EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016TJ0570

Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 24 april 2017.
HF tegen Europees Parlement.
Openbare dienst – Arbeidscontractant voor hulptaken – Artikel 24 van het Statuut – Verzoek om bijstand – Artikel 12 bis van het Statuut – Psychisch geweld – Artikel 90, lid 1, van het Statuut – Statutaire antwoordtermijn van vier maanden – Besluit van het TAOBG om een administratief onderzoek in te stellen – Geen standpuntbepaling van het TAOBG, binnen de statutaire antwoordtermijn, over de echtheid van het gestelde psychisch geweld – Begrip stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand – Non-existente handeling – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-570/16.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2017:283

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

24 april 2017 ( *1 )

„Openbare dienst — Arbeidscontractant voor hulptaken — Artikel 24 van het Statuut — Verzoek om bijstand — Artikel 12 bis van het Statuut — Psychisch geweld — Artikel 90, lid 1, van het Statuut — Statutaire antwoordtermijn van vier maanden — Besluit van het TAOBG om een administratief onderzoek in te stellen — Geen standpuntbepaling van het TAOBG, binnen de statutaire antwoordtermijn, over de echtheid van het gestelde psychisch geweld — Begrip stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand — Non-existente handeling — Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑570/16,

HF, wonende te Bousval (België), vertegenwoordigd door A. Tymen, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door E. Taneva en M. Ecker als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU, strekkende tot ten eerste nietigverklaring van een stilzwijgend besluit van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van het Parlement, dat op 11 april 2015 zou zijn ontstaan, tot afwijzing van verzoeksters verzoek om bijstand van 11 december 2014, en ten tweede vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, P. Nihoul en J. Svenningsen (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1

Verzoekster, HF, is door het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag van het Europees Parlement (hierna: „TAOBG”) middels opeenvolgende overeenkomsten aangesteld van 6 januari tot en met 14 februari 2003, van 15 februari tot en met 31 maart 2003, van 1 april tot en met 30 juni 2003 en van 1 tot en met 31 juli 2003, en wel in de hoedanigheid van hulpfunctionaris, een categorie ambten die was voorzien in de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”), in de versie vóór 1 mei 2004. Zij was tewerkgesteld bij de afdeling Audiovisueel, thans een eenheid (hierna: „eenheid Audiovisueel”) van het directoraat Media van het directoraat-generaal (DG) Voorlichting en Public Relations, thans het directoraat-generaal Communicatie. Zij oefende daar de functie uit van assistent van de categorie B, groep V, klasse 3.

2

Zij is vervolgens van 1 augustus 2003 tot en met 31 maart 2005 aangesteld door een in Frankrijk gevestigde vennootschap die diensten aan het Parlement verleent, en wel als productieadministrateur om de extra werkzaamheden te verzorgen in verband met de productieadministratie van de eenheid Audiovisueel.

3

Verzoekster is van 1 april 2005 tot en met 31 januari 2006 opnieuw door het TAOBG aangesteld, dit keer als arbeidscontractant bij de eenheid Audiovisueel, en vervolgens van 1 februari 2006 tot en met 31 januari 2012 als tijdelijk functionaris bij diezelfde eenheid.

4

Van 1 februari 2012 tot en met 31 mei 2015 bleef zij als arbeidscontractant voor hulptaken aangesteld bij de eenheid Audiovisueel op basis van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd.

5

Vanaf 26 september 2014 was verzoekster met ziekteverlof en sindsdien heeft zij haar werk bij het Parlement niet meer hervat.

6

Bij aan de secretaris-generaal van het Parlement (hierna: „secretaris-generaal”) gerichte brief van 11 december 2014, waarvan de voorzitter van het adviescomité intimidatie en voorkoming van intimidatie op het werk (hierna: „adviescomité”) alsmede de voorzitter van het Parlement en de directeur-generaal van het DG Personeel een kopie ontvingen, heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut ingediend (hierna: „verzoek om bijstand”), welke artikelen op grond van de artikelen 92 respectievelijk 117 RAP van overeenkomstige toepassing zijn op arbeidscontractanten. Ter onderbouwing van dat verzoek betoogde zij dat zij slachtoffer was van psychisch geweld door het hoofd van de eenheid Audiovisueel, welk geweld zou bestaan in gedragingen, woorden en geschreven stukken, met name tijdens vergaderingen van de dienst. Zij verzocht om de vaststelling van spoedeisende maatregelen teneinde haar onmiddellijk te beschermen tegen haar vermeende geweldpleger en om de instelling van een administratief onderzoek door het TAOBG teneinde de echtheid van de feiten vast te stellen.

7

Bij brief van 13 januari 2015 heeft het hoofd van de eenheid Human Ressources (hierna: „eenheid Human Ressources”) van het directoraat Ressources van het DG Personeel, tevens voorzitter van het adviescomité, de ontvangst bevestigd van verzoeksters verzoek om bijstand en haar meegedeeld dat dit verzoek was doorgegeven aan de directeur-generaal van het DG Personeel, die in zijn hoedanigheid van TAOBG over dat verzoek zou beslissen binnen een termijn van vier maanden, na afloop waarvan er eventueel van kon worden uitgegaan dat er een stilzwijgend besluit tot afwijzing van dat verzoek tot stand was gekomen, waartegen vervolgens een klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut kon worden ingediend.

