Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018AE2466

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over bio-economie — De bijdrage aan het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelen van de EU en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (verkennend advies)

EESC 2018/02466

OJ C 440, 6.12.2018, p. 45–50 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 440/45


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over bio-economie — De bijdrage aan het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelen van de EU en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN

(verkennend advies)

(2018/C 440/07)

Rapporteur:

Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA

Corapporteur:

Andreas THURNER

Raadpleging

Oostenrijks voorzitterschap van de Raad, 12.2.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 302 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Verkennend advies

Besluit van de voltallige vergadering

13.3.2018

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

5.9.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

19.9.2018

Zitting nr.

537

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

180/1/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Volgens het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) draait het in de bio-economie om het creëren van meerwaarde door de productie, de omzetting en het gebruik van biologische natuurlijke hulpbronnen. De transitie naar koolstofneutraliteit en circulariteit zal steeds meer een motor voor de bio-economie worden, omdat een duurzame bio-economie het potentieel heeft om tegelijkertijd economische, sociale en klimatologische voordelen te genereren.

1.2.

Het EESC wijst erop dat de bio-economie op verschillende manieren bijdraagt tot het beperken van klimaatverandering: door CO2 uit de atmosfeer vast te leggen in biomassa, door koolstof op te slaan in biogebaseerde producten en door op fossiele hulpbronnen gebaseerde grondstoffen en producten te vervangen door uit biologische bronnen geproduceerde producten.

1.3.

Het Comité merkt voorts op dat de bio-economie bijdraagt aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU door fossiele brandstoffen te vervangen door bio-energie in de productie van elektriciteit, bij verwarming en afkoeling en in het vervoer. Ook vergroot de bio-economie de energie-efficiëntie en de zekerheid van de energievoorziening.

1.4.

Het EESC is ervan overtuigd dat de bio-economie een cruciale rol vervult bij de verwezenlijking van de algemene economische, sociale en milieudoelen van de VN-Agenda 2030 (de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, ofwel SDG’s). De rol van de bio-economie hangt nauw samen met doelen voor de industrie en de landbouw en het scheppen van banen in deze sectoren.

1.5.

Het Comité wil dat de EU-strategie voor de bio-economie wordt aangepast om in overeenstemming met economische, sociale en milieuduurzaamheid de meest gunstige voorwaarden voor de Europese bio-economie te scheppen om van de bio-economie een concurrentievoordeel voor de EU te maken.

1.6.

Het EESC beklemtoont dat beleidsmakers duurzame productie en het gebruik van biomassa in de EU moeten bevorderen en daarbij zorgen voor een stabiel, betrouwbaar en samenhangend kader voor investeringen in de bio-economie in de gehele waardeketen. Voorts moeten beleidsmakers de vraag naar biogebaseerde producten via overheidsopdrachten vergroten en een coherent kader voor technische, veiligheids- en staatssteunregels vaststellen om gelijke concurrentievoorwaarden voor biogebaseerde producten te creëren.

1.7.

Het EESC acht onderzoek en innovatie essentieel voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige bio-economie. De innovatie-inspanningen die worden bevorderd door de EU-strategie voor de bio-economie moeten daarom worden voortgezet, met inbegrip van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (Gemeenschappelijke Onderneming BBI).

1.8.

Het Comité onderstreept de cruciale rol van onderwijs, adviesdiensten, kennisoverdracht en opleiding om te bereiken dat werknemers en ondernemers beschikken over de vereiste informatie en vaardigheden. Mensen moeten goed geïnformeerd zijn over de bio-economie en hun verantwoordelijkheden beseffen, zodat zij actieve consumenten kunnen zijn en besluiten kunnen nemen over duurzame consumptie.

1.9.

Het EESC benadrukt dat een goede infrastructuur een voorwaarde is voor een succesvolle bio-economie en vereist toereikende financiering. Efficiënte vervoerssystemen zijn nodig voor de toegang tot grondstoffen en voor de distributie van producten naar markten.

1.10.

Het EESC beveelt aan dat de EU zou moeten streven naar een mondiaal prijsstellingssysteem voor koolstofemissies, als een neutrale en doeltreffende manier om de bio-economie te bevorderen en alle marktspelers te mobiliseren voor de bestrijding van klimaatverandering.

