Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02007L0046-20160101

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Voor de EER relevante tekst)

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/46/2016-01-01

2007L0046 — NL — 01.01.2016 — 017.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 2007/46/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 september 2007

tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd

(Kaderrichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 1060/2008 VAN DE COMMISSIE van 7 oktober 2008

  L 292

1

31.10.2008

►M2

VERORDENING (EG) Nr. 78/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 januari 2009

  L 35

1

4.2.2009

 M3

VERORDENING (EG) Nr. 79/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 januari 2009

  L 35

32

4.2.2009

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 385/2009 VAN DE COMMISSIE van 7 mei 2009

  L 118

13

13.5.2009

►M5

VERORDENING (EG) Nr. 595/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 18 juni 2009

  L 188

1

18.7.2009

 M6

VERORDENING (EG) Nr. 661/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 juli 2009

  L 200

1

31.7.2009

 M7

RICHTLIJN 2010/19/EU VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 9 maart 2010

  L 72

17

20.3.2010

►M9

VERORDENING (EU) Nr. 371/2010 VAN DE COMMISSIE van 16 april 2010

  L 110

1

1.5.2010

►M10

VERORDENING (EU) Nr. 183/2011 VAN DE COMMISSIE van 22 februari 2011

  L 53

4

26.2.2011

►M11

VERORDENING (EU) Nr. 582/2011 VAN DE COMMISSIE van 25 mei 2011

  L 167

1

25.6.2011

►M12

VERORDENING (EU) Nr. 678/2011 VAN DE COMMISSIE van 14 juli 2011

  L 185

30

15.7.2011

►M13

VERORDENING (EU) Nr. 65/2012 VAN DE COMMISSIE van 24 januari 2012

  L 28

24

31.1.2012

►M14

VERORDENING (EU) Nr. 1229/2012 VAN DE COMMISSIE van 10 december 2012

  L 353

1

21.12.2012

►M15

VERORDENING (EU) Nr. 1230/2012 VAN DE COMMISSIE van 12 december 2012

  L 353

31

21.12.2012

►M16

VERORDENING (EU) Nr. 143/2013 VAN DE COMMISSIE van 19 februari 2013

  L 47

51

20.2.2013

 M17

VERORDENING (EU) Nr. 171/2013 VAN DE COMMISSIE van 26 februari 2013

  L 55

9

27.2.2013

►M18

VERORDENING (EU) Nr. 195/2013 VAN DE COMMISSIE van 7 maart 2013

  L 65

1

8.3.2013

►M19

RICHTLIJN 2013/15/EU VAN DE RAAD van 13 mei 2013

  L 158

172

10.6.2013

►M20

VERORDENING (EU) Nr. 136/2014 VAN DE COMMISSIE van 11 februari 2014

  L 43

12

13.2.2014

►M21

VERORDENING (EU) Nr. 133/2014 VAN DE COMMISSIE van 31 januari 2014

  L 47

1

18.2.2014

►M22

VERORDENING (EU) Nr. 214/2014 VAN DE COMMISSIE van 25 februari 2014

  L 69

3

8.3.2014

►M23

VERORDENING (EU) Nr. 1171/2014 VAN DE COMMISSIE van 31 oktober 2014

  L 315

3

1.11.2014

►M24

VERORDENING (EU) 2015/45 VAN DE COMMISSIE van 14 januari 2015

  L 9

1

15.1.2015

►M25

VERORDENING (EU) 2015/166 VAN DE COMMISSIE van 3 februari 2015

  L 28

3

4.2.2015


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 145, 10.6.2009, blz.  50 (385/2009)

►C2

Rectificatie, PB L 320, 5.12.2009, blz.  36 (2007/46/EG)

►C3

Rectificatie, PB L 126, 15.5.2012, blz.  15 (2007/46/EG)




▼B

RICHTLIJN 2007/46/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 september 2007

tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd

(Kaderrichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 1 ),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 2 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 3 ) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Voor de totstandbrenging en de werking van de interne markt is het dienstig de nationale goedkeuringssystemen te vervangen door een communautaire goedkeuringsprocedure op basis van het beginsel van volledige harmonisatie.

(3)

De technische voorschriften voor systemen, onderdelen, technische eenheden en voertuigen moeten worden geharmoniseerd en in regelgevingen gespecificeerd. Deze regelgevingen moeten er in de eerste plaats op zijn gericht een hoog niveau van verkeersveiligheid, gezondheidsbescherming, milieubescherming, energie-efficiëntie en beveiliging tegen ongeoorloofd gebruik te waarborgen.

(4)

Richtlijn 92/53/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 4 ) beperkte de toepassing van de communautaire typegoedkeuringsprocedure voor volledige voertuigen tot voertuigcategorie M1, maar om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat hij naar behoren functioneert, moet het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn alle voertuigcategorieën omvatten, zodat de fabrikanten via de communautaire typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

(5)

Om de fabrikanten in staat te stellen zich aan de nieuwe geharmoniseerde procedures aan te passen, moet in een voldoende lange overgangstermijn worden voorzien voordat de communautaire typegoedkeuring van voertuigen verplicht wordt voor in één fase gebouwde voertuigen van andere categorieën dan M1. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 waarvoor meerfasengoedkeuring is vereist, moet in een langere overgangstermijn worden voorzien, omdat de procedure ook zal gelden voor carrosseriebouwers, die op dat gebied nog voldoende ervaring moeten opdoen om de vereiste procedures naar behoren te kunnen toepassen. Gezien het belang van de veiligheid van voertuigen van de categorieën M2 en M3 moeten deze voertuigen echter wel voldoen aan de technische voorschriften van de geharmoniseerde richtlijnen in de overgangsperiode waarin de nationale typegoedkeuring nog geldt, om de fabrikanten in staat te stellen ervaring op te doen met de communautaire typegoedkeuring van voertuigen.

(6)

Tot dusver waren fabrikanten die voertuigen in kleine series bouwen, gedeeltelijk uitgesloten van de voordelen van de interne markt. De ervaring heeft geleerd dat de verkeersveiligheid en de milieuvriendelijkheid aanzienlijk kunnen worden verbeterd als in kleine series gebouwde voertuigen volledig in het communautaire typegoedkeuringssysteem voor voertuigen worden opgenomen, te beginnen met die van categorie M1.

(7)

Om misbruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series gebouwde voertuigen tot zeer geringe producties worden beperkt. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeuriger te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen aan te geven.

(8)

Het is belangrijk maatregelen te nemen om voertuigen op individuele basis te kunnen goedkeuren, zodat in het meerfasengoedkeuringssysteem voldoende flexibiliteit kan worden toegestaan; in afwachting van de vaststelling van geharmoniseerde, specifieke communautaire bepalingen moeten de lidstaten echter nog steeds individuele goedkeuringen overeenkomstig hun nationale regelgeving kunnen verlenen.

(9)

In afwachting van de toepassing van de communautaire typegoedkeuringsprocedure voor voertuigen op andere voertuigcategorieën dan M1, moeten de lidstaten nog steeds nationale typegoedkeuringen kunnen verlenen en moeten daartoe overgangsbepalingen worden vastgesteld.

(10)

De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld volgens de procedure van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 5 ).

(11)

Bij Besluit 97/836/EG van de Raad ( 6 ) is de Gemeenschap toegetreden tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”).

De VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap krachtens dit besluit toetreedt, en de wijzigingen van VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap al is toegetreden, dienen bijgevolg als voorschriften voor de EG-typegoedkeuring of als alternatieven voor de bestaande communautaire wetgeving in de communautaire typegoedkeuringsprocedure te worden opgenomen. In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid hebben deze richtlijn op de nodige punten aan te passen, wanneer de Gemeenschap bij besluit van de Raad beslist dat een VN/ECE-reglement deel gaat uitmaken van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor voertuigen en in de plaats komt van bestaande communautaire wetgeving. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of ter aanvulling van deze richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(12)

Voor een betere regelgeving, voor de vereenvoudiging en om te voorkomen dat de bestaande communautaire wetgeving over kwesties van technische specificaties voortdurend moet worden bijgewerkt, moet het mogelijk zijn in deze richtlijn of bijzondere richtlijnen en verordeningen te verwijzen naar bestaande internationale normen en regelingen zonder deze weer te geven in het communautaire juridische kader.

