EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CC0619

Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 13 december 2012.
Patricia Dumont de Chassart tegen Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW).
Verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel om een prejudiciële beslissing.
Sociale zekerheid – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikelen 72, 78, lid 2, sub b, en 79, lid 1, sub a – Gezinsbijslagen voor weeskinderen – Samentelling van tijdvakken van verzekering en arbeid – Tijdvakken door overlevende ouder in andere lidstaat vervuld – Niet-inaanmerkingneming.
Zaak C‑619/11.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2012:805

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. MENGOZZI

van 13 december 2012 ( 1 )

Zaak C-619/11

Patricia Dumont de Chassart

tegen

RKW – Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers

[verzoek van de Arbeidsrechtbank van Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]

„Sociale zekerheid — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Artikel 79 — Uitkeringen aan wezen van werknemers die onderworpen zijn geweest aan de wetgeving van meer dan één lidstaat, ten laste van de lidstaat waar de wees woont — Niet-inaanmerkingneming van door de echtgenote van de overledene in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering — Ongelijke behandeling”

1. 

De in de onderhavige zaak door de Arbeidsrechtbank van Brussel, de verwijzende rechter, opgeworpen prejudiciële vraag betreft artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 2 ) (hierna: „verordening nr. 1408/71”) en in het bijzonder de verwijzing in sub a van die bepaling naar artikel 72 van die verordening. Genoemde bepalingen zijn volledig herzien bij verordening (EG) nr. 883/2004 ( 3 ), die verordening nr. 1408/71 per 1 mei 2010 heeft ingetrokken en vervangen. De nieuwe bepalingen zijn echter niet relevant voor deze zaak.

2. 

In het hoofdgeding moet de verwijzende rechter beslissen op het door verzoekster, P. Dumont de Chassart, ingestelde beroep tegen een besluit van de Belgische Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers (hierna: „RKW”), waarbij de aanvraag van verzoekster tot toekenning van gezinsbijslagen voor wezen is afgewezen. In dat kader wordt het Hof in wezen verzocht op te helderen of de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die de toepasselijke nationale regeling aanwijzen ter zake van gezinsbijslagen voor „wezen van een overleden werknemer of zelfstandige”, de mogelijkheid uitsluiten het beginsel van samentelling toe te passen en daarbij rekening te houden met tijdvakken van verzekering die door de overlevende ouder-werknemer zijn vervuld in een andere lidstaat waar het nationale recht, zoals in het onderhavige geval, toestaat rekening te houden met door die ouder vervulde tijdvakken van verzekering als grondslag van een aanvraag tot toekenning van gezinsbijslagen voor wezen.

3. 

Het belang van de onderhavige zaak is dat deze, anders dan bij het merendeel van de geschillen die ter zake aan het Hof zijn voorgelegd, niet een vraag betreft van cumulatie van gelijktijdig in verschillende lidstaten verschuldigde uitkeringen ( 4 ), maar draait om de interactie tussen de bepalingen van verordening nr. 1408/71 en het toepasselijke nationale recht.

I – Rechtskader

A – Unierecht

4.

Artikel 72 van verordening nr. 1408/71 is opgenomen in hoofdstuk 7 van titel III, dat is gewijd aan „Gezinsuitkeringen”. Genoemd artikel heeft als opschrift „Samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid” en luidt:

„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, houdt daartoe, voor zover nodig, rekening met de op het grondgebied van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.”

5.

De artikelen 78 en 79 van dezelfde verordening zijn opgenomen in hoofdstuk 8 van titel III, dat is gewijd aan „Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”.

6.

Artikel 78 van de verordening, met als opschrift „Wezen”, bepaalt:

„1.   Voor de toepassing van dit artikel worden onder ‚bijslagen’ verstaan kinderbijslagen, en eventueel aanvullende of bijzondere bijslagen voor wezen.

2.   Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:

[...]

b)

voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan wettelijke regelingen van meer dan een lidstaat onderworpen was geweest:

i)

overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a, [...]”

7.

Artikel 79 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen inzake bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”, luidt:

„1.   De bijslagen in de zin van de artikelen [...], 78 [...] worden volgens de overeenkomstig deze artikelen bepaalde wettelijke regeling, door en voor rekening van het met de uitvoering van de wettelijke regeling belaste orgaan verleend, alsof [...] de overledene uitsluitend aan de wettelijke regeling van de bevoegde staat onderworpen was geweest.

Echter:

a)

indien deze wettelijke regeling bepaalt dat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, wordt deze tijdsduur, eventueel met inachtneming van het in [...] artikel 72 bepaalde, vastgesteld [...];

[...]”

B – Nationaal recht

8.

Artikel 56 bis, lid 1, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende kinderbijslag voor loonarbeiders (hierna: „samengeordende wetten”) bepaalt in wezen dat als begunstigde van de gezinsbijslagen voor wezen in aanmerking komt de wees wiens overleden ouder of overlevende ouder in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgaan, de voorwaarden heeft vervuld om, in de zin van genoemde samengeordende wetten, aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire (basis)bijslagen.

II – Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen

9.

Verzoekster in de hoofdzaak, Dumont de Chassart, is Belgisch staatsburger en weduwe van Descampe, eveneens van Belgische nationaliteit. Het echtpaar heeft een zoon, Diego Descampe, eveneens Belgisch staatsburger, geboren in Frankrijk in 2000.

10.

Het gezin was jarenlang woonachtig in Frankrijk, waar beide ouders in loondienst hebben gewerkt. Met name blijkt uit het dossier dat Dumont de Chassart van 28 september 1993 tot en met 31 augustus 2008 in Frankrijk werkzaam is geweest als psychologe bij een instelling voor kinderen. Descampe zelf heeft zowel in België (tussen 1968 en 1976 en tussen 1987 en 1998) als in Frankrijk (tot 2002) gewerkt. Vanaf 2002 heeft hij echter tot de dag van zijn overlijden op 25 april 2008 geen arbeid in loondienst meer verricht en in Frankrijk geleefd in een situatie van „vervroegd pensioen”, zonder inkomsten uit arbeid of een uitkering te genieten.

11.

Enkele maanden na het overlijden van Descampe is Dumont de Chassart op 31 augustus 2008 met haar kind verhuisd naar België, waar zij na ongeveer een maand te hebben gewerkt werkloos werd.

12.

Op 13 oktober 2008 heeft Dumont de Chassart een aanvraag voor gezinsbijslag voor wezen ingediend bij het RKW.

13.

Ook al is haar op 9 maart 2009 respectievelijk op 6 april 2009 met terugwerkende kracht kinderbijslag alsook een aanvullende bijslag voor eenoudergezinnen toegekend, de RKW heeft de aanvraag van Dumont de Chassart om gezinsbijslag voor wezen bij besluit van 20 oktober 2009 afgewezen. De RKW heeft in haar besluit in aanmerking genomen dat de overleden vader in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgingen, niet had voldaan aan de voorwaarden om aanspraak te maken op ten minste zes forfaitaire maandelijkse bijslagen, zoals vereist in artikel 56 bis van de samengeordende wetten.

14.

Op 4 februari 2010 heeft Dumont de Chassart beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarin zij die afwijzing betwistte en aanvoerde dat de RKW haar de bijslag voor wezen had moeten toekennen door de vóór het overlijden van haar echtgenoot in Frankrijk vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking te nemen.

15.

De verwijzende rechter merkt op dat krachtens artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 het recht van de lidstaat waarin het kind woont van toepassing is, en dat derhalve, per 1 september 2008, Belgisch recht van toepassing is op de situatie van Dumont de Chassart. Hij merkt op dat krachtens artikel 56 bis van de samengeordende wetten zowel de situatie van de overleden ouder als die van de overlevende ouder kan worden aangevoerd als grondslag van een aanvraag voor gezinsbijslagen voor wezen. In het onderhavige geval zou een dergelijke aanvraag echter niet op de situatie van de overleden ouder kunnen worden gebaseerd omdat deze, in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgingen, niet had voldaan aan de in artikel 56 bis van de samengeordende wetten gestelde vereisten. De situatie van Dumont de Chassart daarentegen zou aan haar aanvraag ten grondslag kunnen worden gelegd voor zover de tijdvakken van in Frankrijk verrichte arbeid zouden kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van in België verrichte arbeid. Dit zou mogelijk zijn bij toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71, dat voorziet in samentelling van tijdvakken van verzekering en van arbeid, op de situatie van verzoekster.

16.

Volgens de verwijzende rechter zou toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 op de situatie van Dumont de Chassart in het onderhavige geval echter zijn uitgesloten omdat artikel 79, lid 1, van de verordening, zoals is benadrukt in het besluit van de RKW, weliswaar verwijst naar dat artikel, maar uitsluitend in verband met de overleden ouder-werknemers. De ratio van de beperking van de verwijzing naar overleden ouders zou moeten worden gevonden in de omstandigheid dat het ontstaansfeit van het recht op gezinsbijslagen voor weeskinderen zou bestaan in het overlijden van de ouder. Daaruit zou volgen dat het toepassingsgebied ratione personae van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en dientengevolge van de verwijzing daarin naar artikel 72 van die verordening, restrictiever is dan dat van artikel 56 bis van de samengeordende wetten, welk artikel daarentegen ziet op de situatie van beide ouders. Dit zou in het onderhavige geval een beletsel vormen om de situatie van de nog levende ouder-werknemer in aanmerking te nemen.

17.

Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af of de situatie die voortvloeit uit de interactie tussen artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en artikel 56 bis van de samengeordende wetten geen schending inhoudt van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. Zijn twijfel betreft met name het onderscheid tussen wezen van ouders die het Belgische grondgebied nooit hebben verlaten om elders in de Unie arbeid te verrichten, en wezen wier ouders, onderdanen van de Europese Unie, in een andere lidstaat hebben gewoond waarin de nog levende ouder heeft gewerkt gedurende het volgens de Belgische regelgeving relevante tijdvak, terwijl de overleden ouder geen arbeid heeft verricht. Voor de eerstgenoemde wezen zou de overlevende ouder die tijdens het referentietijdvak in België heeft gewerkt, behalve op de tijdvakken van verzekering van de overleden ouder, tevens aanspraak kunnen maken op de eigen in België vervulde tijdvakken van verzekering, terwijl voor de laatstgenoemde wezen de methode van samentelling van tijdvakken van verzekering volgens die uitlegging die overlevende ouder niet in staat zou stellen de eigen, in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering in België te „importeren”.

