhavige artikel bepalen de lidstaten de voorwaarden die een onderneming en een vervoersmanager uit hoofde van deze verordening moeten vervullen om te voldoen aan de in artikel 3, lid 1, onder b), vastgestelde betrouwbaarheidseis.

▼M3

Om na te gaan of een onderneming aan die eis voldoet, houden de lidstaten rekening met het gedrag van die onderneming, haar vervoersmanagers, uitvoerend directeurs en andere door de lidstaat vastgestelde relevante personen. De verwijzingen in dit artikel naar veroordelingen, sancties of inbreuken omvatten veroordelingen van, sancties opgelegd aan of inbreuken van de onderneming zelf, haar vervoersmanagers, uitvoerend directeurs en andere door de lidstaat vastgestelde relevante personen.

▼B

De in de eerste alinea bedoelde voorwaarden omvatten ten minste het volgende:

a) 

er mogen geen dwingende redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de vervoersmanager of de vervoersonderneming, zoals veroordelingen of sancties in verband met ernstige inbreuken op de nationale voorschriften op het gebied van:

i) 

handelsrecht;

ii) 

insolventierecht;

iii) 

de in het beroep geldende loon- en arbeidsvoorwaarden;

iv) 

wegverkeer;

v) 

beroepsaansprakelijkheid;

vi) 

mensen- of drugshandel, ►M3   en ◄

▼M3

vii) 

belastingrecht; en

▼B

b) 

jegens de vervoersmanager of de vervoersonderneming is niet, in één of meer lidstaten, een veroordeling voor een ernstig strafbaar feit uitgesproken of een sanctie wegens ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving opgelegd met betrekking tot met name:

i) 

de rij- en rusttijden van de bestuurders, de arbeidstijd en de installatie of het gebruik van controleapparatuur;

ii) 

het maximaal toegestane gewicht en de maximaal toegestane afmetingen van de voor internationaal vervoer gebruikte bedrijfsvoertuigen;

iii) 

de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders;

iv) 

de technische staat van de bedrijfsvoertuigen, inclusief de verplichte technische keuring van motorvoertuigen;

v) 

de toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg of in voorkomend geval tot de markt voor personenvervoer over de weg;

vi) 

de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;

vii) 

de installatie en het gebruik van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën voertuigen;

viii) 

het rijbewijs;

ix) 

de toegang tot het beroep;

x) 

het vervoer van dieren;

▼M3

xi) 

de detachering van werknemers in het wegvervoer;

xii) 

de wetgeving die van toepassing is op contractuele verplichtingen;

xiii) 

cabotage.

▼M3

2.  
Voor de toepassing van lid 1, derde alinea, onder b), wanneer de vervoersmanager van de vervoersonderneming in een of meer lidstaten is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit of een sanctie heeft gekregen wegens schending van een van de zwaarste inbreuken op de regels van de Unie, zoals uiteengezet in bijlage IV, voert en voltooit de bevoegde instantie van de lidstaat van vestiging, op passende wijze en tijdig een administratieve procedure, met inbegrip van, voor zover passend, een inspectie ter plaatse in de gebouwen en/of op de terreinen van de betrokken onderneming.

Tijdens de administratieve procedure krijgen de vervoersmanager of andere wettelijke vertegenwoordigers van de vervoersonderneming, al naargelang het geval, het recht om argumenten te verstrekken en toelichting te geven.

Tijdens de administratieve procedure gaat de bevoegde autoriteit na of het verlies van de betrouwbaarheidsstatus op grond van specifieke omstandigheden in het gegeven geval een onevenredig strenge sanctie zou zijn. Bij die beoordeling houdt de bevoegde autoriteit rekening met het aantal zware inbreuken op nationale regels en regels van de Unie, als vermeld in de derde alinea van lid 1, en met het aantal zwaarste inbreuken op regels van de Unie, zoals uiteengezet in bijlage IV, waarvoor de vervoersmanager of de vervoersonderneming is veroordeeld of bestraft. Iedere conclusie in die zin wordt naar behoren gemotiveerd en gerechtvaardigd.

Als de bevoegde autoriteit oordeelt dat het verlies van de betrouwbaarheidsstatus onevenredig zou zijn, beslist zij dat de betrokken onderneming de betrouwbaarheidsstatus behoudt. De redenen voor die beslissing worden geregistreerd in het nationale register. Het aantal van dergelijke beslissingen wordt vermeld in het in artikel 26, lid 1, bedoelde verslag.

Indien de bevoegde autoriteit oordeelt dat het verlies van de betrouwbaarheidsstatus niet onevenredig zou zijn, leidt de veroordeling of de sanctie tot het verlies van de betrouwbaarheidsstatus.

▼M3

2 bis.  
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van een lijst van de categorieën, types en ernst van zware inbreuken op de regels van de Unie, als vermeld in lid 1, derde alinea, onder b), die, naast de in bijlage IV vermelde inbreuken, tot het verlies van de betrouwbaarheidsstatus kunnen leiden. De lidstaten houden bij het stellen van prioriteiten voor controles uit hoofde van artikel 12, lid 1, rekening met de informatie over deze inbreuken, met inbegrip van de informatie hierover van andere lidstaten.

Daartoe zal de Commissie:

a) 

de categorieën en de soorten inbreuken vaststellen die het vaakst worden geconstateerd;

b) 

de ernst van de inbreuken definiëren volgens het risico dat zij inhouden op overlijden of ernstige verwondingen en op concurrentieverstoring op de wegvervoersmarkt, onder meer omdat die de werkomstandigheden van werknemers in het wegvervoer ondermijnen;

c) 

vaststellen boven welke frequentie herhaalde inbreuken als ernstiger inbreuken worden beschouwd, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal voertuigen dat wordt gebruikt voor de vervoersactiviteiten waarvoor de vervoersmanager de verantwoordelijkheid draagt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼B

3.  
Aan de in artikel 3, lid 1, onder b), vastgestelde eis wordt niet voldaan, zolang niet overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van nationaal recht een rehabilitatie heeft plaatsgevonden of een andere maatregel van gelijke werking is getroffen.

Artikel 7

Voorwaarden betreffende de eis inzake financiële draagkracht

▼M3

1.  

Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder c), moet een onderneming op permanente basis in staat zijn haar financiële verplichtingen in het lopende boekjaar na te komen. De onderneming toont aan de hand van haar door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aan dat zij voor elk jaar beschikt over een ►C1  kapitaal en reserves ◄ van in totaal ten minste:

a) 

9 000  EUR voor het eerste motorvoertuig dat wordt gebruikt;

b) 

5 000  EUR voor elk extra motorvoertuig of samenstel van voertuigen dat wordt gebruikt, met een toelaatbare maximummassa van meer dan 3,5 ton, en

c) 

900 EUR voor elk extra motorvoertuig of samenstel van voertuigen dat wordt gebruikt, met een toelaatbare maximummassa van meer dan 2,5 ton maar niet meer dan 3,5 ton;

Ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van meer dan 2,5 ton maar niet meer dan 3,5 ton, moeten op basis van door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aantonen dat zij voor elk jaar kunnen beschikken over een ►C1  kapitaal en reserves ◄ van in totaal ten minste:

a) 

1 800  EUR voor het eerste motorvoertuig dat wordt gebruikt, en

b) 

900 EUR voor elk extra voertuig dat wordt gebruikt.

De lidstaten kunnen verlangen dat op hun grondgebied gevestigde ondernemingen aantonen dat zij voor deze voertuigen over dezelfde bedragen aan ►C1  kapitaal en reserves ◄ beschikken als voor de voertuigen bedoeld in de eerste alinea. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat de Commissie hiervan in kennis, en de Commissie maakt deze informatie openbaar.