1.11.

Het EESC is ervan overtuigd dat het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij initiatieven voor de bio-economie en besluitvormingsprocessen van het grootste belang is. Het Comité benadrukt dat het essentieel is om ervoor te zorgen dat de overgang naar een koolstofarme economie op een eerlijke wijze plaatsvindt.

1.12.

Het EESC onderstreept dat een duurzame bio-economie alleen tot stand kan worden gebracht door middel van een sectoroverstijgende aanpak. Samenhang en coördinatie tussen de diverse EU-beleidsterreinen en -doelstellingen zijn daarom onontbeerlijk. Het is ook van belang ervoor te zorgen dat de maatregelen op het niveau van de lidstaten coherent zijn.

2.   Achtergrond

2.1.

Het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad heeft het EESC gevraagd een verkennend advies uit te brengen over de rol van de bio-economie bij het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelen van de EU en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN. Ondertussen bereidt het EESC een initiatiefadvies voor over de nieuwe mogelijkheden van een duurzame en inclusieve bio-economie voor de Europese economie (CCMI/160).

2.2.

Tegelijkertijd werkt de Europese Commissie aan een actualisering van de strategie voor een Europese bio-economie van 2012. Het EESC ziet toe op dit proces en is ingenomen met de inspanningen van de Commissie. De Commissie heeft de bio-economie gedefinieerd als „de productie van hernieuwbare biologische hulpbronnen en de omzetting van deze hulpbronnen en afvalstromen in producten met een toegevoegde waarde, zoals levensmiddelen, diervoeders, biogebaseerde producten en bio-energie”.

2.3.

Grosso modo omvat de bio-economie de vervanging van fossiele brandstoffen en fossiele grondstoffen door biogebaseerde alternatieven. De bio-economie omvat economische activiteiten die stoelen op de productie, de winning, de omzetting en het gebruik van biologische natuurlijke hulpbronnen. Afvalstromen, nevenproducten en residuen kunnen een andere belangrijke bron voor de levering van grondstoffen zijn.

2.4.

Landbouw en bosbouw zijn, samen met de visserijsector, van fundamenteel belang voor de productie van biomassa voor verder gebruik. Een breed scala aan sectoren (zoals bosbouw, levensmiddelen, chemie, energie, textiel en de bouw) zetten biomassa, met inbegrip van secundaire grondstoffen, om in consumentenproducten of voor andere sectoren bestemde tussenproducten. Doorgaans is de bio-economie gebaseerd op extensieve waardeketens, waaronder vervoer, handel en andere met bovengenoemde activiteiten samenhangende diensten. Ook ecosysteemdiensten maken deel uit van de bio-economie.

2.5.

De EU heeft zich ertoe verbonden om haar broeikasgasemissies voor 2030 te verminderen met 40 % ten opzichte van de niveaus van 1990 (1), met afzonderlijke doelstellingen en regels voor de emissiehandel- en andere sectoren. Daarnaast is de LULUCF-sector (LULUCF: landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw) opgenomen in het kader voor 2030, op voorwaarde dat deze sector geen netto-emissies genereert, maar bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel om op lange termijn koolstofputten uit te breiden. Dit weerspiegelt de eis in artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, die stelt dat er in de tweede helft van de eeuw een evenwicht moeten worden bereikt tussen antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen van broeikasgassen per put (2).

2.6.

In overeenstemming met de energiedoelen van de EU voor 2030 moet de energie-efficiëntie worden verbeterd met 32,5 % ten opzichte van de prognoses en moet het aandeel van hernieuwbare energie in de totale energiemix toenemen tot 32 %, beide uitgedrukt als gemeenschappelijke EU-doelstellingen en niet als doelstellingen op lidstaatniveau (3).

2.7.

De 17 duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN bestrijken verschillende facetten van de economische, sociale en milieu-uitdagingen waar de wereld voor staat. Hoewel geen van de SDG’s specifiek betrekking heeft op de bio-economie, bestaan er verbanden tussen de bio-economie en diverse van deze doelen.

3.   Bijdrage van de bio-economie aan de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelen van de EU

3.1.