18.

In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Schendt artikel 79, lid 1, van verordening [...] nr. 1408/71 [...] de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals onder meer neergelegd in artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen [20 VWEU, 45 VWEU en/of 49 VWEU], wanneer het aldus wordt uitgelegd dat enkel de overleden ouder in aanmerking komt voor de in artikel 72 van verordening [...] nr. 1408/71 [...] voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, zodat artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] de overlevende ouder die gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarnaar artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] verwijst, in een ander land van de Europese Unie heeft gewerkt, ongeacht zijn staatsburgerschap – mits hij onderdaan is van een lidstaat of binnen de personele werkingssfeer van verordening [...] nr. 1408/71 [...] valt –, zou uitsluiten van de mogelijkheid bewijs te leveren dat hij het vereiste op grond waarvan hij, als begunstigde in de zin van artikel 51, lid 3, punt 1, van de [...] samengeordende wetten [...], aanspraak had kunnen maken op zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in de loop van de twaalf maanden voorafgaande aan het overlijden, heeft vervuld, terwijl de overlevende ouder die, of hij nu Belgisch staatsburger is of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, gedurende het in artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] voorziene tijdvak van twaalf maanden uitsluitend in België heeft gewerkt, in voorkomende gevallen omdat hij het Belgische grondgebied nooit heeft verlaten, wel dat bewijs zou mogen leveren?”.

III – Procesverloop voor het Hof

19.

De verwijzingsbeschikking is op 30 november 2011 ingeschreven ter griffie van het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Dumont de Chassart, de Belgische regering, de Raad en de Commissie.

20.

Ter terechtzitting op 7 november 2012 hebben Dumont de Chassart, de Belgische regering, de Raad en de Commissie opmerkingen gemaakt.

IV – Juridische analyse

21.

Met zijn prejudiciële verzoek vraagt de verwijzende rechter in wezen of artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie schendt voor zover het belet om in omstandigheden als de onderhavige, door de toepassing van de gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 uitsluitend toe te staan voor overleden ouder-werknemers, die tijdvakken voor de nog levende ouder-werknemer die in een andere lidstaat van de Unie heeft gewerkt in aanmerking te nemen ten behoeve van de toekenning van bijslagen voor wezen, ofschoon de nationale wetgeving wel toestaat de situatie van die ouder in aanmerking te nemen als grondslag van een aanvraag voor die bijslagen.

22.

Alvorens over te gaan tot de analyse van de door de verwijzende rechter gestelde vragen, wil ik een door de Belgische regering opgeworpen stelling van preliminaire aard bespreken, betrekking hebbend op de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 op de onderhavige zaak.

A – De toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71

23.

De Belgische regering voert preliminair aan dat Descampe al zijn werkzaamheden in april 2002 had beëindigd en op het moment van zijn overlijden in april 2008 dan ook niet meer onder enige socialezekerheidsregeling viel. Op het moment van overlijden kon hij dus niet meer worden aangemerkt als werknemer of zelfstandige in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Bijgevolg zouden zijn rechtverkrijgenden geen aanspraak kunnen maken op de door genoemde verordening verleende rechten.

24.

Op dat punt moet ik erop wijzen dat in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, waarin de personele werkingssfeer ervan is geregeld, bepaalt dat „[d]e onderhavige verordening van toepassing is op werknemers of zelfstandigen en op studenten die onderworpen zijn of zijn geweest aan de wetgeving van een of meer lidstaten [...], alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen” ( 5 ).

25.

In de onderhavige zaak is niet in geschil dat Descampe onderdaan is van een van de lidstaten, namelijk België, en dat hij arbeid in loondienst heeft verricht in Frankrijk en in België en dus onderworpen is geweest aan de wetgeving van meer dan een lidstaat. Evenmin is in geschil dat zowel het weeskind als de echtgenote gezinsleden en nagelaten betrekkingen zijn in de zin van verordening nr. 1408/71.

26.

In die omstandigheden lijdt het naar mijn oordeel geen twijfel dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is op de zaak in het hoofdgeding.

27.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 kan ter wille van de volledigheid nog worden opgemerkt dat deze ook ratione temporis van toepassing is, omdat de aanvraag van Dumont de Chassart is ingediend in oktober 2008, dus vóór de inwerkingtreding van de nieuwe verordening nr. 883/2004, die, zoals reeds gemeld, verordening nr. 1408/71 per 1 mei 2010 heeft ingetrokken en vervangen. ( 6 )

B – De prejudiciële vraag

28.

Komende tot de analyse ten principale van de door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen wil ik allereerst opmerken dat deze in wezen een vraag betreft over de geldigheid van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 in samenhang met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarbij moet echter tevens worden aangetekend dat de door de verwijzende rechter opgeworpen geldigheidsvraag is gebaseerd op een specifieke uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat wil zeggen de door de RKW toegepaste restrictieve uitlegging zoals genoemd in het bovenstaande punt 16, die lijkt te worden onderschreven door de verwijzende rechter. Volgens die uitlegging zou de samentelling van tijdvakken van verzekering van de nog levende ouder-werknemer in wezen zijn uitgesloten, aangezien de verwijzing in artikel 79, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 naar artikel 72 van diezelfde verordening beperkt is tot de situatie van overleden ouder-werknemers, ook indien de nationale wetgeving toestaat de situatie van de eerstgenoemde in aanmerking te nemen als grondslag van een aanvraag voor gezinsbijslagen voor wezen.

29.

In dat kader moet, om een dienstig antwoord te kunnen geven op de door de verwijzende rechter gestelde vraag, worden teruggegrepen op de vaste rechtspraak over de kerndoelstellingen van verordening nr. 1408/71. Het Hof heeft namelijk herhaaldelijk bevestigd dat verordening nr. 1408/71 niet een gemeenschappelijk socialezekerheidsstelsel in het leven roept, maar de afzonderlijke nationale stelsels laat voortbestaan en er slechts toe strekt een coördinatie tussen die stelsels te waarborgen. ( 7 ) Het bij verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel is uitsluitend een coördinatiestelsel, met onder meer regels om vast te stellen welke wetgeving of wetgevingen van toepassing zijn op werknemers en zelfstandigen die, in verschillende omstandigheden, gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer. ( 8 )

30.

Overeenkomstig vaste rechtspraak blijft het echter aan de lidstaten voorbehouden om de voorwaarden voor toekenning van socialezekerheidsprestaties vast te stellen, voorwaarden die deze staten ook mogen aanscherpen, mits ze niet leiden tot enige vorm van openlijke of verkapte discriminatie tussen werknemers van de Unie. ( 9 ) Bovendien zijn de lidstaten volgens de rechtspraak gehouden om bij het bepalen van die voorwaarden het Unierecht en in het bijzonder het met verordening nr. 1408/71 nagestreefde doel alsook de beginselen die eraan ten grondslag liggen, in acht te nemen. ( 10 )

31.

Dienaangaande heeft het Hof voorts uitgemaakt dat verordening nr. 1408/71, blijkens de tweede en de vierde alinea van de considerans, ten doel heeft het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie te verzekeren, met inachtneming van de wezenlijke kenmerken van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid. Blijkens de vijfde, de zesde en de tiende alinea van de considerans is de verordening daartoe gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling van werknemers in het kader van de toepassing van de verschillende nationale wetgevingen en beoogt zij de gelijke behandeling van alle werknemers die op het grondgebied van een lidstaat werkzaam zijn zo goed mogelijk te waarborgen en degenen onder hen die het recht van vrij verkeer uitoefenen niet te benadelen. ( 11 )

32.

De door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag aangehaalde beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie vormen dan ook de kernbeginselen van verordening nr. 1408/71.

33.

Bijslagen voor wezen, het onderwerp van geschil in de hoofdzaak, worden in verordening nr. 1408/71 geregeld in de artikelen 78 en 79 van hoofdstuk 8 van titel III.

34.

Met betrekking tot artikel 78 van verordening nr. 1408/71 heeft het Hof herhaaldelijk bevestigd dat dit artikel is bedoeld ter bepaling van de lidstaat waarvan de wetgeving op de toekenning van bijslagen voor wezen van toepassing is, waarna die bijslagen in beginsel volgens de wetgeving van die lidstaat worden toegekend, overeenkomstig het beginsel van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat slechts de wetgeving van één lidstaat toepassing vindt. In het bijzonder blijkt uit artikel 78, lid 2, sub b-i, dat de bijslagen in kwestie, indien de overleden werknemer onderworpen is geweest aan de wetgeving van meer dan één lidstaat, worden toegekend overeenkomstig de wetgeving van de woonstaat van de wees van de overleden werknemer. ( 12 )

35.

Nadat de lidstaat is bepaald waarvan de wetgeving de toekenning van bijslagen voor wezen regelt, moeten volgens artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de bijslagen worden uitgekeerd door en ten laste van het met de uitvoering van genoemde wetgeving belaste orgaan, alsof de overledene enkel onderworpen is geweest aan de wetgeving van de bevoegde staat. Die bepaling regelt dus enerzijds welk orgaan de kosten van de uitkering van bijslagen voor wezen draagt, en anderzijds de wijze van uitvoering van de wetgeving van de bevoegde staat, die overeenkomstig bovengenoemd beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat toepassing vindt, moet worden toegepast „alsof” de overledene enkel aan die wetgeving onderworpen is geweest. Deze laatste voorziening vormt naar mijn oordeel een waarborg dat personen die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, vervolgens in het genot komen van de bepalingen van verordening nr. 1408/71. Die waarborg is erop gericht om discriminatie van die personen te voorkomen bij de concrete toepassing van de op de voet van de in artikel 78 van de verordening genoemde aanknopingsfactor bepaalde wetgeving.

36.

