EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012R1078

Verordening (EU) nr. 1078/2012 van de Commissie van 16 november 2012 betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor de controle die moet worden uitgevoerd door met onderhoud belaste entiteiten alsmede door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders nadat zij een veiligheidscertificaat of veiligheidsvergunning hebben ontvangen Voor de EER relevante tekst

OJ L 320, 17.11.2012, p. 8–13 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 026 P. 51 - 56

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1078/oj

17.11.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 320/8


VERORDENING (EU) Nr. 1078/2012 VAN DE COMMISSIE

van 16 november 2012

betreffende een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor de controle die moet worden uitgevoerd door met onderhoud belaste entiteiten alsmede door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders nadat zij een veiligheidscertificaat of veiligheidsvergunning hebben ontvangen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering („Spoorwegveiligheidsrichtlijn”) (1), en met name artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie dient de tweede reeks gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (GVM), met inbegrip van minstens de in artikel 6, lid 3, onder c), van Richtlijn 2004/49/EG bedoelde methoden, vast te stellen op basis van een aanbeveling van het Europees Spoorwegbureau („het Bureau”).

(2)

Op 5 oktober 2009 heeft de Commissie het Bureau overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG de opdracht gegeven een ontwerp-GVM op te stellen om te controleren of structurele subsystemen conform de relevante essentiële eisen worden geëxploiteerd en onderhouden. In de GVM moeten de methoden worden vastgesteld die moeten worden gebruikt om te controleren of enerzijds de structurele subsystemen (waaronder exploitatie en verkeersleiding) overeenkomstig alle essentiële veiligheidseisen worden geëxploiteerd en onderhouden en of anderzijds de subsystemen en de integratie daarvan in de systemen tijdens de exploitatie en het onderhoud aan de veiligheidseisen blijven beantwoorden. Overeenkomstig de opdracht van de Commissie heeft het Bureau een aanbeveling betreffende de GVM, onderbouwd met een effectbeoordelingsrapport, ingediend bij de Commissie. Deze verordening is gebaseerd op de aanbeveling van het Bureau.

(3)

Met het oog op een veilige integratie, exploitatie en een veilig onderhoud van de structurele subsystemen binnen het spoorwegsysteem en teneinde te waarborgen dat tijdens de exploitatie aan alle essentiële eisen wordt voldaan, moeten in de veiligheidsbeheersystemen van spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders en de onderhoudssystemen van met onderhoud belaste entiteiten alle noodzakelijke regelingen worden opgenomen, met inbegrip van processen, procedures, technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen. Bijgevolg moet de controle op de correcte toepassing en de doelmatigheid van de veiligheidsbeheersystemen van spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders alsmede van de systemen van met onderhoud belaste entiteiten ook de eisen voor de structurele subsystemen in hun operationele context bestrijken.

(4)

Deze verordening moet het mogelijk maken de veiligheid van het spoorwegsysteem tijdens de exploitatie en het onderhoud op doeltreffende wijze te beheren en, waar nodig en redelijkerwijs haalbaar, het beheersysteem te verbeteren.

(5)

Deze verordening moet het mogelijk maken tekortkomingen bij de toepassing van het beheersysteem, die tot ongevallen, incidenten, bijna-ongevallen of andere gevaarlijke situaties kunnen leiden, in een zo vroeg mogelijk stadium aan het licht te brengen. Om deze tijdens de exploitatie en het onderhoud vastgestelde tekortkomingen te beheren, moet een gestandaardiseerd proces voor controleactiviteiten worden toegepast. Dat gestandaardiseerde proces moet met name worden gebruikt om te controleren of de veiligheidsbeheersystemen van spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders en het onderhoudssysteem van met onderhoud belaste entiteiten de verwachte resultaten opleveren.

(6)

Met het oog op een veilige exploitatie, ook op specifieke netwerken, dienen de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders toe te zien op de correcte toepassing en de resultaten van de regelingen die zij in het kader van hun veiligheidsbeheersystemen hebben ontwikkeld.

(7)

Deze verordening moet de toegang tot de markt voor spoorvervoersdiensten vergemakkelijken middels de standaardisering van het controleproces om ervoor te zorgen dat het spoorwegsysteem systematisch de beoogde veiligheidsprestaties levert. Bovendien moet deze verordening het wederzijds vertrouwen en de transparantie tussen de lidstaten bevorderen dankzij een gestandaardiseerde uitwisseling van veiligheidsinformatie tussen de verschillende actoren van de spoorwegsector met het oog op het beheer van de veiligheid van de verschillende interfaces in deze sector en de standaardisering van de resultaten van de toepassing van het controleproces.