De transitie naar koolstofneutraliteit vormt een enorme uitdaging en vereist een aanzienlijke reductie van emissies en een toename van de koolstofopslag. Het duurzame gebruik van biogebaseerde natuurlijke hulpbronnen is in dit verband van wezenlijk belang.

3.2.

De bio-economie draagt op diverse manieren bij tot het beperken van klimaatverandering: door CO2 uit de atmosfeer vast te leggen in biomassa door middel van fotosynthese, door koolstof op te slaan in biogebaseerde producten en door op fossiele hulpbronnen gebaseerde grondstoffen en producten te vervangen door op biologische bronnen gebaseerde producten.

3.2.1.

Een doeltreffende absorptie van CO2 vereist een toenemend gebruik van duurzame biomassa. Een actief en duurzaam bosbeheer en gebruik van hout zijn fundamentele factoren voor het behalen van de klimaatdoelstellingen (zoals reeds geschetst in NAT/655 (4) over de gevolgen van het klimaat- en energiebeleid en NAT/696 (5) over de verdeling van de inspanningen en de LULUCF-sector). In één m3 hout is circa 1000 kg CO2 opgeslagen. Omdat alleen groeiende biomassa CO2 kan absorberen, is het van cruciaal belang om geen grenzen te stellen aan het gebruik van bossen, mits het oogstpercentage niet hoger is dan het herbeplantings- en groeipercentage van bossen en bossen duurzaam worden beheerd.

3.2.2.

Er bestaan reeds diverse soorten biogebaseerde producten en er worden nieuwe producten ontwikkeld. Deze producten kunnen koolstof opslaan en derhalve uit de atmosfeer houden. Houtproducten met een lange levensduur, zoals gebouwen en hoogwaardige meubels, zijn de meest doeltreffende instrumenten voor de opslag van koolstof. Zolang biogebaseerde producten met een kortere levensduur worden gerecycled, zullen ook deze hun koolstofinhoud niet vrijgeven. Bovendien kunnen biogebaseerde producten aan het eind van hun levenscyclus worden gebruikt als bio-energie en daarom fossiele energiebronnen vervangen.

3.3.

Bio-energie draagt ook bij tot het bereiken van de energie-efficiëntiedoelen van de EU. Stadsverwarming in gemeenschappen en duurzame industriële warmte-krachtkoppeling (WKK) zijn hier goede voorbeelden van. Omdat gebouwen een aanzienlijke hoeveelheid energie verbruiken, is de energie-efficiëntie van gebouwen, samen met de gebruikte energiebron, van groot belang.

3.4.

Vervoer heeft een doorslaggevende rol te spelen bij het verwezenlijken van de klimaatdoelstellingen. Daarom zijn, gezien de verschillende behoeften en kenmerken van de diverse vervoerswijzen, alle typen maatregelen die bijdragen aan een lagere uitstoot van broeikasgassen noodzakelijk (zoals beschreven in diverse EESC-adviezen, bijv. TEN/609 (6), over het koolstofvrij maken van het vervoer).

3.4.1.

De elektrificatie van vervoer lijkt een stijgende trend te zijn. Voor een positief effect op het klimaat moet elektriciteit worden opgewekt met energiebronnen met een lage uitstoot van broeikasgassen, onder meer duurzame biogebaseerde energiebronnen.

3.4.2.

In het vervoer worden fossiele brandstoffen gedeeltelijk vervangen door duurzame biobrandstoffen. Niettegenstaande de toenemende elektrificatie van passagiersvoertuigen zijn de luchtvaart, de zeevaart, alsook het goederenvervoer over de weg en machines voor gebruik anders dan op de weg nog steeds in hoge mate afhankelijk van brandstoffen. Op dit gebied zijn met name biobrandstoffen veelbelovend.

3.5.

Behalve dat het gebruik van bio-energie klimaatvoordelen oplevert, draagt het ook bij tot de beschikbaarheid van energie en de continuïteit van de energievoorziening. Indien goed beheerd, zal bio-energie daarom een betekenisvolle rol spelen bij het verwezenlijken van deze basisdoelen van het energiebeleid van de EU.

4.   Bijdrage van de bio-economie aan de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s)

4.1.