In artikel 79, lid 1, sub a, wordt het beginsel van de toepassing van de aldus vastgestelde wetgeving „alsof” de overledene enkel daaraan onderworpen zou zijn geweest, echter afgezwakt: wanneer de betrokken nationale wetgeving het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de duur van de tijdvakken van verzekering, moet in voorkomend geval het beginsel van samentelling van de in de diverse lidstaten vervulde tijdvakken worden toegepast zoals voorzien in artikel 72 van verordening nr. 1408/71. Ook die regel vormt naar mijn oordeel een waarborg voor personen die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, dat zij daarna in het genot komen van de bepalingen van verordening nr. 1408/71. De regel heeft namelijk ten doel te waarborgen dat de toepassing van de nationale wetgeving „alsof” de overledene enkel aan die wetgeving onderworpen is geweest, niet leidt tot uitsluiting van het beginsel van samentelling, dat in artikel 48, sub a, VWEU is vastgelegd en – voor zover hier van belang – is uitgewerkt in artikel 72 van verordening nr. 1408/71.

37.

In dat kader is de verwijzende rechter, klaarblijkelijk in overeenstemming met het door de RKW ingenomen standpunt, van oordeel dat de omstandigheid dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitsluitend de overleden ouder-werknemer noemt, tot gevolg heeft dat geen beroep kan worden gedaan op de verwijzing in sub a van dat lid naar artikel 72 van de verordening voor de samentelling van de door de nog levende ouder-werknemer vervulde tijdvakken van verzekering wanneer de nationale wetgeving, zoals in casu, de inaanmerkingneming van de situatie van laatstgenoemde, als grondslag van een aanvraag voor bijslagen voor wezen, toestaat.

38.

Ik deel deze uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet.

39.

In de eerste plaats blijkt uit het voorgaande dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 in het algemeen en die van artikel 79, lid 1, in het bijzonder geenszins de voorwaarden betreffen die moeten worden vervuld voor de toekenning van bijslagen voor wezen. Die bepalingen zijn, in overeenstemming met de functies van verordening nr. 1408/71 zoals die zijn aangegeven in de vaste rechtspraak van het Hof en vermeld in de bovenstaande punten 29 en 31, beperkt tot het geven van collisieregels die ertoe dienen de lidstaat te bepalen waarvan de wetgeving van toepassing is en waarvan het uitvoeringsorgaan de uitkeringen moet verstrekken, alsmede enkele toepassingsmodaliteiten van die nationale wetgeving te specificeren.

40.

Het bepalen van de voorwaarden voor de toekenning van de bijslagen voor wezen blijft echter, gelet op de in het bovenstaande punt 30 genoemde rechtspraak, voorbehouden aan de lidstaten.

41.

Naar mijn oordeel volgt dan ook reeds uit de aard van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 als collisieregels dat deze de nationale autoriteiten niet kunnen beletten om bijslagen voor wezen toe te kennen op basis van de in de nationale wetgeving voorziene voorwaarden. ( 13 )

42.

In de tweede plaats moeten de bepalingen van verordening nr. 1408/71 volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd in het licht van artikel 48 VWEU, dat wil bijdragen aan het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers. ( 14 )

43.

Op dat punt wordt in de eerste alinea van de considerans van verordening nr. 1408/71 verklaard dat de regels tot coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid die de verordening bevat, behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van die personen. ( 15 )

44.

In dat kader heeft het Hof beslist dat een uitlegging van die verordening alsof deze een lidstaat zou verbieden aan werknemers en hun gezinsleden een ruimere sociale bescherming toe te kennen dan voortvloeit uit de toepassing van de verordening, zowel het doel van verordening nr. 1408/71 miskent als de doelstellingen en het kader van artikel 48 VWEU buiten beschouwing laat. ( 16 )

45.

De wetgeving van de Unie op het gebied van de coördinatie van nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid mag, met name gelet op de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, behoudens uitdrukkelijke uitzonderingen die met die doelstellingen in overeenstemming zijn, dan ook niet aldus worden toegepast dat de migrerende werknemer of zijn rechtverkrijgenden het recht op enkel krachtens de wetgeving van een lidstaat toegekende bijslagen wordt ontnomen. ( 17 ) Het Hof heeft zich, in overeenstemming met dat beginsel, dus steeds verzet tegen een uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die ten gevolge heeft dat werknemers door de wettelijke regeling van een lidstaat gewaarborgde voordelen op het gebied van sociale zekerheid zouden verliezen. ( 18 )

46.

Naar mijn oordeel is het in deze zaak glashelder dat een uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zoals voorgesteld door de RKW en klaarblijkelijk wordt onderschreven door de verwijzende rechter, tot gevolg heeft dat een migrerende werknemer die, zoals Dumont de Chassart, zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, een hem krachtens de toepasselijke nationale wet toegekend recht op socialezekerheidsuitkeringen verliest. Naar analogie van hetgeen ik reeds heb gesteld bij een andere gelegenheid ( 19 ) en hetgeen in de in het vorige punt 44 genoemde rechtspraak reeds is beslist, is een dergelijke uitkomst niet in overeenstemming met de geest van de verordening en met de doelen die artikel 48 VWEU nastreeft met de coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid.

47.

Bovendien leidt een dergelijke uitlegging, ook al brengt deze geen discriminatie op grond van nationaliteit mee, zoals door de Belgische regering ter zitting aangevoerd, omdat de bepalingen ongeacht de nationaliteit toepasselijk zijn, tot een onrechtmatige discriminatie tussen werknemers die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend en werknemers die dat niet hebben gedaan.

48.

In de derde plaats is een uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 die de nog levende ouder-werknemer die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend niet belet een beroep te doen op de bepalingen die voorzien in samentelling van tijdvakken van arbeid, niet alleen de enige die verenigbaar is met de doelstellingen van die verordening, maar ook trouw is aan de tekst van de bepaling.

49.

Als het waar is dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 betrekking heeft op de situatie van de overledene om aan te geven hoe de krachtens artikel 78 van die verordening vastgestelde wetgeving moet worden toegepast, moet ook worden geconstateerd dat sub a van datzelfde lid, waarin de verwijzing naar het in artikel 72 opgenomen beginsel van samentelling is opgenomen, geen enkele verwijzing naar de situatie van een overleden ouder bevat. Die bepaling bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan kan worden aangenomen dat de wetgever van de Unie de toepassing van het beginsel van de samentelling wilde beperken tot enkel de overledene en dus de overlevende ouder-werknemer wilde uitsluiten, wanneer de nationale regeling voorziet in de mogelijkheid diens situatie, als grondslag van een aanvraag tot toekenning van bijslagen voor wezen, in aanmerking te nemen.

50.

Dienaangaande dient ook nog te worden opgemerkt dat het beginsel van cumulatie van tijdvakken van verzekering, van wonen of van arbeid, direct is vastgelegd in het VWEU en wel in artikel 48, sub a, en in diverse bepalingen van verordening nr. 1408/71, waaronder artikel 72, is uitgewerkt. ( 20 ) Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat dit een van de fundamentele beginselen is van de coördinatie van socialezekerheidsstelsels van de lidstaten op Unieniveau, die er nu juist op is gericht om, overeenkomstig de algemene doelstellingen van verordening nr. 1408/71, te waarborgen dat de uitoefening van het door het VWEU toegekende recht van vrij verkeer niet tot gevolg heeft dat een werknemer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid verliest, waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij zijn hele loopbaan in één enkele lidstaat had vervuld. Die consequentie zou werknemers binnen de Unie kunnen ontmoedigen het recht van vrij verkeer uit te oefenen en dus een belemmering vormen voor dat vrije verkeer. ( 21 )

51.

In het licht van al deze overwegingen ben ik dan ook van oordeel dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet kan worden uitgelegd in die zin dat de toepassing van de in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, enkel aan een overleden ouder toekomt. Dit artikel kan derhalve niet door de nationale autoriteiten worden ingeroepen om de in hun nationale wetgeving voorziene inaanmerkingneming van verzekeringstijdvakken van een nog levende ouder die in een ander land binnen de Unie heeft gewerkt en, mits de vereisten daartoe zijn vervuld, aanspraak kan maken op de in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, uit te sluiten. In het licht van het vorenstaande schendt artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie dus niet.

52.

Ten aanzien van de toepassing van het beginsel van samentelling dient ten slotte nog te worden ingegaan op de door de Belgische regering opgeworpen en tevens ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de beroepsactiviteit van een overlevende ouder-werknemer die in een andere lidstaat van de Unie heeft gewerkt, enkel in aanmerking kan worden genomen om een reeds in België aangevangen tijdvak van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid te voltooien, zodat de situatie van Dumont de Chassart, die in het jaar voorafgaande aan het overlijden van haar man uitsluitend in Frankrijk had gewerkt, in geen geval in aanmerking kan komen voor samentelling krachtens artikel 72 van verordening nr. 1408/71. ( 22 )

53.

Dienaangaande kan ik niet nalaten op te merken dat het Hof recentelijk heeft uitgemaakt dat een uitlegging van het begrip „samentelling” als bedoeld in artikel 72 van verordening nr. 1408/71, die ten minste twee in meer dan één lidstaat vervulde tijdvakken van arbeid veronderstelt, niet kan worden aanvaard. Bijgevolg mag de lidstaat van het orgaan dat bevoegd is tot toekenning van gezinsbijslag, niet voorzien in de vereiste dat een tijdvak van arbeid op zijn grondgebied moet zijn vervuld en aldus de inaanmerkingneming van één enkel, op het grondgebied van een andere lidstaat vervuld tijdvak van arbeid ter verkrijging van het recht op een socialezekerheidsuitkering uitsluiten. ( 23 )

54.

Het Hof heeft dan ook benadrukt dat de letterlijke strekking van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 vereist dat in het kader van de samentelling rekening wordt gehouden met „tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid”, alsof deze tijdvakken zijn vervuld krachtens de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling.

55.

Bij verordening nr. 1408/71 wordt, overeenkomstig de in de bovenstaande punten 29 en 31 genoemde doelstellingen, dan ook een stelsel in het leven geroepen dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op bijslag, alsmede voor de berekening ervan, de cumulatie van „alle tijdvakken” die door de diverse nationale wetgevingen voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden in aanmerking worden genomen, verzekert.