(8)

Om aan de Commissie verslag uit te brengen over de doelmatigheid van de toepassing van deze verordening, en indien van toepassing, aanbevelingen te formuleren om deze te verbeteren, moet het Bureau de mogelijkheid krijgen relevante informatie van de verschillende betrokken actoren te verzamelen, onder meer bij nationale veiligheidsinstanties, instanties voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten en met onderhoud belaste entiteiten die niet tot het toepassingsgebied behoren van Verordening (EU) nr. 445/2011 van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten (2).

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening voorziet in een gemeenschappelijke veiligheidsmethode (GVM) voor controle, die een doelmatig veiligheidsbeheer van het spoorwegsysteem tijdens de exploitatie en het onderhoud mogelijk maakt en waarmee het beheersysteem indien nodig kan worden verbeterd.

2.   Deze verordening wordt toegepast om:

a)

de correcte toepassing en de doelmatigheid van alle processen en procedures in het beheersysteem te controleren, met inbegrip van de technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen. Bij spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders heeft de controle onder meer betrekking op de technische operationele en organisatorische elementen die vereist zijn voor de afgifte van het certificaat/de vergunning als bedoeld in artikel 10, lid 2, onder a), en artikel 11, lid 1, onder a), van Richtlijn 2004/49/EG en de op grond van artikel 10, lid 2, onder b), en artikel 11, lid 1, onder b), van die richtlijn met het oog op het behalen van dat certificaat/die vergunning getroffen voorzieningen;

b)

te controleren of het beheersysteem als geheel correct wordt toegepast en of het de verwachte resultaten oplevert, en

c)

passende preventieve, corrigerende of een combinatie van beide soorten maatregelen vast te stellen en te implementeren indien relevante tekortkomingen ten aanzien van de punten a) en b) worden geconstateerd.

3.   Deze verordening is van toepassing op met onderhoud belaste entiteiten en, na de afgifte van een veiligheidscertificaat of een veiligheidsvergunning, op spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de in artikel 3 van Richtlijn 2004/49/EG vastgestelde definities:

Daarnaast gelden de volgende definities:

a)   „beheersysteem”: hetzij de veiligheidsbeheersystemen van de spoorwegondernemingen of infrastructuurbeheerders die zijn gedefinieerd in artikel 3, onder i), van Richtlijn 2004/49/EG en die in overeenstemming zijn met de eisen van artikel 9 en bijlage III van die richtlijn, hetzij de onderhoudssystemen van met onderhoud belaste entiteiten die in overeenstemming zijn met de eisen van artikel 14, onder a), punt 3), van die richtlijn;

b)   „controle”: de door spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders of met onderhoud belaste entiteiten ingestelde regelingen om te controleren of hun beheersysteem doeltreffend is en correct wordt toegepast;

c)   „interfaces”: interfaces als gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van Verordening (EG) nr. 352/2009 van de Commissie (3).

Artikel 3

Controleproces

1.   Elke spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder en met onderhoud belaste entiteit:

a)

is verantwoordelijk voor de uitvoering van het in de bijlage uiteengezette controleproces;

b)

waarborgt dat op de door hun contractanten toegepaste risicobeheersingsmaatregelen eveneens controle wordt uitgeoefend overeenkomstig deze verordening. Daartoe passen zij het in de bijlage uiteengezette controleproces toe of eisen zij via contractuele bepalingen de toepassing daarvan door hun contractanten.

2.   Het controleproces omvat de volgende activiteiten:

a)

de bepaling van een strategie, de prioriteiten en het/de controleplan(nen);

b)

de verzameling en analyse van informatie;

c)

de opstelling van een actieplan voor gevallen van onaanvaardbare inbreuken op de in het beheersysteem vastgestelde eisen;

d)

de tenuitvoerlegging van het actieplan indien een dergelijk plan is opgesteld;

e)

de beoordeling van de doelmatigheid van de maatregelen uit het actieplan indien een dergelijk plan is opgesteld.

Artikel 4

Uitwisseling van informatie tussen de betrokken actoren

1.   Spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en met onderhoud belaste entiteiten, met inbegrip van hun contractanten, waarborgen via contractuele regelingen dat alle relevante veiligheidsinformatie die uit de toepassing van het in de bijlage uiteengezette controleproces voortvloeit, onderling wordt uitgewisseld teneinde de andere partij in staat te stellen de nodige corrigerende maatregelen te treffen om de veiligheidsprestaties van het spoorwegsysteem systematisch te handhaven.