8

Bij brief van 23 januari 2015 heeft verzoeksters raadsman de directeur-generaal van het DG Personeel met name in kennis gesteld van het feit dat het hoofd van de eenheid Audiovisueel op de hoogte was gesteld van de indiening van het verzoek om bijstand en om de instelling van een administratief onderzoek door het TAOBG. Deze informatie was immers opgenomen in het proces-verbaal van een vergadering van de eenheid Audiovisueel, dat bestemd was om bepaalde informatie niet alleen aan verzoeksters collega’s bekend te maken, maar eveneens aan bepaalde personen van buiten de instelling. Tijdens die vergadering zou het hoofd van de eenheid eveneens hebben aangekondigd dat verzoekster niet terug zou komen bij de eenheid Audiovisueel en dat hij derhalve van plan was om het deel van de eenheid Audiovisueel genaamd „Newsdesk Hotline” te herstructureren.

9

Bij e-mail van 26 januari 2015 heeft een functionaris van de eenheid Aanwerving van arbeidscontractanten en geaccrediteerde parlementaire medewerkers (hierna: „eenheid Aanwerving van arbeidscontractanten”) van het directoraat Ontwikkeling van human ressources (hierna: „directoraat HR”) van het DG Personeel van het secretariaat-generaal van het Parlement, verzoekster een nota gezonden „ter bevestiging van [haar] wijziging van de dienst met ingang van 21 [januari] 2015”. Die eveneens op 26 januari 2015 gedateerde nota vermeldde dat verzoekster met terugwerkende kracht tot 21 januari 2015 zou worden tewerkgesteld bij de eenheid Bezoekersprogramma van de Europese Unie (EUVP) (hierna: „eenheid Bezoekersprogramma”) van het directoraat Betrekkingen met de burgers van het DG Communicatie en dat er, afgezien van die wijziging van tewerkstelling, geen enkele wijziging in haar aanstellingsovereenkomst was aangebracht (hierna: „besluit tot overplaatsing”).

10

Bij brief van 4 februari 2015 heeft de directeur-generaal van het DG Personeel de brief van verzoeksters raadsman van 23 januari 2015 beantwoord. Hij gaf aan dat er ten behoeve van verzoekster een verwijderingsmaatregel was getroffen die bestond in haar overplaatsing naar de eenheid Bezoekersprogramma. Met betrekking tot de informatie die het hoofd van de eenheid Audiovisueel tijdens de vergadering van die eenheid bekend had gemaakt, gaf hij aan dat verzoekster deze informatie „d[iende] op te vatten in de context van de ten behoeve van [verzoekster] getroffen verwijderingsmaatregel en niet als intimidatie van de andere leden van haar eenheid [en] nog minders als een nieuw teken van intimidatie jegens [verzoeksters]”. Voorts stelde de directeur-generaal van het DG Personeel verzoekster op de hoogte van het feit dat hij na een diepgaand onderzoek van haar dossier en in antwoord op haar verzoek om instelling van een administratief onderzoek, had besloten om dat dossier door te geven aan het adviescomité, waarvan de voorzitter haar op de hoogte zou houden van elke latere ontwikkeling. De directeur-generaal van het DG Personeel was van mening dat hij hiermee haar verzoek om bijstand had beantwoord en dat dit op zijn bevoegdheidsgebied de „sluiting [van] verzoeksters dossier” meebracht (hierna: „besluit van 4 februari 2015”).

11

Bij brief van 12 februari 2015 heeft verzoeksters raadsman de directeur-generaal van het DG Personeel ten eerste gevraagd om de strekking uiteen te zetten van de in zijn besluit van 4 februari 2015 aangekondigde maatregel en met name om aan te geven of de verwijderingsmaatregel van verzoekster een tijdelijke maatregel was. Ten tweede heeft hij hem eraan herinnerd dat het volgens de interne regels van het adviescomité intimidatie en voorkoming van intimidatie op het werk (hierna: „interne regels inzake intimidatie”), met name de artikelen 14 en 15 ervan, niet de taak van het adviescomité was om te beslissen over een verzoek om bijstand, maar uitsluitend om een vertrouwelijk verslag te doen toekomen aan de secretaris-generaal, die in elk geval de maatregelen krachtens artikel 16 van die interne regels diende te treffen. Verzoekster stelde zich dus op het standpunt dat de directeur-generaal van het DG Personeel, in zijn hoedanigheid van TAOBG, de bevoegde persoon bleef om zich uit te spreken over haar verzoek om bijstand, en niet het adviescomité.

12

Bij brief van 4 maart 2015 heeft de directeur-generaal van het DG Personeel zijn standpunt herhaald dat hij met zijn besluit om het verzoek om bijstand door te geven aan het adviescomité „het dossier, wat zijn bevoegdheden betr[o]f, had afgesloten”, en dat zelfs al had het bureau van het Parlement de bevoegdheden van het TAOBG om uitspraak te doen over verzoeken om bijstand krachtens artikel 24 van het Statuut aan hem toevertrouwd, dit niet betekende dat hij de interne regels inzake intimidatie kon negeren, die de zorg om op te treden in een eventuele situatie van voortdurende intimidatie toevertrouwden aan de secretaris-generaal. Voorts gaf hij aan dat de maatregel om verzoekster over te plaatsen van de eenheid Audiovisueel naar de eenheid Bezoekersprogramma was getroffen zowel op verzoek van de betrokkene, zoals geformuleerd in het verzoek om bijstand, als „in het belang van de dienst om tegemoet te komen aan de toenemende behoeften binnen de [eenheid Bezoekersprogramma]” en dat die overplaatsing zou duren tot de afloop van haar overeenkomst.

13

Bij e-mail van 9 maart 2015 is verzoekster door het adviescomité opgeroepen om op 25 maart daaraanvolgend door dat comité te worden gehoord.