56.

Dientengevolge mag het bevoegde orgaan van een lidstaat, in casu België, voor de toekenning van een gezinsbijslag niet eisen dat boven op een in een andere lidstaat vervuld tijdvak van arbeid of werkzaamheden, in casu Frankrijk, ook nog een tijdvak van verzekering op zijn eigen grondgebied is vervuld.

57.

Anders dan de Belgische regering ter zitting heeft gesteld, kan de uitlegging van het begrip „samentelling” van het Hof in het arrest Bergström ( 24 ) niet ter discussie worden gesteld, en evenmin de in punt 43 van het arrest Pérez García e.a. gegeven uitlegging ( 25 ), waaruit op geen enkele manier kan worden afgeleid dat de toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 veronderstelt dat een periode van arbeid in loondienst of van werkzaamheden als zelfstandige moet zijn vervuld op het grondgebied van de staat waarop de plicht tot toekenning van gezinsbijslag rust, en evenmin kan dat volgen uit de arresten Coonan en Vigier ( 26 ), die geenszins de toekenning van gezinsbijslagen betreffen.

58.

Overigens dient ten slotte ook nog te worden opgemerkt dat een oplossing die toestaat het in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene beginsel van samentelling ook toe te passen op de nog levende ouder, in overeenstemming is met de door België gemaakte keuze om dat beginsel nu juist toe te passen op gevallen van gezinsbijslagen. Die keuze is expliciet neergelegd in punt 7, sub A, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten”. ( 27 )

V – Conclusie

59.

Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank van Brussel als volgt te beantwoorden:

„Artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 schendt de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie niet, aangezien deze bepaling, in omstandigheden als de onderhavige, niet aldus kan worden uitgelegd dat de gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid in de zin van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 dienen te worden toegepast uitsluitend rekening houdend met de door de overleden ouder-werknemer vervulde tijdvakken van verzekering, en daarbij dus uitgesloten is dat rekening wordt gehouden met door de nog levende ouder, die in een ander land van de Unie heeft gewerkt, vervulde tijdvakken, wanneer de nationale wetgeving ter zake voorziet in de mogelijkheid om ook de tijdvakken van verzekering van de laatstgenoemde als grondslag van een aanvraag voor bijslagen voor wezen in aanmerking te nemen.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.

( 2 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB L 177, blz. 1). Dit is de titel van de geconsolideerde versie.

( 3 ) Verordening nr. 1408/71 is per 1 mei 2010 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1); op dat tijdstip trad tevens in werking verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van verordening (EG) nr. 883/2004 (PB L 284, blz. 1).

( 4 ) Zie, enkel als voorbeeld, arresten van 12 juni 1980, Laterza (733/79, Jurispr. blz. 1915); 24 november 1983, D’Amario (320/82, Jurispr. blz. 3811); 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a. (C-59/95, Jurispr. blz. I-1071); 24 september 2002, Martínez Domínguez e.a. (C-471/99, Jurispr. blz. I-7835), en 20 oktober 2011, Pérez García e.a. (C-225/10, Jurispr. blz. I-10111).

( 5 ) Cursivering van mij. De tekst van die bepaling is uitgebreid bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72, waarbij de toepassingsmodaliteiten van verordening nr. 1408/71 zijn vastgelegd, mede gezien de uitbreiding tot studenten (PB L 38 blz. 1), middels inlassing van de woorden „aan studenten” in het eerste zinsdeel van de bepaling.

( 6 ) Zie punt 1 en voetnoot 3.

( 7 ) Zie onder meer arresten van 5 juli 1988, Borowitz (21/87, Jurispr. blz. 3715, punt 23); 3 april 2008, Chuck (C-331/06, Jurispr. blz. I-1957, punt 27) alsook van 21 juli 2011, Stewart (C-503/09, Jurispr. blz. I-6497, punten 75-77 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 8 ) Zie onder meer arresten van 9 maart 2006, Piatkowski (C-493/04, Jurispr. blz. I-2369, punt 20); 18 juli 2006, Nikula (C-50/05, Jurispr. blz. I-7029, punt 20); 3 april 2008, Derouin (C-103/06, Jurispr. blz. I-1853, punt 20), en 3 maart 2011, Tomaszewska (C-440/09, Jurispr. blz. I-1033, punt 25).

( 9 ) Zie onder meer arresten van 20 september 1994, Drake (C-12/93, Jurispr. blz. I-4337, punt 27); 20 februari 1997, Martínez Losada e.a. (C-88/95, C-102/95 en C-103/95, Jurispr. blz. I-869, punt 43); 20 januari 2005, Salgado Alonso (C-306/03, Jurispr. blz. I-705, punt 27), en arrest Tomaszewska (aangehaald in de vorige voetnoot, punt 24).

( 10 ) Zie arrest Tomaszewska (aangehaald in voetnoot 8, punt 27).

( 11 ) Zie punt 28 van het arrest Tomaszewska, punt 19 van het arrest Piatkowski, alsook punt 20 van het arrest Derouin (alle aangehaald in voetnoot 8).

( 12 ) Zie onder meer arresten Bastos Moriana e.a. (punt 15) en Martínez Domínguez e.a. (punt 23), (beide aangehaald in voetnoot 4).

( 13 ) Zie, naar analogie, punt 51 van mijn conclusie in zaak C-208/07, von Chamier-Glisczinski (arrest van 16 juli 2009, Jurispr. blz. I-6095).

( 14 ) Zie laatstelijk arrest van 12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak (C-611/10 en C-612/10, punt 53 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie in die zin eveneens arresten van 9 november 2006, Nemec (C-205/05, Jurispr. blz. I-10745, punten 37 en 38) en 20 mei 2008, Bosmann (C-352/06, Jurispr. blz. I-3827, punt 29).

( 15 ) Zie de arresten Bosmann (punt 30) en Hudzinski en Wawrzyniak (punt 54), beide aangehaald in de vorige voetnoot.

( 16 ) Zie arresten von Chamier-Glisczinski (aangehaald in voetnoot 13, punt 56), en Hudzinski en Wawrzyniak (aangehaald in voetnoot 14, punt 55).

( 17 ) Zie arresten van 6 maart 1979, Rossi (100/78, Jurispr. blz. 831, punt 14); 30 juni 2011, da Silva Martins (C-388/09, Jurispr. blz. I-5737, punt 75), en arrest Hudzinski en Wawrzyniak (aangehaald in voetnoot 14, punt 56).

( 18 ) Zie onder meer arresten van 4 oktober 1991, Paraschi (C-349/87, Jurispr. blz. I-4501, punt 22); 30 maart 1993, De Wit (C-282/91, Jurispr. blz. I-1221, punten 16 en 17); 9 december 1993, Lepore en Scamuffa (C-45/92 en C-46/92, Jurispr. blz. I-6497, punt 21), en 5 oktober 1994, Van Munster (C-165/91, Jurispr. blz. I-4661, punt 27). Zie ook arresten van 9 oktober 1997, Naranjo Arjona e.a. (C-31/96-C-33/96, Jurispr. blz. I-5501, punt 20); 17 december 1998, Grajera Rodríguez (C-153/97, Jurispr. blz. I-8645, punt 17), en arrest Nemec (aangehaald in voetnoot 14, punten 37 en 38).

( 19 ) Zie punt 56 van mijn conclusie in de zaak von Chamier-Glisczinski (aangehaald in voetnoot 13).

( 20 ) Het beginsel van samentelling is ingevoerd bij verordening nr. 1408/71, bijvoorbeeld in de artikelen 18, 38, 45, 64 en 67. In de nieuwe verordening nr. 883/2004 (aangehaald in voetnoot 3), is het beginsel erkend in een bepaling van algemene aard (artikel 6).

( 21 ) Zie naar analogie arrest Tomaszewska (aangehaald in voetnoot 8, punt 30), alsook arrest van 26 oktober 1995, Moscato (C-481/93, Jurispr. blz. I-3525, punt 28) en arrest Salgado Alonso (aangehaald in voetnoot 9, punt 29).

( 22 ) Als onderbouwing van haar stelling verwijst de Belgische regering mede naar artikel 15, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad, van 21 maart 1972, dat de toepassingsmodaliteiten van verordening nr. 1408/71 bepaalt, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 101/2008 van de Commissie van 4 februari 2008 (PB L 31, blz. 15). Dat artikel, dat is opgenomen in hoofdstuk I van titel IV van verordening nr. 574/72 met als opschrift „Algemene regels met betrekking tot de samentelling van tijdvakken”, zou volgens de Belgische regering het bewijs leveren voor het door haar ingenomen standpunt omdat het betrekking heeft op de „aanvulling” van tijdvakken van verzekering of van wonen die zijn vervuld onder de wetgeving van elke andere lidstaat, om tijdvakken van verzekering te „voltooien”. Evenwel moet worden vastgesteld dat dit artikel niet kan worden ingeroepen ter onderbouwing van de stelling van de Belgische regering. Uit lid 1 van dat artikel blijkt namelijk expliciet dat het van toepassing is op specifieke bepalingen van verordening nr. 1408/71 en wel op bepalingen betreffende uitkeringen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden (pensioenen), alsook bijslagen bij overlijden of werkloosheid, maar niet op bepalingen betreffende gezinsbijslagen. Onder de expliciet in dat artikel genoemde bepalingen zijn dan ook geen regels te vinden over gezinsbijslagen en met name zelfs geen enkele verwijzing naar artikel 72 en evenmin naar artikel 79 van verordening nr. 1408/71.

( 23 ) Zie arrest van 15 december 2011, Bergström (C-257/10, Jurispr. blz. I-13227, punten 39-44, in het bijzonder de punten 39 en 40).

( 24 ) Aangehaald in voetnoot 23.

( 25 ) Aangehaald in voetnoot 4.

( 26 ) Arresten van 24 april 1980, Coonan (110/79, Jurispr. blz. 1445) en 27 januari 1981, Vigier (70/80, Jurispr. blz. 229).

