EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02007R1234-20131231

Consolidated text: Verordening (EG) n r. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ( Integrale-GMO-verordening )

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2007/1234/2013-12-31

02007R1234 — NL — 31.12.2013 — 015.005


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1234/2007 VAN DE RAAD

van 22 oktober 2007

houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)

(PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 247/2008 VAN DE RAAD van 17 maart 2008

  L 76

1

19.3.2008

 M2

VERORDENING (EG) Nr. 248/2008 VAN DE RAAD van 17 maart 2008

  L 76

6

19.3.2008

►M3

VERORDENING (EG) Nr. 361/2008 VAN DE RAAD van 14 april 2008

  L 121

1

7.5.2008

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 470/2008 VAN DE RAAD van 26 mei 2008

  L 140

1

30.5.2008

 M5

VERORDENING (EG) Nr. 510/2008 VAN DE COMMISSIE van 6 juni 2008

  L 149

61

7.6.2008

►M6

VERORDENING (EG) Nr. 13/2009 VAN DE RAAD van 18 december 2008

  L 5

1

9.1.2009

►M7

VERORDENING (EG) Nr. 72/2009 VAN DE RAAD van 19 januari 2009

  L 30

1

31.1.2009

 M8

VERORDENING (EG) Nr. 183/2009 VAN DE COMMISSIE van 6 maart 2009

  L 63

9

7.3.2009

►M9

VERORDENING (EG) Nr. 435/2009 VAN DE COMMISSIE van 26 mei 2009

  L 128

12

27.5.2009

►M10

VERORDENING (EG) Nr. 491/2009 VAN DE RAAD van 25 mei 2009

  L 154

1

17.6.2009

►M11

VERORDENING (EG) Nr. 1047/2009 VAN DE RAAD van 19 oktober 2009

  L 290

1

6.11.2009

►M12

VERORDENING (EG) Nr. 1140/2009 VAN DE RAAD van 20 november 2009

  L 312

4

27.11.2009

 M13

VERORDENING (EU) Nr. 513/2010 VAN DE COMMISSIE van 15 juni 2010

  L 150

40

16.6.2010

►M14

VERORDENING (EU) Nr. 1234/2010 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 december 2010

  L 346

11

30.12.2010

►M15

VERORDENING (EU) Nr. 121/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 februari 2012

  L 44

1

16.2.2012

►M16

VERORDENING (EU) Nr. 261/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 maart 2012

  L 94

38

30.3.2012

►M17

VERORDENING (EU) Nr. 1028/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 25 oktober 2012

  L 316

41

14.11.2012

►M18

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 52/2013 VAN DE COMMISSIE van 22 januari 2013

  L 20

44

23.1.2013

►M19

VERORDENING (EU) Nr. 517/2013 VAN DE RAAD van 13 mei 2013

  L 158

1

10.6.2013


Gewijzigd bij:

►A1

VERDRAGTUSSEN BETREFFENDE DE TOETREDING VAN DE REPUBLIEK KROATIË TOT DE EUROPESE UNIE

  L 112

21

24.4.2012


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 155, 13.6.2008, blz.  28 (1234/2007)

►C2

Rectificatie, PB L 026, 30.1.2009, blz.  6 (361/2008)

►C3

Rectificatie, PB L 037, 6.2.2009, blz.  14 (1234/2007)

►C4

Rectificatie, PB L 230, 2.9.2009, blz.  6 (72/2009)

►C5

Rectificatie, PB L 220, 21.8.2010, blz.  76 (72/2009)

►C6

Rectificatie, PB L 327, 11.12.2010, blz.  79 (1234/2007)

►C7

Rectificatie, PB L 071, 18.3.2011, blz.  32 (1047/2009)

►C8

Rectificatie, PB L 313, 26.11.2011, blz.  47 (491/2009)

►C9

Rectificatie, PB L 056, 28.2.2013, blz.  16 (261/2012)

►C10

Rectificatie, PB L 097, 6.4.2013, blz.  4 (1234/2007)




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1234/2007 VAN DE RAAD

van 22 oktober 2007

houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)



INHOUDSOPGAVE

DEEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

DEEL II

INTERNE MARKT

TITEL I

MARKTINTERVENTIE

HOOFDSTUK I

Openbare interventie en particuliere opslag

Sectie I

Algemene bepalingen

Sectie II

Openbare interventie

Subsectie I

Algemene bepalingen

Subsectie II

Opening van de interventieaankoop

Subsectie III

Interventieprijs

Subsectie IV

Afzet uit interventievoorraden

Sectie III

Particuliere opslag

Subsectie I

Verplichte steun

Subsectie II

Facultatieve steun

Sectie IV

Gemeenschappelijke bepalingen

HOOFDSTUK II

Bijzondere interventiemaatregelen

Sectie I

Buitengewone marktondersteunende maatregelen

Sectie II

Maatregelen in de sectoren granen en rijst

Sectie III

Maatregelen in de suikersector

Sectie IV

Aanpassing van het aanbod

HOOFDSTUK III

Productiebeperkingssystemen

Sectie I

Algemene bepalingen

Sectie II

Suiker

Subsectie I

Toekenning en beheer van quota

Subsectie II

Quotumoverschrijding

Sectie III

Melk

Subsectie I

Algemene bepalingen

Subsectie II

Toewijzing en beheer van quota

Subsectie III

Quotumoverschrijding

Sectie III bis

Quota voor aardappelzetmeel

Sectie IV

Procedurebepalingen voor suiker- en melkquota

Sectie IV bis

Productiepotentieel in de wijnsector

Subsectie I

Onrechtmatige aanplant

Subsectie II

Overgangsregeling inzake aanplantrechten

Subsectie III

Rooiregeling

HOOFDSTUK IV

Steunregelingen

Sectie I

Verwerkingssteun

Subsectie I

Gedroogde voedergewassen

Subsectie II

Vezelvlas en -hennep

Subsectie III

Aardappelzetmeel

Sectie II

Productierestitutie

Sectie III

Steun in de sector melk en zuivelproducten

Sectie III bis

Steun in de sector hop

Sectie IV

Steun in de sector olijfolie en tafelolijven

Sectie IV bis

Steun in de sector groenten en fruit

Subsectie I

Producentengroeperingen

Subsectie II

Actiefondsen en operationele programma's

Subsectie II bis

Schoolfruitregeling

Subsectie III

Procedurele bepalingen

Sectie IV ter

Steunprogramma’s in de wijnsector

Subsectie I

Inleidende bepalingen

Subsectie II

Indiening en inhoud van de steunprogramma’s

Subsectie III

Specifieke steunmaatregelen

Subsectie IV

Procedurebepalingen

Sectie V

Communautair fonds voor tabak

Sectie VI

Bijzondere bepalingen voor de bijenteeltsector

Sectie VII

Steun in de sector zijderupsen

TITEL II

PRODUCTIE- EN AFZETVOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK I

Productie- en afzetvoorschriften

Sectie I

Afzetvoorschriften

Sectie I bis

Oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen in de wijnsector

Subsectie I

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

Subsectie II

Traditionele aanduidingen

Sectie I ter

Etikettering en presentatie in de wijnsector

Sectie II

Productievoorschriften

Sectie II bis

Productievoorschriften in de wijnsector

Subsectie I

Wijndruivenrassen

Subsectie II

Oenologische procedés en beperkingen

Sectie III

Procedurebepalingen

HOOFDSTUK II

Producentenorganisaties, brancheorganisaties en organisaties van marktdeelnemers

Sectie I

Algemene beginselen

Sectie I bis

Voorschriften voor producentenorganisaties, brancheorganisaties en producentengroeperingen in de sector groenten en fruit

Subsectie I

Statuten en erkenning van producentenorganisaties

Subsectie II

Unies van producentenorganisaties — Producentengroeperingen

Subsectie III

Uitbreiding van de voorschriften tot producenten van een economische regio

Subsectie IV

Brancheorganisaties in de sector groenten en fruit

Sectie I ter

Voorschriften voor producentenorganisaties en brancheorganisaties in de wijnsector

Sectie II

Voorschriften inzake brancheorganisaties in de tabakssector

Sectie II bis

Voorschriften inzake producentenorganisaties en brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

Sectie III

Procedurebepalingen

DEEL III

HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

HOOFDSTUK II

Invoer

Sectie I

Invoercertificaten

Sectie II

Invoerrechten en -heffingen

Sectie III

Beheer van invoercontingenten

Sectie IV

Bijzondere bepalingen voor bepaalde producten

Subsectie I

Bijzondere bepalingen voor de invoer met betrekking tot de sectoren granen en rijst

Subsectie II

Preferentiële invoerregelingen voor suiker

Subsectie III

Bijzondere bepalingen voor de invoer van hennep

Subsectie IV

Bijzondere bepalingen voor de invoer van hop

Subsectie V

Bijzondere bepalingen voor de invoer van wijn

Sectie V

Vrijwaring en actieve veredeling

HOOFDSTUK III

Uitvoer

Sectie I

Uitvoercertificaten

Sectie II

Uitvoerrestituties

Sectie III

Beheer van uitvoercontingenten in de sector melk en zuivelproducten

Sectie IV

Speciale behandeling bij invoer in een derde land

Sectie V

Bijzondere bepalingen voor levende planten

Sectie VI

Passieve veredeling

DEEL IV

MEDEDINGINGSREGELS

HOOFDSTUK I

Regels voor ondernemingen

HOOFDSTUK II

Regels inzake staatssteun

DEEL V

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR AFZONDERLIJKE SECTOREN

DEEL VI

ALGEMENE BEPALINGEN

DEEL VII

UITVOERINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Uitvoeringsbepalingen

HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

BIJLAGE I

LIJST VAN IN ARTIKEL 1, LID 1, GENOEMDE PRODUCTEN

Deel I:

Granen

Deel II:

Rijst

Deel III:

Suiker

Deel IV:

Gedroogde voedergewassen

Deel V:

Zaaizaad

Deel VI:

Hop

Deel VII:

Sector olijfolie en tafelolijven

Deel VIII:

Vezelvlas en -hennep

Deel IX:

Groenten en fruit

Deel X:

Verwerkte groenten en fruit

Deel XI:

Bananen

Deel XII:

Wijn

Deel XIII:

Levende planten en producten van de bloementeelt

Deel XIV:

Ruwe tabak

Deel XV:

Rundvlees

Deel XVI:

Melk en zuivelproducten

Deel XVII:

Varkensvlees

Deel XVIII:

Schapen- en geitenvlees

Deel XIX:

Eieren

Deel XX:

Slachtpluimvee

Deel XXI:

Andere producten

BIJLAGE II

LIJST VAN IN ARTIKEL 1, LID 3, GENOEMDE PRODUCTEN

Deel I:

Ethylalcohol uit landbouwproducten

Deel II:

Producten van de bijenteelt

Deel III:

Zijderupsen

BIJLAGE III

IN ARTIKEL 2, LID 1, BEDOELDE DEFINITIES

Deel I:

Definities met betrekking tot de rijstsector

Deel II:

Definities met betrekking tot de suikersector

Deel III:

Definities met betrekking tot de hopsector

Deel III bis:

Definities met betrekking tot de wijnsector

Deel IV:

Definities met betrekking tot de rundvleessector

Deel V:

Definities betreffende de sector melk en zuivelproducten

Deel VI:

Definities met betrekking tot de eiersector

Deel VII:

Definities met betrekking tot de sector vlees van pluimvee

Deel VIII:

Definities met betrekking tot de bijenteeltsector

BIJLAGE IV

STANDAARDKWALITEIT VAN RIJST EN SUIKER

A.

Standaardkwaliteit van padie

B.

Standaardkwaliteit van suiker

BIJLAGE V

COMMUNAUTAIR INDELINGSSCHEMA VOOR GESLACHTE DIEREN, BEDOELD IN ARTIKEL 42

A.

Communautair indelingsschema voor geslachte volwassen runderen

B.

Communautair indelingsschema voor geslachte varkens

C.

Communautair indelingsschema voor geslachte schapen

BIJLAGE VI

NATIONALE EN REGIONALE QUOTA

vanaf het verkoopseizoen 2010/2011

BIJLAGE VII

AANVULLENDE QUOTA VOOR ISOGLUCOSE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 58, LID 2

BIJLAGE VII bis

BEREKENING VAN HET OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 59, LID 2, TWEEDE ALINEA, VAST TE STELLEN PERCENTAGE

BIJLAGE VII ter

BEREKENING VAN HET OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 59, LID 2, TWEEDE ALINEA, VOOR ONDERNEMINGEN VAST TE STELLEN PERCENTAGE

BIJLAGE VII quater

BEREKENING VAN DE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 52 bis, LID 1, VAST TE STELLEN COËFFICIËNT

BIJLAGE VIII

BEPALINGEN BETREFFENDE OVERDRACHTEN VAN SUIKER- OF ISOGLUCOSEQUOTA OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 60

BIJLAGE IX

NATIONALE QUOTA EN HERSTRUCTURERINGSRESERVE BEDOELD IN ARTIKEL 66

BIJLAGE X

REFERENTIEVETGEHALTE ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 70

BIJLAGE X bis

QUOTA VOOR AARDAPPELZETMEEL PER VERKOOPSEIZOEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 84 BIS

BIJLAGE X ter

BEGROTING VOOR STEUNPROGRAMMA’S (ALS BEDOELD IN ARTIKEL 103 QUINDECIES, LID 1)

BIJLAGE X quater

VERDELING VAN DE MIDDELEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING (ALS BEDOELD IN ARTIKEL 190 BIS, LID 3)

BIJLAGE X quinquies

BEGROTING VOOR DE ROOIREGELING

BIJLAGE X sexies

OPPERVLAKTEN DIE DE LIDSTATEN ALS NIET-SUBSIDIABEL OP GROND VAN DE ROOIREGELING KUNNEN AANMERKEN (ALS BEDOELD IN ARTIKEL 85 DUOVICIES, LEDEN 1, 2 EN 5)

BIJLAGE XI

A.I.

Verdeling over de lidstaten van de in artikel 94, lid 1, bedoelde gegarandeerde maximumhoeveelheid voor lange vlasvezels

A.II.

Verdeling over de lidstaten, voor het verkoopseizoen 2008/2009, van de in artikel 94, lid 1 bis, bedoelde gegarandeerde maximumhoeveelheid voor korte vlasvezels en voor hennepvezels

A.III.

Gebieden als bedoeld in artikel 94 bis die voor steun in aanmerking komen

B.

Verdeling van de in artikel 89 bedoelde gegarandeerde maximumhoeveelheid over de lidstaten

BIJLAGE XI bis

AFZET VAN VLEES AFKOMSTIG VAN RUNDEREN DIE NIET OUDER ZIJN DAN TWAALF MAANDEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 113 ter

I.

Definitie

II.

Indeling van runderen, niet ouder dan twaalf maanden, in het slachthuis

III.

Verkoopbenamingen

IV.

Verplichte vermeldingen op het etiket

V.

Facultatieve vermeldingen op het etiket

VI.

Registratie

VII.

Officiële controles

VIII.

Uit derde landen ingevoerd vlees

IX.

Sancties

BIJLAGE XI ter

WIJNCATEGORIEËN

1.

Wijn

2.

Jonge, nog gistende wijn

3.

Likeurwijn

4.

Mousserende wijn

5.

Mousserende kwaliteitswijn

6.

Aromatische mousserende kwaliteitswijn

7.

Mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

8.

Parelwijn

9.

Parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

10.

Druivenmost

11.

Gedeeltelijk gegiste druivenmost

12.

Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven

13.

Geconcentreerde druivenmost

14.

Gerectificeerde geconcentreerde druivenmost

15.

Wijn van ingedroogde druiven

16.

Wijn van overrijpe druiven

17.

Wijnazijn

Aanhangsel bij Bijlage XI ter

Wijnbouwzones

BIJLAGE XII

DEFINITIES EN BENAMINGEN MET BETREKKING TOT MELK EN ZUIVELPRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 114, LID 1

BIJLAGE XIII

VERKOOP VAN MELK VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BEDOELD IN ARTIKEL 114, LID 2

BIJLAGE XIV

HANDELSNORMEN VOOR PRODUCTEN VAN DE SECTOREN EIEREN EN VLEES VAN PLUIMVEE BEDOELD IN ARTIKEL 116

A.

Handelsnormen voor eieren van kippen van de soort Gallus gallus

B.

Handelsnormen voor vlees van pluimvee

C.

Normen voor de productie van en de handel in broedeieren en kuikens van pluimvee

BIJLAGE XV

VOOR SMEERBARE VETPRODUCTEN GELDENDE HANDELSNORMEN BEDOELD IN ARTIKEL 115

Aanhangsel bij bijlage XV

BIJLAGE XV bis

VERRIJKING, AANZURING EN ONTZURING IN BEPAALDE WIJNBOUWZONES

A.

Maxima voor verrijking

B.

Verrijkingsprocedés

C.

Aanzuring en ontzuring

D.

Behandelingen

BIJLAGE XV ter

BEPERKINGEN

A.

Algemeen

B.

Verse druiven, druivenmost en druivensap

C.

Vermenging van wijn

D.

Bijproducten

BIJLAGE XVI

BENAMINGEN EN DEFINITIES VAN DE OLIJFOLIËN EN OLIËN VAN PERSKOEKEN VAN OLIJVEN BEDOELD IN ARTIKEL 118

BIJLAGE XVI bis

UITPUTTENDE LIJST VAN VOORSCHRIFTEN DIE KRACHTENS ARTIKEL 125 septies EN ARTIKEL 125 terdecies KUNNEN WORDEN UITGEBREID TOT NIET-AANGESLOTEN PRODUCENTEN

BIJLAGE XVII

INVOERRECHTEN VOOR RIJST BEDOELD IN DE ARTIKELEN 137 EN 139

BIJLAGE XVIII

BASMATIVARIËTEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 138

BIJLAGE XIX

IN ARTIKEL 153, LID 3, ARTIKEL 154, LID 1, ONDER b), EN DEEL II, PUNT 12, VAN IN BIJLAGE III BEDOELDE STATEN

BIJLAGE XX

LIJST VAN GOEDEREN VAN DE SECTOREN GRANEN, RIJST, SUIKER, MELK EN EIREN MET HET OOG OP DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 26, ONDER a), PUNT ii), EN MET HET OOG OP DE TOEKENNING VAN UITVOERRESTITUTIES ALS BEDOELD IN DEEL III, HOOFDSTUK III, SECTIE II

Deel I:

Granen

Deel II:

Rijst

Deel III:

Suiker

Deel IV:

Melk

Deel V:

Eieren

BIJLAGE XXI

LIJST VAN BEPAALDE SUIKERHOUDENDE GOEDEREN MET HET OOG OP HET VERLENEN VAN UITVOERRESTITUTIES als bedoeld in deel III, HOOFDSTUK III, SECTIE II

BIJLAGE XXII

CONCORDANTIETABELLEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 202



DEEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijke marktordening ingesteld voor de producten van de volgende sectoren, zoals verder omschreven in bijlage I:

a) granen, deel I van bijlage I;

b) rijst, deel II van bijlage I;

c) suiker, deel III van bijlage I;

d) gedroogde voedergewassen, deel IV van bijlage I;

e) zaaizaad, deel V van bijlage I;

f) hop, deel VI van bijlage I;

g) olijfolie en tafelolijven, deel VII van bijlage I;

h) vlas en hennep, deel VIII van bijlage I;

i) groenten en fruit, deel IX van bijlage I;

j) verwerkte groenten en fruit, deel X van bijlage I;

k) bananen, deel XI van bijlage I;

l) wijn, deel XII van bijlage I;

m) levende planten en producten van de bloementeelt, deel XIII van bijlage I (hierna „de sector levende planten” genoemd);

n) ruwe tabak, deel XIV van bijlage I;

o) rundvlees, deel XV van bijlage I;

p) melk en zuivelproducten, deel XVI van bijlage I;

q) varkensvlees, deel XVII van bijlage I;

r) schapen- en geitenvlees, deel XVIII van bijlage I;

s) eieren, deel XIX van bijlage I;

t) vlees van pluimvee, deel XX van bijlage I;

u) overige producten, deel XXI van bijlage I.

▼M10 —————

▼B

3.  Bij deze verordening worden specifieke maatregelen vastgesteld voor de onderstaande sectoren, die in bijlage II zijn vermeld en daar in voorkomend geval verder zijn omschreven:

a) ethylalcohol verkregen uit landbouwproducten, deel I van bijlage II (hierna „de sector ethylalcohol uit landbouwproducten” genoemd);

b) producten van de bijenteelt, deel II van bijlage II (hierna „de bijenteeltsector” genoemd);

c) zijderupsen, deel III van bijlage II (hierna „de sector zijderupsen” genoemd).

▼M3

4.  Met betrekking tot verse of gekoelde aardappelen van GN-code 0701 is deel IV, hoofdstuk II, van toepassing.

▼B

Artikel 2

Definities

1.  Met het oog op de toepassing van deze verordening zijn de definities die in bijlage III voor bepaalde sectoren zijn vastgesteld, van toepassing.

2.  In deze verordening wordt verstaan onder:

a) „landbouwer”: een landbouwer als omschreven in Verordening (EG) nr. 1782/2003;

b) „betaalorgaan”: de instantie of instanties die door een lidstaat is/zijn erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005.

c) „interventieprijs”: de prijs waartegen producten voor openbare interventie worden aangekocht.

Artikel 3

Verkoopseizoenen

De volgende verkoopseizoenen worden vastgesteld:

a) 1 januari tot en met 31 december van een bepaald jaar voor de sector bananen;

b) 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar voor:

i) de sector gedroogde voedergewassen,

ii) de sector zijderupsen;

c) 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar voor:

i) de sector granen,

ii) de sector zaaizaad,

iii) de sector olijfolie en tafelolijven,

iv) de sector vlas en hennep,

v) de sector melk en zuivelproducten;

▼M10

c bis) 1 augustus tot en met 31 juli van het daaropvolgende jaar voor de wijnsector;

▼B

d) 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar voor de rijstsector;

e) 1 oktober tot en met 30 september van het daaropvolgende jaar voor de suikersector.

▼M3

Voor de producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit worden de verkoopseizoenen indien nodig door de Commissie vastgesteld.

▼B

Artikel 4

Bevoegdheden van de Commissie

Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, handelt de Commissie, wanneer haar bevoegdheden worden verleend, overeenkomstig de procedure in artikel 195, lid 2.

Artikel 5

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie kan de uitvoeringsbepalingen voor artikel 2 vaststellen.

De Commissie kan wijzigingen aanbrengen in de in deel I van bijlage III vastgestelde definities betreffende rijst en in de in punt 12 van deel II van bijlage III vastgestelde definitie van „ACS/Indiase suiker”.

De Commissie kan ook uitvoeringsbepalingen vaststellen die betrekking hebben op de vaststelling van de omrekeningspercentages voor rijst in de verschillende bewerkingsstadia, de bewerkingskosten en de waarde van de bijproducten.



DEEL II

INTERNE MARKT



TITEL I

MARKTINTERVENTIE



HOOFDSTUK I

Openbare interventie en particuliere opslag



Sectie I

Algemene bepalingen

Artikel 6

Toepassingsgebied

1.  Dit hoofdstuk bevat de voorschriften voor openbare interventieaankoop en de toekenning van steun voor particuliere opslag voor de volgende sectoren:

a) granen,

b) rijst,

c) suiker,

d) olijfolie en tafelolijven;

e) rundvlees,

f) melk en zuivelproducten,

g) varkensvlees,

h) schapen- en geitenvlees.

2.  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a) „granen”: in de Gemeenschap geoogste granen;

b) „melk”: in de Gemeenschap geproduceerde koemelk;

▼M3 —————

▼B

d) „room”: room die rechtstreeks en uitsluitend uit melk is bereid.

Artikel 7

Communautaire oorsprong

Onverminderd artikel 6, lid 2, komen alleen producten van oorsprong uit de Gemeenschap in aanmerking voor openbare interventieaankoop of voor steun voor particuliere opslag.

Artikel 8

Referentieprijzen

1.  Voor de producten waarvoor de in artikel 6, lid 1, bedoelde interventiemaatregelen gelden, worden de volgende referentieprijzen vastgesteld:

▼M7

a) voor de sector granen, 101,31 EUR per ton;

▼B

b) voor padie: 150 euro per ton voor de standaardkwaliteit volgens de definitie in punt A van bijlage IV;

c) voor suiker:

i) voor witte suiker:

 541,5 euro per ton voor het verkoopseizoen 2008/2009,

 404,4 euro per ton vanaf het verkoopseizoen 2009/2010;

ii) voor ruwe suiker:

 448,8 euro per ton voor het verkoopseizoen 2008/2009,

 335,2 euro per ton vanaf het verkoopseizoen 2009/2010.

De in de punten i) en ii) vastgestelde referentieprijzen gelden voor onverpakte suiker, af fabriek, van de standaardkwaliteit die in punt B van bijlage IV wordt omschreven;

d) voor de sector rundvlees: 2 224 euro per ton voor geslachte mannelijke runderen van klasse R3 zoals omschreven in het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen in artikel 42, lid 1, onder a);

e) voor de sector melk en zuivelproducten:

i) 246,39 euro per 100 kg voor boter,

▼M3

ii) 169,80 EUR per 100 kg voor mageremelkpoeder;

▼B

f) voor de sector varkensvlees: 1 509,39 euro per ton voor geslachte varkens van de standaardkwaliteit, omschreven in termen van gewicht en aandeel mager vlees overeenkomstig het communautaire indelingsschema voor geslachte varkens in artikel 42, lid 1, onder b), als volgt:

i) geslachte dieren met een gewicht van 60 tot minder dan 120 kg: klasse E volgens punt B.II van bijlage V;

ii) geslachte dieren met een gewicht van 120 tot 180 kg: klasse R volgens punt B.II van bijlage V.

2.  De referentieprijzen voor granen en rijst in respectievelijk de punten a) en b) van lid 1 gelden voor het stadium van de groothandel voor aan het pakhuis geleverde goederen, niet gelost. Dit geldt voor alle overeenkomstig artikel 41 aangewezen interventiecentra in de Gemeenschap.

3.  De Raad kan de in lid 1 vastgestelde referentieprijzen in het licht van ontwikkelingen in de productie en de markten wijzigen volgens de procedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag.

Artikel 9

Mededeling van de prijzen op de suikermarkt

De Commissie zet een informatiesysteem inzake prijzen op de suikermarkt op, met inbegrip van een systeem voor de bekendmaking van de prijsniveaus voor de suikermarkt.

Het systeem is gebaseerd op informatie die wordt verstrekt door ondernemingen die witte suiker produceren, of door andere bij de handel in suiker betrokken marktdeelnemers. Deze informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

De Commissie zorgt ervoor dat de de bekendgemaakte informatie niet te herleiden is tot de prijzen van de individuele bedrijven of verwerkers.



Sectie II

Openbare interventie



Subsectie I

Algemene bepalingen

Artikel 10

Voor openbare interventie in aanmerking komende producten

1.  De openbare interventie geldt, onder de in deze sectie vastgestelde voorwaarden en andere door de Commissie overeenkomstig artikel 43 vast te stellen eisen en voorwaarden, voor de volgende producten:

a) zachte tarwe, durumtarwe, gerst, maïs en sorgho;

b) padie;

c) witte of ruwe suiker, mits de betrokken suiker geproduceerd is in het kader van quota en vervaardigd is van in de Gemeenschap geoogste suikerbieten of suikerriet;

d) vers of gekoeld rundvlees van de GN-codes 0201 10 00 en 0201 20 20 tot en met 0201 20 50 ;

e) boter die in een erkend bedrijf in de Gemeenschap rechtstreeks en uitsluitend uit gepasteuriseerde room is bereid en die een minimumgehalte aan botervet van 82 gewichtspercenten en een maximumgehalte aan water van 16 gewichtspercenten heeft;

▼M3

f) mageremelkpoeder van eerste kwaliteit dat in een erkend bedrijf van de Gemeenschap volgens het verstuivingsprocedé uit melk is vervaardigd en een eiwitgehalte van minstens 34,0 gewichtspercenten op de vetvrije droge stof heeft.



▼M7

Subsectie II

Opening van de interventieaankoop

Artikel 11

Openbare-interventieperioden

De openbare interventie is open:

a) voor granen, van 1 november tot en met 31 mei;

b) voor padie, van 1 april tot en met 31 juli;

c) voor suiker, gedurende de verkoopseizoenen 2008/2009 en 2009/2010;

d) voor rund- en kalfsvlees, gedurende om het even welk verkoopseizoen;

e) voor boter en mageremelkpoeder, van 1 maart tot en met 31 augustus.

Artikel 12

Opening van de openbare interventie

1.  Tijdens de in artikel 11 genoemde perioden geldt dat de openbare interventie:

a) open is voor zachte tarwe;

b) open is voor durumtarwe, gerst, maïs, sorgho, padie, suiker, boter en mageremelkpoeder, met inachtneming van de in artikel 13, lid 1, vastgestelde interventiemaxima;

c) door de Commissie, zonder de hulp van het in artikel 195, lid 1, bedoelde comité, wordt geopend voor rund- en kalfsvlees wanneer gedurende een representatieve periode de gemiddelde marktprijs voor rund- en kalfsvlees die in een lidstaat of een regio van een lidstaat is geconstateerd op basis van het in artikel 42, lid 1, bedoelde communautaire indelingsschema voor geslachte dieren, onder 1 560  EUR per ton daalt.

2.  De in lid 1, onder punt c), bedoelde openbare interventie voor rund- en kalfsvlees wordt door de Commissie, zonder de hulp van het in artikel 195, lid 1, bedoelde Comité, gesloten indien aan de onder dat punt opgenomen voorwaarden gedurende een representatieve periode niet meer is voldaan.

Artikel 13

Interventiemaxima

1.  De hoeveelheid die via openbare interventie wordt aangekocht, bedraagt maximaal:

a) voor durumtarwe, gerst, maïs, sorgho en padie, 0 ton voor elke van de in artikel 11, onder a) respectievelijk b), genoemde periodes;

b) voor suiker, 600 000 ton, uitgedrukt in witte suiker, per verkoopseizoen;

c) voor boter, 30 000 ton voor elke in artikel 11, onder e), genoemde periode;

d) voor mageremelkpoeder, 109 000 ton voor elke in artikel 11, onder e), genoemde periode.

2.  Op suiker die overeenkomstig lid 1, onder b), van dit artikel tijdens een verkoopseizoen is opgeslagen, mogen geen andere opslagmaatregelen op grond van de artikelen 32, 52 of 63 worden toegepast.

3.  In afwijking van lid 1 kan de Commissie met betrekking tot de onder a), c), en d) van genoemd lid, genoemde producten besluiten de aldaar vastgestelde via openbare interventie aangekochte hoeveelheden te verhogen indien de marktsituatie en met name de ontwikkeling van de marktprijzen dat vereisen.



Subsectie III

Interventieprijzen

Artikel 18

Interventieprijzen

1.  De interventieprijs:

▼C4

a) voor zachte tarwe is voor een aangeboden maximumhoeveelheid van 3 miljoen ton gelijk aan de referentieprijs voor de bij artikel 11, punt a), vastgestelde interventieperiode;

▼M7

b) voor boter bedraagt voor de hoeveelheid die wordt aangeboden binnen het maximum van artikel 13, lid 1, onder c), 90 % van de referentieprijs;

c) voor mageremelkpoeder is voor de hoeveelheid die wordt aangeboden binnen het maximum van artikel 13, lid 1, onder d), gelijk aan de referentieprijs.

2.  Voor de volgende producten worden de interventieprijs en de interventiehoeveelheden door de Commissie vastgesteld in het kader van openbare inschrijvingen:

▼C4

a) zachte tarwe, voor de hoeveelheid die de aangeboden maximumhoeveelheid van 3 miljoen ton voor de bij artikel 11, punt a), vastgestelde interventieperiode te boven gaat;

▼M7

b) voor durumtarwe, gerst, maïs, sorgho en padie, krachtens artikel 13, lid 3;

c) rund- en kalfsvlees;

d) boter, voor hoeveelheden die het maximum als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), te boven gaan, krachtens artikel 13, lid 3, en

e) mageremelkpoeder, voor hoeveelheden die het maximum als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder d), te boven gaan, krachtens artikel 13, lid 3.

In bijzondere omstandigheden is het toegestaan om, op basis van genoteerde gemiddelde marktprijzen, de openbare inschrijvingen te beperken tot een lidstaat of een regio van een lidstaat, of de interventieprijzen en interventiehoeveelheden per lidstaat of regio van een lidstaat vast te stellen.

3.  De maximumaankoopprijs die overeenkomstig de inschrijvingsprocedures van lid 2 wordt bepaald, mag niet hoger zijn dan:

a) voor granen en padie, de desbetreffende referentieprijs;

b) voor rund- en kalfsvlees, de in een lidstaat of een regio van de lidstaat genoteerde gemiddelde marktprijs, verhoogd met een door de Commissie op basis van objectieve criteria vastgesteld bedrag;

c) voor boter, 90 % van de referentieprijs;

d) voor mageremelkpoeder, de referentieprijs.

4.  De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde interventieprijzen kunnen:

a) voor granen onderhevig zijn aan prijsstijgingen of -dalingen om reden van kwaliteit, en

b) voor padie, indien de kwaliteit van de aan het betaalorgaan aangeboden producten afwijkt van de in punt A van bijlage IV genoemde standaardkwaliteit, dienovereenkomstig worden verhoogd of verlaagd. Voorts kan de Commissie interventieprijsverhogingen of -verlagingen vaststellen om ervoor te zorgen dat de productie op bepaalde variëteiten wordt gericht.

5.  De interventieprijs voor suiker is 80 % van de referentieprijs die wordt vastgesteld voor het verkoopseizoen volgende op dat waarin het aanbod is gedaan. Als de kwaliteit van de aan het betaalorgaan aangeboden suiker evenwel afwijkt van de in punt B van bijlage IV gedefinieerde standaardkwaliteit waarvoor de referentieprijs is vastgesteld, wordt de interventieprijs dienovereenkomstig verhoogd of verlaagd.

▼B



Subsectie IV

Afzet uit interventievoorraden

Artikel 25

Algemene beginselen

Voor openbare interventie aangekochte producten worden op zodanige wijze afgezet dat verstoringen van de markt worden voorkomen en dat de kopers op voet van gelijkheid worden behandeld en gelijke toegang tot deze producten hebben en dat de verbintenissen, voortvloeiend uit in het kader van de volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, in acht worden genomen.

Artikel 26

Afzet van suiker

De betaalorganen mogen voor openbare interventie aangekochte suiker alleen verkopen tegen een prijs die hoger is dan de referentieprijs die is vastgesteld voor het verkoopseizoen waarin de verkoop plaatsvindt.

De Commissie kan evenwel besluiten dat de betaalorganen:

a) de suiker mogen verkopen tegen een prijs die gelijk is aan of lager is dan de in de eerste alinea bedoelde referentieprijs indien de suiker bedoeld is

i) voor voederdoeleinden, of

▼M3

ii) voor uitvoer, zonder verdere verwerking dan wel na verwerking tot de in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten of tot de in deel III van bijlage XX bij deze verordening genoemde goederen, of

▼M3

iii) voor industrieel gebruik in de zin van artikel 62.

▼B

b) de bij hen aanwezige onverwerkte suiker voor menselijke consumptie op de interne markt beschikbaar moeten stellen aan erkende liefdadigheidsinstellingen — die zijn erkend door de betrokken lidstaat of door de Commissie wanneer de lidstaat niet van dergelijke instellingen heeft erkend —, tegen een prijs die lager is dan de huidige referentieprijs, of gratis voor distributie in het kader van individuele spoedhulpoperaties.

▼M15

Artikel 27

Uitreiking aan de meest hulpbehoevenden in de Gemeenschap

1.  Producten uit de interventievoorraden worden aan bepaalde daartoe aangewezen organisaties ter beschikking gesteld met het oog op verstrekking, volgens een jaarprogramma, van levensmiddelen aan de meest hulpbehoevenden in de Gemeenschap.

De uitreiking gebeurt:

a) gratis, of

b) tegen een prijs die in geen geval hoger mag liggen dan de door de aangewezen organisaties bij de toepassing van de maatregelen gemaakte kosten.

2.  Een product kan op de markt van de Gemeenschap worden aangeschaft als:

a) het tijdelijk, tijdens de uitvoering van het in lid 1 bedoelde jaarprogramma, niet voorhanden is in de interventievoorraden van de Gemeenschap, voor zover dat nodig is om dat programma in een of meerdere lidstaten te kunnen uitvoeren en op voorwaarde dat de in de begroting van de Gemeenschap voor dat doel voorziene kosten niet worden overschreden, of

b) anders voor de uitvoering van het jaarprogramma overdracht tussen lidstaten zou moeten plaatsvinden van kleine hoeveelheden producten die als interventieproduct beschikbaar zijn in een andere lidstaat dan waar zij nodig zijn.

3.  De betrokken lidstaten wijzen de in lid 1 bedoelde organisaties aan en stellen de Commissie elk jaar tijdig in kennis van hun voornemen deze regeling toe te passen.

4.  De in de leden 1 en 2 bedoelde producten worden de aangewezen organisaties gratis ter beschikking gesteld. Als boekwaarde wordt de interventieprijs aangehouden, eventueel gecorrigeerd aan de hand van coëfficiënten om rekening te houden met kwaliteitsverschillen.

5.  Onverminderd artikel 190 worden de krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel beschikbaar gestelde producten gefinancierd uit kredieten van de passende begrotingslijn van het ELGF, binnen de begroting van de Europese Gemeenschappen. Voorts kan worden bepaald dat met deze financiering wordt bijgedragen in de kosten van het vervoer van de producten vanuit de interventiecentra, alsmede in de administratieve kosten van de aangewezen organisaties die uit de toepassing van de in dit artikel vastgestelde regeling voortvloeien, met uitzondering van de kosten die eventueel krachtens de leden 1 en 2 voor rekening van de begunstigden komen.

▼B



Sectie III

Particuliere opslag



Subsectie I

Verplichte steun

Artikel 28

In aanmerking komende producten

De steun voor particuliere opslag wordt, onder de in deze sectie vastgestelde voorwaarden en andere door de Commissie overeenkomstig artikel 43 vast te stellen eisen en voorwaarden, verleend voor de volgende producten:

▼M3

a) wat betreft:

i) in een erkend bedrijf in de Gemeenschap uit room of melk geproduceerde ongezouten boter met een minimumgehalte aan botervet van 82 gewichtspercenten, een maximumgehalte aan vetvrije droge stof van 2 gewichtspercenten en een maximumgehalte aan water van 16 gewichtspercenten;

ii) in een erkend bedrijf in de Gemeenschap uit room of melk geproduceerde gezouten boter met een minimumgehalte aan botervet van 80 gewichtspercenten, een maximumgehalte aan niet-vette droge stof van 2 gewichtspercenten, een maximumgehalte aan water van 16 gewichtspercenten en een maximumgehalte aan zout van 2 gewichtspercenten.

▼M7 —————

▼M3

Artikel 29

Voorwaarden en steunniveau voor boter

De Commissie stelt het steunbedrag voor boter vast met inachtneming van de opslagkosten en de verwachte ontwikkelingen van de prijs voor verse boter en koelhuisboter.

Wanneer op het moment van de uitslag blijkt dat zich een ongunstige marktontwikkeling heeft voorgedaan die bij de inslag niet te voorzien was, kan de steun worden verhoogd.

▼M7 —————

▼B



Subsectie II

Facultatieve steun

Artikel 31

In aanmerking komende producten

1.  De steun voor particuliere opslag wordt, onder de in deze sectie vastgestelde voorwaarden en andere door de Commissie overeenkomstig artikel 43 vast te stellen eisen en voorwaarden, verleend voor de volgende producten:

a) witte suiker;

b) olijfolie;

c) vers of gekoeld vlees van volwassen runderen, aangeboden in de vorm van hele dieren, halve dieren, „compensated quarters”, voorvoeten of achtervoeten, ingedeeld overeenkomstig het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen in artikel 39, lid 1;

▼M3 —————

▼M7 —————

▼B

f) varkensvlees;

g) schapen- en geitenvlees.

De Commissie kan de in eerste alinea, onder c), bedoelde lijst wijzigen als de marktsituatie dat vereist.

▼M3

2.  De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde steun voor particuliere opslag vast, hetzij vooraf, hetzij in het kader van een inschrijvingsprocedure.

▼M7 —————

▼B

Artikel 32

Voorwaarden voor het verlenen van steun voor witte suiker

1.  Indien de geconstateerde gemiddelde communautaire prijs voor witte suiker gedurende een representatieve periode lager is dan de referentieprijs en, gezien de marktsituatie, waarschijnlijk op dat niveau zal blijven, kan de Commissie besluiten steun te verlenen voor de particuliere opslag van witte suiker aan ondernemingen waaraan een suikerquotum is toegekend.

2.  Op suiker die overeenkomstig lid 1 tijdens een verkoopseizoen is opgeslagen, mogen geen andere opslagmaatregelen op grond van de artikelen 13, 52 of 63 worden toegepast.

Artikel 33

Voorwaarden voor het verlenen van steun voor olijfolie

De Commissie kan besluiten instanties die voldoende garanties bieden en door de lidstaten zijn erkend, te machtigen contracten voor de opslag van door hen verhandelde olijfolie te sluiten in het geval van een ernstige verstoring van de markt in bepaalde regio's van de Gemeenschap, onder meer als de gemiddelde prijs die gedurende een representatieve periode op de markt is genoteerd, minder bedraagt dan:

a) 1 779 euro/ton voor extra olijfolie van de eerste persing, of

b) 1 710 euro/ton voor olijfolie van de eerste persing, of

c) 1 524 euro/ton voor olijfolie voor verlichting waarvan het gehalte aan vrije vetzuren 2 graden bedraagt, welk bedrag met 36,70 euro/ton wordt verlaagd voor elke extra graad zuurgehalte.

Artikel 34

Voorwaarden voor het verlenen van steun voor producten van de sector rundvlees

Als de gemiddelde communautaire marktprijs die wordt genoteerd op basis van het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen in artikel 42, lid 1, lager ligt dan 103 % van de referentieprijs en mag worden verwacht dat hij op dat niveau zal blijven, kan de Commissie besluiten steun voor particuliere opslag te verlenen.

▼M3 —————

▼M7 —————

▼B

Artikel 37

Voorwaarden voor het verlenen van steun voor varkensvlees

Wanneer de gemiddelde communautaire marktprijs van geslachte varkens, die wordt vastgesteld op basis van de prijzen die in elke lidstaat op de representatieve markten van de Gemeenschap worden genoteerd en worden gewogen door middel van coëfficiënten die de relatieve omvang van de varkensstapel van elke lidstaat uitdrukken, lager ligt dan 103 % van de referentieprijs en mag worden verwacht dat hij op dat niveau zal blijven, kan de Commissie besluiten steun voor particuliere opslag te verlenen.

Artikel 38

Voorwaarden voor het verlenen van steun voor schapen- en geitenvlees

De Commissie kan besluiten steun voor particuliere opslag te verlenen als zich voor schapen- en geitenvlees een bijzonder moeilijke marktsituatie voordoet in één of meer van de volgende noteringszones:

a) Groot-Brittannië,

b) Noord-Ierland;

c) elke andere lidstaat dan het Verenigd Koninkrijk, afzonderlijk genomen.



Sectie IV

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 39

Opslagregels

1.  De betaalorganen mogen de door hen aangekochte producten slechts buiten het grondgebied van de lidstaat waaronder zij ressorteren, opslaan nadat zij daartoe door de Commissie zijn gemachtigd.

Voor de toepassing van dit artikel worden het grondgebied van België en het grondgebied van Luxemburg als het grondgebied van één enkele lidstaat beschouwd.

2.  De machtiging wordt verleend als de opslag van essentieel belang is, rekening houdend met het volgende:

a) de opslagmogelijkheden en -behoeften in de lidstaat waaronder het betaalorgaan ressorteert en in de andere lidstaten;

b) eventuele extra kosten die voortvloeien uit opslag in de lidstaat waaronder het betaalorgaan ressorteert, en uit vervoer.

3.  Een machtiging voor opslag in een derde land kan slechts worden verleend als, uitgaande van de in lid 2 vastgestelde criteria, opslag in een andere lidstaat grote problemen oplevert.

4.  De in lid 2, onder a), bedoelde gegevens worden verstrekt na raadpleging van alle lidstaten.

5.  Douanerechten en andere in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te verlenen of te heffen bedragen zijn niet van toepassing op producten die:

a) worden vervoerd nadat op grond van de leden 1, 2 en 3 een machtiging is verleend, of

b) van één betaalorgaan naar een ander worden vervoerd.

6.  Elk betaalorgaan dat handelt overeenkomstig de leden 1, 2 en 3, blijft verantwoordelijk voor de producten die zijn opgeslagen buiten het grondgebied van de lidstaat waaronder het ressorteert.

7.  Als producten die door een betaalorgaan zijn opgeslagen buiten het grondgebied van de lidstaat waaronder dat betaalorgaan ressorteert, niet naar die lidstaat worden teruggebracht, worden zij afgezet tegen de prijzen en de voorwaarden die voor de plaats van opslag zijn vastgesteld of moeten worden vastgesteld.

Artikel 40

Regels voor openbare inschrijvingen

De openbare inschrijvingen waarborgen dat alle betrokkenen gelijke toegang krijgen.

Bij de selectie van de inschrijvingen wordt de voorkeur gegeven aan die welke het gunstigst zijn voor de Gemeenschap. In elk geval leidt een openbare inschrijving niet noodzakelijkerwijs tot het gunnen van een contract.

Artikel 41

Interventiecentra

1.  De Commissie wijst de interventiecentra aan voor de sectoren granen en rijst en stelt de daarvoor geldende voorwaarden vast.

Voor de sector granen kan de Commissie interventiecentra aanwijzen voor elke graansoort.

2.  Bij de opstelling van de lijst van interventiecentra houdt de Commissie met name rekening met het volgende:

a) de ligging van de centra in gebieden die voor de betrokken producten overschotgebieden zijn;

b) de beschikbaarheid van voldoende ruimtes en technische uitrusting;

c) de gunstige ligging ten opzichte van de vervoersmiddelen.

Artikel 42

Indeling van geslachte dieren

1.  Overeenkomstig de regels in bijlage V gelden de communautaire indelingsschema’s voor geslachte dieren in de volgende sectoren:

a) in de sector rundvlees voor geslachte volwassen runderen;

b) in de sector varkensvlees voor geslachte varkens die niet zijn gebruikt voor het fokken.

In de sector schapen- en geitenvlees kunnen de lidstaten met betrekking tot geslachte schapen een communautair indelingsschema voor geslachte dieren gebruiken overeenkomstig de regels in punt C van bijlage V.

2.  In verband met de indeling van geslachte volwassen runderen en schapen worden er namens de Gemeenschap controles ter plaatse verricht door een Comité voor communautaire controle, samengesteld uit deskundigen van de Commissie en door de lidstaten aangewezen deskundigen. Dit Comité brengt aan de Commissie en de lidstaten verslag uit over de verrichte controles.

De Gemeenschap draagt de kosten van de verrichte controles.