14

Bij brief van 24 april 2015 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen 1) het besluit tot overplaatsing, voor zover het TAOBG haar bij dat besluit permanent, en niet tijdelijk, had overgeplaatst naar de eenheid Bezoekersprogramma; 2) het besluit van 4 februari 2015, waarbij de directeur-generaal van het DG Personeel zich had uitgesproken over het verzoek om bijstand door de zaak „binnen zijn bevoegdheidsgebied” af te sluiten, en 3) tegen een besluit dat op 11 april 2015 tot stand zou zijn gekomen en waarbij het TAOBG het verzoek om bijstand stilzwijgend had afgewezen.

15

Bij brief van 20 augustus 2015 heeft de secretaris-generaal in zijn hoedanigheid van TAOBG besloten om verzoeksters klacht van 24 april daaraan voorafgaande ten dele toe te wijzen. Met betrekking tot haar overplaatsing naar de eenheid Bezoekersprogramma, heeft hij eraan herinnerd dat die overplaatsing noodzakelijkerwijs voorlopig was en moest voortduren gedurende de hele duur van het administratieve onderzoek, dat nog gaande was; wat de essentie betreft, heeft hij verzoeksters argumenten tegen de gegrondheid of de modaliteiten van de verwijderingsmaatregel afgewezen (hierna: „besluit van 20 augustus 2015”).

16

De secretaris-generaal heeft in het besluit van 20 augustus 2015 echter besloten om het besluit van 4 februari 2015 te herzien, voor zover de directeur-generaal van het DG Personeel daarin ten onrechte had vastgesteld dat het TAOBG de procedure betreffende het verzoek om bijstand had afgesloten. In dit verband preciseerde hij dat de directeur-generaal van het DG Personeel later een definitief besluit over dit verzoek om bijstand zou nemen en dat er dus, anders dan verzoekster stelde, geen stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand tot stand was gekomen, zodat haar klacht op dat punt niet-ontvankelijk was.

Feiten die na de instelling van het beroep hebben plaatsgevonden

17

Bij brief van 8 december 2015 heeft de directeur-generaal van het DG Personeel verzoekster op de hoogte gesteld van zijn intentie om het verzoek om bijstand ongegrond te verklaren, met name nadat het hoofd van de eenheid Audiovisueel en veertien andere ambtenaren en functionarissen van die eenheid door het adviescomité waren gehoord.

18

In wezen stelde de directeur-generaal zich op het standpunt dat, zelfs al deden de aangevoerde feiten zich herhaaldelijk voor, de toon die het hoofd van de eenheid Audiovisueel mondeling en in de door verzoekster verstrekte schriftelijke correspondentie had gebruikt, hem in de feitelijke context en gelet op de arbeidsomstandigheden waarin die eenheid verkeerde, niet ongepast leek. Hij preciseerde dat, „hoewel moet worden toegegeven dat de bewoordingen soms erg open en direct ?waren?, toch ?moest? worden vastgesteld dat zij niet de redelijke grenzen h?adden? overschreden van een werkgerelateerde discussie tussen het hoofd van een eenheid en zijn teamleden”. Hij was met name van mening dat die woorden waren uitgesproken tijdens dienstvergaderingen in de loop waarvan organisatorische gebreken waren besproken, zodat zij konden worden aangemerkt als gezegd in het kader van de dagelijkse leiding, met het oog op het oplossen van problemen die voor het merendeel van de leden van de eenheid duidelijk waren. Met betrekking tot de e-mails die verzoekster van het hoofd van de eenheid Audiovisueel had ontvangen, stelde de directeur-generaal van het DG Personeel zich op het standpunt dat „het vanzelf sprak dat deze waren bedoeld om hetzij het functioneren van de dienst te verbeteren, hetzij om te herinneren aan zijn instructies”, zodat „de inhoud ervan, ?b?eoordeeld in die context, niet ongepast k?on? worden geacht”.

19

De directeur-generaal van het DG Personeel verzocht verzoekster overeenkomstig artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om haar opmerkingen in te dienen over zijn voornemen om haar verzoek om bijstand ongegrond te verklaren en om dit te doen op de wijze die zij het prettigst vond, hetzij tijdens een onderhoud hetzij schriftelijk. Verzoekster diende hem uiterlijk op 20 december 2015 te laten weten hoe zij dit wenste te doen.

20

Bij schrijven van 17 december 2015 heeft verzoeksters raadsman de directeur-generaal van het DG Personeel meegedeeld dat verzoekster haar opmerkingen schriftelijk zou indienen. Met een beroep op het arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB (T‑114/13 P, EU:T:2015:678), verzocht hij echter om toezending van het door het adviescomité opgestelde onderzoeksrapport, welk verzoek hij herhaalde bij brief van 5 februari 2016.

21

Bij schrijven van 9 februari 2016 heeft de directeur-generaal van het DG Personeel verzoekster een op 1 april 2016 aflopende termijn gegeven om haar opmerkingen in te dienen over zijn voornemen om het verzoek om bijstand af te wijzen. In antwoord op haar verzoek om toezending van een onderzoeksrapport, gaf hij voorts aan dat het adviescomité hem alleen een advies had toegezonden waarin werd vastgesteld dat er in verzoeksters geval geen sprake was van psychisch geweld. Hij had echter geen rapport ontvangen zoals bedoeld in artikel 14 van de interne regels inzake intimidatie, daar het adviescomité een dergelijk rapport alleen opstelt wanneer het vaststelt dat er wel sprake is van psychisch geweld.