▼B

Voor de toepassing van deze verordening wordt de waarde van de euro, uitgedrukt in de munteenheden van de lidstaten die niet aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie deelnemen, ieder jaar vastgesteld. De toegepaste koersen zijn die welke van kracht zijn op de eerste werkdag in oktober, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze treden in werking op 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

De in de eerste alinea bedoelde boekhoudkundige posten zijn de posten die gedefinieerd worden in de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen ( 1 ).

▼M3

1 bis.  
Naast de vereisten in lid 1, kunnen de lidstaten verlangen dat de onderneming, de vervoersmanager of enige andere door de lidstaten vastgestelde relevante persoon geen niet-persoonlijke schulden heeft bij publiekrechtelijke instellingen, en niet failliet is of onderworpen is aan insolventie- of liquidatieprocedures.

▼M3

2.  
In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit toestaan of vereisen dat een onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een door de bevoegde instantie vastgesteld attest, zoals een bankgarantie of een verzekering, inclusief een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van één of meerdere banken of andere financiële instellingen, waaronder verzekeringsmaatschappijen, of door middel van een ander bindend document, met een gezamenlijke en hoofdelijke garantie voor de onderneming ten aanzien van de in lid 1 vastgestelde bedragen.

▼M3

2 bis.  
Wanneer een onderneming voor het jaar van haar registratie niet over gecertificeerde jaarrekeningen beschikt, aanvaardt de bevoegde autoriteit, in afwijking van lid 1, dat die onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een attest, zoals een bankgarantie, een door een financiële instelling afgegeven document dat de onderneming toegang verschaft tot krediet, of een ander, door de bevoegde instantie vastgesteld bindend document waaruit blijkt dat de onderneming over de in lid 1 vermelde bedragen beschikt.

▼B

3.  
De in lid 1 bedoelde jaarrekeningen en de in lid 2 bedoelde garantie die moeten worden gecontroleerd, zijn respectievelijk de jaarrekeningen of de bankgarantie van de economische entiteit die gevestigd is in de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd en niet die van eventuele andere, in andere lidstaten gevestigde entiteiten.

Artikel 8

Voorwaarden betreffende de vakbekwaamheidseis

1.  
Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder d), moet de betrokken persoon of moeten de betrokken personen de kennis bezitten die overeenstemt met het in bijlage I, deel I, omschreven opleidingsniveau met betrekking tot de genoemde onderwerpen. Die kennis wordt aangetoond door middel van een verplicht schriftelijk examen dat, indien een lidstaat daartoe besluit, kan worden aangevuld met een mondeling examen. Deze examens worden georganiseerd overeenkomstig bijlage I, deel II. Met het oog hierop kunnen de lidstaten de betrokkenen ertoe verplichten voor het examen een opleiding te volgen.
2.  

De betrokken personen leggen het examen af in de lidstaat waar ze hun gewone verblijfplaats hebben of in de lidstaat waar ze werken.

„Gewone verblijfplaats” betekent de plaats waar een persoon gewoonlijk leeft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke bindingen die aantonen dat de persoon nauw verbonden is met de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer lidstaten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat een universiteit of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.

3.  
Enkel daartoe door een lidstaat overeenkomstig de door hem vastgestelde criteria naar behoren gemachtigde autoriteiten of instanties zijn bevoegd voor de organisatie en certificering van de in lid 1 bedoelde schriftelijke en mondelinge examens. De lidstaten controleren geregeld of deze autoriteiten of instanties de examens organiseren overeenkomstig de in bijlage I vastgestelde voorwaarden.
4.  
De lidstaten kunnen, overeenkomstig de door hen vastgestelde criteria, naar behoren instanties machtigen om een opleiding van hoge kwaliteit aan te bieden aan de kandidaten om hen doeltreffend voor te bereiden op de examens, alsmede nascholing aan vervoersmanagers zodat zij desgewenst hun kennis kunnen opfrissen. Deze lidstaten controleren geregeld of deze instanties nog steeds voldoen aan de criteria op grond waarvan zij zijn erkend.

▼M3

5.  
De lidstaten kunnen aanmoedigen dat met tussenpozen van drie jaar periodieke bijscholing over de in bijlage I genoemde onderwerpen plaatsvinden, om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde persoon of personen voldoende op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in de sector.

▼B

6.  
De lidstaten kunnen eisen dat personen die over een getuigschrift van vakbekwaamheid beschikken maar gedurende de afgelopen vijf jaar geen onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, een herscholing volgen om hun kennis over de actuele ontwikkelingen op het gebied van de in bijlage I, deel I, vermelde wetgeving bij te werken.
7.  

Een lidstaat kan de houders van bepaalde, in die lidstaat uitgereikte en speciaal daartoe aangewezen kwalificaties van hoger of technisch onderwijs betreffende de in de lijst van bijlage I genoemde onderwerpen, vrijstellen van de examens over de onderwerpen waarop deze kwalificaties betrekking hebben. Die vrijstelling geldt alleen voor de afdelingen van bijlage I, deel I, waarvoor de kwalificatie alle onderwerpen bestrijkt die genoemd worden onder de hoofdig van elke afdeling.

Een lidstaat kan de houders van getuigschriften van vakbekwaamheid geldig voor binnenlands vervoer in die lidstaat vrijstellen van sommige onderdelen van de examens.

8.  
Als bewijs van vakbekwaamheid wordt een door de in lid 3 bedoelde autoriteit of instantie afgegeven getuigschrift overgelegd. Dit getuigschrift is niet overdraagbaar aan een andere persoon. Het wordt opgesteld overeenkomstig de beveiligingskenmerken en het modelgetuigschrift in bijlage II en III en draagt het stempel van de naar behoren gemachtigde autoriteit of instantie die het heeft afgegeven.

▼M3

9.  
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I, II en III te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de marktontwikkelingen en de technische vooruitgang.

▼B

10.  
De Commissie moedigt de uitwisseling van ervaringen en gegevens over opleidingen, examens en machtigingen tussen de lidstaten of via enig door haar aan te wijzen orgaan aan, en faciliteert deze uitwisseling.

Artikel 9

Vrijstelling van examens

De lidstaten kunnen besluiten personen die aantonen dat zij voor een periode van tien jaar voorafgaand aan 4 december 2009 in één of meerdere lidstaten ononderbroken een onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, vrijstellen van de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens.

▼M3

Met het oog op het verlenen van een vergunning aan een ondernemer van goederenvervoer over de weg die uitsluitend motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen gebruikt die een toelaatbare maximummassa van 3,5 ton niet overschrijden, kunnen de lidstaten besluiten om personen die aantonen dat zij voor een periode van tien jaar voorafgaand aan 20 augustus 2020 ononderbroken een soortgelijke onderneming hebben beheerd, vrij te stellen van de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens.

▼B

HOOFDSTUK III

VERGUNNING EN TOEZICHT

Artikel 10

Bevoegde instanties

1.  

Elke lidstaat wijst één of meer bevoegde instanties aan om te zorgen voor de juiste uitvoering van deze verordening. Deze instanties zijn bevoegd om:

a) 

de door ondernemingen ingediende aanvragen te behandelen;

b) 

vergunningen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer te verlenen, en deze vergunningen te schorsen of in te trekken;

c) 

een natuurlijke persoon ongeschikt te verklaren om als vervoersmanager de vervoersactiviteiten van een onderneming te leiden;

d) 

de nodige controles uit te voeren om na te gaan of een onderneming aan de in artikel 3 vastgestelde vereisten voldoet.

2.  
De bevoegde instanties zorgen voor de bekendmaking van de krachtens deze verordening opgelegde voorwaarden, van eventuele aanvullende nationale bepalingen, van de door kandidaten te volgen procedures alsmede van de toelichting daarop.