(13)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het Europese typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet de bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(14)

Het hoofddoel van wetgeving inzake goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die op de markt worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van die doelstelling mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde onderdelen of uitrustingsstukken worden bevestigd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat onderdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden bevestigd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij te koop worden aangeboden. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die onderdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

(15)

Die maatregelen mogen alleen gelden voor een beperkt aantal onderdelen of uitrustingsstukken. De lijst van deze onderdelen of uitrustingsstukken en latere vereisten moeten worden vastgesteld na raadpleging van belanghebbenden. Bij de vaststelling van de lijst moet de Commissie de belanghebbenden raadplegen op basis van een rapport en naar een eerlijk evenwicht streven tussen de vereisten op het gebied van de verbetering van de veiligheid op de weg en op het gebied van milieubescherming, evenals de belangen van consumenten, producenten en verdelers bij de instandhouding van de concurrentie op de secundaire onderdelenmarkt.

(16)

De lijst van onderdelen en uitrustingsstukken, de desbetreffende essentiële systemen en de test- en uitvoeringsmaatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of ter aanvulling van deze richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dit besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(17)

Deze richtlijn bevat een reeks specifieke veiligheidsvoorschriften als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid ( 7 ), waarin specifieke voorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van consumenten zijn vastgesteld. Daarom is het van belang bepalingen vast te stellen om te waarborgen dat wanneer een voertuig voor consumenten een ernstig risico vormt als gevolg van de toepassing van deze richtlijn of de regelgevingen in bijlage IV, de producent doeltreffende beschermingsmaatregelen heeft genomen, inclusief het terugroepen van voertuigen. Goedkeuringsinstanties moeten daarom kunnen beoordelen of de voorgestelde maatregelen al dan niet volstaan.

(18)

Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen. Het is dienstig bepalingen dienaangaande in deze richtlijn op te nemen.

(19)

Voor fabrikanten van uitrustingsstukken is het ook van belang toegang te hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, dat wil zeggen technische informatie en tekeningen die nodig zijn om onderdelen voor de secundaire onderdelenmarkt te ontwikkelen.

(20)

Even belangrijk is dat de fabrikanten informatie beschikbaar stellen aan onafhankelijke ondernemingen, om ervoor te zorgen dat voertuigen hersteld en onderhouden worden op een volledig concurrerende markt. Deze informatievereisten zijn reeds opgenomen in communautaire wetgeving, met name in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte passagiers- en commerciële voertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie ( 8 ), waarbij de Commissie uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van die verordening een verslag voorlegt over de werking van de regeling voor toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig en zal nagaan of het wenselijk is alle bepalingen met betrekking tot de toegang tot zulke informatie in het kader van een herziene kaderrichtlijn inzake typegoedkeuring te consolideren.

(21)

Om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen, dienen maatregelen om enerzijds de bijzondere richtlijnen of verordeningen uit te voeren en anderzijds de bijlagen bij deze richtlijn en die bij de bijzondere richtlijnen of verordeningen aan te passen, in het bijzonder aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, te worden goedgekeurd overeenkomstig Besluit 1999/468/EG. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen of verordeningen of ter aanvulling van deze met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dat besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing. Dezelfde procedure moet van toepassing zijn op aanpassingen die nodig zijn voor de typegoedkeuring van voertuigen voor personen met een handicap.

(22)

De ervaring leert dat soms onmiddellijk passende maatregelen ter bescherming van de weggebruikers moeten worden genomen wanneer tekortkomingen in de bestaande wetgeving zijn geconstateerd. In dergelijke spoedgevallen moeten de vereiste wijzigingen op de bijzondere richtlijnen of verordeningen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG worden goedgekeurd. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van de bijzondere richtlijnen of verordeningen of ter aanvulling van deze met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dat besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(23)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de voltooiing van de interne markt, door de invoering van een verplicht communautair typegoedkeuringssysteem voor alle voertuigcategorieën, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(24)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(25)

In overeenstemming met punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” ( 9 ) dient de Raad de lidstaten ertoe aan te sporen om, voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap, hun eigen tabellen op te stellen waarin, voor zover mogelijk, de correlatie tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen is weergegeven, en deze tabellen openbaar te maken.

(26)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten.

(27)

De vereisten in deze richtlijn zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in het actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving”.

(28)

Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze richtlijn worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in de mededeling van de Commissie „Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” zijn herhaald,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt een geharmoniseerd kader vast voor de bestuursrechtelijke bepalingen en de algemene technische voorschriften voor de goedkeuring van alle nieuwe voertuigen die binnen haar toepassingsgebied vallen, en van de systemen, onderdelen en technische eenheden die voor die voertuigen zijn bestemd, met als doel de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen ervan in de Gemeenschap te vergemakkelijken.

In deze richtlijn worden ook de bepalingen vastgesteld voor de verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor voertuigen die overeenkomstig deze richtlijn zijn goedgekeurd.

Specifieke technische vereisten betreffende de bouw en de werking van voertuigen worden ter toepassing van deze richtlijn neergelegd in regelgevingen, waarvan de limitatieve lijst is opgenomen in bijlage IV.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Zij is ook van toepassing op de individuele goedkeuring van dergelijke voertuigen.

Deze richtlijn is tevens van toepassing op onderdelen en uitrustingsstukken die bestemd zijn voor voertuigen die onder deze richtlijn vallen.

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op de typegoedkeuring of individuele goedkeuring van de volgende voertuigen:

a) landbouw- of bosbouwtrekkers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan ( 10 ), en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en gebouwd;

b) vierwielers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen ( 11 );

c) rupsvoertuigen.

3.  De typegoedkeuring of individuele goedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is facultatief voor de volgende voertuigen:

a) voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd om hoofdzakelijk op bouwplaatsen, in steengroeven, in havens of op luchthavens te worden gebruikt;

b) voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer en de ordehandhavingsdiensten, en

c) mobiele machines,

in de mate dat deze voertuigen aan de vereisten van deze richtlijn kunnen voldoen. Deze facultatieve goedkeuringen laten de toepassing van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines ( 12 ) onverlet.

4.  De individuele goedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is facultatief voor de volgende voertuigen:

a) voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor wegraces;

b) prototypes van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van de fabrikant op de weg worden gebruikt om een specifiek testprogramma uit te voeren, mits zij speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn en de in bijlage IV genoemde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:

1. „regelgeving”: een bijzondere richtlijn of verordening of een aan de Herziene Overeenkomst van 1958 gehecht VN/ECE-reglement;

2. „bijzondere richtlijn of verordening”: een richtlijn of verordening vermeld in bijlage IV, deel I. Deze term omvat ook uitvoeringsbesluiten daarvan;

3. „typegoedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4. „nationale typegoedkeuring”: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

5. „EG-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van deze richtlijn en van de in bijlage IV of XI vermelde regelgevingen voldoet;

6. „individuele goedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een bepaald voertuig, al dan niet uniek, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;

7. „meerfasentypegoedkeuring”: de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze richtlijn voldoet;

8. „stapsgewijze typegoedkeuring”: een voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijze verzamelen van de hele reeks EG-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;

9. „eenstapstypegoedkeuring”: een procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;

10. „gemengde typegoedkeuring”: een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EG-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;

11. „motorvoertuig”: een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken;

12. „aanhangwagen”: een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;

13. „voertuig”: een motorvoertuig of een aanhangwagen daarvan, zoals gedefinieerd in de punten 11 en 12;

14. „hybride motorvoertuig”: een voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;

15. „hybride elektrisch voertuig”: een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen:

 een verbruiksbrandstof;

 een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator, enz.);

16. „mobiele machine”: een zelfaangedreven voertuig dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor werkzaamheden en dat door zijn bouw niet geschikt is voor personen- of goederenvervoer. Machines die op het chassis van een motorvoertuig zijn gemonteerd, worden niet als mobiele machines beschouwd;

17. „voertuigtype”: alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage II, deel B, vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen zoals omschreven in bijlage II, deel B, omvatten;

18. „basisvoertuig”: een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

19. „incompleet voertuig”: een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn te voldoen;

20. „voltooid voertuig”: een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn voldoet;

21. „compleet voertuig”: een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn te voldoen;

22. „voertuig uit restantvoorraad”: een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

23. „systeem”: een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;