22

Bij besluit van 3 juni 2016 heeft de directeur-generaal van het DG Personeel, handelend in zijn hoedanigheid van TAOBG, het verzoek om bijstand afgewezen (hierna: „besluit van 3 juni 2016”). In dat besluit heeft hij met name aangegeven dat verzoekster volledig en gedetailleerd op de hoogte was gesteld van de redenen waarom hij op 8 december 2015 van plan was het verzoek om bijstand af te wijzen. Hij herinnerde er echter aan dat hij als enige bevoegd was om het verzoek om bijstand in behandeling te nemen en dat het adviescomité in dat opzicht geen enkele beslissingsbevoegdheid had. Zijns inziens had verzoekster geen enkel subjectief recht op toezending van een onderzoeksrapport, een advies of de verslagen van het adviescomité.

23

Met betrekking tot de door verzoekster aangevoerde procedurele onregelmatigheden, heeft de directeur-generaal van het DG Personeel zich met name op het standpunt gesteld dat verzoekster, door een kopie van het verzoek om bijstand aan het adviescomité te zenden, formeel geen klacht in de zin van de interne regels inzake intimidatie bij dat adviescomité had ingediend.

24

De directeur-generaal van het DG Personeel legde uit dat het adviescomité op 2 februari 2015 door hem was ingeschakeld en stelde dat de vertraging bij de behandeling van het verzoek om bijstand en het onderzoek, met name de duur van zes maanden en elf dagen om de verhoren te organiseren, werd verklaard door het feit dat de door het adviescomité opgeroepen personen niet beschikbaar waren en door de verspreiding van het personeel van het Parlement over drie werkplekken alsmede door de ingewikkeldheid van de zaak, waardoor een groot aantal mensen moest worden gehoord.

25

Ten gronde heeft de directeur-generaal van het DG Personeel de analyse gehandhaafd die hij in de brief van 8 december 2015 had uiteengezet, zodat hij heeft besloten om niet te erkennen dat de door verzoekster omschreven situatie onder het begrip psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut viel.

Procedure

26

Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie op 17 november 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, dat aanvankelijk is ingeschreven onder nummer F‑142/15.

27

Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken op 29 januari 2016, heeft het Parlement krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van dat Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, ten aanzien waarvan verzoekster op 22 februari 2016 een memorie van opmerkingen heeft ingediend.

28

Bij schrijven van de griffie van 28 april 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van de beslissing van het Gerecht voor ambtenarenzaken, genomen krachtens artikel 83, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering, om het onderzoek van de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.

29

Op 6 juni 2016 heeft het Parlement bij de griffie van het Gerecht voor ambtenarenzaken zijn verweerschrift neergelegd, waarbij het met name de in de punten 17 tot en met 25 van dit arrest genoemde correspondentie als bijlage heeft opgenomen, terwijl verzoekster haar dupliek op 18 juli 2016 heeft ingediend.

30

Krachtens artikel 3 van verordening (EU, Euratom) 2016/1192 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016, betreffende de overdracht aan het Gerecht van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden (PB 2016, L 200, blz. 137), is de onderhavige zaak in de staat waarin zij zich op 31 augustus 2016 bevond overgedragen aan het Gerecht en moet zij thans worden behandeld overeenkomstig het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De zaak is ingeschreven onder nummer T‑570/16 en toegewezen aan de Eerste kamer.

31

Na de tweede memoriewisseling, die het Gerecht voor ambtenarenzaken had toegestaan krachtens artikel 55 van zijn Reglement voor de procesvoering, is de mondelinge behandeling krachtens het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht afgesloten.

32

Bij schrijven van de griffie van 29 november 2016 heeft het Gerecht verzoekster krachtens artikel 90, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering gevraagd om hem aan te geven, of zij uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht had ingediend tegen het besluit van 3 juni 2016 en, zo ja, om hem een kopie van die klacht te doen toekomen.

33

Bij op 13 december 2016 aan de griffie van het Gerecht toegezonden brief heeft verzoekster bevestigd dat zij op 6 september 2016 een dergelijke klacht had ingediend, waarvan zij een kopie verstrekte.

34

Bij brief van de griffie van 19 januari 2017 heeft het Gerecht het Parlement krachtens artikel 90, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om aan te geven, welk gevolg het had gegeven aan de klacht van 6 september 2016 en, indien het TAOBG zich uitdrukkelijk over die klacht had uitgesproken, hem een kopie van dat besluit te doen toekomen.

35

Op 1 februari 2017 heeft het Parlement het Gerecht bevestigd dat het zich uitdrukkelijk had uitgesproken over de klacht van 6 september 2016. Het verstrekte hem een kopie van het besluit van 4 januari 2017, waarbij de secretaris-generaal, in zijn hoedanigheid van TAOBG, die klacht had afgewezen.

36

Daar partijen niet hebben verzocht om een pleitzitting te houden krachtens artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht, dat zich door de stukken van het dossier van de zaak voldoende voorgelicht achtte, beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen over het beroep.

Conclusies van partijen

37

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

het besluit nietig te verklaren, dat volgens haar stilzwijgend tot stand is gekomen op 11 april 2015, waarbij het TAOBG het verzoek om bijstand heeft afgewezen;

het besluit van 20 augustus 2015 tot afwijzing van de klacht van 24 april 2015 nietig te verklaren;

het Parlement te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, welke ex aequo et bono wordt vastgesteld op een bedrag van 50000 EUR;

het Parlement te verwijzen in de kosten.