De SDG’s dagen ons uit om de rol van de bio-economie te onderzoeken, niet alleen vanuit de invalshoek van klimaat en energie, maar ook vanuit een overkoepelend economisch, sociaal en milieuperspectief, waarbij ook gekeken wordt naar het mondiale langetermijnperspectief. Gegeven de brede werkingssfeer van de bio-economie, zijn er verbanden met vrijwel alle 17 SDG’s. De bio-economie draagt echter met name bij tot de verwezenlijking van de volgende SDG’s: 1, 2, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15.

4.2.

De bio-economie heeft het potentieel om economische groei en banen te genereren, niet alleen in stedelijke gebieden, maar ook in plattelandsregio’s. Daarom kan de bio-economie een betekenisvolle rol spelen bij het verwezenlijken van SDG 1 (geen armoede).

4.3.

SDG 2 houdt in dat honger volledig moet worden uitgebannen. Biomassa is een beperkte hulpbron en er bestaan onderlinge verbanden tussen de productie van voedsel, diervoeders en vezels. Een verantwoorde benadering van de duurzame bio-economie is geboden om voldoende productie voor diverse doeleinden (met beschikbaarheid van voedsel als prioriteit) en gezonde ecosystemen te waarborgen. Hulpbronnenefficiëntie en circulariteit, alsook de overgang naar meer op groenten gebaseerde diëten, zijn evenzovele manieren om deze doelen te bereiken.

4.4.

Een duurzame bio-economie draagt bij aan SDG 6 (schoon water en sanitaire voorzieningen), bijvoorbeeld door het in stand houden van gezonde bosecosystemen, een voorwaarde voor schoon water.

4.5.

SDG 7 (betaalbare en schone energie) staat centraal in de bio-economie. Het gebruik van neven- en afvalstromen levert schone en betaalbare energie op en vermindert de afhankelijkheid van fossiele energiebronnen.

4.6.

Over het geheel genomen kan de bio-economie een hoofdrol spelen bij het streven naar economische en sociale doelen. Ook in het kader van SDG 8 (fatsoenlijk werk en economische groei) kan de bio-economie een betekenisvolle rol spelen. Bovendien kan de bio-economie helpen bij het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van fossiele grondstoffen, het verhogen van de binnen de EU gerealiseerde toegevoegde waarde en het ondersteunen van lokale waardeketens.

4.7.

SDG 9 vraagt om een aanzienlijke stijging van het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid en het bbp, evenals de vernieuwing van industrieën om ze duurzaam te maken, in combinatie met een efficiënter gebruik van hulpbronnen en een uitgebreidere toepassing van schone en milieuvriendelijke technologieën en industriële processen. De bio-economie is nauw verbonden met al deze doelstellingen, en een duurzaam gebruik van biomassa kan het industriële leiderschap van de EU verder versterken. Ook heeft de bio-economie een groot potentieel om de groei van kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen en deze te integreren in waardeketens.

4.8.

De bio-economie kan belangrijk zijn voor het bereiken van SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen). Klimaatvriendelijke steden (7) en welzijn in stedelijke gebieden gaan hand in hand met bio-economische oplossingen (bijv. houtbouw, emissiearm vervoer en stadsverwarming).

4.9.

De bio-economie heeft alles in zich om bij te dragen tot het behalen van SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie). Door het gebruik van grondstoffen te optimaliseren, ecodesign toe te passen en recyclebare producten met een lange levensduur te produceren vervult de bio-economie een opmerkelijke functie in de transitie naar een circulaire economie. Het vergroten van het consumentenbewustzijn wordt echter gezien als een belangrijke voorwaarde voor geïnformeerde en verantwoorde consumptiepatronen en de bevordering van duurzame productie.

4.10.

De bio-economie kan een significante bijdrage leveren aan het beperken van klimaatverandering, zoals wordt gevraagd in SDG 13 (klimaatactie) en reeds is opgemerkt in hoofdstuk 3. Bovenop alle binnenlandse maatregelen, kan de EU een niet te onderschatten mondiale impact hebben door biogebaseerde producten, klimaatoplossingen en deskundigheid te exporteren.

4.11.

Tot slot is de bio-economie van invloed op het behalen van SDG 14 (leven in het water) en SDG 15 (leven op het land). Daarom moet een verantwoord, doeltreffend en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen centraal staan in de bio-economie.