( 27 ) Uit dat punt blijkt namelijk expliciet dat „[b]ij de toepassing van de bepalingen van artikel 72 en van artikel 79, lid 1, sub a van de verordening rekening wordt gehouden met tijdvakken van arbeid en/of van verzekering die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, ingeval het recht op bijslag volgens de Belgische wettelijke regeling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat gedurende een bepaald voorafgaand tijdvak is voldaan aan de vereisten voor de toekenning van kinderbijslag in het kader van de werknemersregelingen”.

Top

Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

1. De in de onderhavige zaak door de Arbeidsrechtbank van Brussel, de verwijzende rechter, opgeworpen prejudiciële vraag betreft artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71(2) (hierna: „verordening nr. 1408/71”) en in het bijzonder de verwijzing in sub a van die bepaling naar artikel 72 van die verordening. Genoemde bepalingen zijn volledig herzien bij verordening (EG) nr. 883/2004(3), die verordening nr. 1408/71 per 1 mei 2010 heeft ingetrokken en vervangen. De nieuwe bepalingen zijn echter niet relevant voor deze zaak.

2. In het hoofdgeding moet de verwijzende rechter beslissen op het door verzoekster, P. Dumont de Chassart, ingestelde beroep tegen een besluit van de Belgische Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers (hierna: „RKW”), waarbij de aanvraag van verzoekster tot toekenning van gezinsbijslagen voor wezen is afgewezen. In dat kader wordt het Hof in wezen verzocht op te helderen of de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die de toepasselijke nationale regeling aanwijzen ter zake van gezinsbijslagen voor „wezen van een overleden werknemer of zelfstandige”, de mogelijkheid uitsluiten het beginsel van samentelling toe te passen en daarbij rekening te houden met tijdvakken van verzekering die door de overlevende ouder-werknemer zijn vervuld in een andere lidstaat waar het nationale recht, zoals in het onderhavige geval, toestaat rekening te houden met door die ouder vervulde tijdvakken van verzekering als grondslag van een aanvraag tot toekenning van gezinsbijslagen voor wezen.

3. Het belang van de onderhavige zaak is dat deze, anders dan bij het merendeel van de geschillen die ter zake aan het Hof zijn voorgelegd, niet een vraag betreft van cumulatie van gelijktijdig in verschillende lidstaten verschuldigde uitkeringen(4), maar draait om de interactie tussen de bepalingen van verordening nr. 1408/71 en het toepasselijke nationale recht.

I – Rechtskader

A – Unierecht

4. Artikel 72 van verordening nr. 1408/71 is opgenomen in hoofdstuk 7 van titel III, dat is gewijd aan „Gezinsuitkeringen”. Genoemd artikel heeft als opschrift „Samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid” en luidt:

„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, houdt daartoe, voor zover nodig, rekening met de op het grondgebied van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.”

5. De artikelen 78 en 79 van dezelfde verordening zijn opgenomen in hoofdstuk 8 van titel III, dat is gewijd aan „Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”.

6. Artikel 78 van de verordening, met als opschrift „Wezen”, bepaalt:

„1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ‚bijslagen’ verstaan kinderbijslagen, en eventueel aanvullende of bijzondere bijslagen voor wezen.

2. Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:

[...]

b) voor de wees van een overleden werknemer of zelfstandige die aan wettelijke regelingen van meer dan een lidstaat onderworpen was geweest:

i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a, [...]”

7. Artikel 79 van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen inzake bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”, luidt:

„1. De bijslagen in de zin van de artikelen [...], 78 [...] worden volgens de overeenkomstig deze artikelen bepaalde wettelijke regeling, door en voor rekening van het met de uitvoering van de wettelijke regeling belaste orgaan verleend, alsof [...] de overledene uitsluitend aan de wettelijke regeling van de bevoegde staat onderworpen was geweest.

Echter:

a) indien deze wettelijke regeling bepaalt dat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, wordt deze tijdsduur, eventueel met inachtneming van het in [...] artikel 72 bepaalde, vastgesteld [...];

[...]”

B – Nationaal recht

8. Artikel 56 bis, lid 1, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende kinderbijslag voor loonarbeiders (hierna: „samengeordende wetten”) bepaalt in wezen dat als begunstigde van de gezinsbijslagen voor wezen in aanmerking komt de wees wiens overleden ouder of overlevende ouder in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgaan, de voorwaarden heeft vervuld om, in de zin van genoemde samengeordende wetten, aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire (basis)bijslagen.

II – Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen

9. Verzoekster in de hoofdzaak, Dumont de Chassart, is Belgisch staatsburger en weduwe van Descampe, eveneens van Belgische nationaliteit. Het echtpaar heeft een zoon, Diego Descampe, eveneens Belgisch staatsburger, geboren in Frankrijk in 2000.

10. Het gezin was jarenlang woonachtig in Frankrijk, waar beide ouders in loondienst hebben gewerkt. Met name blijkt uit het dossier dat Dumont de Chassart van 28 september 1993 tot en met 31 augustus 2008 in Frankrijk werkzaam is geweest als psychologe bij een instelling voor kinderen. Descampe zelf heeft zowel in België (tussen 1968 en 1976 en tussen 1987 en 1998) als in Frankrijk (tot 2002) gewerkt. Vanaf 2002 heeft hij echter tot de dag van zijn overlijden op 25 april 2008 geen arbeid in loondienst meer verricht en in Frankrijk geleefd in een situatie van „vervroegd pensioen”, zonder inkomsten uit arbeid of een uitkering te genieten.

11. Enkele maanden na het overlijden van Descampe is Dumont de Chassart op 31 augustus 2008 met haar kind verhuisd naar België, waar zij na ongeveer een maand te hebben gewerkt werkloos werd.

12. Op 13 oktober 2008 heeft Dumont de Chassart een aanvraag voor gezinsbijslag voor wezen ingediend bij het RKW.

13. Ook al is haar op 9 maart 2009 respectievelijk op 6 april 2009 met terugwerkende kracht kinderbijslag alsook een aanvullende bijslag voor eenoudergezinnen toegekend, de RKW heeft de aanvraag van Dumont de Chassart om gezinsbijslag voor wezen bij besluit van 20 oktober 2009 afgewezen. De RKW heeft in haar besluit in aanmerking genomen dat de overleden vader in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgingen, niet had voldaan aan de voorwaarden om aanspraak te maken op ten minste zes forfaitaire maandelijkse bijslagen, zoals vereist in artikel 56 bis van de samengeordende wetten.

14. Op 4 februari 2010 heeft Dumont de Chassart beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarin zij die afwijzing betwistte en aanvoerde dat de RKW haar de bijslag voor wezen had moeten toekennen door de vóór het overlijden van haar echtgenoot in Frankrijk vervulde tijdvakken van verzekering in aanmerking te nemen.

15. De verwijzende rechter merkt op dat krachtens artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr. 1408/71 het recht van de lidstaat waarin het kind woont van toepassing is, en dat derhalve, per 1 september 2008, Belgisch recht van toepassing is op de situatie van Dumont de Chassart. Hij merkt op dat krachtens artikel 56 bis van de samengeordende wetten zowel de situatie van de overleden ouder als die van de overlevende ouder kan worden aangevoerd als grondslag van een aanvraag voor gezinsbijslagen voor wezen. In het onderhavige geval zou een dergelijke aanvraag echter niet op de situatie van de overleden ouder kunnen worden gebaseerd omdat deze, in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk aan het overlijden voorafgingen, niet had voldaan aan de in artikel 56 bis van de samengeordende wetten gestelde vereisten. De situatie van Dumont de Chassart daarentegen zou aan haar aanvraag ten grondslag kunnen worden gelegd voor zover de tijdvakken van in Frankrijk verrichte arbeid zouden kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van in België verrichte arbeid. Dit zou mogelijk zijn bij toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71, dat voorziet in samentelling van tijdvakken van verzekering en van arbeid, op de situatie van verzoekster.

16. Volgens de verwijzende rechter zou toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 op de situatie van Dumont de Chassart in het onderhavige geval echter zijn uitgesloten omdat artikel 79, lid 1, van de verordening, zoals is benadrukt in het besluit van de RKW, weliswaar verwijst naar dat artikel, maar uitsluitend in verband met de overleden ouder-werknemers. De ratio van de beperking van de verwijzing naar overleden ouders zou moeten worden gevonden in de omstandigheid dat het ontstaansfeit van het recht op gezinsbijslagen voor weeskinderen zou bestaan in het overlijden van de ouder. Daaruit zou volgen dat het toepassingsgebied ratione personae van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en dientengevolge van de verwijzing daarin naar artikel 72 van die verordening, restrictiever is dan dat van artikel 56 bis van de samengeordende wetten, welk artikel daarentegen ziet op de situatie van beide ouders. Dit zou in het onderhavige geval een beletsel vormen om de situatie van de nog levende ouder-werknemer in aanmerking te nemen.

17. Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af of de situatie die voortvloeit uit de interactie tussen artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 en artikel 56 bis van de samengeordende wetten geen schending inhoudt van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. Zijn twijfel betreft met name het onderscheid tussen wezen van ouders die het Belgische grondgebied nooit hebben verlaten om elders in de Unie arbeid te verrichten, en wezen wier ouders, onderdanen van de Europese Unie, in een andere lidstaat hebben gewoond waarin de nog levende ouder heeft gewerkt gedurende het volgens de Belgische regelgeving relevante tijdvak, terwijl de overleden ouder geen arbeid heeft verricht. Voor de eerstgenoemde wezen zou de overlevende ouder die tijdens het referentietijdvak in België heeft gewerkt, behalve op de tijdvakken van verzekering van de overleden ouder, tevens aanspraak kunnen maken op de eigen in België vervulde tijdvakken van verzekering, terwijl voor de laatstgenoemde wezen de methode van samentelling van tijdvakken van verzekering volgens die uitlegging die overlevende ouder niet in staat zou stellen de eigen, in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering in België te „importeren”.