38

Het Parlement verzoekt het Gerecht:

het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Vordering tot nietigverklaring

39

In zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt het Parlement in wezen dat het besluit van 4 februari 2015 het bezwarend besluit vormde waarbij het TAOBG het verzoek om bijstand had beantwoord. Dat besluit, dat is genomen binnen de statutaire antwoordtermijn van artikel 90, lid 1, derde volzin, van het Statuut, heeft de latere totstandkoming verhinderd van een stilzwijgend besluit tot afwijzing van hetzelfde verzoek, in casu bij het verstrijken van de statutaire antwoordtermijn van vier maanden vanaf 11 december 2014, de datum van indiening van dat verzoek om bijstand. Verzoekster betwist dus de wettigheid van een non-existent besluit.

40

In het verweerschrift heeft het Parlement vervolgens aangegeven dat het besluit van 4 februari 2015 in feite een eerste expliciet antwoord van het TAOBG op het verzoek om bijstand vormde, voor zover het de vastgestelde verwijderingsmaatregel en de instelling van een administratief onderzoek betrof. Dat besluit was echter ten dele teruggedraaid door de secretaris-generaal in het besluit van 20 augustus 2015. De secretaris-generaal heeft immers overwogen dat de directeur-generaal van het DG Personeel zich krachtens artikel 24 van het Statuut nog diende uit te spreken over de vraag, of er al dan niet sprake was van de door verzoekster aangevoerde situatie van psychisch geweld, en dat hij dit dus noodzakelijkerwijs opnieuw diende te doen na afloop van het administratieve onderzoek, hetgeen hij uiteindelijk heeft gedaan in het besluit van 3 juni 2016.

41

In haar opmerkingen van 22 februari 2016 heeft verzoekster de analyse van het Parlement betwist en gesteld dat krachtens artikel 90, lid 1, derde volzin, van het Statuut een stilzwijgend afwijzend besluit tot stand is gekomen, en wel doordat het Parlement op 11 april 2015 geen expliciet antwoord had gegeven op de vraag of het in het verzoek om bijstand aangevoerde psychisch geweld echt bestond.

42

Zij beklemtoont ten eerste dat het Parlement in het besluit van 4 februari 2015 op dat punt slechts had aangegeven dat het adviescomité intimidatie was ingeschakeld, hetgeen bevestigt dat het TAOBG op die datum nog geen antwoord had gegeven op haar verzoek voor wat betreft het bestaan van de gestelde feiten en de kwalificatie ervan als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut. Ten tweede en bovenal had de secretaris-generaal in het besluit van 20 augustus 2015 in antwoord op de klacht van 24 april 2015 het besluit van 4 februari 2015 nietig verklaard, voor zover het TAOBG daarin stelde dat het dat verzoek om bijstand had afgesloten alleen op grond dat het adviescomité was ingeschakeld.

43

In haar opmerkingen van 22 februari 2016 heeft verzoekster dus geconcludeerd dat indien het standpunt van het Parlement moest worden gevolgd, dit zou betekenen dat het voor het TAOBG voldoende was om het adviescomité in te schakelen teneinde te voldoen aan de op hem rustende verplichting om elk door een functionaris aan hem gericht verzoek, daaronder begrepen een verzoek om bijstand uit hoofde van artikel 24 van het Statuut, te beantwoorden binnen de statutaire termijn van vier maanden.

44

In repliek heeft verzoekster met name betoogd dat „toen ?zij? ?het onderhavige? beroep instelde, haar vordering tot nietigverklaring ontvankelijk was”, en dat „die vordering pas na de instelling van dat beroep zonder voorwerp ?was? geraakt, doordat het besluit van 3 juni 2016 in de plaats is gekomen van dat van 11 april 2015”.

45

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Statuut, een noodzakelijke voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van een beroep dat een ambtenaar instelt tegen de instelling waarbij hij werkzaam is (arresten van 13 juli 1993, Moat/Commissie, T‑20/92, EU:T:1993:63, punt 39, en 6 juli 2004, Huygens/Commissie, T‑281/01, EU:T:2004:207, punt 125; zie eveneens beschikking van 16 juli 2015, FG/Commissie, F‑20/15, EU:F:2015:93, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Wanneer bij het TAOBG of, naargelang het geval, bij het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”), krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van dat Statuut wordt ingediend, dient het op grond van de bijstandsplicht en indien het een incident betreft dat in een ordelijke, rustige ambtelijke sfeer geen pas geeft, met de nodige energie en met de door de omstandigheden van het concrete geval geëiste spoed en zorg op te treden om de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, de passende consequenties aan te verbinden. Hiertoe volstaat het dat de ambtenaar of functionaris die om de bescherming van zijn instelling vraagt, een begin van bewijs levert dat de aanvallen waarvan hij het slachtoffer stelt te zijn, echt zijn. In een dergelijk geval dient de betrokken instelling de geschikte maatregelen te nemen, en met name een administratief onderzoek in te stellen teneinde in samenwerking met de klager de feiten die aan zijn klacht ten grondslag liggen, vast te stellen (arresten van 26 januari 1989, Koutchoumoff/Commissie, 224/87, EU:C:1989:38, punten 15 en 16; 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie, T‑154/05, EU:T:2007:322, punt 136, en 6 oktober 2015, CH/Parlement, F‑132/14, EU:F:2015:115, punt 87).

47

Bij aangevoerde intimidatie brengt de bijstandsplicht voor de administratie met name de verplichting mee om het verzoek om bijstand waarin een intimidatie wordt aangevoerd, serieus, snel en vertrouwelijk te onderzoeken en de verzoeker op de hoogte te stellen van het gevolg dat zij aan zijn klacht wil geven (arresten van 27 november 2008, Klug/EMEA, F‑35/07, EU:F:2008:150, punt 74, en 6 oktober 2015, CH/Parlement, F‑132/14, EU:F:2015:115, punt 88).