Artikel 43

Uitvoeringsbepalingen

Onverminderd specifieke bevoegdheden die krachtens dit hoofdstuk aan de Commissie worden verleend, stelt de Commissie de bepalingen voor de uitvoering ervan vast, die met name betrekking kunnen hebben op:

▼M7

a) de eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan door de in artikel 10 genoemde producten die voor openbare interventie worden aangekocht en door de in de artikelen 28 en 31 genoemde producten waarvoor steun voor openbare opslag wordt verleend, met name wat betreft kwaliteit, kwaliteitsgroepen, kwaliteitsklassen, categorieën, hoeveelheden, verpakking inclusief etikettering, maximale houdbaarheid, bewaring, het productstadium waarop de interventieprijs betrekking heeft, en de duur van de particuliere opslag;

▼M7

a bis) de eerbiediging van de in artikel 13, lid 1, en artikel 18, lid 1, onder a), bepaalde maximumhoeveelheden en kwantitatieve beperkingen; in dit verband kan de Commissie in de uitvoeringsbepalingen worden gemachtigd tot het beëindigen van aankopen tegen een vastgestelde prijs, het vaststellen van toewijzingscoëfficiënten en, voor zachte tarwe, het omschakelen naar de in artikel 18, lid 2, bedoelde inschrijvingsprocedure, zonder de bijstand van het in artikel 195, lid 1, bedoelde comité;

▼B

b) wijzigingen van punt B van bijlage IV;

c) indien van toepassing, het schema met de toepasselijke prijsverhogingen en -verlagingen;

d) de procedures en voorwaarden voor de overname in openbare interventie door de betaalorganen en de verlening van steun voor particuliere opslag, met name:

i) wat betreft de sluiting en de inhoud van de contracten,

ii) de duur van de particuliere opslag en de voorwaarden waaronder die termijnen, nadat ze in de contracten zijn vastgelegd, kunnen worden verkort of verlengd,

iii) de voorwaarden waaronder kan worden besloten dat producten waarvoor contracten voor particuliere opslag zijn gesloten, opnieuw in de handel mogen worden gebracht of op andere wijze mogen worden afgezet,

iv) de lidstaat waarbij een verzoek om particuliere opslag kan worden ingediend;

e) de vaststelling van de lijst van representatieve markten bedoeld in de artikelen 17 en 37;

f) de regels betreffende de voorwaarden voor de afzet van voor openbare interventie aangekochte producten, met name wat betreft de verkoopprijzen, de uitslagvoorwaarden, indien van toepassing het latere gebruik of de bestemming van de aldus uitgeslagen producten, de te verrichten controles en in voorkomend geval de toe te passen regeling voor het stellen van zekerheden;

g) de opstelling van het in artikel 27, lid 1, bedoelde jaarprogramma;

h) de voorwaarden waaronder producten op de markt van de Gemeenschap kunnen worden aangeschaft als bedoeld in artikel 27, lid 2;

i) de voorschriften betreffende de in artikel 39 bedoelde machtigingen, inclusief, voor zover dit strikt noodzakelijk is, afwijkingen van de handelsregels;

j) de regels inzake de procedures die moeten worden gevolgd voor het houden van een openbare inschrijving;

k) de regels betreffende de aanwijzing van interventiecentra als bedoeld in artikel 41;

l) de voorwaarden waaraan de pakhuizen waar goederen mogen worden opgeslagen, moeten voldoen;

m) het communautaire indelingsschema voor geslachte dieren in artikel 42, lid 1, onder a), wat betreft:

i) definities,

ii) presentatie van geslachte dieren ten behoeve van prijsnoteringen met betrekking tot de indeling van geslachte volwassen runderen,

iii) wat betreft maatregelen die slachthuizen overeenkomstig punt III van punt A van bijlage IV moeten nemen:

 afwijkingen bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 88/409/EEG voor slachthuizen die hun productie tot de lokale markt willen beperken,

 afwijkingen die kunnen worden toegestaan aan de lidstaten die daarom verzoeken voor slachthuizen waarin een gering aantal runderen wordt geslacht,

iv) toestemming aan de lidstaten om het indelingsschema voor geslachte varkens niet toe te passen en beoordelingscriteria te hanteren naast gewicht en geschat aandeel mager vlees,

v) voorschriften voor het meedelen door de lidstaten van de prijzen van bepaalde producten.



HOOFDSTUK II

Bijzondere interventiemaatregelen



Sectie I

Buitengewone marktondersteunende maatregelen

Artikel 44

Dierziekten

1.  De Commissie kan buitengewone maatregelen ter ondersteuning van de getroffen markt nemen om rekening te houden met de beperkingen van het intracommunautaire handelsverkeer en het handelsverkeer met derde landen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van maatregelen om de verspreiding van dierziekten tegen te gaan.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen gelden voor de volgende sectoren:

a) rundvlees,

b) melk en zuivelproducten,

c) varkensvlees,

d) schapen- en geitenvlees,

e) eieren,

f) pluimvee.

2.  De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde maatregelen worden genomen op verzoek van de betrokken lidstaat/lidstaten.

Zij mogen slechts worden genomen indien de betrokken lidstaat/lidstaten veterinaire en sanitaire maatregelen heeft/hebben genomen om snel een einde te maken aan de dierziekten; bovendien mogen de intensiteit en de duur van de maatregelen niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is voor de ondersteuning van de betrokken markt.

Artikel 45

Verlies van vertrouwen bij de consument

Voor de sectoren pluimvee en eieren kan de Commissie buitengewone marktondersteunende maatregelen nemen om rekening te houden met ernstige marktverstoringen die rechtstreeks toe te schrijven zijn aan een verlies van vertrouwen bij de consument als gevolg van het bestaan van risico's voor de volksgezondheid of voor de gezondheid van dieren.

Deze maatregelen worden genomen op verzoek van de betrokken lidstaat/lidstaten.

Artikel 46

Financiering

1.  De Commissie neemt deel in de financiering van de in de artikelen 44 en 45 bedoelde buitengewone maatregelen ten bedrage van 50 % van de door de lidstaten gedane uitgaven.

Voor de sectoren rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees en schapen- en geitenvlees neemt de Gemeenschap, in het geval van bestrijding van mond- en klauwzeer, 60 % van deze uitgaven voor haar rekening.

2.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer producenten bijdragen in de uitgaven van de lidstaten, zulks niet leidt tot vervalsing van de concurrentie tussen producenten in verschillende lidstaten.

▼M7 —————

▼B



Sectie II

Maatregelen in de sectoren granen en rijst

Artikel 47

Bijzondere marktmaatregelen in de sector granen

1.  Wanneer zulks op grond van de marktsituatie noodzakelijk is, kan de Commissie voor de sector granen bijzondere interventiemaatregelen nemen. Deze interventiemaatregelen kunnen met name worden genomen indien in een of meer regio's van de Gemeenschap de marktprijzen ten opzichte van de interventieprijs dalen of dreigen te dalen.

2.  De Commissie stelt de aard van de bijzondere interventiemaatregelen vast, bepaalt hoe ze moeten worden toegepast en stelt de voorwaarden en procedures vast voor het te koop aanbieden of voor elke andere bestemming van de producten waarvoor deze maatregelen worden genomen.

Artikel 48

Bijzondere marktmaatregelen in de sector rijst

1.  De Commissie kan bijzondere maatregelen nemen om:

a) te voorkomen dat in sommige regio’s van de Gemeenschap in de rijstsector een massaal beroep wordt gedaan op openbare interventie overeenkomstig sectie II van hoofdstuk I van dit deel;

b) een tekort aan beschikbare hoeveelheden padie als gevolg van een natuurramp op te vangen.

2.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.



Sectie III

Maatregelen in de suikersector

Artikel 49

Minimumprijs voor bieten

1.  De minimumprijs voor quotumbieten bedraagt:

a) 27,83 euro per ton voor het verkoopseizoen 2008/2009;

b) 26,29 euro per ton vanaf het verkoopseizoen 2009/2010.

2.  De in lid 1 vastgestelde minimumprijs geldt voor suikerbieten van de in deel B van bijlage IV omschreven standaardkwaliteit.

3.  Suikerproducerende ondernemingen die quotumbieten kopen die geschikt zijn voor verwerking tot suiker en bestemd zijn voor verwerking tot quotumsuiker, moeten ten minste de minimumprijs betalen, aangepast aan de hand van toeslagen of kortingen voor de kwaliteitsverschillen ten opzichte van de standaardkwaliteit.

De in de eerste alinea bedoelde toeslagen en kortingen worden toegepast overeenkomstig de door de Commissie vast te stellen uitvoeringsbepalingen.

4.  Voor de hoeveelheden suikerbieten die overeenstemmen met de hoeveelheden industriële suiker of overtollige suiker waarvoor de in artikel 64 bedoelde overschotheffing wordt opgelegd, past de betrokken suikerproducerende onderneming de aankoopprijs op zodanige wijze aan dat deze ten minste gelijk is aan de minimumprijs voor quotumbieten.

Artikel 50

Verticale overeenkomsten

1.  Sectorale overeenkomsten en leveringscontracten voldoen aan lid 3 en aan de door de Commissie vast te stellen aankoopvoorwaarden, met name wat de voorwaarden voor de aankoop, de levering, de overname en de betaling van de bieten betreft.

2.  De voorwaarden voor de aankoop van suikerbieten en suikerriet worden geregeld in sectorale overeenkomsten die worden gesloten tussen communautaire telers van deze grondstoffen en communautaire suikerproducerende ondernemingen.

3.  In de leveringscontracten wordt onderscheid gemaakt naargelang van de uit de suikerbieten te verkrijgen hoeveelheden suiker:

a) quotumsuiker of

b) buiten het quotum geproduceerde suiker zullen zijn.

4.  Elke suikerproducerende onderneming verstrekt de lidstaat waar zij suiker produceert, de volgende gegevens:

a) de hoeveelheden bieten als bedoeld in lid 3, onder a), waarvoor zij vóór de inzaai leveringscontracten heeft gesloten, en het suikergehalte waarop die contracten zijn gebaseerd,

b) het daarmee overeenkomende geschatte rendement.

De lidstaten kunnen aanvullende gegevens verlangen.

▼M3

5.  Suikerproducerende ondernemingen die vóór de inzaai geen leveringscontracten op basis van de minimumprijs voor quotumbieten hebben gesloten voor een met hun quotumsuiker overeenkomende hoeveelheid bieten, in voorkomend geval aangepast door middel van de overeenkomstig artikel 52, lid 2, eerste alinea, vastgestelde coëfficiënt voor preventieve onttrekking aan de markt, moeten ten minste de minimumprijs voor quotumbieten betalen voor alle suikerbieten die zij tot suiker verwerken.

6.  Met instemming van de betrokken lidstaat mag in sectorale overeenkomsten van de leden 3, 4 en 5 worden afgeweken.

▼B

7.  Bij ontstentenis van sectorale overeenkomsten neemt de betrokken lidstaat de nodige, met deze verordening verenigbare, maatregelen om de belangen van de betrokken partijen te beschermen.

Artikel 51

Productieheffing

1.  Er wordt een productieheffing gelegd op het suikerquotum, het isoglucosequotum en het inulinestroopquotum die in het bezit zijn van ondernemingen die suiker, isoglucose of inulinestroop produceren, zoals bedoeld in artikel 56, lid 2.

2.  De productieheffing bedraagt 12,00 euro per ton suikerquotum en inulinestroopquotum. Voor isoglucose bedraagt de productieheffing 50 % van de voor suiker geldende heffing.

3.  Het totaalbedrag van de overeenkomstig lid 1 te betalen productieheffing wordt door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening gebracht op basis van het quotum dat de onderneming in het betrokken verkoopseizoen in haar bezit heeft.

De ondernemingen betalen deze heffing uiterlijk eind februari van het betrokken verkoopseizoen.

4.  De communautaire ondernemingen die suiker en inulinestroop produceren, kunnen van de telers van suikerbieten of suikerriet of de leveranciers van cichorei verlangen dat deze tot 50 % van de betrokken productieheffing voor hun rekening nemen.

▼M3

Artikel 52

Onttrekking van suiker aan de markt

1.  Om het structurele marktevenwicht in stand te houden bij een prijsniveau dat dicht bij de referentieprijs ligt, kan de Commissie, met inachtneming van de verplichtingen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, besluiten om de hoeveelheden binnen de quota geproduceerde suiker of isoglucose die de overeenkomstig lid 2 van dit artikel berekende drempel te boven gaan, voor een bepaald verkoopseizoen aan de markt te onttrekken.

2.  Voor elke onderneming die over een quotum beschikt, wordt de in lid 1 van dit artikel bedoelde onttrekkingsdrempel berekend door haar quotum te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die de Commissie uiterlijk op 16 maart van het voorafgaande verkoopseizoen op basis van de verwachte markttendensen vaststelt. Voor het verkoopseizoen 2008/2009 wordt die coëfficiënt op de quota toegepast na de afstanddoeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 320/2006 die uiterlijk op 15 maart 2008 zijn toegezegd.

Op basis van geactualiseerde markttendensen kan de Commissie uiterlijk op 31 oktober van het betrokken verkoopseizoen besluiten de coëfficiënt aan te passen of, indien geen besluit uit hoofde van de eerste alinea van dit lid is genomen, een coëfficiënt vast te stellen.

3.  Elke onderneming die over een quotum beschikt, slaat de suiker die binnen haar quotum boven de overeenkomstig lid 2 berekende drempel wordt geproduceerd, op eigen kosten op tot het begin van het volgende verkoopseizoen. De in een verkoopseizoen aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker of isoglucose worden behandeld als de eerste hoeveelheden die worden geproduceerd binnen het quotum voor het volgende verkoopseizoen.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid en met inachtneming van de verwachte tendensen op de suikermarkt kan de Commissie evenwel besluiten om alle aan de markt onttrokken suiker of isoglucose dan wel een deel daarvan voor het lopende en/of het volgende verkoopseizoen te beschouwen als:

a) hetzij overtollige suiker of overtollige isoglucose die beschikbaar is om industriële suiker of industriële isoglucose te worden,

b) hetzij tijdelijke quotumproductie, waarvan een deel voor de uitvoer kan worden gereserveerd, met inachtneming van de verplichtingen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

4.  Als de suikervoorziening in de Gemeenschap ontoereikend is, kan de Commissie besluiten dat een bepaalde hoeveelheid aan de markt onttrokken suiker vóór het einde van de periode van onttrekking aan de markt op de communautaire markt mag worden verkocht.

5.  Wanneer aan de markt onttrokken suiker wordt behandeld als de eerste suikerproductie van het volgende verkoopseizoen, wordt aan de bietenproducenten de minimumprijs van dat verkoopseizoen betaald.

Wanneer aan de markt onttrokken suiker industriële suiker wordt of wordt uitgevoerd overeenkomstig lid 3, punt a), respectievelijk punt b), zijn de voorschriften van artikel 49 betreffende de minimumprijs niet van toepassing.

Wanneer aan de markt onttrokken suiker vóór het einde van de periode van onttrekking aan de markt op de communautaire markt wordt verkocht overeenkomstig lid 4, wordt aan de bietenproducenten de minimumprijs van het lopende verkoopseizoen betaald.

▼M3

Artikel 52 bis

Onttrekking van suiker aan de markt in de verkoopseizoenen 2008/2009 en 2009/2010

1.  In afwijking van artikel 52, lid 2, stelt de Commissie voor de lidstaten waarvoor het nationale suikerquotum is verlaagd als gevolg van de afstanddoening van quotum overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 320/2006, de coëfficiënt voor de verkoopseizoenen 2008/2009 en 2009/2010 vast overeenkomstig bijlage VII quater.

2.  Een onderneming die met ingang van het volgende verkoopseizoen overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 320/2006 afstand doet van het totale aan haar toegekende quotum, wordt, op haar verzoek, niet onderworpen aan de toepassing van de in artikel 52, lid 2, bedoelde coëfficiënten. Dat verzoek moet worden ingediend vóór het einde van het verkoopseizoen waarop de onttrekking betrekking heeft.

▼B

Artikel 53

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie kan de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vaststellen, en met name:

a) de criteria die de suikerondernemingen moeten toepassen bij de verdeling van de hoeveelheden bieten waarop de vóór de inzaai gesloten leveringscontracten als bedoeld in artikel 50, lid 4, betrekking moeten hebben, over de verkopers van de bieten;

b) het in artikel 52, lid 1, bedoelde percentage aan de markt te onttrekken quotumsuiker;

c) de voorwaarden voor de betaling van de minimumprijs in het geval dat de aan de markt onttrokken suiker overeenkomstig artikel 52, lid 4, op de communautaire markt wordt verkocht.



Sectie IV

Aanpassing van het aanbod

Artikel 54

Maatregelen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken

Ter aanmoediging van de initiatieven van het bedrijfsleven om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, uitgezonderd de initiatieven tot het uit de markt nemen van producten, kan de Commissie de volgende maatregelen nemen voor de sectoren levende planten, rundvlees, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren en pluimvee:

a) maatregelen ter verbetering van de kwaliteit;

b) maatregelen die kunnen bijdragen tot een betere organisatie van productie, verwerking en afzet;

c) maatregelen om de notering van de marktprijstendensen te vergemakkelijken;

d) maatregelen om het opstellen van ramingen op korte en lange termijn aan de hand van gegevens betreffende de gebruikte productiemiddelen mogelijk te maken.



HOOFDSTUK III

Productiebeperkingssystemen



Sectie I

Algemene bepalingen

▼M10

Artikel 55

Quotaregelingen en productiepotentieel

▼M7

1.  Voor de volgende producten wordt een quotaregeling toegepast:

a) melk en andere zuivelproducten als omschreven in artikel 65, onder a) en b);

b) suiker, isoglucose en inulinestroop;

c) aardappelzetmeel dat in aanmerking komt voor communautaire steun.

2.  Als een producent met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), van dit artikel bedoelde quotaregelingen de desbetreffende quota overschrijdt en, wat suiker betreft, geen gebruik maakt van de in artikel 61 bedoelde overtollige hoeveelheden, wordt op die hoeveelheden een overschotheffing gelegd met inachtneming van de in de secties II en III vastgestelde voorwaarden.

▼M10

2 bis.  Voor de wijnsector zijn de bepalingen inzake productiepotentieel die betrekking hebben op onrechtmatige aanplant, de overgangsregeling inzake aanplantrechten en de rooiregeling, van toepassing overeenkomstig sectie IV bis.

▼B



Sectie II

Suiker



Subsectie I

Toewijzing en beheer van quota

Artikel 56

Toewijzing van quota

1.  De quota voor de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop op nationaal of regionaal niveau worden vastgesteld in bijlage IV.

2.  De lidstaten kennen een quotum toe aan elke suiker-, isoglucose- of inulinestroopproducerende onderneming die op hun grondgebied is gevestigd en overeenkomstig artikel 57 is erkend.

Voor elke onderneming is het toe te kennen quotum gelijk aan het quotum in de zin van Verordening (EG) nr. 318/2006 dat voor het verkoopseizoen 2007/2008 aan de onderneming was toegekend.

3.  Bij de toekenning van een quotum aan een suikerproducerende onderneming die meer dan één productie-eenheid heeft, nemen de lidstaten de maatregelen die zij noodzakelijk achten om terdege rekening te houden met de belangen van de telers van suikerbieten en suikerriet.

Artikel 57

Erkende ondernemingen

1.  Op verzoek verlenen de lidstaten een erkenning aan een onderneming die suiker, isoglucose of inulinestroop produceert, of aan een onderneming die deze producten verwerkt bij de vervaardiging van een product dat voorkomt op de in artikel 62, lid 2, bedoelde lijst, mits de onderneming:

a) het bewijs levert van haar professionele productiecapaciteit;

b) ermee instemt alle informatie te verstrekken en controles te ondergaan die verband houden met deze verordening;

c) niet het voorwerp is van een schorsing of intrekking van de erkenning.

2.  De erkende ondernemingen verstrekken de lidstaat op het grondgebied waarvan de oogst van de suikerbieten of van het suikerriet of de raffinage plaatsvindt, de volgende gegevens:

a) de hoeveelheden suikerbieten of suikerriet waarvoor een leveringscontract is gesloten, en de desbetreffende schattingen van de opbrengsten aan suikerbieten of suikerriet en aan suiker per hectare;

b) gegevens over de verwachte en werkelijke leveringen van suikerbieten, suikerriet en ruwe suiker en over de suikerproductie, alsmede opgaven van de suikervoorraden;

c) de verkochte hoeveelheden witte suiker en de desbetreffende prijzen en voorwaarden.

Artikel 58

Extra en aanvullend isoglucosequotum

1.  In het verkoopseizoen 2008/2009 wordt een extra isoglucosequotum van 100 000 ton toegevoegd aan het quotum van het voorgaande verkoopseizoen. Deze verhoging heeft geen betrekking op Bulgarije en Roemenië.

In het verkoopseizoen 2008/2009 wordt een extra isoglucosequotum van 11 045 ton voor Bulgarije en 1 966  ton voor Roemenië toegevoegd aan het quotum van het voorgaande verkoopseizoen.

De lidstaten verdelen de extra quota over de ondernemingen naar evenredigheid van de overeenkomstig artikel 53, lid 2, toegekende isoglucosequota.

2.  Italië, Litouwen en Zweden kunnen aan ondernemingen die op hun grondgebied gevestigd zijn, desgevraagd een aanvullend quotum isoglucose toekennen in de verkoopseizoenen 2008/2009 en 2009/2010. De maximale aanvullende quota worden per lidstaat vastgesteld in bijlage VII.

3.  Op de quota die overeenkomstig lid 2 aan ondernemingen worden toegekend, wordt een eenmalige heffing van 730 euro berekend. Deze wordt geïnd per ton toegekend aanvullend quotum.

▼M3

Artikel 59

Beheer van de quota

1.  De Commissie past de in bijlage VI vastgestelde quota aan uiterlijk op 30 april 2008 voor het verkoopseizoen 2008/2009, uiterlijk 28 februari 2009 voor het verkoopseizoen 2009/2010 en uiterlijk eind februari 2010 voor het verkoopseizoen 2010/2011. De aanpassingen zijn het gevolg van de toepassing van lid 2 van dit artikel, artikel 58 van deze verordening en artikel 3 en artikel 4 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 320/2006.

2.  Rekening houdend met de resultaten van de bij Verordening (EG) nr. 320/2006 ingestelde herstructureringsregeling neemt de Commissie uiterlijk op 28 februari 2010 een besluit over het gemeenschappelijke percentage waarmee de bestaande suiker- en isoglucosequota per lidstaat of regio moeten worden verlaagd om verstoringen van het marktevenwicht in de verkoopseizoenen vanaf 2010/2011 te voorkomen. De lidstaten passen het quotum van elke onderneming dienovereenkomstig aan.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid stelt de Commissie voor de lidstaten waarvoor het nationale quotum is verlaagd als gevolg van de afstanddoening van quotum overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 320/2006, het percentage vast overeenkomstig bijlage VII bis bij de onderhavige verordening. Deze lidstaten passen voor elke onderneming op hun grondgebied die over een quotum beschikt, het percentage aan overeenkomstig bijlage VII ter bij de onderhavige verordening.

De eerste en de tweede alinea gelden niet voor de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden.

Artikel 60

Herverdeling van het nationale quotum en verlaging van quota

1.  Een lidstaat kan de suiker- of isoglucosequota die aan een op zijn grondgebied gevestigde onderneming zijn toegekend, verlagen met ten hoogste 10 % voor het verkoopseizoen 2008/2009 en de volgende verkoopseizoenen, mits hij de vrijheid van de ondernemingen eerbiedigt om deel te nemen aan de bij Verordening (EG) nr. 320/2006 ingevoerde mechanismen. De lidstaten passen daarbij objectieve en niet-discriminerende criteria toe.

▼B

2.  De lidstaten kunnen quota overdragen tussen ondernemingen overeenkomstig de in bijlage VI vastgestelde regels en met inachtneming van de belangen van elk van de betrokken partijen, in het bijzonder de telers van suikerbieten en suikerriet.

3.  De overeenkomstig de leden 1 en 2 verlaagde hoeveelheden worden door de betrokken lidstaat toegekend aan een of meer ondernemingen op zijn grondgebied die al dan niet over een quotum beschikken.

▼M3

4.  In afwijking van lid 3 passen de lidstaten, wanneer artikel 4 bis van Verordening (EG) nr. 320/2006 wordt toegepast, het aan de betrokken onderneming toegekende suikerquotum aan door de overeenkomstig lid 4 van dat artikel bepaalde verlaging toe te passen binnen de grenzen van het in lid 1 van het onderhavige artikel vastgestelde percentage.

▼B



Subsectie II

Quotumoverschrijding

Artikel 61

Toepassingsgebied

De suiker, isoglucose of inulinestroop die in een verkoopseizoen boven het in artikel 56 bedoelde quotum worden geproduceerd, mogen:

a) worden gebruikt voor de vervaardiging van bepaalde producten als bedoeld in artikel 62;

b) overeenkomstig artikel 63 worden overgeboekt naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen;

c) worden gebruikt voor de specifieke voorzieningsregeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden, overeenkomstig titel II van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad ( 1 ), of

d) worden uitgevoerd binnen de kwantitatieve grens die de Commissie vaststelt met inachtneming van de verbintenissen in het kader van volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

De overige hoeveelheden worden onderworpen aan de in artikel 64 bedoelde overschotheffing.

Artikel 62

Industriële suiker

1.  Industriële suiker, industriële isoglucose of industriële inulinestroop worden gereserveerd voor de vervaardiging van een van de in lid 2 bedoelde producten indien:

a) daarvoor vóór het einde van het verkoopseizoen een leveringscontract is gesloten tussen de producent en een gebruiker, welke beiden overeenkomstig artikel 57 zijn erkend; en tevens

b) deze suiker, isoglucose of inulinestroop uiterlijk op 30 november van het volgende verkoopseizoen aan de gebruiker is geleverd.

2.  De Commissie stelt een lijst op van de producten voor de vervaardiging waarvan industriële suiker, industriële isoglucose of industriële inulinestroop wordt gebruikt.

Deze lijst bevat met name:

a) bioethanol, alcohol, rum, levende gisten en hoeveelheden smeersiroop en hoeveelheden stroop voor de productie van „Rinse appelstroop”;

b) bepaalde industriële producten die geen suiker bevatten maar voor de vervaardiging waarvan suiker, isoglucose of inulinestroop wordt gebruikt;

c) bepaalde producten van de chemische of farmaceutische industrie die suiker, isoglucose of inulinestroop bevatten.

Artikel 63

Overboeking van overtollige suiker

1.  Elke onderneming kan besluiten haar productie boven haar suikerquotum, haar isoglucosequotum of haar inulinestroopquotum geheel of gedeeltelijk over te boeken voor behandeling als een deel van de productie van het volgende verkoopseizoen. Onverminderd lid 3 is een dergelijk besluit onherroepelijk.

2.  Ondernemingen die het in lid 1 bedoelde besluit nemen:

a) stellen de betrokken lidstaat vóór een door deze lidstaat te bepalen datum

 tussen 1 februari en 30 juni van het lopende verkoopseizoen in kennis van de hoeveelheden rietsuiker die worden overgeboekt;

 tussen 1 februari en 15 april van het lopende verkoopseizoen in kennis van de hoeveelheden suiker of inulinestroop die worden overgeboekt;

b) verbinden zich ertoe die hoeveelheden op eigen kosten tot het einde van het lopende verkoopseizoen op te slaan.

3.  Indien de definitieve productie van de onderneming in het betrokken verkoopseizoen kleiner was dan de schatting die is gemaakt toen het in lid 1 bedoelde besluit werd genomen, mag de overgeboekte hoeveelheid uiterlijk op 31 oktober van het volgende verkoopseizoen met terugwerkende kracht worden aangepast.

4.  De overgeboekte hoeveelheden worden geacht de eerste hoeveelheden te zijn die binnen het quotum van het volgende verkoopseizoen worden geproduceerd.

5.  Op suiker die overeenkomstig dit artikel tijdens een verkoopseizoen is opgeslagen, mogen geen andere opslagmaatregelen op grond van de artikelen 13, 32 of 52 worden toegepast.

Artikel 64

Overschotheffing

1.  Er wordt een overschotheffing gelegd op:

a) de in enig verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden overtollige suiker, overtollige isoglucose en overtollige inulinestroop met uitzondering van de overeenkomstig artikel 63 naar de quotumproductie van het volgende verkoopseizoen overgeboekte en opgeslagen hoeveelheden of de in artikel 61, onder c) en d), bedoelde hoeveelheden;

b) de hoeveelheden industriële suiker, industriële isoglucose en industriële inulinestroop waarvoor uiterlijk op een door de Commissie te bepalen datum nog geen bewijs is geleverd dat die hoeveelheden zijn verwerkt bij de vervaardiging van een van de in artikel 62, lid 2, bedoelde producten;

▼M3

c) de overeenkomstig de artikelen 52 en 52 bis aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker en isoglucose waarvoor de in artikel 52, lid 3, bedoelde verplichtingen niet worden nagekomen.

▼B

2.  De overschotheffing wordt door de Commissie vastgesteld op een niveau dat hoog genoeg is om de in lid 1 bedoelde opeenstapeling van hoeveelheden te voorkomen.

3.  De in lid 1 bedoelde overschotheffing wordt door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening gebracht op basis van de geproduceerde hoeveelheden zoals bedoeld in lid 1 die voor de ondernemingen voor het betrokken verkoopseizoen zijn geconstateerd.



Sectie III

Melk



Subsectie I

Algemene bepalingen

Artikel 65

Definities

Voor de toepassing van deze sectie wordt verstaan onder:

a) „melk”: het door het melken van één of meer koeien verkregen product;

b) „andere zuivelproducten”: alle andere zuivelproducten dan melk, met name magere melk, room, boter, yoghurt en kaas; in voorkomend geval worden deze producten in „melkequivalent” omgerekend aan de hand van door de Commissie vast te stellen coëfficiënten;

c) „producent”: landbouwer wiens bedrijf zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt en die melk produceert en vermarkt of voorbereidingen treft om dit in een zeer nabije toekomst te doen;

d) „bedrijf”: bedrijf in de zin van artikel 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003;

e) „koper”: een onderneming of groepering die van een producent melk koopt:

 om deze, ook in het kader van een loonwerkovereenkomst, in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen of te verwerken;

 om deze door te verkopen aan een of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken.

Een groepering van in een zelfde geografisch gebied gevestigde kopers die voor rekening van de aangeslotenen administratieve en boekhoudkundige handelingen verricht welke noodzakelijk zijn voor de betaling van de overschotheffing, wordt als koper beschouwd. Voor de toepassing van de eerste zin van deze alinea wordt Griekenland als één geografisch gebied beschouwd en kan het een overheidsorganisatie gelijkstellen met een groepering van kopers;

f) „levering”: elke levering van melk, exclusief andere zuivelproducten, door een producent aan een koper ongeacht of de producent, een koper, een bedrijf dat deze melk behandelt of verwerkt, dan wel een derde de melk vervoert;

g) „rechtstreekse verkoop”: elke verkoop of overdracht van melk die rechtstreeks door de producent aan de consument wordt verricht, alsmede elke door een producent verrichte verkoop of overdracht van andere zuivelproducten. De Commissie kan, met inachtneming van de definitie van „levering” in punt f), de definitie van „rechtstreekse verkoop” aanpassen om met name te voorkomen dat hoeveelheden melk of andere zuivelproducten die worden vermarkt, buiten de quotaregeling vallen;

h) „vermarkting”: levering van melk of rechtstreekse verkoop van melk of andere zuivelproducten;

i) „individueel quotum”: het quotum van een producent per 1 april van elk tijdvak van twaalf maanden;

j) „nationaal quotum”: het voor elke lidstaat vastgestelde quotum als bedoeld in artikel 66;

k) „beschikbaar quotum”: het voor de producenten beschikbare quotum op 31 maart van het tijdvak van twaalf maanden waarover de overschotheffing wordt berekend, rekening houdend met alle in deze verordening bedoelde overdrachten, omzettingen, verkopen en tijdelijke hertoewijzingen die in dit tijdvak van twaalf maanden hebben plaatsgevonden.



Subsectie II

Toewijzing en beheer van quota

Artikel 66

Nationale quota

1.  De nationale quota voor de productie van melk en andere zuivelproducten die gedurende zeven opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 2008, (hierna „tijdvakken van twaalf maanden” genoemd) worden vermarkt, worden vastgesteld in punt 1 van bijlage IX.

2.  De in lid 1 bedoelde quota worden overeenkomstig artikel 67 over de producenten verdeeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen levering en rechtstreekse verkoop. Overschrijdingen van de nationale quota worden overeenkomstig deze sectie, op nationaal niveau in elke lidstaat en afzonderlijk voor leveringen en rechtstreekse verkopen vastgesteld.

3.  De in bijlage IX, punt 1, opgenomen nationale quota worden vastgesteld onverminderd een eventuele herziening in het licht van de algemene marktsituatie en van bijzondere omstandigheden in bepaalde lidstaten.

4.  Voor Bulgarije en Roemenië wordt een speciale herstructureringsreserve ingevoerd zoals vastgesteld in bijlage IX, punt 2. Deze reserve wordt met ingang van 1 april 2009 vrijgegeven in de mate waarin de consumptie op het bedrijf van melk en zuivelproducten in elk van deze landen sedert 2002 is gedaald.

Het besluit tot vrijgave van de reserve en inzake de verdeling ervan over de quota voor de leveringen en de rechtstreekse verkoop wordt door de Commissie genomen op basis van een uiterlijk op 31 december 2008 door Bulgarije en Roemenië bij de Commissie in te dienen verslag. Dit verslag moet de resultaten en trends van het lopende herstructureringsproces in de zuivelsector van elk land, en met name de verschuiving van productie voor consumptie op het eigen bedrijf naar productie voor de markt, gedetailleerd weergeven.

▼A1

4 bis.  Voor Kroatië wordt een speciale herstructureringsreserve ingevoerd zoals vastgesteld in bijlage IX, punt 2. Deze reserve wordt met ingang van 1 april van het eerste quotumjaar na de toetreding vrijgegeven in de mate waarin de consumptie op het bedrijf van melk en zuivelproducten in Kroatië in de periode 2008-2012 is gedaald.

Het besluit tot vrijgave van de reserve en inzake de verdeling ervan over de quota voor de leveringen en de rechtstreekse verkoop wordt door de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 195, lid 2, genomen op basis van de beoordeling van een uiterlijk op 31 december 2013 door Kroatië aan de Commissie voor te leggen verslag. Dit verslag moet de resultaten en trends van het lopende herstructureringsproces in de zuivelsector van Kroatië, en met name de verschuiving van productie voor verbruik op het eigen bedrijf naar productie voor de markt, gedetailleerd weergeven.

▼B

5.  Voor Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije hebben de nationale quota betrekking op alle hoeveelheden melk of melkequivalent die worden geleverd aan een koper of rechtstreeks worden verkocht, ook indien deze krachtens een in die landen geldende overgangsmaatregel worden geproduceerd of vermarkt.

Artikel 67

Individuele quota

1.  Het individuele quotum of de individuele quota van de producenten op 1 april 2008 is/zijn gelijk aan hun individuele referentiehoeveelheid of referentiehoeveelheden op 31 maart 2008, onverminderd, overdrachten, verkopen, omzettingen van quota die op 1 april 2008 ingaan.

2.  Producenten kunnen beschikken over één of over twee individuele quota, waarvan één voor leveringen en één voor rechtstreekse verkoop. Alleen de bevoegde autoriteit van de lidstaat kan op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de producent een omzetting van het ene in het andere quotum verrichten.

3.  Beschikt de producent over twee quota, dan wordt zijn bijdrage in de eventueel verschuldigde overschotheffing voor elk quotum afzonderlijk berekend.

4.  Ter compensatie van de Finse „SLOM”-producenten kan het aan leveringen toegekende deel van het Finse nationale quotum als bedoeld in artikel 66, door de Commissie worden verhoogd tot maximaal 200 000 ton. Deze overeenkomstig de communautaire wetgeving toe te kennen reserve mag uitsluitend worden gebruikt voor producenten wier recht om de productie te hervatten ten gevolge van de toetreding is aangetast.

5.  De individuele quota worden in voorkomend geval voor elk van de betrokken tijdvakken van twaalf maanden zodanig aangepast dat de som van de individuele quota voor leveringen en van die voor rechtstreekse verkoop voor geen enkele lidstaat het desbetreffende gedeelte van het overeenkomstig artikel 69 aangepaste nationale quotum overschrijdt, rekening houdend met eventuele verminderingen voor aan de in artikel 71 bedoelde nationale reserve toegewezen hoeveelheden.

Artikel 68

Toewijzing van quota uit de nationale reserve

De lidstaten stellen de voorschriften vast voor de toewijzing aan de producenten, aan de hand van aan de Commissie meegedeelde objectieve criteria, van alle of een deel van de quota uit de in artikel 71 bedoelde nationale reserve.

Artikel 69

Quotabeheer

1.  De Commissie verricht voor elke lidstaat en voor elk tijdvak, vóór het einde daarvan, een aanpassing van het aandeel van „leveringen” en „rechtstreekse verkoop” in de nationale quota, rekening houdend met de door de producenten gevraagde omzettingen van individuele quota voor leveringen in individuele quota voor rechtstreekse verkoop en omgekeerd.

2.  De lidstaten delen de Commissie jaarlijks vóór de data en overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die de Commissie overeenkomstig artikel 192, lid 2, vaststelt, de gegevens mee die nodig zijn voor:

a) de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanpassing;

b) de berekening van de door de lidstaat te betalen overschotheffing.

Artikel 70

Vetgehalte

1.  Aan iedere producent met een individueel quotum voor leveringen wordt voor dat quotum een referentievetgehalte toegekend.

2.  Voor de per 31 maart 2008 overeenkomstig artikel 67, lid 1, aan de producenten toegewezen quota is het in lid 1 bedoelde referentievetgehalte gelijk aan het referentievetgehalte dat op die datum voor dat quotum geldt.

3.  Het referentievetgehalte wordt gewijzigd bij de in artikel 67, lid 2, bedoelde omzetting en wanneer quota worden verworven, overgedragen of tijdelijk overgedragen volgens door de Commissie vast te stellen regels.

4.  Voor nieuwe producenten met een individueel quotum voor leveringen dat volledig afkomstig is uit de nationale reserve, wordt het vetgehalte volgens door de Commissie te bepalen regels vastgesteld.

5.  De in lid 1 bedoelde individuele referentievetgehalten worden, in voorkomend geval, bij de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens bij de aanvang van elk tijdvak van twaalf maanden telkens wanneer dat nodig is, zodanig aangepast dat het gewogen gemiddelde van de bovenbedoelde vetgehalten voor elke lidstaat het in bijlage X vastgestelde referentievetgehalte met niet meer dan 0,1  gram per kg overschrijdt.

Het in bijlage X voor Roemenië vastgestelde referentievetgehalte wordt herzien op basis van de cijfers voor het volledige jaar 2004 en, indien nodig, door de Commissie aangepast.

Artikel 71

Nationale reserve

1.  Elke lidstaat vormt, met name met het oog op de in artikel 68 bedoelde toewijzing, een nationale reserve binnen de in bijlage IX vastgestelde nationale quota. De nationale reserve wordt aangevuld, naargelang van het geval, door de in artikel 72 bedoelde overname van hoeveelheden, de in artikel 76 bedoelde inhouding op overdrachten of een lineaire verlaging van alle individuele quota. Deze quota blijven hun oorspronkelijke indeling als „leveringen” of „rechtstreekse verkoop” behouden.

2.  Elk aan een lidstaat toegekend extra quotum gaat automatisch naar de nationale reserve en wordt volgens de voorzienbare behoeften verdeeld tussen „leveringen” en „rechtstreekse verkoop”.

3.  De quota die zich in de nationale reserve bevinden, hebben geen referentievetgehalte.

Artikel 72

Inactiviteit

1.  Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon die over individuele quota beschikt, gedurende een tijdvak van twaalf maanden niet langer aan de voorwaarden van artikel 65, onder c), voldoet, worden de overeenkomstige hoeveelheden uiterlijk op 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar aan de nationale reserve toegevoegd, tenzij die persoon voor die datum opnieuw een producent in de zin van artikel 65, punt c), wordt.

Indien die persoon uiterlijk aan het einde van het tweede tijdvak van twaalf maanden na de ontneming van zijn individuele quotum opnieuw een producent wordt, wordt het individuele quotum dat hem was ontnomen, hem uiterlijk op 1 april na de datum waarop hij hierom verzoekt, geheel of gedeeltelijk opnieuw toegewezen.

2.  Wanneer een producent gedurende ten minste een tijdvak van twaalf maanden niet ten minste ►M7  85 % ◄ van zijn individuele quotum vermarkt, kan de lidstaat beslissen of en onder welke voorwaarden het ongebruikte quotum geheel of gedeeltelijk wordt toegevoegd aan de nationale reserve.

De lidstaat bepaalt de voorwaarden waaronder een quotum opnieuw aan de betrokken producent wordt toegewezen indien deze de vermarkting hervat.

3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing in geval van overmacht en in deugdelijk gemotiveerde en door de bevoegde autoriteiten erkende gevallen die tijdelijk de productiecapaciteit van de betrokken producenten beïnvloeden.

Artikel 73

Tijdelijke overdrachten

1.  Aan het einde van elk tijdvak van twaalf maanden staan de lidstaten voor het betrokken tijdvak de tijdelijke overdracht toe van een deel van de individuele quota die de producenten die hierover beschikken, niet voornemens zijn te gebruiken.

De lidstaten kunnen de overdrachten regelen naargelang van de categorie producenten of de structuur van de melkproductie, ze beperken op het niveau van de koper of binnen de regio, volledige overdracht toestaan in de in artikel 72, lid 3, bedoelde gevallen en bepalen in hoeverre de cedent overdrachten kan herhalen.

2.  Elke lidstaat kan besluiten lid 1 niet toe te passen op grond van één van of van beide onderstaande criteria:

a) de noodzaak structurele ontwikkelingen en aanpassingen te vergemakkelijken;

b) dringende redenen van administratieve aard.

Artikel 74

Overdracht van quota met grond

1.  Bij verkoop, verhuur, overgang door vererving — ook vóór het overlijden van de erflater — of elke andere overdracht die voor de producent vergelijkbare rechtsgevolgen heeft, worden de individuele quota samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. Het gedeelte van het quotum dat in voorkomend geval niet met het bedrijf wordt overgedragen, wordt aan de nationale reserve toegevoegd.

2.  Wanneer de quota overeenkomstig lid 1 in het kader van verpachting of andere middelen met vergelijkbare rechtsgevolgen zijn of worden overgedragen, kunnen de lidstaten op basis van objectieve criteria en met het oog op toewijzing van de quota aan uitsluitend de producenten, besluiten dat het quotum niet samen met het bedrijf wordt overgedragen.

3.  Bij overdracht van grond aan de overheid en/of ten algemenen nutte of wanneer de overdracht geen landbouwdoeleinden dient, zien de lidstaten erop toe dat de nodige maatregelen ter vrijwaring van de rechtmatige belangen van de partijen worden getroffen, en met name dat de vertrekkende producent in de gelegenheid wordt gesteld de melkproductie voort te zetten, indien hij dit wenst.

4.  Bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de partijen worden in geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst die niet op soortgelijke voorwaarden kan worden verlengd, of in situaties met vergelijkbare rechtsgevolgen de individuele quota geheel of ten dele overgedragen aan de producent die ze overneemt, volgens door de lidstaten vastgestelde bepalingen en met inachtneming van de rechtmatige belangen van de partijen.

Artikel 75

Bijzondere overdrachten

1.  Om de herstructurering van de melkproductie tot een goed einde te brengen of de milieusituatie te verbeteren, kunnen de lidstaten op de wijze die zij bepalen met inachtneming van de rechtmatige belangen van de partijen:

a) aan producenten die zich ertoe verbinden de melkproductie geheel of ten dele definitief te staken, een vergoeding toekennen die ineens of in jaarlijkse tranches wordt betaald, en de aldus vrijgekomen individuele quota aan de nationale reserve toevoegen;

b) aan de hand van objectieve criteria bepalen op welke voorwaarden een producent aan het begin van een tijdvak van twaalf maanden kan verkrijgen dat de bevoegde autoriteit of de door haar aangewezen instantie hem tegen voorafgaande betaling individuele quota toewijst die aan het einde van het voorgaande tijdvak van twaalf maanden definitief door andere producenten zijn vrijgemaakt in ruil voor een vergoeding ineens of in jaarlijkse tranches die gelijk is aan de bovengenoemde betaling;

c) de overdrachten van quota zonder grond centraliseren en er toezicht op uitoefenen;

d) bij overdracht van grond met het oog op verbetering van het milieu, het betrokken individuele quotum toewijzen aan de vertrekkende producent, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten;

e) aan de hand van objectieve criteria bepalen in welke regio's en ophaalgebieden met het oog op de verbetering van de melkproductiestructuur quota definitief mogen worden overgedragen zonder overeenkomstige overdracht van gronden;

f) op verzoek van een producent aan de bevoegde autoriteit of een door haar aangewezen instantie de definitieve overdracht van quota zonder overeenkomstige overdracht van grond of andersom toestaan, ten einde de structuur van de melkproductie op het niveau van het bedrijf te verbeteren of bij te dragen tot de extensivering van de productie.

2.  De bepalingen van lid 1 kunnen op nationaal niveau, op het passende territoriale niveau of in bepaalde ophaalgebieden worden uitgevoerd.

Artikel 76

Inhouding van quota

1.  Wanneer de in de artikelen 74 en 75 bedoelde overdrachten worden verricht, kunnen de lidstaten ten behoeve van de nationale reserve op basis van objectieve criteria een gedeelte van de individuele quota inhouden.

2.  Wanneer de quota overeenkomstig de artikelen 74 en 75 met of zonder de corresponderende grond in het kader van verpachting of andere middelen met vergelijkbare rechtsgevolgen zijn of worden overgedragen, kunnen de lidstaten op basis van objectieve criteria en met het oog op toewijzing van de quota aan de producenten alleen, beslissen of en onder welke voorwaarden de overgedragen quota geheel of ten dele aan de nationale reserve worden toegevoegd.

Artikel 77

Steun voor het verkrijgen van quota

De verkoop, overdracht of toewijzing van quota op grond van deze sectie komt niet in aanmerking voor enigerlei door een overheidsinstantie te verlenen financiële steun die rechtstreeks aan de verkrijging van quota gekoppeld is.



Subsectie III

Quotumoverschrijding

Artikel 78

Overschotheffing

1.  Op melk en andere zuivelproducten die worden vermarkt boven de overeenkomstig subsectie II vastgestelde nationale quota, wordt een overschotheffing gelegd.

Deze heffing wordt vastgesteld op 27,83 euro per 100 kilogram melk.

▼M7

Voor de perioden van twaalf maanden die ingaan op 1 april 2009 en 1 april 2010 wordt de overschotheffing voor hoeveelheden melk die meer dan 106 % bedragen van de nationale leveringsquota die van toepassing zijn tijdens de twaalfmaandelijkse periode die ingaat op 1 april 2008, vastgesteld op 150 % van de in de tweede alinea bedoelde heffing.

▼M12

1 bis.  In afwijking van lid 1, eerste alinea, is, voor de perioden van twaalf maanden die ingaan op 1 april 2009 en op 1 april 2010, en enkel voor de melkleveringen, de overschotheffing verschuldigd voor melk die wordt vermarkt boven het overeenkomstig subsectie II vastgestelde nationale quotum, verminderd met de individuele quota voor leveringen die overeenkomstig artikel 75, lid 1, onder a), vanaf 30 november 2009 aan de nationale reserve worden toegevoegd en daar ook blijven tot en met 31 maart van de betrokken periode van twaalf maanden.

▼B

2.  De lidstaten zijn de Gemeenschap de overschotheffing verschuldigd die voortvloeit uit de overschrijding van het nationale quotum, dat op nationaal niveau afzonderlijk wordt bepaald voor leveringen en rechtstreekse verkopen, en zij storten tussen 16 oktober en 30 november na afloop van het betrokken tijdvak van twaalf maanden 99 % van het verschuldigde bedrag in het ELGF.

▼M12

2 bis.  Het verschil tussen het bedrag van de overschotheffing dat voortvloeit uit de toepassing van lid 1 bis en het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van lid 1, eerste alinea, wordt door de lidstaat gebruikt voor de financiering van herstructureringsmaatregelen in de zuivelsector.

▼B

3.  Als de in lid 1 bedoelde overschotheffing niet vóór de vastgestelde datum is betaald, brengt de Commissie, na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen, een bedrag gelijk aan de niet-betaalde overschotheffing in mindering op de maandelijkse betalingen in de zin van artikel 14 en artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1290/2005. Alvorens een besluit te nemen meldt de Commissie dit aan de betrokken lidstaat, die binnen een week zijn standpunt kenbaar maakt. Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2040/2000 ( 2 ) van de Raad is niet van toepassing.

4.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.

Artikel 79

Bijdrage van de producenten in de verschuldigde overschotheffing

De overschotheffing wordt overeenkomstig de artikelen 80 en 83, volledig omgeslagen over de producenten die hebben bijgedragen tot elk van de overschrijdingen van de in artikel 66, lid 2, bedoelde nationale quota.

Onverminderd artikel 80, lid 3, en artikel 83, lid 1, zijn de producenten de lidstaat de betaling verschuldigd van hun bijdrage in de overeenkomstig de artikelen 69, 70 en 80 berekende overschotheffing die zij louter wegens de overschrijding van hun beschikbare quota verschuldigd zijn.