24. „onderdeel”: een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

25. „technische eenheid”: een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

26. „originele onderdelen of uitrustingsstukken”: onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

27. „fabrikant”: persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;

28. „vertegenwoordiger van de fabrikant”: een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen. Wanneer de term „fabrikant” wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;

29. „goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die bevoegd is voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; die bevoegd is te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; die bevoegd is voor de aanwijzing van de technische diensten, en die ervoor moet zorgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie;

30. „bevoegde instantie”: de in artikel 42 bedoelde bevoegde instantie is ofwel de goedkeuringsinstantie of een aangewezen autoriteit, ofwel een accrediteringsorgaan dat namens hen handelt;

31. „technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

32. „virtuele testmethode”: computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van een regelgevingshandeling. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

33. „typegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;

34. „EG-typegoedkeuringscertificaat”: het certificaat in bijlage VI of in de overeenkomstige bijlage bij een bijzondere richtlijn of verordening, dan wel het als gelijkwaardig beschouwde mededelingenformulier in de relevante bijlage bij een van de in bijlage IV bij deze richtlijn, deel I of II, genoemde VN/ECE-reglementen;

35. „individuelegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;

36. „certificaat van overeenstemming”: het document in bijlage IX dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig behorende tot de reeks waarvoor overeenkomstig deze richtlijn typegoedkeuring is verleend, op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldoet;

37. „inlichtingenformulier”: het formulier in bijlage I of III of in de overeenkomstige bijlage bij een bijzondere richtlijn of verordening, waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt. Het inlichtingenformulier mag in elektronische vorm worden ingediend;

38. „informatiedossier”: het complete dossier met het inlichtingenformulier, het bestand en de gegevens, tekeningen, foto’s enz. die door de aanvrager zijn verstrekt. Het informatiedossier mag in elektronische vorm worden ingediend;

39. „informatiepakket”: het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd. Het informatiepakket mag in elektronische vorm worden ingediend;

40. „inhoudsopgave bij het informatiepakket”: het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EG-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen.



HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 4

Verplichtingen van de lidstaten

1.  De lidstaten zien erop toe dat fabrikanten die een goedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze richtlijn nakomen.

2.  De lidstaten verlenen alleen goedkeuring aan voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

3.  De lidstaten staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht.

Zij mogen de registratie, de verkoop, de ingebruikneming of het in het verkeer brengen van voertuigen, onderdelen of technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of werking en die onder deze richtlijn vallen, indien zij aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

4.  De lidstaten richten de voor de goedkeuring bevoegde instanties op of wijzen deze aan en doen daarvan kennisgeving aan de Commissie overeenkomstig artikel 43.

De kennisgeving betreffende de goedkeuringsinstanties bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied.

Artikel 5

Verplichtingen van de fabrikanten

1.  De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken is.

2.  Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd.

De fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en overeenstemming van de productie van deze onderdelen en systemen.

3.  Voor de toepassing van deze richtlijn wijst een fabrikant die buiten de Gemeenschap is gevestigd, een binnen de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger aan om hem voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.



HOOFDSTUK III

EG-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 6

Procedures voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

1.  De fabrikant mag een van de volgende procedures kiezen:

a) stapsgewijze typegoedkeuring,

b) eenstapstypegoedkeuring,

c) gemengde typegoedkeuring.

2.  Een aanvraag om stapsgewijze goedkeuring bestaat uit het informatiedossier met de krachtens bijlage III verlangde informatie en gaat vergezeld van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de toepasselijke regelgevingen die in bijlage IV of XI worden genoemd. Voor de typegoedkeuring van een systeem of technische eenheid overeenkomstig de toepasselijke regelgevingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiepakket totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

3.  Een aanvraag om eenstapsgoedkeuring bestaat uit het informatiedossier met de relevante informatie die in bijlage I in verband met de in bijlage IV of XI en, voor zover van toepassing, in deel II van bijlage III genoemde regelgevingen wordt verlangd.

4.  Bij een gemengde goedkeuringsprocedure kan de goedkeuringsinstantie een fabrikant vrijstellen van de verplichting om een of meer EG-typegoedkeuringscertificaten voor systemen over te leggen indien het informatiedossier wordt aangevuld met de in bijlage I gespecificeerde en voor de goedkeuring van die systemen tijdens de goedkeuringsfase van het voertuig vereiste gegevens. In dat geval wordt elk van de EG-typegoedkeuringscertificaten waarvoor vrijstelling is verleend, vervangen door een testrapport.

5.  Onverminderd het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 dient voor meerfasentypegoedkeuring het volgende te worden verstrekt:

a) in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EG-typegoedkeuringscertificaten die voor een compleet voertuig zijn vereist en die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b) in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EG-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een afschrift van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EG-typegoedkeuringscertificaat; voorts verstrekt de fabrikant alle gegevens over de wijzigingen of toevoegingen die hij in of aan het voertuig heeft aangebracht;

De onder a) en b) genoemde informatie mag worden verstrekt volgens de in lid 4 beschreven gemengde procedure.

6.  De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. Voor een bepaald voertuigtype mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

7.  In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie de fabrikant vragen haar de nodige aanvullende informatie te verstrekken om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

8.  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie het nodige aantal voertuigen ter beschikking om de typegoedkeuringsprocedure naar behoren te laten verlopen.

Artikel 7

Procedure voor de EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden

1.  De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. Voor een type systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend. Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

2.  De aanvraag gaat vergezeld van het informatiedossier, waarvan de inhoud in de bijzondere richtlijnen of verordeningen is gespecificeerd.

3.  In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie de fabrikant vragen haar de nodige aanvullende informatie te verstrekken om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

4.  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie de voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking die volgens de relevante bijzondere richtlijnen of verordeningen nodig zijn om de voorgeschreven tests te kunnen verrichten.



HOOFDSTUK IV

VERLOOP VAN DE EG-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 8

Algemene bepalingen

1.  De lidstaten mogen geen EG-typegoedkeuring verlenen zonder eerst te hebben vastgesteld dat de procedures van artikel 12 naar behoren door de fabrikant zijn uitgevoerd.

2.  De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring volgens de voorschriften van de artikelen 9 en 10.

3.  Indien een lidstaat van oordeel is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de voorschriften, een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid betekent dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaadt, kan hij de EG-typegoedkeuring ervan weigeren. Hij zendt de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier toe met opgave van de redenen voor zijn besluit en bewijsmateriaal voor zijn bevindingen.

4.  De EG-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens de in bijlage VII beschreven methode.

5.  Binnen 20 werkdagen zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een afschrift toe van het EG-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

6.  De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7.  Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst toe van de EG-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de vorige periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken. Deze lijst bevat de in bijlage XIV vermelde gegevens.

8.  Op verzoek van een andere lidstaat zendt de lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, binnen 20 werkdagen na ontvangst van dat verzoek een afschrift van het desbetreffende EG-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

Artikel 9

Bijzondere bepalingen voor voertuigen

1.  De lidstaten verlenen EG-goedkeuring aan:

a) een voertuigtype dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde toepasselijke regelgevingen;

b) een voertuigtype voor speciale doeleinden dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage XI genoemde toepasselijke regelgevingen.

De in bijlage V beschreven procedures zijn van toepassing.

2.  De lidstaten verlenen meerfasentypegoedkeuring aan een type incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV of XI genoemde toepasselijke regelgevingen, al naar gelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

De meerfasentypegoedkeuring is ook van toepassing op complete voertuigen die zijn verbouwd of gewijzigd door een andere fabrikant.

De in bijlage XVII beschreven procedures zijn van toepassing.

3.  Voor elk voertuigtype dient de goedkeuringsinstantie:

a) alle relevante rubrieken van het EG-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten volgens het model in bijlage VIII, in te vullen;

b) de inhoudsopgave bij het informatiepakket samen te stellen of te verifiëren;

c) het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager af te geven.

4.  In het geval van een EG-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 20, artikel 22 of bijlage XI beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van de regelgevingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.  Wanneer gegevens in het informatiedossier betrekking hebben op bepalingen inzake voertuigen voor speciale doeleinden zoals aangegeven in bijlage XI, worden deze bepalingen in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

6.  Indien de fabrikant de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie in deel III van het in bijlage III weergegeven inlichtingenformulier de referenties in van de uit hoofde van regelgevingen opgestelde testrapporten waarvoor geen EG-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.