Artikel 11

Beoordeling en registratie van aanvragen

1.  
Een vervoersonderneming die voldoet aan de eisen van artikel 3, krijgt op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De bevoegde instantie ziet erop toe dat een onderneming die een aanvraag indient, voldoet aan de in dat artikel vastgestelde eisen.
2.  
De bevoegde instantie vermeldt in het in artikel 16 bedoelde nationale elektronische register de in artikel 16, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde gegevens betreffende de ondernemingen waaraan zij een vergunning verstrekt.
3.  
De bevoegde instantie behandelt een vergunningsaanvraag zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van ontvangst van alle bescheiden die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De bevoegde instantie kan deze periode in naar behoren gemotiveerde gevallen met een maand verlengen.
4.  

Bij twijfel controleert de bevoegde instantie tot 31 december 2012 bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een onderneming, of de aangestelde vervoersmanager(s) op het moment van de aanvraag in een van de lidstaten krachtens artikel 14 ongeschikt is (zijn) verklaard om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming.

Vanaf 1 januari 2013 controleert de bevoegde instantie bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een onderneming, aan de hand van de in artikel 16, lid 2, eerste alinea, onder f), bedoelde gegevens, hetzij door directe beveiligde toegang tot het desbetreffende gedeelte van de nationale registers, hetzij op verzoek, of de aangestelde vervoersmanager(s) op het moment van de aanvraag in een van de lidstaten krachtens artikel 14 ongeschikt is (zijn) verklaard om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming.

▼M3 —————

▼B

5.  
De ondernemingen die over een vergunning beschikken voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, delen wijzigingen van de in lid 2 bedoelde gegevens binnen 28 dagen of een door de lidstaat van vestiging vastgestelde kortere termijn mee aan de bevoegde instantie die de vergunning heeft afgegeven.

Artikel 12

Controles

▼M3

1.  
De bevoegde instanties controleren regelmatig of de ondernemingen waaraan zij een vergunning hebben verleend voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, nog steeds aan de in artikel 3 van deze verordening vastgestelde vereisten voldoen. Daartoe voeren de lidstaten controles uit, met inbegrip van, in voorkomend geval, inspecties ter plaatse bij de betrokken onderneming, waarbij men zich richt op ondernemingen die geclassificeerd zijn als ondernemingen met een verhoogd risico. Ten behoeve daarvan breiden de lidstaten het risicoclassificatiesysteem dat door hen werd ingesteld overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ), uit tot alle in artikel 6 van de onderhavige verordening bedoelde inbreuken.

▼B

2.  

Tot 31 december 2014 voeren de lidstaten ten minste om de vijf jaar controles uit om na te gaan of de ondernemingen aan de voorwaarden van artikel 3 voldoen.

▼M3 —————

▼B

3.  
Wanneer de Commissie zulks in behoorlijk gemotiveerde gevallen vraagt, laten de lidstaten afzonderlijke controles uitvoeren om na te gaan of een onderneming voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer. Zij delen de Commissie de resultaten mee van dergelijke controles alsmede de maatregelen die zijn genomen wanneer is vastgesteld dat de onderneming niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet.

Artikel 13

Procedure voor de schorsing en intrekking van vergunningen

1.  

Indien de bevoegde instantie vaststelt dat een onderneming het risico loopt niet langer te voldoen aan de in artikel 3 vastgestelde vereisten, stelt zij de betrokken onderneming daarvan in kennis. Indien de bevoegde instantie vaststelt dat niet meer wordt voldaan aan één of meer van de vereisten, kan zij de onderneming een van de volgende termijnen verlenen waarbinnen de situatie moet worden geregulariseerd:

a) 

een termijn van zes maanden waarin een vervanger moet worden aangeworven voor de vervoersmanager, indien de vervoersmanager niet langer voldoet aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid; deze termijn kan worden verlengd met drie maanden bij overlijden of lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager;

b) 

een termijn van zes maanden waarin de onderneming moet kunnen aantonen dat zij over een werkelijke en duurzame vestiging beschikt;

▼M3

c) 

een termijn van maximaal zes maanden waarin de onderneming, indien niet was voldaan aan het vereiste inzake financiële draagkracht, moet aantonen dat zij opnieuw permanent aan dat vereiste voldoet.

▼B

2.  
De bevoegde instanties kunnen een onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken of geschorst, verplichten om, als voorwaarde voor een eventuele rehabilitatiemaatregel, ervoor te zorgen dat haar vervoersmanagers met goed gevolg de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens afleggen.
3.  
Indien de bevoegde instantie vaststelt dat een onderneming niet meer aan één of meer van de voorwaarden van artikel 3 voldoet, schorst zij binnen de in lid 1 van onderhavig artikel bedoelde termijn de vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer of trekt zij de vergunning in.

Artikel 14

Ongeschiktverklaring van de vervoersmanager

1.  
Indien een vervoersmanager overeenkomstig artikel 6 zijn betrouwbaarheid verliest, verklaart de bevoegde instantie hem ongeschikt om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming.

▼M3

De bevoegde autoriteit rehabiliteert de vervoersmanager niet eerder dan één jaar na de datum van het verlies van de betrouwbaarheidsstatus en in ieder geval niet voordat de vervoersmanager heeft aangetoond een passende opleiding te hebben gevolgd voor een periode van ten minste drie maanden, dan wel met succes een examen over de in deel I van bijlage I bij deze verordening vermelde onderwerpen heeft afgelegd.

▼M3

2.  
Zolang overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van nationaal recht en lid 1 van dit artikel geen rehabilitatiemaatregelen zijn getroffen, is het in artikel 8, lid 8, bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid van een ongeschikt verklaarde vervoersmanager in geen enkele lidstaat meer geldig.

▼B

Artikel 15

Besluiten van de bevoegde instanties en beroepsmogelijkheden

1.  

De door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig deze verordening genomen negatieve besluiten met inbegrip van besluiten waarbij een aanvraag wordt afgewezen, een bestaande vergunning wordt geschorst of ingetrokken, of een vervoersmanager ongeschikt wordt verklaard, worden met redenen omkleed.

Bij deze besluiten wordt rekening gehouden met de beschikbare informatie over inbreuken die de betrokken onderneming of vervoersmanager heeft gepleegd en waardoor de betrouwbaarheid van de onderneming in het geding kan komen, alsmede met alle andere informatie waarover de bevoegde instantie beschikt. In deze besluiten wordt aangegeven welke rehabilitatiemaatregelen moeten worden genomen in geval van schorsing van de vergunning of van een verklaring van ongeschiktheid.

2.  
De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken ondernemingen en personen tegen de in lid 1 bedoelde besluiten beroep kunnen instellen bij ten minste één onafhankelijke, onpartijdige instantie of een rechtbank.

HOOFDSTUK IV

VEREENVOUDIGING EN BESTUURLIJKE SAMENWERKING

Artikel 16

Nationale elektronische registers

1.  

Met het oog op de uitvoering van de onderhavige verordening, en met name van de artikelen 11 tot en met 14 en artikel 26, houdt elke lidstaat een nationaal elektronisch register bij van de wegvervoerondernemingen die van een bevoegde instantie een vergunning hebben gekregen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De verwerking van de gegevens in dat register staat onder toezicht van de daartoe aangewezen overheidsinstantie. De relevante gegevens in dit nationale elektronische register zijn toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat.

De Commissie geeft uiterlijk op 31 december 2009 een beschikking aangaande de minimumeisen inzake de gegevens die vanaf de oprichting in het nationale elektronische register ingevoerd moeten worden, teneinde de toekomstige koppeling van de registers te vergemakkelijken. Zij kan aanbevelen om naast de in lid 2 bedoelde gegevens ook de voertuigregistratienummers op te nemen.