▼M12

Voor de perioden van twaalf maanden die ingaan op 1 april 2009 en op 1 april 2010, en enkel voor de melkleveringen, wordt de overschotheffing overeenkomstig de artikelen 80 en 83 volledig omgeslagen over de producenten die hebben bijgedragen aan de overschrijding van het nationale quotum, vastgesteld overeenkomstig artikel 78, lid 1 bis.

▼B

Artikel 80

Overschotheffingen op leveringen

1.  Om de eindafrekening van de overschotheffing op te stellen, worden de door iedere producent geleverde hoeveelheden, wanneer het werkelijke vetgehalte van het referentievetgehalte afwijkt, door toepassing van door de Commissie vast te stellen coëfficiënten en voorwaarden naar boven of naar onder gecorrigeerd.

▼M7

Op nationaal niveau wordt de overschotheffing berekend op basis van de overeenkomstig de eerste alinea gecorrigeerde som van de leveringen.

▼M7 —————

▼B

3.  De bijdrage van de producenten in de betaling van de verschuldigde overschotheffing wordt, naar keuze van de lidstaat, al dan niet na hertoewijzing van het ongebruikte deel van het nationale quotum voor leveringen, door de lidstaten vastgesteld naar evenredigheid van de individuele quota van elke producent of overeenkomstig door de lidstaten vast te stellen objectieve criteria:

a) hetzij op nationaal niveau op basis van de hoeveelheid waarmee het quotum van elke producent overschreden is,

b) hetzij eerst voor iedere koper en vervolgens, in voorkomend geval, op nationaal niveau.

▼M7

Bij toepassing van artikel 78, lid 1, derde alinea, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer zij de bijdrage van elke producent in de betaling van het deel van de heffing dat resulteert uit de toepassing van het in die alinea bedoelde hogere percentage vaststellen, aan dit deel evenredig wordt bijgedragen door de producenten die, volgens door de lidstaat vast te stellen objectieve criteria, hiervoor aansprakelijk zijn.

▼B

Artikel 81

Rol van de koper

1.  De koper is verantwoordelijk voor de inning, bij de producenten, van de bijdragen die deze verschuldigd zijn uit hoofde van de overschotheffing en betaalt aan de bevoegde instantie van de lidstaat, vóór een datum en overeenkomstig nadere voorschriften die door de Commissie worden bepaald, het bedrag van deze bijdragen die hij inhoudt op de aan de producenten die voor de overschrijding verantwoordelijk zijn betaalde melkprijs of die hij, bij gebreke daarvan, op een andere passende wijze int.

2.  Indien een koper geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt van een of meer andere kopers, worden voor de rest van het lopende tijdvak van twaalf maanden de individuele quota van de producenten in aanmerking genomen onder aftrek van de reeds geleverde hoeveelheden en rekening houdend met het vetgehalte daarvan. Dit lid geldt ook wanneer een producent van koper verandert.

3.  Wanneer, in de loop van de referentieperiode, de door een producent geleverde hoeveelheden zijn beschikbare quotum overschrijden, kan de lidstaat beslissen dat de koper bij elke levering van die producent die zijn quotum overschrijdt, op de door de lidstaat vastgestelde wijze, een bedrag inhoudt op de voor de melk betaalde prijs als voorschot op de bijdrage van deze producent in de overschotheffing. De lidstaat kan specifieke bepalingen vaststellen die de kopers de mogelijkheid bieden dat voorschot in te houden wanneer de producenten aan verscheidene kopers leveren.

Artikel 82

Erkenning

De hoedanigheid van koper moet vooraf door de lidstaat worden erkend aan de hand van door de Commissie vast te stellen criteria.

De door een producent te vervullen voorwaarden en in geval van rechtstreekse verkoop te verstrekken gegevens worden door de Commissie vastgesteld.

Artikel 83

Overschotheffing bij rechtstreekse verkoop

1.  Bij rechtstreekse verkoop wordt naar keuze van de lidstaat de bijdrage van elke producent in de betaling van de overschotheffing, al dan niet na hertoewijzing van het ongebruikte deel van het nationale quotum voor directe verkoop, hetzij op het passende territoriale niveau, hetzij nationaal vastgesteld.

2.  Aan de hand van door de Commissie vastgestelde criteria bepalen de lidstaten de grondslag voor de berekening van de bijdrage van de producent in de overschotheffing die verschuldigd is op de totale hoeveelheid melk die is verkocht of doorverkocht of is gebruikt voor de vervaardiging van verkochte of doorverkochte zuivelproducten.

3.  Voor het opstellen van de eindafrekening van de overschotheffing wordt geen rekening gehouden met het vetgehalte.

4.  De Commissie bepaalt hoe en wanneer de overschotheffing aan de bevoegde instantie van de lidstaat moet worden betaald.

Artikel 84

Te veel betaalde en onbetaalde bedragen

1.  Wanneer met betrekking tot leveringen of rechtstreekse verkopen wordt geconstateerd dat overschotheffing verschuldigd is en dat de van de producenten geïnde bijdrage groter is dan die heffing, kan de lidstaat:

a) het te veel geïnde bedrag geheel of gedeeltelijk gebruiken voor de financiering van de in artikel 75, lid 1, onder a), bedoelde maatregelen en/of

b) dit bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetalen aan producenten die:

 behoren tot prioritaire categorieën die de lidstaat vaststelt op basis van door de Commissie te bepalen objectieve criteria en termijnen, of

 zich in buitengewone omstandigheden bevinden als gevolg van een nationale maatregel die geen verband houdt met de in dit hoofdstuk vastgestelde quotaregeling voor melk en andere zuivelproducten.

2.  Wanneer geconstateerd wordt dat geen overschotheffing verschuldigd is, worden door de kopers of de lidstaat eventueel geïnde voorschotten uiterlijk aan het einde van het volgende tijdvak van twaalf maanden terugbetaald.

3.  Indien de koper heeft verzuimd om de bijdragen van de producenten in de overschotheffing overeenkomstig artikel 81 te innen, kan de lidstaat de onbetaalde bedragen rechtstreeks bij de producent heffen, onverminderd de sancties die hij aan de in gebreke gebleven koper kan opleggen.

4.  Als een producent of een koper de betalingstermijn niet in acht neemt, moet hij de lidstaat een door de Commissie vast te stellen achterstandsrente betalen.

▼M7



Sectie III bis

Quota voor aardappelzetmeel

Artikel 84 bis

Quota voor aardappelzetmeel

1.  Voor het verkoopseizoen waarin de quotaregeling van toepassing is, worden aan de aardappelzetmeel producerende lidstaten quota toegewezen overeenkomstig artikel 204, lid 5, en bijlage X bis.

2.  Elke in bijlage X bis bedoelde producerende lidstaat verdeelt het hem toegewezen quotum over de aardappelzetmeelfabrikanten, voor gebruik in de betrokken verkoopseizoenen, op basis van het aan elke fabrikant in 2007/2008 toegewezen quotum.

3.  Een aardappelzetmeelfabrikant mag geen teeltcontract met een aardappelteler sluiten voor een hoeveelheid aardappelen die een hoeveelheid zetmeel boven het hem op grond van lid 2 toegewezen quotum zou opleveren.

4.  De boven het in lid 2 bedoelde quotum geproduceerde hoeveelheden aardappelzetmeel worden uiterlijk aan het einde van het kalenderjaar waarin het betrokken verkoopseizoen afloopt, in ongewijzigde staat uit de Gemeenschap uitgevoerd. Voor deze hoeveelheden wordt geen uitvoerrestitutie toegekend.

5.  Niettegenstaande lid 4 kan een aardappelzetmeelfabrikant in ieder verkoopseizoen boven het hem voor dat verkoopseizoen toegewezen quotum gebruik maken van ten hoogste 5 % van zijn quotum voor het volgende verkoopseizoen. In dat geval wordt zijn quotum voor het volgende verkoopseizoen dienovereenkomstig verlaagd.

6.  De in deze sectie vervatte bepalingen gelden niet voor de productie van aardappelzetmeel door fabrikanten die niet onder lid 2 van dit artikel vallen en die aardappelen aankopen waarvoor de telers de in artikel 77 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers ( 3 ) bedoelde betaling niet hebben ontvangen.



▼M10

Sectie IV

Procedurebepalingen voor suiker- en melkquota

▼B

Artikel 85

Uitvoeringsbepalingen

►M10  De Commissie stelt voor de secties I tot III bis uitvoeringsbepalingen vast, die met name betrekking kunnen hebben op: ◄

a) de aanvullende gegevens die moeten worden verstrekt door de erkende ondernemingen als bedoeld in artikel 57, en de criteria voor sancties in verband met de erkenning van de ondernemingen en voor de schorsing en intrekking van die erkenning;

b) de vaststelling en de mededeling van de in artikel 58 bedoelde bedragen en de in artikel 64 bedoelde overschotheffing;

c) afwijkingen van de in artikel 63 vastgestelde datums;

▼M7

d) in het kader van sectie III bis, aardappelzetmeelfabrikanten die fuseren, van eigenaar veranderen of hun werkzaamheden aanvangen of beëindigen.

▼M10



Sectie IV bis

Productiepotentieel in de wijnsector



Subsectie I

Onrechtmatige aanplant

Artikel 85 bis

Onrechtmatige aanplant na 31 augustus 1998

1.  Oppervlakten waarop, in voorkomend geval, na 31 augustus 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken zijn aangeplant, worden door de producenten op eigen kosten gerooid.

2.  In afwachting van de in lid 1 bedoelde rooiactiviteiten mogen de druiven die afkomstig zijn van de in dat lid bedoelde oppervlakten, evenals de met die druiven bereide producten, slechts voor distillatie en uitsluitend op kosten van de producent in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen na distillatie niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.

3.  Onverminderd eventuele vroegere sancties die door de lidstaten zijn opgelegd, leggen de lidstaten aan de producenten die deze rooiverplichting niet in acht hebben genomen, sancties op die worden aangepast aan de ernst, de omvang en de duur van de niet-naleving.

4.  Het in artikel 85 octies, lid 1, vastgestelde verstrijken van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant op 31 december 2015 doet niets af aan de in het onderhavige artikel vastgestelde verplichtingen.

Artikel 85 ter

Verplichte regularisatie van onrechtmatige aanplant die vóór 1 september 1998 heeft plaatsgehad

1.  De producenten moeten, in voorkomend geval, de oppervlakten waarop zij vóór 1 september 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken hebben aangeplant, tegen de betaling van een vergoeding uiterlijk op 31 december 2009 regulariseren.

Onverminderd eventuele procedures in verband met de goedkeuring van de rekeningen geldt de eerste alinea niet voor oppervlakten die zijn geregulariseerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999.

2.  De in lid 1 bedoelde vergoeding wordt door de lidstaten vastgesteld. De vergoeding moet ten minste het dubbele bedragen van de gemiddelde waarde van het overeenkomstige aanplantrecht in de betrokken regio.

3.  In afwachting van de in lid 1 bedoelde regularisatie mogen de druiven die afkomstig zijn van de in dat lid bedoelde oppervlakten, evenals de met die druiven bereide producten, slechts voor distillatie en uitsluitend op kosten van de producent in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.

4.  In lid 1 bedoelde onrechtmatig aangeplante oppervlakten die uiterlijk op 31 december 2009 niet overeenkomstig dat lid zijn geregulariseerd, worden door de betrokken producenten op eigen kosten gerooid.

De lidstaten leggen aan de producenten die deze rooiverplichting niet in acht nemen, sancties op die worden aangepast aan de ernst, de omvang en de duur van de niet-naleving.

In afwachting van het rooien als bedoeld in de eerste alinea, is lid 3 van overeenkomstige toepassing.

5.  Het in artikel 85 octies, lid 1, vastgestelde verstrijken van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant op 31 december 2015 doet niets af aan de in de leden 3 en 4 vastgestelde verplichtingen.

Artikel 85 quater

Controle op het niet in het verkeer brengen en op distillatie

1.  Wat betreft artikel 85 bis, lid 2, en artikel 85 ter, leden 3 en 4, eisen de lidstaten een bewijs dat de betrokken producten niet in het verkeer zijn gebracht of, wanneer de betrokken producten worden gedistilleerd, de voorlegging van de distillatiecontracten.

2.  De lidstaten verifiëren het niet in het verkeer brengen en de distillatie als bedoeld in lid 1. Bij niet-naleving leggen zij sancties op.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de oppervlakten waarvoor de distillatieverplichting geldt, alsmede van het overeenkomstige aantal volume-eenheden alcohol.

Artikel 85 quinquies

Begeleidende maatregelen

In artikel 85 ter, lid 1, eerste alinea, bedoelde oppervlakten, zolang zij niet zijn geregulariseerd, en in artikel 85 bis, lid 1, bedoelde oppervlakten komen niet in aanmerking voor nationale of communautaire steunmaatregelen.

Artikel 85 sexies

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze subsectie vast.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op:

a) nadere gegevens betreffende de voorschriften inzake door de lidstaten te verrichten kennisgevingen, onder meer inzake eventuele verlagingen van de in bijlage X ter vermelde begrotingstoewijzingen bij niet-naleving;

b) nadere gegevens over de sancties die de lidstaten dienen op te leggen bij niet-naleving van de in de artikelen 85 bis, 85 ter en 85 quater vastgestelde verplichtingen.



Subsectie II

Overgangsregeling inzake aanplantrechten

Artikel 85 septies

Duur

Deze subsectie is van toepassing tot en met 31 december 2015.

Artikel 85 octies

Tijdelijk verbod op de aanplant van wijnstokken

1.  Onverminderd artikel 120 bis, leden 1 tot en met 6, en met name lid 4 daarvan, is het verboden wijnstokken aan te planten van wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 120 bis, lid 2, in een indeling mogen worden opgenomen.

2.  Het is eveneens verboden wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 120 bis, lid 2, in een indeling mogen worden opgenomen, te enten op andere wijndruivenrassen dan de in dat artikel bedoelde.

3.  In afwijking van de leden 1 en 2 worden het aanplanten en het enten als bedoeld in die leden toegestaan, mits dat gebeurt op grond van:

a) nieuweaanplantrechten, als bedoeld in artikel 85 nonies;

b) herbeplantingsrechten, als bedoeld in artikel 85 decies;

c) uit een reserve toegekende aanplantrechten, als bedoeld in de artikelen 85 undecies en 85 duodecies.

4.  De in lid 3 bedoelde aanplantrechten worden toegekend voor in hectare uitgedrukte oppervlakten.

5.  De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde verbod uiterlijk tot en met 31 december 2018 op hun grondgebied of op gedeelten van hun grondgebied handhaven. In die gevallen blijft de in deze subsectie, inclusief dit artikel, uiteengezette overgangsregeling inzake aanplantrechten in de betrokken lidstaat van overeenkomstige toepassing.

Artikel 85 nonies

Nieuweaanplantrechten

1.  De lidstaten mogen producenten nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten:

a) die voor nieuwe aanplant zijn bestemd in het kader van ruilverkavelingen of onteigeningen in het algemeen belang waartoe krachtens de nationale wetgeving is besloten, of

b) die bestemd zijn voor experimentele doeleinden, of

c) die bestemd zijn voor het kweken van entstokken, of

d) waarvan de opbrengst aan wijn of wijnproducten uitsluitend bestemd is voor consumptie door de wijnbouwer en zijn gezin.

2.  De toegekende nieuweaanplantrechten worden:

a) gebruikt door de producent aan wie zij zijn toegekend;

b) gebruikt vóór het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin de rechten zijn toegekend;

c) gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij zijn toegekend.

Artikel 85 decies

Herbeplantingsrechten

1.  De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die een met wijnstokken beplante oppervlakte hebben gerooid.

Voor gerooide oppervlakten waarvoor overeenkomstig subsectie III een rooipremie is toegekend, worden evenwel geen herbeplantingsrechten toegekend.

2.  De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die zich ertoe verbinden een met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien. In dergelijke gevallen wordt de oppervlakte waarvoor de verbintenis is aangegaan, gerooid binnen drie jaar na het jaar waarin de nieuwe wijnstokken waarvoor de herbeplantingsrechten zijn toegekend, zijn aangeplant.

3.  De oppervlakte waarvoor herbeplantingsrechten worden toegekend moet, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, overeenkomen met de gerooide oppervlakte.

4.  De herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt op het bedrijf waaraan zij zijn toegekend. De lidstaten mogen voorts bepalen dat dergelijke herbeplantingsrechten slechts mogen worden gebruikt op de gerooide oppervlakte.

5.  In afwijking van lid 4 kunnen de lidstaten bepalen dat herbeplantingsrechten in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf in dezelfde lidstaat mogen worden overgedragen:

a) wanneer een deel van het betrokken bedrijf aan dat andere bedrijf wordt overgedragen;

b) wanneer oppervlakten van dat andere bedrijf zijn bestemd voor:

i) de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, of

ii) het kweken van entstokken.

De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde afwijkingen niet leidt tot een algemene stijging van het productiepotentieel op hun grondgebied, met name wanneer overdrachten plaatsvinden van niet-bevloeide naar bevloeide oppervlakten.

6.  De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op rechten die vergelijkbaar zijn met herbeplantingsrechten en op grond van eerdere communautaire of nationale wetgeving zijn verworven.

7.  Herbeplantingsrechten die zijn toegekend op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, worden gebruikt binnen de daarin vastgestelde termijnen.

Artikel 85 undecies

Nationale en regionale reserve van aanplantrechten

1.  Met het oog op een beter beheer van het productiepotentieel vormen de lidstaten een nationale reserve of regionale reserves van aanplantrechten.

2.  Lidstaten die op grond van Verordening (EG) nr. 1493/1999 een nationale reserve of regionale reserves van aanplantrechten hebben gevormd, mogen deze reserves behouden zolang zij de overgangsregeling inzake aanplantrechten overeenkomstig deze subsectie toepassen.

3.  De volgende aanplantrechten worden, indien zij niet binnen de voorgeschreven termijn worden gebruikt, toegewezen aan de nationale of regionale reserves:

a) nieuweaanplantrechten;

b) herbeplantingsrechten;

c) uit de reserve toegekende aanplantrechten.

4.  De producenten mogen herbeplantingsrechten overdragen aan de nationale of regionale reserves. De voorwaarden voor dergelijke overdrachten, in voorkomend geval tegen een vergoeding uit nationale middelen, worden door de lidstaten vastgesteld met inachtneming van de rechtmatige belangen van de partijen.

5.  In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten beslissen geen reservesysteem in te stellen, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen over een ander doeltreffend systeem voor het beheer van aanplantrechten op hun hele grondgebied te beschikken. Dat systeem mag indien nodig afwijken van de desbetreffende bepalingen van deze subsectie.

De eerste alinea is eveneens van toepassing op de lidstaten die de werking van op grond van Verordening (EG) nr. 1493/1999 gevormde nationale of regionale reserves stopzetten.

Artikel 85 duodecies

Toekenning van aanplantrechten uit de reserve

1.  De lidstaten mogen rechten uit een reserve toekennen:

a) zonder betaling van een vergoeding, aan producenten die jonger zijn dan 40 jaar, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een bedrijf opstarten;

b) tegen betaling van een vergoeding aan een nationaal fonds of, in voorkomend geval, aan regionale fondsen, aan producenten die voornemens zijn de rechten te gebruiken voor de aanplant van wijngaarden waarvan de productie gegarandeerd kan worden afgezet.

De lidstaten stellen de criteria vast voor de bepaling van de hoogte van de in lid 1, onder b), bedoelde vergoeding, die kan variëren naar gelang van het toekomstige eindproduct van de betrokken wijngaarden en de resterende periode waarin het in artikel 85 octies, leden 1 en 2, bedoelde verbod op nieuwe aanplant nog van kracht is.

2.  Wanneer uit een reserve toegekende rechten worden gebruikt, zien de lidstaten erop toe dat:

a) de locatie en de rassen en de gebruikte teeltmethoden borg staan voor een op de marktvraag afgestemde productie;

b) de betrokken opbrengsten overeenkomen met het regionale gemiddelde, met name wanneer de aanplantrechten uit niet-bevloeide oppervlakten op bevloeide oppervlakten worden gebruikt.

3.  Uit een reserve toegekende aanplantrechten die aan het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin zij zijn toegekend, niet zijn gebruikt, worden als verloren beschouwd en worden weer aan de reserve toegewezen.

4.  In een reserve opgenomen aanplantrechten die aan het einde van het vijfde wijnoogstjaar na dat waarin zij aan de reserve zijn toegewezen, nog niet opnieuw zijn toegekend, vervallen.

5.  Een lidstaat die regionale reserves vormt, mag voorschriften vaststellen voor de overdracht van aanplantrechten tussen regionale reserves. Lidstaten met zowel regionale reserves als een nationale reserve, mogen voorzien in overdrachten tussen die reserves.

Op de overdrachten kan een verminderingscoëfficiënt worden toegepast.

Artikel 85 terdecies

De minimis

Deze subsectie is niet van toepassing in de lidstaten waar de communautaire regeling inzake aanplantrechten niet van toepassing was op 31 december 2007.

Artikel 85 quaterdecies

Stringentere nationale voorschriften

De lidstaten mogen stringentere nationale voorschriften voor de toekenning van nieuweaanplantrechten of herbeplantingsrechten vaststellen. Dit kan tot gevolg hebben dat de betrokken aanvragen en de daarin te verstrekken gegevens moeten worden aangevuld met informatie die nodig is voor het toezicht op de ontwikkeling van het productiepotentieel.

Artikel 85 quindecies

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze subsectie vast.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op:

a) bepalingen om excessieve administratieve lasten bij de toepassing van deze subsectie te voorkomen;

b) het in artikel 85 decies, lid 2, bedoelde naast elkaar bestaan van wijnstokken;

c) de toepassing van de in artikel 85 duodecies, lid 5, bedoelde verminderingscoëfficiënt.



Subsectie III

Rooiregeling

Artikel 85 sexdecies

Duur

Deze subsectie is van toepassing tot het einde van het wijnoogstjaar 2010/2011.

Artikel 85 septdecies

Toepassingsgebied en begripsomschrijving

In deze subsectie wordt vastgesteld tegen welke voorwaarden wijnbouwers een premie ontvangen in ruil voor het rooien van wijnstokken (hierna „rooipremie” genoemd).

Artikel 85 octodecies

Voorwaarden om voor de rooipremie in aanmerking te komen

De rooipremie wordt slechts toegekend voor oppervlakten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) voor de betrokken oppervlakte is in de tien wijnoogstjaren die aan de aanvraag voor het rooien voorafgaan, geen communautaire of nationale steun voor maatregelen in het kader van herstructurering of omschakeling verleend;

b) voor de betrokken oppervlakte is in de vijf wijnoogstjaren die aan de aanvraag voor het rooien voorafgaan, geen communautaire steun verleend uit hoofde van een andere gemeenschappelijke marktordening;

c) de oppervlakte wordt onderhouden;

d) de oppervlakte is niet kleiner dan 0,1 ha. Een lidstaat kan evenwel besluiten dat die minimumoppervlakte 0,3 ha bedraagt in specifieke administratieve regio’s van die lidstaat waar de gemiddelde met wijnstokken beplante oppervlakte van een wijnbouwbedrijf meer dan één hectare bedraagt;

e) bij de aanplant van de oppervlakte zijn geen inbreuken op de toepasselijke communautaire of nationale wetgeving gepleegd, en

f) de oppervlakte is beplant met een wijndruivenras dat overeenkomstig artikel 120 bis, lid 2, in een indeling mag worden opgenomen.

In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder e), komen oppervlakten die overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en artikel 85 ter, lid 1, van de onderhavige verordening zijn geregulariseerd, in aanmerking voor de rooipremie.

Artikel 85 novodecies

Bedrag van de rooipremie

1.  De Commissie stelt de niveaus van de toe te kennen rooipremies vast.

2.  De lidstaat stelt het specifieke bedrag van de rooipremie vast op basis van de historische opbrengsten van het betrokken bedrijf en met inachtneming van de in lid 1 bedoelde niveaus.

Artikel 85 vicies

Procedure en begroting

1.  Belangstellende producenten dienen hun rooipremieaanvraag uiterlijk op 15 september van elk jaar in bij de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat. De lidstaten kunnen een vroegere datum dan 15 september vaststellen, mits die datum na 30 juni valt en in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de toepassing van de in artikel 85 duovicies vastgestelde vrijstellingen.

2.  De lidstaten verrichten administratieve controles met betrekking tot de ontvangen aanvragen, verwerken de in aanmerking komende aanvragen en stellen de Commissie uiterlijk op 15 oktober van elk jaar in kennis van de totale oppervlakte en de totale bedragen waarop deze aanvragen betrekking hebben, opgesplitst naar regio en opbrengstniveau.

3.  De maximale jaarbegroting voor de rooiregeling is vastgesteld in bijlage X quinquies.

4.  Uiterlijk op 15 november van elk jaar stelt de Commissie een percentage voor aanvaarding van de gemelde bedragen vast indien het door de lidstaten aan de Commissie gemelde totale bedrag de beschikbare begrotingsmiddelen overschrijdt, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de toepassing van artikel 85 duovicies, leden 2 en 3.

5.  De lidstaten aanvaarden uiterlijk 1 februari van elk jaar de aanvragen:

a) voor de hele oppervlakte waarvoor rooipremieaanvragen zijn ingediend, indien de Commissie het in lid 4 bedoelde percentage niet heeft vastgesteld, of

b) voor de oppervlakten die uit de toepassing van het in lid 4 bedoelde percentage voortvloeien, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en overeenkomstig de volgende prioriteiten:

i) de lidstaten geven voorrang aan de aanvragers wier aanvraag voor de rooipremie hun hele wijngaard betreft;

ii) de lidstaten geven vervolgens voorrang aan aanvragers vanaf 55 jaar oud, of vanaf een hogere leeftijd, indien de lidstaten aldus bepaald hebben.

Artikel 85 unvicies

Randvoorwaarden

Indien wordt geconstateerd dat landbouwers op hun bedrijf op om het even welk moment gedurende de drie jaar na de betaling van de rooipremie de in de artikelen 3 tot en met 7 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet in acht hebben genomen en indien die niet-naleving het gevolg is van een rechtstreeks aan de landbouwer te wijten handelen of nalaten, wordt het bedrag van de betaling verlaagd of geschorst, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk van de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de niet-naleving, en wordt de landbouwer, in voorkomend geval, gevorderd dit bedrag overeenkomstig de in de genoemde bepalingen vastgestelde voorschriften terug te betalen.

Artikel 85 duovicies

Vrijstellingen

1.  Een lidstaat mag besluiten verdere aanvragen als bedoeld in artikel 85 vicies, lid 1, af te wijzen zodra in totaal 8 % van de in bijlage X sexies opgenomen, met wijnstokken beplante oppervlakte is gerooid.

Een lidstaat mag besluiten verdere aanvragen als bedoeld in artikel 85 vicies, lid 1, voor een regio af te wijzen zodra in totaal 10 % van de met wijnstokken beplante oppervlakte van die regio is gerooid.

2.  De Commissie kan besluiten om de toepassing van de rooiregeling in een lidstaat stop te zetten indien, rekening houdend met de nog in behandeling zijnde aanvragen, het voortzetten van het rooien tot gevolg zou hebben dat in totaal meer dan 15 % van de in bijlage X sexies opgenomen, totale met wijnstokken beplante oppervlakte van de lidstaat zou worden gerooid.

3.  De Commissie kan besluiten om de toepassing van de rooiregeling in een lidstaat voor een bepaald jaar stop te zetten indien, rekening houdend met de nog in behandeling zijnde aanvragen, het voortzetten van het rooien in dat bepaalde jaar van de toepassing van de regeling tot gevolg zou hebben dat in totaal meer dan 6 % van de in bijlage X sexies opgenomen totale met wijnstokken beplante oppervlakte van de lidstaat zou worden gerooid.

4.  De lidstaten mogen overeenkomstig door de Commissie vast te stellen voorwaarden bepalen dat wijnstokken in berggebieden en gebieden met steile hellingen niet in aanmerking komen voor de rooiregeling.

5.  De lidstaten mogen bepalen dat oppervlakten waarop de toepassing van de rooiregeling milieuproblemen zou veroorzaken, niet in aanmerking komen voor deze regeling. De oppervlakte die aldus als niet-subsidiabel op grond van de rooiregeling is aangemerkt, mag niet groter zijn dan 3 % van de in bijlage X sexies opgenomen met wijnstokken beplante oppervlakte.

6.  Griekenland mag bepalen dat met wijnstokken beplante oppervlakten op eilanden in de Egeïsche Zee en op de Griekse Ionische eilanden, met uitzondering van Kreta en Evia, niet in aanmerking komen voor de rooiregeling.

7.  De in deze subsectie omschreven rooiregeling is niet van toepassing op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

8.  De lidstaten geven de producenten in gebieden die niet-subsidiabel zijn of op grond van de leden 4 tot en met 7 als niet-subsidiabel zijn aangemerkt, prioritaire toegang tot andere steunmaatregelen die in deze verordening voor de wijnsector zijn vastgesteld, met name, in voorkomend geval, herstructurerings- en omschakelingsmaatregelen in het kader van de steunprogramma’s en de maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

Artikel 85 tervicies

De minimis

Deze subsectie is niet van toepassing in lidstaten waar de wijnproductie per wijnoogstjaar niet meer dan 50 000 hl bedraagt. Deze productie wordt berekend op basis van de gemiddelde productie in de voorgaande vijf wijnoogstjaren.

Artikel 85 quatervicies

Aanvullende nationale steun

De lidstaten mogen, bovenop de toegekende rooipremie, aanvullende nationale steun voor het rooien verlenen die niet meer mag bedragen dan 75 % van de toepasselijke rooipremie.

Artikel 85 quinvicies

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze subsectie vast.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op:

a) nadere gegevens over de in artikel 85 octodecies bedoelde voorwaarden om voor de rooipremie in aanmerking te komen, met name aangaande het bewijs dat de oppervlakten in 2006 en 2007 naar behoren werden onderhouden;

b) de in artikel 85 novodecies bedoelde premieniveaus en -bedragen;

c) de criteria betreffende de in artikel 85 duovicies bedoelde vrijstellingen;

d) de voorschiften inzake rapportering door de lidstaten over de uitvoering van de rooiregeling, met inbegrip van de sancties bij overschrijding van de rapporteringstermijnen en de informatie die de lidstaten aan de producenten verstrekken over de toegang tot de regeling;

e) de voorschriften inzake rapportering over aanvullende nationale steun;

f) betalingstermijnen.

▼B



HOOFDSTUK IV

Steunregelingen



Sectie I

Verwerkingssteun



▼M1

Subsectie II

Vezelvlas en -hennep

▼B

Artikel 91

Subsidiabiliteit

1.   ►M7  De steun voor de verwerking van stro van lang vezelvlas en het stro van kort vezelvlas en vezelhennep wordt voor de verkoopseizoenen 2009/2010 tot en met 2011/2012 aan de erkende eerste verwerker toegekend op basis van de hoeveelheid vezels die daadwerkelijk is verkregen uit het stro waarvoor met een landbouwer een aankoop-verkoopcontract is gesloten. ◄

Als de landbouwer evenwel eigenaar blijft van het stro dat hij onder contract door een erkende eerste verwerker laat verwerken en hij kan bewijzen dat hij de verkregen vezels in de handel heeft gebracht, wordt de steun aan de landbouwer toegekend.

Als de landbouwer zelf de erkende eerste verwerker is, wordt het aankoop-verkoopcontract vervangen door een verbintenis van de betrokkene om de verwerking zelf uit te voeren.

▼M1

2.  Voor de toepassing van deze subsectie wordt onder „erkende eerste verwerker” verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel de groepering van natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groepering of haar leden volgens het nationale recht, die is erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de inrichtingen voor de productie van vlas- of hennepvezels zich bevinden.

▼B

Artikel 92

Steunbedrag

▼M1

1.  Het bedrag van de bij artikel 91 ingestelde verwerkingssteun wordt als volgt vastgesteld:

a) voor lange vlasvezels:

 160 EUR per ton voor het verkoopseizoen 2008/2009,

▼M7

 200 EUR per ton voor het verkoopseizoen 2009/2010, en

 160 EUR per ton voor de verkoopseizoenen 2010/2011 en 2011/2012.

b) voor korte vlasvezels en voor hennepvezels met maximaal 7,5 % onzuiverheden en scheven: 90 EUR per ton voor de verkoopseizoenen 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012.

▼M1

De lidstaat kan evenwel, op grond van de traditionele afzet, ook de volgende steun toekennen:

a) voor korte vlasvezels met een gehalte aan onzuiverheden en scheven van 7,5 tot 15 %,

b) voor hennepvezels met een gehalte aan onzuiverheden en scheven van 7,5 tot 25 %.

In de in de tweede alinea bedoelde gevallen kent de lidstaat de steun toe voor een hoeveelheid die op basis van 7,5 % onzuiverheden en scheven ten hoogste gelijk is aan de geproduceerde hoeveelheid.

▼B

2.  De hoeveelheden voor steun in aanmerking komende vezels worden beperkt op basis van de oppervlakten waarvoor één van de in artikel 91 bedoelde contracten of verbintenissen is aangegaan.

De in de eerste alinea bedoelde limieten worden door de lidstaten zo vastgesteld dat de in artikel 94 bedoelde gegarandeerde nationale hoeveelheden in acht worden genomen.

Artikel 93

Voorschot

Als de erkende eerste verwerker hierom verzoekt, wordt op basis van de verkregen hoeveelheden vezels een voorschot op de in artikel 91 bedoelde steun uitgekeerd.

Artikel 94

Gegarandeerde hoeveelheid

▼M7

1.  Voor lange vlasvezels waarvoor steun kan worden verleend, wordt een gegarandeerde maximumhoeveelheid van 80 878 ton vastgesteld voor elk van de verkoopseizoenen van 2009/2010 tot en met 2011/2012. Die hoeveelheid wordt overeenkomstig punt A.I van bijlage XI in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden over bepaalde lidstaten verdeeld.

1 bis.  Voor korte vlasvezels en voor hennepvezels waarvoor steun kan worden verleend, wordt voor de verkoopseizoenen 2009/2010 tot en met 2011/2012 een gegarandeerde maximumhoeveelheid van 147 265  ton vastgesteld. Die hoeveelheid wordt overeenkomstig punt A.II van bijlage XI in de vorm van gegarandeerde nationale hoeveelheden over bepaalde lidstaten verdeeld.

▼B

2.  Indien de in een lidstaat verkregen vezels afkomstig zijn van in een andere lidstaat geproduceerd stro, worden de betrokken hoeveelheden vezels verrekend met de gegarandeerde nationale hoeveelheid van de lidstaat waar het stro geoogst is. De steun wordt dan uitbetaald door de lidstaat waarvan de gegarandeerde nationale hoeveelheid verrekend is.

▼M1

3.  Elke lidstaat mag een deel van zijn in lid 1 bedoelde gegarandeerde nationale hoeveelheid overdragen naar zijn in lid 1 bis bedoelde gegarandeerde nationale hoeveelheid en omgekeerd.

Bij de in de eerste alinea bedoelde overdrachten telt 1 t lange vlasvezels voor 2,2 t korte vlasvezels en hennepvezels.

De verwerkingssteun wordt uitgekeerd voor maximaal de respectievelijk in lid 1 en lid 1 bis bedoelde hoeveelheden, aangepast overeenkomstig de eerste twee alinea’s van dit lid.

Artikel 94 bis

Aanvullende steun

Tijdens het verkoopseizoen 2008/2009 wordt aan de erkende eerste verwerker aanvullende steun toegekend voor de oppervlakten vlas in de gebieden I en II als omschreven in punt A.III van bijlage XI, ten aanzien waarvan voor de productie van stro:

a) een aankoop-verkoopcontract of een verbintenis is aangegaan als bedoeld in artikel 91, lid 1, en

b) steun voor de verwerking tot lange vezels wordt verleend.

De aanvullende steun bedraagt 120 EUR per hectare in gebied I en 50 EUR per hectare in gebied II.

▼B

Artikel 95

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt voor deze subsectie uitvoeringsbepalingen vast, die met name betrekking kunnen hebben op:

a) de voorwaarden voor de erkenning van eerste verwerkers als bedoeld in artikel 91;

b) de voorwaarden die door erkende eerste verwerkers in acht moeten worden genomen voor de aan- en verkoopcontracten en verbintenissen als bedoeld in artikel 91, lid 1;

c) de vereisten waaraan landbouwers moeten voldoen in het in artikel 91 lid 1, tweede alinea, bedoelde geval;

d) de criteria waaraan lange vlasvezels moeten voldoen;

e) de voorwaarden voor de toekenning van de steun en het voorschot, en met name het bewijs dat het stro verwerkt is;

f) de voor de vaststelling van de in artikel 92, lid 2, bedoelde limieten in acht te nemen voorwaarden.

▼M7



Subsectie III

Aardappelzetmeel

Artikel 95 bis

Premie voor aardappelzetmeel

1.  Aan de aardappelzetmeelfabrikanten wordt voor de verkoopseizoenen 2009/2010, 2010/2011 en 2011/2012 een premie van 22,25 EUR per geproduceerde ton zetmeel verleend voor ten hoogste het in artikel 84 bis, lid 2, bedoelde quotum, mits zij de aardappeltelers een minimumprijs hebben betaald voor alle aardappelen die nodig zijn voor de productie van dat quotum aan zetmeel.

2.  De minimumprijs voor aardappelen die bestemd zijn voor de productie van aardappelzetmeel, wordt vastgesteld op 178,31 EUR per ton voor de betrokken verkoopseizoenen.

Die prijs heeft betrekking op de aan de fabrikant geleverde hoeveelheid aardappelen die nodig is voor de productie van één ton zetmeel.

De minimumprijs wordt aangepast aan het zetmeelgehalte van de aardappelen.

3.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze subsectie vast.

▼B



Sectie II

Productierestitutie

▼M7 —————

▼B

Artikel 97

Productierestitutie in de suikersector

1.  Voor de in deel III van bijlage I, onder b) tot en met e), genoemde producten van de suikersector kan een productierestitutie worden toegekend indien voor de vervaardiging van producten als bedoeld in artikel 62, lid 2, onder b) en c), geen overtollige suiker of ingevoerde suiker, overtollige isoglucose of overtollige inulinestroop beschikbaar is tegen een prijs die overeenstemt met de wereldmarktprijs.

2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde productierestitutie wordt met name rekening gehouden met de aan het gebruik van ingevoerde suiker verbonden kosten die de industrie zou moeten dragen bij voorziening in haar behoefte op de wereldmarkt, en met de prijs van de op de communautaire markt beschikbare overtollige suiker of, bij ontstentenis van overtollige suiker, de referentieprijs.

Artikel 98

Toekenningsvoorwaarden

De Commissie stelt de voorwaarden voor de toekenning van de in deze sectie bedoelde productierestituties, de bedragen van die restituties en, wat betreft de in artikel 94 bedoelde productierestitutie voor suiker, de in aanmerking komende hoeveelheden vast.



Sectie III

Steun in de sector melk en zuivelproducten

▼M7

Artikel 99

Steun voor ondermelk en mageremelkpoeder die voor voederdoeleinden worden gebruikt

1.  Wanneer overschotten van zuivelproducten ontstaan of dreigen te ontstaan die de markt ernstig verstoren of dat naar verwachting zullen doen, kan de Commissie overeenkomstig door haar vast te stellen voorwaarden en productnormen besluiten tot het verlenen van steun voor in de Gemeenschap geproduceerde ondermelk en in de Gemeenschap geproduceerd mageremelkpoeder die/dat bestemd is om voor voederdoeleinden te worden gebruikt. De steun kan vooraf of op grond van een openbare inschrijving worden vastgesteld.

Karnemelk en karnemelkpoeder worden eveneens als ondermelk en mageremelkpoeder in de zin van dit artikel beschouwd.

2.  Bij de vaststelling van de steunbedragen houdt de Commissie rekening met de in artikel 8, lid 1, onder e) ii), vastgestelde referentieprijs voor mageremelkpoeder en met de ontwikkeling van de markt voor ondermelk en mageremelkpoeder.

Artikel 100

Steun voor ondermelk die tot caseïne en caseïnaten wordt verwerkt

1.  Wanneer overschotten van zuivelproducten ontstaan of dreigen te ontstaan die de markt ernstig verstoren of dat naar verwachting zullen doen, kan de Commissie overeenkomstig door haar vast te stellen voorwaarden en productnormen voor dit soort melk en de daarmee geproduceerde caseïne en caseïnaten besluiten tot het verlenen van steun voor in de Gemeenschap geproduceerde ondermelk die tot caseïne en caseïnaten wordt verwerkt. De steun kan vooraf of op grond van een openbare inschrijving worden vastgesteld.

2.  Bij de vaststelling van de steunbedragen houdt de Commissie rekening met de ontwikkeling van de markt voor mageremelkpoeder en met de in artikel 8, lid 1, onder e) ii), vastgestelde referentieprijs voor mageremelkpoeder.

De steun kan worden gedifferentieerd naargelang de ondermelk tot caseïne of tot caseïnaten wordt verwerkt en naargelang van de kwaliteit van deze producten.

▼M7 —————

▼B

Artikel 102

Steun voor de uitreiking van zuivelproducten aan leerlingen

1.  Onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden verleent de Gemeenschap ten behoeve van leerlingen van onderwijsinstellingen steun voor melk die tot bepaalde, door de Commissie vast te stellen producten van de GN-codes 0401 , 0403 , 0404 90 en 0406 of van GN-code 2202 90 is verwerkt.

▼M7

2.  De lidstaten kunnen in aanvulling op de steun van de Gemeenschap nationale steun toekennen voor de uitreiking van de in lid 1 bedoelde producten aan leerlingen in scholen. De lidstaten kunnen hun nationale steun financieren door de zuivelsector een heffing op te leggen of om enige andere bijdrage te vragen.

▼M3

3.  Voor alle melksoorten bedraagt de communautaire steun 18,15 EUR per 100 kg.

De steunbedragen voor andere in aanmerking komende zuivelproducten worden vastgesteld met inachtneming van de melkbestanddelen van het betrokken product.

▼B

4.  De in lid 1 bedoelde steun wordt toegekend voor ten hoogste 0,25  liter melkequivalent per leerling per dag.

▼M7



Sectie III bis

Steun in de sector hop

Artikel 102 bis

Steun voor organisaties van producenten

1.  De Gemeenschap zal betalingen aan in het kader van artikel 122 erkende producentenorganisaties in de hopsector financieren met het oog op de financiering van de in dat artikel vermelde doelstellingen.

2.  De jaarlijkse communautaire financiering voor de betaling aan de producentenorganisaties bedraagt voor Duitsland 2 277 000 EUR.

3.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast.

▼B



Sectie IV

Steun in de sector olijfolie en tafelolijven

Artikel 103

Steun voor organisaties van marktdeelnemers

▼M7

1.  De Gemeenschap financiert door de in artikel 125 genoemde organisaties van marktdeelnemers op te stellen driejaarlijkse werkprogramma's op een of meer van de volgende gebieden:

▼B

a) market follow-up en administratief beheer van de sector olijfolie en tafelolijven;

b) verbetering van de milieueffecten van de olijventeelt;

c) verbetering van de kwaliteit van de productie van olijfolie en tafelolijven;

d) traceerbaarheidssysteem, en certificering en bescherming van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven, in het bijzonder bewaking van de kwaliteit van de aan de eindverbruikers verkochte olijfoliën, onder het gezag van de nationale overheid;

e) verspreiding van informatie over de activiteiten die organisaties van marktdeelnemers ontplooien ter verbetering van de kwaliteit van olijfolie.

▼M7

1 bis.  De jaarlijkse communautaire financiering van de werkprogramma's bedraagt:

a) 11 098 000 EUR voor Griekenland;

b) 576 000 EUR voor Frankrijk; en

c) 35 991 000 EUR voor Italië.

▼B

2.  De maximale communautaire financiering van de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma's is gelijk aan het door de lidstaten ingehouden deel van de steun. Deze financiering heeft betrekking op de in aanmerking komende kosten met een maximum van:

a) 100 % voor de activiteiten op de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gebieden;

b) 100 % voor de investeringen in vaste activa en 75 % voor de andere activiteiten op het in lid 1, onder c), bedoelde gebied;

c) 75 % voor de activiteitenprogramma's die in ten minste drie derde landen of niet-producerende lidstaten door erkende organisaties van marktdeelnemers uit ten minste twee producerende lidstaten worden ontplooid op de in lid 1, onder d) en e), bedoelde gebieden, en 50 % voor de andere activiteiten in die gebieden.

De lidstaat draagt zorg voor aanvullende financiering tot 50 % van de niet door de communautaire financiering gedekte kosten.

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast, en met name de procedures voor de goedkeuring van de door de lidstaten aangenomen programma's en de soorten activiteiten die in het kader van die programma's voor steun in aanmerking komen.

3.  Onverminderd eventuele specifieke bepalingen die de Commissie overeenkomstig artikel 194 kan vaststellen, gaan de lidstaten na of aan de voorwaarden voor de toekenning van de communautaire financiering is voldaan. Daartoe onderwerpen zij de activiteitenprogramma's aan een audit en voeren zij een controleplan uit dat betrekking heeft op een steekproef die is bepaald op basis van een risicoanalyse en die ten minste 30 % per jaar van de producentenorganisaties en alle andere organisaties van marktdeelnemers die op grond van dit artikel communautaire financiering ontvangen, omvat.

▼M3



Sectie IV bis

Steun in de sector groenten en fruit



Subsectie I

Producentengroeperingen

Artikel 103 bis

Steun voor producentengroeperingen

1.  Tijdens de overgangsperiode die op grond van artikel 125 sexies wordt toegestaan kunnen de lidstaten aan producentengroeperingen in de sector groenten en fruit die zijn gevormd met de bedoeling als producentenorganisatie erkend te worden, het volgende toekennen:

a) steun om de oprichting ervan te bevorderen en de administratieve werking ervan te vergemakkelijken;

b) rechtstreeks of via een kredietinstelling verleende steun voor de financiering van een gedeelte van de investeringen die voor de erkenning nodig zijn en in het in artikel 125 sexies, lid 1, derde alinea, bedoelde erkenningsprogramma zijn opgenomen.

2.  De in lid 1 bedoelde steun wordt door de Gemeenschap vergoed overeenkomstig door de Commissie vast te stellen bepalingen inzake de financiering van die maatregelen, met name drempels en maxima voor de steun en de mate van financiering door de Gemeenschap.

3.  De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt voor iedere producentengroepering bepaald op grond van haar afgezette productie en bedraagt voor het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar:

a) respectievelijk 10 %, 10 %, 8 %, 6 % en 4 % van de waarde van de afgezette productie in de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, en

b) respectievelijk 5 %, 5 %, 4 %, 3 % en 2 % van de waarde van de afgezette productie in de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag of op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad van 18 september 2006 houdende vaststelling van specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee ( 4 ).

Deze percentages kunnen worden verlaagd in verhouding tot de waarde van afgezette productie die een drempel overstijgt. Er mag een maximum worden gesteld aan de in een bepaald jaar aan een producentengroepering te betalen steun.



Subsectie II

Actiefondsen en operationele programma's

Artikel 103 ter

Actiefondsen

1.  Producentenorganisaties in de sector groenten en fruit kunnen een actiefonds oprichten. Dit fonds wordt gefinancierd met:

a) financiële bijdragen van de leden of van de producentenorganisatie zelf;

b) communautaire financiële steun die aan producentenorganisaties kan worden verleend.

2.  Actiefondsen worden uitsluitend gebruikt voor de financiering van door de lidstaten overeenkomstig artikel 103 octies goedgekeurde operationele programma's.

Artikel 103 quater

Operationele programma's

1.  Operationele programma's in de sector groenten en fruit moeten twee of meer van de in artikel 122, punt c), genoemde doelen bevatten, dan wel de volgende doelen:

a) productieplanning,

b) verbetering van de productkwaliteit,

c) verhoging van de handelswaarde van de producten,

d) bevordering van de verkoop van de verse of verwerkte producten,

e) milieumaatregelen en milieuvriendelijke productiemethoden, waaronder biologische landbouw,

f) crisispreventie en -beheer.

2.  Crisispreventie en -beheer bestaan erin crises op de groente- en fruitmarkten te vermijden en op te vangen, en omvatten in dit verband:

a) het uit de markt nemen van producten,

b) het groen oogsten of niet oogsten van groenten en fruit,

c) afzetbevordering en communicatie,

d) opleidingsmaatregelen,

e) oogstverzekering,

f) steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen.

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen, met inbegrip van de aflossing van kapitaal en rente als bedoeld in de derde alinea, mogen niet meer dan één derde van de uitgaven uit hoofde van het operationele programma vormen.