18. In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Schendt artikel 79, lid 1, van verordening [...] nr. 1408/71 [...] de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals onder meer neergelegd in artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen [20 VWEU, 45 VWEU en/of 49 VWEU], wanneer het aldus wordt uitgelegd dat enkel de overleden ouder in aanmerking komt voor de in artikel 72 van verordening [...] nr. 1408/71 [...] voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, zodat artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] de overlevende ouder die gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarnaar artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] verwijst, in een ander land van de Europese Unie heeft gewerkt, ongeacht zijn staatsburgerschap – mits hij onderdaan is van een lidstaat of binnen de personele werkingssfeer van verordening [...] nr. 1408/71 [...] valt –, zou uitsluiten van de mogelijkheid bewijs te leveren dat hij het vereiste op grond waarvan hij, als begunstigde in de zin van artikel 51, lid 3, punt 1, van de [...] samengeordende wetten [...], aanspraak had kunnen maken op zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in de loop van de twaalf maanden voorafgaande aan het overlijden, heeft vervuld, terwijl de overlevende ouder die, of hij nu Belgisch staatsburger is of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, gedurende het in artikel 56 bis, lid 1, van de [...] samengeordende wetten [...] voorziene tijdvak van twaalf maanden uitsluitend in België heeft gewerkt, in voorkomende gevallen omdat hij het Belgische grondgebied nooit heeft verlaten, wel dat bewijs zou mogen leveren?”.

III – Procesverloop voor het Hof

19. De verwijzingsbeschikking is op 30 november 2011 ingeschreven ter griffie van het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Dumont de Chassart, de Belgische regering, de Raad en de Commissie.

20. Ter terechtzitting op 7 november 2012 hebben Dumont de Chassart, de Belgische regering, de Raad en de Commissie opmerkingen gemaakt.

IV – Juridische analyse

21. Met zijn prejudiciële verzoek vraagt de verwijzende rechter in wezen of artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie schendt voor zover het belet om in omstandigheden als de onderhavige, door de toepassing van de gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 uitsluitend toe te staan voor overleden ouder-werknemers, die tijdvakken voor de nog levende ouder-werknemer die in een andere lidstaat van de Unie heeft gewerkt in aanmerking te nemen ten behoeve van de toekenning van bijslagen voor wezen, ofschoon de nationale wetgeving wel toestaat de situatie van die ouder in aanmerking te nemen als grondslag van een aanvraag voor die bijslagen.

22. Alvorens over te gaan tot de analyse van de door de verwijzende rechter gestelde vragen, wil ik een door de Belgische regering opgeworpen stelling van preliminaire aard bespreken, betrekking hebbend op de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 op de onderhavige zaak.

A – De toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71

23. De Belgische regering voert preliminair aan dat Descampe al zijn werkzaamheden in april 2002 had beëindigd en op het moment van zijn overlijden in april 2008 dan ook niet meer onder enige socialezekerheidsregeling viel. Op het moment van overlijden kon hij dus niet meer worden aangemerkt als werknemer of zelfstandige in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71. Bijgevolg zouden zijn rechtverkrijgenden geen aanspraak kunnen maken op de door genoemde verordening verleende rechten.

24. Op dat punt moet ik erop wijzen dat in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, waarin de personele werkingssfeer ervan is geregeld, bepaalt dat „[d]e onderhavige verordening van toepassing is op werknemers of zelfstandigen en op studenten die onderworpen zijn of zijn geweest aan de wetgeving van een of meer lidstaten [...], alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen”(5) .

25. In de onderhavige zaak is niet in geschil dat Descampe onderdaan is van een van de lidstaten, namelijk België, en dat hij arbeid in loondienst heeft verricht in Frankrijk en in België en dus onderworpen is geweest aan de wetgeving van meer dan een lidstaat. Evenmin is in geschil dat zowel het weeskind als de echtgenote gezinsleden en nagelaten betrekkingen zijn in de zin van verordening nr. 1408/71.

26. In die omstandigheden lijdt het naar mijn oordeel geen twijfel dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is op de zaak in het hoofdgeding.

27. Ten aanzien van de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 kan ter wille van de volledigheid nog worden opgemerkt dat deze ook ratione temporis van toepassing is, omdat de aanvraag van Dumont de Chassart is ingediend in oktober 2008, dus vóór de inwerkingtreding van de nieuwe verordening nr. 883/2004, die, zoals reeds gemeld, verordening nr. 1408/71 per 1 mei 2010 heeft ingetrokken en vervangen.(6)

B – De prejudiciële vraag

28. Komende tot de analyse ten principale van de door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen wil ik allereerst opmerken dat deze in wezen een vraag betreft over de geldigheid van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 in samenhang met de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie. Daarbij moet echter tevens worden aangetekend dat de door de verwijzende rechter opgeworpen geldigheidsvraag is gebaseerd op een specifieke uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat wil zeggen de door de RKW toegepaste restrictieve uitlegging zoals genoemd in het bovenstaande punt 16, die lijkt te worden onderschreven door de verwijzende rechter. Volgens die uitlegging zou de samentelling van tijdvakken van verzekering van de nog levende ouder-werknemer in wezen zijn uitgesloten, aangezien de verwijzing in artikel 79, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 naar artikel 72 van diezelfde verordening beperkt is tot de situatie van overleden ouder-werknemers, ook indien de nationale wetgeving toestaat de situatie van de eerstgenoemde in aanmerking te nemen als grondslag van een aanvraag voor gezinsbijslagen voor wezen.

29. In dat kader moet, om een dienstig antwoord te kunnen geven op de door de verwijzende rechter gestelde vraag, worden teruggegrepen op de vaste rechtspraak over de kerndoelstellingen van verordening nr. 1408/71. Het Hof heeft namelijk herhaaldelijk bevestigd dat verordening nr. 1408/71 niet een gemeenschappelijk socialezekerheidsstelsel in het leven roept, maar de afzonderlijke nationale stelsels laat voortbestaan en er slechts toe strekt een coördinatie tussen die stelsels te waarborgen.(7) Het bij verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel is uitsluitend een coördinatiestelsel, met onder meer regels om vast te stellen welke wetgeving of wetgevingen van toepassing zijn op werknemers en zelfstandigen die, in verschillende omstandigheden, gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer.(8)

30. Overeenkomstig vaste rechtspraak blijft het echter aan de lidstaten voorbehouden om de voorwaarden voor toekenning van socialezekerheidsprestaties vast te stellen, voorwaarden die deze staten ook mogen aanscherpen, mits ze niet leiden tot enige vorm van openlijke of verkapte discriminatie tussen werknemers van de Unie.(9) Bovendien zijn de lidstaten volgens de rechtspraak gehouden om bij het bepalen van die voorwaarden het Unierecht en in het bijzonder het met verordening nr. 1408/71 nagestreefde doel alsook de beginselen die eraan ten grondslag liggen, in acht te nemen.(10)

31. Dienaangaande heeft het Hof voorts uitgemaakt dat verordening nr. 1408/71, blijkens de tweede en de vierde alinea van de considerans, ten doel heeft het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Europese Unie te verzekeren, met inachtneming van de wezenlijke kenmerken van de nationale wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid. Blijkens de vijfde, de zesde en de tiende alinea van de considerans is de verordening daartoe gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling van werknemers in het kader van de toepassing van de verschillende nationale wetgevingen en beoogt zij de gelijke behandeling van alle werknemers die op het grondgebied van een lidstaat werkzaam zijn zo goed mogelijk te waarborgen en degenen onder hen die het recht van vrij verkeer uitoefenen niet te benadelen.(11)

32. De door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vraag aangehaalde beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie vormen dan ook de kernbeginselen van verordening nr. 1408/71.

33. Bijslagen voor wezen, het onderwerp van geschil in de hoofdzaak, worden in verordening nr. 1408/71 geregeld in de artikelen 78 en 79 van hoofdstuk 8 van titel III.

34. Met betrekking tot artikel 78 van verordening nr. 1408/71 heeft het Hof herhaaldelijk bevestigd dat dit artikel is bedoeld ter bepaling van de lidstaat waarvan de wetgeving op de toekenning van bijslagen voor wezen van toepassing is, waarna die bijslagen in beginsel volgens de wetgeving van die lidstaat worden toegekend, overeenkomstig het beginsel van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat slechts de wetgeving van één lidstaat toepassing vindt. In het bijzonder blijkt uit artikel 78, lid 2, sub b-i, dat de bijslagen in kwestie, indien de overleden werknemer onderworpen is geweest aan de wetgeving van meer dan één lidstaat, worden toegekend overeenkomstig de wetgeving van de woonstaat van de wees van de overleden werknemer.(12)

35. Nadat de lidstaat is bepaald waarvan de wetgeving de toekenning van bijslagen voor wezen regelt, moeten volgens artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de bijslagen worden uitgekeerd door en ten laste van het met de uitvoering van genoemde wetgeving belaste orgaan, alsof de overledene enkel onderworpen is geweest aan de wetgeving van de bevoegde staat. Die bepaling regelt dus enerzijds welk orgaan de kosten van de uitkering van bijslagen voor wezen draagt, en anderzijds de wijze van uitvoering van de wetgeving van de bevoegde staat, die overeenkomstig bovengenoemd beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat toepassing vindt, moet worden toegepast „alsof” de overledene enkel aan die wetgeving onderworpen is geweest. Deze laatste voorziening vormt naar mijn oordeel een waarborg dat personen die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, vervolgens in het genot komen van de bepalingen van verordening nr. 1408/71. Die waarborg is erop gericht om discriminatie van die personen te voorkomen bij de concrete toepassing van de op de voet van de in artikel 78 van de verordening genoemde aanknopingsfactor bepaalde wetgeving.

36. In artikel 79, lid 1, sub a, wordt het beginsel van de toepassing van de aldus vastgestelde wetgeving „alsof” de overledene enkel daaraan onderworpen zou zijn geweest, echter afgezwakt: wanneer de betrokken nationale wetgeving het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de duur van de tijdvakken van verzekering, moet in voorkomend geval het beginsel van samentelling van de in de diverse lidstaten vervulde tijdvakken worden toegepast zoals voorzien in artikel 72 van verordening nr. 1408/71. Ook die regel vormt naar mijn oordeel een waarborg voor personen die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, dat zij daarna in het genot komen van de bepalingen van verordening nr. 1408/71. De regel heeft namelijk ten doel te waarborgen dat de toepassing van de nationale wetgeving „alsof” de overledene enkel aan die wetgeving onderworpen is geweest, niet leidt tot uitsluiting van het beginsel van samentelling, dat in artikel 48, sub a, VWEU is vastgelegd en – voor zover hier van belang – is uitgewerkt in artikel 72 van verordening nr. 1408/71.