2.  

In het nationale elektronische register zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen:

a) 

de naam en de rechtsvorm van de onderneming;

b) 

het adres van haar vestiging;

▼M3

c) 

de namen van de vervoersmanagers die zijn aangewezen als vervoersmanagers die voldoen aan de in artikel 3 vastgestelde vereisten in verband met betrouwbaarheidsstatus en vakbekwaamheid of, in voorkomend geval, de naam van een juridische vertegenwoordiger;

▼B

d) 

de aard van de vergunning, het aantal voertuigen waarop de vergunning betrekking heeft en in voorkomend geval het serienummer van de communautaire vergunning en de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften;

e) 

het aantal, de categorie en het type ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), die de afgelopen twee jaar hebben geleid tot een veroordeling of sanctie;

f) 

de namen van de personen die de afgelopen twee jaar ongeschikt zijn verklaard om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming zolang de betrouwbaarheidsstatus van deze personen niet is hersteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, alsmede de toepasselijke rehabilitatiemaatregelen;

▼M3

g) 

de registratiekentekens van de voertuigen waarover de onderneming beschikt, overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder g);

h) 

het aantal werknemers in de onderneming op 31 december van het voorgaande jaar, dat uiterlijk op 31 maart van elk jaar wordt vastgelegd in het nationale register;

i) 

de risicoclassificatie van de onderneming, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2006/22/EG.

▼M3

De in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met i), op te nemen in afzonderlijke registers. In dergelijke gevallen worden de onder e) en f) bedoelde gegevens op verzoek beschikbaar gesteld of zijn ze rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek verschaft.

De onder g), h) en i) van de eerste alinea bedoelde gegevens zijn uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomstig lid 6 vastgestelde uitvoeringshandeling waarin de functies worden uiteengezet die zorgen dat de gegevens tijdens wegcontroles toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten.

De in de eerste alinea, onder e) tot en met i), bedoelde gegevens zijn alleen voor andere dan de bevoegde autoriteiten toegankelijk indien die andere autoriteiten naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan bij eed tot geheimhouding verplicht zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.

▼B

3.  

De gegevens betreffende een onderneming waarvan de vergunning is geschorst of is ingetrokken, worden na het verstrijken van de schorsing of de intrekking van de vergunning gedurende twee jaar in het nationale elektronische register bewaard, en worden onmiddellijk daarna verwijderd.

Gegevens betreffende personen die ongeschikt voor het beroep van wegvervoerondernemer zijn verklaard, blijven in het nationale elektronische register bewaard, zolang de betrouwbaarheidsstatus van die personen niet is hersteld overeenkomstig artikel 6, lid 3. Wanneer een dergelijke rehabilitatiemaatregel of een andere maatregel met een gelijkwaardig effect genomen is, worden de gegevens onmiddellijk verwijderd.

In de gegevens bedoeld in de eerste en de tweede alinea wordt naar behoren vermeld om welke redenen de vergunning is geschorst of ingetrokken of om welke reden de betrokken persoon ongeschikt is verklaard, alsmede voor welke duur.

▼M3

4.  
De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te garanderen dat alle gegevens in het nationale elektronische register actueel en correct zijn.

▼B

5.  
Onverminderd lid 1 en lid 2 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers vanuit de gehele Gemeenschap via de nationale contactpunten als aangegeven in artikel 18 onderling gekoppeld en toegankelijk zijn. De toegankelijkheid via de nationale contactpunten en de onderlinge koppeling moeten uiterlijk op 31 december 2012 zijn gerealiseerd en wel zodanig dat de bevoegde instanties uit alle lidstaten de nationale elektronische registers van alle andere lidstaten kunnen raadplegen.
6.  
Gemeenschappelijke regels voor de uitvoering van lid 5, zoals het formaat van de uitgewisselde gegevens, de technische procedures voor de elektronische raadpleging van de nationale elektronische registers van andere lidstaten en de bevordering van de interoperabiliteit van deze registers met andere relevante databanken worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, en wel voor het eerst vóór 31 december 2010. Deze gemeenschappelijke regels moeten bepalen welke instantie verantwoordelijk is voor de toegang tot, het verdere gebruik en de bijwerking van de gegevens na raadpleging en moeten derhalve voorschriften bevatten over registratie van en toezicht op de gegevens.

▼M3

Uiterlijk 14 maanden na de vaststelling van een uitvoeringshandeling over een gemeenschappelijke formule voor de berekening van risicoclassificatie als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2006/22/EG stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin de functies die het mogelijk maken dat de onder g), h) en i) van lid 2, eerste alinea, bedoelde gegevens tijdens wegcontroles aan de bevoegde autoriteiten ter beschikking worden gesteld, worden gespecificeerd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

▼M3 —————

▼B

Artikel 17

Bescherming van persoonsgegevens

Met betrekking tot de toepassing van Richtlijn 95/46/EG zorgen de lidstaten er met name voor dat:

a) 

elke persoon wordt ingelicht wanneer gegevens die op hem betrekking hebben, worden opgeslagen of wanneer het voornemen bestaat deze gegevens aan derden door te geven. In de verstrekte mededeling moet de identiteit van de voor de verwerking van de gegevens verantwoordelijke instantie worden gepreciseerd, alsook het type verwerkte gegevens en de redenen voor zulke verrichtingen;

b) 

eenieder recht heeft op toegang tot de door de voor de verwerking van die gegevens verantwoordelijke instantie gehouden gegevens die op hem betrekking hebben. Dit recht kan vrijelijk en zonder beperking worden uitgeoefend, met redelijke tussenpozen en zonder bovenmatige vertraging of kosten voor de persoon die toegang vraagt;

c) 

eenieder het recht heeft de rectificatie, de uitwissing of de afscherming te vragen van onvolledige of onjuiste gegevens die op hem betrekking hebben;

d) 

eenieder het recht heeft zich, om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen, ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens worden verwerkt. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de verwerking niet langer op deze gegevens betrekking hebben;

e) 

ondernemingen, waar van toepassing, de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens naleven.