Producentenorganisaties mogen commerciële leningen aangaan om crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen te financieren. In dat geval mag de aflossing van kapitaal en rente voor deze leningen deel uitmaken van het operationele programma, en komt die terugbetaling zo in aanmerking voor communautaire financiële steun uit hoofde van artikel 103 quinquies. Specifieke acties in het kader van crisispreventie en -beheer worden ofwel met dergelijke leningen ofwel rechtstreeks gefinancierd, maar niet op beide wijzen tegelijk.

3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat:

a) de operationele programma's twee of meer milieuacties omvatten, of

b) ten minste 10 % van de uitgaven in het kader van de operationele programma's milieuacties betreft.

De milieuacties moeten voldoen aan de eisen voor agromilieubetalingen als bedoeld in artikel 39, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ( 5 ).

Wanneer ten minste 80 % van de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten een of meer identieke in die bepaling bedoelde agromilieuverbintenissen is aangegaan, telt elk van die verbintenissen als een milieuactie als bedoeld in punt a) van de eerste alinea.

De steun voor de in de eerste alinea bedoelde milieuacties dekt de extra kosten en het inkomensverlies die uit de actie voortvloeien.

4.  Lid 3 is in Bulgarije en Roemenië pas met ingang van 1 januari 2011 van toepassing.

5.  Investeringen die de druk op het milieu verhogen, worden slechts toegestaan als doeltreffende voorzorgsmaatregelen worden genomen om het milieu tegen deze druk te beschermen.

Artikel 103 quinquies

Communautaire financiële steun

1.  De communautaire financiële steun is gelijk aan het bedrag van de daadwerkelijk betaalde financiële bijdragen als bedoeld in artikel 103 ter, lid 1, onder a), maar bedraagt niet meer dan 50 % van de daadwerkelijke uitgaven.

2.  De communautaire financiële steun mag evenwel niet meer bedragen dan 4,1 % van de waarde van de afgezette productie van elke producentenorganisatie.

Dit percentage mag echter worden verhoogd tot 4,6 % van de waarde van de afgezette productie als het bedrag dat 4,1 % van de waarde van de afgezette productie overschrijdt, uitsluitend wordt gebruikt voor crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen.

3.  Op verzoek van een producentenorganisatie wordt het in lid 1 vastgestelde percentage verhoogd tot 60 % wanneer een operationeel programma of een gedeelte daarvan voldoet aan ten minste één van de volgende voorwaarden:

a) het wordt ingediend door meerdere producentenorganisaties van de Gemeenschap die in verschillende lidstaten werkzaam zijn op het gebied van transnationale maatregelen;

b) het wordt ingediend door één of meer producentenorganisaties voor maatregelen die door samenwerkende branches in een bedrijfskolom worden uitgevoerd;

c) het heeft uitsluitend betrekking op specifieke steun voor de productie van biologische producten die tot en met 31 december 2008 onder Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen ( 6 ) vallen en vanaf 1 januari 2009 onder Verordening (EG) nr. 834/2007 van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten ( 7 );

d) het wordt ingediend door een producentenorganisatie in één van de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, en betreft maatregelen die tot uiterlijk eind 2013 lopen;

e) het is het eerste programma dat wordt ingediend door een erkende producentenorganisatie die is gefuseerd met een andere erkende producentenorganisatie;

f) het is het eerste programma dat wordt ingediend door een erkende unie van producentenorganisaties;

g) het wordt ingediend door producentenorganisaties in lidstaten waar minder dan 20 % van de groente- en fruitproductie door producentenorganisaties wordt afgezet;

h) het wordt ingediend door een producentenorganisatie in één van de ultraperifere regio's van de Gemeenschap;

i) het heeft uitsluitend betrekking op specifieke steun voor acties om de consumptie van groenten en fruit bij kinderen in onderwijsinstellingen te bevorderen.

4.  Het in lid 1 genoemde percentage is gelijk aan 100 wanneer de hoeveelheden uit de markt genomen groenten en fruit niet meer dan 5 % van het volume van de op de markt gebrachte productie van elke producentenorganisatie bedragen en als volgt worden weggewerkt:

a) gratis uitreiking aan daartoe door de lidstaten erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties voor hun acties ten behoeve van personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien;

b) gratis uitreiking aan door de lidstaten aan te wijzen strafinrichtingen, scholen en openbare onderwijsinstellingen, kindervakantiekampen, ziekenhuizen en bejaardentehuizen, waarbij de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de in dit kader uitgereikte hoeveelheden bovenop de hoeveelheden komen die deze instellingen normaal aankopen.

Artikel 103 sexies

Nationale financiële steun

1.  In regio's van de lidstaten waar de producenten in de sector groenten en fruit bijzonder zwak georganiseerd zijn, kunnen de lidstaten, als zij daartoe een naar behoren gemotiveerd verzoek indienen, door de Commissie worden gemachtigd om aan producentenorganisaties nationale financiële steun toe te kennen voor een bedrag van ten hoogste 80 % van de financiële bijdragen als bedoeld in artikel 103 ter, lid 1, onder a). Die steun komt bovenop die uit het actiefonds. In regio's van de lidstaten waar minder dan 15 % van de waarde van de productie van groenten en fruit door producentenorganisaties wordt afgezet en waar de productie van groenten en fruit ten minste 15 % van de totale landbouwproductie bedraagt, kan de in de eerste alinea bedoelde steun op verzoek van de betrokken lidstaat door de Gemeenschap worden vergoed.

▼M7 —————

▼M3

Artikel 103 septies

Nationaal kader en nationale strategie voor operationele programma's

1.  De lidstaten stellen een nationaal kader vast voor de opstelling van de algemene voorwaarden voor de in artikel 103 quater, lid 3, bedoelde acties. In dit kader moet met name worden voorgeschreven dat zulke acties moeten voldoen aan de ter zake geldende eisen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad, waaronder die van artikel 5 over complementariteit, coherentie en conformiteit.

De lidstaten doen hun voorstel voor een nationaal kader toekomen aan de Commissie, die binnen drie maanden kan verzoeken daarin wijzigingen aan te brengen indien zij van oordeel is dat het voorstel ontoereikend is om de doelstellingen van artikel 174 van het Verdrag en van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap ( 8 ) te bereiken. Door operationele programma's gesteunde investeringen in individuele bedrijven moeten eveneens in overeenstemming zijn met deze doelstellingen.

2.  De lidstaten stellen een nationale strategie voor duurzame operationele programma's in de sector groenten en fruit vast. Een dergelijke strategie moet de volgende elementen omvatten:

a) een analyse van de situatie wat de sterke en de zwakke punten en het ontwikkelingspotentieel betreft;

b) een toelichting bij de keuze van de prioriteiten;

c) de doelstellingen van de operationele programma's en instrumenten, en prestatie-indicatoren;

d) een evaluatie van de operationele programma's;

e) rapportageverplichtingen voor producentenorganisaties.

De nationale strategie moet ook het in lid 1 bedoelde nationale kader bevatten.

3.  De leden 1 en 2 gelden niet voor lidstaten die geen erkende producentenorganisaties hebben.

Artikel 103 octies

Goedkeuring van operationele programma's

1.  Ontwerpen van operationele programma's worden voorgelegd aan de bevoegde nationale autoriteiten, die ze overeenkomstig de bepalingen van deze subsectie goedkeuren, afwijzen of voor wijziging terugzenden.

2.  De producentenorganisaties delen de raming van de middelen van het actiefonds voor elk jaar mee aan de lidstaat en leggen een passende motivering voor waarbij zij uitgaan van de ramingen van het operationele programma, de uitgaven van het lopende jaar en eventueel van de voorgaande jaren, en indien nodig van de ramingen van de productiehoeveelheden voor het volgende jaar.

3.  De lidstaat stelt de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties in kennis van het geraamde bedrag van de communautaire financiële steun, die binnen de in artikel 103 quinquies aangegeven grenzen blijft.

4.  De betalingen van de communautaire financiële steun vinden plaats naargelang van de uitgaven voor de acties in het kader van het operationele programma. Voor diezelfde acties kunnen voorschotten worden toegekend, mits deze gedekt worden door een garantie of een zekerheid.

5.  De producentenorganisatie stelt de lidstaat in kennis van het definitieve bedrag van de uitgaven van het voorgaande jaar en legt de nodige bewijzen voor teneinde het saldo van de communautaire financiële steun te kunnen ontvangen.

6.  De operationele programma's en de financiering ervan door de producenten en de producentenorganisaties enerzijds en uit de communautaire middelen anderzijds hebben een looptijd van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.

▼M6



Subsectie II bis

Schoolfruitregeling

Artikel 103 octies bis

Steun voor de verstrekking van groente- en fruitproducten, verwerkte groente- en fruitproducten en banaanproducten aan kinderen

1.  Onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden wordt met ingang van het schooljaar 2009-2010 communautaire steun verleend voor:

a) de verstrekking aan kinderen in onderwijsinstellingen, daaronder begrepen kleuterscholen, andere voorschoolse instellingen, basisscholen en middelbare scholen, van producten van de sector groenten en fruit, de sector verwerkte groenten en fruit en de sector bananen; en

b) bepaalde daarmee gepaard gaande kosten op het gebied van logistiek en distributie, materieel, communicatie, toezicht en evaluatie.

2.  Lidstaten die op nationaal of regionaal niveau aan de regeling wensen deel te nemen, stellen vooraf een strategie voor de uitvoering van de regeling vast, met in het bijzonder de begroting voor hun regeling, met inbegrip van de communautaire en de nationale bijdragen, de duur, de doelgroep, de in aanmerking komende producten en de betrokkenheid van de belanghebbenden ter zake. Zij nemen tevens de begeleidende maatregelen aan die noodzakelijk zijn voor de doeltreffendheid van de regeling.

3.  Bij de vaststelling van hun strategie stellen de lidstaten een lijst op van de producten van de sector groenten en fruit, de sector verwerkte groenten en fruit en de sector bananen die in het kader van hun regeling in aanmerking zullen komen. Er mogen op de lijst evenwel geen producten voorkomen die overeenkomstig een door de Commissie op grond van artikel 103 nonies, onder f), aangenomen maatregel zijn uitgesloten. Zij baseren hun productkeuze op objectieve criteria, die seizoensoverwegingen, beschikbaarheid van de producten en milieuoverwegingen kunnen omvatten. lidstaten kunnen in dit verband de voorkeur geven aan producten van oorsprong uit de Gemeenschap.

4.  De in lid 1 bedoelde communautaire steun mag niet

a) meer bedragen dan 90 miljoen EUR per schooljaar,

b) meer bedragen dan 50 % van de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten, of 75 % van dergelijke kosten in gebieden die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds ( 9 ) in aanmerking komen voor steun uit hoofde van de convergentiedoelstelling, en in de ultraperifere gebieden als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag,

c) worden gebruikt ter dekking van andere dan de in lid 1 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten.

5.  De in lid 1 bedoelde communautaire steun wordt aan elke lidstaat toegewezen op basis van objectieve criteria, gebaseerd op het percentage kinderen van zes tot tien jaar. De lidstaten die aan de regeling deelnemen ontvangen echter elk ten minste 175 000 EUR aan communautaire steun. De lidstaten die aan de regeling deelnemen, dienen elk jaar op basis van hun strategie een aanvraag voor communautaire steun in. Op basis van de aanvragen van de lidstaten besluit de Commissie binnen de grenzen van de in de begroting beschikbare kredieten over de definitieve toewijzingen.

6.  De in lid 1 bedoelde communautaire steun wordt niet gebruikt ter vervanging van de financiering van bestaande nationale schoolfruitregelingen of andere regelingen voor de verstrekking van, onder meer, fruit op scholen. Indien een lidstaat echter reeds beschikt over een regeling die uit hoofde van deze verordening in aanmerking zou komen voor communautaire steun, en van plan is die regeling uit te breiden of haar doeltreffender te maken, onder meer wat betreft de doelgroep van de regeling, de duur ervan of de in aanmerking komende producten, kan communautaire steun worden verstrekt, mits de maxima van lid 4, onder b), worden nagekomen wat betreft de verhouding van de communautaire steun tot de totale nationale bijdrage. In dat geval geeft de lidstaat in zijn strategie aan hoe hij zijn regeling wil uitbreiden of doeltreffender wil maken.

7.  De lidstaten kunnen de communautaire steun aanvullen met nationale steun voor de in lid 1 bedoelde kosten van de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten. Deze kosten mogen ook worden gedekt door bijdragen van de particuliere sector. De lidstaten mogen tevens nationale steun verlenen voor de financiering van de in lid 2 bedoelde begeleidende maatregelen.

8.  De communautaire schoolfruitregeling laat aparte nationale schoolfruitregelingen die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapsregelgeving, onverlet.

9.  De Gemeenschap kan krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 tevens financiering verlenen voor voorlichtings-, toezicht- en evaluatiemaatregelen met betrekking tot de schoolfruitregeling, onder meer met het oog op de bewustmaking van het publiek, en voor maatregelen op het gebied van netwerkvorming in dit verband.



Subsectie III

Procedurele bepalingen

▼M3

Artikel 103 nonies

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast, met name:

a) bepalingen inzake de financiering van de in artikel 103 bis bedoelde maatregelen, met name de drempels en maxima voor de steun en de mate van communautaire medefinanciering van de steun;

b) de hoogte van en de bepalingen voor de vergoeding van de in artikel 103 sexies, lid 1, bedoelde maatregelen;

c) bepalingen over investeringen in afzonderlijke bedrijven;

d) de data voor de in artikel 103 octies bedoelde mededelingen en kennisgevingen;

e) bepalingen over gedeeltelijke betalingen van de communautaire financiële steun als bedoeld in artikel 103 octies;

▼M6

f) bepalingen betreffende de in artikel 103 octies bis genoemde schoolfruitregeling, met inbegrip van een lijst van producten en ingrediënten die van de schoolfruitregeling moeten worden uitgesloten, de definitieve toewijzing van steun aan de lidstaten, het financieel en budgettair beheer, en de ermee gepaard gaande kosten, de strategieën van de lidstaten, begeleidende maatregelen en voorlichtings-, toezicht-, evaluatie- en netwerkmaatregelen.

▼M10



Sectie IV ter

Steunprogramma’s in de wijnsector



Subsectie I

Inleidende bepalingen

Artikel 103 decies

Toepassingsgebied

In deze sectie worden de voorschriften vastgesteld voor de toewijzing van communautaire financiële middelen aan de lidstaten en het gebruik dat de lidstaten van deze middelen maken in het kader van nationale steunprogramma’s (hierna „steunprogramma’s” genoemd) ter financiering van specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de wijnsector.

Artikel 103 undecies

Verenigbaarheid en coherentie

1.  De steunprogramma’s moeten verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving en coherent zijn met de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Gemeenschap.

2.  De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de steunprogramma’s en zien erop toe dat deze intern coherent zijn en op een objectieve manier worden opgesteld en uitgevoerd, met inachtneming van de economische situatie van de betrokken producenten en de noodzaak een niet-gegronde ongelijke behandeling van de producenten te vermijden.

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het instellen en verrichten van de nodige controles en het opleggen van sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van de steunprogramma’s.

3.  Er wordt geen steun verleend voor:

a) onderzoeksprojecten en maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten;

b) maatregelen die zijn opgenomen in programma’s voor plattelandsontwikkeling van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1698/2005.



Subsectie II

Indiening en inhoud van de steunprogramma’s

Artikel 103 duodecies

Indiening van steunprogramma’s

1.  De in bijlage X ter vermelde producerende lidstaten dienen een ontwerp van een vijfjarig steunprogramma bij de Commissie in met maatregelen die in overeenstemming zijn met deze sectie.

Steunprogramma’s die van toepassing werden op grond van artikel 5, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 479/2008, blijven gelden op grond van de onderhavige verordening.

De steunmaatregelen in de steunprogramma’s worden vastgesteld op het geografische niveau dat de lidstaten als het meest adequate beschouwen. Het steunprogramma wordt bij de Commissie ingediend na overleg met de bevoegde autoriteiten en organisaties op het adequate geografische niveau.

De lidstaten dienen elk één ontwerpsteunprogramma in waarin specifieke regionale factoren in aanmerking mogen worden genomen.

▼A1

Deze alinea is niet van toepassing op Kroatië voor het begrotingsjaar 2013. Kroatië dient bij de Commissie een ontwerp van een steunprogramma in voor de programmeringsperiode 2014-2018.

▼M10

2.  De steunprogramma’s worden drie maanden nadat zij bij de Commissie zijn ingediend, van toepassing.

Voldoet een ingediend steunprogramma niet aan de in deze sectie vastgestelde voorwaarden, dan stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De betrokken lidstaat dient in dat geval een herzien steunprogramma in bij de Commissie. Het herziene steunprogramma wordt twee maanden nadat het is aangemeld, van toepassing, tenzij het nog steeds onverenigbaar is met de voorschriften, in welk geval het bepaalde in deze alinea geldt.

3.  Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de door de lidstaten ingediende steunprogramma’s.

4.  Artikel 103 terdecies is niet van toepassing wanneer de enige maatregel van een lidstaat in een steunprogramma bestaat in de in artikel 103 sexdecies bedoelde overdracht van middelen naar de bedrijfstoeslagregeling. In dat geval is artikel 188 bis, lid 5, alleen van toepassing met betrekking tot het jaar waarin de overdracht plaatsvindt, en is lid 6 van dat artikel niet van toepassing.

Artikel 103 terdecies

Inhoud van de steunprogramma’s

De steunprogramma’s dienen de volgende elementen te bevatten:

a) een gedetailleerde beschrijving van de voorgestelde maatregelen en de becijferde doelstellingen die ermee worden nagestreefd;

b) de resultaten van het gepleegde overleg;

c) een beoordeling van de verwachte technische, economische, maatschappelijke en milieueffecten;

d) een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen;

e) een algemeen financieel overzicht van de middelen die zullen worden gebruikt en de geplande indicatieve verdeling van de middelen over de maatregelen, met inachtneming van de in bijlage X ter opgenomen maxima;

f) de criteria en kwantitatieve indicatoren voor toezicht en evaluatie en de maatregelen die zijn getroffen om de correcte en doeltreffende uitvoering van de steunprogramma’s te garanderen, en

g) een overzicht van de bevoegde autoriteiten en organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het steunprogramma.

Artikel 103 quaterdecies

Subsidiabele maatregelen

1.  Steunprogramma’s omvatten een of meer van de volgende maatregelen:

a) steun uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig artikel 103 sexdecies;

b) afzetbevordering overeenkomstig artikel 103 septdecies;

c) herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig artikel 103 octodecies;

d) groen oogsten overeenkomstig artikel 103 novodecies;

e) onderlinge fondsen overeenkomstig artikel 103 vicies;

f) oogstverzekering overeenkomstig artikel 103 unvicies;

g) investeringen overeenkomstig artikel 103 duovicies;

h) distillatie van bijproducten overeenkomstig artikel 103 tervicies;

i) distillatie tot drinkalcohol overeenkomstig artikel 103 quatervicies;

j) crisisdistillatie overeenkomstig artikel 103 quinvicies;

k) het gebruik van geconcentreerde druivenmost overeenkomstig artikel 103 sexvicies.

2.  Steunprogramma’s omvatten geen andere maatregelen dan de in de artikelen 103 sexdecies tot en met 103 sexvicies vermelde maatregelen.

Artikel 103 quindecies

Algemene voorschriften voor steunprogramma’s

1.  De toewijzing van de beschikbare communautaire middelen en de begrotingslimieten zijn vastgesteld in bijlage X ter.

▼M17

1 bis.  Uiterlijk op 1 augustus 2013 mogen de lidstaten besluiten om met ingang van 2015 het bedrag dat is bestemd voor de in bijlage X ter bedoelde steunprogramma's te verlagen teneinde hun nationale maxima voor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 73/2009 te verhogen.

Het van de in de eerste alinea bedoelde verlaging afkomstige bedrag blijft definitief in de nationale maxima voor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en is niet langer beschikbaar voor de in de artikelen 103 septdecies tot en met 103 sexvicies opgenomen maatregelen.

▼M10

2.  De communautaire steun heeft slechts betrekking op subsidiabele uitgaven die worden gedaan na de indiening van het betrokken steunprogramma overeenkomstig artikel 103 duodecies, lid 1.

3.  De lidstaten nemen niet deel in de kosten van maatregelen die in het kader van de steunprogramma’s door de Gemeenschap worden gefinancierd.

4.  In afwijking van lid 3 mogen de lidstaten voor de in de artikelen 103 septdecies, 103 unvicies en 103 duovicies bedoelde maatregelen nationale steun verlenen overeenkomstig de relevante communautaire voorschriften inzake staatssteun.

Het maximale steunpercentage dat is vastgesteld in de toepasselijke communautaire voorschriften inzake staatssteun, is van toepassing op het totale van overheidswege gefinancierde bedrag, zowel communautaire als nationale financiële middelen meegerekend.



Subsectie III

Specifieke steunmaatregelen

▼M17

Artikel 103 sexdecies

Bedrijfstoeslagregeling en steun voor wijnbouwers

1.  Uiterlijk op 1 december 2012 mogen de lidstaten besluiten om voor 2014 steun aan wijnbouwers te verlenen door hun toeslagrechten in de zin van titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 toe te kennen.

Indien het bedrag van de in de eerste alinea bedoelde steun groter is dan het bedrag van de steun waarin was voorzien voor 2013, gebruikt de betrokken lidstaat het verschil om toeslagrechten in de zin van titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 toe te kennen aan wijnbouwers overeenkomstig bijlage IX, punt C, bij die verordening.

2.  De lidstaten die voornemens zijn de in lid 1 bedoelde steun te verlenen, nemen die steun in hun steunprogramma's op overeenkomstig artikel 103 duodecies, lid 3.

3.  De in lid 1 bedoelde steun voor 2014:

a) blijft in de bedrijfstoeslagregeling en is niet langer beschikbaar krachtens artikel 103 duodecies, lid 3, voor de in de artikelen 103 septdecies tot en met 103 sexvicies opgenomen maatregelen;

b) verlaagt proportioneel het bedrag van de middelen die in de steunprogramma's beschikbaar zijn voor de in de artikelen 103 septdecies tot en met 103 sexvicies opgenomen maatregelen.

▼M10

Artikel 103 septdecies

Bevordering van de afzet op de markten van derde landen

1.  De in dit artikel bedoelde steun is bestemd voor voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen die in derde landen ten voordele van communautaire wijn worden getroffen en de concurrentiepositie van communautaire wijn in deze landen verbeteren.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen hebben betrekking op wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding en op wijn met een aanduiding van het wijndruivenras.

3.  De in lid 1 bedoelde maatregelen mogen uitsluitend bestaan uit:

a) maatregelen op het gebied van public relations, promotie of reclame die met name aandacht vragen voor de voordelen van de communautaire producten, vooral op het gebied van kwaliteit, voedselveiligheid of milieuvriendelijkheid;

b) deelname aan evenementen, beurzen of tentoonstellingen van internationaal belang;

c) voorlichtingscampagnes, met name betreffende de communautaire regelingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en de biologische productie;

d) studies naar nieuwe markten die noodzakelijk zijn om de afzetmogelijkheden uit te breiden;

e) studies om de resultaten van de voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen te evalueren.

4.  De bijdrage van de Gemeenschap voor afzetbevorderingsactiviteiten bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele uitgaven.

Artikel 103 octodecies

Herstructurering en omschakeling van wijngaarden

1.  Maatregelen op het gebied van herstructurering en omschakeling van wijngaarden hebben tot doel het concurrentievermogen van de wijnproducenten te verbeteren.

2.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt pas overeenkomstig dit artikel verleend indien de lidstaten de inventaris van hun productiepotentieel overeenkomstig artikel 185 bis, lid 3, indienen.

3.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt uitsluitend verleend voor één of meer van de volgende activiteiten:

a) omschakeling op andere rassen, onder meer door overenting;

b) aanleg van wijngaarden op andere plaatsen;

c) verbetering van wijnbouwtechnieken.

Voor de gewone vernieuwing van wijngaarden die het einde van hun natuurlijke ontwikkelingscyclus hebben bereikt, wordt geen steun verleend.

4.  Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt uitsluitend in de volgende vorm verleend:

a) een vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten als gevolg van de uitvoering van de maatregel;

b) een bijdrage in de herstructurerings- en omschakelingskosten.

5.  De in lid 4, onder a), bedoelde vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten mag tot 100 % van het betrokken verlies dekken en dient in één van de volgende vormen te worden verleend:

a) toestemming om, ongeacht deel II, titel I, hoofdstuk III, sectie IV bis, subsectie II, betreffende de overgangsregeling voor aanplantrechten, gedurende een bepaalde periode van niet meer dan drie jaar en uiterlijk tot het einde van de overgangsregeling voor aanplantrechten oude en nieuwe wijnstokken naast elkaar te laten bestaan;

b) financiële compensatie.

6.  De deelname van de Gemeenschap in de daadwerkelijke kosten van de herstructurering en omschakeling van wijngaarden bedraagt maximaal 50 % van die kosten. In regio’s die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 ( 10 ) als convergentieregio’s zijn aangemerkt, mag de deelname van de Gemeenschap in de herstructurerings- en omschakelingskosten maximaal 75 % bedragen.

Artikel 103 novodecies

Groen oogsten

1.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „groen oogsten” verstaan de volledige vernietiging of verwijdering van onrijpe druiventrossen waardoor de opbrengst van de betrokken oppervlakte tot nul wordt herleid.

2.  Steun voor groen oogsten dient met het oog op het voorkómen van marktcrises bij te dragen tot het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de communautaire wijnmarkt.

3.  Steun voor groen oogsten mag worden verleend als een vergoeding in de vorm van een door de betrokken lidstaat vast te stellen forfaitaire betaling per hectare.

De betaling mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale rechtstreekse kosten waarmee de vernietiging of verwijdering van de druiventrossen gepaard gaat, en van het inkomstenverlies ten gevolge van die vernietiging of verwijdering.

4.  De betrokken lidstaten stellen op basis van objectieve criteria een systeem vast om te voorkomen dat individuele wijnproducenten dankzij de maatregel inzake groen oogsten een vergoeding krijgen die het in lid 3, tweede alinea, vastgestelde percentage overschrijdt.

Artikel 103 vicies

Onderlinge fondsen

1.  Ten behoeve van producenten die zich tegen marktschommelingen wensen te verzekeren, wordt steun voor het opzetten van onderlinge fondsen verleend.

2.  Steun voor het opzetten van onderlinge fondsen mag worden verleend in de vorm van tijdelijke en degressieve steun ter dekking van de aan deze fondsen verbonden administratieve kosten.

Artikel 103 unvicies

Oogstverzekering

1.  Steun voor oogstverzekeringen moet bijdragen tot het garanderen van de inkomsten van producenten die te lijden hebben van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen.

2.  Steun voor oogstverzekeringen kan worden verleend in de vorm van een communautaire financiële bijdrage ten belope van maximaal:

a) 80 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met natuurrampen;

b) 50 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen:

i) de onder a) bedoelde verliezen en andere door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen;

ii) verliezen die zijn veroorzaakt door dieren, plantenziekten of plagen.

3.  Steun voor oogstverzekeringen mag slechts worden verleend indien de verzekeringsuitkeringen, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere steunregelingen voor het verzekerde risico, niet meer dan 100 % van het door de producent geleden inkomstenverlies dekken.

4.  Steun voor oogstverzekeringen mag de mededinging op de verzekeringsmarkt niet verstoren.

Artikel 103 duovicies

Investeringen

1.  Er mag steun worden verleend voor materiële of immateriële investeringen in verwerkingsinstallaties, de infrastructuur van wijnhuizen en de afzet van wijn die de totale prestatie van de onderneming verbeteren en betrekking hebben op een of meer van de volgende activiteiten:

a) de productie of het in de handel brengen van de in bijlage XI ter bedoelde producten;

b) de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën met betrekking tot de in bijlage XI ter bedoelde producten.

2.  De in lid 1 bedoelde steun wordt, wat de maxima betreft, beperkt tot micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen ( 11 ). Voor de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EG) nr. 1405/2006 en de Franse overzeese departementen zijn met betrekking tot de maxima geen omvangslimieten van toepassing. Voor ondernemingen die niet onder artikel 2, lid 1, van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG vallen, minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR hebben, wordt de maximale steunintensiteit gehalveerd.

De steun wordt niet verleend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.

3.  De in artikel 71, lid 3, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde kosten zijn van de subsidiabele uitgaven uitgesloten.

4.  Met betrekking tot de subsidiabele investeringskosten zijn de volgende maximale steunpercentages van toepassing voor de bijdrage van de Gemeenschap:

a) 50 % in regio’s die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 als convergentieregio zijn aangemerkt;

b) 40 % in andere regio’s dan convergentieregio’s;

c) 75 % in de ultraperifere gebieden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad;

d) 65 % op de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EG) nr. 1405/2006.

5.  Artikel 72 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 is van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde steun.

Artikel 103 tervicies

Distillatie van bijproducten

1.  Er mag steun worden verleend voor de vrijwillige of verplichte distillatie van bijproducten van de wijnbereiding die is uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage XV ter, punt D, vastgestelde voorwaarden.

Het steunbedrag wordt vastgesteld per % vol en per hectoliter geproduceerde alcohol. Er wordt geen steun betaald voor het alcoholvolume in de te distilleren bijproducten dat hoger ligt dan 10 % van het alcoholvolume in de geproduceerde wijn.

2.  De maximaal toe te passen steunbedragen zijn gebaseerd op de kosten voor het inzamelen en verwerken en worden vastgesteld door de Commissie.

3.  De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie waarvoor steun wordt verleend, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

Artikel 103 quatervicies

Distillatie tot drinkalcohol

1.  Tot 31 juli 2012 mag aan producenten steun, in de vorm van hectaresteun, worden verleend voor wijn die wordt gedistilleerd tot drinkalcohol.

2.  Voordat de steun wordt verleend, worden de desbetreffende distillatiecontracten en de desbetreffende bewijzen van levering voor distillatie voorgelegd.

Artikel 103 quinvicies

Crisisdistillatie

1.  Tot en met 31 juli 2012 mag steun worden verleend voor vrijwillige of verplichte distillatie van wijnoverschotten waartoe door lidstaten in gerechtvaardigde crisisgevallen is besloten, om de overschotten te verkleinen of weg te werken en tegelijkertijd de continuïteit in de voorziening van de ene oogst tot de andere te waarborgen.

2.  De Commissie stelt de maximaal toe te passen steunbedragen vast.

3.  De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie waarvoor steun wordt verleend, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

4.  Het aandeel van de beschikbare begroting dat voor de crisisdistillatiemaatregel wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan de volgende percentages, berekend op de totaal beschikbare middelen die in bijlage X ter per lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar worden vastgesteld:

 20 % in 2009;

 15 % in 2010;

 10 % in 2011;

 5 % in 2012.

5.  De lidstaten mogen de beschikbare middelen voor de crisisdistillatiemaatregel verhogen tot boven de in lid 4 bepaalde jaarlijkse plafonds door nationale middelen bij te dragen binnen de volgende grenzen (uitgedrukt als percentage van de in lid 4 bepaalde respectieve jaarlijkse maxima):

 5 % in het wijnoogstjaar 2010;

 10 % in het wijnoogstjaar 2011;

 15 % in het wijnoogstjaar 2012.

In voorkomend geval stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de bijdrage van nationale middelen als bedoeld in de eerste alinea; de Commissie keurt de transactie goed voordat die middelen beschikbaar worden gesteld.

Artikel 103 sexvicies

Gebruik van geconcentreerde druivenmost

1.  Tot en met 31 juli 2012 mag steun worden verleend aan wijnbouwers die geconcentreerde druivenmost, daaronder begrepen gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, gebruiken ter verhoging van het natuurlijke alcoholvolumegehalte van producten overeenkomstig de in bijlage XV bis vastgestelde voorwaarden.

2.  Het steunbedrag wordt vastgesteld per procent potentieel alcoholvolumegehalte en per hectoliter van de voor de verrijking gebruikte druivenmost.

3.  De Commissie stelt de maximaal toe te passen steunbedragen voor deze maatregel in de verschillende wijnbouwzones vast.

Artikel 103 septvicies

Randvoorwaarden

Indien wordt geconstateerd dat een landbouwer op enig moment gedurende de drie jaar die volgen op de betaling in het kader van de steunprogramma’s voor herstructurering en omschakeling of op enig moment gedurende het jaar dat volgt op de betaling in het kader van de steunprogramma’s voor groen oogsten, de in de artikelen 3 tot en met 7 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet in acht heeft genomen en indien die niet-naleving het gevolg is van een rechtstreeks aan de landbouwer te wijten handelen of nalaten, wordt het bedrag van de betaling verlaagd of geschorst, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk van de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de niet-naleving, en wordt de landbouwer, in voorkomend geval, gelast dit bedrag overeenkomstig de voorwaarden in de genoemde bepalingen terug te betalen.



Subsectie IV

Procedurebepalingen

Artikel 103 octovicies

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op:

a) het format waarin de steunprogramma’s moeten worden gepresenteerd;

b) voorschriften voor de wijziging van reeds in werking getreden steunprogramma’s;

c) gedetailleerde voorschriften voor de uitvoering van in de artikelen 103 septdecies tot en met 103 sexvicies bedoelde maatregelen;

d) de voorwaarden waaronder de financiële steunverlening door de Gemeenschap onder de aandacht wordt gebracht en bekendgemaakt.

▼B



Sectie V

Communautair fonds voor tabak

Artikel 104

Fonds voor tabak

1.  Er wordt een Communautair Fonds voor tabak ingesteld (hierna het „Fonds” genoemd), dat acties financiert op de volgende gebieden:

a) verbetering van de kennis van het publiek over de schadelijke gevolgen van alle vormen van tabaksverbruik, met name via voorlichting en onderwijs, steun voor de verzameling van gegevens met het oog op het vaststellen van tendensen in het tabaksverbruik en de uitvoering van epidemiologische studies inzake tabaksverslaving in de Gemeenschap; studie over de preventie van tabaksverslaving;

b) specifieke acties inzake omschakeling van de producenten van ruwe tabak op andere teelten of andere werkgelegenheidscheppende economische activiteiten en studies over de omschakelingsmogelijkheden voor producenten van ruwe tabak op andere teelten of activiteiten.

2.  Het Fonds wordt als volgt gefinancierd:

a) voor de oogst 2002 door inhouding van 2 %, en voor de oogsten 2003, 2004 en 2005 door inhouding van 3 % van de premie die is ingesteld in titel I van Verordening (EEG) nr. 2075/92 voor zover die tot en met de oogst van 2005 van toepassing is op de financiering van acties als bedoeld in lid 1;

▼M4

b) voor de kalenderjaren 2006 tot en met 2009 overeenkomstig artikel 110 quaterdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

▼B

3.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.



Sectie VI

Bijzondere bepalingen voor de bijenteeltsector

Artikel 105

Toepassingsgebied

1.  Met het oog op de verbetering van de algemene voorwaarden voor de productie en afzet van producten van de bijenteelt kunnen de lidstaten voor een periode van drie jaar een nationaal programma opstellen, hierna „bijenteeltprogramma” genoemd.

▼M7

2.  De lidstaten kunnen specifieke nationale steun betalen ter bescherming van bedrijven uit de bijenteeltsector die te kampen hebben met ongunstige structurele of natuurlijke omstandigheden of de specifieke nationale steun betalen die wordt verleend in het kader van programma's voor economische ontwikkeling, behalve wanneer het gaat om steun ten behoeve van de productie of de handel. Die steun moet door de lidstaten ter kennis van de Commissie worden gebracht, samen met de toezending van het bijenteeltprogramma overeenkomstig artikel 109.

▼B

Artikel 106

Voor steun in aanmerking komende maatregelen

De maatregelen die in de bijenteeltprogramma's kunnen worden opgenomen, hebben betrekking op:

a) technische bijstand voor bijenhouders en bijenhoudersgroeperingen;

b) bestrijding van de varroamijtziekte;

c) rationalisatie van de transhumance;

d) steunmaatregelen ten behoeve van de laboratoria waar de fysisch-chemische eigenschappen van de honing worden geanalyseerd;

e) steun voor het herstel van het communautaire bijenbestand;

f) samenwerking met instanties die gespecialiseerd zijn in de uitvoering van programma's inzake toegepast onderzoek op het gebied van de bijenteelt en de producten van de bijenteelt.

Maatregelen die in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 ( 12 ) van de Raad uit het ELFPO worden gefinancierd, mogen niet in de bijenteeltprogramma's worden opgenomen.

Artikel 107

Studie van de productie- en afzetstructuur in de bijenteeltsector

Om voor de in artikel 108, lid 1, vastgestelde medefinanciering in aanmerking te komen moeten de lidstaten een studie uitvoeren naar de structuur van de bijenteeltsector op hun grondgebied, waarin zowel de productie als de afzet worden onderzocht.

Artikel 108

Financiering

1.  De Gemeenschap financiert de bijenteeltprogramma's ten belope van 50 % van de uitgaven van de lidstaten.

2.  De uitgaven voor de in het kader van de bijenteeltprogramma's uitgevoerde maatregelen moeten door de lidstaten uiterlijk op 15 oktober van elk jaar zijn gedaan.

Artikel 109

Raadpleging

De bijenteeltprogramma's worden opgesteld in nauwe samenwerking met de representatieve beroepsorganisaties en de coöperaties van de bijenhouderijsector. Zij worden ter goedkeuring aan de Commissie toegezonden.

Artikel 110

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast.



Sectie VII

Steun in de sector zijderupsen

Artikel 111

Steun voor zijderupsentelers

1.  Er wordt steun verleend voor in de Gemeenschap geteelde zijderupsen van GN-code ex 0106 90 00 en eieren van zijderupsen van GN-code ex 0511 99 85 .

2.  De steun wordt aan de zijderupsentelers verleend voor de gebruikte dozen eieren van zijderupsen voor zover de dozen een nader te bepalen minimumhoeveelheid eieren bevatten en de rupsenteelt tot een goed einde is gebracht.

3.  Het steunbedrag per gebruikte doos zijderupseneieren wordt op 133,26  euro vastgesteld.

Artikel 112

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt voor deze sectie uitvoeringsbepalingen vast die met name betrekking hebben op de in artikel 111, lid 2, bedoelde minimumhoeveelheid eisen.



TITEL II

PRODUCTIE- EN AFZETVOORSCHRIFTEN



▼M10

HOOFDSTUK I

Productie- en afzetvoorschriften



Sectie I

Afzetvoorschriften

▼B

Artikel 113

Handelsnormen

▼M3

1.  Voor een of meer van de producten van de volgende sectoren kan de Commissie handelsnormen vaststellen:

a) olijfolie en tafelolijven, voor wat de onder a) van deel VII van bijlage I bedoelde producten betreft;

b) groenten en fruit;

c) verwerkte groenten en fruit;

d) bananen;

e) levende planten.

▼B

2.  De in lid 1 bedoelde normen:

a) worden opgesteld met name rekening houdend met:

i) de specifieke kenmerken van de betrokken producten;

ii) de noodzaak om voorwaarden voor een vlotte afzet van die producten op de markt te creëren;

▼M3

iii) het belang dat de consumenten hebben bij het ontvangen van degelijke en transparante productinformatie waaronder, in het bijzonder voor de producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit, het land van oorsprong, de klasse en, indien van toepassing, de variëteit (of de handelssoort) van het product;

▼B

iv) wat betreft de onder a) van deel VII van bijlage I bedoelde olijven, veranderingen in de methoden voor het bepalen van hun fysisch-chemische en organoleptische kenmerken;

▼M3

v) wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit, de aanbevelingen inzake normen die de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) heeft aangenomen.

▼M3

b) kunnen met name betrekking hebben op kwaliteit, indeling in klassen, gewicht, grootte, onmiddellijke verpakking, eindverpakking, opslag, vervoer, aanbiedingsvorm, afzet, oorsprong en etikettering.

▼B

3.  Tenzij de Commissie anders besluit op grond van de in lid 2, onder a), genoemde criteria, mogen producten waarvoor normen zijn vastgesteld, slechts in de Gemeenschap worden afgezet als zij aan die normen voldoen.

Onverminderd eventuele specifieke bepalingen die de Commissie overeenkomstig artikel 194 kan vaststellen, gaan de lidstaten na of deze producten aan deze normen voldoen en leggen zij indien nodig passende sancties op.

▼M3

Artikel 113 bis

Aanvullende eisen voor de afzet van producten van de sector groenten en fruit

1.  De producten van de sector groenten en fruit die vers aan de consument worden verkocht, mogen alleen in de handel worden gebracht als ze van een deugdelijke handelskwaliteit zijn en als het land van oorsprong is vermeld.

2.  Tenzij de Commissie anders besluit, gelden de in lid 1 van dit artikel en in artikel 113, lid 1, onder b) en c), bedoelde handelsnormen voor alle afzetstadia, inclusief in- en uitvoer.

3.  De houder van producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit waarvoor handelsnormen zijn vastgesteld, mag die producten binnen de Gemeenschap alleen uitstallen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen indien zij aan die normen voldoen. De houder van de producten is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepaling.

4.  Ter aanvulling van artikel 113, lid 3, tweede alinea, en onverminderd eventuele door de Commissie overeenkomstig artikel 194 vast te stellen specifieke bepalingen, met name over de consequente toepassing van de normcontroles in de lidstaten, controleren de lidstaten voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit op selectieve wijze, volgens een risico-analyse, of deze producten aan de betrokken handelsnormen voldoen. Deze controle vindt plaats voordat het product het productiegebied verlaat, tijdens het verpakken of bij het laden ervan. Producten uit derde landen worden gecontroleerd voordat zij worden vrijgegeven voor het vrije verkeer.

Artikel 113 ter

Afzet van vlees afkomstig van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden

1.  Onverminderd artikel 42, lid 1, onder a), en lid 2, en bijlage V, punt A, zijn de voorwaarden van bijlage XI bis, en met name de in punt III daarvan vastgestelde verkoopbenamingen die in dit verband moeten worden gebruikt, van toepassing op vlees van op of na1 juli 2008 geslachte runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden, ongeacht of dat vlees in de Gemeenschap wordt geproduceerd of uit derde landen in de Gemeenschap wordt ingevoerd.

Vlees van dieren die niet ouder zijn dan twaalf maanden en die geslacht zijn vóór 1 juli 2008, mag evenwel nog steeds in de handel worden gebracht zonder dat het aan de voorwaarden van bijlage XI bis voldoet.

2.  De in lid 1 bedoelde voorwaarden zijn niet van toepassing op vlees van runderen waarvoor vóór 29 juni 2007 een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is geregistreerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen ( 13 ).

▼M10

Artikel 113 quater

Afzetvoorschriften ter verbetering en stabilisering van de werking van de gemeenschappelijke markt voor wijn

1.  Ter verbetering en stabilisering van de werking van de gemeenschappelijke markt voor wijn, met inbegrip van de voor de vervaardiging van die wijn gebruikte druiven, most en wijn, kunnen de producerende lidstaten afzetvoorschriften vaststellen om het aanbod te reguleren, met name aan de hand van de uitvoeringsbesluiten van de brancheorganisaties als bedoeld in artikel 123, lid 3, en artikel 125 sexdecies.

Die voorschriften moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel en het mag niet gaan om voorschriften:

a) die betrekking hebben op transacties die volgen op het tijdstip waarop het betrokken product voor het eerst in de handel is gebracht;

b) die prijsstellingen mogelijk maken, zelfs als het richtsnoeren of aanbevelingen betreft;

c) die een buitensporig groot gedeelte van de normaliter beschikbare jaarlijkse oogst blokkeren;

d) die ruimte bieden voor weigering van de afgifte van nationale en communautaire bewijsstukken die nodig zijn om wijn in het verkeer en in de handel te brengen, wanneer het in de handel brengen in overeenstemming is met de betrokken voorschriften.

2.  De in lid 1 bedoelde voorschriften worden in extenso ter kennis van de marktdeelnemers gebracht door middel van bekendmaking in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

3.  De in artikel 125 sexdecies, lid 3, bedoelde verslagleggingsverplichting geldt ook voor de besluiten en de acties van de lidstaten op grond van dit artikel.

Artikel 113 quinquies

Specifieke voorschriften voor het in de handel brengen van wijn

1.  De in bijlage XI ter genoemde benamingen van wijncategorieën mogen in de Gemeenschap slechts worden gebruikt indien het product dat in de handel wordt gebracht, voldoet aan de in die bijlage vastgestelde overeenkomstige voorwaarden.

In afwijking van artikel 118 sexvicies, lid 1, onder a), mogen de lidstaten toestaan dat het woord „wijn” wordt gebruikt indien:

a) het vergezeld gaat van de naam van een vrucht in samengestelde benamingen om producten, verkregen door vergisting van andere vruchten dan druiven, in de handel te brengen, of

b) het onderdeel is van een samengestelde benaming.

Iedere verwarring met producten die onder de wijncategorieën van bijlage XI ter vallen, moet worden voorkomen.

2.  De Commissie kan de wijncategorieën van bijlage XI ter wijzigen volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure.

3.  Met uitzondering van wijn in flessen die aantoonbaar vóór 1 september 1971 is gebotteld, mag wijn die is verkregen van de in artikel 120 bis, lid 2, eerste alinea, bedoelde wijndruivenrassen, maar niet overeenstemt met één van de in bijlage XI ter vermelde categorieën, slechts worden gebruikt voor consumptie door de individuele wijnbouwer en zijn gezin, voor de vervaardiging van wijnazijn of voor distillatie.

▼B

Artikel 114

Handelsnormen voor melk en zuivelproducten

1.  Levensmiddelen die bestemd zijn voor menselijke consumptie kunnen slechts als melk of zuivelproducten in de handel worden gebracht als zij voldoen aan de in bijlage XII vastgestelde definities en benamingen.

2.  Onverminderd de vrijstellingen overeenkomstig de communautaire wetgeving en maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid mag melk van GN-code 0401 die voor menselijke consumptie bestemd is, slechts in de Gemeenschap in de handel worden gebracht als wordt voldaan aan de bepalingen van bijlage XII, en in het bijzonder aan de definities in punt I van die bijlage.

Artikel 115

Handelsnormen voor smeerbare vetproducten

Onverminderd artikel 114, lid 1, of bepalingen die in de veterinaire sector of de levensmiddelensector worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de producten aan de hygiëne- en gezondheidsnormen voldoen en om de gezondheid van dieren en mensen te beschermen, zijn de in bijlage XV vastgestelde normen van toepassing op de volgende producten die een vetgehalte van minstens 10 maar minder dan 90 gewichtspercenten hebben en voor menselijke consumptie bestemd zijn:

a) melkvetten van de GN-codes 0405 en ex  21 06 ;

b) vetten van GN-code ex  15 17 ;

c) vetten met plantaardige en/of dierlijke bestanddelen van de GN-codes ex  15 17 en ex  21 06 .

Het vetgehalte exclusief zout bedraagt ten minste twee derden van de droge stof.

Deze normen gelden evenwel alleen voor producten die bij een temperatuur van 20 oC hun vaste vorm behouden en als smeerbaar vetproduct kunnen worden gebruikt.

Artikel 116

Handelsnormen voor vleesproducten van de sectoren eieren en vlees van pluimvee

Producten van de sectoren eieren en pluimvee worden in de handel gebracht overeenkomstig de bepalingen van bijlage XIV.

Artikel 117

Certificering voor hop

1.  Op de producten van de hopsector die in de Gemeenschap worden geoogst of vervaardigd, is een certificeringsprocedure van toepassing.

2.  De certificaten mogen slechts worden afgegeven voor producten die voldoen aan minimumkwaliteitskenmerken voor een bepaald handelsstadium. Voor hopmeel, met lupuline verrijkt hopmeel, hopextract en mengproducten van hop mogen de certificaten slechts worden afgegeven als het alfazuurgehalte van deze producten niet lager is dan dat van de hop waaruit zij zijn bereid.

3.  Op de certificaten dienen ten minste te worden vermeld:

a) de plaats(en) waar de hop is geteeld;

b) het/de oogstja(a)r(en);

c) het ras of rassen.

4.  De producten van de hopsector mogen alleen in de handel worden gebracht of uitgevoerd als een certificaat als bedoeld in de leden 1, 2 en 3 is afgegeven.

Voor ingevoerde producten van de hopsector wordt de in artikel 158, lid 2, vastgestelde verklaring erkend als gelijkwaardig aan het certificaat.