37. In dat kader is de verwijzende rechter, klaarblijkelijk in overeenstemming met het door de RKW ingenomen standpunt, van oordeel dat de omstandigheid dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitsluitend de overleden ouder-werknemer noemt, tot gevolg heeft dat geen beroep kan worden gedaan op de verwijzing in sub a van dat lid naar artikel 72 van de verordening voor de samentelling van de door de nog levende ouder-werknemer vervulde tijdvakken van verzekering wanneer de nationale wetgeving, zoals in casu, de inaanmerkingneming van de situatie van laatstgenoemde, als grondslag van een aanvraag voor bijslagen voor wezen, toestaat.

38. Ik deel deze uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet.

39. In de eerste plaats blijkt uit het voorgaande dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 in het algemeen en die van artikel 79, lid 1, in het bijzonder geenszins de voorwaarden betreffen die moeten worden vervuld voor de toekenning van bijslagen voor wezen. Die bepalingen zijn, in overeenstemming met de functies van verordening nr. 1408/71 zoals die zijn aangegeven in de vaste rechtspraak van het Hof en vermeld in de bovenstaande punten 29 en 31, beperkt tot het geven van collisieregels die ertoe dienen de lidstaat te bepalen waarvan de wetgeving van toepassing is en waarvan het uitvoeringsorgaan de uitkeringen moet verstrekken, alsmede enkele toepassingsmodaliteiten van die nationale wetgeving te specificeren.

40. Het bepalen van de voorwaarden voor de toekenning van de bijslagen voor wezen blijft echter, gelet op de in het bovenstaande punt 30 genoemde rechtspraak, voorbehouden aan de lidstaten.

41. Naar mijn oordeel volgt dan ook reeds uit de aard van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 als collisieregels dat deze de nationale autoriteiten niet kunnen beletten om bijslagen voor wezen toe te kennen op basis van de in de nationale wetgeving voorziene voorwaarden.(13)

42. In de tweede plaats moeten de bepalingen van verordening nr. 1408/71 volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd in het licht van artikel 48 VWEU, dat wil bijdragen aan het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers.(14)

43. Op dat punt wordt in de eerste alinea van de considerans van verordening nr. 1408/71 verklaard dat de regels tot coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid die de verordening bevat, behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen en moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van die personen.(15)

44. In dat kader heeft het Hof beslist dat een uitlegging van die verordening alsof deze een lidstaat zou verbieden aan werknemers en hun gezinsleden een ruimere sociale bescherming toe te kennen dan voortvloeit uit de toepassing van de verordening, zowel het doel van verordening nr. 1408/71 miskent als de doelstellingen en het kader van artikel 48 VWEU buiten beschouwing laat.(16)

45. De wetgeving van de Unie op het gebied van de coördinatie van nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid mag, met name gelet op de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, behoudens uitdrukkelijke uitzonderingen die met die doelstellingen in overeenstemming zijn, dan ook niet aldus worden toegepast dat de migrerende werknemer of zijn rechtverkrijgenden het recht op enkel krachtens de wetgeving van een lidstaat toegekende bijslagen wordt ontnomen.(17) Het Hof heeft zich, in overeenstemming met dat beginsel, dus steeds verzet tegen een uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 die ten gevolge heeft dat werknemers door de wettelijke regeling van een lidstaat gewaarborgde voordelen op het gebied van sociale zekerheid zouden verliezen.(18)

46. Naar mijn oordeel is het in deze zaak glashelder dat een uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zoals voorgesteld door de RKW en klaarblijkelijk wordt onderschreven door de verwijzende rechter, tot gevolg heeft dat een migrerende werknemer die, zoals Dumont de Chassart, zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, een hem krachtens de toepasselijke nationale wet toegekend recht op socialezekerheidsuitkeringen verliest. Naar analogie van hetgeen ik reeds heb gesteld bij een andere gelegenheid(19) en hetgeen in de in het vorige punt 44 genoemde rechtspraak reeds is beslist, is een dergelijke uitkomst niet in overeenstemming met de geest van de verordening en met de doelen die artikel 48 VWEU nastreeft met de coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid.

47. Bovendien leidt een dergelijke uitlegging, ook al brengt deze geen discriminatie op grond van nationaliteit mee, zoals door de Belgische regering ter zitting aangevoerd, omdat de bepalingen ongeacht de nationaliteit toepasselijk zijn, tot een onrechtmatige discriminatie tussen werknemers die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend en werknemers die dat niet hebben gedaan.

48. In de derde plaats is een uitlegging van artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 die de nog levende ouder-werknemer die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend niet belet een beroep te doen op de bepalingen die voorzien in samentelling van tijdvakken van arbeid, niet alleen de enige die verenigbaar is met de doelstellingen van die verordening, maar ook trouw is aan de tekst van de bepaling.

49. Als het waar is dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 betrekking heeft op de situatie van de overledene om aan te geven hoe de krachtens artikel 78 van die verordening vastgestelde wetgeving moet worden toegepast, moet ook worden geconstateerd dat sub a van datzelfde lid, waarin de verwijzing naar het in artikel 72 opgenomen beginsel van samentelling is opgenomen, geen enkele verwijzing naar de situatie van een overleden ouder bevat. Die bepaling bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan kan worden aangenomen dat de wetgever van de Unie de toepassing van het beginsel van de samentelling wilde beperken tot enkel de overledene en dus de overlevende ouder-werknemer wilde uitsluiten, wanneer de nationale regeling voorziet in de mogelijkheid diens situatie, als grondslag van een aanvraag tot toekenning van bijslagen voor wezen, in aanmerking te nemen.

50. Dienaangaande dient ook nog te worden opgemerkt dat het beginsel van cumulatie van tijdvakken van verzekering, van wonen of van arbeid, direct is vastgelegd in het VWEU en wel in artikel 48, sub a, en in diverse bepalingen van verordening nr. 1408/71, waaronder artikel 72, is uitgewerkt.(20) Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat dit een van de fundamentele beginselen is van de coördinatie van socialezekerheidsstelsels van de lidstaten op Unieniveau, die er nu juist op is gericht om, overeenkomstig de algemene doelstellingen van verordening nr. 1408/71, te waarborgen dat de uitoefening van het door het VWEU toegekende recht van vrij verkeer niet tot gevolg heeft dat een werknemer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid verliest, waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij zijn hele loopbaan in één enkele lidstaat had vervuld. Die consequentie zou werknemers binnen de Unie kunnen ontmoedigen het recht van vrij verkeer uit te oefenen en dus een belemmering vormen voor dat vrije verkeer.(21)

51. In het licht van al deze overwegingen ben ik dan ook van oordeel dat artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet kan worden uitgelegd in die zin dat de toepassing van de in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, enkel aan een overleden ouder toekomt. Dit artikel kan derhalve niet door de nationale autoriteiten worden ingeroepen om de in hun nationale wetgeving voorziene inaanmerkingneming van verzekeringstijdvakken van een nog levende ouder die in een ander land binnen de Unie heeft gewerkt en, mits de vereisten daartoe zijn vervuld, aanspraak kan maken op de in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, uit te sluiten. In het licht van het vorenstaande schendt artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie dus niet.

52. Ten aanzien van de toepassing van het beginsel van samentelling dient ten slotte nog te worden ingegaan op de door de Belgische regering opgeworpen en tevens ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de beroepsactiviteit van een overlevende ouder-werknemer die in een andere lidstaat van de Unie heeft gewerkt, enkel in aanmerking kan worden genomen om een reeds in België aangevangen tijdvak van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid te voltooien, zodat de situatie van Dumont de Chassart, die in het jaar voorafgaande aan het overlijden van haar man uitsluitend in Frankrijk had gewerkt, in geen geval in aanmerking kan komen voor samentelling krachtens artikel 72 van verordening nr. 1408/71.(22)

53. Dienaangaande kan ik niet nalaten op te merken dat het Hof recentelijk heeft uitgemaakt dat een uitlegging van het begrip „samentelling” als bedoeld in artikel 72 van verordening nr. 1408/71, die ten minste twee in meer dan één lidstaat vervulde tijdvakken van arbeid veronderstelt, niet kan worden aanvaard. Bijgevolg mag de lidstaat van het orgaan dat bevoegd is tot toekenning van gezinsbijslag, niet voorzien in de vereiste dat een tijdvak van arbeid op zijn grondgebied moet zijn vervuld en aldus de inaanmerkingneming van één enkel, op het grondgebied van een andere lidstaat vervuld tijdvak van arbeid ter verkrijging van het recht op een socialezekerheidsuitkering uitsluiten.(23)

54. Het Hof heeft dan ook benadrukt dat de letterlijke strekking van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 vereist dat in het kader van de samentelling rekening wordt gehouden met „tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid”, alsof deze tijdvakken zijn vervuld krachtens de door het bevoegde orgaan toegepaste wettelijke regeling.

55. Bij verordening nr. 1408/71 wordt, overeenkomstig de in de bovenstaande punten 29 en 31 genoemde doelstellingen, dan ook een stelsel in het leven geroepen dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op bijslag, alsmede voor de berekening ervan, de cumulatie van „alle tijdvakken” die door de diverse nationale wetgevingen voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden in aanmerking worden genomen, verzekert.

56. Dientengevolge mag het bevoegde orgaan van een lidstaat, in casu België, voor de toekenning van een gezinsbijslag niet eisen dat boven op een in een andere lidstaat vervuld tijdvak van arbeid of werkzaamheden, in casu Frankrijk, ook nog een tijdvak van verzekering op zijn eigen grondgebied is vervuld.