▼M3

Artikel 18

Bestuurlijke samenwerking tussen de lidstaten

1.  
De lidstaten wijzen een nationaal contactpunt aan dat wordt belast met de uitwisseling van gegevens met de andere lidstaten, voor wat de toepassing van deze verordening betreft. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 december 2011 in kennis van de naam en het adres van hun nationale contactpunt. De Commissie stelt een lijst op van alle nationale contactpunten en stuurt deze naar de lidstaten.
2.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen en bieden elkaar snel wederzijdse bijstand en andere relevante informatie teneinde de uitvoering en handhaving van deze verordening te vergemakkelijken.
3.  
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen gegevens uit betreffende veroordelingen en sancties wegens ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 6, lid 2. Wanneer een lidstaat een melding ontvangt van een ernstige inbreuk als bedoeld in artikel 6, lid 2, die in de voorbije twee jaar tot een veroordeling of een sanctie in een andere lidstaat heeft geleid, vermeldt hij deze inbreuk in zijn nationale elektronische register.
4.  
De lidstaten beantwoorden verzoeken om informatie van alle bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en voeren inspecties en onderzoeken uit met betrekking tot de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder a), vastgestelde eis door de op hun grondgebied gevestigde wegvervoerondernemers. Dergelijke verzoeken om informatie kunnen ook betrekking hebben op de toegang tot documenten die aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5. Verzoeken om informatie van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten naar behoren gerechtvaardigd en gemotiveerd worden. Zij moeten daartoe geloofwaardige aanwijzingen van mogelijke inbreuken op artikel 3, lid 1, onder a), bevatten, het doel van het verzoek vermelden en voldoende gedetailleerd de verlangde informatie en documenten verstrekken.
5.  
De lidstaten bezorgen de door andere lidstaten krachtens lid 4 gevraagde informatie binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek. De lidstaten kunnen in onderling overleg een kortere termijn overeenkomen.
6.  
Als de lidstaat die om informatie wordt verzocht, van oordeel is dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd is, stelt hij de verzoekende lidstaat daar binnen tien werkdagen na de ontvangst van het verzoek van in kennis. De verzoekende lidstaat moet het verzoek verder onderbouwen. Wanneer de verzoekende lidstaat het verzoek niet verder kan onderbouwen, kan de aangezochte lidstaat het verzoek afwijzen.
7.  
Als het moeilijk is om te voldoen aan een verzoek om informatie of een verzoek tot het uitvoeren van controles of onderzoeken, stelt de aangezochte lidstaat de verzoekende lidstaat daar binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek van in kennis, met opgave van de redenen voor de moeilijkheid. De betrokken lidstaten plegen overleg om een oplossing voor eventuele problemen te vinden. Indien de verstrekking van informatie aan de verzoekende lidstaat aanhoudend vertraging oploopt, wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld en neemt zij passende maatregelen.
8.  
De in lid 3 bedoelde uitwisseling van gegevens geschiedt via het bij Verordening (EU) nr. 1213/2010 van de Commissie ( 3 ) opgezette systeem voor de uitwisseling van berichten, namelijk de „European Registers of Road Transport Undertakings” (ERRU). De in de leden 4 tot en met 7 vastgestelde administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geschiedt via het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad ( 4 ) opgezette Informatiesysteem interne markt („Internal Market Information System” — IMI). Te dien einde kan elke lidstaat als bevoegde autoriteit het in lid 1 bedoelde contactpunt aanwijzen en dit via het IMI melden aan de Commissie.
9.  
De lidstaten zien erop toe dat de informatie die hen krachtens dit artikel wordt verstrekt, alleen wordt gebruikt voor het (de) doel(en) waarvoor deze werd aangevraagd. Persoonsgegevens mogen uitsluitend met het oog op de naleving van deze verordening en in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad ( 5 ) worden verwerkt.
10.  
Wederzijdse administratieve samenwerking en bijstand is kosteloos.
11.  
Een verzoek om informatie belet de bevoegde autoriteiten niet om in overeenstemming met de relevante nationale en Uniewetgeving onderzoeken in te stellen naar vermeende inbreuken op deze verordening, of om maatregelen te nemen om dergelijke inbreuken te voorkomen.

▼B

HOOFDSTUK V

ONDERLINGE ERKENNING VAN CERTIFICATEN EN ANDERE DOCUMENTEN

Artikel 19

Getuigschriften betreffende de betrouwbaarheid en gelijkwaardige documenten

1.  
Onverminderd het bepaalde in artikel 11, lid 4, aanvaardt de lidstaat van vestiging voor toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer als voldoende bewijs van betrouwbaarheid de overlegging van een uittreksel uit het strafregister of, bij het ontbreken daarvan, een door de bevoegde rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie van de lidstaat waar de vervoersmanager of enige andere relevante persoon zijn woonplaats had, afgegeven gelijkwaardig document.
2.  
Wanneer een lidstaat aan zijn onderdanen bepaalde eisen inzake betrouwbaarheid stelt en het bewijs dat aan die eisen is voldaan, niet door middel van het in lid 1 genoemde document kan worden geleverd, erkent deze lidstaat voor de onderdanen van de andere lidstaten als voldoende bewijs een door de bevoegde rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie van de lidstaat/lidstaten waar de vervoersmanager of enige andere relevante persoon zijn woonplaats had, afgegeven getuigschrift waaruit blijkt dat aan die eisen is voldaan. Een dergelijk getuigschrift heeft betrekking op de concrete informatie die in de lidstaat van vestiging in aanmerking worden genomen.
3.  
Indien het in lid 1 bedoelde document of het in lid 2 bedoelde certificaat niet door de lidstaat waar de vervoersmanager of enige andere relevante persoon zijn woonplaats had, is afgegeven, kan dat document of certificaat worden vervangen door een door de vervoersmanager of enige andere relevante persoon onder ede afgelegde verklaring of door diens plechtige verklaring ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie of, in voorkomend geval, ten overstaan van een notaris van de lidstaat waar de vervoersmanager of enige andere relevante persoon woonde. Deze instantie of notaris geeft een getuigschrift af waarin de aflegging van deze eed of plechtige verklaring wordt bevestigd.
4.  
Het in lid 1 bedoelde document en het in lid 2 bedoelde certificaat worden niet aanvaard, indien zij meer dan drie maanden vóór de overlegging ervan zijn afgegeven. Deze voorwaarde geldt ook voor de overeenkomstig lid 3 afgelegde verklaringen.

Artikel 20

Verklaringen in verband met de financiële draagkracht

Wanneer een lidstaat aan zijn onderdanen naast de in artikel 7 bedoelde voorwaarden aanvullende voorwaarden inzake financiële draagkracht oplegt, erkent deze lidstaat voor onderdanen van een andere lidstaat als voldoende bewijs een door een bevoegde instantie van de lidstaat/lidstaten waar de vervoersmanager of enige andere relevante persoon zijn woonplaats had, afgegeven verklaring waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan. Deze verklaringen hebben betrekking op de concrete informatie die in de nieuwe lidstaat van vestiging in aanmerking wordt genomen.

Artikel 21

Verklaringen inzake de vakbekwaamheid

1.  
De lidstaten aanvaarden als voldoende bewijs van vakbekwaamheid een getuigschrift dat overeenkomt met het modelgetuigschrift in bijlage III en dat door de daarvoor naar behoren gemachtigde autoriteit of instantie is afgegeven.
2.  
Een getuigschrift dat vóór 4 december 2011 als bewijs van vakbekwaamheid op grond van de tot die datum geldende bepalingen is afgegeven, wordt gelijkgesteld aan een getuigschrift dat overeenkomt met het modelgetuigschrift in bijlage III, en wordt in alle lidstaten erkend als bewijs van vakbekwaamheid. De lidstaten mogen eisen dat houders van een verklaring inzake de vakbekwaamheid die alleen geldig is voor het nationale vervoer, de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens of delen daarvan met goed gevolg afleggen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Sancties

1.  
De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te verzekeren dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4 december 2011 van de getroffen maatregelen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen daarop onverwijld mee. Zij zien erop toe dat al deze maatregelen zonder discriminatie op grond van nationaliteit of vestigingsplaats van de onderneming ten uitvoer worden gelegd.
2.  
De in lid 1 bedoelde sancties omvatten met name de schorsing van de vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, de intrekking van deze vergunning en het ongeschikt verklaren van de vervoersmanager.

Artikel 23

Overgangsbepalingen

Ondernemingen die voor 4 december 2009 over een vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer beschikken, dienen uiterlijk op 4 december 2011 aan de bepalingen van deze verordening te voldoen.

▼M3

In afwijking van artikel 1, lid 2, en uiterlijk tot 21 mei 2022 worden ondernemers van goederenvervoer over de weg die internationaal vervoer verrichten en hun activiteiten uitsluitend uitoefenen met motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die een toelaatbare maximummassa van 3,5 ton niet overschrijden, vrijgesteld van de bepalingen van onderhavige verordening, tenzij in het recht van de lidstaat van vestiging anders is bepaald.