5.  De Commissie kan maatregelen nemen die afwijken van lid 4:

a) om aan de commerciële eisen van bepaalde derde landen te voldoen, of

b) voor producten die bestemd zijn voor bijzondere gebruiksdoeleinden.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen:

a) mogen niet nadelig zijn voor de normale afzet van de producten waarvoor het certificaat is afgegeven;

b) moeten vergezeld gaan van garanties om elke verwarring met de bovenbedoelde producten te voorkomen.

Artikel 118

Handelsnormen voor olijfolie en olie uit perskoeken van olijven

1.  Het gebruik van de in bijlage XVI vermelde benamingen en definities van olijfoliën en oliën uit perskoeken van olijven is verplicht bij de verhandeling van de betrokken producten in de Gemeenschap en, voor zover verenigbaar met de verplichte internationale regels, in het handelsverkeer met derde landen.

2.  In het stadium van de detailhandel mogen alleen de oliën als bedoeld in punt 1, onder a) en b), en de punten 3 en 6 van bijlage XVI worden verhandeld.

▼M10



Sectie I bis

Oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen in de wijnsector

Artikel 118 bis

Toepassingsgebied

1.  De in deze sectie vastgestelde voorschriften inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen zijn van toepassing op de producten als bedoeld in de punten 1, 3 tot en met 6, 8, 9, 11, 15 en 16 van bijlage XI ter.

2.  De in lid 1 bedoelde voorschriften zijn gebaseerd op:

a) het beschermen van de wettige belangen van:

i) consumenten, en

ii) producenten;

b) het waarborgen van de soepele werking van de gemeenschappelijke markt voor de betrokken producten, en

c) de bevordering van de productie van kwaliteitsproducten, terwijl ruimte wordt gelaten voor nationale maatregelen op het gebied van kwaliteitsbeleid.



Subsectie I

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

Artikel 118 ter

Definities

1.  Voor de toepassing van deze subsectie gelden de volgende definities:

a)

„oorsprongsbenaming” :

de naam van een regio, een bepaalde plaats of, bij uitzondering, een land, die wordt gebruikt voor de beschrijving van een product als bedoeld in artikel 118 bis, lid 1, dat aan de volgende vereisten voldoet:

i) de kwaliteit en de kenmerken van het product zijn hoofdzakelijk of uitsluitend toe te schrijven aan de specifieke geografische omgeving met haar eigen door natuur en mens bepaalde factoren;

ii) alle druiven waarmee het product is bereid, zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii) de productie vindt plaats in dit geografische gebied, en

iv) het product is verkregen van wijndruivenrassen die behoren tot de soort Vitis vinifera;

b)

„geografische aanduiding” :

een aanduiding die verwijst naar een regio, een bepaalde plaats of, bij uitzondering, een land, die wordt gebruikt voor de beschrijving van een product als bedoeld in artikel 118 bis, lid 1, dat aan de volgende vereisten voldoet:

i) het product heeft een specifieke kwaliteit, reputatie of andere kenmerken die aan deze geografische oorsprong kunnen worden toegeschreven;

ii) ten minste 85 % van de voor de bereiding van het product gebruikte druiven zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii) de productie vindt plaats in dit geografische gebied, en

iv) het product is verkregen van wijndruivenrassen die tot de soort Vitis vinifera behoren of die het resultaat zijn van een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis.

2.  Bepaalde traditioneel gebruikte namen zijn een oorsprongsbenaming wanneer zij:

a) een wijn aanduiden;

b) naar een geografische naam verwijzen;

c) voldoen aan de in lid 1, onder a), punten i) tot en met iv), vastgestelde voorwaarden, en

d) worden beschermd volgens de in deze subsectie vastgestelde procedure voor de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

3.  Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, waaronder die welke betrekking hebben op geografische gebieden in derde landen, komen in aanmerking voor bescherming in de Gemeenschap overeenkomstig de in deze subsectie vastgestelde voorschriften.

Artikel 118 quater

Inhoud van de beschermingsaanvraag

1.  Een aanvraag om een naam te beschermen als oorsprongsbenaming of als geografische aanduiding dient een technisch dossier met de volgende gegevens te bevatten:

a) de naam die moet worden beschermd;

b) de naam en het adres van de aanvrager;

c) het in lid 2 bedoelde productdossier, en

d) het enig document waarin het in lid 2 bedoelde productdossier wordt samengevat.

2.  De betrokken partijen kunnen aan de hand van het productdossier nagaan onder welke omstandigheden de producten met de betrokken oorsprongsbenaming of geografische aanduiding worden geproduceerd.

Het productdossier bestaat ten minste uit de volgende elementen:

a) de naam die moet worden beschermd;

b) een beschrijving van de wijn(en):

i) voor wijn met een oorsprongsbenaming, zijn belangrijkste analytische en organoleptische kenmerken,

ii) voor wijn met een geografische aanduiding, zijn belangrijkste analytische kenmerken en een beoordeling of indicatie van zijn organoleptische kenmerken;

c) in voorkomend geval, de specifieke bij de productie van de wijn(en) gebruikte oenologische procedés, alsmede de betrokken beperkingen bij de productie van de wijn(en);

d) de afbakening van het betrokken geografische gebied;

e) de maximumopbrengst per hectare;

f) het wijndruivenras of de wijndruivenrassen waarvan de wijn(en) is (zijn) verkregen;

g) de gegevens over het verband als bedoeld in artikel 118 ter, lid 1, onder a), punt i), of, in voorkomend geval, in artikel 118 ter, lid 1, onder b), punt i);

h) de toepasselijke vereisten die zijn vastgesteld in communautaire of nationale wetgeving of, indien daarin door de lidstaten is voorzien, door een organisatie die de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding beheert, daarbij in aanmerking nemend dat die vereisten objectief, en niet-discriminerend en in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving moeten zijn;

i) de naam en het adres van de autoriteiten of organen die verifiëren of de bepalingen van het productdossier worden nageleefd, alsmede hun specifieke taken.

Artikel 118 quinquies

Beschermingsaanvraag met betrekking tot in derde landen gelegen geografische gebieden

1.  Een beschermingsaanvraag met betrekking tot een geografisch gebied in een derde land bevat naast de in artikel 118 quater vermelde elementen het bewijs dat de betrokken naam in het land van oorsprong van het betrokken product beschermd is.

2.  De aanvraag wordt rechtstreeks door de aanvrager of via de autoriteiten van het betrokken derde land bij de Commissie ingediend.

3.  De beschermingsaanvraag wordt ingediend in één van de officiële talen van de Gemeenschap of gaat vergezeld van een gecertificeerde vertaling in één van die talen.

Artikel 118 sexies

Aanvragers

1.  De bescherming van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding wordt aangevraagd door een belanghebbende producentengroepering of, bij uitzondering, door een individuele producent. Andere betrokken partijen mogen zich bij de aanvraag aansluiten.

2.  Producenten mogen slechts voor door hen geproduceerde wijn een beschermingsaanvraag indienen.

3.  Voor namen die een grensoverschrijdend geografisch gebied aanduiden of voor traditionele namen die verbonden zijn met een dergelijk gebied, mag een gemeenschappelijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 118 septies

Inleidende nationale procedure

1.  Een aanvraag tot bescherming van een in artikel 118 ter bedoelde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voor wijn uit de Gemeenschap wordt overeenkomstig het onderhavige artikel behandeld in het kader van een inleidende nationale procedure.

2.  De beschermingsaanvraag wordt ingediend in de lidstaat op het grondgebied waarvan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is ontstaan.

3.  De betrokken lidstaat gaat na of de beschermingsaanvraag voldoet aan de in deze subsectie vastgestelde voorwaarden.

De door de lidstaat te volgen nationale procedure houdt in dat de aanvraag naar behoren wordt bekendgemaakt en dat op het grondgebied van de betrokken lidstaat woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen met een legitiem belang gedurende ten minste twee maanden na de datum van bekendmaking van de beschermingsaanvraag bezwaar kunnen aantekenen tegen de voorgestelde bescherming door een met redenen omklede verklaring in te dienen bij de betrokken lidstaat.

4.  Een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die volgens de lidstaat niet aan de betrokken vereisten voldoet, of onverenigbaar is met de Gemeenschapswetgeving in haar geheel, wordt door die lidstaat afgewezen.

5.  Een lidstaat die oordeelt dat de betrokken vereisten zijn nageleefd,

a) publiceert het enig document en het productdossier ten minste op het internet, en

b) zendt aan de Commissie een beschermingsaanvraag met de volgende gegevens:

i) de naam en het adres van de aanvrager,

ii) het in artikel 118 quater, lid 1, onder d), bedoelde enig document,

iii) een verklaring waarin de lidstaat aangeeft dat de door de aanvrager ingediende aanvraag volgens die lidstaat voldoet aan de voorwaarden van deze verordening, en

iv) de vindplaats van de onder a) bedoelde bekendmaking.

Deze informatie wordt ingediend in één van de officiële talen van de Gemeenschap of gaat vergezeld van een gecertificeerde vertaling in één van die talen.

6.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 augustus 2009 aan dit artikel te voldoen.

7.  Wanneer een lidstaat geen nationale wetgeving inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen heeft, kan deze lidstaat, uitsluitend bij wijze van overgangsregeling, de benaming overeenkomstig deze subsectie op nationaal niveau beschermen met ingang van de dag waarop de aanvraag bij de Commissie wordt ingediend. De nationale bescherming bij wijze van overgangsregeling eindigt op de datum waarop overeenkomstig deze subsectie een besluit inzake registratie of weigering wordt genomen.

Artikel 118 octies

Onderzoek door de Commissie

1.  De Commissie maakt de termijn bekend voor de indiening van een aanvraag tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

2.  De Commissie onderzoekt of de in artikel 118 septies, lid 5, bedoelde beschermingsaanvragen voldoen aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden.

3.  Indien volgens de Commissie is voldaan aan de in deze subsectie vastgestelde voorwaarden, maakt zij het in artikel 118 quater, lid 1, onder d), bedoelde enig document en de in artikel 118 septies, lid 5, bedoelde vindplaats van de bekendmaking van het productdossier bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Wanneer niet aan de in deze subsectie vastgestelde voorwaarden is voldaan, besluit de Commissie de aanvraag af te wijzen volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure.

Artikel 118 nonies

Bezwaarprocedure

Lidstaten, derde landen of natuurlijke of rechtspersonen met een legitiem belang die woonachtig of gevestigd zijn in een andere lidstaat dan die waar de bescherming is aangevraagd, of in een derde land, kunnen gedurende uiterlijk twee maanden na de in artikel 118 octies, lid 3, eerste alinea, bedoelde bekendmaking bezwaar tegen de voorgestelde bescherming aantekenen door bij de Commissie een met redenen omklede verklaring in te dienen met betrekking tot de in deze subsectie bepaalde voorwaarden om voor bescherming in aanmerking te komen.

In een derde land woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen dienen hun verklaring binnen de in de eerste alinea vastgestelde termijn van twee maanden rechtstreeks of via de autoriteiten van het betrokken derde land bij de Commissie in.

Artikel 118 decies

Beschermingsbesluit

Op basis van de informatie waarover de Commissie beschikt, besluit zij, volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure, om bescherming te verlenen aan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die aan de in deze subsectie vastgestelde voorwaarden voldoet en verenigbaar is met de Gemeenschapswetgeving in het algemeen, dan wel de aanvraag af te wijzen indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 118 undecies

Homoniemen

1.  Bij de registratie van een benaming waarvoor een aanvraag is ingediend en die volledig of gedeeltelijk homoniem is met een benaming die overeenkomstig deze verordening betreffende de wijnsector is geregistreerd, wordt naar behoren rekening gehouden met de plaatselijke en traditionele gebruiken en elk risico van verwarring.

Een homonieme benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn van een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats van oorsprong van de betrokken producten betreft.

Het gebruik van een geregistreerde homonieme benaming is slechts toegestaan indien de praktische omstandigheden garanderen dat de in tweede instantie geregistreerde homonieme benaming zich duidelijk onderscheidt van de reeds geregistreerde benaming, rekening houdend met het feit dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en dat de consument niet mag worden misleid.

2.  Lid 1 is van overeenkomstige toepassing wanneer een benaming waarvoor een aanvraag is ingediend, volledig of gedeeltelijk homoniem is met een geografische aanduiding die als dusdanig is beschermd krachtens de wetgeving van een lidstaat.

De lidstaten registreren geen niet-identieke geografische aanduidingen met het oog op bescherming uit hoofde van hun respectieve wetgeving inzake geografische aanduidingen, indien een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding in de Gemeenschap is beschermd uit hoofde van de Gemeenschapswetgeving inzake oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

3.  Tenzij in de uitvoeringsbepalingen van de Commissie anders is bepaald, mogen namen van wijndruivenrassen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, niet worden gebruikt voor de etikettering van onder deze verordening vallende producten.

4.  De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor producten die onder artikel 118 ter vallen, geldt onverminderd de beschermde geografische aanduidingen die van toepassing zijn op gedistilleerde dranken in de zin van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken ( 14 ) en vice versa.

Artikel 118 duodecies

Redenen tot weigering van de bescherming

1.  Namen die soortnamen zijn geworden, worden niet beschermd als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

In de zin van deze subsectie wordt onder een „naam die een soortnaam is geworden” verstaan de naam van een wijn, die weliswaar verband houdt met de plaats of regio waar deze wijn oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, maar in de Gemeenschap de gangbare naam van die wijn is geworden.

Om vast te stellen of een naam een soortnaam is geworden, wordt rekening gehouden met alle ter zake doende factoren, met name:

a) de bestaande situatie in de Gemeenschap, vooral in de consumptiegebieden;

b) de relevante communautaire of nationale wetgeving.

2.  Een naam wordt niet als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding beschermd indien de bescherming, rekening houdend met de reputatie en bekendheid van een merk, de consument kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van de wijn.

Artikel 118 terdecies

Verband met merken

1.  Wanneer een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding overeenkomstig deze verordening wordt beschermd, wordt een aanvraag tot registratie van een merk dat onder één van de in artikel 118 quaterdecies, lid 2, vermelde situaties valt en dat betrekking heeft op een product van één van de in bijlage XI ter vermelde categorieën, afgewezen als de aanvraag tot bescherming van het merk wordt ingediend na de datum waarop de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie is ingediend, en wordt de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding vervolgens beschermd.

Merken die in strijd met de eerste alinea zijn geregistreerd, worden nietig verklaard.

2.  Indien een merk in één van de in artikel 118 quaterdecies, lid 2, vermelde situaties is gebruikt en vóór de datum waarop de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie is ingediend, is gedeponeerd of ingeschreven, of, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, rechten heeft verworven door gebruik op het grondgebied van de Gemeenschap, mag dit merk verder worden gebruikt en komt het in aanmerking voor verlenging van de betrokken rechten, onverminderd artikel 118 duodecies, lid 2, en niettegenstaande de bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding, op voorwaarde dat het merk geen aanleiding geeft tot nietig- of vervallenverklaring op grond van de Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten ( 15 ) of Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk ( 16 ).

In dergelijke gevallen mag de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding naast het betrokken merk worden gebruikt.

Artikel 118 quaterdecies

Bescherming

1.  Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen mogen worden gebruikt door alle marktdeelnemers die een overeenkomstig het betrokken productdossier geproduceerde wijn in de handel brengen.

2.  Beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, alsmede de wijnen die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:

a) elk direct of indirect gebruik door de handel van een beschermde naam:

i) voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier, of

ii) voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

b) elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product of de dienst is aangegeven, of indien de beschermde naam is vertaald of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „methode”, „op de wijze van”, „imitatie”, smaak, „zoals” en dergelijke;

c) elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken wijnproduct, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;

d) andere praktijken die de consument kunnen misleiden ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product.

3.  Beschermde oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen worden in de Gemeenschap geen soortnamen in de zin van artikel 118 duodecies, lid 1.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een eind te maken aan het in lid 2 bedoelde onrechtmatige gebruik van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

▼A1

5.  In afwijking van de leden 1 tot en met 4, mag Kroatië wijnen met de benaming „Mlado vino portugizac” in de handel brengen in Kroatië of uitvoeren naar derde landen tot de voorraden die op de datum van toetreding beschikbaar waren, zijn opgebruikt. Kroatië zal een geautomatiseerde gegevensbank opzetten met informatie over de voorraden die op de datum van toetreding bestaan, en zal erop toezien dat deze voorraden worden gecontroleerd en bij de Commissie worden aangegeven.

▼M10

Artikel 118 quindecies

Register

De Commissie stelt een openbaar toegankelijk elektronisch register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen voor wijn op en houdt dat bij.

Artikel 118 sexdecies

Aanwijzing van een bevoegde controleautoriteit

1.  De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de controles met betrekking tot de verplichtingen die in dit hoofdstuk zijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn ( 17 ) vastgestelde criteria.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke marktdeelnemer die aan deze subsectie voldoet, het recht heeft onder een controlesysteem te vallen.

3.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit of autoriteiten. De Commissie maakt de naam en het adres van de autoriteiten bekend en werkt deze gegevens regelmatig bij.

Artikel 118 septdecies

Verificatie inzake de naleving van het productdossier

1.  Voor beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen met betrekking tot een geografisch gebied in de Gemeenschap wordt de jaarlijkse verificatie inzake de naleving van het productdossier tijdens de productie en tijdens of na de verpakking van de wijn uitgevoerd door:

a) de in artikel 118 sexdecies, lid 1, bedoelde bevoegde autoriteit of autoriteiten, of

b) één of meer controleorganen in de zin van artikel 2, tweede alinea, punt 5, van Verordening (EG) nr. 882/2004, die optreden als certificeringsorgaan voor het product overeenkomstig de in artikel 5 van die verordening vastgestelde criteria.

De kosten van deze verificatie zijn ten laste van de betrokken marktdeelnemer.

2.  Voor beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen met betrekking tot een geografisch gebied in een derde land wordt de jaarlijkse verificatie inzake de naleving van het productdossier tijdens de productie en tijdens of na de verpakking van de wijn uitgevoerd door:

a) één of meer door het derde land aangewezen overheidsinstanties, of

b) één of meer certificeringsorganen.

3.  De in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), bedoelde certificeringsorganen dienen te voldoen aan, en vanaf 1 mei 2010 te zijn geaccrediteerd volgens, de Europese norm EN 45011 of ISO/IEC Guide 65 (Algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen).

4.  De in lid 1, onder a), en lid 2, onder a), bedoelde autoriteit of autoriteiten dienen bij de uitvoering van de verificatie inzake de naleving van het productdossier afdoende garanties inzake objectiviteit en onpartijdigheid te bieden en over gekwalificeerd personeel en voldoende middelen voor de uitoefening van hun taken te beschikken.

Artikel 118 octodecies

Wijzigingen van het productdossier

1.  Een aanvrager die voldoet aan de in artikel 118 sexies vastgestelde voorwaarden, mag om goedkeuring van een wijziging van het productdossier inzake een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding verzoeken, met name om rekening te houden met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, of om de in artikel 118 quater, lid 2, tweede alinea, onder d), bedoelde afbakening van het geografische gebied te herzien. In het verzoek worden de voorgestelde wijzigingen beschreven en gemotiveerd.

2.  Als de voorgestelde wijziging één of meer wijzigingen van het in artikel 118 quater, lid 1, onder d), bedoelde enig document omvat, zijn de artikelen 118 septies tot en met 118 decies van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot wijziging. Als echter slechts minimale wijzigingen worden voorgesteld, besluit de Commissie volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure of de wijziging wordt goedgekeurd zonder de procedure van artikel 118 octies, lid 2, en artikel 118 nonies te volgen, en maakt zij in het geval van goedkeuring de in artikel 118 octies, lid 3, bedoelde elementen bekend.

3.  Als de voorgestelde wijziging geen wijzigingen van het enig document omvat, gelden de volgende regels:

a) als het geografische gebied zich in een lidstaat bevindt, geeft deze lidstaat zijn standpunt over de wijziging, publiceert hij bij een positief advies het gewijzigde productdossier en stelt hij de Commissie in kennis van de goedgekeurde wijzigingen en de betrokken motivering;

b) als het geografische gebied zich in een derde land bevindt, bepaalt de Commissie of de voorgestelde wijziging wordt goedgekeurd.

Artikel 118 novodecies

Annulering

Volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure kan de Commissie, op eigen initiatief of naar aanleiding van het met redenen omkleed verzoek van een lidstaat, een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, besluiten de bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding te annuleren indien de naleving van het betrokken productdossier niet langer kan worden gegarandeerd.

De artikelen 118 septies tot en met 118 decies zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 118 vicies

Bestaande beschermde wijnnamen

1.  Namen van wijnen die beschermd zijn op grond van de artikelen 51 en 54 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie van 29 april 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten ( 18 ), worden automatisch beschermd uit hoofde van deze verordening. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 118 quindecies van deze verordening bedoelde register.

2.  Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen dienen de lidstaten de volgende informatie in bij de Commissie:

a) het in artikel 118 quater, lid 1, bedoelde technische dossier;

b) de nationale goedkeuringsbesluiten.

3.  De in lid 1 bedoelde namen van wijnen verliezen de op grond van deze verordening verleende bescherming indien de in lid 2 bedoelde informatie niet uiterlijk op 31 december 2011 is ingediend. De Commissie neemt de nodige administratieve maatregelen om ervoor te zorgen dat dergelijke namen uit het in artikel 118 quindecies bedoelde register worden geschrapt.

4.  Artikel 118 novodecies is niet van toepassing op de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen.

Tot en met 31 december 2014 kan de Commissie op eigen initiatief en volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure besluiten de bescherming van een in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnaam te annuleren, indien deze naam niet voldoet aan de in artikel 118 ter vastgestelde voorwaarden.

▼A1

5.  Wat betreft Kroatië worden de wijnnamen die zijn bekendgemaakt in PB C 116 van 14 april 2011 beschermd uit hoofde van deze verordening, onder voorbehoud van een gunstig resultaat van de bezwaarprocedure. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 118 quindecies bedoelde register.

De leden 2 tot en met 4 van dit artikel zijn van toepassing, onder de volgende voorbehouden: de in lid 3 bedoelde termijn beloopt een jaar na de datum van toetreding van Kroatië; de in lid 4 bedoelde termijn beloopt vier jaar na de datum van toetreding van Kroatië.

▼M10

Artikel 118 unvicies

Leges

De lidstaten mogen leges heffen ter dekking van door hen gemaakte kosten in verband met onder meer het onderzoek van beschermingaanvragen, bezwaarschriften, wijzigingsverzoeken en annulatieaanvragen uit hoofde van deze subsectie.



Subsectie II

Traditionele aanduidingen

Artikel 118 duovicies

Definities

1.  „Traditionele aanduiding”: de aanduiding die in de lidstaten traditioneel voor de in artikel 118 bis, lid 1, bedoelde producten wordt gebruikt om aan te geven:

a) dat het product een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding heeft overeenkomstig de communautaire of nationale wetgeving;

b) de productie- of rijpingsmethode, de kwaliteit, de kleur, de aard van de plaats van verkrijging van, of een historische gebeurtenis in verband met het product met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding.

2.  Traditionele aanduidingen worden erkend, gedefinieerd en beschermd door de Commissie.

Artikel 118 tervicies

Bescherming

1.  Een beschermde traditionele aanduiding mag uitsluitend worden gebruikt voor een product dat is geproduceerd overeenkomstig de in artikel 118 duovicies, lid 1, bedoelde definitie.

Traditionele aanduidingen worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een eind te maken aan onrechtmatig gebruik van beschermde traditionele aanduidingen.

2.  Traditionele aanduidingen worden in de Gemeenschap geen soortnamen.



Sectie I ter

Etikettering en presentatie in de wijnsector

Artikel 118 quatervicies

Definitie

Voor de toepassing van deze sectie wordt verstaan onder:

a)

„etikettering” : de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieksmerken, handelsmerken, afbeeldingen of tekens die voorkomen op verpakkingsmiddelen, documenten, schriftstukken, etiketten, banden of labels die bij een product zijn gevoegd of daarop betrekking hebben;

b)

„presentatie” : informatie aan de consument door middel van de verpakking van het product, waaronder de vorm en het type van de fles.

Artikel 118 quinvicies

Toepasbaarheid van horizontale voorschriften

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn Richtlijn 89/104/EEG, Richtlijn 89/396/EEG van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren ( 19 ), Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame ( 20 ) en Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten ( 21 ) van toepassing op de etikettering en presentatie van de onder de werkingssfeer van die regelgeving vallende producten.

Artikel 118 sexvicies

Verplichte aanduidingen

1.  Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage XI ter, punten 1 tot en met 11, 13, 15 en 16, vermelde producten die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht of bestemd zijn voor uitvoer, worden de volgende aanduidingen vermeld:

a) één van de in bijlage XI ter vermelde wijncategorieën;

b) voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding:

i) de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding”, en

ii) de naam van de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding;

c) het effectieve alcoholvolumegehalte;

d) de herkomst;

e) de bottelaar of, indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, de naam van de producent of de verkoper;

f) de importeur, indien het ingevoerde wijn betreft, en

g) indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, een aanduiding van het suikergehalte.

2.  In afwijking van lid 1, onder a), mag de vermelding van de wijncategorie worden weggelaten indien op het etiket de beschermde oorsprongsbenaming of de beschermde geografische aanduiding is vermeld.

3.  In afwijking van lid 1, onder b), mag de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding” worden weggelaten:

a) indien op het etiket een traditionele aanduiding als bedoeld in artikel 118 duovicies, lid 1, onder a), is vermeld;

b) indien in door de Commissie vast te stellen uitzonderlijke omstandigheden de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding op het etiket is vermeld.

Artikel 118 septvicies

Facultatieve aanduidingen

1.  Bij de etikettering en presentatie van de in artikel 118 sexvicies, lid 1, bedoelde producten mogen de volgende aanduidingen worden aangebracht:

a) het wijnoogstjaar;

b) de naam van één of meer wijndruivenrassen;

c) voor andere dan de in artikel 118 sexvicies, lid 1, onder g), bedoelde wijnen, het suikergehalte;

d) wanneer het wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding betreft, traditionele aanduidingen als bedoeld in artikel 118 duovicies, lid 1, onder b);

e) het communautaire symbool voor beschermde oorsprongsbenamingen of beschermde geografische aanduidingen;

f) bepaalde productiemethoden;

g) voor wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, de naam van een andere geografische eenheid die kleiner of groter is dan het gebied dat aan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding ten grondslag ligt.

2.  Onverminderd artikel 118 undecies, lid 3, wat betreft het gebruik van aanduidingen als bedoeld in lid 1, onder a) en b), voor wijnen zonder beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding:

a) stellen de lidstaten wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen op waarbij certificerings-, goedkeurings- en controleprocedures worden ingesteld die moeten waarborgen dat de betrokken informatie waarheidsgetrouw is;

b) kunnen de lidstaten, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en met inachtneming van de eerlijke concurrentie, voor wijnen die worden bereid uit op hun grondgebied voorkomende druivenrassen, lijsten opstellen van wijndruivenrassen die worden uitgesloten, in het bijzonder:

i) wanneer het gevaar bestaat dat bij de consument verwarring ontstaat omtrent de werkelijke oorsprong van de wijn, omdat het betrokken wijndruivenras een wezenlijk deel uitmaakt van een bestaande beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding,

ii) wanneer de betrokken controles niet kosteneffectief zouden zijn omdat het betrokken wijndruivenras slechts een zeer klein gedeelte van het wijnbouwareaal van de lidstaat vertegenwoordigt;

c) worden voor mengsels van wijnen uit verschillende lidstaten geen wijndruivenrassen op het etiket vermeld, tenzij de betrokken lidstaten anders beslissen en voor uitvoerbare certificerings-, goedkeurings- en controleprocedures zorgen.

Artikel 118 octovicies

Talen

1.  De in de artikelen 118 sexvicies en 118 septvicies bedoelde verplichte en facultatieve aanduidingen worden, wanneer deze in woorden worden weergegeven, in één of meer officiële talen van de Gemeenschap op het etiket vermeld.

2.  Onverminderd lid 1 worden beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of traditionele aanduidingen als bedoeld in artikel 118 duovicies, lid 1, onder a), op het etiket vermeld in de taal of talen waarvoor de bescherming geldt.

Wanneer het beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of specifieke nationale aanduidingen in een niet-Latijns alfabet betreft, kan de naam tevens in één of meer officiële talen van de Gemeenschap worden vermeld.

Artikel 118 novovicies

Handhaving

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een in artikel 118 sexvicies, lid 1, bedoeld product dat niet overeenkomstig deze sectie is geëtiketteerd, hetzij niet in de handel wordt gebracht, hetzij uit de handel wordt genomen.

▼B



Sectie II

Productievoorschriften

▼M7

Artikel 119

Gebruik van caseïne en caseïnaten bij de bereiding van kaas

Wanneer steun wordt betaald op grond van artikel 100, kan de Commissie bepalen dat caseïne en caseïnaten slechts bij de bereiding van kaas mogen worden gebruikt na voorafgaande toestemming, die alleen wordt verleend als dit gebruik een noodzakelijke voorwaarde voor de bereiding van de producten vormt.

▼B

Artikel 120

Methode voor het produceren van ethylalcohol van landbouwproducten

De methode voor het produceren van ethylalcohol van landbouwproducten uit een specifiek, in bijlage I bij het Verdrag vermeld landbouwproduct, en de kenmerken van die ethylalcohol kunnen door de Commissie worden vastgesteld.

▼M10



Sectie II bis

Productievoorschriften in de wijnsector



Subsectie I

Wijndruivenrassen

Artikel 120 bis

Indeling van wijndruivenrassen

1.  De in de Gemeenschap geproduceerde producten van bijlage XI ter worden verkregen van wijndruivenrassen die overeenkomstig lid 2 in een indeling mogen worden opgenomen.

2.  De lidstaten stellen in een indeling vast welke wijndruivenrassen op hun grondgebied mogen worden aangeplant, heraangeplant of geënt met het oog op de wijnbereiding, met inachtneming van lid 3.

Uitsluitend wijndruivenrassen die voldoen aan de onderstaande voorwaarden mogen in de indeling van de lidstaten worden opgenomen:

a) het betrokken ras behoort tot de soort Vitis vinifera of is verkregen uit een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis;

b) het ras is niet een van de volgende rassen: Noah, Othello, Isabelle, Jacquez, Clinton of Herbemont.

Wanneer een wijndruivenras uit de in de eerste alinea bedoelde indeling wordt geschrapt, moeten de wijnstokken van dit ras binnen vijftien jaar na die verwijdering worden gerooid.

3.  Lidstaten met een wijnproductie van niet meer dan 50 000 hl per wijnoogstjaar, berekend op basis van de gemiddelde productie gedurende de laatste vijf wijnoogstjaren, worden vrijgesteld van de in lid 2 bedoelde verplichting tot indeling.

Ook in de in de eerste alinea bedoelde lidstaten mogen met het oog op de wijnbereiding evenwel uitsluitend wijndruivenrassen worden aangeplant, heraangeplant of geënt die voldoen aan lid 2, punten a) en b).

4.  In afwijking van lid 2, eerste en tweede alinea, en lid 3, tweede alinea, is het aanplanten, heraanplanten of enten van de volgende wijndruivenrassen toegestaan in het kader van wetenschappelijk onderzoek en experimenten:

a) wijndruivenrassen die niet zijn ingedeeld wat betreft de in lid 2 bedoelde lidstaten;

b) wijndruivenrassen die niet voldoen aan lid 2, punten a) en b), wat betreft de in lid 3 bedoelde lidstaten.

5.  Oppervlakten die in strijd met de leden 2, 3 en 4 beplant zijn met wijndruivenrassen met het oog op de wijnbereiding, worden gerooid.

De verplichting tot rooien van dergelijke oppervlakten vervalt evenwel wanneer de betrokken productie uitsluitend bestemd is om door de wijnbouwer en zijn gezin te worden geconsumeerd.

6.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te controleren of de producenten de leden 2 tot en met 5 naleven.



Subsectie II

Oenologische procedés en beperkingen

Artikel 120 ter

Toepassingsgebied

In deze subsectie worden de toegestane oenologische procedés en de toepasselijke beperkingen behandeld die van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van producten van de wijnsector, alsmede de procedure voor de besluitvorming over die procedés en beperkingen.

Artikel 120 quater

Oenologische procedés en beperkingen

1.  Voor de communautaire productie en bewaring van wijnbouwproducten mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van oenologische procedés die zijn toegestaan op grond van de Gemeenschapswetgeving als vastgesteld in bijlage XV bis of waartoe wordt besloten overeenkomstig de artikelen 120 quinquies en 120 sexies.

De eerste alinea is niet van toepassing op:

a) druivensap en geconcentreerd druivensap;

b) voor de bereiding van druivensap bestemde druivenmost en geconcentreerde druivenmost.

2.  De toegestane oenologische procedés mogen slechts worden toegepast om een goede bereiding, een goede bewaring of een goede ontwikkeling van het product te waarborgen.

3.  De wijnbouwproducten worden in de Gemeenschap geproduceerd met inachtneming van de betrokken beperkingen die in bijlage XV ter zijn vastgesteld.

4.  Onder deze verordening vallende producten die met niet door de Gemeenschap toegestane of, in voorkomend geval, niet-toegestane nationale oenologische procedés zijn geproduceerd of niet voldoen aan de in bijlage XV ter vastgestelde beperkingen, mogen niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht.

Artikel 120 quinquies

Strengere voorschriften op grond van besluiten van de lidstaten

De lidstaten mogen het gebruik van bepaalde krachtens de Gemeenschapswetgeving toegestane oenologische procedés voor op hun grondgebied geproduceerde wijn beperken of verbieden en voorzien in strengere beperkingen met het oog op de bevordering van het behoud van de wezenlijke kenmerken van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding, mousserende wijn en likeurwijn.

De lidstaten delen deze beperkingen en verbodsbepalingen aan de Commissie mee, die deze ter kennis van de andere lidstaten brengt.

Artikel 120 sexies

Het toestaan van oenologische procedés en beperkingen

1.  De Commissie neemt volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure een besluit over het toestaan van oenologische procedés en beperkingen inzake de productie en de bewaring van wijnbouwproducten, behalve wanneer het gaat om de in bijlage XV bis vastgestelde oenologische procedés voor verrijking, aanzuring en ontzuring voor de specifieke producten die door die bijlage worden bestreken, alsmede om de in bijlage XV ter opgenomen beperkingen.

2.  De lidstaten mogen toestemming verlenen voor het gebruik van niet-toegestane oenologische procedés voor experimentele doeleinden onder voorwaarden die de Commissie volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure vaststelt.

Artikel 120 septies

Criteria voor het toestaan van oenologische procedés

Met het oog op het toestaan van oenologische procedés volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure:

a) gaat de Commissie uit van de door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) aanbevolen en gepubliceerde oenologische procedés en van de resultaten die zijn geboekt met het experimentele gebruik van vooralsnog niet-toegestane oenologische procedés;

b) houdt de Commissie rekening met overwegingen op het gebied van de bescherming van de menselijke gezondheid;

c) houdt de Commissie rekening met het risico dat de consument vanwege zijn vaste verwachtings- en ideeënpatroon wordt misleid en gaat zij na of dat risico aan de hand van beschikbare voorlichting kan worden uitgesloten;

d) maakt de Commissie de instandhouding van de natuurlijke en essentiële kenmerken van de wijn mogelijk zonder dat daarbij de samenstelling van het betrokken product substantieel wordt gewijzigd;

e) ziet de Commissie erop toe dat een aanvaardbaar minimumniveau van milieuzorg wordt gehandhaafd;

f) neemt de Commissie de algemene voorschriften inzake oenologische procedés en beperkingen in acht die zijn vastgesteld in bijlage XV bis, respectievelijk bijlage XV ter.

Artikel 120 octies

Analysemethoden

De analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald, en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés, zijn de analysemethoden en de voorschriften die door de OIV zijn aanbevolen en gepubliceerd.

Als er geen door de OIV aanbevolen en gepubliceerde methoden en voorschriften bestaan, stelt de Commissie overeenkomstige methoden en voorschriften vast volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure.

In afwachting van de vaststelling van die voorschriften worden de methoden en voorschriften gebruikt die door de betrokken lidstaat zijn toegestaan.

▼B



Sectie III

Procedurebepalingen

Artikel 121

Vaststelling van normen, uitvoeringsbepalingen en afwijkingen

De Commissie stelt voor dit hoofdstuk uitvoeringsbepalingen vast, die met name betrekking hebben op:

▼M3

a) handelsnormen als bedoeld in de artikelen 113 en 113 bis, met inbegrip van:

i) voorschriften inzake afwijkingen of vrijstellingen van de toepassing van de normen;

ii) voorschriften inzake de door de normen opgelegde aanduiding van gegevens, en inzake afzet en etikettering;

iii) voorschriften inzake de toepassing van de normen voor producten die in de Gemeenschap worden ingevoerd en voor producten die uit de Gemeenschap worden uitgevoerd;

iv) met betrekking tot artikel 113 bis, lid 1, voorschriften waarin wordt omschreven waaraan een product moet beantwoorden om van deugdelijke handelskwaliteit te zijn.

▼B

b) wat betreft de definities en benamingen die overeenkomstig artikel 114, lid 1, mogen worden gebruikt voor het in de handel brengen van melk en zuivelproducten:

i) de vaststelling en indien nodig de aanvulling, aan de hand van de door de lidstaten aan de Commissie toegezonden lijsten, van de lijst van de producten als bedoeld in de tweede alinea van punt III.1 van bijlage XII,

ii) de aanvulling, indien nodig, van de lijst van benamingen die is opgenomen in de tweede alinea, onder a), van punt II.2 van bijlage XII;

c) wat betreft de normen voor smeerbare vetproducten als bedoeld in artikel 115:

i) een lijst van de in de derde alinea, onder a), van punt I.2 van bijlage XV bedoelde producten, aan de hand van de door de lidstaten aan de Commissie toegezonden lijsten,

ii) de analysemethoden voor de controle op de samenstelling en de bereidingskenmerken van de in artikel 115 bedoelde producten,

iii) de voorschriften inzake monsterneming,

iv) de voorschriften voor het verzamelen van statistische gegevens over de markten voor de in artikel 115 bedoelde producten;

d) wat betreft de bepalingen voor het in de handel brengen van eieren als bedoeld in punt A van bijlage XIV:

i) definities,

ii) de frequentie van verzameling, levering, bewaring en behandeling van eieren,

iii) de kwaliteitscriteria, in het bijzonder het uiterlijk van de schaal, de vastheid van het eiwit en de dooier en de diepte van de luchtkamer,

iv) de indeling naar gewicht, met inbegrip van uitzonderingen,

v) het merken van eieren en de vermeldingen op verpakkingen, met inbegrip van uitzonderingen en van de regels die gelden voor pakstations,

vi) het handelsverkeer met derde landen,

vii) de houderijmethoden;

e) wat betreft de bepalingen voor het in de handel brengen van vlees van pluimvee als bedoeld in punt B van bijlage XIV:

i) definities,

ii) de lijst van pluimveekarkassen, gedeelten van dergelijke karkassen en slachtafvallen, met inbegrip van foie gras, waarop punt B van bijlage XIV van toepassing is,

iii) de indelingscriteria in de zin van punt III.1 van punt B van bijlage XIV,

iv) de regels betreffende de overige gegevens die moeten worden vermeld op de begeleidende handelsdocumenten, de etikettering en presentatie van en de reclame voor vlees van pluimvee dat voor de eindverbruiker is bestemd, en de benaming waaronder het product wordt verkocht in de zin van artikel 3, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2000/13/EG,

v) facultatieve gegevens betreffende de gebruikte koelmethode en de houderijmethode,

vi) afwijkingen die kunnen worden toegepast bij leveringen aan uitsnijderijen of vleesverwerkende inrichtingen,

vii) de toepasselijke regels wat betreft de percentages waterabsorptie tijdens de verwerking van verse, bevroren of diepgevroren karkassen en delen daarvan, en de gegevens die terzake moeten worden vermeld;

f) wat betreft de bepalingen inzake de normen voor de productie van en de handel in broedeieren en kuikens van pluimvee als bepaald in punt C van bijlage XIV:

i) definities,

ii) de registratie van inrichtingen die broedeieren of kuikens van pluimvee produceren of in de handel brengen,

iii) de gegevens die moeten worden aangebracht op broedeieren, met inbegrip van de broedeieren die worden ingevoerd uit of uitgevoerd naar derde landen, en op de verpakkingen, en de regels die gelden voor uit derde landen afkomstige kuikens,

iv) de registers die door broederijen moeten worden bijgehouden,

v) het gebruik voor andere doeleinden dan menselijke consumptie dat mag worden gemaakt van bebroede eieren die uit de broedmachine zijn gehaald,

vi) kennisgevingen van broederijen en andere inrichtingen aan de bevoegde instanties van de lidstaten,

vii) begeleidende documenten;

g) de minimumkwaliteitskenmerken voor producten van de hopsector als bedoeld in artikel 117;

h) de te gebruiken analysemethoden, indien van toepassing;

i) wat betreft het gebruik van caseïne en caseïnaten als bedoeld in artikel 119:

i) de voorwaarden waaronder de lidstaten de toestemming verlenen en de maximale verwerkingspercentages, aan de hand van objectieve criteria in verband met wat technologisch noodzakelijk is,

ii) de verplichtingen waaraan moet worden voldaan door de bedrijven waaraan overeenkomstig punt i) toestemming is verleend;

▼M3

j) wat betreft de voorwaarden die overeenkomstig artikel 113 ter gelden voor de afzet van vlees van runderen die niet ouder zijn dan twaalf maanden:

i) de praktische instructies over waar en in welke lettergrootte de in bijlage XI bis, punt II, omschreven identificatieletter van de betrokken categorie moet worden vermeld;

ii) de methodes om te controleren of deze verordening wordt nageleefd bij de in bijlage XI bis, punt VIII, bedoelde invoer van vlees uit derde landen;

▼M10

k) wat betreft de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen als bedoeld in sectie I bis, subsectie I, afwijkingen inzake de toepasbaarheid van de voorschriften en vereisten van die subsectie:

i) wat betreft de aanvragen tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die nog in behandeling zijn;

ii) wat betreft de productie van bepaalde wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding in een geografisch gebied in de nabijheid van het geografische gebied van oorsprong van de druiven;

iii) wat betreft de traditionele productieprocedés van bepaalde wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming;

l) wat betreft de traditionele aanduidingen als bedoeld in sectie I bis, subsectie II:

i) de procedure ter verlening van bescherming;

ii) het specifieke beschermingsniveau;

m) wat betreft de etikettering en de presentatie als bedoeld in sectie I ter:

i) de aanduiding van de herkomst van het product;

ii) het gebruik van de in artikel 118 septvicies bedoelde facultatieve aanduidingen;

iii) specifieke vereisten in verband met de aanduidingen betreffende het wijnoogstjaar en het wijndruivenras die op etiketten worden vermeld, als bedoeld in artikel 118 septvicies, lid 2;

iv) verdere afwijkingen naast die welke zijn vermeld in artikel 118 sexvicies, lid 2, die inhouden dat de wijncategorie niet hoeft te worden vermeld;

v) regels betreffende de bescherming die geboden moet worden in verband met de presentatie van het product.

▼M3

De Commissie kan de tabel in bijlage XI bis, punt III, onder 2), deel B, wijzigen.

▼M10

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de in sectie II bis, subsectie II, en de bijlagen XV bis en XV ter vastgestelde bepalingen betreffende oenologische procedés en beperkingen, worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure, tenzij in die bijlagen anders is bepaald.

Tot de in de derde alinea bedoelde maatregelen behoren bijvoorbeeld:

a) bepalingen op grond waarvan de in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 opgenomen communautaire oenologische procedés als toegestane oenologische procedés worden beschouwd;

b) toegestane oenologische procedés en beperkingen, inclusief verrijking, aanzuring en ontzuring voor mousserende wijn, mousserende kwaliteitswijn en aromatische mousserende kwaliteitswijn;

c) toegestane oenologische procedés en beperkingen voor likeurwijn;

d) afhankelijk van punt C van bijlage XV ter, bepalingen inzake vermenging en versnijding van most en wijn;

e) als er geen communautaire voorschriften ter zake bestaan, de specificaties met betrekking tot zuiverheid en identiteit van bij de oenologische procedés gebruikte stoffen;

f) administratieve voorschriften voor de uitvoering van de toegestane oenologische procedés;

g) de voorwaarden voor het in bezit hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van producten die niet voldoen aan artikel 120 quater, en eventuele vrijstellingen van de toepassing van dat artikel, alsmede de vaststelling van criteria ter voorkoming van individuele gevallen van onbillijkheid;

h) de voorwaarden waaronder de lidstaten toestemming mogen verlenen voor het in bezit hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van producten die niet voldoen aan andere artikelen van sectie II bis, subsectie II, dan artikel 120 quater of aan de uitvoeringsbepalingen van die subsectie.

▼B



HOOFDSTUK II

Producentenorganisaties, brancheorganisaties en organisaties van marktdeelnemers



Sectie I

Algemene beginselen

Artikel 122

Producentenorganisaties

De lidstaten erkennen producentenorganisaties die:

▼M3

a) zijn opgericht door producenten van een van de volgende sectoren:

i) hop;

ii) olijfolie en tafelolijven;

iii) groenten en fruit voor zover het gaat om landbouwers die één of meer producten van de sector groenten en fruit en/of dergelijke, uitsluitend voor verwerking bestemde, producten telen;

▼M16

iii bis) melk en zuivelproducten;

▼M3

iv) zijderupsen;

▼B

b) zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf;

▼M3

c) een specifiek doel nastreven, dat met name betrekking kan hebben en, voor de sector groenten en fruit, betrekking heeft op een of meer van de volgende doelstellingen:

i) te verzekeren dat de productie wordt gepland en aan de vraag wordt aangepast, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

ii) het aanbod en het op de markt brengen van de producten van haar leden te concentreren;

iii) de productiekosten te optimaliseren en de producentenprijzen te stabiliseren

▼M7

Organisaties van producenten van een in artikel 1 genoemde sector die niet in lid 1, onder a), wordt genoemd, kunnen door de lidstaten eveneens overeenkomstig de onder b) en c) van dat lid vastgestelde voorwaarden worden erkend.

▼M10

Wat de wijnsector betreft, kunnen de lidstaten onder dezelfde voorwaarden als die welke in de lid 1, onder b) en c), zijn uiteengezet, producentenorganisaties erkennen die hun leden statutair verplichten met name tot:

a) de toepassing van de door de producentenorganisatie vastgestelde voorschriften inzake verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming;

b) de verstrekking van de door de producentenorganisatie voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen, met name met betrekking tot het productieareaal en de ontwikkeling van de markt;

c) de betaling van boetes vanwege inbreuken op de statutair vastgestelde verplichtingen.

In de wijnsector kunnen met name de volgende specifieke doelen in de zin van lid 1, onder c), worden nagestreefd:

a) het gebruik van milieuvriendelijke teeltmethoden en productietechnieken bevorderen en daarvoor technische bijstand verstrekken;

b) initiatieven stimuleren voor het beheer van de bijproducten van de wijnbereiding en het beheer van afval, met name ter bescherming van de water-, bodem- en landschapskwaliteit, en voor het behoud of de verbetering van de biodiversiteit;

c) onderzoek verrichten op het gebied van duurzame productiemethoden en marktontwikkelingen;

d) bijdragen tot het verwezenlijken van steunprogramma’s als bedoeld in deel II, titel I, hoofdstuk IV, sectie IV ter.

▼B

Artikel 123

Brancheorganisaties

►M3  1. ◄   De lidstaten erkennen brancheorganisaties die:

a) bestaan uit vertegenwoordigers van een aantal van de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie, afzet of verwerking van producten van de volgende sectoren:

i) de sector olijfolie en tafelolijven,

ii) de tabakssector;

b) zijn opgericht op initiatief van alle of een deel van de aangesloten verenigingen of groeperingen;

c) een specifiek doel nastreven, dat met name betrekking kan hebben op:

i) het concentreren en coördineren van het aanbod en het in de handel brengen van de producten van de leden,

ii) het gezamenlijk aanpassen van de productie en de verwerking aan de eisen van de markt en het verbeteren van het product,

iii) het bevorderen van de rationalisatie en verbetering van de productie en de verwerking,

iv) het verrichten van onderzoek op het gebied van duurzame productiemethoden en marktontwikkelingen.