57. Anders dan de Belgische regering ter zitting heeft gesteld, kan de uitlegging van het begrip „samentelling” van het Hof in het arrest Bergström(24) niet ter discussie worden gesteld, en evenmin de in punt 43 van het arrest Pérez García e.a. gegeven uitlegging(25), waaruit op geen enkele manier kan worden afgeleid dat de toepassing van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 veronderstelt dat een periode van arbeid in loondienst of van werkzaamheden als zelfstandige moet zijn vervuld op het grondgebied van de staat waarop de plicht tot toekenning van gezinsbijslag rust, en evenmin kan dat volgen uit de arresten Coonan en Vigier(26), die geenszins de toekenning van gezinsbijslagen betreffen.

58. Overigens dient ten slotte ook nog te worden opgemerkt dat een oplossing die toestaat het in artikel 72 van verordening nr. 1408/71 voorziene beginsel van samentelling ook toe te passen op de nog levende ouder, in overeenstemming is met de door België gemaakte keuze om dat beginsel nu juist toe te passen op gevallen van gezinsbijslagen. Die keuze is expliciet neergelegd in punt 7, sub A, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten”.(27)

V – Conclusie

59. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Arbeidsrechtbank van Brussel als volgt te beantwoorden:

„Artikel 79, lid 1, van verordening nr. 1408/71 schendt de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie niet, aangezien deze bepaling, in omstandigheden als de onderhavige, niet aldus kan worden uitgelegd dat de gelijkstellingsregels voor tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid in de zin van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 dienen te worden toegepast uitsluitend rekening houdend met de door de overleden ouder-werknemer vervulde tijdvakken van verzekering, en daarbij dus uitgesloten is dat rekening wordt gehouden met door de nog levende ouder, die in een ander land van de Unie heeft gewerkt, vervulde tijdvakken, wanneer de nationale wetgeving ter zake voorziet in de mogelijkheid om ook de tijdvakken van verzekering van de laatstgenoemde als grondslag van een aanvraag voor bijslagen voor wezen in aanmerking te nemen.”

(1) .

(2)  – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PB L 177, blz. 1). Dit is de titel van de geconsolideerde versie.

(3)  – Verordening nr. 1408/71 is per 1 mei 2010 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1); op dat tijdstip trad tevens in werking verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van verordening (EG) nr. 883/2004 (PB L 284, blz. 1).

(4)  – Zie, enkel als voorbeeld, arresten van 12 juni 1980, Laterza (733/79, Jurispr. blz. 1915); 24 november 1983, D’Amario (320/82, Jurispr. blz. 3811); 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a. (C-59/95, Jurispr. blz. I-1071); 24 september 2002, Martínez Domínguez e.a. (C-471/99, Jurispr. blz. I-7835), en 20 oktober 2011, Pérez García e.a. (C-225/10, Jurispr. blz. I-10111).

(5)  – Cursivering van mij. De tekst van die bepaling is uitgebreid bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72, waarbij de toepassingsmodaliteiten van verordening nr. 1408/71 zijn vastgelegd, mede gezien de uitbreiding tot studenten (PB L 38 blz. 1), middels inlassing van de woorden „aan studenten” in het eerste zinsdeel van de bepaling.

(6)  – Zie punt 1 en voetnoot 3.

(7)  – Zie onder meer arresten van 5 juli 1988, Borowitz (21/87, Jurispr. blz. 3715, punt 23); 3 april 2008, Chuck (C-331/06, Jurispr. blz. I-1957, punt 27) alsook van 21 juli 2011, Stewart (C-503/09, Jurispr. blz. I-6497, punten 75-77 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

(8)  – Zie onder meer arresten van 9 maart 2006, Piatkowski (C-493/04, Jurispr. blz. I-2369, punt 20); 18 juli 2006, Nikula (C-50/05, Jurispr. blz. I-7029, punt 20); 3 april 2008, Derouin (C-103/06, Jurispr. blz. I-1853, punt 20), en 3 maart 2011, Tomaszewska (C-440/09, Jurispr. blz. I-1033, punt 25).

(9)  – Zie onder meer arresten van 20 september 1994, Drake (C-12/93, Jurispr. blz. I-4337, punt 27); 20 februari 1997, Martínez Losada e.a. (C-88/95, C-102/95 en C-103/95, Jurispr. blz. I-869, punt 43); 20 januari 2005, Salgado Alonso (C-306/03, Jurispr. blz. I-705, punt 27), en arrest Tomaszewska (aangehaald in de vorige voetnoot, punt 24).

(10)  – Zie arrest Tomaszewska (aangehaald in voetnoot 8, punt 27).

(11)  – Zie punt 28 van het arrest Tomaszewska, punt 19 van het arrest Piatkowski, alsook punt 20 van het arrest Derouin (alle aangehaald in voetnoot 8).

(12)  – Zie onder meer arresten Bastos Moriana e.a. (punt 15) en Martínez Domínguez e.a. (punt 23), (beide aangehaald in voetnoot 4).

(13)  – Zie, naar analogie, punt 51 van mijn conclusie in zaak C-208/07, von Chamier-Glisczinski (arrest van 16 juli 2009, Jurispr. blz. I-6095).

(14)  – Zie laatstelijk arrest van 12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak (C-611/10 en C-612/10, punt 53 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie in die zin eveneens arresten van 9 november 2006, Nemec (C-205/05, Jurispr. blz. I-10745, punten 37 en 38) en 20 mei 2008, Bosmann (C-352/06, Jurispr. blz. I-3827, punt 29).

(15)  – Zie de arresten Bosmann (punt 30) en Hudzinski en Wawrzyniak (punt 54), beide aangehaald in de vorige voetnoot.

(16)  – Zie arresten von Chamier-Glisczinski (aangehaald in voetnoot 13, punt 56), en Hudzinski en Wawrzyniak (aangehaald in voetnoot 14, punt 55).

(17)  – Zie arresten van 6 maart 1979, Rossi (100/78, Jurispr. blz. 831, punt 14); 30 juni 2011, da Silva Martins (C-388/09, Jurispr. blz. I-5737, punt 75), en arrest Hudzinski en Wawrzyniak (aangehaald in voetnoot 14, punt 56).

(18)  – Zie onder meer arresten van 4 oktober 1991, Paraschi (C-349/87, Jurispr. blz. I-4501, punt 22); 30 maart 1993, De Wit (C-282/91, Jurispr. blz. I-1221, punten 16 en 17); 9 december 1993, Lepore en Scamuffa (C-45/92 en C-46/92, Jurispr. blz. I-6497, punt 21), en 5 oktober 1994, Van Munster (C-165/91, Jurispr. blz. I-4661, punt 27). Zie ook arresten van 9 oktober 1997, Naranjo Arjona e.a. (C-31/96–C-33/96, Jurispr. blz. I-5501, punt 20); 17 december 1998, Grajera Rodríguez (C-153/97, Jurispr. blz. I-8645, punt 17), en arrest Nemec (aangehaald in voetnoot 14, punten 37 en 38).

(19)  – Zie punt 56 van mijn conclusie in de zaak von Chamier-Glisczinski (aangehaald in voetnoot 13).

(20)  – Het beginsel van samentelling is ingevoerd bij verordening nr. 1408/71, bijvoorbeeld in de artikelen 18, 38, 45, 64 en 67. In de nieuwe verordening nr. 883/2004 (aangehaald in voetnoot 3), is het beginsel erkend in een bepaling van algemene aard (artikel 6).

(21)  – Zie naar analogie arrest Tomaszewska (aangehaald in voetnoot 8, punt 30), alsook arrest van 26 oktober 1995, Moscato (C-481/93, Jurispr. blz. I-3525, punt 28) en arrest Salgado Alonso (aangehaald in voetnoot 9, punt 29).

(22)  – Als onderbouwing van haar stelling verwijst de Belgische regering mede naar artikel 15, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad, van 21 maart 1972, dat de toepassingsmodaliteiten van verordening nr. 1408/71 bepaalt, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 101/2008 van de Commissie van 4 februari 2008 (PB L 31, blz. 15). Dat artikel, dat is opgenomen in hoofdstuk I van titel IV van verordening nr. 574/72 met als opschrift „Algemene regels met betrekking tot de samentelling van tijdvakken”, zou volgens de Belgische regering het bewijs leveren voor het door haar ingenomen standpunt omdat het betrekking heeft op de „aanvulling” van tijdvakken van verzekering of van wonen die zijn vervuld onder de wetgeving van elke andere lidstaat, om tijdvakken van verzekering te „voltooien”. Evenwel moet worden vastgesteld dat dit artikel niet kan worden ingeroepen ter onderbouwing van de stelling van de Belgische regering. Uit lid 1 van dat artikel blijkt namelijk expliciet dat het van toepassing is op specifieke bepalingen van verordening nr. 1408/71 en wel op bepalingen betreffende uitkeringen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden (pensioenen), alsook bijslagen bij overlijden of werkloosheid, maar niet op bepalingen betreffende gezinsbijslagen. Onder de expliciet in dat artikel genoemde bepalingen zijn dan ook geen regels te vinden over gezinsbijslagen en met name zelfs geen enkele verwijzing naar artikel 72 en evenmin naar artikel 79 van verordening nr. 1408/71.

(23)  – Zie arrest van 15 december 2011, Bergström (C-257/10, Jurispr. blz. I-13227, punten 39-44, in het bijzonder de punten 39 en 40).

(24)  – Aangehaald in voetnoot 23.

(25)  – Aangehaald in voetnoot 4.

(26)  – Arresten van 24 april 1980, Coonan (110/79, Jurispr. blz. 1445) en 27 januari 1981, Vigier (70/80, Jurispr. blz. 229).

(27)  – Uit dat punt blijkt namelijk expliciet dat „[b]ij de toepassing van de bepalingen van artikel 72 en van artikel 79, lid 1, sub a van de verordening rekening wordt gehouden met tijdvakken van arbeid en/of van verzekering die krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, ingeval het recht op bijslag volgens de Belgische wettelijke regeling afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat gedurende een bepaald voorafgaand tijdvak is voldaan aan de vereisten voor de toekenning van kinderbijslag in het kader van de werknemersregelingen”.

Top