48

Wat de maatregelen betreft die genomen moeten worden in een situatie die, zoals de onderhavige, binnen de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut valt, beschikt de administratie, onder toezicht van de rechter van de Europese Unie, over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de keuze van maatregelen en middelen ter uitvoering van artikel 24 van het Statuut (arresten van 15 september 1998, Haas e.a./Commissie, T‑3/96, EU:T:1998:202, punt 54; 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie, T‑154/05, EU:T:2007:322, punt 137, en 6 oktober 2015, CH/Parlement, F‑132/14, EU:F:2015:115, punt 89).

49

In casu staat vast dat het TAOBG verzoekster na de indiening van haar verzoek om bijstand binnen de statutaire antwoordtermijn van vier maanden van artikel 90, lid 1, derde volzin, van het Statuut heeft geantwoord, door haar op de hoogte te stellen van de maatregelen die het krachtens de bijstandsplicht in antwoord op dat verzoek om bijstand had genomen. Die maatregelen, die zijn uiteengezet in het besluit van 4 februari 2015 en waarvan de vaststelling noodzakelijkerwijs inhield dat het TAOBG van mening was dat er sprake was van een begin van bewijs van feiten die mogelijk onder artikel 12 bis van het Statuut konden vallen, bestonden hoofdzakelijk in verzoeksters overplaatsing, bij wijze van verwijderingsmaatregel, en in de instelling van een administratief onderzoek, dat aan het adviescomité was toevertrouwd.

50

Derhalve moet worden bepaald of, ondanks de vaststelling van het uitdrukkelijke besluit van het TAOBG van 4 februari 2015, ervan kan worden uitgegaan dat door het ontbreken van een standpuntbepaling van het TAOBG over de echtheid van de gestelde feiten, die psychisch geweld zouden opleveren in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, binnen een termijn van vier maanden vanaf 11 december 2014, de datum van indiening van het verzoek om bijstand, krachtens artikel 90, lid 1, derde volzin, van het Statuut een stilzwijgend besluit is ontstaan, in casu op 11 april 2015, en dat dit stilzwijgend besluit gelijkstaat aan de weigering van het TAOBG om de echtheid van de gestelde feiten vast te stellen en deze aan te merken als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.

51

In dit verband heeft het Gerecht inderdaad geoordeeld dat een brief waarbij de betrokkene ervan op de hoogte wordt gesteld dat zijn verzoek in behandeling is, in het algemeen niet betekent dat het betrokken verzoek wordt ingewilligd, zodat het ontbreken van een definitief antwoord op het oorspronkelijk verzoek van de ambtenaar of functionaris binnen de termijn van artikel 90, lid 1, van het Statuut, ondanks die informatieve brief, in beginsel gelijkstaat aan een stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek door, naargelang het geval, het TAOBG of het TABG (arrest van 3 juli 2012, Marcuccio/Commissie, T‑594/10 P, EU:T:2012:336, punt 21).

52

Betreft het echter een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut, dat is ingediend krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut, dan vraagt de betrokkene de administratie om hem bij te staan en om maatregelen te treffen teneinde de situatie te verhelpen.

53

Eén van de maatregelen die het TAOBG of het TABG noodzakelijk kan achten, wanneer het van oordeel is dat de betrokkene een begin van bewijs van de echtheid van de gestelde feiten heeft geleverd, is met name het besluit van de administratie om een administratief onderzoek in te stellen teneinde in samenwerking met de indiener van het verzoek om bijstand, de echtheid van de feiten vast te stellen.

54

Wanneer het TAOBG of het TABG binnen de termijn van vier maanden van artikel 90, lid 1, van het Statuut geen antwoord op een verzoek om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut geeft, kan ervan worden uitgegaan dat er een stilzwijgend besluit van dat gezag tot stand is gekomen waarbij het verzoek om bijstand wordt afgewezen. In dat geval moet immers worden aangenomen dat het gezag niet van oordeel was dat de elementen die ter onderbouwing van het verzoek om bijstand waren aangevoerd, een begin van voldoende bewijs van de echtheid van de gestelde feiten vormde, die in casu betrekking hadden op een vermeende schending van artikel 12 bis van het Statuut, waardoor het verplicht werd om bijstand te verlenen. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijk stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand houdt dus nauw verband met het ontbreken van het treffen van maatregelen door de administratie, zoals die welke zij op grond van haar in artikel 24 van het Statuut bedoelde bijstandsplicht moet nemen, aangezien de administratie in dat geval impliciet, maar noodzakelijkerwijs van mening is, dat het geval niet binnen de werkingssfeer van laatstgenoemde bepaling valt.

55

Dit is in wezen hetgeen het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 41 en 42 van het arrest van 25 oktober 2007, Lo Giudice/Commissie (T‑154/05, EU:T:2007:322), dat, zoals uit de punten 9 tot en met 23 van dat arrest blijkt, een situatie betrof waarin het TABG in een geval waarin psychisch geweld was aangevoerd, in antwoord op een verzoek om bijstand geen enkele maatregel had getroffen binnen de antwoordtermijn van vier maanden van artikel 90, lid 1, van het Statuut. In die zaak had de administratie pas na de indiening van een klacht besloten om een administratief onderzoek in te stellen, waarvan zij de uitkomst pas wist enkele dagen vóór de vaststelling van het antwoord op de klacht, dat zeven maanden na de indiening daarvan werd gegeven.