5.   Voorwaarden voor de ontwikkeling van de bio-economie

5.1.

Hoewel de bio-economie op een groot aantal manieren kan bijdragen aan de verwezenlijking van zowel klimaat- en energiedoelen als de SDG’s, moeten de voorwaarden daarvoor gunstig zijn. Enerzijds ondersteunen en verbeteren SDG’s de voorwaarden voor een verdere ontwikkeling van de bio-economie, en anderzijds leggen bepaalde SDG’s voorwaarden op waaraan de bio-economie moet voldoen.

5.2.

De EU-strategie voor de bio-economie moet worden aangepast aan nieuwe markten om, gelet op economische, sociale en milieuduurzaamheid, de meest gunstige voorwaarden te scheppen voor de Europese bio-economie, die zich in hoog tempo ontwikkelt en een snelle groei laat zien.

5.3.

Bovenal zouden beleidsmakers de duurzame productie en het gebruik van biomassa in de EU moeten bevorderen, terwijl het regionaal ontwikkelingsbeleid van de EU voldoende steun moet bieden om de ontwikkeling van plattelandsbedrijven te waarborgen. Voorts moeten zij zorgen voor een stabiel, betrouwbaar en samenhangend kader voor investeringen in de bio-economie in de gehele waardeketen.

5.4.

Beleidsmakers dienen een coherent kader voor technische, veiligheids- en staatssteunregels vast te stellen om gelijke concurrentievoorwaarden voor biogebaseerde producten te creëren. De openbare sector speelt via openbare aanbestedingen ook een belangrijke rol in de vraag naar biogebaseerde producten. Initiatieven als een Europese Week van de bio-economie kunnen helpen om de marktacceptatie en de kruisbestuiving tussen verschillende projecten te bevorderen.

5.5.

Onderzoek en innovatie zijn essentieel voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige bio-economie, die de EU een concurrentievoordeel zou kunnen opleveren. Dit dient te worden gezien in het licht van het immense potentieel van nieuwe typen biogebaseerde producten, van traditionele voedsel- en vezelproducten tot nieuwe soorten bouw- en verpakkingsmaterialen, textiel, chemicaliën op biologische basis en plastics. Datzelfde geldt voor het potentieel van de plantenteelt en verschillende stoffen als grondstof voor biogebaseerde producten (bijvoorbeeld lignocellulose, plantaardige olie, zetmeel, suiker, proteïne).

5.6.

De innovatie-inspanningen die worden bevorderd door de EU-strategie voor de bio-economie moeten worden voortgezet, met inbegrip van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (8). Het kenniscentrum voor de bio-economie (9) moet een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de toepassing van kennis om de bio-economie te helpen groeien. Ook moeten initiatieven en programma’s op het gebied van onderzoek en innovatie aantrekkelijker worden gemaakt voor investeerders.

5.7.

Educatie, adviesdiensten, kennisoverdracht en opleiding zijn van cruciaal belang om te bereiken dat werknemers en ondernemers over de benodigde informatie en vaardigheden beschikken, met als mogelijk resultaat dat de duurzaamheid van bedrijven verbetert en nieuwe kansen in de bio-economie worden benut.

5.8.

Tegelijkertijd moeten mensen goed geïnformeerd zijn over de bio-economie en hun verantwoordelijkheden meer beseffen, zodat zij actieve consumenten kunnen zijn en besluiten kunnen nemen over duurzame consumptie, rekening houdend met de verschillende mate van bereidheid van mensen van alle leeftijden om zich aan te passen en te veranderen. Daartoe zouden informatiecampagnes moeten worden georganiseerd die het vertrouwen van de consument in de bio-economie en biogebaseerde vergroten.

5.9.

Toegang tot grondstoffen is een van de belangrijkste voorwaarden voor de bio-economie. Een gunstig ondernemingsklimaat voor landbouw en bosbouw is daarom noodzakelijk om de beschikbaarheid van voldoende biomassa te waarborgen. Duurzaam beheer van bossen, land en mariene hulpbronnen, zoals bepleit in de SDG’s 14 en 15, vormt een essentiële bijdrage tot de zekerheid van de grondstoffenvoorziening. In dit verband zou het bestaande wetgevings- en niet-wetgevende kader voor duurzame en hernieuwbare grondstoffen in de EU moeten worden erkend en bevorderd. Het toenemende gebruik van nevenstromen en residuen als grondstof voor nieuwe gebruikstoepassingen helpt eveneens om de beschikbaarheid van voldoende biomassa te waarborgen. In geval van kleinschalige structuren kunnen coöperaties en productenorganisaties een belangrijke functie vervullen.