7.  Indien de fabrikant de eenstapsgoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie de lijst van toepasselijke regelgevingen op volgens het model in het aanhangsel bij bijlage VI en voegt deze lijst bij het EG-typegoedkeuringscertificaat.

Artikel 10

Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.  De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring aan een systeem dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV of XI genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening.

2.  De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring aan een onderdeel of technische eenheid dat of die in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening.

3.  Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij de toepasselijke regelgeving zulks vereist.

4.  Indien een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met die andere onderdelen van het voertuig functioneert, wordt de geldigheid van de EG-typegoedkeuring van het onderdeel of de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt. In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik en de bijzondere montagevoorwaarden in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld. Als een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 11

Voor EG-typegoedkeuring vereiste tests

1.  Door middel van passende test die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze richtlijn en van de in bijlage IV vermelde regelgevingen is voldaan.

De testprocedures, specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden in elke regelgeving beschreven.

2.  De vereiste tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken op het gebied van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

3.  Ten aanzien van de in bijlage XVI vermelde regelgevingen mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie, virtuele testmethoden worden gebruikt als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures.

4.  De algemene voorwaarden waaraan virtuele testmethoden moeten voldoen staan beschreven in aanhangsel 1 bij bijlage XVI.

Voor elke in bijlage XVI vermelde regelgeving worden de daarvoor geldende specifieke testvoorwaarden en administratieve bepalingen vermeld in aanhangsel 2 bij genoemde bijlage.

5.  De Commissie stelt de lijst vast van regelgevingen waarvoor virtuele testmethodes zijn toegestaan, alsmede de daarvoor geldende specifieke voorwaarden en administratieve bepalingen. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door aanvulling ervan, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld en bijgewerkt.

Artikel 12

Maatregelen inzake de overeenstemming van de productie

1.  De lidstaat die een EG-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage X om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.

2.  De lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage X om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in lid 1 bedoelde maatregelen nog steeds afdoende zijn en of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.

De verificatie van de overeenstemming van de producten met het goedgekeurde type wordt beperkt tot de procedures van bijlage X en die van de regelgevingen die specifieke voorschriften bevatten. Hiertoe mag de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, alle in de regelgevingen van bijlage IV of XI voorgeschreven controles of tests uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

3.  Indien een lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in lid 1 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen of niet meer worden toegepast, zonder dat de productie is stopgezet, neemt hij de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om ervoor te zorgen dat de procedure voor de overeenstemming van de productie correct wordt nageleefd.



HOOFDSTUK V

WIJZIGINGEN VAN EG-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 13

Algemene bepalingen

1.  De fabrikant stelt de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. Die lidstaat stelt volgens de in dit hoofdstuk beschreven regels vast welke procedure moet worden gevolgd. Zo nodig kan hij in overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EG-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.  Een aanvraag tot wijziging van een EG- typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de lidstaat die de oorspronkelijke EG- typegoedkeuring heeft verleend.

3.  Indien de lidstaat van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of tests noodzakelijk zijn, stelt hij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures van de artikelen 14 en 15 zijn slechts van toepassing nadat met succes de vereiste nieuwe inspecties of tests zijn verricht.

Artikel 14

Bijzondere bepalingen voor voertuigen

1.  Indien gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.  De herziening wordt een „uitbreiding” genoemd als, naast het bepaalde in lid 1:

a) aanvullende inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;

b) enig gegeven op het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c) krachtens de regelgevingen die op het goedgekeurde voertuigtype van toepassing zijn, nieuwe voorschriften in werking treden.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien EG-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer.

Op het goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.  Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

4.  Indien de in lid 2, onder c), bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor het voertuigtype of betrekking hebben op andere voertuigcategorieën dan die waartoe het voertuig behoort, wordt geen wijziging van de typegoedkeuring vereist.

Artikel 15

Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.  Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.  Een herziening wordt een „uitbreiding” genoemd als, naast het bepaalde in lid 1:

a) aanvullende inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;

b) een gegeven op het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c) krachtens de regelgevingen die op het goedgekeurde systeem, onderdeel of goedgekeurde technische eenheid van toepassing zijn, nieuwe voorschriften in werking treden.

In deze gevallen geeft de goedkeuringsinstantie een herzien EG-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Indien de wijziging wordt vereist door de toepassing van lid 2, onder c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.

Op het goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.  Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

Artikel 16

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.  In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle relevante delen van het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager toegezonden.

2.  In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de inhoudsopgave bij het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager toegezonden.

3.  De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de procedures van artikel 8 van alle wijzigingen van EG-typegoedkeuringen in kennis.



HOOFDSTUK VI

GELDIGHEID VAN EEN EG-TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN

Artikel 17

Einde van de geldigheid

1.  Een EG-typegoedkeuring voor een voertuig verliest haar geldigheid indien:

a) voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen nieuwe voorschriften in werking treden van een regelgeving die op het goedgekeurde voertuig van toepassing is, en de goedkeuring niet dienovereenkomstig kan worden bijgewerkt;

b) de productie van het goedgekeurde voertuig vrijwillig definitief wordt stopgezet;

c) de geldigheid van de goedkeuring ingevolge een bijzondere beperking afloopt.

2.  Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EG-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

3.  Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis. Uiterlijk 20 werkdagen na ontvangst van deze kennisgeving stelt die instantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

Artikel 27 is alleen van toepassing in geval van stopzetting in de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde omstandigheden.

4.  Wanneer een EG-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 3, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, alle toepasselijke informatie om eventueel artikel 27 toe te kunnen passen. Die informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.



HOOFDSTUK VII

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 18

Certificaat van overeenstemming

1.  Als houder van een EG-typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type is gebouwd, vergezeld gaat.

In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij er in voorkomend geval alle in de vorige fase afgegeven certificaten van overeenstemming aan toe.

2.  Het certificaat van overeenstemming wordt opgesteld in een van de officiële talen van de Gemeenschap. De lidstaten kunnen tevens voorschrijven dat het certificaat van overeenstemming naar hun eigen taal of talen wordt vertaald.

3.  Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of door een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.

4.  Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.

5.  Het opschrift van het in bijlage IX, deel I, beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 20, lid 2, typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 20 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.”.

6.  Het opschrift van het in bijlage IX, deel I, beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 22 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waaraan in kleine series typegoedkeuring is verleend”; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage XII vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

7.  Onverminderd het bepaalde in lid 1 mag de fabrikant in het certificaat van overeenstemming opgenomen gegevens of informatie met elektronische middelen aan de registratie-instantie van de lidstaat doorgeven.

8.  Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Op de voorzijde van het duplicaat moet het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar zijn.

Artikel 19

EG-typegoedkeuringsmerk

1.  De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het krachtens de relevante bijzondere richtlijn of verordening vereiste EG- typegoedkeuringsmerk aan.

▼C2

2.  Indien geen EG-typegoedkeuringsmerk vereist is, brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en de typeaanduiding en/of een identificatienummer aan.

▼B

3.  Het EG-typegoedkeuringsmerk komt overeen met het bepaalde in het aanhangsel bij bijlage VII.



HOOFDSTUK VIII

NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF CONCEPTEN DIE ONVERENIGBAAR ZIJN MET DE BIJZONDERE RICHTLIJNEN

Artikel 20

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.  Op verzoek van de fabrikant mogen de lidstaten een EG-typegoedkeuring verlenen aan een systeem, onderdeel of technische eenheid waarin technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen, mits de Commissie daarvoor volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure een vergunning geeft.

2.  In afwachting van het besluit waarbij al dan niet een vergunning wordt gegeven, mag de lidstaat een voorlopige goedkeuring die alleen op zijn grondgebied geldig is, verlenen aan een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft, mits hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis stelt door middel van een dossier dat de volgende gegevens bevat:

a) de redenen waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met de voorschriften;

b) een beschrijving van de desbetreffende veiligheids- en milieuoverwegingen en van de genomen maatregelen;

c) een beschrijving van de tests en de resultaten ervan, waaruit blijkt dat in vergelijking met de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd, ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd.

3.  Andere lidstaten mogen besluiten de in lid 2 bedoelde voorlopige goedkeuring op hun grondgebied te aanvaarden.

4.  Volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure besluit de Commissie of zij de lidstaat al dan niet toestemming geeft om aan dat voertuigtype een EG-typegoedkeuring te verlenen.