56

Een dergelijke situatie verschilt echter van die welke in dit geval aan de orde is, waarin het TAOBG in antwoord op een verzoek om bijstand van mening is geweest dat er sprake was van een begin van voldoende bewijs, waardoor het noodzakelijk was om een administratief onderzoek in te stellen om vast te stellen, of de aangevoerde feiten daadwerkelijk psychisch of seksueel geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut vormden.

57

In een dergelijke situatie is het immers noodzakelijk dat dit onderzoek volledig wordt uitgevoerd, zodat de administratie, die op de hoogte is gebracht door de conclusies van het onderzoeksrapport, daarover een definitief standpunt kan innemen waardoor zij hetzij het verzoek om bijstand als afgedaan kan beschouwen hetzij, wanneer de aangevoerde feiten waar zijn gebleken en binnen de werkingssfeer van artikel 12 bis van het Statuut vallen, met name een tuchtprocedure kan inleiden teneinde eventueel tuchtmaatregelen te treffen tegen de vermeende geweldpleger (zie in die zin arresten van 11 juli 1974, Guillot/Commissie, 53/72, EU:C:1974:80, punten 3, 12 en 21; 9 november 1989, Katsoufros/Hof van Justitie, 55/88, EU:C:1989:409, punt 16, en 12 juli 2011, Commissie/Q, T‑80/09 P, EU:T:2011:347, punt 84).

58

Wordt in een geval als het onderhavige echter aangenomen dat er op 11 april 2016 een stilzwijgend besluit van het TAOBG tot stand is gekomen in de zin van een vaststelling, door dat gezag, dat er geen sprake is van psychisch geweld of van een weigering om tot een dergelijke vaststelling over te gaan, dan komt dit erop neer dat wordt aangenomen dat het TAOBG gedurende de volledige duur van het administratieve onderzoek het voorlopige standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake is van een geval dat onder artikel 12 bis van het Statuut valt.

59

Het doel van het administratieve onderzoek is echter te bevestigen of te ontkennen dat er sprake is van psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, zodat het TAOBG niet vooruit kan lopen op de uitkomst van het onderzoek en niet wordt geacht een standpunt in te nemen, zelfs niet stilzwijgend, over de echtheid van de aangevoerde intimidatie voordat het de uitkomsten van het administratieve onderzoek heeft ontvangen. Met andere woorden, het is inherent aan de instelling van een administratief onderzoek dat de administratie niet vooraf een standpunt inneemt, voornamelijk op basis van de eenzijdige beschrijving van de feiten in het verzoek om bijstand, aangezien zij juist geen standpunt mag innemen totdat dit onderzoek, dat op tegenspraak, met medewerking van de vermeende geweldpleger (zie in die zin arrest van 23 september 2015, Cerafogli/ECB, T‑114/13 P, EU:T:2015:678, punten 3541), snel en met inachtneming van het beginsel van de redelijke termijn moet worden uitgevoerd, is afgerond.

60

In dit verband moet nog worden gepreciseerd dat de administratie in een dergelijk geval verplicht blijft om het administratieve onderzoek volledig uit te voeren, ongeacht de vraag of de aangevoerde intimidatie inmiddels is beëindigd en zelfs wanneer de indiener van het verzoek om bijstand of de vermeende geweldpleger de instelling heeft verlaten (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, CH/Parlement, F‑132/14, EU:F:2015:115, punt 122).

61

Het belang om het administratieve onderzoek volledig uit te voeren houdt eveneens verband met het feit dat de eventuele erkenning door het TAOBG na afloop van dat onderzoek, dat eventueel wordt uitgevoerd met behulp van een aparte instantie, zoals het adviescomité, van het bestaan van psychisch geweld, op zich een gunstig gevolg kan hebben voor het genezingsproces van de geïntimideerde ambtenaar of functionaris (arrest van 8 februari 2011, Skareby/Commissie, F‑95/09, EU:F:2011:9, punt 26), en door het slachtoffer bovendien kan worden gebruikt voor een eventuele vordering voor de nationale rechter, in het kader waarvan de bijstandsplicht van het TAOBG krachtens artikel 24 van het Statuut van toepassing zal zijn en ook zal blijven nadat de periode van aanstelling van de betrokken functionaris is beëindigd. In het omgekeerde geval kunnen door de volledige afronding van een administratief onderzoek de stellingen van het vermeende slachtoffer worden ontkracht, zodat het onrecht ongedaan kan worden gemaakt dat een dergelijke beschuldiging, indien zij ongegrond mocht blijken, heeft kunnen veroorzaken bij de persoon die als vermeende geweldpleger bij een onderzoeksprocedure is betrokken (arrest van 6 oktober 2015, CH/Parlement, F‑132/14, EU:F:2015:115, punten 123 en 124).

62

Aangezien het Statuut echter, anders dan op tuchtrechtelijk gebied, niet voorziet in een specifieke bepaling voor de termijn waarbinnen de administratie een administratief onderzoek moet uitvoeren, met name op het gebied van psychisch geweld, kan op grond van de omstandigheid dat een administratief onderzoek, dat in antwoord op het verzoek om bijstand is ingesteld binnen vier maanden na de indiening van dat verzoek, na afloop van die termijn nog steeds gaande is, niet worden aangenomen dat de administratie een stilzwijgend besluit heeft genomen waarbij het TAOBG de echtheid van de in het verzoek om bijstand aangevoerde feiten heeft ontkend, of waarbij het heeft vastgesteld dat deze geen psychisch geweld vormden in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.