5.10.

Een solide fysieke infrastructuur is een andere voorwaarde voor de bio-economie; daarvoor zijn adequate financiële middelen nodig voor de energie-, vervoers- en digitale infrastructuur. Efficiënte vervoerssystemen zijn cruciaal voor de toegang tot grondstoffen en voor de distributie van producten naar markten.

5.11.

Wat de mondiale markten betreft, bestaat er een nauw verband tussen de bio-economie en SDG 17, die erop gericht is het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling te versterken. SDG 17 heeft betrekking op de bevordering van een universeel, op regels gebaseerd, open, niet-discriminerend en eerlijke multilateraal handelssysteem in het kader van de WTO. Dit is belangrijk voor de handel in zowel landbouw- als industriële producten van de bio-economie. Ondertussen moet de samenwerking binnen regionale waardeketens worden verbeterd om de regionale ontwikkeling te ondersteunen.

5.12.

Om de ontwikkeling van de bio-economie op een neutrale wijze te stimuleren, zou de EU moeten streven naar een mondiaal prijsstellingssysteem voor koolstofemissies, dat alle marktspelers mobiliseert en een gelijk speelveld creëert.

5.13.

Het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij de structuren van initiatieven voor de bio-economie en besluitvormingsprocessen is van het grootste belang om de samenwerking tussen verschillende actoren in de samenleving te versterken en het publieke bewustzijn van de duurzame bio-economie te vergroten.

5.14.

Hoewel de overgang naar een koolstofarme en circulaire economie een enorme uitdaging vormt en diepgaande structurele veranderingen in de daarmee samenhangende werkgelegenheid met zich mee zal brengen, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat deze overgang eerlijk verloopt.

5.15.

Een duurzame bio-economie kan alleen tot stand worden gebracht door middel van een sectoroverstijgende aanpak. Samenhang en coördinatie tussen de diverse EU-beleidsterreinen en -doelstellingen zijn daarom onontbeerlijk, met name met betrekking tot het klimaat, het milieu, voedsel, landbouw, bosbouw, industrie, energie, de circulaire economie en onderzoek en innovatie. Daartoe zou een groep multistakeholders op hoog niveau voor de duurzame bio-economie moeten worden opgericht en bekrachtigd door de voorzitter van de Commissie.

5.16.

De vooruitgang bij het bereiken van SDG’s wordt gemeten en gecontroleerd aan de hand van 232 indicatoren. Daartoe behoren ook klimaat- en energiegerelateerde indicatoren, maar er bestaan geen specifieke indicatoren voor de bio-economie. De Commissie zou daarom de meest relevante indicatoren moeten ontwikkelen, zodat een realistisch en informatief beeld van de ontwikkeling van de bio-economie in de EU kan worden verkregen.

Brussel, 19 september 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Zie het klimaat- en energiekader voor 2030, te raadplegen op https://ec.europa.eu/clima/policies/strategies/2030_en

(2)  Zie artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, te raadplegen op https://unfccc.int/sites/default/files/paris_agreement_english_.pdf

(3)  Zie de verklaring van de Europese Commissie van 19 juni 2018, te raadplegen op http://europa.eu/rapid/press-release_STATEMENT-18-3997_en.htm

(4)  Zie NAT/655 over de Gevolgen van klimaat- en energiebeleid voor de land- en de bosbouwsector (PB C 291, 4.9.2015, blz. 1).

(5)  Zie NAT/696 over de Verdeling van de inspanningen 2030 en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) (PB C 75, 10.3.2017, blz. 103).

(6)  Zie TEN/609 over het Koolstofvrij maken van het vervoer (PB C 173, 31.5.2017, blz. 55).

(7)  http://www.climatesmartcities.org/

(8)  https://www.bbi-europe.eu

(9)  https://biobs.jrc.ec.europa.eu


Top