Zo nodig wordt in de beschikking ook aangegeven of er op de geldigheid beperkingen, zoals bijvoorbeeld termijnen, van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de goedkeuring bedraagt in geen geval minder dan 36 maanden.

Als de Commissie de vergunning weigert, stelt de lidstaat de houder van de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zal worden ingetrokken zes maanden na de datum van de beschikking van de Commissie. Voertuigen die echter in overeenstemming met de voorlopige goedkeuring zijn vervaardigd voordat deze werd ingetrokken, mogen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

5.  Dit artikel is niet van toepassing indien een systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan een VN/ECE-reglement waartoe de Gemeenschap is toegetreden.

Artikel 21

Te nemen maatregelen

1.  Wanneer de Commissie van oordeel is dat er goede redenen zijn om een ontheffing overeenkomstig artikel 20 te verlenen, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de desbetreffende bijzondere richtlijnen of verordeningen aan de technologische ontwikkelingen aan te passen. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van de bijzondere richtlijnen of verordeningen van de lijst van deel I van bijlage IV, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld.

Wanneer de ontheffing overeenkomstig artikel 20 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

2.  Zodra de relevante regelgevingen zijn gewijzigd, wordt elke aan de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de regelgevingen niet zijn ondernomen, kan op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, de geldigheid van een ontheffing bij een andere volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure gegeven beschikking worden verlengd.



HOOFDSTUK IX

IN KLEINE SERIES GEBOUWDE VOERTUIGEN

Artikel 22

EG-typegoedkeuring van kleine series

1.  Op verzoek van de fabrikant en met inachtneming van de in bijlage XII, deel A, punt 1, vermelde maxima, verlenen de lidstaten volgens de procedure van artikel 6, lid 4, EG-typegoedkeuring aan een voertuig dat ten minste aan de voorschriften van bijlage IV, deel I, aanhangsel, voldoet.

2.  Lid 1 is niet van toepassing op voertuigen voor speciale doeleinden.

3.  De EG-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens bijlage VII.

Artikel 23

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1.  Voor voertuigen die met inachtneming van de in bijlage XII, deel A, punt 2, vermelde maxima zijn geproduceerd, kunnen de lidstaten vrijstelling van een of meer bepalingen van een of meer in bijlage IV of XI genoemde regelgevingen verlenen, mits zij relevante alternatieve voorschriften opleggen.

Met „alternatieve voorschriften” worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd dat voor zover praktisch haalbaar even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage IV of bijlage XI, naargelang het geval, voorzien.

2.  Voor de in lid 1 bedoelde voertuigen kunnen de lidstaten vrijstelling verlenen van een of meer bepalingen van deze richtlijn.

3.  Van de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen kan alleen vrijstelling worden verleend wanneer de lidstaat daartoe redelijke gronden heeft.

4.  Voor de typegoedkeuring van in dit artikel bedoelde voertuigen aanvaarden de lidstaten systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de in bijlage IV vermelde regelgevingen.

5.  Op het typegoedkeuringscertificaat wordt aangegeven welke vrijstellingen overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn verleend.

Het typegoedkeuringscertificaat, waarvan het model is weergegeven in bijlage VI, mag niet het opschrift „EG-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen” dragen. De typegoedkeuringscertificaten worden evenwel genummerd volgens bijlage VII.

6.  De geldigheid van de typegoedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend. Op verzoek van de fabrikant zendt de goedkeuringsinstantie per aangetekend schrijven of per e-mail echter een afschrift van het goedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toe.

▼C3

Binnen 60 dagen na de datum van ontvangst beslissen deze lidstaten of zij de typegoedkeuring al dan niet aanvaarden. Zij delen die beslissing formeel mede aan de in de eerste alinea bedoelde goedkeuringsinstanties.

▼B

Een lidstaat weigert de typegoedkeuring niet tenzij hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.

7.  Op verzoek van een aanvrager die een voertuig in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, aan de aanvrager een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket.

Een lidstaat staat de verkoop, de registratie of het in verkeer brengen van dit voertuig toe, tenzij hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.



HOOFDSTUK X

INDIVIDUELE GOEDKEURINGEN

Artikel 24

Individuele goedkeuringen

1.  De lidstaten kunnen een specifiek voertuig, al dan niet uniek, vrijstellen van de verplichting tot naleving van een of meer bepalingen van deze richtlijn of van een of meer in bijlage IV of XI genoemde regelgevingen, mits zij alternatieve voorschriften vaststellen.

Van de in de eerste alinea bedoelde bepalingen kan alleen vrijstelling worden verleend wanneer de lidstaat daartoe redelijke gronden heeft.

Met „alternatieve voorschriften” worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd dat voor zover praktisch haalbaar even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage IV of bijlage XI, naargelang het geval, voorzien.

2.  De lidstaten voeren geen destructieve tests uit. Zij gebruiken alle door de aanvrager beschikbaar gestelde toepasselijke informatie waaruit blijkt dat de alternatieve voorschriften in acht worden genomen.

3.  De lidstaten aanvaarden de EG-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden in plaats van de alternatieve voorschriften.

4.  Een aanvraag om individuele goedkeuring wordt ingediend door de fabrikant of de eigenaar van het voertuig of door een persoon die namens hen optreedt, op voorwaarde dat deze persoon in de Gemeenschap is gevestigd.

5.  Een lidstaat verleent individuele goedkeuring als het voertuig in overeenstemming is met de bij de aanvraag gevoegde beschrijving en voldoet aan de van toepassing zijnde technische voorschriften, en hij geeft onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, een individueel goedkeuringscertificaat af.

Het formaat van het individuelegoedkeuringscertificaat is gebaseerd op het model van het EG-typegoedkeuringscertificaat in bijlage VI en bevat ten minste de informatie die nodig is om de registratieaanvraag overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen ( 13 ) in te vullen. Individuelegoedkeuringscertificaten mogen niet het opschrift „EG-goedkeuring” dragen.

Op een individuelegoedkeuringscertificaat wordt het identificatienummer van het desbetreffende voertuig vermeld.

6.  De geldigheid van een individuele goedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend.

Wanneer een aanvrager een voertuig waarvoor een individuele goedkeuring is verleend, in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, de aanvrager op diens verzoek een verklaring met de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd.

Met betrekking tot een voertuig waarvoor een lidstaat een individuele goedkeuring heeft verleend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, staat een andere lidstaat de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen ervan toe, tenzij die lidstaat redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.

7.  De lidstaten verlenen op verzoek van de fabrikant of de eigenaar van het voertuig individuele goedkeuring voor een voertuig dat voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn en de regelgevingen die, naargelang het geval, zijn vermeld in bijlage IV of bijlage XI.

In dergelijk geval aanvaarden de lidstaten de individuele goedkeuring en staan zij de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van het voertuig toe.

8.  De bepalingen van dit artikel mogen worden toegepast op voertuigen waarvoor een typegoedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is verleend en die vóór hun eerste registratie of vóór het voor het eerst in het verkeer brengen zijn gewijzigd.

Artikel 25

Bijzondere bepalingen

1.  In het kader van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure kan de procedure van artikel 24 ook op een specifiek voertuig tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen worden toegepast.

2.  De procedure van artikel 24 mag geen tussenliggende fase in het normale verloop van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure vervangen en mag niet worden toegepast om de eerste-fasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.



HOOFDSTUK XI

REGISTRATIE, VERKOOP EN IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 26

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen

1.  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 29 en 30 registreren de lidstaten voertuigen en staan zij de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen toe indien die voertuigen vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 18.

In het geval van incomplete voertuigen staan de lidstaten de verkoop ervan toe, maar kunnen zij de definitieve registratie en het in het verkeer brengen weigeren zolang de voertuigen incompleet zijn.

2.  Voertuigen die niet vergezeld hoeven te gaan van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van deze richtlijn voldoen.

3.  Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat jaarlijks wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage XII, deel A, aangegeven maximum niet overschrijden.

Artikel 27

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden

1.  Met inachtneming van de in bijlage XII, deel B, aangegeven maxima mogen de lidstaten gedurende een beperkte periode voertuigen die in overeenstemming zijn met een type waarvan de EG-typegoedkeuring niet meer geldig is, registreren en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan toestaan.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht voor deze EG-typegoedkeuring ongeldig werd.