63

Derhalve moet er in casu van worden uitgegaan dat het TAOBG in antwoord op het verzoek om bijstand en binnen de statutaire termijn van vier maanden zoals bedoeld in artikel 90, lid 1, derde volzin, van het Statuut, maatregelen krachtens artikel 24 van het Statuut heeft getroffen, waarvan verzoekster op de hoogte is gesteld bij het besluit van 4 februari 2015, en dat het dus een gunstig gevolg heeft gegeven aan het verzoek om bijstand, ook al bleef het verplicht om de betrokkene vervolgens en gelet op de uitkomsten van het administratieve onderzoek dat het had besloten in te stellen, een antwoord te geven op de vraag of de ter onderbouwing van het verzoek om bijstand aangevoerde feiten waren aangetoond en of zij in casu eventueel psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut opleverden.

64

In de omstandigheden van het onderhavige geval en zoals het TAOBG heeft vastgesteld in het besluit van 20 augustus 2015, waarbij de klacht van 24 april 2015 op dat punt niet-ontvankelijk is verklaard, is op de datum van 11 april 2015 echter geen stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek om bijstand tot stand gekomen, dat kan worden opgevat als een standpuntbepaling van het TAOBG waarbij het heeft geweigerd om de in dat verzoek aangevoerde feiten aan te merken als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut.

65

Dit wordt bevestigd door de vaststelling, in de loop van de contentieuze procedure, van het besluit van 3 juni 2016, waarbij het TAOBG nu juist een standpunt heeft ingenomen over deze kwestie en heeft geweigerd om de aangevoerde feiten aan te merken als psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut, met name op basis van de conclusies van het adviescomité op dat punt, waaraan het de uitvoering van het administratieve onderzoek had toevertrouwd.

66

Gelet op alle voorgaande overwegingen, moet de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze betrekking heeft op een non-existent besluit.

Schadevordering

67

Ter onderbouwing van haar schadevordering stelt verzoekster dat de stilzwijgende afwijzing van haar verzoek om bijstand, waarmee het TAOBG weigerde te erkennen dat de in dat verzoek aangevoerde feiten onder het begrip psychisch geweld in de zin van artikel 12 bis van het Statuut vielen, haar immateriële schade heeft berokkend. Deze zou verband houden met de niet-erkenning door het TAOBG van de gegrondheid van de beschuldigingen die zij tegen het hoofd van de eenheid Audiovisueel had geuit, en met het feit dat het adviescomité in dat opzicht niet artikel 11 van de interne regels inzake intimidatie had geëerbiedigd, volgens hetwelk het verzoekster had moeten horen binnen een termijn van tien dagen na de datum van indiening van het verzoek om bijstand, en het binnen één maand na het horen van de indiener van de klacht bij dat adviescomité getuigen had moeten horen. Het TAOBG, dat verantwoordelijk moet worden gehouden voor dit slechte functioneren van het adviescomité, heeft dus artikel 41 van het Handvest van de grondrechten geschonden en in casu niet binnen een redelijke termijn gehandeld.

68

Het Parlement concludeert tot afwijzing van de schadevordering, op grond dat deze niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond is.

69

In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat vorderingen strekkende tot vergoeding van materiële of immateriële schade moeten worden afgewezen wanneer zij een nauwe samenhang vertonen met vorderingen tot nietigverklaring die, op hun beurt, niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard (arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C‑274/99 P, EU:C:2001:127, punt 129; 14 september 2006, Commissie/Fernández Gómez, C‑417/05 P, EU:C:2006:582, punt 51, en 30 april 2014, López Cejudo/Commissie, F‑28/13, EU:F:2014:55, punt 105).

70

In casu houdt de schadevordering nauw verband met de vordering tot nietigverklaring, die betrekking had op een non-existent besluit van het TAOBG.

71

Met betrekking tot de grief ontleend aan de niet-redelijke termijn waarbinnen het administratieve onderzoek is uitgevoerd, stelt het Gerecht in elk geval vast dat die grief en de immateriële schade die verzoekster daardoor zou hebben geleden, door haar zijn aangevoerd in de klacht die zij op 6 september 2016 heeft ingediend tegen het besluit van 3 juni 2016 en welke het TAOBG heeft afgewezen bij besluit van 4 januari 2017. Deze konden derhalve worden aangevoerd ter onderbouwing van een beroep uit hoofde van artikel 270 VWEU tegen laatstgenoemde besluiten.

72

Gelet op het voorgaande, moet de schadevordering en daarmee het volledige beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kosten

73

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Op grond van artikel 135, lid 2, van dit Reglement kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, echter ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen voor de andere partij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.

74

In casu merkt het Gerecht op dat verzoekster zowel door de inhoud van de e-mail van het hoofd van de eenheid Human Ressources van 13 januari 2015 als door de onjuiste en zelfs tegenstrijdige antwoorden van de directeur-generaal van het DG Personeel in zijn brieven van 4 februari 2015 en van 4 maart 2015, ten dele is misleid over de totstandkoming van een stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar verzoek om bijstand. De onjuistheid van de door het TAOBG verstrekte informatie was overigens door de secretaris-generaal vastgesteld in het besluit van 20 augustus 2015, waarbij op die klacht werd beslist, aangezien hij de klacht van 24 april 2015 niet-ontvankelijk had verklaard voor zover deze betrekking had op een non-existent stilzwijgend besluit.

75

Derhalve moet worden beslist dat het Parlement zijn eigen kosten zal dragen en moet worden verwezen in de helft van verzoeksters kosten.

 

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Het Europees Parlement draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van HF.

 

3)

HF draagt de helft van haar eigen kosten.

 

Pelikánová

Nihoul

Svenningsen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 april 2017.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top