In afwijking van artikel 16, lid 2, geldt het vereiste dat de risicoclassificatie van de ondernemingen in de nationale elektronische registers moet worden opgenomen, vanaf 14 maanden vanaf de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling betreffende een gemeenschappelijke formule voor het berekenen van de risicoclassificatie bedoeld in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2006/22/EG.

▼M3 —————

▼M3

Artikel 24 bis

Uitoefening van de delegatie

1.  
De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  
De in artikel 8, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 20 augustus 2020.
3.  
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 9, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  
Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 6 ).
5.  
Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  
Een krachtens artikel 8, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

▼B

Artikel 25

Comitéprocedure

1.  
De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer ( 7 ) ingestelde comité.

▼M3

2.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 8 ) van toepassing.
3.  
Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼B

Artikel 26

▼M3

Rapportage en evaluatie

▼B

1.  

De lidstaten stellen om de twee jaar een verslag op over de activiteiten van de bevoegde instanties en delen de Commissie dit verslag mede. Dit verslag omvat:

a) 

een overzicht van de sector op het gebied van de betrouwbaarheid, de financiële draagkracht en de vakbekwaamheid;

▼M3

b) 

het aantal uit hoofde van deze verordening uitgereikte vergunningen per jaar en per categorie, het aantal geschorste vergunningen, het aantal ingetrokken vergunningen, het aantal personen dat ongeschikt is verklaard en de redenen voor deze beslissingen. In de verslagen betreffende de periode na 21 mei 2022 worden deze punten ook in de hieronder genoemde categorieën uitgesplitst:

i) 

ondernemers van personenvervoer over de weg;

ii) 

ondernemers van goederenvervoer over de weg met uitsluitend motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die een toelaatbare maximummassa van 3,5 ton niet overschrijden, en

iii) 

alle andere ondernemers van goederenvervoer over de weg;

▼B

c) 

het jaarlijkse aantal afgegeven getuigschriften van vakbekwaamheid;

d) 

kernstatistieken betreffende de nationale elektronische registers en het gebruik ervan door de bevoegde autoriteiten, en

e) 

een overzicht van de uitwisseling van gegevens met de andere lidstaten ingevolge artikel 18, lid 2, met inbegrip van het jaarlijkse aantal vastgestelde inbreuken dat aan andere lidstaten is gemeld en het jaarlijkse aantal ontvangen antwoorden, alsmede het jaarlijkse aantal ingevolge artikel 18, lid 3, ontvangen verzoeken en antwoorden.

2.  
De Commissie dient op basis van de in lid 1 bedoelde verslagen elke twee jaar bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in betreffende de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. In dit verslag wordt met name de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten geëvalueerd en worden de werking alsmede de in de nationale elektronische registers opgenomen gegevens getoetst. Dit verslag wordt op hetzelfde moment gepubliceerd als het in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer ( 9 ) bedoelde verslag.

▼M3

3.  
Om de twee jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de verzoeken die zij hebben ontvangen uit hoofde van artikel 18, leden 4 tot en met 9, van de antwoorden die zij van andere lidstaten hebben ontvangen, en van de maatregelen die zij op basis van de verstrekte informatie hebben genomen.
4.  
Op basis van de informatie die zij krachtens lid 3 heeft verzameld en op basis van verder bewijsmateriaal dient de Commissie uiterlijk op 21 augustus 2023 een gedetailleerd verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de mate van administratieve samenwerking tussen de lidstaten, mogelijke tekortkomingen in dit opzicht en mogelijke manieren om de samenwerking te verbeteren. Op basis van dit verslag beoordeelt de Commissie of het nodig is aanvullende maatregelen voor te stellen.
5.  
De Commissie evalueert de uitvoering van deze verordening uiterlijk op 21 augustus 2023 en brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze verordening.
6.  
Na het in lid 5 bedoelde verslag evalueert de Commissie deze verordening regelmatig en legt zij de resultaten van die evaluaties voor aan het Europees Parlement en de Raad.
7.  
Indien nodig gaan de in de leden 5 en 6 bedoelde verslagen vergezeld van relevante wetgevingsvoorstellen.

▼B

Artikel 27

Lijst van bevoegde instanties

Elke lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op 4 december 2011 de lijst mee van de bevoegde instanties die hij heeft aangewezen voor de afgifte van vergunningen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer, alsmede de lijst van de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van de in artikel 8, lid 1, bedoelde examens en de afgifte van de getuigschriften. De Commissie maakt een geconsolideerde lijst van al deze autoriteiten en instanties in de Gemeenschap bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 28

Mededeling van nationale uitvoeringsmaatregelen

De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze verordening vallende gebied vaststellen, zulks binnen 30 dagen na aanneming van die bepalingen, en de eerste keer uiterlijk op 4 december 2011.

Artikel 29

Intrekking

Richtlijn 96/26/EG wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 30

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 4 december 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

I.   LIJST VAN DE IN ARTIKEL 8 BEDOELDE ONDERWERPEN

De voor de vaststelling van de vakbekwaamheid door de lidstaten in aanmerking te nemen kennis moet ten minste betrekking hebben op de in de onderstaande lijst genoemde onderwerpen voor het goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg. Voor deze onderwerpen moeten de kandidaat-wegvervoerders het kennis- en vaardigheidsniveau hebben dat nodig is om een vervoersonderneming te leiden.

Het hieronder beschreven minimumkennisniveau mag niet lager zijn dan niveau 3 van de structuur van de opleidingsniveaus als aangegeven in de bijlage bij Besluit 85/368/EEG van de Raad ( 10 ), namelijk het kennisniveau dat is bereikt door verplicht onderwijs aangevuld met hetzij beroepsopleiding en een aanvullende technische opleiding, hetzij een schoolopleiding op secundair niveau of een andere technische opleiding.

A.   Burgerlijk recht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

kennis hebben van de belangrijkste contracten die in het wegvervoer worden gebruikt en van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen;

2. 

in staat zijn een rechtsgeldige vervoersovereenkomst te bedingen, met name wat de vervoersvoorwaarden betreft;

met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:

3. 

in staat zijn een klacht van zijn of haar opdrachtgever te onderzoeken in verband met schade ten gevolge van verlies of beschadiging van goederen tijdens het transport dan wel van vertraging bij de aflevering, en kunnen bepalen welke de gevolgen van de klacht zijn voor zijn contractuele aansprakelijkheid;

4. 

kennis hebben van de regels en verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR);

met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:

5. 

in staat zijn een klacht van zijn opdrachtgever te onderzoeken in verband met door reizigers opgelopen letsel of in verband met schade aan hun bagage ten gevolge van een ongeval tijdens het transport of in verband met schade als gevolg van vertraging, en kunnen bepalen welke de gevolgen van de klacht zijn voor zijn contractuele aansprakelijkheid.

B.   Handelsrecht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

kennis hebben van de voorwaarden en de regels inzake de bedrijfsuitoefening en de algemene verplichtingen van ondernemers (inschrijving, boekhouding enz.) en van de consequenties van een faillissement;

2. 

de vereiste kennis hebben omtrent de verschillende ondernemingsvormen en de daarmee verband houdende voorschriften inzake oprichting en functioneren.

C.   Sociaal recht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van:

1. 

de rol en het functioneren van de verschillende sociale instellingen in de wegvervoersector (vakbonden, ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordiging, arbeidsinspectie enz.);

2. 

de verplichtingen van de werkgever op het gebied van de sociale zekerheid;

3. 

de voorschriften inzake de arbeidsovereenkomsten voor de verschillende categorieën werknemers van wegvervoerondernemingen (vorm van de overeenkomst, verplichtingen van de partijen, arbeidsvoorwaarden en werktijden, vakanties met behoud van loon, salaris, verbreking van het contract enz.);

4. 

de voorschriften inzake rij- en rusttijden alsmede werktijden en met name van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3821/85, Verordening (EEG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 11 ) en Richtlijn 2006/22/EG, alsmede van de wijze waarop deze wetgeving in de praktijk wordt toegepast, en

5. 

de voorschriften, met name op grond van Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 12 ), inzake de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders.