2.   Wanneer spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en met onderhoud belaste entiteiten door de toepassing van het controleproces constateren dat defecten en constructieafwijkingen of storingen van technische uitrusting, ook van structurele subsystemen, een veiligheidsrisico vormen, stellen zij de andere betrokken partijen daarvan in kennis zodat zij alle nodige corrigerende maatregelen kunnen treffen om de veiligheidsprestaties van het spoorwegsysteem systematisch te handhaven.

Artikel 5

Verslaggeving

1.   De infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen brengen bij de nationale veiligheidsinstantie verslag uit over de toepassing van deze verordening via hun jaarlijks veiligheidsrapport overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2004/49/EG.

2.   De nationale veiligheidsinstantie stelt overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2004/49/EG een verslag op over de toepassing van deze verordening door de spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en, voor zover zij over de nodige informatie beschikt, de met onderhoud belaste entiteiten.

3.   In het jaarlijks onderhoudsverslag van met het onderhoud van goederenwagons belaste entiteiten als bedoeld in punt I.7.4, onder k), van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 445/2011 wordt informatie opgenomen over hun ervaringen met de toepassing van deze verordening. Het Bureau verzamelt deze informatie in overleg met de verschillende certificeringsinstanties.

4.   De andere met onderhoud belaste entiteiten die niet onder Verordening (EU) nr. 445/2011 vallen, stellen het Bureau in kennis van hun ervaringen met de toepassing van deze verordening. Het Bureau coördineert de uitwisseling van ervaringen met deze met onderhoud belaste entiteiten.

5.   Het Bureau verzamelt alle informatie over de ervaringen met de toepassing van deze verordening en formuleert indien nodig aanbevelingen aan de Commissie om de verordening te verbeteren.

6.   De nationale veiligheidsinstanties verlenen het Bureau ondersteuning bij het verzamelen van die informatie bij spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders.

7.   Het Bureau dient uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie een verslag in met een analyse van de doelmatigheid van de methode en de ervaringen van spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en met onderhoud belaste entiteiten met de toepassing van deze verordening.

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 7 juni 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 november 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44.

(2)  PB L 122 van 11.5.2011, blz. 22.

(3)  PB L 108 van 29.4.2009, blz. 4.


BIJLAGE

HET CONTROLEPROCES

1.   Algemeen

1.1.

De input voor het controleproces zijn alle processen en procedures van het beheersysteem, met inbegrip van de technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen.

1.2.

De in artikel 3, lid 2, bedoelde activiteiten van het controleproces zijn beschreven in de punten 2 tot en met 6.

1.3.

Het controleproces is een zich herhalend en iteratief proces, zoals aangegeven in de figuur in het aanhangsel.

2.   De bepaling van een strategie, de prioriteiten en het/de controleplan(nen)

2.1.

Op basis van hun beheersystemen dient elke spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder en met onderhoud belaste entiteit zijn of haar strategie, prioriteiten en controleplan(nen) vast te stellen.

2.2.

Bij de bepaling van de prioriteiten moet rekening worden gehouden met informatie over gebieden waar de grootste risico’s bestaan en die, indien ze niet afdoende worden gecontroleerd, de veiligheid in het gedrang kunnen brengen. De controleactiviteiten moeten worden gerangschikt naar prioriteit en de benodigde tijd, inspanning en middelen moeten worden vermeld. Bij de bepaling van de prioriteiten wordt rekening gehouden met de resultaten van het controleproces uit het verleden.

2.3.

Het controleproces dient tekortkomingen bij de toepassing van het beheersysteem die tot ongevallen, incidenten, bijna-ongevallen of andere gevaarlijke situaties kunnen leiden, in een zo vroeg mogelijk stadium aan het licht te brengen. Op basis van dat proces moeten maatregelen worden genomen om die tekortkomingen weg te werken.

2.4.

In de controlestrategie en -plannen worden kwantitatieve of kwalitatieve indicatoren, dan wel een combinatie van beide, opgenomen die:

a)

een afwijking van de verwachte resultaten in een vroeg stadium aan het licht brengen of verzekeren dat de verwachte resultaten overeenkomstig de planning worden gehaald;

b)

informatie verschaffen over ongewenste resultaten;

c)

de besluitvorming ondersteunen.