▼M3 —————

▼M3

2.  Als de in lid 1 bedoelde brancheorganisaties hun activiteiten ontplooien op het grondgebied van verschillende lidstaten, verleent de Commissie de erkenning zonder dat zij wordt bijgestaan door het in artikel 195, lid 1, bedoelde comité.

3.   ►M10  Onverminderd lid 1 geldt dat de lidstaten, wat de sector groenten en fruit betreft, ook brancheorganisaties erkennen en, wat de wijnsector betreft, ook brancheorganisaties kunnen erkennen die:

a) bestaan uit vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij het produceren, verhandelen of verwerken van producten van de in de aanhef genoemde sectoren,

b) zijn samengesteld op initiatief van alle of sommige van de onder a) bedoelde vertegenwoordigers, ◄

c)  ►M10  één, en wat de sector groenten en fruit betreft, twee of meer van de volgende activiteiten in één of meer regio’s van de Gemeenschap uitvoeren, met inachtneming van de belangen van de consument, en, onverminderd andere sectoren, in de wijnsector met inachtneming van de volksgezondheid en de belangen van de consument: ◄

i) het verbeteren van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de productie en de markt,

▼M10

ii) bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten van de sector groenten en fruit en de wijnsector op de markt worden gebracht, onder meer door middel van onderzoek en marktstudies,

▼M3

iii) het opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de communautaire regelgeving,

▼M10

iv) beter benutten van het potentieel van de groente- en fruitproductie en van het potentieel van de wijnproductie,

▼M3

v) het verstrekken van informatie en het verrichten van onderzoek om de productie af te stemmen op de eisen van de markt en op de smaak en de wensen van de consument, met name inzake productkwaliteit en milieubescherming,

vi) het zoeken naar methoden die minder gewasbeschermingsmiddelen en andere productiemiddelen vergen en die de kwaliteit van de producten en het behoud van bodem en water garanderen,

▼M10

vii) ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van het product te verbeteren in alle stadia van de productie en de afzet, en wat de wijnsector betreft, ook van de wijnbereiding,

viii) beter benutten van het potentieel van biologische landbouw en bevorderen van deze landbouw alsmede benamingen van oorsprong, kwaliteitsmerken en geografische aanduidingen,

▼M3

ix) het bevorderen van de geïntegreerde productie of van andere milieuvriendelijke productiemethoden,

▼M10

x) vaststellen, voor de sector groenten en fruit en met betrekking tot de in bijlage XVI bis, punten 2 en 3, genoemde productie- en afzetvoorschriften, van strengere voorschriften dan de communautaire of de nationale voorschriften,

▼M10

xi) wat de wijnsector betreft:

 verstrekken van informatie over de bijzondere kenmerken van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding,

 bevorderen van een matig en verantwoord wijnverbruik en verstrekken van informatie over de schade die gepaard gaat met een riskant consumptiepatroon,

 uitvoeren van afzetbevorderingsacties met betrekking tot wijn, vooral in derde landen.

▼M16

4.  De lidstaten kunnen tevens brancheorganisaties erkennen die:

a) formeel erkenning hebben aangevraagd en bestaan uit vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij de productie van rauwe melk en betrokken zijn bij ten minste een van de volgende stadia van de bevoorradingsketen: verwerking of verhandeling, inclusief distributie, van producten van de sector melk en zuivelproducten;

b) zijn samengesteld op initiatief van alle of sommige van de onder a) bedoelde vertegenwoordigers;

c) in één of meer regio’s van de Unie één of meer van de hieronder vermelde activiteiten uitoefenen, daarbij rekening houdend met de belangen van de leden van deze brancheorganisaties en van de consument:

i) het verbeteren van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de productie en de markt, onder meer door statistische gegevens over de prijzen, de volumes en de looptijd van vooraf gesloten contracten voor de levering van rauwe melk bekend te maken en door analyses van potentiële toekomstige marktontwikkelingen op regionaal, nationaal en internationaal niveau te verstrekken;

ii) het bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten van de sector melk en zuivelproducten worden afgezet, onder meer door middel van onderzoek en marktstudies;

iii) het bevorderen van consumptie van en informatieverstrekking over melk en zuivelproducten op zowel de interne als de externe markten;

iv) het verkennen van potentiële exportmarkten;

v) het opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de voorschriften van de Unie voor de verkoop van rauwe melk aan afnemers en/of de levering van verwerkte producten aan distributeurs en de kleinhandel, rekening houdend met de noodzaak eerlijke concurrentievoorwaarden te verwezenlijken en marktverstoringen te voorkomen;

vi) het verstrekken van informatie en het verrichten van onderzoek om de productie af te stemmen op de eisen van de markt en op de smaak en de wensen van de consument, met name inzake productkwaliteit en milieubescherming;

vii) het in stand houden en ontwikkelen van het productiepotentieel van de zuivelsector, onder meer door het bevorderen van innovatie en het ondersteunen van programma’s voor toegepast onderzoek en ontwikkeling om het potentieel van melk en zuivelproducten ten volle te benutten, vooral om producten met toegevoegde waarde te creëren die aantrekkelijker zijn voor de consument;

viii) het zoeken naar methoden die minder veterinaire producten vergen; het verbeteren van het beheer van andere productiemiddelen en het bevorderen van de voedselveiligheid en de diergezondheid;

ix) het ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van het product te verbeteren in alle stadia van de productie en de afzet;

x) het beter benutten van het potentieel van de biologische landbouw en het bevorderen van deze landbouw alsmede van de vervaardiging van producten met oorsprongsbenamingen, kwaliteitsmerken en geografische aanduidingen, en

xi) het bevorderen van de geïntegreerde productie of van andere milieuvriendelijke productiemethoden.

▼B

Artikel 124

Gemeenschappelijke bepalingen over producenten- en brancheorganisaties

▼M7

1.  Artikel 122 en artikel 123, lid 1, zijn van toepassing onverminderd de erkenning door de lidstaten, op basis van nationale wetgeving en in overeenstemming met de communautaire wettelijke bepalingen, van producenten- of brancheorganisaties in een in artikel 1 genoemde sector, met uitzondering van de in artikel 122, eerste alinea, onder a), en artikel 123, lid 1, genoemde sectoren.

▼B

2.  Producentenorganisaties die zijn erkend of goedgekeurd overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 865/2004, nr. 1952/2005 en nr. 1544/2006 worden beschouwd als erkende producentenorganisaties in de zin van artikel 122 van deze verordening.

Brancheorganisaties die zijn erkend of goedgekeurd overeenkomstig de Verordeningen (EG) 2077/92 en 865/2004 worden beschouwd als erkende brancheorganisaties in de zin van artikel 123 van deze verordening.

Artikel 125

Organisaties van marktdeelnemers

Voor de toepassing van deze verordening omvatten de organisaties van marktdeelnemers de erkende producenten- en brancheorganisaties of de erkende organisaties van andere marktdeelnemers in de sector olijfolie en tafelolijven of verenigingen daarvan.

▼M3



Sectie I bis

Voorschriften voor producentenorganisaties, brancheorganisaties en producentengroeperingen in de sector groenten en fruit



Subsectie I

Statuten en erkenning van producentenorganisaties

Artikel 125 bis

Statuten van producentenorganisaties

1.  Op grond van de statuten van een producentenorganisatie in de sector groenten en fruit zijn de aangesloten producenten met name verplicht:

a) de door de producentenorganisatie vastgestelde voorschriften inzake verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming toe te passen;

b) met betrekking tot de productie van een bepaald bedrijf van een in artikel 122, onder a), iii), bedoeld product bij niet meer dan één producentenorganisatie te zijn aangesloten;

c) hun volledige productie via de producentenorganisatie te verkopen;

d) de door de producentenorganisatie voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen te verstrekken, met name met betrekking tot het areaal, de geoogste hoeveelheden, de opbrengst en de rechtstreekse verkoop;

e) de in de statuten vastgestelde financiële bijdragen voor de oprichting en de financiering van het in artikel 103 ter bedoelde actiefonds te betalen.

2.  Onverminderd lid 1, onder c), mogen de aangesloten producenten met toestemming van de producentenorganisatie en in overeenstemming met de door de producentenorganisatie vastgestelde voorwaarden:

a) hun productie en/of producten op hun bedrijf en/of buiten hun bedrijf rechtstreeks aan consumenten verkopen voor persoonlijk gebruik, binnen de grenzen van een percentage dat door de lidstaten op ten minste 10 wordt gesteld;

b) zelf of via een andere, door hun eigen organisatie aan te wijzen producentenorganisatie, hoeveelheden producten verkopen die slechts een marginaal deel vertegenwoordigen van het volume van de verhandelbare productie van hun organisatie;

c) zelf of via een andere, door hun eigen organisatie aan te wijzen producentenorganisatie, producten afzetten die, gezien de kenmerken ervan, normaliter niet onder de handelsactiviteiten van de eigen producentenorganisatie vallen.

3.  De statuten van de producentenorganisatie voorzien ook in:

a) procedures voor de vaststelling, de goedkeuring en de wijziging van de in lid 1 bedoelde regels;

b) het opleggen aan de leden van financiële bijdragen voor de financiering van de producentenorganisatie;

c) voorschriften op grond waarvan de aangesloten producenten op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten;

d) sancties bij overtreding van de statutaire verplichtingen, met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, of van de door de producentenorganisatie vastgestelde voorschriften;

e) voorschriften inzake de toelating van nieuwe leden, met name met betrekking tot de minimumduur van het lidmaatschap;

f) de voor de werking van de organisatie vereiste boekhoudkundige en budgettaire voorschriften.

4.  Producentenorganisaties in de sector groenten en fruit worden geacht in economische aangelegenheden op te treden in naam van, en namens, hun leden.

Artikel 125 ter

Erkenning

1.  De lidstaten erkennen als producentenorganisatie in de sector groenten en fruit in de zin van deze verordening alle rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen ervan die een verzoek om erkenning indienen, op voorwaarde dat:

a) zij streven naar milieuvriendelijke teeltmethoden, productietechnieken en afvalbeheerspraktijken, om met name de kwaliteit van het water, de bodem en het landschap te beschermen en de biodiversiteit te behouden of te bevorderen, en het bewijs leveren dat zij voldoen aan de in de artikelen 122 en 125 bis vastgestelde eisen;

b) zij een minimumaantal leden hebben en over een door de lidstaten vast te stellen minimale hoeveelheid van of waarde aan afzetbare producten beschikken en daarvan het bewijs leveren;

c) voldoende bewijs voorhanden is dat zij in staat zijn hun werk naar behoren te verrichten, vanuit het oogpunt van duur, efficiëntie en concentratie van het aanbod, waarbij de lidstaten kunnen besluiten welke producten, of groepen van producten als bedoeld in artikel 122, onder a), iii), door de producentenorganisatie hiertoe moeten worden bestreken;

d) zij hun leden daadwerkelijk in staat stellen technische bijstand te verkrijgen om milieuvriendelijk te produceren;

e) zij zo nodig daadwerkelijk technische hulpmiddelen voor de verzameling, de opslag, de verpakking en de afzet van de producten ter beschikking van hun leden stellen;

f) zij hun activiteiten commercieel en boekhoudkundig correct beheren, en

g) zij op een bepaalde markt geen machtspositie innemen, tenzij dit nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag.

2.  De lidstaten:

a) nemen, binnen drie maanden na de indiening van een met alle relevante bewijsstukken vergezeld erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van een producentenorganisatie;

b) verrichten op gezette tijden controles om zich ervan te verzekeren dat de producentenorganisaties het bepaalde in dit hoofdstuk naleven, leggen de producentenorganisaties sancties op bij niet-naleving van of onregelmatigheden betreffende de bepalingen van deze verordening en besluiten zo nodig hun erkenning in te trekken;

c) delen elk besluit inzake de verlening, weigering of intrekking van een erkenning eenmaal per jaar aan de Commissie mee.



Subsectie II

Unies van producentenorganisaties — Producentengroeperingen

Artikel 125 quater

Unies van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit

Een unie van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit wordt opgericht op initiatief van erkende producentenorganisaties en mag de in deze verordening bedoelde werkzaamheden van een producentenorganisatie verrichten. De lidstaten kunnen op verzoek een unie van producentenorganisaties erkennen indien:

a) de lidstaat de unie in staat acht deze werkzaamheden daadwerkelijk te verrichten, en

b) de unie op een bepaalde markt geen machtspositie inneemt, tenzij dit nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag.

Artikel 125 bis, lid 4, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 125 quinquies

Uitbesteding

De lidstaten mogen een erkende producentenorganisatie in de sector groenten en fruit of een erkende unie van producentenorganisaties in die sector toestaan haar werkzaamheden uit te besteden, ook aan filialen, indien de lidstaat voldoende bewijs krijgt dat dit een juiste manier is om de doelstellingen van die producentenorganisatie of die unie van producentenorganisaties te bereiken.

Artikel 125 sexies

Producentengroeperingen in de sector groenten en fruit

1.  In de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, in de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 299, lid 2, van het Verdrag of op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1405/2006 kunnen producentengroeperingen als rechtspersoon of een duidelijk omschreven deel van een rechtspersoon, worden gevormd op initiatief van landbouwers die één of meer producten van de sector groenten en fruit en/of dergelijke, uitsluitend voor verwerking bestemde, producten telen, waarbij het de bedoeling is dat de producentengroepering wordt erkend als producentenorganisatie.

Dergelijke producentengroeperingen kunnen gedurende een overgangsperiode de tijd krijgen om aan de in artikel 122 vastgestelde eisen voor erkenning als producentenorganisatie te voldoen.

Hiertoe dienen deze producentengroeperingen bij de betrokken lidstaat een gefaseerd erkenningsprogramma in, bij de goedkeuring waarvan de in de tweede alinea bedoelde overgangsperiode begint te lopen en de betrokken groepering voorlopig wordt erkend. De overgangsperiode duurt ten hoogste vijf jaar.

2.  Voordat zij het erkenningsprogramma aanvaarden, stellen de lidstaten de Commissie in kennis van hun voornemen, alsmede van de te verwachten financiële consequenties daarvan.



Subsectie III

Uitbreiding van de voorschriften tot producenten van een economische regio

Artikel 125 septies

Uitbreiding van de voorschriften

1.  Als een producentenorganisatie in de sector groenten en fruit die werkzaam is in een bepaalde economische regio, voor een bepaald product representatief wordt geacht voor de productie en de producenten in die regio, kan de betrokken lidstaat op verzoek van de producentenorganisatie de volgende voorschriften verbindend verklaren voor in die economische regio gevestigde producenten die niet bij de producentenorganisatie zijn aangesloten:

a) de in artikel 125 bis, lid 1, onder a), bedoelde voorschriften,

b) de voorschriften ter uitvoering van de in artikel 103 quater, lid 2, onder c), bedoelde maatregelen.

De eerste alinea is van toepassing op voorwaarde dat deze voorschriften:

a) sinds ten minste één verkoopseizoen van toepassing zijn,

b) zijn opgenomen in de uitputtende lijst in bijlage XVI bis,

c) voor niet meer dan drie verkoopseizoenen verbindend zijn verklaard.

De in de tweede alinea, onder a), bedoelde voorwaarde geldt evenwel niet als het gaat om de voorschriften die worden genoemd in de punten 1, 3 en 5 van bijlage XVI bis. In dat geval mag de uitbreiding van de voorschriften voor niet meer dan één verkoopseizoen gelden.

2.  Onder „economische regio” in de zin van deze subsectie wordt verstaan een geografische zone die bestaat uit aan elkaar grenzende of naburige productiegebieden met homogene productie- en afzetomstandigheden.

De lidstaten delen de Commissie een lijst van de economische regio's mee.

Binnen een maand na de datum van de mededeling keurt de Commissie de lijst goed of bepaalt zij na overleg met de betrokken lidstaat welke wijzigingen de lidstaat daarin moet aanbrengen. De Commissie maakt de goedgekeurde lijst op de door haar passend geachte wijze bekend.

3.  Een producentenorganisatie wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd wanneer ten minste 50 % van de producenten van de economische regio waarin zij werkzaam is, bij haar is aangesloten en zij ten minste 60 % van het volume van de productie van die regio voor haar rekening neemt. Onverminderd lid 5 wordt bij het berekenen van deze percentages geen rekening gehouden met producenten of productie van biologische producten die tot en met 31 december 2008 onder Verordening (EEG) nr. 2092/91 en vanaf 1 januari 2009 onder Verordening (EG) nr. 834/2007 vallen.

4.  De voorschriften die verbindend worden verklaard voor alle producenten van een bepaalde economische regio:

a) mogen geen schade toebrengen aan andere producenten in de betrokken lidstaat of in de Gemeenschap;

b) gelden, met uitzondering van de in artikel 125 bis, lid 1, onder a), bedoelde voorschriften inzake de verstrekking van productiegegevens, niet voor producten die in het kader van een vóór het begin van het verkoopseizoen gesloten contract voor verwerking worden geleverd, tenzij zij daar uitdrukkelijk op van toepassing zijn;

c) mogen niet onverenigbaar zijn met de vigerende communautaire en nationale regelgeving.

5.  De voorschriften mogen niet verbindend worden verklaard voor producenten van tot en met 31 december 2008 onder Verordening (EEG) nr. 2092/91 en vanaf 1 januari 2009 onder Verordening (EG) nr. 834/2007 vallende biologische producten, tenzij een dergelijke maatregel is aanvaard door ten minste 50 % van deze producenten in de economische regio waarin de producentenorganisatie werkzaam is, en die organisatie ten minste 60 % van de betrokken productie van die regio voor haar rekening neemt.

Artikel 125 octies

Kennisgeving

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de voorschriften die zij voor alle producenten van een bepaalde economische regio op grond van artikel 125 septies, lid 1, verbindend hebben verklaard. De Commissie maakt de goedgekeurde lijst bekend op de door haar passend geachte wijze.

Artikel 125 nonies

Intrekking van de uitbreiding van de voorschriften

De Commissie besluit dat een lidstaat een door hem overeenkomstig artikel 125 septies, lid 1, vastgestelde uitbreiding van de voorschriften moet intrekken:

a) wanneer zij constateert dat door die uitbreiding de mededinging in een wezenlijk deel van de interne markt wordt uitgesloten of het vrije handelsverkeer wordt belemmerd, dan wel de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag in gevaar worden gebracht;

b) wanneer zij constateert dat artikel 81, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de tot andere producenten uitgebreide voorschriften. Het besluit van de Commissie inzake deze voorschriften geldt pas vanaf de datum waarop zij dit constateert;

c) wanneer zij na controles constateert dat het bepaalde in deze subsectie niet in acht is genomen.

Artikel 125 decies

Financiële bijdragen van niet-aangesloten producenten

Wanneer artikel 125 septies, lid 1, wordt toegepast, kan de betrokken lidstaat op grond van ingediende bewijsstukken bepalen dat niet-aangesloten producenten aan de producentenorganisatie een bedrag verschuldigd zijn dat gelijk is aan het door de leden betaalde gedeelte van de financiële bijdragen dat dient voor de financiering van:

a) de administratiekosten die verbonden zijn aan de toepassing van de in artikel 125 septies, lid 1, bedoelde voorschriften;

b) de kosten van acties van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties op het gebied van onderzoek, marktonderzoek en afzetbevordering, wanneer deze acties aan alle producenten van de regio ten goede komen.

Artikel 125 undecies

Uitbreiding van de voorschriften van unies van producentenorganisaties

In deze subsectie geldt een verwijzing naar producentenorganisaties ook als verwijzing naar erkende unies van producentenorganisaties.



Subsectie IV

Brancheorganisaties in de sector groenten en fruit

Artikel 125 duodecies

Erkenning en intrekking daarvan

1.  Indien de structuren van de lidstaat zulks rechtvaardigen, kunnen de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde rechtspersonen die daarom op gepaste wijze verzoeken, erkennen als brancheorganisatie in de sector groenten en fruit op voorwaarde dat die organisaties:

a) hun werkzaamheden uitoefenen in één of meer regio's van de betrokken lidstaat;

b) in de betrokken regio of regio's een belangrijk gedeelte van de productie, de verhandeling en/of de verwerking van groenten en fruit en verwerkte producten op basis van groenten en fruit voor hun rekening nemen, en zij, indien zij hun werkzaamheden in meer dan één regio uitoefenen, het bewijs leveren van een minimumrepresentativiteit voor elke bij hen aangesloten branche in elke betrokken regio;

c) twee of meer van de in artikel 123, lid 3, onder c), genoemde activiteiten uitoefenen;

d) zelf geen groenten en fruit of verwerkte groenten en fruit produceren, verwerken of afzetten;

e) niet zijn aangesloten bij overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 176 bis, lid 4.

2.  Alvorens een brancheorganisatie te erkennen, delen de lidstaten de Commissie mee welke organisaties een verzoek om erkenning hebben ingediend en verstrekken zij alle relevante gegevens betreffende de representativiteit en de activiteiten van deze organisaties, alsmede alle andere voor de erkenning vereiste beoordelingsfactoren.

De Commissie kan binnen twee maanden na deze kennisgeving bezwaar maken tegen de erkenning.

3.  De lidstaten:

a) nemen binnen drie maanden na indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd verzoek een besluit inzake de erkenning;

b) verrichten op gezette tijden controles om zich ervan te verzekeren dat de brancheorganisaties voldoen aan de erkenningsregels en -voorwaarden, leggen sancties op aan brancheorganisaties bij niet-naleving van of onregelmatigheden betreffende het bepaalde in deze verordening en besluiten zo nodig hun erkenning in te trekken;

c) trekken de erkenning in als:

i) niet meer wordt voldaan aan de in deze subsectie vastgestelde erkenningsregels en -voorwaarden;

ii) de brancheorganisatie zich aansluit bij één van de overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 176 bis, lid 4, onverminderd de uit hoofde van de nationale wetgeving op te leggen sancties;

iii) de brancheorganisatie niet voldoet aan de in artikel 176 bis, lid 2, genoemde kennisgevingsverplichting;

d) delen elk besluit inzake de verlening, weigering of intrekking van een erkenning binnen twee maanden aan de Commissie mee.

4.  De Commissie bepaalt hoe en hoe vaak de lidstaten bij de Commissie verslag moeten uitbrengen over de werkzaamheden van de brancheorganisaties.

De Commissie kan een lidstaat naar aanleiding van controles verzoeken de erkenning in te trekken.

5.  De erkenning houdt de machtiging in om, met inachtneming van de bepalingen van deze verordening, de in lid 123, lid 3, onder c), omschreven activiteiten uit te oefenen.

6.  De Commissie maakt op de door haar passend geachte wijze een lijst van de erkende brancheorganisaties bekend, met vermelding van de economische sfeer of regio waarin zij werkzaam zijn en van de in de zin van artikel 125 terdecies verrichte activiteiten. Intrekkingen van erkenningen worden eveneens bekendgemaakt.

Artikel 125 terdecies

Uitbreiding van de voorschriften

1.  Als een brancheorganisatie die in één of meer regio's van een lidstaat werkzaam is, representatief wordt geacht voor de productie, de verhandeling of de verwerking van een bepaald product, kan de betrokken lidstaat op verzoek van die brancheorganisatie bepaalde overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen van die organisatie voor een beperkte periode verbindend verklaren voor individuele marktdeelnemers of groeperingen van marktdeelnemers, die in de betrokken regio of regio's werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie zijn aangesloten.

2.  Een brancheorganisatie wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd wanneer zij ten minste twee derde van de productie, de verhandeling of de verwerking van het betrokken product of de betrokken producten in de betrokken regio of regio's van een lidstaat voor haar rekening neemt. Wanneer wordt verzocht de voorschriften verbindend te verklaren voor andere marktdeelnemers in meer dan één regio, moet de brancheorganisatie het bewijs leveren van een bepaalde minimumrepresentativiteit voor elke bij haar aangesloten branche in elke betrokken regio.

3.  De voorschriften waarvoor om uitbreiding tot andere marktdeelnemers kan worden verzocht:

a) hebben betrekking op een van onderstaande onderwerpen:

i) informatie over productie en markt,

ii) productievoorschriften die strenger zijn dan de in de communautaire of nationale regelgeving vastgestelde voorschriften,

iii) de opstelling van met de communautaire regelgeving verenigbare standaardcontracten,

iv) voorschriften inzake de afzet,

v) voorschriften inzake milieubescherming,

vi) maatregelen om het potentieel van producten te bevorderen en optimaal te benutten,

vii) maatregelen ter bescherming van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen;

b) zijn sinds ten minste één verkoopseizoen van toepassing;

c) mogen voor ten hoogste drie verkoopseizoenen verbindend worden verklaard;

d) mogen geen schade toebrengen aan andere marktdeelnemers in de betrokken lidstaat of in de Gemeenschap.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde voorwaarde geldt evenwel niet als het gaat om de voorschriften die worden genoemd in de punten 1, 3 en 5 van bijlage XVI bis. In dat geval mag de uitbreiding van de voorschriften voor niet meer dan één verkoopseizoen gelden.

4.  De in lid 3, onder a), ii), iv) en v), genoemde voorschriften mogen niet afwijken van die in bijlage XVI bis. De in lid 3, onder a), ii), genoemde voorschriften gelden niet voor producten die buiten de in lid 1 bedoelde regio of regio's zijn geproduceerd.

Artikel 125 quaterdecies

Kennisgeving en intrekking van de uitbreiding van de voorschriften

1.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de voorschriften die zij op grond van artikel 125 terdecies, lid 1, voor alle marktdeelnemers van één of meer regio's verbindend hebben verklaard. De Commissie maakt deze voorschriften op de door haar passend geachte wijze bekend.

2.  Alvorens de voorschriften bekend te maken, stelt de Commissie het bij artikel 195 opgerichte comité op de hoogte van elke kennisgeving betreffende een uitbreiding van brancheovereenkomsten.

3.  De Commissie beslist dat de lidstaat de door hem vastgestelde uitbreiding moet intrekken in de in artikel 125 nonies bedoelde gevallen.

Artikel 125 quindecies

Financiële bijdragen van niet-aangesloten producenten

Wanneer voorschriften voor één of meer producten worden uitgebreid en wanneer één of meer van de in artikel 125 terdecies, lid 3, onder a), bedoelde activiteiten door een erkende brancheorganisatie worden verricht en van algemeen economisch belang zijn voor de marktdeelnemers wier activiteiten met één of meer van de betrokken producten verband houden, kan de lidstaat die de erkenning heeft verleend, bepalen dat ook de niet bij de brancheorganisatie aangesloten individuele marktdeelnemers of groeperingen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle door de leden betaalde financiële bijdrage of een gedeelte daarvan aan de brancheorganisatie moeten betalen voor zover die financiële bijdragen dienen voor de financiering van de rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeiende kosten.

▼M10



Sectie I ter

Voorschriften voor producentenorganisaties en brancheorganisaties in de wijnsector

Artikel 125 sexdecies

Erkenning

1.  De lidstaten kunnen producentenorganisaties en brancheorganisaties erkennen die bij de betrokken lidstaat een aanvraag tot erkenning hebben ingediend waarin wordt aangetoond dat de organisatie:

a) als het gaat om een producentenorganisatie:

i) voldoet aan de in artikel 122 vastgestelde eisen;

ii) over een door de betrokken lidstaat te bepalen minimumaantal leden beschikt;

iii) in het gebied waar zij actief is, over een door de betrokken lidstaat te bepalen minimumvolume verkoopbare productie beschikt;

iv) haar activiteiten gedurende voldoende tijd doeltreffend kan uitvoeren, onder meer op het gebied van concentratie van het aanbod;

v) haar leden daadwerkelijk in staat stelt technische bijstand te verkrijgen om milieuvriendelijk te produceren;

b) als het gaat om een brancheorganisatie:

i) voldoet aan de in artikel 123, lid 3, vastgestelde eisen;

ii) in een of meer regio’s van het betrokken gebied actief is;

iii) een aanzienlijk aandeel in de productie van of handel in onder deze verordening vallende producten vertegenwoordigt;

iv) niet actief is op het gebied van de productie, de verwerking of het in de handel brengen van producten van de wijnsector.

2.  Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1493/1999 erkende producentenorganisaties worden beschouwd als erkende producentenorganisaties in het kader dit artikel.

Organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 123, lid 3, en van lid 1, onder b) van dit artikel en die door een lidstaat zijn erkend, worden beschouwd als erkende brancheorganisaties uit hoofde van die bepalingen.

3.  Artikel 125 ter, lid 2, en artikel 125 duodecies, lid 3, zijn van overeenkomstige toepassing op producentenorganisaties, respectievelijk brancheorganisaties in de wijnsector, met dien verstande:

a) dat de in de artikelen 125 ter, lid 2, onder a), respectievelijk 125 duodecies, lid 3, onder c), bedoelde periodes vier maanden zullen bedragen;

b) dat de in de artikelen 125 ter, lid 2, onder a), en 125 duodecies, lid 3, onder c), bedoelde aanvragen tot erkenning worden ingediend bij de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

c) dat de jaarlijkse kennisgevingen als bedoeld in artikel 125 ter, lid 2, onder c), respectievelijk artikel 125 duodecies, lid 3, onder d), uiterlijk op 1 maart van elk jaar worden verricht.

▼B



Sectie II

Voorschriften inzake brancheorganisaties in de tabakssector

Artikel 126

Betaling van de bijdrage door niet-leden

1.  Wanneer één of meer van de in lid 2 bedoelde activiteiten van een erkende brancheorganisatie in de tabakssector van algemeen economisch belang zijn voor de ondernemers wier activiteiten met één of meer van de betrokken producten verband houden, kan de lidstaat die de erkenning heeft verleend, of de Commissie, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, indien zij de erkenning heeft verleend, bepalen dat ook de niet bij de brancheorganisatie aangesloten individuele ondernemers of verenigingen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de brancheorganisatie moeten betalen, voor zover de bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien, met uitsluiting van alle administratiekosten.

2.  De in lid 1 bedoelde activiteiten betreffen één of meer van de volgende punten:

a) onderzoek met het oog op valorisatie van de producten, met name via nieuwe gebruiksmogelijkheden die de volksgezondheid niet in gevaar brengen;

b) studies met het oog op verbetering van de kwaliteit van de tabaksbladeren of de verpakte tabak;

c) onderzoek naar teeltmethoden die een geringer gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maken en stroken met de eisen van bodem- en milieubehoud.

3.  De betrokken lidstaten delen de Commissie mee welke besluiten zij van plan zijn op grond van lid 1 te nemen. Deze besluiten kunnen pas na een termijn van drie maanden vanaf de datum van kennisgeving aan de Commissie van kracht worden. In deze periode kan de Commissie herroeping vragen van het ontwerpbesluit of een gedeelte daarvan, als het beroep op het algemeen economisch belang niet gegrond lijkt.

4.  Wanneer activiteiten van een brancheorganisatie die overeenkomstig dit hoofdstuk door de Commissie is erkend, het algemene economische belang dienen, deelt de Commissie haar ontwerpbesluit mee aan de betrokken lidstaten, die hun opmerkingen kenbaar maken binnen twee maanden vanaf de verzending van de mededeling.

▼M16



Sectie II bis

Voorschriften inzake producentenorganisaties en brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

Artikel 126 bis

Erkenning van producentenorganisaties en hun unies in de sector melk en zuivelproducten

1.  De lidstaten erkennen als producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten in de zin van deze verordening alle rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen ervan die een verzoek om erkenning indienen, op voorwaarde dat:

a) zij voldoen aan de in artikel 122, eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde voorwaarden;

b) zij een minimum ledental hebben en/of over een door de betrokken lidstaat vastgestelde minimale hoeveelheid afzetbare producten in hun afzetgebied beschikken;

c) er voldoende bewijs voorhanden is dat zij in staat zijn hun werk naar behoren te verrichten, vanuit het oogpunt van duur, efficiëntie en concentratie van het aanbod;

d) zij over statuten beschikken die in overeenstemming zijn met de punten a), b) en c) van dit lid.

2.  De lidstaten kunnen op verzoek een unie van erkende producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten erkennen indien de betrokken lidstaat van oordeel is dat deze unie in staat is alle werkzaamheden van een erkende producentenorganisatie daadwerkelijk te verrichten en voldoet aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden.

3.  De lidstaten kunnen besluiten dat producentenorganisaties die krachtens nationaal recht voor 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 van dit artikel bepaalde voorwaarden vervullen, als producentenorganisatie in de zin van artikel 122, eerste alinea, onder a), iii bis), erkend worden geacht.

Producentenorganisaties die krachtens nationaal recht voor 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 van dit artikel bepaalde voorwaarden niet vervullen, kunnen hun activiteiten krachtens nationaal recht voorzetten tot 3 oktober 2012.

4.  De lidstaten:

a) nemen, binnen vier maanden na de indiening van een met alle relevante bewijsstukken vergezeld erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van een producentenorganisatie; dit verzoek wordt ingediend in de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

b) verrichten, op gezette tijden die zij bepalen, controles om zich ervan te verzekeren dat de erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties het bepaalde in dit hoofdstuk naleven;

c) leggen die producentenorganisaties en unies daarvan passende en door hen vastgestelde sancties op bij niet-naleving van of onregelmatigheden betreffende de bepalingen van dit hoofdstuk en besluiten zo nodig hun erkenning in te trekken;

d) brengen de Commissie eenmaal per jaar, niet later dan 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het vorige kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.

Artikel 126 ter

Erkenning van brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

1.  De lidstaten kunnen brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten erkennen op voorwaarde dat deze organisaties:

a) voldoen aan de in artikel 123, lid 4, vastgestelde voorwaarden;

b) in één of meer regio’s van het betrokken gebied actief zijn;

c) een aanzienlijk deel van de in artikel 123, lid 4, onder a), genoemde economische activiteiten vertegenwoordigen;

d) zich niet zelf bezig houden met de productie, verwerking of verhandeling van producten in de sector melk en zuivelproducten.

2.  De lidstaten kunnen besluiten dat brancheorganisaties die krachtens nationaal recht voor 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 bepaalde voorwaarden vervullen, als brancheorganisatie in de zin van artikel 123, lid 4, erkend worden geacht.

3.  Wanneer de lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheid een brancheorganisatie te erkennen overeenkomstig lid 1 en/of lid 2,

a) nemen zij, binnen vier maanden na de indiening van een met alle relevante bewijsstukken vergezeld erkenningsverzoek, een besluit inzake de erkenning van de brancheorganisatie; dit verzoek wordt ingediend in de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

b) verrichten zij, op gezette tijden die zij bepalen, controles om zich ervan te verzekeren dat de erkende brancheorganisaties voldoen aan de voorwaarden die aan hun erkenning verbonden zijn;

c) leggen zij de brancheorganisaties passende en door hen vastgestelde sancties op bij niet-naleving van of onregelmatigheden betreffende de bepalingen van deze verordening en besluiten zo nodig hun erkenning in te trekken;

d) trekken zij de erkenning in als:

i) niet meer wordt voldaan aan de in dit artikel vastgestelde eisen en voorwaarden voor erkenning;

ii) de brancheorganisatie zich aansluit bij één van de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld in artikel 177 bis, lid 4, onverminderd de uit hoofde van de nationale wetgeving op te leggen sancties;

iii) de brancheorganisatie niet voldoet aan de in artikel 177 bis, lid 2, genoemde kennisgevingsverplichting;

e) brengen zij de Commissie eenmaal per jaar, niet later dan 31 maart, op de hoogte van alle gedurende het vorige kalenderjaar genomen besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning.

Artikel 126 quater

Contractuele onderhandelingen in de sector melk en zuivelproducten

1.  Producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten die krachtens artikel 122 zijn erkend, mogen namens hun leden uit de landbouwsector, met betrekking tot de volledige gezamenlijke productie van die leden of een gedeelte daarvan, onderhandelen over contracten voor de levering van rauwe melk door een producent aan een verwerker van rauwe melk, of aan een inzamelaar in de zin van artikel 185 septies, lid 1, tweede alinea.

2.  De producentenorganisaties mogen de onderhandelingen voeren:

a) ongeacht of de eigendom van de rauwe melk door de landbouwers wordt overgedragen aan de producentenorganisaties;

b) ongeacht of de onderhandelde prijs geldt voor de gezamenlijke productie van alle, dan wel een deel van de aangesloten landbouwers;

c) op voorwaarde dat per welbepaalde producentenorganisatie:

i) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt niet meer dan 3,5 % van de totale productie van de Unie bedraagt, en

ii) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een bepaalde lidstaat wordt geproduceerd niet meer dan 33 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt, en

iii) het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een bepaalde lidstaat wordt geleverd, niet meer dan 33 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt;

d) op voorwaarde dat de betrokken landbouwers niet zijn aangesloten bij een andere producentenorganisatie die eveneens namens hen onderhandelingen over contracten voert; lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gerechtvaardigde gevallen afwijken van deze voorwaarde indien landbouwers twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden;

e) op voorwaarde dat het lidmaatschap van de landbouwer van een coöperatie geen verplichting inhoudt dat de rauwe melk dient te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de op grond van deze statuten vastgestelde voorschriften en besluiten zijn neergelegd, en

f) op voorwaarde dat de producentenorganisatie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten waar zij actief is, in kennis stelt van het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt.

3.  Niettegenstaande de voorwaarden bepaald in lid 2, onder c), ii) en iii), mogen producentenorganisaties de onderhandelingen krachtens lid 1 voeren op voorwaarde dat per producentenorganisatie het volume rauwe melk waarover onderhandeld wordt en dat in een lidstaat met een totale jaarlijkse rauwe melkproductie van minder dan 500 000  ton wordt geproduceerd of geleverd niet meer dan 45 % van de totale nationale productie van die lidstaat bedraagt.

4.  Voor de toepassing van dit artikel wordt met „producentenorganisatie” tevens „een unie van producentenorganisaties” bedoeld.

5.  Voor de toepassing van lid 2, onder c), en lid 3, maakt de Commissie aan de hand van de meest recente beschikbare gegevens op de door haar passend geachte wijze de in de Unie en de lidstaten geproduceerde hoeveelheden rauwe melk bekend.

6.  In afwijking van lid 2, onder c), en lid 3, kan de in de tweede alinea van dit lid bedoelde mededingingsautoriteit, zelfs wanneer de daarin vastgestelde maxima niet worden overschreden, in een individueel geval besluiten dat de onderhandelingen door de producentenorganisatie moeten worden heropend of dat niet door de producentenorganisatie mag worden onderhandeld, indien zij dit noodzakelijk acht om te voorkomen dat de mededinging wordt uitgesloten of dat de kmo’s die rauwe melk op haar grondgebied verwerken, ernstig worden benadeeld.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt, met betrekking tot onderhandelingen over meer dan één lidstaat, door de Commissie genomen zonder toepassing van de in artikel 195, lid 2, of artikel 196 ter, lid 2, bedoelde procedure. In andere gevallen wordt het besluit genomen door de nationale mededingingsautoriteit van de lidstaat waarop de onderhandelingen betrekking hebben.

De in dit lid bedoelde besluiten worden pas van toepassing op de dag waarop zij aan de betrokken ondernemingen worden meegedeeld.

7.  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)

„nationale mededingingsautoriteit” : de autoriteit als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag ( 22 );

b)

„kmo’s” : kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen ( 23 ).

8.  De lidstaten waar de onderhandelingen als bedoeld in dit artikel plaatsvinden, brengen de Commissie op de hoogte van de toepassing van lid 2, onder f), en lid 6.

Artikel 126 quinquies

Regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding

1.  Op verzoek van een krachtens artikel 122, eerste alinea, onder a), erkende producentenorganisatie, een krachtens artikel 123, lid 4, erkende brancheorganisatie of een groepering van marktdeelnemers als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 510/2006, kunnen lidstaten gedurende een beperkte periode bindende voorschriften vaststellen tot regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 510/2006.

2.  De in lid 1 bedoelde voorschriften beantwoorden aan de in lid 4 vastgestelde voorwaarden en worden vooraf goedgekeurd door de partijen in het in artikel 4, lid 2, onder c), van Richtlijn (EG) nr. 510/2006 bedoelde geografische gebied. Een desbetreffende overeenkomst wordt gesloten tussen ten minste twee derde van de melkproducenten of hun vertegenwoordigers met een aandeel van ten minste twee derde in de totale rauwemelkproductie die wordt gebruikt voor het vervaardigen van de in lid 1 bedoelde kaas en, in voorkomend geval, ten minste twee derde van de producenten van deze kaas met een aandeel van ten minste twee derde in de productie van de kaas in het in artikel 4, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 510/2006 bedoelde geografische gebied.

3.  Voor de toepassing van lid 1 met betrekking tot kaas met een beschermde geografische aanduiding is het in het productdossier van de kaas vastgestelde geografische gebied van oorsprong van de rauwe melk hetzelfde als het in artikel 4, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 510/2006 bedoelde geografische gebied voor deze kaas.

4.  De in lid 1 bedoelde voorschriften:

a) hebben uitsluitend betrekking op de regulering van het aanbod van het betrokken product, met het doel het aanbod van de kaas af te stemmen op de vraag;

b) hebben uitsluitend betrekking op het betrokken product;

c) mogen niet voor langer dan drie jaar verplicht worden gesteld en moeten na deze periode worden verlengd middels een nieuw verzoek als bedoeld in lid 1;

d) brengen geen schade toe aan de handel in andere producten dan die waarop de in lid 1 bedoelde voorschriften betrekking hebben;

e) hebben geen betrekking op transacties nadat de kaas in kwestie voor de eerste keer op de markt is gebracht;

f) leiden niet tot de afkondiging van vaste prijzen, zelfs niet van richt- of adviesprijzen;

g) leiden niet tot het onverkrijgbaar zijn van grote hoeveelheden van het betrokken product die anders wel verkrijgbaar waren geweest;

h) leiden niet tot discriminatie, vormen geen obstakel voor nieuwe toetreders tot de markt, of hebben geen negatieve gevolgen voor kleine producenten;

i) dragen bij tot de kwaliteitshandhaving of ontwikkeling van het betrokken product;

j) laten het bepaalde in artikel 126 quater onverlet.

5.  De in lid 1 bedoelde voorschriften worden bekendgemaakt in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

6.  De lidstaten verrichten controles om zich ervan te verzekeren dat de in lid 4 vastgestelde voorwaarden zijn vervuld en, indien de bevoegde nationale instanties oordelen dat de voorwaarden niet zijn vervuld, trekken de lidstaten de in lid 1 bedoelde voorschriften in.

7.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de in lid 1 bedoelde voorschriften die zij hebben vastgesteld. De Commissie stelt de lidstaten op de hoogte van deze kennisgevingen.

8.  De Commissie kan te allen tijde uitvoeringshandelingen vaststellen die vereisen dat een lidstaat de door hem overeenkomstig lid 1 vastgestelde voorschriften moet intrekken, indien de Commissie van oordeel is dat deze voorschriften niet voldoen aan de in lid 4 vastgestelde voorwaarden, de mededinging in een wezenlijk deel van de interne markt voorkomen of verstoren, de vrije handel belemmeren of het bereiken van de doelstellingen van artikel 39 VWEU in het gedrang brengen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 195, lid 2, of artikel 196 ter, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 126 sexies

Bevoegdheden van de Commissie betreffende producentenorganisaties en brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten

1.  Om te garanderen dat de doelstellingen en verantwoordelijkheden van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in de sector melk en zuivelproducten helder worden gedefinieerd, zodat deze organisaties doeltreffender kunnen werken zonder onnodig te worden belast, krijgt de Commissie overeenkomstig artikel 196 bis de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen, waarin het volgende wordt bepaald:

a) de voorwaarden voor de erkenning van grensoverschrijdende producentenorganisaties en grensoverschrijdende unies van producentenorganisaties;

b) de voorschriften inzake vestiging en de voorwaarden voor administratieve bijstand door de relevante bevoegde autoriteiten bij grensoverschrijdende samenwerking;

c) bijkomende voorschriften betreffende de berekening van het volume rauwe melk waarover overeenkomstig artikel 126 quater, lid 2, onder c), en artikel 126 quater, lid 3, wordt onderhandeld.

2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met gedetailleerde voorschriften die noodzakelijk zijn voor:

a) de uitvoering van de voorwaarden voor de erkenning van producentenorganisaties en unies daarvan en brancheorganisaties, zoals bepaald in de artikelen 126 bis en 126 ter;

b) de kennisgeving als bedoeld in artikel 126 quater, lid 2, onder f);

c) de kennisgevingen van de lidstaten aan de Commissie als bedoeld in artikel 126 bis, lid 4, onder d), artikel 126 ter, lid 3, onder e), artikel 126 quater, lid 8, en artikel 126 quinquies, lid 7;

d) de procedures met betrekking tot administratieve bijstand bij grensoverschrijdende samenwerking.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 196 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

▼B



Sectie III

Procedurebepalingen

Artikel 127

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit hoofdstuk vast, met name de voorwaarden en procedures voor de erkenning van producentenorganisaties, brancheorganisaties en organisaties van marktdeelnemers in de afzonderlijke sectoren, waaronder:

a) de specifieke doelstellingen die die organisaties moeten nastreven;

b) de statuten van die organisaties;

c) de activiteiten van die organisaties;

d) afwijkingen van de artikelen 122, 123 en 125;

▼M3

d bis) in voorkomend geval, bepalingen over transnationale producentenorganisaties en transnationale unies van producentenorganisaties, met inbegrip van administratieve bijstand door de betrokken bevoegde autoriteiten in het geval van transnationale samenwerking;

▼B

e) in voorkomend geval, eventuele gevolgen van de erkenning als brancheorganisatie.



DEEL III

HANDELSVERKEER MET DERDE LANDEN



HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 128

Algemene beginselen

Behoudens andersluidende bepalingen die in deze verordening of ter uitvoering van een van de bepalingen daarvan zijn vastgesteld, zijn in het handelsverkeer met derde landen verboden:

a) de toepassing van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht;

b) de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.

Artikel 129

Gecombineerde nomenclatuur

De algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief („de gecombineerde nomenclatuur”) ( 24 ) en de specifieke regels voor de toepassing ervan gelden voor de tariefindeling van de onder deze verordening vallende producten. ►M10  De tariefnomenclatuur die voortvloeit uit de toepassing van deze verordening, in voorkomend geval met inbegrip van de in bijlage III en bijlage XI ter vermelde definities, wordt overgenomen in het gemeenschappelijke douanetarief. ◄



HOOFDSTUK II

Invoer



Sectie I

Invoercertificaten

Artikel 130

Invoercertificaten

1.  Onverminderd de gevallen waarin op grond van deze verordening invoercertificaten moeten worden overgelegd, kan de Commissie invoercertificaten verplicht stellen voor invoer van één of meer producten van de volgende sectoren in de Gemeenschap:

a) granen,

b) rijst,

c) suiker,

d) zaaizaad,

e) olijfolie en tafelolijven, voor wat betreft de producten van de GN-codes 1509 , 1510 00 , 0709 90 39 , 0711 20 90 , 2306 90 19 , 1522 00 31 en 1522 00 39 ,

f) vlas en hennep, voor wat hennep betreft,

▼M3

f bis) groenten en fruit;

f ter) verwerkte groenten en fruit;

▼B

g) bananen,

▼M10

g bis) wijn,

▼B

h) levende planten,

i) rundvlees,

j) melk en zuivelproducten,

k) varkensvlees,

l) schapen- en geitenvlees,

m) eieren,

n) vlees van pluimvee,

o) ethylalcohol van landbouwproducten.

2.  Bij de toepassing van lid 1 houdt de Commissie er rekening mee of de invoercertificaten noodzakelijk zijn voor het beheer van de betrokken markten en, met name, voor het toezicht op de invoer van de betrokken producten.

Artikel 131

Afgifte van certificaten

Invoercertificaten worden door de lidstaten afgegeven aan elke belanghebbende die daar om verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap, tenzij anders is bepaald in een verordening van de Raad of enig ander besluit van de Raad en onverminderd maatregelen die voor de toepassing van dit hoofdstuk worden genomen.

Artikel 132

Geldigheid

Invoercertificaten zijn geldig in de hele Gemeenschap.

Artikel 133

Zekerheid

1.  Behoudens andersluidende bepalingen van de Commissie worden invoercertificaten slechts afgegeven op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld, als garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting tot invoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.

2.  Behoudens in geval van overmacht wordt de zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd als de invoer niet of slechts ten dele binnen de geldigheidsduur van het certificaat plaatsvindt.