2.  De in lid 1 geboden mogelijkheid geldt gedurende twaalf maanden voor complete voertuigen en gedurende achttien maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EG-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3.  De fabrikant die van het bepaalde in lid 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instanties van elke lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een verzoek indienen. In het verzoek moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.

De betrokken lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.

4.  De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op voertuigen waaraan een nationale typegoedkeuring was verleend, maar die nog niet waren geregistreerd of in het verkeer gebracht op het ogenblik dat die goedkeuring door de verplichte invoering van de EG-typegoedkeuringsprocedure overeenkomstig artikel 45 ongeldig was geworden.

5.  De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het in het kader van de procedure van dit artikel te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

Artikel 28

Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1.  De lidstaten staan de verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden enkel en alleen toe indien deze aan de voorschriften van de relevante regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 19 naar behoren zijn gemerkt.

2.  Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze richtlijn vallen.

3.  In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die overeenkomstig artikel 20 van een of meer bepalingen van een regelgeving zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 22, 23 of 24 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technisch eenheid.

4.  In afwijking van lid 1, en tenzij anders is bepaald in een regelgevingshandeling, mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van deze richtlijn of Richtlijn 70/156/EEG.



HOOFDSTUK XII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 29

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die aan deze richtlijn voldoen

1.  Indien een lidstaat van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaden, mag die lidstaat gedurende een periode van maximaal zes maanden weigeren deze voertuigen te registreren of de verkoop of het in het verkeer brengen van deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden op zijn grondgebied toe te staan.

In dat geval stelt de betrokken lidstaat de fabrikant, de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen voor zijn besluit, waarbij de lidstaat in het bijzonder vermeldt of het besluit het gevolg is van:

 tekortkomingen in de betrokken regelgevingen, of

 onjuiste toepassing van de betrokken voorschriften.

2.  De Commissie raadpleegt zo spoedig mogelijk de betrokken partijen, en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, ter voorbereiding van het besluit.

3.  Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van tekortkomingen in de betrokken regelgevingen, worden als volgt passende maatregelen genomen:

 wanneer het bijzondere richtlijnen of verordeningen van de lijst van deel I van bijlage IV betreft, wijzigt de Commissie deze volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;

 wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerp-wijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

4.  Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van onjuiste toepassing van de betrokken voorschriften, neemt de Commissie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de voorschriften worden nageleefd.

Artikel 30

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type

1.  Indien een lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het door hem goedgekeurde type, neemt hij de nodige maatregelen, die waar nodig kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie van deze lidstaat stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten in kennis van de genomen maatregelen.

2.  Met het oog op de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EG-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als niet-overeenstemming met het goedgekeurde type.

Een voertuig wordt niet geacht af te wijken van het goedgekeurde type, indien door de relevante regelgevingen toleranties zijn toegestaan en deze toleranties in acht zijn genomen.

3.  Indien een lidstaat aantoont dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, kan hij de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type. De betrokken lidstaat voert deze verificatie zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek uit.

4.  De goedkeuringsinstantie verzoekt de lidstaat die de typegoedkeuring aan het systeem, het onderdeel, de technische eenheid of het incomplete voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type:

a) in geval van een EG-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-overeenstemming van een voertuig uitsluitend aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b) in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien de niet-overeenstemming van een voltooid voertuig uitsluitend kan worden toegeschreven aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-overeenstemming van het incomplete voertuig zelf.

De betrokken lidstaat neemt deze maatregelen, zo nodig in samenwerking met de lidstaat die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek. Wanneer niet-overeenstemming wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring van het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dan wel de goedkeuring van het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 vermelde maatregelen.

5.  De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen 20 werkdagen in kennis van de intrekking van een EG-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

6.  Indien de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, het hem ter kennis gebrachte gebrek aan overeenstemming betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 31

Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1.  De lidstaten staan de verkoop, het te koop aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, alleen toe als voor deze onderdelen of uitrustingsstukken een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig de leden 5 tot en met 10.

2.  De onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor de in lid 1 genoemde vergunning nodig is, worden opgenomen in de lijst die in bijlage XIII wordt vastgesteld. Een besluit hierover worden voorafgegaan door een evaluatie die uitmondt in een rapport, waarbij wordt gestreefd naar een eerlijk evenwicht tussen de volgende elementen:

a) het bestaan van een ernstig risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn gemonteerd, en

b) de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunning voor onderdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten in de secundaire markt voor onderdelen of uitrustingsstukken.

3.  Lid 1 is niet van toepassing op originele onderdelen of uitrustingsstukken die onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, noch op onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de bepalingen van één van de in bijlage IV vermelde regelgevingen, tenzij deze goedkeuringen betrekking hebben op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen. Lid 1 is niet van toepassing op onderdelen of uitrustingsstukken die uitsluitend zijn geproduceerd voor racevoertuigen die niet bedoeld zijn voor gebruik op openbare wegen. Indien in bijlage XIII vermelde onderdelen of uitrustingsstukken een tweeledige toepassing hebben voor racevoertuigen en voor voertuigen op de weg, mogen deze onderdelen of uitrustingsstukken niet aan het brede publiek worden verkocht of te koop aangeboden voor gebruik in voertuigen op de openbare weg tenzij zij voldoen aan de eisen van dit artikel.

Waar nodig neemt de Commissie bepalingen aan voor het identificeren van de in dit lid bedoelde onderdelen of uitrustingsstukken.

4.  De Commissie stelt na raadpleging van de belanghebbenden de procedure en eisen van de in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure vast, alsmede de regels voor een latere bijwerking van de lijst vastgesteld in bijlage XIII. De eisen omvatten regels op het gebied van veiligheid, milieubescherming en waar nodig, testnormen. Zij kunnen worden gebaseerd op de in bijlage IV opgesomde regelgevingen of worden opgesteld overeenkomstig de desbetreffende stand van de veiligheids-, milieu- en testtechnologie of kunnen, indien dit een juiste wijze is om de vereiste veiligheids- of milieudoelstellingen te verwezenlijken, een vergelijking opleggen van het onderdeel of het uitrustingsstuk met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan.

5.  Voor de toepassing van lid 1 dient de fabrikant van onderdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor toestemming wordt gevraagd, voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de onderdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, alsook de naam van de fabrikant van het voertuig, het type voertuig en, in voorkomend geval, de bouwjaren of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarvoor deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn bestemd, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testverslag en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften, geeft zij onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, een certificaat aan de fabrikant af. Op grond van dit certificaat mogen de onderdelen of uitrustingsstukken in de Gemeenschap worden verkocht, te koop worden aangeboden of op voertuigen worden gemonteerd, onder voorbehoud van de tweede alinea van lid 9.

6.  Elk onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor met toepassing van dit artikel een vergunning is verleend, wordt naar behoren gemerkt.

De Commissie stelt voorschriften inzake het merken en verpakken, alsmede het model en het nummeringssysteem van het in lid 5 genoemde certificaat worden vast.

7.  De in leden 2 tot en met 6 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, daar zij bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn onder meer door aanvulling ervan.

8.  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die het certificaat heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of het certificaat opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of nieuwe tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de onderdelen en de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven.

9.  Alvorens een machtiging af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken opnieuw in overeenstemming worden gebracht. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

10.  Elke onenigheid tussen lidstaten met betrekking tot de in lid 5 bedoelde certificaten wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Na overleg met de lidstaten neemt zij passende maatregelen en kan zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning eisen.

11.  Dit artikel is niet van toepassing op een onderdeel of uitrustingsstuk zolang dit niet in de lijst van bijlage XIII is opgenomen. Voor de opname van onderdelen of uitrustingsstukken of groepen daarvan in bijlage XIII wordt een redelijke overgangsperiode vastgesteld om de fabrikant van het onderdeel of uitrustingsstuk in staat te stellen een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Tegelijkertijd kan, waar nodig, een datum worden vastgesteld om onderdelen en uitrustingsstukken die zijn ontworpen voor voertuigen waaraan vóór die datum een typegoedkeuring is verleend, van de toepassing van dit artikel uit te sluiten.