3.   Verzamelen en analyse van informatie

3.1.

De informatie wordt verzameld en geanalyseerd overeenkomstig de vastgestelde controlestrategie, -prioriteiten en -plan(nen).

3.2.

Voor elke gedefinieerde indicator als bedoeld in punt 2.4 worden de volgende acties ondernomen:

a)

verzamelen van de nodige informatie;

b)

beoordelen of de processen, procedures, technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen correct ten uitvoer worden gelegd;

c)

controleren of de processen, procedures, technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen doelmatig zijn en of zij de verwachte resultaten opleveren;

d)

evalueren of het beheersysteem als geheel correct wordt toegepast en of het de verwachte resultaten oplevert;

e)

analyseren en evalueren van de bij de punten b), c) en d) geconstateerde tekortkomingen en de oorzaken daarvan bepalen.

4.   Opstelling van een actieplan

4.1.

Wanneer onaanvaardbare tekortkomingen worden vastgesteld, wordt een actieplan opgesteld. Dat plan zorgt voor:

a)

de handhaving van de correcte tenuitvoerlegging van de vastgestelde processen, procedures, technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen, of

b)

de verbetering van de bestaande processen, procedures, technische, operationele en organisatorische risicobeheersingsmaatregelen, of

c)

de vaststelling en invoering van aanvullende risicobeheersingsmaatregelen.

4.2.

In het actieplan wordt met name de volgende informatie opgenomen:

a)

de doelstellingen en verwachte resultaten;

b)

de vereiste corrigerende, preventieve maatregelen of een combinatie van beide;

c)

de met de uitvoering van de acties belaste personen;

d)

de termijnen waarbinnen de acties moeten worden uitgevoerd;

e)

de persoon die belast is met de beoordeling van de doelmatigheid van de maatregelen uit het actieplan overeenkomstig punt 6;

f)

een beoordeling van de impact van het actieplan op de controlestrategie, -prioriteiten en plannen.

4.3.

Voor het beheer van de veiligheid bij de interfaces bepaalt de spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder of de met onderhoud belaste entiteit in overleg met de andere betrokken actoren wie belast wordt met de uitvoering van het vereiste actieplan of onderdelen daarvan.

5.   Uitvoering van het actieplan

5.1.

Het in punt 4 gedefinieerde actieplan wordt op dusdanige wijze uitgevoerd dat geconstateerde tekortkomingen worden weggewerkt.

6.   Evaluatie van de doelmatigheid van de maatregelen uit het actieplan

6.1.

De correcte tenuitvoerlegging, geschiktheid en doelmatigheid van de in het actieplan vastgestelde maatregelen wordt gecontroleerd aan de hand van het in deze bijlage beschreven controleproces.

6.2.

De evaluatie van de doelmatigheid van het actieplan omvat de volgende acties:

a)

nagaan of het actieplan correct is uitgevoerd en binnen de termijn is voltooid;

b)

nagaan of de verwachte resultaten zijn bereikt;

c)

nagaan of de aanvankelijke uitgangspunten nog steeds van toepassing zijn en of de in het actieplan vastgestelde risicobeheersingsmaatregelen nog steeds afgestemd zijn op de specifieke omstandigheden;

d)

nagaan of er behoefte is aan andere risicobeheersingsmaatregelen.

7.   Documentatie van de toepassing van het controleproces

7.1.

Het controleproces wordt gedocumenteerd om te bewijzen dat het correct is toegepast. Deze documentatie is in de eerste plaats bestemd voor de interne beoordeling. Op verzoek:

a)

stellen de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders deze documentatie ter beschikking van de nationale veiligheidsinstantie;

b)

stellen de met onderhoud belaste entiteiten deze documentatie ter beschikking van de certificeringsinstantie. Indien de interfaces via contracten worden beheerd, stellen de met onderhoud belaste entiteiten deze documentatie ter beschikking aan de betrokken spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders.

7.2.

In de overeenkomstig punt 7.1 opgestelde documentatie wordt met name het volgende opgenomen:

a)

een beschrijving van de organisatie en de met de uitvoering van het controleproces belaste personeelsleden;

b)

de resultaten van de verschillende in artikel 3, lid 2, opgesomde activiteiten van het controleproces en met name de genomen besluiten;

c)

wanneer onaanvaardbare geconstateerde worden geconstateerd, een lijst van alle maatregelen die moeten worden genomen om het vereiste resultaat te bereiken.

Aanhangsel

Kader voor het controleproces

Image


Top