D.   Belastingrecht

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van de voorschriften inzake:

Vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op vervoerdiensten;

2. 

de motorrijtuigenbelasting;

3. 

de heffingen op bepaalde voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg alsmede de tolgelden en gebruiksrechten voor het gebruik van bepaalde infrastructuur;

4. 

de inkomstenbelasting.

E.   Commercieel en financieel beheer van de onderneming

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

kennis hebben van de wettelijke bepalingen en de praktijken met betrekking tot het gebruik van cheques, wissels, promesses, kredietkaarten en andere betaalmiddelen of -methoden;

2. 

kennis hebben van de verschillende kredietvormen (bankkrediet, documentair krediet, waarborgsommen, hypotheken, leasing, renting, factoring enz.) en de daaruit voortvloeiende lasten en verplichtingen;

3. 

weten wat een balans is en hoe een balans is opgesteld en moet worden geïnterpreteerd;

4. 

een winst-en-verliesrekening kunnen lezen en interpreteren;

5. 

een analyse kunnen maken van de financiële situatie en de rentabiliteit van de onderneming, met name op basis van de financiële ratio’s;

6. 

een begroting kunnen opstellen;

7. 

weten hoe zijn kostprijs is samengesteld (vaste kosten, variabele kosten, bedrijfskosten, afschrijvingen enz.) en berekeningen per voertuig, per kilometer, per reis of per ton kunnen maken;

8. 

een organisatieschema voor alle werknemers van de onderneming en werkplanningen enz. kunnen opstellen;

9. 

kennis hebben van de beginselen van het marktonderzoek (marketing), de verkoopbevordering voor vervoerdiensten, het opzetten van klantenbestanden, reclame, public relations enz.;

10. 

kennis hebben van de verschillende typen verzekeringen die voor vervoersactiviteiten van belang zijn (aansprakelijkheidsverzekering, verzekering van passagiers, goederen, bagage) en de daarmee verband houdende waarborgen en verplichtingen;

11. 

kennis hebben van telematicatoepassingen op het gebied van het wegvervoer;

met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:

12. 

de regels betreffende de facturering van goederenvervoerdiensten over de weg kunnen toepassen en kennis hebben van de betekenis en de implicaties van de Incoterms;

13. 

kennis hebben van de verschillende categorieën tussenpersonen, hun rol, hun functie en eventueel hun status;

met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:

14. 

de regels met betrekking tot de tarieven en de prijsstelling in het openbaar en particulier personenvervoer kunnen toepassen;

15. 

de regels inzake de facturering van personenvervoerdiensten over de weg kunnen toepassen.

F.   Toegang tot de markt

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg, kennis hebben van:

1. 

de beroepsvoorschriften inzake het vervoer over de weg voor rekening van derden, het huren van bedrijfsvoertuigen, uitbesteding, en met name de voorschriften betreffende de officiële beroepsorganisatie, de toegang tot het beroep, vergunningen voor intracommunautair en extracommunautair wegvervoer alsmede handhaving en sancties;

2. 

de voorschriften inzake de oprichting van een wegvervoeronderneming;

3. 

de verschillende documenten die vereist zijn voor de uitvoering van wegvervoerdiensten en de invoering van controleprocedures om ervoor te zorgen dat op het kantoor van de onderneming en aan boord van de voertuigen met elkaar overeenstemmende documenten aanwezig zijn met betrekking tot ieder uitgevoerd transport, met name de documenten inzake het voertuig, de bestuurder, de goederen en de bagage;

met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:

4. 

de voorschriften inzake de marktordening voor het goederenvervoer over de weg, alsmede de voorschriften inzake expeditiebedrijven en logistiek;

5. 

grensformaliteiten, de functie en betekenis van T-documenten en het carnet TIR en van de verplichtingen en verantwoordelijkheden die aan het gebruik daarvan zijn verbonden;

met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:

6. 

de voorschriften betreffende de marktordening voor het personenvervoer over de weg;

7. 

de voorschriften inzake de invoering van nieuwe vervoerdiensten en het opstellen van vervoerplannen.

G.   Technische normen en exploitatie

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

kennis hebben van de voorschriften betreffende gewichten en afmetingen van voertuigen in de lidstaten en van de procedures met betrekking tot uitzonderlijke transporten waarbij van deze voorschriften wordt afgeweken;

2. 

afhankelijk van de behoefte van de onderneming de voertuigen en de onderdelen daarvan kunnen kiezen (chassis, motor, transmissiesystemen, remsystemen enz.);

3. 

kennis hebben van de formaliteiten inzake de goedkeuring, de registratie en de technische keuring van de voertuigen;

4. 

in staat zijn de nodige maatregelen te nemen tegen geluidsoverlast en tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

5. 

periodieke onderhoudsplannen kunnen opstellen voor voertuigen en uitrusting;

met betrekking tot het vervoer van goederen over de weg:

6. 

kennis hebben van de diverse typen laad- en losmachines (laadkleppen, containers, pallets enz.) en in staat zijn procedures en instructies te ontwikkelen voor het laden en lossen van goederen (belastingsverdeling, stapelen, beladen, vastzetten enz.);

7. 

kennis hebben van de verschillende technieken voor gecombineerd vervoer in het railvervoer en rorovervoer;

8. 

in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen en afvalstoffen toe te passen, met name die welke zijn gebaseerd op Richtlijn 2008/68/EG ( 13 ) en Verordening (EG) nr. 1013/2006 ( 14 );

9. 

in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften betreffende het vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen toe te passen, met name die welke zijn gebaseerd op de Overeenkomst inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer (ATP);

10. 

in staat zijn de procedures in het kader van de voorschriften inzake vervoer van levende dieren toe te passen.

H.   Verkeersveiligheid

De kandidaat moet met name, met betrekking tot het vervoer van goederen en personen over de weg:

1. 

weten over welke certificaten het rijdend personeel moet beschikken (rijbewijs, medische attesten, verklaring van geschiktheid enz.);

2. 

maatregelen kunnen nemen om ervoor te zorgen dat de bestuurders zich houden aan de in de verschillende lidstaten geldende verkeersvoorschriften en -verboden en -beperkingen (snelheidsbeperkingen, voorrangsregels, voorschriften inzake stoppen en parkeren, gebruik van lichten, verkeerssignalering enz.);

3. 

in staat zijn voor de bestuurders instructies op te stellen met betrekking tot de controle op de veiligheidsnormen inzake de staat van het vervoermaterieel, de uitrusting, de lading en de te nemen preventieve maatregelen;

4. 

in staat zijn procedures op te stellen die moeten worden gevolgd bij een ongeval, en de nodige procedures toe te passen om herhaling van ongevallen of ernstige inbreuken te voorkomen;

5. 

in staat zijn procedures toe te passen om de goederen op een veilige manier vast te zetten en op de hoogte zijn van de technieken op dat gebied;

met betrekking tot het vervoer van personen over de weg:

6. 

een elementaire kennis hebben van de structuur van het wegennet in de lidstaten.

II.   ORGANISATIE VAN HET EXAMEN

1. 