12.  Zolang er geen beslissing is genomen over het al dan niet opnemen van een onderdeel of uitrustingsstuk in de in lid 1 bedoelde lijst, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Zodra een besluit is genomen, verliezen de nationale bepalingen in verband met de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken hun geldigheid.

13.  Vanaf 29 oktober 2007 nemen de lidstaten geen nieuwe bepalingen over onderdelen en uitrusting die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties, aan.

Artikel 32

Terugroepen van voertuigen

1.  Wanneer een fabrikant aan wie een EG-typegoedkeuring voor een voertuig is verleend, overeenkomstig de bepalingen van een regelgevingsinstrument of krachtens Richtlijn 2001/95/EG, reeds verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat een of meer op het voertuig gemonteerde, al dan niet overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde systemen, onderdelen of technische eenheden een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu betekenen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring aan het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2.  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in lid 1 bedoelde gevaar te neutraliseren. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onmiddellijk aan de instanties van de andere lidstaten mee.

De bevoegde instanties zien erop toe dat deze maatregelen op hun grondgebied effectief worden uitgevoerd.

3.  Indien de maatregelen door de betrokken instanties ontoereikend worden geacht of niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stellen zij de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie brengt op haar beurt de fabrikant op de hoogte. Indien de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, zelf niet tevreden is met de maatregelen van de fabrikant, neemt zij alle vereiste beschermingsmaatregelen, waaronder de intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert. Bij intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig, stelt de betrokken goedkeuringsinstantie binnen 20 werkdagen de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

4.  Dit artikel is ook van toepassing op onderdelen waarvoor geen voorschriften uit hoofde van een regelgeving gelden.

Artikel 33

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

Elk besluit dat uit hoofde van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EG- typegoedkeuring, tot weigering van de registratie of tot verbod van de verkoop wordt uitvoerig met redenen omkleed.

Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.



HOOFDSTUK XIII

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 34

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EG-typegoedkeuring

1.  De VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden en die in bijlage IV, deel I, en in bijlage XI zijn vermeld, maken op dezelfde wijze als de bijzondere richtlijnen of verordeningen deel uit van de EG-typegoedkeuring voor voertuigen. Zij zijn van toepassing op de categorieën voertuigen zoals aangegeven in de desbetreffende kolommen van de tabel van bijlage IV, deel I, en bijlage XI.

2.  Wanneer de Gemeenschap overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Besluit 97/836/EG heeft besloten de toepassing van een VN/ECE-reglement voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen verplicht te stellen, worden de bijlagen bij deze richtlijn dienovereenkomstig gewijzigd volgens de in artikel 40, lid 2, van deze richtlijn bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. In het besluit waarbij de bijlagen bij deze richtlijn worden gewijzigd, wordt ook vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is. Nationale wetgeving die niet verenigbaar is met dat VN/ECE-reglement, wordt door de lidstaten ingetrokken of aangepast.

Wanneer een dergelijk VN/ECE-reglement in de plaats komt van een bestaande bijzondere richtlijn of verordening, wordt de desbetreffende vermelding in bijlage IV, deel I, en in bijlage XI vervangen door het nummer van het VN/ECE-reglement en wordt de overeenkomstige vermelding in bijlage IV, deel II, volgens dezelfde procedure geschrapt.

3.  In het in lid 2, tweede alinea, bedoelde geval wordt de bijzondere richtlijn of verordening die door het VN/ECE-reglement wordt vervangen, ingetrokken volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Wanneer een bijzondere richtlijn wordt ingetrokken, wordt de nationale wetgeving die ter omzetting van die richtlijn was vastgesteld, door de lidstaten eveneens ingetrokken.

4.  In deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen en verordeningen zijn rechtstreekse verwijzingen toegestaan naar internationale normen en regelingen, zonder dat deze in het communautaire wetgevingskader worden weergegeven.

Artikel 35

Gelijkwaardigheid van VN/ECE-reglementen met richtlijnen of verordeningen

1.  Voor zover zij hetzelfde toepassingsgebied en hetzelfde onderwerp hebben worden de in bijlage IV, deel II, genoemde VN/ECE-reglementen en de overeenkomstige bijzondere richtlijnen of verordeningen als gelijkwaardig erkend.

De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de overeenkomstig deze VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de bijbehorende goedkeuringsmerken in plaats van de goedkeuringen en goedkeuringsmerken die overeenkomstig de daarmee gelijkwaardige bijzondere richtlijn of verordening zijn afgegeven.

2.  Wanneer de Gemeenschap heeft besloten voor de doeleinden van lid 1 een nieuw VN/ECE-reglement of een gewijzigd VN/ECE-reglement toe te passen, wordt bijlage IV, deel II, dienovereenkomstig gewijzigd. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld.

Artikel 36

Gelijkwaardigheid met andere regelgeving

In het kader van multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gelijkwaardigheid erkennen van de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden of bepalingen inzake de EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen en technische eenheden en de bij internationale regelgeving of regelgeving van derde landen vastgestelde procedures.



HOOFDSTUK XIV

HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 37

Informatie voor gebruikers

1.  De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze richtlijn of de bij de in bijlage IV genoemde regelgevingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.  Indien een regelgeving hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

Die informatie wordt in de officiële talen van de Gemeenschap verstrekt. Zij wordt in overleg met de goedkeuringsinstantie opgenomen in een begeleidend document, zoals de gebruikershandleiding of het onderhoudsboekje.

Artikel 38

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1.  De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle, in de bijlage of het aanhangsel bij een regelgeving gespecificeerde gegevens en, in voorkomend geval, tekeningen die voor de EG-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of die zijn vereist om een vergunning krachtens artikel 31 te verkrijgen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2.  De fabrikant van onderdelen of technische eenheden die houder is van een EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 10, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een regelgeving hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.



HOOFDSTUK XV

UITVOERINGSMAATREGELEN EN WIJZIGINGEN

Artikel 39

Uitvoeringsmaatregelen voor en wijzigingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen en verordeningen

1.  De Commissie stelt de voor de uitvoering van de bepalingen van een bijzondere richtlijn of verordening vereiste maatregelen vast overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende bijzondere richtlijn of verordening vastgesteld.

2.  De Commissie stelt wijzigingen vast van de bijlagen bij deze richtlijn of van de bepalingen van de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen, die nodig zijn om deze aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis of aan de specifieke behoeften van personen met een handicap aan te passen.

3.  De Commissie stelt wijzigingen vast van deze richtlijn die nodig zijn om technische voorschriften vast te stellen voor in kleine series gebouwde voertuigen, in het kader van een individuele goedkeuringsprocedure goedgekeurde voertuigen en voertuigen voor speciale doeleinden.

4.  Wanneer de Commissie kennis krijgt van ernstige risico’s voor weggebruikers of voor het milieu die tot spoedmaatregelen nopen, kan zij de bepalingen van de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen wijzigen.

5.  De Commissie stelt wijzigingen vast die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van goed bestuur, en in het bijzonder om te zorgen voor samenhang tussen de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen onderling of tussen die richtlijnen of verordeningen en andere communautaire wetsteksten.

6.  Wanneer uit hoofde van Besluit 97/836/EG nieuwe VN/ECE-reglementen of wijzigingen van bestaande VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden, worden aangenomen, wijzigt de Commissie de bijlagen bij deze richtlijn dienovereenkomstig.

7.  Elke nieuwe bijzondere richtlijn of verordening bevat de passende wijzigingen van de bijlagen bij de onderhavige richtlijn.

8.  De bijlagen bij deze richtlijn kunnen worden gewijzigd door middel van verordeningen.

9.  De in dit artikel bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, daar zij bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of van de bijzondere richtlijnen en verordeningen, onder meer door aanvulling daarvan.

Artikel 40

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité, technisch comité motorvoertuigen (TCMV), genaamd.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde periode wordt vastgesteld op drie maanden.



HOOFDSTUK XVI

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 41

Aanwijzing van technische diensten

1.  Een technische dienst die door een lidstaat wordt aangewezen, voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn.

2.  De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de in deze richtlijn of in een in bijlage IV vermelde regelgeving gespecificeerde inspecties zelf uit of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan. Zij mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet zijn aangewezen.

3.  De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a) categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze richtlijn en in de in bijlage IV vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b) categorie B, technische diensten die toezien op de in deze richtlijn en in de in bijlage IV bij deze richtlijn vermelde regelgevingen bedoelde tests waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c) categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;

d) categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.