▼M10

Artikel 133 bis

Bijzondere zekerheid in de wijnsector

1.  Voor druivensap en druivenmost van de GN-codes 2009 61 , 2009 69 en 2204 30 waarvoor de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijke douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs van het product, wordt de echtheid van deze prijs geverifieerd, hetzij door controle van elke partij, hetzij aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer die door de Commissie wordt berekend op basis van de prijsnoteringen voor dezelfde producten in de landen van oorsprong.

Wanneer de gedeclareerde invoerprijs van de betrokken partij hoger is dan de forfaitaire waarde bij invoer, verhoogd met een door de Commissie vastgestelde marge die de forfaitaire waarde met niet meer dan 10 % mag overschrijden, moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de op basis van de forfaitaire waarde bij invoer vastgestelde invoerrechten.

Wanneer de invoerprijs van de betrokken partij niet wordt gedeclareerd, is de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijke douanetarief afhankelijk van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden, van de desbetreffende bepalingen van de douanewetgeving.

2.  Indien de in bijlage XV ter, punt B.5 of C, bedoelde afwijkingen worden toegepast op ingevoerde producten, stellen de importeurs op het ogenblik van de vrijgave voor het vrije verkeer een zekerheid voor deze producten bij de aangewezen douaneautoriteiten. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de importeur ten genoegen van de douaneautoriteiten van de lidstaat van vrijgave voor het vrije verkeer bewijst dat de most tot druivensap is verwerkt, in andere producten buiten de wijnsector is gebruikt, of, indien hij tot wijn is verwerkt, naar behoren is geëtiketteerd.

▼B

Artikel 134

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast, met inbegrip van de geldigheidsduur van de invoercertificaten en de hoogte van de zekerheid.



Sectie II

Invoerrechten en -heffingen

Artikel 135

Invoerrechten

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gelden voor de in artikel 1 bedoelde producten de invoerrechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel 136

Berekening van de invoerrechten voor granen

1.  In afwijking van artikel 135 is het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 10 00 , 1001 90 91 , ex 1001 90 99 (zachte tarwe van hoge kwaliteit), 1002 00 00 , 1005 10 90 , 1005 90 00 en 1007 00 90 , met uitzondering van hybriden voor zaaidoeleinden, gelijk aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het conventionele recht zoals vastgesteld op basis van de gecombineerde nomenclatuur.

2.  Voor de berekening van het invoerrecht als bedoeld in lid 1 worden regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de in dat lid bedoelde producten vastgesteld.

Artikel 137

Berekening van de invoerrechten voor gedopte rijst

1.  In afwijking van artikel 135 wordt het invoerrecht voor gedopte rijst van GN-code 1006 20 binnen 10 dagen na afloop van de betrokken referentieperiode door de Commissie, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, overeenkomstig punt 1 van bijlage XVII vastgesteld.

De Commissie stelt, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, een nieuw toepasselijk recht vast, indien de overeenkomstig die bijlage uitgevoerde berekeningen daartoe aanleiding geven. Het laatst vastgestelde recht blijft van toepassing totdat een nieuw recht is vastgesteld.

2.  Voor de berekening van de in punt 1 van bijlage XIV bedoelde invoer wordt rekening gehouden met de hoeveelheden gedopte rijst van GN-code 1006 20 waarvoor gedurende de betrokken referentieperiode invoercertificaten zijn afgegeven, met uitsluiting van de in artikel 132 bedoelde invoercertificaten voor Basmati-rijst.

3.  De jaarlijkse referentiehoeveelheid bedraagt 449 678 ton. De halfjaarlijkse referentiehoeveelheid komt voor ieder verkoopseizoen overeen met de helft van de jaarlijkse referentiehoeveelheid.

Artikel 138

Berekening van de invoerrechten voor gedopte Basmati rijst

In afwijking van artikel 135 komen de in bijlage XVIII vermelde variëteiten van gedopte Basmati-rijst van de GN-codes 1006 20 17 en 1006 20 98 in aanmerking voor invoer met nulrecht, indien wordt voldaan aan de door de Commissie vastgestelde voorwaarden.

Artikel 139

Berekening van de invoerrechten voor halfwitte en volwitte rijst

1.  In afwijking van artikel 135 wordt het invoerrecht voor halfwitte en volwitte rijst van GN-code 1006 30 binnen 10 dagen na afloop van de betrokken referentieperiode door de Commissie, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, overeenkomstig punt 2 van bijlage XVII vastgesteld.

De Commissie stelt, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, een nieuw toepasselijk recht vast, indien de overeenkomstig die bijlage uitgevoerde berekeningen daartoe aanleiding geven. Het laatst vastgestelde recht blijft van toepassing totdat een nieuw recht is vastgesteld.

2.  Voor de berekening van de in punt 2 van bijlage XVII bedoelde invoer wordt rekening gehouden met de hoeveelheden halfwitte of volwitte rijst van GN-code 1006 30 waarvoor gedurende de betrokken referentieperiode invoercertificaten zijn afgegeven.

Artikel 140

Berekening van de invoerrechten voor breukrijst

In afwijking van artikel 135 is het invoerrecht voor breukrijst van GN-code 1006 40 00 gelijk aan 65 euro per ton.

▼M3

Artikel 140 bis

Invoerprijssysteem voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit

1.  Als de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs van de ingevoerde partij, wordt deze prijs gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer die door de Commissie per product en per oorsprong wordt berekend op basis van het gewogen gemiddelde van de prijzen van de betrokken producten op de representatieve invoermarkten van de lidstaten of, in voorkomend geval, op andere markten.

De Commissie kan evenwel specifieke bepalingen vaststellen voor de controle van de invoerprijs van hoofdzakelijk voor verwerking ingevoerde producten.

2.  Als de opgegeven invoerprijs voor de betrokken partij hoger is dan de forfaitaire waarde bij invoer, verhoogd met een door de Commissie vastgestelde marge die de forfaitaire waarde met niet meer dan 10 % mag overschrijden, moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan het invoerrecht dat is vastgesteld op basis van de forfaitaire waarde bij invoer.

3.  Als de invoerprijs voor de betrokken partij niet wordt opgegeven op het moment van de inklaring, hangen de toe te passen rechten van het gemeenschappelijk douanetarief af van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, onder door de Commissie vast te stellen voorwaarden, van de desbetreffende bepalingen van de douanewetgeving.

▼B

Artikel 141

Aanvullende invoerrechten

▼M3

1.   ►M10  Bij invoer van één of meer producten van de sectoren granen, rijst, suiker, groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit, rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren, pluimvee en bananen, en van druivensap en druivenmost tegen het in de artikel 135 tot en met artikel 140 bis bedoelde recht wordt, om eventuele nadelige gevolgen van die invoer voor de communautaire markt te voorkomen of te neutraliseren, een aanvullend invoerrecht geheven indien: ◄

▼B

a) de invoer plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan het niveau dat de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie heeft gemeld („de reactieprijs”), of

b) het invoervolume in een bepaald jaar een bepaald niveau overschrijdt („het reactievolume”).

Het reactievolume is gebaseerd op de markttoegang, waaronder wordt verstaan de invoer als percentage van het betrokken interne verbruik in de voorgaande drie jaren.

2.  Er worden geen aanvullende invoerrechten geheven als de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

3.  Voor de toepassing van lid 1, onder a), worden de invoerprijzen vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor dat product.

Artikel 142

Schorsing van invoerrechten in de suikersector

Om de grondstofvoorziening die nodig is voor de vervaardiging van de in artikel 62, lid 2, bedoelde producten, te garanderen kan de Commissie de toepassing van de invoerrechten geheel of gedeeltelijk schorsen voor bepaalde hoeveelheden van de volgende producten:

a) suiker van GN-code 1701 ;

b) isoglucose van de GN-codes 1702 30 10 , 1702 40 10 , 1702 60 10 en 1702 90 30 .

Artikel 143

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast en specificeert met name:

a) wat artikel 136 betreft:

i) de minimumvereisten voor zachte tarwe van hoge kwaliteit,

ii) de in aanmerking te nemen prijsnoteringen,

iii) de mogelijkheid om indien nodig in specifieke gevallen de marktdeelnemers in staat te stellen vóór aankomst van de betrokken zending te vernemen welk recht erop wordt geheven;

b) wat artikel 141 betreft, de producten waarop aanvullende invoerrechten zullen worden geheven en de overige criteria die voor de toepassing van lid 1 van dat artikel nodig zijn.



Sectie III

Beheer van invoercontingenten

Artikel 144

Tariefcontingenten

1.  De tariefcontingenten voor de invoer van de in artikel 1 genoemde producten die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten of uit enig ander besluit van de Raad, worden door de Commissie geopend en beheerd volgens door de Commissie vastgestelde bepalingen.

2.  De tariefcontingenten worden beheerd op een wijze die elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomt, door één van de onderstaande methoden of een combinatie daarvan of een andere passende methode toe te passen:

a) op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel „wie het eerst komt, het eerst maalt”);

b) evenredige verdeling van de hoeveelheden waarom bij de indiening van de aanvragen is verzocht (de „methode van het gelijktijdige onderzoek”);

c) rekening houdend met de traditionele handelsstromen (de „methode van de traditionele en de nieuwe marktdeelnemers”).

3.  Waar dat gepast is, moet bij de keuze van de beheersmethode terdege rekening worden gehouden met de voorzieningsbehoeften van de communautaire markt en met de noodzaak die markt in evenwicht te houden.

Artikel 145

Opening van tariefcontingenten

De Commissie voorziet in de opening van de contingenten op jaarbasis en, waar nodig, op passende wijze gespreid, en stelt de toe te passen beheersmethode vast.

Artikel 146

Specifieke bepalingen

1.  Met betrekking tot het invoercontingent van 54 703 ton voor verwerking bestemd bevroren rundvlees van de GN-codes 0202 20 30 , 0202 30 en 0206 29 91 kan de Raad, volgens de procedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag, besluiten dat dit contingent geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op equivalente hoeveelheden kwaliteitsvlees, waarbij een omrekeningscoëfficiënt van 4,375 wordt toegepast.

2.  Voor het tariefcontingent voor invoer in Spanje van 2 000 000 ton maïs en 300 000  ton sorgho en het tariefcontingent voor invoer in Portugal van 500 000 ton maïs bevatten de in artikel 148 bedoelde uitvoeringsbepalingen ook de nodige bepalingen inzake de verrichting van de invoer in het kader van het tariefcontingent alsmede, in voorkomend geval, inzake de openbare opslag van de door de betaalorganen van de betrokken lidstaten ingevoerde hoeveelheden en de afzet daarvan op de markt van die lidstaten.

Artikel 147

Invoertarieven voor bananen

Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 1964/2005 ( 25 ).

Artikel 148

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast, en met name:

a) bepalingen die de aard, de herkomst en de oorsprong van het product garanderen;

b) bepalingen betreffende de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde garanties kunnen worden gecontroleerd;

c) de voorwaarden inzake de afgifte en de geldigheidsduur van de invoercertificaten.



Sectie IV

Bijzondere bepalingen voor bepaalde producten



Subsectie I

Bijzondere bepalingen voor de invoer met betrekking tot de sectoren granen en rijst

Artikel 149

Invoer van mengsels van verschillende granen

Het invoerrecht dat geldt voor mengsels van de onder a) en b) van deel I van bijlage I genoemde graansoorten wordt als volgt vastgesteld:

a) als het mengsel bestaat uit twee van die graansoorten, geldt het invoerrecht dat van toepassing is op:

i) het bestanddeel met het grootste gewichtsaandeel, indien dit ten minste 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt,

ii) het bestanddeel waarvoor het hoogste recht geldt, indien geen van de twee bestanddelen 90 % of meer van het gewicht van het mengsel uitmaakt;

b) als het mengsel bestaat uit meer dan twee van die graansoorten en als verscheidene van die soorten elk meer dan 10 % van het gewicht van het mengsel uitmaken, is het bedrag van het op dit mengsel toepasselijke invoerrecht het hoogste van de invoerrechten die op deze laatste graansoorten van toepassing zijn, ook indien dit bedrag voor verscheidene van deze graansoorten hetzelfde is.

Als slechts één graansoort meer dan 10 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt, geldt het invoerrecht dat van toepassing is op deze graansoort;

c) voor de niet onder a) en b) vallende mengsels, is het bedrag van het toepasselijke invoerrecht het hoogste van de invoerrechten die van toepassing zijn op de graansoorten die deel uitmaken van het mengsel, ook indien dit bedrag voor verscheidene van deze graansoorten hetzelfde is.

Artikel 150

Invoer van mengsels van granen en rijst

Op mengsels van één of meer van de onder a) en b) van deel I van bijlage I genoemde graansoorten enerzijds en van één of meer van de onder a) en b) van deel II van bijlage I genoemde producten anderzijds wordt het invoerrecht toegepast dat geldt voor het bestanddeel waarvoor het hoogste invoerrecht geldt.

Artikel 151

Invoer van mengsels van rijst

Op mengsels, hetzij van rijst van verschillende groepen of verschillende verwerkingsstadia, hetzij van rijst van één of meer verschillende groepen of verwerkingsstadia enerzijds en van breukrijst anderzijds wordt het recht toegepast dat geldt voor:

a) het bestanddeel met het grootste gewichtsaandeel, indien dit ten minste 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt;

b) het bestanddeel waarvoor het hoogste recht geldt, indien geen van de bestanddelen 90 % of meer van het gewicht van het mengsel uitmaakt.

Artikel 152

Toepassing van de tariefindeling

Als de in de artikelen 149 tot en met 151 vastgestelde wijze van bepaling van het invoerrecht niet kan worden toegepast, geldt voor de in deze artikelen bedoelde mengsels het recht dat voortvloeit uit hun indeling in het tarief van invoerrechten.



Subsectie II

Preferentiële invoerregelingen voor suiker

Artikel 153

Traditionele voorzieningsbehoefte voor raffinage

▼M3

1.  De traditionele voorzieningsbehoefte van de Gemeenschap aan suiker voor raffinage bedraagt 2 424 735  ton, uitgedrukt in witte suiker, per verkoopseizoen.

▼B

Tijdens het verkoopseizoen 2008/2009 wordt de traditionele voorzieningsbehoefte aldus uitgesplitst:

a) 198 748 ton voor Bulgarije,

b) 296 627 ton voor Frankrijk,

c) 100 000 ton voor Italië,

d) 291 633 ton voor Portugal,

e) 329 636 ton voor Roemenië,

f) 19 585 ton voor Slovenië,

g) 59 925 ton voor Finland,

h) 1 128 581 ton voor het Verenigd Koninkrijk.

2.  De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte wordt verhoogd met 65 000  ton. Deze hoeveelheid betreft ruwe rietsuiker en wordt voor het verkoopseizoen 2008/2009 uitsluitend gereserveerd voor de enige in 2005 actieve suikerbietenverwerkende fabriek in Portugal. Deze verwerkingsfabriek wordt geacht een voltijdraffinaderij te zijn.

3.  Invoercertificaten voor suiker voor raffinage worden alleen aan voltijdraffinaderijen afgegeven, en wel op voorwaarde dat de betrokken hoeveelheden de hoeveelheden die in het kader van de in lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte mogen worden ingevoerd, niet overschrijden. De invoercertificaten mogen alleen tussen voltijdraffinaderijen worden overgedragen en de geldigheidsduur ervan verstrijkt aan het einde van het verkoopseizoen waarvoor zij zijn afgegeven.

Dit lid is van toepassing voor het verkoopseizoen 2008/2009 en voor de eerste drie maanden van elk verkoopseizoen dat op dat verkoopseizoen volgt.

4.  De toepassing van de invoerrechten voor voor raffinage bestemde rietsuiker van GN-code 1701 11 10 van oorsprong uit de in bijlage XIX genoemde staten wordt geschorst voor de aanvullende hoeveelheid die nodig is om voor het verkoopseizoen 2008/2009 een toereikende voorziening van de voltijdraffinaderijen mogelijk te maken.

De aanvullende hoeveelheid wordt door de Commissie vastgesteld op basis van het saldo tussen de in lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte en de verwachte voorziening met suiker voor raffinage voor het betrokken verkoopseizoen. Dit saldo kan tijdens het verkoopseizoen door de Commissie worden herzien en kan worden gebaseerd op aan de hand van historische gegevens opgestelde forfaitaire ramingen van de voor consumptie bestemde hoeveelheden ruwe suiker.

Artikel 154

Gegarandeerde prijs

1.  De voor ACS-/Indiase suiker vastgestelde gegarandeerde prijzen gelden voor de invoer van ruwe en witte suiker van de standaardkwaliteit uit:

a) de minst ontwikkelde landen in het kader van de bij de artikelen 12 en 13 van Verordening (EG) nr. 980/2005 ingestelde regeling ( 26 );

b) de in bijlage XIX genoemde staten voor de in artikel 153, lid 3, bedoelde aanvullende hoeveelheid.

2.  De aanvragen voor een invoercertificaat voor suiker die in aanmerking komt voor een gegarandeerde prijs, gaan vergezeld van een door de autoriteiten van het land van uitvoer afgegeven uitvoercertificaat waarin wordt bevestigd dat de suiker voldoet aan de voorschriften van de betrokken overeenkomsten.

Artikel 155

In het suikerprotocol aangegane verbintenissen

De Commissie kan maatregelen vaststellen om ervoor te zorgen dat de ACS-/Indiase suiker in de Gemeenschap wordt ingevoerd onder de voorwaarden zoals bepaald in protocol 3 van bijlage V bij de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en in de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek India betreffende rietsuiker. Die maatregelen kunnen zo nodig afwijken van artikel 153 van deze verordening.

Artikel 156

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze subsectie vast, in het bijzonder met het oog op de naleving van internationale overeenkomsten. Deze uitvoeringsbepalingen kunnen wijzigingen in bijlage XIX omvatten.



Subsectie III

Bijzondere bepalingen voor de invoer van hennep

Artikel 157

Invoer van hennep

1.  De volgende producten mogen slechts in de Gemeenschap worden ingevoerd als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) ruwe hennep van GN-code 5302 10 00 moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1782/2003;

b) zaaizaad voor de inzaai van henneprassen van GN-code ex 1207 99 15 gaat vergezeld van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het in artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde gehalte;

c) niet voor inzaai bestemd hennepzaad van GN-code 1207 99 91 mag alleen worden ingevoerd door importeurs die door de lidstaat zijn erkend, opdat het zeker niet voor inzaai wordt gebruikt.

2.  Onverminderd eventuele specifieke bepalingen die de Commissie overeenkomstig artikel 194 kan vaststellen, worden op de invoer in de Gemeenschap van de in lid 1, onder a) en b), van onderhavig artikel bedoelde producten controles verricht om na te gaan of aan de voorwaarden van lid 1 van onderhavig artikel wordt voldaan.

3.  Dit artikel geldt onverminderd restrictievere bepalingen die de lidstaten vaststellen in overeenstemming met het Verdrag en met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.



Subsectie IV

Bijzondere bepalingen voor de invoer van hop

Artikel 158

Invoer van hop

1.  De producten van de hopsector mogen slechts uit derde landen worden ingevoerd als de kwaliteitsnormen ten minste equivalent zijn aan die welke zijn vastgesteld voor soortgelijke producten die in de Gemeenschap worden geoogst of uit dergelijke in de Gemeenschap geoogste producten worden vervaardigd.

2.  De producten worden geacht aan de in lid 1 bedoelde normen te voldoen als zij vergezeld gaan van een door de autoriteiten van het land van oorsprong afgegeven verklaring die is erkend als gelijkwaardig met het in artikel 117 bedoelde certificaat.

Voor hopmeel, met lupuline verrijkt hopmeel, hopextract en mengproducten van hop kan de verklaring slechts als gelijkwaardig met het certificaat worden erkend indien het alfazuurgehalte van deze producten niet lager is dan dat van de hop waaruit zij zijn vervaardigd.

De gelijkwaardigheid van deze verklaringen wordt gecontroleerd overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

▼M10



Subsectie V

Bijzondere bepalingen voor de invoer van wijn

Artikel 158 bis

Bijzondere bepalingen voor de invoer van wijn

1.  Tenzij anders is bepaald, met name in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, zijn de bepalingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en etikettering als vastgesteld in deel II, titel II, hoofdstuk I, sectie I bis, subsectie I, en artikel 113 quinquies, lid 1, van deze verordening, van toepassing op in de Gemeenschap ingevoerde producten van de GN-codes 2009 61 , 2009 69 en 2204 .

2.  Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die worden aanbevolen en gepubliceerd door de OIV of zijn toegestaan door de Gemeenschap op grond van deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan.

3.  Voor de invoer van de in lid 1 bedoelde producten worden de volgende documenten overgelegd:

a) een bewijs van naleving van de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen, dat in het land van herkomst van het product is opgesteld door een bevoegde instantie die is opgenomen in een door de Commissie te publiceren lijst;

b) met betrekking tot voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde producten, een analyseverslag dat is opgesteld door een door het land van herkomst van het product aangewezen instantie of dienst.

4.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.

▼B



Sectie V

Vrijwaring en actieve veredeling

Artikel 159

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Gemeenschap worden, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, door de Commissie genomen overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 519/94 ( 27 ) en (EG) nr. 3285/94 ( 28 ) van de Raad.

2.  Tenzij anders bepaald in andere besluiten van de Raad worden vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Gemeenschap waarin is voorzien in volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten internationale overeenkomsten, door de Commissie genomen overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

3.  De Commissie neemt de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1. Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, beslist zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek.

De genomen maatregelen worden meegedeeld aan de lidstaten en zijn onmiddellijk van toepassing.

Iedere lidstaat kan de overeenkomstig de leden 1 en 2 door de Commissie genomen besluiten binnen vijf werkdagen volgende op de dag van de mededeling daarvan voorleggen aan de Raad. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan het betrokken besluit binnen één maand na de datum waarop zij hem zijn voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen of intrekken.

4.  Als de Commissie van oordeel is dat een overeenkomstig de leden 1 of 2 genomen vrijwaringsmaatregel moet worden ingetrokken of gewijzigd, gaat zij als volgt te werk:

a) wanneer de maatregel door de Raad is vastgesteld, stelt de Commissie de Raad voor de maatregel in te trekken of te wijzigen. De Raad neemt hierover met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit;

b) in alle andere gevallen worden de communautaire vrijwaringsmaatregelen door de Commissie ingetrokken of gewijzigd zonder dat de Commissie de hulp inroept van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1.

Artikel 160

Schorsing van de regeling actieve veredeling

▼M3

1.   ►M10  Wanneer de communautaire markt wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door de regeling voor actieve veredeling, mag de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief overgaan tot gehele of gedeeltelijke opschorting van het gebruik van de regeling actieve veredeling voor de producten van de sectoren granen, rijst, suiker, olijfolie en tafelolijven, groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit, wijn, rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees, schapen- en geitenvlees, eieren, vlees van pluimvee en ethylalcohol van landbouwproducten. Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, beslist zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek. ◄

▼B

De genomen maatregelen worden meegedeeld aan de lidstaten en zijn onmiddellijk van toepassing.

Iedere lidstaat kan de overeenkomstig de eerste alinea door de Commissie genomen maatregelen binnen vijf werkdagen volgende op de dag van de mededeling daarvan voorleggen aan de Raad. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan de betrokken maatregelen binnen één maand na de datum waarop zij hem zijn voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen of intrekken.

2.  Voor zover zulks voor de goede werking van de GOM nodig is, kan de Raad, volgens de procedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag, het gebruik van de regeling passieve veredeling geheel of gedeeltelijk verbieden voor de in lid 1 genoemde producten.



HOOFDSTUK III

Uitvoer



Sectie I

Uitvoercertificaten

Artikel 161

Uitvoercertificaten

1.  Onverminderd de gevallen waarin op grond van deze verordening uitvoercertificaten moeten worden overgelegd, kan de Commissie uitvoercertificaten verplicht stellen voor uitvoer van één of meer producten van de volgende sectoren uit de Gemeenschap:

a) granen,

b) rijst,

c) suiker,

d) olijfolie en tafelolijven, voor wat betreft de onder a) van deel VII van bijlage I bedoelde olijfolie,

▼M3

d bis) groenten en fruit;

d ter) verwerkte groenten en fruit;

▼M10

d quater) wijn,

▼B

e) rundvlees,

f) melk en zuivelproducten,

g) varkensvlees,

h) schapen- en geitenvlees,

i) eieren,

j) vlees van pluimvee,

k) ethylalcohol van landbouwproducten.

Bij de toepassing van de eerste alinea houdt de Commissie er rekening mee of de uitvoercertificaten noodzakelijk zijn voor het beheer van de betrokken markten en, met name, voor het toezicht op de uitvoer van de betrokken producten.

2.  De artikelen 131 tot en met 133 zijn mutatis mutandis van toepassing.

3.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze sectie vast, met inbegrip van de geldigheidsduur van de invoercertificaten en het bedrag van de zekerheid.



Sectie II

Uitvoerrestituties

Artikel 162

Toepassingsgebied van de uitvoerrestituties

1.  Voor zover nodig om te kunnen uitvoeren op basis van de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt en binnen de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomsten die volgens artikel 300 van het Verdrag zijn gesloten, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer voor:

a) de producten van de volgende sectoren die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd:

i) granen,

ii) rijst,

iii) suiker, voor wat betreft de producten die zijn vermeld onder b), c), d) en g), van deel III van bijlage I,

iv) rundvlees,

v) melk en zuivelproducten,

vi) varkensvlees,

vii) eieren,

viii) vlees van pluimvee;

b) de onder a) i), ii), iii), v) en vii) genoemde producten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage XX en bijlage XXI genoemde goederen.

Als het gaat om melk en zuivelproducten die worden uitgevoerd in de vorm van in deel IV van bijlage XX genoemde producten, mogen slechts uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten die zijn vermeld in de punten a) tot en met e) en in punt g), van deel XVI van bijlage I.

2.  De uitvoerrestituties voor de producten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage XX en bijlage XXI genoemde verwerkte goederen, mogen niet hoger zijn dan die welke gelden voor dezelfde producten die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd.

3.  Voor zover dit nodig is om rekening te houden met de bijzondere bereidingswijze van bepaalde alcoholhoudende dranken uit granen, kan de Commissie de criteria voor de toekenning van de in de leden 1 en 2 bedoelde uitvoerrestituties en de controlemethoden aan deze bijzondere situatie aanpassen.

Artikel 163

Toewijzing van de hoeveelheden die met uitvoerrestitutie kunnen worden uitgevoerd

De hoeveelheden die kunnen worden uitgevoerd met een uitvoerrestitutie, worden toegewezen volgens de methode:

a) die het best is aangepast aan de aard van het product en aan de situatie op de betrokken markt, zodat de beschikbare middelen zo doeltreffend mogelijk kunnen worden gebruikt, rekening houdend met de doeltreffendheid en de structuur van de uitvoer van de Gemeenschap, zonder dat dit leidt tot discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers, en met name tussen grote en kleine marktdeelnemers;

b) die, gezien de beheerseisen, administratief het minst belastend is voor de marktdeelnemers;

c) waarmee elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers wordt voorkomen.

Artikel 164

Vaststelling van de restitutie bij uitvoer

1.  De uitvoerrestituties zijn voor de gehele Gemeenschap gelijk. Zij kunnen naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

2.  De Commissie stelt de restituties vast.

De uitvoerrestituties kunnen:

a) periodiek worden vastgesteld;

b) door middel van een openbare inschrijving worden vastgesteld voor de producten waarvoor deze procedure gold voordat deze verordening van toepassing werd ingevolge artikel 204, lid 2.

Behalve bij vaststelling via openbare inschrijving worden de lijst van producten waarvoor een uitvoerrestitutie wordt toegekend en het bedrag van deze restitutie ten minste eenmaal per drie maanden vastgesteld. Het bedrag van de restituties kan echter gedurende meer dan drie maanden op hetzelfde niveau gehandhaafd blijven en zo nodig in de tussentijd door de Commissie op verzoek van een lidstaat dan wel op initiatief van de Commissie worden gewijzigd, zonder dat de Commissie de hulp inroept van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1.

3.  Bij de vaststelling van restituties voor een bepaald product wordt rekening gehouden met één of meer van de volgende aspecten:

a) de situatie en de vooruitzichten inzake:

 de prijzen en de beschikbaarheid van dat product op de markt van de Gemeenschap,

 de prijzen van dat product op de wereldmarkt;

b) de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, namelijk te zorgen voor een evenwichtige situatie van de betrokken markten en een natuurlijke ontwikkeling inzake prijzen en handelsverkeer;

c) de noodzaak om storingen die het evenwicht tussen aanbod en vraag op de markt van de Gemeenschap langdurig kunnen verstoren, te vermijden;

d) het economische aspect van de beoogde uitvoer;

e) de limieten die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten;

f) de noodzaak om een evenwicht tot stand te brengen tussen het gebruik van basisproducten uit de Gemeenschap voor uitvoer van verwerkte goederen naar derde landen en het gebruik van tot het veredelingsverkeer toegelaten producten uit deze landen;

g) de gunstigste afzetkosten en vervoerkosten vanaf de markten van de Gemeenschap tot de havens of andere plaatsen van uitvoer van de Gemeenschap, alsmede de aanvoerkosten tot de landen van bestemming;

h) de vraag op de markt van de Gemeenschap;

i) wat de sectoren varkensvlees, eieren en vlees van pluimvee betreft, het verschil tussen de prijzen in de Gemeenschap enerzijds en op de wereldmarkt anderzijds, van de hoeveelheid voedergranen die nodig is om de producten van die sectoren in de Gemeenschap te vervaardigen.

4.  De Commissie kan voor de sectoren granen en rijst een correctiebedrag voor de uitvoerrestituties vaststellen. Zo nodig kan zij deze correctiebedragen ook wijzigen, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1.

De eerste alinea kan ook worden toegepast op producten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage XX genoemde goederen.

Artikel 165

Uitvoerrestitutie voor opgeslagen mout

Bij uitvoer tijdens de eerste drie maanden van het verkoopseizoen van mout die aan het eind van het voorafgaande verkoopseizoen in voorraad was of vervaardigd is op basis van gerst die op dat moment in voorraad was, wordt de restitutie toegepast welke, voor het betrokken uitvoercertificaat, toegepast zou zijn bij uitvoer in de laatste maand van het voorafgaande verkoopseizoen.

Artikel 166

Aanpassing van de uitvoerrestitutie voor granen

Tenzij de Commissie anders besluit, wordt voor de onder a) en b) van deel I van bijlage I bedoelde producten de overeenkomstig artikel 167, lid 2, toe te passen restitutie door de Commissie aangepast op grond van de maandelijkse verhogingen van de interventieprijs, en, in voorkomend geval, van de schommelingen van die prijs.

De eerste alinea kan geheel of gedeeltelijk worden toegepast op producten die zijn vermeld onder c) en d) van deel I van bijlage I, alsmede op in deel I van bijlage I bedoelde producten die worden uitgevoerd in de vorm van in deel I van bijlage XX bedoelde goederen. In dat geval wordt de in de eerste alinea bedoelde aanpassing gecorrigeerd door op de maandelijkse verhoging een coëfficiënt toe te passen die de verhouding aangeeft tussen de hoeveelheid basisproduct en de hoeveelheid daarvan die aanwezig is in het uitgevoerde verwerkte product of die gebruikt is in het uitgevoerde goed.

Artikel 167

Toekenning van uitvoerrestituties

1.  Voor de in artikel 162, lid 1, onder a), vermelde producten die worden uitgevoerd in ongewijzigde staat, worden de uitvoerrestituties uitsluitend toegekend op aanvraag en na overlegging van het uitvoercertificaat.

2.  Het bedrag van de restitutie bij uitvoer van de in lid 1 bedoelde producten is het bedrag dat geldt op de dag van indiening van de certificaataanvraag of, in voorkomend geval, dat resulteert uit de inschrijvingsprocedure, en in het geval van een gedifferentieerde restitutie, het bedrag dat op diezelfde dag geldt voor:

a) de op het certificaat aangegeven bestemming of

b) in voorkomend geval, de werkelijke bestemming indien deze verschilt van de op het certificaat aangegeven bestemming, in welk geval het toe te passen bedrag niet hoger kan zijn dan het bedrag dat geldt voor de op het certificaat aangegeven bestemming.

De Commissie kan passende maatregelen treffen om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de flexibiliteit waarin dit lid voorziet.

3.  In afwijking van lid 1 kan de Commissie besluiten dat voor broedeieren en eendagskuikens de uitvoercertificaten achteraf mogen worden afgegeven.

4.  Volgens de in artikel 16, lid 2 van Verordening (EG) nr. 3448/93 ( 29 ) van de Raad bedoelde procedure kan worden besloten de leden 1 en 2 op de in artikel 162, lid 1, onder b), van deze verordening bedoelde goederen toe te passen.

5.  Voor producten waarvoor in het kader van voedselhulpacties uitvoerrestituties worden toegekend, kan de Commissie toestaan dat van de leden 1 en 2 wordt afgeweken.

6.  De restitutie wordt uitbetaald wanneer is aangetoond dat de producten:

a) uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd;

b) in geval van een gedifferentieerde restitutie, onverminderd lid 2, onder b), de op het certificaat vermelde bestemming of een andere bestemming waarvoor een restitutie is vastgesteld, hebben bereikt.

De Commissie kan evenwel toestaan dat van deze regel wordt afgeweken mits voorwaarden worden vastgesteld die equivalente garanties bieden.

7.  De Commissie kan voor één of meer producten aanvullende voorwaarden voor de toekenning van uitvoerrestituties vaststellen. Zo kan worden bepaald:

a) dat er alleen restituties worden betaald voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap;

b) dat het restitutiebedrag voor ingevoerde producten beperkt is tot het bij invoer geïnde recht, indien dit lager is dan de geldende restitutie.

Artikel 168

Uitvoerrestituties voor levende dieren in de sector rundvlees

Met betrekking tot de producten van de sector rundvlees wordt de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

Artikel 169

Uitvoerbeperkingen

Op de naleving van de volumeverbintenissen die voortvloeien uit de volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, wordt toegezien op basis van de uitvoercertificaten die worden afgegeven voor de voor de betrokken producten geldende referentieperioden. Wat betreft de inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw, doet het aflopen van een referentieperiode geen afbreuk aan de geldigheidsduur van de uitvoercertificaten.

Artikel 170

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor deze afdeling vast, en met name:

a) bepalingen inzake de herverdeling van de hoeveelheden die kunnen worden uitgevoerd, maar niet zijn toegewezen of gebruikt;

b) bepalingen betreffende de kwaliteit en andere specifieke eisen en voorwaarden waaraan de voor een uitvoerrestitutie in aanmerking komende producten moeten beantwoorden;

c) bepalingen inzake de controles, bestaande uit fysieke controles en controles van de documenten, die moeten worden verricht om na te gaan of de transacties waarvoor uitvoerrestituties en andere bedragen in verband met de uitvoer worden betaald, daadwerkelijk en overeenkomstig de voorschriften plaatsvinden.

Indien nodig wordt bijlage XX door de Commissie gewijzigd met inachtneming van de criteria in de eerste alinea van artikel 8, lid 2 van Verordening (EG) nr. 3448/93.

De uitvoeringsbepalingen voor artikel 167 voor de in artikel 156, lid 1, onder b), bedoelde producten worden evenwel vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 3448/93 bedoelde procedure.



Sectie III

Beheer van uitvoercontingenten in de sector melk en zuivelproducten

Artikel 171

Beheer van door derde landen geopende tariefcontingenten

1.  Als een overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomst voorziet in het volledige of gedeeltelijke beheer van een door een derde land geopend tariefcontingent voor melk en zuivelproducten, worden de toe te passen beheersmethode en de desbetreffende bepalingen door de Commissie vastgesteld.

2.  De in lid 1 bedoelde tariefcontingenten worden beheerd op een wijze die elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomt en garandeert dat de door de betrokken contingenten geboden mogelijkheden volledig kunnen worden benut, en wel door één van de onderstaande methoden of een combinatie daarvan of een andere passende methode toe te passen:

a) op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel „wie het eerst komt, het eerst maalt”);

b) evenredige verdeling van de hoeveelheden waarom bij de indiening van de aanvragen is verzocht (de „methode van het gelijktijdige onderzoek”);

c) rekening houdend met de traditionele handelsstromen (de „methode van de traditionele en de nieuwe marktdeelnemers”).



Sectie IV

Speciale behandeling bij invoer in een derde land

Artikel 172

Certificaten voor producten die in aanmerking komen voor een speciale behandeling bij invoer in een derde land

1.  Als producten worden uitgevoerd die, uit hoofde van volgens artikel 300 van het Verdrag door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten, in aanmerking komen voor een speciale behandeling bij invoer in een derde land mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op verzoek en nadat zij de nodige controles hebben verricht, een document af waarin wordt verklaard dat de voorwaarden zijn vervuld.

2.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.



Sectie V

Bijzondere bepalingen voor levende planten

Artikel 173

Minimumprijzen voor uitvoer

1.  Elk jaar kan de Commissie voor elk van de producten van de sector levende planten van GN-code 0601 10 tijdig vóór het begin van het verkoopseizoen een of meer minimumprijzen vaststellen voor de uitvoer naar derde landen.

De uitvoer van deze producten mag slechts geschieden tegen een prijs die gelijk is aan of hoger dan de voor het betrokken product vastgestelde minimumprijs.

2.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor lid 1 vast met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 300, lid 2, van het Verdrag gesloten overeenkomsten.



Sectie VI

Passieve veredeling

Artikel 174

Schorsing van de regeling passieve veredeling

1.   ►M10  Wanneer de communautaire markt wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door de regeling voor passieve veredeling, mag de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief overgaan tot gehele of gedeeltelijke opschorting van het gebruik van de regeling passieve veredeling voor de producten van de sectoren granen, rijst, groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit, wijn, rundvlees, varkensvlees, schapen- en geitenvlees en vlees van pluimvee. Als de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, beslist zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek. ◄

De genomen maatregelen worden meegedeeld aan de lidstaten en zijn onmiddellijk van toepassing.

Iedere lidstaat kan de overeenkomstig de eerste alinea door de Commissie genomen maatregelen binnen vijf werkdagen volgende op de dag van de mededeling daarvan voorleggen aan de Raad. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan de betrokken maatregelen binnen één maand na de datum waarop zij hem zijn voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen of intrekken.

2.  Voor zover zulks voor de goede werking van de GMO's nodig is, kan de Raad, volgens de procedure van artikel 37, lid 2, van het Verdrag, het gebruik van de regeling passieve veredeling geheel of gedeeltelijk verbieden voor de in lid 1 genoemde producten.



DEEL IV

MEDEDINGINGSREGELS



HOOFDSTUK I

Regels voor ondernemingen

▼M10

Artikel 175

Toepassing van de artikelen 81 tot en met 86 van het Verdrag

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gelden de artikelen 81 tot en met 86 van het Verdrag, evenals de daarvoor vastgestelde uitvoeringsbepalingen, voor alle in artikel 81, lid 1, en artikel 82 van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die betrekking hebben op de productie van of de handel in de in deze verordening vermelde producten, ►M16  onder voorbehoud van de artikelen 176 tot en met 177 bis van deze verordening ◄ .

▼B

Artikel 176

Uitzonderingen

1.  Artikel 81, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de in artikel 175 van deze verordening bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 33 van het Verdrag omschreven doelstellingen.

Met name is artikel 81, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één lidstaat, voor zover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag in gevaar worden gebracht.

2.  Onder voorbehoud van het toezicht van het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd om, na de lidstaten te hebben geraadpleegd en de belanghebbende ondernemingen of ondernemersverenigingen, alsmede elke andere natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij het noodzakelijk acht de mening in te winnen, te hebben gehoord, in een te publiceren beschikking vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.

De Commissie gaat over tot deze vaststelling, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat of van een belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging.

3.  In de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde beschikking worden de betrokken partijen en de essentiële gedeelten van de beschikking bekendgemaakt. Bij de bekendmaking wordt rekening gehouden met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid worden prijsgegeven.

▼M3

Artikel 176 bis

Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector groenten en fruit

1.  Artikel 81, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende brancheorganisaties die dienen voor de uitvoering van de in artikel 123, lid 3, onder c), van deze verordening vermelde activiteiten.

2.  Lid 1 is slechts van toepassing indien:

a) de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen ter kennis van de Commissie zijn gebracht;

b) de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van alle vereiste gegevens niet heeft geconstateerd dat deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in strijd zijn met de communautaire regelgeving.

3.  Bovengenoemde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen pas na het verstrijken van de in lid 2, onder b), bedoelde termijn ten uitvoer worden gelegd.

4.  De volgende overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval als onverenigbaar met de communautaire regelgeving aangemerkt:

a) overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Gemeenschap, in welke vorm ook;

b) overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die afbreuk kunnen doen aan de goede werking van de marktordening;

c) overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die concurrentiedistorsies kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor het bereiken van de met de brancheactiviteit nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

d) overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de vaststelling van prijzen omvatten, onverminderd de activiteiten die brancheorganisaties verrichten in het kader van de toepassing van specifieke communautaire regelgeving;

e) overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot discriminatie kunnen leiden of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen elimineren.

5.  Indien de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, onder b), bedoelde termijn van twee maanden constateert dat de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 niet zijn vervuld, neemt zij een besluit waarin wordt verklaard dat artikel 81, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Dit besluit van de Commissie wordt niet eerder van toepassing dan op de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde vrijstelling.

6.  In het geval van meerjarenovereenkomsten geldt de kennisgeving voor het eerste jaar ook voor de volgende jaren van de overeenkomst. In dat geval kan de Commissie evenwel, op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat, te allen tijde verklaren dat er sprake is van onverenigbaarheid.

▼B

Artikel 177

Overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen in de tabakssector

1.  Artikel 81, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen die erkende brancheorganisaties in de tabakssector toepassen met het oog op de uitvoering van de in artikel 123, onder c), van deze verordening vermelde doelen, op voorwaarde dat:

a) de overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen ter kennis van de Commissie zijn gebracht;

b) de Commissie binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling, niet heeft verklaard dat deze overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen strijdig zijn met de communautaire mededingingsregels.

Deze overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen mogen tijdens die termijn van drie maanden niet worden toegepast.

2.  Overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen worden strijdig met de communautaire mededingingsregels verklaard, indien zij:

a) kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Gemeenschap, ongeacht in welke vorm;

b) de gemeenschappelijke marktordening kunnen doorkruisen;

c) concurrentiedistorsies kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor het bereiken van de met de sectorale actie nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

d) de vaststelling van prijzen of quota omvatten, onverminderd maatregelen die de brancheorganisaties treffen ter uitvoering van specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving;

e) discriminaties kunnen doen ontstaan of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen beknotten.

3.  Als de Commissie na het verstrijken van de in lid 1, onder b), bedoelde termijn van drie maanden vaststelt dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van dit hoofdstuk is voldaan, geeft zij, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1, een beschikking waarin zij verklaart dat artikel 81, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de betrokken overeenkomst of onderling afgestemde gedraging.

Deze beschikking kan niet eerder van kracht worden dan op de dag van de kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verschaft of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde uitzondering.

▼M16

Artikel 177 bis

Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector melk en zuivelproducten

1.  Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende brancheorganisaties die dienen voor de uitvoering van de in artikel 123, lid 4, onder c), van deze verordening vermelde activiteiten.

2.  Lid 1 is slechts van toepassing indien:

a) de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen ter kennis van de Commissie zijn gebracht, en

b) de Commissie niet binnen drie maanden na ontvangst van alle vereiste gegevens, zonder toepassing van de in artikel 195, lid 2, of artikel 196 ter, lid 2, bedoelde procedure, heeft vastgesteld dat deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onverenigbaar zijn met de regelgeving van de Unie.

3.  De hierboven bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen pas na het verstrijken van de in lid 2, onder b), bedoelde termijn ten uitvoer worden gelegd.

4.  Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval als onverenigbaar met de regelgeving van de Unie aangemerkt als zij:

a) kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Unie, ongeacht in welke vorm;

b) afbreuk kunnen doen aan de goede werking van de marktordening;

c) concurrentiedistorsies teweeg kunnen brengen en niet volstrekt noodzakelijk zijn voor het bereiken van de met de brancheactiviteit nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

d) de vaststelling van prijzen omvatten;

e) tot discriminatie kunnen leiden of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen elimineren.

5.  Als de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, onder b), bedoelde termijn vaststelt dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 is voldaan, stelt zij, zonder toepassing van de in artikel 195, lid 2, of artikel 196 ter, lid 2, bedoelde procedure, een besluit vast waarin zij verklaart dat artikel 101, lid 1, VWEU van toepassing is op de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken onderling afgestemde gedraging.

Dit besluit van de Commissie wordt op zijn vroegst van toepassing op de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 van dit artikel bedoelde vrijstelling.

6.  In het geval van meerjarenovereenkomsten geldt de kennisgeving voor het eerste jaar ook voor de volgende jaren van de overeenkomst. De Commissie kan evenwel, op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat, te allen tijde verklaren dat er sprake is van onverenigbaarheid.

7.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van dit artikel. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 196 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

▼B

Artikel 178

Algemeen verbindendverklaring van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen voor niet-leden in de tabakssector

1.  De brancheorganisaties in de tabakssector kunnen verzoeken om in de zone waarbinnen zij hun activiteit uitoefenen, bepaalde van hun overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen voor een beperkte periode verbindend te verklaren voor de individuele ondernemers en de verenigingen in de betrokken economische sector die niet zijn aangesloten bij de in de brancheorganisatie bijeengebrachte beroepsgroepen.

Om hun regels algemeen verbindend te kunnen verklaren moeten de brancheorganisaties een aandeel van ten minste tweederde hebben in de betrokken productie en/of de betrokken handel. Ingeval de voorgenomen algemeenverbindendverklaring betrekking heeft op meer dan één regio, moeten de brancheorganisaties het bewijs leveren van een bepaalde minimumrepresentativiteit voor elke beroepsgroep in elke betrokken regio.

2.  De regels waarvoor een algemeenverbindendverklaring kan worden gevraagd, moeten sedert ten minste één jaar gelden en dienen betrekking te hebben op één van de volgende punten:

a) de kennis van de productie en van de markt;

b) de definitie van de minimumkwaliteit per soort;

c) het gebruik van milieuvriendelijke productiemethoden;

d) de definitie van de minimumnormen inzake verpakking en presentatie;

e) het gebruik van gecertificeerd zaaizaad en de controle op de kwaliteit van de producten.

3.  Voor de algemeenverbindendverklaring van de regels is de goedkeuring van de Commissie vereist.

▼M3

Artikel 179

Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector groenten en fruit en de tabakssector

De Commissie kan uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 176 bis, 177 en 178 vaststellen, inclusief bepalingen over kennisgeving en bekendmaking.

▼B



HOOFDSTUK II

Regels inzake staatssteun

▼M10

Artikel 180

Toepassing van de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag

De artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag zijn van toepassing op de productie van en de handel in de in artikel 1 bedoelde producten.

De artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag zijn evenwel niet van toepassing op betalingen die verricht worden uit hoofde van de artikelen 44 tot 48, 102, 102 bis, 103, 103 bis, 103 ter, 103 sexies, 103 octies, 104, 105, 182 en 182 bis, deel II, titel I, hoofdstuk III, sectie IV bis, subsectie III en deel II, titel I, hoofdstuk IV, sectie IV ter van deze verordening, door lidstaten in overeenstemming met deze verordening. Ten aanzien van artikel 103 quindecies, lid 4, is echter enkel artikel 88 van het Verdrag niet van toepassing.

▼B

Artikel 181

Specifieke bepalingen voor de sector melk en zuivelproducten

Behoudens artikel 87, lid 2, van het Verdrag, is steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld in verhouding tot de prijs of de hoeveelheid van de in deel XVI van bijlage I van deze verordening bedoelde zuivelproducten, verboden.

Nationale maatregelen waardoor een verevening van de prijzen van de zuivelproducten mogelijk is, zijn eveneens verboden.

Artikel 182

Specifieke nationale bepalingen

1.  Als de Commissie daarvoor een machtiging verleent, kunnen Finland en Zweden steun voor de productie en het in de handel brengen van rendieren en rendierproducten (GN ex  02 08 en ex  02 10 ) toekennen voor zover die steun niet gepaard gaat met een verhoging van de traditionele productieniveaus.

▼M3

2.  Mits de Commissie daarvoor toestemming geeft, mag Finland tot en met de oogst van 2010 steun verlenen voor bepaalde hoeveelheden van alleen in Finland geproduceerd zaaizaad, met uitzondering van zaad van timothee (Phleum pratense L.), en zaaigraan.