De lidstaten zullen een verplicht schriftelijk examen organiseren, dat met een mondeling examen kan worden aangevuld, om na te gaan of de kandidaat-wegvervoerders beschikken over het in deel I vereiste kennisniveau omtrent de daar genoemde onderwerpen en met name in staat zijn de met die onderwerpen verband houdende instrumenten en technieken te gebruiken en de voorgeschreven uitvoerende en coördinerende taken te verrichten.

a) 

Het verplichte schriftelijke examen zal bestaan uit twee onderdelen, namelijk:

i) 

schriftelijke vragen in de vorm van hetzij meerkeuzevragen (vier antwoordmogelijkheden), hetzij vragen met één antwoord, hetzij een combinatie van de twee systemen;

ii) 

schriftelijke opdrachten/casestudy's.

Elk onderdeel duurt ten minste twee uur.

b) 

Wanneer een mondeling examen wordt georganiseerd, kunnen de lidstaten het slagen voor het schriftelijke examen als voorwaarde stellen voor de toelating tot het mondelinge examen.

2. 

Wanneer de lidstaten ook een mondeling examen organiseren, moeten zij voor elk onderdeel een weging van de punten toepassen die echter niet minder dan 25 % of meer dan 40 % van het in totaal toe te kennen aantal punten mag bedragen.

Wanneer de lidstaten alleen een schriftelijk examen organiseren, moeten zij voor elk onderdeel een weging van de punten toepassen die echter niet minder dan 40 % of meer dan 60 % van het in totaal toe te kennen aantal punten mag bedragen.

3. 

Voor alle onderdelen tezamen moeten de kandidaten een gemiddelde van ten minste 60 % van het puntentotaal behalen, zonder dat het voor elk onderdeel behaalde percentage minder mag bedragen dan 50 % van het totaal dat kan worden behaald. Een lidstaat mag voor één onderdeel het percentage van 50 terugbrengen tot 40.




BIJLAGE II

Beveiligingskenmerken van het getuigschrift van vakbekwaamheid

Het getuigschrift moet zijn voorzien van ten minste twee van de volgende beveiligingskenmerken:

— 
een hologram,
— 
speciale in het papier verwerkte vezels die zichtbaar worden onder uv-licht,
— 
ten minste één regel met microprint (die alleen met een vergrootglas zichtbaar is en niet met een fotokopieermachine kan worden gereproduceerd),
— 
voelbare karakters, symbolen of patronen,
— 
een dubbele nummering: serienummer en afgiftenummer,
— 
een beveiligingsondergrond met fijne guillochepatronen en irisdruk.




BIJLAGE III

Model van het getuigschrift van vakbekwaamheid

EUROPESE GEMEENSCHAP

▼M1

(Kleur: Pantone beige kraftpapier 467, of pantone beige dat daar zo sterk mogelijk op gelijkt, formaat DIN A4 cellulosepapier, 100 g/m2 of meer)

▼B

(Tekst in (een van) de officiële talen van de lidstaat die het getuigschrift afgeeft)



Kenteken van de betrokken lidstaat (1)

Naam van de bevoegde autoriteit of instantie (2)

►M2  (1)   

De kentekens van de lidstaten zijn: (B) België, (BG) Bulgarije, (CZ) Tsjechië, (DK) Denemarken, (D) Duitsland, (EST) Estland, (IRL) Ierland, (GR) Griekenland, (E) Spanje, (F) Frankrijk, (HR) Kroatië, (I) Italië, (CY) Cyprus, (LV) Letland, (LT) Litouwen, (L) Luxemburg, (H) Hongarije, (M) Malta,(NL) Nederland, (A) Oostenrijk, (PL) Polen, (P) Portugal, (RO) Roemenië, (SLO) Slovenië, (SK) Slowakije, (FIN) Finland, (S) Zweden, (UK) Verenigd Koninkrijk.

 ◄
(2)   

Daartoe vooraf door elke lidstaat van de Europese Gemeenschap aangewezen autoriteit of instantie die deze verklaring mag afgeven.

GETUIGSCHRIFT VAN VAKBEKWAAMHEID VOOR HET VERVOER VAN GOEDEREN/PERSONEN ( 15 ) OVER DE WEG

Nr.o

Wij …

verklaren dat ( 16 ) …

geboren op … te …

geslaagd is voor de onderdelen van het examen (jaar: …; zitting: …) ( 17 ), zoals vereist voor het verkrijgen van het getuigschrift van vakbekwaamheid voor het vervoer van goederen/personen over de weg (15) , overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen ( 18 ).

Dit document geldt als voldoende bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1071/2009.

Afgegeven te …op … ( 19 ).




BIJLAGE IV

▼M3

Zwaarste inbreuken voor de toepassing van artikel 6, lid 2

▼B

1. 
a) 

Overschrijden van de maximaal toegestane zesdaagse of tweewekelijkse rijtijden met 25 % of meer;

▼M3

b) 

Overschrijden, tijdens een dagelijkse werktijd, van de maximale dagelijkse rijtijd met een marge van 50 % of meer.

2. 

Niet beschikken over een tachograaf en/of snelheidsbegrenzer of in het voertuig beschikken over en/of gebruikmaken van een frauduleus apparaat waarmee de geregistreerde gegevens van het controleapparaat en/of de snelheidsbegrenzer kunnen worden gewijzigd of de registratiebladen of de van de tachograaf en/of de bestuurderskaart overgebrachte gegevens kunnen worden vervalst.

▼B

3. 

Rijden zonder een geldig bewijs van technische keuring (indien vereist door de Gemeenschapswetgeving) en/of rijden met een zeer ernstig gebrek aan onder meer het remsysteem, het stangenstelsel van de stuurinrichting, de wielen/banden, de ophanging of het chassis dat een zodanig onmiddellijk gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert dat het leidt tot het besluit het voertuig uit het verkeer te nemen.

4. 

Het vervoer van gevaarlijke goederen die niet vervoerd mogen worden of het vervoer van dergelijke goederen in verboden of niet erkende middelen van omsluiting, of die niet op het voertuig vermeld zijn als gevaarlijke goederen, zodat er gevaar dreigt voor mensenlevens of het milieu in een mate die leidt tot het besluit het voertuig uit het verkeer te nemen.

5. 

Het vervoer van passagiers of goederen zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs of vervoer door een onderneming die niet in het bezit van een geldige communautaire vergunning is.

6. 

Rijden met een vervalst rijbewijs of met een rijbewijs waarvan de chauffeur niet de houder is of dat verkregen is op basis van valse verklaringen en/of nagemaakte documenten.

7. 

Het vervoer van goederen waarbij de maximaal toegestane massa met 20 % of meer wordt overschreden voor voertuigen met een toegestaan geladen gewicht van meer dan 12 t, en met 25 % of meer voor voertuigen met een toegestaan geladen gewicht van maximaal 12 t.



( 1 )  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.

( 2 ) Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 en van Richtlijn 2002/15/EG betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35).

( 3 ) Verordening (EU) nr. 1213/2010 van de Commissie van 16 december 2010 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor de onderlinge koppeling van nationale elektronische registers van wegvervoerondernemingen (PB L 335 van 18.12.2010, blz. 21).

( 4 ) Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie („de IMI-verordening”) (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1).

( 5 ) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

( 6 )  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 7 )  PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.

( 8 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

( 9 )  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

( 10 ) Besluit 85/368/EEG van de Raad van 16 juli 1985 inzake de vergelijkbaarheid van de getuigschriften van vakbekwaamheid tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap (PB L 199 van 31.7.1985, blz. 56).

( 11 ) Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).

( 12 ) Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4).

( 13 ) Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

( 14 ) Verordening (EG) nr. 1013/2006van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).

( 15 ) Doorhalen wat niet van toepassing is.

( 16 ) Naam en voornaam; geboorteplaats en -datum.

( 17 ) Opgave van het examen.

( 18 )  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51.

( 19 ) Handtekening en stempel van de bevoegde autoriteit of instelling die de verklaring afgeeft.

Top