Uiterlijk op 31 december 2008 legt Finland een gedetailleerd verslag over de resultaten van de toegestane steun aan de Commissie over.

▼B

3.  De lidstaten die hun suikerquotum met meer dan 50 % verlagen in vergelijking met de suikerquota die op 20 februari 2006 in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 318/2006 zijn vastgesteld, mogen tijdelijke staatssteun toekennen tijdens de periode waarvoor de overgangssteun voor bietentelers wordt uitbetaald overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 10 septies, van Verordening (EG) nr. 1782/2003. De Commissie besluit, op basis van een aanvraag van een betrokken lidstaat, over het totaalbedrag van de staatssteun voor deze maatregel.

Voor Italië bedraagt de in de eerste alinea bedoelde tijdelijke steun ten hoogste 11 euro per verkoopseizoen per ton suikerbiet, toe te kennen aan de suikerbietentelers en voor het vervoer van suikerbieten.

Finland mag per verkoopseizoen aan suikerbietentelers tot 350 euro per hectare toekennen.

De betrokken lidstaat stelt de Commissie binnen 30 dagen voor het einde van elk verkoopseizoen op de hoogte van het bedrag van de in dat verkoopseizoen daadwerkelijk toegekende staatssteun.

▼M14

4.  De afwijking van de tweede alinea van artikel 180 van de onderhavige verordening is van toepassing op in het bestaande nationale kader van het Duitse alcoholmonopolie („het monopolie”) door Duitsland verleende steunbetalingen voor producten die na verdere bewerking door het monopolie in de handel worden gebracht in de vorm van ethylalcohol uit landbouwproducten als vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Deze afwijking geldt slechts tot en met 31 december 2017, doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 108, lid 1, en de eerste zin van artikel 108, lid 3, van het VWEU en is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a) de totale subsidiabele hoeveelheid ethylalcohol die in het kader van het monopolie wordt geproduceerd, moet geleidelijk worden verminderd van maximaal 600 000 hl in 2011 tot 420 000 hl in 2012 en tot 240 000 hl in 2013, en mag van 1 januari 2014 tot 31 december 2017, de datum van afschaffing van het monopolie, niet meer bedragen dan 60 000 hl per jaar;

b) de subsidiabele productie door met een landbouwbedrijf verbonden distilleerderijen die onder douanezegel produceren, moet geleidelijk worden verminderd van 540 000 hl in 2011 tot 360 000 hl in 2012 en tot 180 000 hl in 2013. Uiterlijk 31 december 2013 moeten alle onder douanezegel producerende distilleerderijen die met een landbouwbedrijf zijn verbonden, het monopolie verlaten. Bij hun uitstap uit het monopolie komt elke onder douanezegel producerende distilleerderij die met een landbouwbedrijf is verbonden, in aanmerking voor compenserende steun ten bedrage van 257,50 EUR per hl nominale distilleerrechten zoals bedoeld in de toepasselijke Duitse wetgeving. Uiterste datum voor verlening van deze compenserende steun is 31 december 2013. De steun mag evenwel in tranches worden uitbetaald, waarbij de laatste tranche uiterlijk wordt uitbetaald op 31 december 2017;

c) kleinschalige forfaitaire distilleerderijen, distilleerders zonder eigen distilleerapparatuur en collectieve fruitdistilleerderijen komen tot 31 december 2017 in aanmerking voor de in het kader van het monopolie verleende steun, op voorwaarde dat hun subsidiabele productie niet meer dan 60 000 hl per jaar bedraagt;

d) van 1 januari 2011 tot 31 december 2013 mag in totaal niet meer dan 269,9 miljoen EUR aan steun worden betaald en van 1 januari 2014 tot 31 december 2017 mag in totaal niet meer dan 268 miljoen EUR aan steun worden betaald, en

e) uiterlijk op 30 juni van elk jaar dient Duitsland bij de Commissie een verslag in over de werking van het monopolie en de overeenkomstige steunverlening gedurende het vorige jaar. De Commissie stuurt dat verslag door naar het Europees Parlement en de Raad. De van 2013 tot 2016 in te dienen jaarverslagen moeten bovendien een voor het volgende jaar geldend stapsgewijs afbouwplan bevatten met betrekking tot de kleinschalige forfaitaire distilleerderijen, distilleerders zonder eigen distilleerapparatuur en collectieve fruitdistilleerderijen.

▼M3

5.  De lidstaten mogen tot en met 31 december 2011 in het kader van de bestaande regelingen staatssteun blijven verlenen voor de productie van en de handel in aardappelen, vers of gekoeld, van GN-code 0701.

6.  Wat de sector groenten en fruit betreft, mogen de lidstaten tot en met 31 december 2010 onder de volgende voorwaarden staatssteun verlenen:

a) de staatsteun wordt uitsluitend verleend aan producenten van groenten en fruit die geen lid zijn van een erkende producentenorganisatie en die met een erkende producentenorganisatie een overeenkomst ondertekenen dat zij de crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen van die producentenorganisatie aanvaarden en toepassen;

b) het bedrag van de steun aan dergelijke producenten bedraagt ten hoogste 75 % van de communautaire steun aan de leden van de betrokken producentenorganisatie, en

c) de betrokken lidstaat dient uiterlijk op 31 december 2010 bij de Commissie een verslag in over de doelmatigheid en de efficiëntie van de staatssteun, met in het bijzonder een analyse van de mate waarin de maatregel heeft bijgedragen aan het organiseren van de sector. De Commissie zal het verslag bestuderen en eventueel passende voorstellen indienen.

▼M7

7.  Onverminderd de Gemeenschapssteun die overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 73/2009 is toegekend, kunnen de lidstaten tot en met 31 maart 2014 aan landbouwers in de zuivelsector staatssteun voor een jaarlijks totaalbedrag ten belope van ten hoogste 55 % van het in artikel 69, lid 4 en lid 5, van die verordening vastgestelde maximum toekennen. ►C4  De totale som van de Gemeenschapssteun uit hoofde van de in artikel 69, lid 4, van die verordening bedoelde maatregelen en van de staatssteun mag evenwel in geen geval het in dat artikel 69, leden 4 en 5, bedoelde maximum overschrijden. ◄

▼M10

Artikel 182 bis

Nationale steun voor distillatie van wijn in crisisgevallen

1.  Met ingang van 1 augustus 2012 mogen de lidstaten, in gerechtvaardigde crisisgevallen, nationale steun verlenen aan wijnproducenten voor de vrijwillige of verplichte distillatie van wijn.

2.  De in lid 1 bedoelde steun moet evenredig zijn en een oplossing bieden voor de crisis.

3.  Het totaalbedrag dat een lidstaat in een bepaald jaar voor die steun uittrekt, mag niet hoger zijn dan 15 % van de totale beschikbare middelen die in bijlage X ter per lidstaat voor dat jaar zijn vastgesteld.

4.  Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in lid 1 bedoelde steun, leggen de Commissie een met redenen omklede kennisgeving voor. De Commissie besluit of de maatregel wordt goedgekeurd en of steun mag worden verleend.

5.  De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

6.  De Commissie kan de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vaststellen.

▼B



DEEL V

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR AFZONDERLIJKE SECTOREN

Artikel 183

Heffing voor verkoopbevordering in de sector melk en zuivelproducten

Onverminderd de in artikel 180 van deze verordening vastgestelde toepassing van de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag kan een lidstaat aan zijn melkproducenten een heffing voor verkoopbevordering op de in de handel gebrachte hoeveelheden melk of melkequivalent opleggen ter financiering van maatregelen om de consumptie in de Gemeenschap te bevorderen, de afzetmarkten voor melk en zuivelproducten uit te breiden en de kwaliteit te verbeteren.

Artikel 184

Verslaglegging over bepaalde sectoren

De Commissie legt:

1. vóór 30 september 2008, op basis van een evaluatie van de in deze verordening vervatte bepalingen, aan de Raad een verslag over de sector gedroogde voedergewassen voor, dat met name betrekking heeft op de ontwikkeling van het areaal met peulgewassen en andere groenvoedergewassen, de productie van gedroogde voedergewassen en de gerealiseerde besparingen aan fossiele brandstoffen. Het verslag gaat, zo nodig, vergezeld van passende voorstellen;

2. om de drie jaar, en voor het eerst uiterlijk op 31 december 2010, aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de maatregelen voor de bijenteeltsector die zijn vastgesteld in sectie VI van hoofdstuk IV van titel I van deel II;

3. vóór 31 december 2009 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de in artikel 182, lid 4, bedoelde afwijking ten aanzien van het Duitse alcoholmonopolie, met een evaluatie van de in het kader van dat monopolie toegezegde steun, evenals eventuele voorstellen;

▼M3

4. uiterlijk op 31 december 2013 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering van de bepalingen van deel II, titel I, hoofdstuk IV, sectie IV bis, en deel II, titel II, hoofdstuk II, die betrekking hebben op producentenorganisaties, actiefondsen en operationele programma's in de sector groenten en fruit;

▼M6

5. vóór 31 augustus 2012 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de in artikel 103 octies bis genoemde schoolfruitregeling, zo nodig vergezeld van passende voorstellen. Er wordt met name gerapporteerd over de mate waarin de regeling het opzetten van goed werkende schoolfruitregelingen in de lidstaten en de verbetering van de eetgewoonten van kinderen heeft bevorderd;

▼M16

6. vóór 31 december 2010 en 31 december 2012 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de evolutie van de marktsituatie en de daaruit volgende voorwaarden voor een vlotte, geleidelijke afschaffing van de melkquotaregeling, zo nodig vergezeld van passende voorstellen;

▼M10

7. uiterlijk op 31 december 2011 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing van de in artikel 103 septdecies bedoelde afzetbevorderingsmaatregelen in de wijnsector;

8. uiterlijk eind 2012 een verslag over de wijnsector voor, waarin met name rekening wordt gehouden met de ervaring die bij de uitvoering van de hervorming is opgedaan;

▼M16

9. uiterlijk 30 juni 2014 en 31 december 2018, aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de ontwikkeling van de marktsituatie in de sector melk en zuivelproducten, en met name betreffende de werking van artikel 122, eerste alinea, onder a), iii bis), artikel 123, lid 4, en de artikelen 126 quater, 126 quinquies, 177 bis, 185 sexies en 185 septies, dat met name een evaluatie bevat van de gevolgen voor de melkproducenten en melkproducten in achterstandsgebieden, in het licht van de algemene doelstelling om de productie in deze gebieden te handhaven, alsook mogelijke initiatieven om de landbouwers ertoe aan te zetten gezamenlijke productieovereenkomsten te sluiten, zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

▼B

Artikel 185

Registratie van contracten in de hopsector

1.  Elk contract voor de levering van in de Gemeenschap geproduceerde hop dat wordt gesloten tussen een producent of een producentenorganisatie, enerzijds, en een koper, anderzijds, wordt geregistreerd door instanties die daartoe door elke betrokken producerende lidstaat zijn aangewezen.

2.  Contracten voor de levering van bepaalde hoeveelheden voor een overeengekomen prijs gedurende de periode van één of meer oogsten, die zijn gesloten vóór 1 augustus van het jaar van de eerste betrokken oogst, worden „op voorhand gesloten contracten” genoemd. Zij worden afzonderlijk geregistreerd.

3.  De geregistreerde gegevens mogen uitsluitend worden gebruikt met het oog op de toepassing van deze verordening.

4.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen vast met betrekking tot de registratie van contracten voor de levering van hop.

▼M10

Artikel 185 bis

Wijnbouwkadaster en inventaris

1.  De lidstaten houden een wijnbouwkadaster bij met bijgewerkte gegevens over het productiepotentieel.

2.  De in lid 1 vastgestelde verplichting geldt niet voor lidstaten waarin de totale oppervlakte die is beplant met wijnstokken van druivenrassen welke overeenkomstig artikel 120 bis, lid 2, in een indeling kunnen worden opgenomen, minder dan 500 ha bedraagt.

3.  De lidstaten die in hun steunprogramma’s overeenkomstig artikel 103 octodecies voorzien in de maatregel „herstructurering en omschakeling van wijngaarden”, doen tegen 1 maart van elk jaar een op het wijnbouwkadaster gebaseerde, bijgewerkte inventaris van hun productiepotentieel aan de Commissie toekomen.

4.  De Commissie stelt uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het wijnbouwkadaster en de inventaris vast, met name wat betreft het gebruik daarvan voor toezicht op en controle van het productiepotentieel en voor het meten van de oppervlakten.

Na 1 januari 2016 kan de Commissie besluiten dat de leden 1, 2 en 3 niet langer van toepassing zijn.

Artikel 185 ter

Verplichte aangiften in de wijnsector

1.  Producenten van voor de wijnbereiding bestemde druiven en producenten van most en wijn melden jaarlijks aan de bevoegde nationale autoriteiten welke hoeveelheden de recentste oogst heeft opgeleverd.

2.  De lidstaten mogen handelaren in voor wijnbereiding bestemde druiven vragen elk jaar opgave te doen van de hoeveelheden van de meest recente oogst die in de handel zijn gebracht.

3.  Producenten van druivenmost en wijn en andere handelaren dan kleinhandelaren melden jaarlijks aan de bevoegde nationale autoriteiten hoeveel druivenmost en wijn zij in voorraad hebben, ongeacht of deze van de oogst van het lopende jaar dan wel van de oogst van vorige jaren zijn. Uit derde landen ingevoerde druivenmost en wijn worden afzonderlijk aangegeven.

4.  De Commissie kan uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vaststellen, die met name betrekking kunnen hebben op de sancties die moeten worden opgelegd bij niet-inachtneming van de communautaire voorschriften.

Artikel 185 quater

Begeleidende documenten en register in de wijnsector

1.  De wijnbouwproducten mogen binnen de Gemeenschap slechts met een officieel goedgekeurd begeleidend document in het verkeer worden gebracht.

2.  De natuurlijke of rechtspersonen of groepen van personen die voor de uitoefening van hun beroep houder van wijnbouwproducten zijn, met name producenten, bottelaars en verwerkers, alsmede door de Commissie vast te stellen handelaren, zijn verplicht registers van de in- en uitslag van de betrokken producten bij te houden.

3.  De Commissie kan uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vaststellen.

Artikel 185 quinquies

Aanwijzing van bevoegde nationale autoriteiten voor de wijnsector

1.  Onverminderd andere bepalingen van deze verordening betreffende de aanwijzing van bevoegde nationale autoriteiten wijzen de lidstaten een of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn voor de handhaving van de communautaire bepalingen in de wijnsector. Met name wijzen zij de laboratoria aan die officiële analysen in de wijnsector mogen uitvoeren. De aangewezen laboratoria moeten voldoen aan de in norm ISO/IEC 17025 vastgestelde algemene criteria voor de werking van testlaboratoria.

2.  De lidstaten delen de Commissie naam en adres van de in lid 1 bedoelde autoriteiten en laboratoria mee. De Commissie maakt deze inlichtingen openbaar, zonder dat zij wordt bijgestaan door het in artikel 195, lid 1, bedoelde comité.

▼M16

Artikel 185 sexies

Verplichte aangiften in de sector melk en zuivelproducten

Met ingang van 1 april 2015 geven eerste kopers van rauwe melk bij de bevoegde nationale autoriteit aan hoeveel rauwe melk maandelijks aan hen is geleverd.

Voor de toepassing van dit artikel en artikel 185 septies wordt onder „eerste koper” verstaan een onderneming of groepering die van een producent melk koopt:

a) om deze, ook in het kader van een contract, in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen of te verwerken;

b) om deze door te verkopen aan één of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de hoeveelheid rauwe melk als bedoeld in de eerste alinea.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met voorschriften betreffende inhoud, vorm en termijnen van dergelijke aangiften, alsook voorschriften met betrekking tot de kennisgevingen die krachtens dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 196 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 185 septies

Contractuele betrekkingen in de sector melk en zuivelproducten

1.  Indien een lidstaat besluit dat voor elke levering van rauwe melk op zijn grondgebied door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, en/of besluit dat een eerste koper een landbouwer voor een contract betreffende de levering van rauwe melk een schriftelijk voorstel moet doen, dienen dat contract en/of dat voorstel voor een contract te voldoen aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden.

Als de lidstaat besluit dat voor leveringen van rauwe melk van een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, dan bepaalt de lidstaat tevens, indien de rauwe melk door één of meer inzamelaars wordt geleverd, welk leveringsstadium of welke leveringsstadia onder dit contract vallen. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „inzamelaar” verstaan een onderneming die rauwe melk vervoert van een landbouwer of een andere inzamelaar naar een verwerker van rauwe melk of een andere inzamelaar, met dien verstande dat de eigendom van de melk telkens wordt overgedragen.

2.  Het contract en/of het voorstel voor een contract:

a) wordt vóór de levering opgesteld;

b) wordt schriftelijk opgesteld, en

c) bevat, met name, de volgende gegevens:

i) de voor de levering verschuldigde prijs, die:

 statisch moet zijn en in het contract moet zijn vermeld, en/of

 wordt berekend op grond van een combinatie van verschillende in het contract opgenomen factoren, zoals bijvoorbeeld marktindicatoren die de ontwikkeling van de marktsituatie weerspiegelen, de geleverde hoeveelheid en de kwaliteit of de samenstelling van de geleverde rauwe melk;

ii) de hoeveelheid rauwe melk die kan en/of moet worden geleverd en de leveringstermijn daarvan,

iii) de looptijd van het contract, waarbij onder vermelding van verstrijkingsbepalingen een bepaalde of onbepaalde looptijd is toegestaan;

iv) details betreffende betalingstermijnen en -procedures;

v) de modaliteiten voor de inzameling of levering van de rauwe melk, en

vi) de voorschriften bij overmacht.

3.  In afwijking van lid 1 is een contract en/of een voorstel voor een contract niet vereist wanneer rauwe melk door een landbouwer aan een coöperatie wordt geleverd waarbij de landbouwer is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die coöperatie of de op grond van deze statuten vastgestelde voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van dezelfde strekking als het bepaalde in lid 2, onder a), b) en c).

4.  De partijen onderhandelen in alle vrijheid over alle elementen in door producenten, inzamelaars of verwerkers van rauwe melk gesloten contracten voor de levering van rauwe melk, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

Niettegenstaande de eerste alinea geldt het volgende:

i) indien een lidstaat besluit dat voor de levering van rauwe melk overeenkomstig lid 1 van dit artikel een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat een minimale looptijd vaststellen die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en brengt de goede werking van de interne markt niet in het gedrang, en/of

ii) indien een lidstaat besluit dat de eerste koper van rauwe melk de landbouwer voor een contract overeenkomstig lid 1 een schriftelijk voorstel dient te doen, kan de lidstaat bepalen dat het voorstel de ter zake in het nationale recht geldende minimale looptijd voor het contract moet omvatten. De aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen.

De tweede alinea laat de rechten onverlet van de landbouwer om een dergelijke minimale looptijd schriftelijk te weigeren. In dat geval onderhandelen de partijen in alle vrijheid over alle elementen van het contract, met inbegrip van de in lid 2, onder c), bedoelde elementen.

5.  De lidstaten die van de mogelijkheden van dit artikel gebruikmaken, stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop de mogelijkheden worden toegepast.

6.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van lid 2, onder a) en b), en lid 3 van dit artikel, alsook maatregelen met betrekking tot de kennisgevingen die krachtens dit artikel door de lidstaten moeten worden gedaan. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 196 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

▼B

Artikel 186

Verstoringen met betrekking tot de prijzen op de interne markt

De Commissie kan de nodige maatregelen nemen in de volgende situaties, wanneer die situaties van die aard zijn dat ze waarschijnlijk zullen blijven duren, waardoor de markten worden verstoord of dreigen te worden verstoord:

▼M12

a) met betrekking tot de producten van de sectoren suiker, hop, rundvlees, melk en zuivelproducten, en schapen- en geitenvlees, als de prijzen voor een of meer van die producten op de markt van de Gemeenschap aanzienlijk stijgen of dalen;

▼B

b) met betrekking tot de producten van de sectoren varkensvlees, eieren en vlees van pluimvee en, met betrekking tot olijfolie, als de prijzen voor een of meer van die producten op de markt van de Gemeenschap aanzienlijk stijgen.

Artikel 187

Verstoringen ten gevolge van de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt

Als met betrekking tot de producten van de sectoren granen, rijst, suiker en melk en zuivelproducten de noteringen of prijzen op de wereldmarkt voor één of meer producten een niveau bereiken waarbij de voorziening van de communautaire markt wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, en als die situatie waarschijnlijk zal voortduren of verergeren, kan de Commissie de nodige maatregelen voor de betrokken sector nemen. Zij kan met name de toepassing van de invoerrechten voor bepaalde hoeveelheden geheel of gedeeltelijk schorsen.

Artikel 188

Voorwaarden voor het nemen van maatregelen bij verstoringen en uitvoeringsbepalingen

1.  De maatregelen waarin de artikelen 180 en 187 voorzien, kunnen worden genomen:

a) als alle andere maatregelen die in het kader van deze verordening ter beschikking staan, ontoereikend blijken te zijn;

b) met inachtneming van de verplichtingen op grond van de overeenkomsten die zijn gesloten overeenkomstig artikel 300, lid 2, van het Verdrag.

2.  De Commissie kan de uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 180 en 187 vaststellen.

▼M10

Artikel 188 bis

Verslaglegging en evaluatie in de wijnsector

1.  Wat betreft onrechtmatige aanplant na 31 augustus 1998 als bedoeld in artikel 85 bis, delen de lidstaten tegen 1 maart van elk jaar aan de Commissie mee welke oppervlakten na 31 augustus 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht zijn aangeplant en welke oppervlakten overeenkomstig lid 1 van dat artikel zijn gerooid.

2.  Wat betreft de verplichte regularisatie van onrechtmatige aanplant die vóór 1 september 1998 heeft plaatsgehad, als bedoeld in artikel 85 ter, stellen de lidstaten de Commissie tegen 1 maart van elk van de betrokken jaren in kennis van:

a) de oppervlakten waarop vóór 1 september 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken zijn aangeplant;

b) de op grond van lid 1 van het genoemde artikel geregulariseerde oppervlakten, de in dat lid bedoelde vergoedingen en de in lid 2 van dat artikel bedoelde gemiddelde waarde van de regionale aanplantrechten.

De lidstaten stellen de Commissie, voor het eerst tegen 1 maart 2010, in kennis van de overeenkomstig artikel 85 ter, lid 4, eerste alinea, gerooide oppervlakten.

Het in artikel 85 octies, lid 1, vastgestelde verstrijken van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant op 31 december 2015 doet niets af aan de in het onderhavige lid vastgestelde verplichtingen.

3.  Wat betreft de steunaanvragen in het kader van de rooiregeling die is vastgesteld in deel II, titel I, hoofdstuk III, sectie IV bis, subsectie III, stellen de lidstaten tegen 1 maart van elk jaar de Commissie in kennis van de naar regio en opbrengstniveau uitgesplitste aanvaarde aanvragen, alsmede het totale per regio uitbetaalde rooipremiebedrag.

De lidstaten melden tegen 1 december van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande wijnoogstjaar aan de Commissie:

a) de naar regio en opbrengstniveau uitgesplitste gerooide oppervlakten;

b) het totale per regio uitbetaalde rooipremiebedrag.

4.  Wat betreft de vrijstellingen met betrekking tot de subsidiabiliteit van oppervlakten in het kader van de rooiregeling overeenkomstig artikel 85 duovicies, stellen lidstaten die beslissen gebruik te maken van de in de leden 4, 5 en 6 van dat artikel vastgestelde mogelijkheid, de Commissie tegen 1 augustus van elk jaar in kennis van de volgende gegevens met betrekking tot de uit te voeren rooimaatregel:

a) de oppervlakten die als niet-subsidiabel op grond van de rooiregeling zijn aangemerkt;

b) de redenen waarom deze als niet-subsidiabel zijn aangemerkt overeenkomstig artikel 85 duovicies, leden 4 en 5.

5.  De lidstaten dienen tegen 1 maart van elk jaar, en voor het eerst tegen 1 maart 2010, bij de Commissie een verslag in over de uitvoering tijdens het voorgaande begrotingsjaar van de maatregelen in het kader van hun steunprogramma’s als bedoeld in deel II, titel I, hoofdstuk IV, sectie IV ter.

Dit verslag bestaat uit een lijst en een omschrijving van de maatregelen waarvoor communautaire steun in het kader van de steunprogramma’s is toegekend, alsmede met name uit nadere gegevens over de uitvoering van de in artikel 103 septdecies bedoelde afzetbevorderingsmaatregelen.

6.  Tegen 1 maart 2011, en een tweede keer tegen 1 maart 2014, dienen de lidstaten bij de Commissie een evaluatie in van de kosten en de voordelen van de steunprogramma’s, alsmede suggesties om de doeltreffendheid van deze programma’s te verbeteren.

7.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast.

▼B

Artikel 189

Informatieverstrekking in de sector ethylalcohol

1.  Voor de producten van de sector ethylalcohol verstrekken de lidstaten de Commissie de volgende gegevens:

a) de productie van ethylalcohol uit landbouwproducten in hectoliters zuivere alcohol, uitgesplitst naar het gebruikte voor alcoholbereiding geschikte product;

b) de afzet van ethylalcohol uit landbouwproducten in hectoliters zuivere alcohol, uitgesplitst naar de verschillende sectoren van bestemming;

c) de aan het einde van het voorafgaande jaar in hun land beschikbare voorraden ethylalcohol uit landbouwproducten;

d) ramingen betreffende de productie in het lopende jaar.

De nadere bepalingen voor deze gegevensverstrekking en meer bepaald de frequentie ervan en de definitie van de sectoren van bestemming, worden door de Commissie vastgesteld.

2.  Op basis van de in lid 1 bedoelde gegevens en andere beschikbare informatie stelt de Commissie, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 2, een communautaire balans op inzake de voorziening van de markt voor ethylalcohol uit landbouwproducten voor het voorafgaande jaar, en een raming van die balans voor het lopende jaar.

De communautaire voorzieningsbalans bevat eveneens gegevens over ethylalcohol die niet uit landbouwproducten is verkregen. De precieze inhoud en de nadere bepalingen voor het verzamelen van die gegevens worden door de Commissie vastgesteld.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder „ethylalcohol die niet uit landbouwproducten is verkregen” verstaan, producten van de GN-codes 2207 , 2208 90 91 en 2208 90 99 die niet zijn verkregen uit een in bijlage I bij het Verdrag genoemd specifiek landbouwproduct.

3.  De Commissie deelt de in lid 2 bedoelde voorzieningsbalansen aan de lidstaten mee.



DEEL VI

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 190

Financiële bepalingen

Verordening (EG) nr. 1290/2005 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen zijn van toepassing voor de uitgaven die de lidstaten verrichten ter nakoming van de verplichtingen op grond van de onderhavige verordening.

▼M10

Artikel 190 bis

Overdracht van in de wijnsector beschikbare bedragen naar plattelandsontwikkeling

1.  De in lid 2 vastgestelde bedragen, die zijn gebaseerd op de in het verleden krachtens Verordening (EG) nr. 1493/1999 gedane uitgaven voor de in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde interventies ter regulering van de landbouwmarkten, worden ter beschikking gesteld als aanvullende communautaire middelen voor maatregelen in wijnproducerende regio’s in het kader van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s die op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden gefinancierd.

2.  In de hieronder vermelde kalenderjaren zijn de volgende bedragen beschikbaar:

 2009: 40 660 000 EUR,

 2010: 82 110 000 EUR,

 vanaf 2011: 122 610 000 EUR.

3.  De in lid 2 vastgestelde bedragen worden over de lidstaten verdeeld overeenkomstig bijlage X quater.

▼B

Artikel 191

Spoedeisende situaties

De Commissie stelt de maatregelen vast die in een spoedeisende situatie noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn om specifieke praktische problemen op te lossen.

Die maatregelen mogen van deze verordening afwijken, doch slechts voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is.

Artikel 192

Uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie

1.  De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar alle informatie die nodig is voor de toepassing van deze verordening, voor markttoezicht en –analyse en voor de nakoming van de internationale verplichtingen met betrekking tot de in artikel 1 genoemde producten.

2.  De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen vast met betrekking tot de informatie die noodzakelijk is voor de toepassing van lid 1, de vorm en inhoud ervan, het tijdschema en de uiterste termijnen voor de verstrekking ervan, en de regelingen inzake het doorsturen of beschikbaar maken van gegevens en documenten.

Artikel 193

Omzeilingsclausule

Onverminderd specifieke bepalingen worden geen van de voordelen waarin krachtens deze verordening wordt voorzien, toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen van wie is komen vast te staan dat zij kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om voor die voordelen in aanmerking te komen en dus een voordeel zouden genieten dat niet in overeenstemming is met de doelstellingen van deze verordening.

Artikel 194

Controles en administratieve maatregelen en administratieve sancties en rapportage daarover

De Commissie stelt het volgende vast:

a) de voorschriften inzake door de lidstaten te verrichten administratieve en fysieke controles met betrekking tot de nakoming van uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende verplichtingen;

b) een regeling voor het opleggen van administratieve maatregelen en sancties wanneer wordt geconstateerd dat de verplichtingen die uit de toepassing van deze verordening voortvloeien, niet worden nagekomen;

c) de regels inzake de terugvordering van de als gevolg van de toepassing van deze verordening onverschuldigd betaalde bedragen;

d) de regels voor de verslaggeving over de verrichte controles en de resultaten daarvan.

De onder b) bedoelde administratieve sancties staan in verhouding tot de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving.

▼M10

De Commissie kan ook voorschriften betreffende het meten van oppervlakten in de wijnsector vaststellen ter waarborging van de uniforme toepassing van de in deze verordening vastgestelde communautaire bepalingen. Deze voorschriften kunnen met name betrekking hebben op de controles en op de specifieke financiële procedures ter verbetering van de controles.

Artikel 194 bis

Overeenstemming met het geïntegreerde beheers- en controlesysteem

Met het oog op de toepassing van deze verordening in de wijnsector zien de lidstaten erop toe dat de in de eerste en de derde alinea van artikel 194 bedoelde beheers- en controleprocedures die betrekking hebben op de oppervlakten, op de volgende punten in overeenstemming zijn met het geïntegreerde beheers- en controlesysteem (GBCS):

a) de geautomatiseerde databank;

b) de in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde systemen voor de identificatie van de percelen landbouwgrond;

c) de administratieve controles.

De procedures mogen de gewone werking van en de uitwisseling van gegevens met het GBCS niet verstoren.

▼B



DEEL VII

UITVOERINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN



HOOFDSTUK I

Uitvoeringsbepalingen

Artikel 195

Comité

▼M10

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten (hierna „het beheerscomité” genoemd).

▼B

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

▼M10

3.  De Commissie wordt ook bijgestaan door een regelgevend comité.

4.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

▼M10

Artikel 196

Organisatie van het beheerscomité

Bij de organisatie van de vergaderingen van het in artikel 195, lid 1, bedoelde beheerscomité wordt met name rekening gehouden met de draagwijdte van zijn verantwoordelijkheden, de specifieke kenmerken van het te behandelen onderwerp en de noodzaak een beroep te doen op passende deskundigheid.

▼M16

Artikel 196 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 126 sexies, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 2 april 2012. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen een dergelijke verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 126 sexies, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 126 sexies, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn hebben meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 196 ter

Comitéprocedure

1.   ►C9  De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat als Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten wordt aangeduid. ◄ Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren ( 30 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

▼B



HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 197

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1493/1999

De artikelen 74 tot en met 76 van Verordening (EEG) nr. 1999/1493 worden geschrapt.

Artikel 198

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 2200/96

De artikelen 46 en 47 van Verordening (EEG) nr. 2200/96 worden geschrapt.

Artikel 199

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 2201/96

De artikelen 29 en 30 van Verordening (EEG) nr. 2201/96 worden geschrapt.

Artikel 200

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1184/2006

Verordening (EG) nr. 1184/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1) De titel wordt vervangen door:

„Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in bepaalde landbouwproducten”.

2) Aartikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Bij deze verordening worden de regels vastgesteld die gelden inzake de toepasselijkheid van de artikelen 81 tot en met 86 en van een aantal bepalingen van artikel 88 van het Verdrag op de voortbrenging van en de handel in de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van de producten, bedoeld in de punten a) tot en met h), k) en m) tot en met u) van artikel 1, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raadvan ( *1 ).

Artikel 1 bis

De artikelen 81 tot en met 86 van het Verdrag, evenals de voor de toepassing daarvan uitgevaardigde bepalingen, gelden voor alle in artikel 81, lid 1, en in artikel 82 van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 2 van deze verordening.

3) Artikel 2, lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

„1.  Artikel 81, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de in artikel 1 bis van deze verordening bedoelde overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 33 van het Verdrag omschreven doelstellingen.”.

4) Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Artikel 88, lid 1, en lid 3, eerste zin, van het Verdrag is van toepassing op de steunmaatregelen ten gunste van de voortbrenging van of de handel in de in artikel 1 bedoelde producten.”.

Artikel 201

Intrekkingen

1.  Onverminderd lid 3 worden de volgende verordeningen ingetrokken:

a) de Verordeningen (EEG) nr. 234/68, (EEG) nr. 827/68, (EEG) nr. 2517/69, (EEG) nr. 2728/75, (EEG) nr. 1055/77, (EEG) nr. 2931/79, (EEG) nr. 1358/80, (EEG) nr. 3730/87, (EEG) nr. 4088/87, (EEG) nr. 404/93, (EG) nr. 670/2003 en (EG) nr. 797/2004 met ingang van 1 januari 2008;

b) de Verordeningen (EEG) nr. 707/76, (EG) nr. 1786/2003, (EG) nr. 1788/2003 en (EG) nr. 1544/2006 met ingang van 1 april 2008;

c) de Verordeningen (EEG) nr. 315/68 (EEG), nr. 316/68 (EEG), nr. 2729/75, (EEG) nr. 2759/75, (EEG) nr. 2763/75, (EEG) nr. 2771/75, (EEG) nr. 2777/75, (EEG) nr. 2782/75, (EEG) nr. 1898/87, (EEG) 1906/90, (EEG) nr. 2204/90, (EEG) nr. 2075/92, (EEG) nr. 2077/92, (EEG) nr. 2991/94, (EG) nr. 2597/97, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1255/1999, (EG) nr. 2250/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) 2529/2001, (EG) nr. 1784/2003, (EG) nr. 865/2004 en (EG) nr. 1947/2005, (EG) nr. 1952/2005 en (EG) nr. 1028/2006 met ingang van 1 juli 2008;

d) Verordening (EG) nr. 1785/2003 met ingang van 1 september 2008;

e) Verordening (EG) nr. 318/2006 met ingang van 1 oktober 2008;

f) de Verordeningen (EEG) nr. 3220/84, (EG) nr. 386/90, (EG) nr. 1186/90, (EEG) nr. 2137/92 en (EG) nr. 1183/2006 met ingang van 1 januari 2009.

2.  Besluit 74/583/EEG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2008.

3.  De intrekking van de in lid 1 genoemde verordeningen geldt onverminderd

a) het voortduren van de rechtsgeldigheid van communautaire besluiten vastgesteld op basis van die verordeningen en

b) de voortdurende rechtsgeldigheid van de door die verordeningen in andere besluiten van de Gemeenschap aangebrachte wijzigingen die niet door deze verordening worden ingetrokken.

Artikel 202

Verwijzingen

Verwijzingen naar de bepalingen en de verordeningen die bij de artikelen 197 tot en met 201 zijn gewijzigd of ingetrokken, worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening, volgens de concordantietabel in bijlage XXII.

Artikel 203

Overgangsbepalingen

De Commissie kan maatregelen nemen om de overgang te vergemakkelijken van de voorzieningen die zijn vastgesteld in verordeningen die door de artikelen 197 tot en met 201 worden gewijzigd of ingetrokken, naar de in de onderhavige verordening vastgestelde voorzieningen.

▼M3

Artikel 203 bis

Overgangsbepalingen in de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit

1.  De bij de Verordeningen (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 2202/96 van de Raad van 28 oktober 1996 tot invoering van een steunregeling voor telers van bepaalde citrussoorten ( 31 ) ingestelde en bij Verordening (EG) nr. 1182/2007 afgeschafte steunregelingen blijven voor elk van de betrokken producten van toepassing voor het in 2008 aflopende verkoopseizoen voor dat product.

2.  Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die reeds vóór de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2200/96 waren erkend, blijven uit hoofde van de onderhavige verordening erkend. Zo nodig voeren zij aanpassingen aan de eisen van de onderhavige verordening door, en wel uiterlijk op 31 december 2010.

Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties die reeds op grond van Verordening (EG) nr. 1182/2007 zijn erkend, blijven erkend op grond van de onderhavige verordening.

3.  Op verzoek van een producentenorganisatie kan een operationeel programma dat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2200/96 was goedgekeurd voordat Verordening (EG) nr. 1182/2007 van toepassing werd:

a) doorlopen tot het einde van zijn looptijd, of

b) worden aangepast aan de eisen van de onderhavige verordening, of

c) worden vervangen door een nieuw, krachtens de onderhavige verordening goedgekeurd operationeel programma.

De punten e) en f) van artikel 103 quinquies, lid 3, zijn van toepassing op operationele programma's die in 2007 zijn ingediend en op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening nog niet zijn goedgekeurd, maar die overigens wel aan de criteria van die punten voldoen.

4.  Producentengroeperingen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2200/96 een voorlopige erkenning hadden, houden deze erkenning uit hoofde van de onderhavige verordening. De erkenningsprogramma’s die op grond van Verordening (EG) nr. 2200/96 waren aanvaard, blijven uit hoofde van de onderhavige verordening aanvaard. Indien nodig worden die programma's evenwel zodanig gewijzigd dat de producentengroepering kan voldoen aan de in artikel 125 ter van de onderhavige verordening gestelde criteria voor erkenning als producentenorganisatie. Voor de producentengroeperingen in de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, gelden vanaf de datum van toepassing van de onderhavige verordening de in artikel 103 bis, lid 3, onder a), vastgestelde steunpercentages voor de erkenningsprogramma's.

5.  De in artikel 3, lid 2 van Verordening (EG) nr. 2202/96 bedoelde contracten die over meer dan één verkoopseizoen van de steunregeling voor de verwerking van citrusvruchten lopen en betrekking hebben op het verkoopseizoen dat op 1 oktober 2008 begint of op daaropvolgende verkoopseizoenen, kunnen, met instemming van beide partijen, worden gewijzigd of beëindigd om rekening te houden met de intrekking van die verordening bij Verordening (EG) nr. 1182/2007 en de daaruit voortvloeiende afschaffing van de steun. Voor een dergelijke wijziging of beëindiging worden op de betrokken partijen geen sancties toegepast uit hoofde van die verordening of de bepalingen voor de uitvoering ervan.

6.  Indien een lidstaat gebruikmaakt van de overgangsregeling van artikel 68 ter of artikel 143 ter quater van Verordening (EG) nr. 1782/2003, blijven de op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2201/96 of artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2202/96 vastgestelde voorschriften inzake de minimumkenmerken van het voor verwerking geleverde basisproduct en de minimumkwaliteitseisen voor de eindproducten van toepassing met betrekking tot de op zijn grondgebied geoogste basisproducten.

7.  Totdat overeenkomstig de artikelen 113 en 113 bis nieuwe handelsnormen voor groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit zijn vastgesteld, blijven de op grond van Verordening (EG) nr. 2200/96 en Verordening (EG) nr. 2201/96 vastgestelde handelsnormen van toepassing.

8.  De Commissie kan de maatregelen vaststellen die nodig zijn om de overgang van de bij de Verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96, (EG) nr. 2202/96 en (EG) nr. 1182/2007 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te vergemakkelijken, waaronder die voor de uitvoering van de leden 1 tot en met 7 van dit artikel.

▼M10

Artikel 203 ter

Overgangsbepalingen in de wijnsector

De Commissie kan de maatregelen vaststellen die nodig zijn om de overgang van de bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 en Verordening (EG) nr. 479/2008 vastgestelde regelingen naar de in de onderhavige verordening vastgestelde regelingen te vergemakkelijken.

▼B

Artikel 204

Inwerkingtreding

1.  Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Zij is evenwel van toepassing:

a) wat de sectoren granen, zaaizaad, hop, olijfolie en tafelolijven, vlas en hennep, ruwe tabak, rund- en kalfsvlees, varkensvlees, schapenvlees en geitenvlees, eieren en vlees van pluimvee betreft, met ingang van 1 juli 2008;

b) wat de rijstsector betreft, met ingang van 1 september 2008;

c) wat de suikersector betreft, met ingang van 1 oktober 2008, met uitzondering van artikel 59, dat van toepassing is met ingang van 1 januari 2008;

d) wat de sectoren gedroogde voedergewassen en zijderupsen betreft, met ingang van 1 april 2008;

e) wat de wijnsector betreft, alsmede artikel 197, met ingang van 1 augustus 2008;

f) wat de sector melk en zuivelproducten betreft, met uitzondering van de bepalingen van hoofdstuk III van titel I van deel II, met ingang van 1 juli 2008;

g) wat betreft de in hoofdstuk III van titel I van deel II vastgestelde regeling ter beperking van de melkproductie, met ingang van 1 april 2008;

h) wat betreft het communautaire indelingsschema voor geslachte dieren in artikel 42, lid 1, met ingang van 1 januari 2009;

Voor alle betrokken producten zijn de artikelen 27, 39 en 172 van toepassing met ingang van 1 januari 2008 en de artikelen 149 tot en met 152 vanaf 1 juli 2008.

3.  Wat de suikersector betreft, zijn de bepalingen van titel I van deel II van toepassing tot het einde van het verkoopseizoen 2014/2015 voor suiker.

4.  De regeling ter beperking van de melkproductie die in hoofdstuk III van titel I van deel II is vastgesteld, is overeenkomstig artikel 66, van toepassing tot en met 31 maart 2015.

▼M7

5.  Wat aardappelzetmeel betreft, is deel II, titel I, hoofdstuk III, sectie III bis van toepassing tot het einde van het verkoopseizoen 2011/2012 voor aardappelzetmeel.

▼M15 —————

▼M16

7.  Met betrekking tot de sector melk en zuivelproducten zijn artikel 122, eerste alinea, onder a), iii bis), artikel 123, lid 4, en de artikelen 126 bis, 126 ter, 126 sexies en 177 bis van toepassing met ingang van 2 april 2012 tot en met 30 juni 2020, en zijn de artikelen 126 quater, 126 quinquies, 185 sexies en 185 septies van toepassing met ingang van 3 oktober 2012 tot en met 30 juni 2020.

▼B

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

LIJST VAN IN ARTIKEL 1, LID 1, GENOEMDE PRODUCTEN

Deel I: Granen

Wat granen betreft, is de onderhavige verordening van toepassing op de in de onderstaande tabel opgenomen producten:



GN-code

Omschrijving

(a)

0709 90 60

Suikermaïs, vers of gekoeld

0712 90 19

Suikermaïs, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

1001 90 91

Zachte tarwe en mengkoren, zaaigoed

1001 90 99

Spelt, zachte tarwe en mengkoren, niet bestemd voor zaaidoeleinden

1002 00 00

Rogge

1003 00

Gerst

1004 00 00

Haver

1005 10 90

Maïs, zaaigoed, andere dan hybriden

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed

1007 00 90

Graansorgho, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

1008

Boekweit, gierst (andere dan sorgho) en kanariezaad; andere granen

(b)

1001 10 00

Harde tarwe

(c)

1101 00

Meel van tarwe of van mengkoren

1102 10 00

Roggemeel

1103 11

Gries en griesmeel van tarwe

1107

Mout, ook indien gebrand

(d)

0714

Maniokwortel, arrowroot (pijlwortel), salepwortel, aardperen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke wortels en knollen met een hoog gehalte aan zetmeel of aan inuline, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets; merg van de sagopalm

 

ex  11 02

Meel van granen, andere dan van tarwe of van mengkoren:

 

1102 20

–  maïsmeel

 

1102 90

–  ander

 

1102 90 10

–  van gerst

 

1102 90 30

–  van haver

 

1102 90 90

–  andere

 

ex  11 03

Gries, griesmeel en pellets van granen, met uitzondering van gries en griesmeel van tarwe (onderverdeling 1103 11 ), gries en griesmeel van rijst (onderverdeling 1103 19 50 ) en pellets van rijst (onderverdeling 1103 20 50 )

 

ex  11 04

Op andere wijze bewerkte granen (bijvoorbeeld gepeld, geplet, in vlokken, gepareld, gesneden of gebroken), andere dan rijst bedoeld bij post 1006 en vlokken van rijst van onderverdeling 1104 19 91 ; graankiemen, ook indien geplet, in vlokken of gemalen

 

1106 20

Meel, gries en poeder, van sago en van wortels of knollen bedoeld bij post 0714

 

ex  11 08

Zetmeel en inuline

–  zetmeel:

 

1108 11 00

–  tarwezetmeel

 

1108 12 00

–  maïszetmeel

 

1108 13 00

–  aardappelzetmeel

 

1108 14 00

–  maniokzetmeel (cassave)

 

ex 1108 19

–  ander zetmeel:

 

1108 19 90

–  ander

 

1109 00 00

Tarwegluten, ook indien gedroogd

 

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel:

 

ex 1702 30

–  glucose en glucosestroop, in droge toestand geen of minder dan 20 gewichtspercenten fructose bevattend:

–  andere:

–  andere:

▼M9

 

ex 1702 30 50

– – andere:  – – – in wit kristallijn poeder, ook indien geagglomereerd, bevattende, in droge toestand, minder dan 99 gewichtspercenten glucose

 

ex 1702 30 90

– – –  andere, bevattende, in droge toestand, minder dan 99 gewichtspercenten glucose

▼B

 

ex 1702 40

–  glucose en glucosestroop, in droge toestand 20 of meer doch minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend, met uitzondering van invertsuiker:

 

1702 40 90

–  andere

 

ex 1702 90

–  andere, daaronder begrepen invertsuiker en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten:

 

1702 90 50

–  maltodextrine en maltodextrinestroop

–  karamel:

–  andere:

 

1702 90 75

–  in poeder, ook indien geagglomereerd

 

1702 90 79

–  andere

 

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

ex 2106 90

–  andere

–  suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen:

–  andere

 

2106 90 55

–  van glucose en van maltodextrine

 

ex  23 02

Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van granen, ook indien in pellets

 

ex  23 03

Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen, bietenpulp, uitgeperst suikerriet (ampas) en andere afvallen van de suikerindustrie, bostel (brouwerijafval), afvallen van branderijen, ook indien in pellets:

 

2303 10

–  afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen

 

2303 30 00

–  bostel (bouwerijafval) en afvallen van branderijen

 

ex  23 06

Perskoeken en andere vaste afvallen, verkregen bij de winning van plantaardige vetten of oliën, ook indien fijngemaakt of in pellets, andere dan die bedoeld bij post 2304 of 2305 :

–  andere

 

2306 90 05

–  van maïskiemen

 

ex  23 08

Plantaardige zelfstandigheden en plantaardig afval, plantaardige residu's en bijproducten, ook indien in pellets, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

2308 40 00

–  eikels en wilde kastanjes; draf (droesem) van vruchten, andere dan druiven

 

2309

Bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren:

 

ex 2309 10

–  honden- en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

 

2309 10 11

2309 10 13

2309 10 31

2309 10 33

2309 10 51

2309 10 53

►M9  
– –  bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten  ◄

 

ex 2309 90

►M9  andere: ◄

 

2309 90 20

►M9  
–  producten bedoeld bij aanvullende aantekening 5 bij hoofdstuk 23 van de gecombineerde nomenclatuur  ◄

►M9  
–  andere, zogenaamde „premelanges” daaronder begrepen:  ◄

 

2309 90 31

2309 90 33

2309 90 41

2309 90 43

2309 90 51

2309 90 53

►M9  
– –  bevattende zetmeel, glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 , 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , of zuivelproducten  ◄

Deel II: Rijst

Wat rijst betreft, is de onderhavige verordening van toepassing op de in de onderstaande tabel opgenomen producten:



GN-code

Omschrijving

(a)

1006 10 21 tot en met

1006 10 98

Rijst (padie), andere dan voor zaaidoeleinden

1006 20

Gedopte rijst

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst, ook indien gepolijst of geglansd

(b)

1006 40 00

Breukrijst

(c)

1102 90 50

Rijstmeel