4.  De technische diensten tonen aan dat zij beschikken over de gepaste vaardigheden, de specifieke technische kennis en de bewezen ervaring op de specifieke gebieden die onder deze richtlijn en de in bijlage IV vermelde regelgevingen vallen.

Voorts voldoen de technische diensten aan de in aanhangsel 1 bij bijlage V vermelde normen die betrekking hebben op de door hen uitgevoerde activiteiten. Deze vereiste geldt echter niet voor de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure als bedoeld in artikel 25, lid 1.

5.  Een goedkeuringsinstantie kan optreden als technische dienst voor één of meer van de in lid 3 bedoelde activiteiten.

6.  Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van categorie A met betrekking tot de in bijlage XV vermelde regelgevingen.

De Commissie wijzigt de lijst van deze regelgevingen waar nodig volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

7.  De in de leden 5 en 6 bedoelde entiteiten voldoen aan de bepalingen van dit artikel.

8.  Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig lid 6 zijn aangewezen, kunnen, volgens artikel 43, alleen worden aangemeld in het kader van een bilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land.

Artikel 42

Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

1.  De in artikel 41 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door een bevoegde instantie opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.

2.  De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage V.

Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.

3.  Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt.

4.  De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.

Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs. Deze controleurs kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij onafhankelijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

5.  Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.

Artikel 43

Aanmeldingsprocedures

1.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke aangewezen technische dienst. Zij stellen de Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.

In de aanmelding wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.

2.  Een technische dienst kan de in artikel 41 beschreven activiteiten voor de typegoedkeuring alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.

3.  Dezelfde technische dienst kan door verschillende lidstaten worden aangewezen en aangemeld, ongeacht de categorie van activiteiten die deze dienst uitoefent.

4.  Wanneer een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan moet worden aangewezen waarvan de activiteit niet onder artikel 41 valt, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel.

5.  De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties en de technische diensten op haar website.



HOOFDSTUK XVII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 44

Overgangsbepalingen

1.  In afwachting van de nodige wijzigingen van deze richtlijn om er voertuigen in op te nemen die nog niet onder deze richtlijn vallen, om de bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van in kleine series gebouwde voertuigen die niet tot categorie M1 behoren, aan te vullen en om geharmoniseerde bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voor de individuele-goedkeuringsprocedure vast te stellen, en in afwachting van het verstrijken van de in artikel 45 bedoelde overgangstermijnen, verlenen de lidstaten aan deze voertuigen nog steeds nationale goedkeuring, mits deze gebaseerd is op de in deze richtlijn vastgestelde geharmoniseerde technische voorschriften.

2.  Op verzoek van de fabrikant of, in geval van individuele goedkeuring, van de eigenaar van het voertuig en na indiening van de vereiste informatie vult de desbetreffende lidstaat het typegoedkeuringscertificaat of het individuelegoedkeuringscertificaat in en geeft hij het af. Het certificaat wordt aan de aanvrager afgegeven.

Voor voertuigen van hetzelfde type aanvaarden de overige lidstaten een gewaarmerkt afschrift als bewijs dat de voorgeschreven tests zijn uitgevoerd.

3.  Wanneer een bepaald voertuig waaraan individuele goedkeuring is verleend, in een andere lidstaat moet worden geregistreerd, mag die lidstaat de goedkeuringsinstantie die de individuele goedkeuring heeft verleend, nadere informatie vragen over de aard van de technische voorschriften waaraan dat voertuig voldoet.

4.  In afwachting van de harmonisatie van de registratiesystemen en belastingstelsels in de lidstaten met betrekking tot onder deze richtlijn vallende voertuigen, mogen de lidstaten de nationale codes gebruiken om de registratie en belastingheffing op hun grondgebied te vergemakkelijken. Hiertoe mogen de lidstaten de in bijlage III, deel II, getoonde uitvoeringen opsplitsen, mits de gegevens die voor de opsplitsing worden gebruikt, uitdrukkelijk in het informatiepakket zijn vermeld of met een eenvoudige berekening daaruit kunnen worden afgeleid.

Artikel 45

Toepassingsdata voor de EG-typegoedkeuring

1.  Wat de EG-typegoedkeuring betreft, verlenen de lidstaten EG-goedkeuring aan nieuwe voertuigtypes vanaf de in bijlage XIX vermelde data.

2.  Op verzoek van de fabrikant mogen de lidstaten EG-goedkeuring verlenen aan nieuwe voertuigtypes vanaf 29 april 2009.

3.  Tot de in de vierde kolom van de tabel in bijlage XIX vermelde data is artikel 26, lid 1, niet van toepassing op nieuwe voertuigen waaraan vóór de in de derde kolom vermelde data nationale goedkeuring is verleend of waarvoor geen goedkeuring bestond.

4.  Op verzoek van de fabrikant blijven de lidstaten tot de in de derde kolom van rijen 6 en 9 van de tabel in bijlage XIX genoemde tijdstippen als alternatief voor EG-typegoedkeuring voor voertuigen nationale typegoedkeuring verlenen voor voertuigen van de categorieën M2 of M3, mits voor die voertuigen en hun systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de in deel I van bijlage IV bij deze richtlijn opgesomde regelgevingen.

5.  Deze richtlijn leidt niet tot de ongeldigheid van een EG-typegoedkeuring die vóór 29 april 2009 aan voertuigen van categorie M1 is verleend en belet niet dat een dergelijke goedkeuring wordt uitgebreid.

6.  Wat de EG-goedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden betreft, passen de lidstaten deze richtlijn toe vanaf 29 april 2009.

Deze richtlijn leidt niet tot de ongeldigheid van een EG-typegoedkeuring die vóór 29 april 2009 aan systemen, onderdelen of technische eenheden is verleend en belet niet dat een dergelijke goedkeuring wordt uitgebreid.

Artikel 46

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze richtlijn, met name van de verbodsbepalingen in of als gevolg van artikel 31, en van de in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen en zij treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van die sancties. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 29 april 2009 in kennis van de desbetreffende bepalingen en delen haar alle latere wijzigingen zo spoedig mogelijk mee.

Artikel 47

Evaluatie

1.  Uiterlijk 29 april 2011 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde typegoedkeuringsprocedures en met name over de toepassing van de meerfasenprocedure. De Commissie stelt, in voorkomend geval, de wijzigingen voor die nodig worden geacht om de typegoedkeuringsprocedure te verbeteren.

2.  Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 29 oktober 2011 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn. In voorkomend geval kan de Commissie uitstel van de in artikel 45 vermelde toepassingsdata voorstellen.

Artikel 48

Omzetting

1.  De lidstaten dienen voor 29 april 2009 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan de inhoudelijke wijzigingen van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 29 april 2009.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen of verwijzing wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 49

Intrekking

Richtlijn 70/156/EEG wordt met ingang van 29 april 2009 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XXI.

Artikel 50

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 51

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage I

Volledige lijst van de te verstrekken informatie met het oog op EG-typegoedkeuring van voertuigen, onderdelen of technische eenheden

Bijlage II

Algemene definities, criteria voor de indeling in voertuigcategorieën, voertuigtypen en carrosserietypen

Aanhangsel 1:

Controleprocedure voor de indeling van een voertuig als terreinvoertuig

Aanhangsel 2:

Aanvullende cijfers voor de codes voor de verschillende soorten carrosserie

Bijlage III

Inlichtingenformulier voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Bijlage IV

Voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Aanhangsel 1:

Regelgevingen voor de EG-typegoedkeuring van overeenkomstig artikel 22 in kleine series geproduceerde voertuigen

Aanhangsel 2:

Voorschriften voor de goedkeuring krachtens artikel 24 van complete voertuigen van de categorieën M1 en N1 die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen

Bijlage V

Procedures voor de EG-typegoedkeuring

Aanhangsel 1:

Normen waaraan de in artikel 41 bedoelde entiteiten moeten voldoen

Aanhangsel 2:

Procedure voor de beoordeling van de technische diensten

Aanhangsel 3:

Algemene voorschriften betreffende de indeling van de testrapporten

Bijlage VI

Modellen van het typegoedkeuringscertificaat

Aanhangsel:

Lijst van regelgevingen waaraan het voertuigtype voldoet

Bijlage VII

Nummeringssysteem voor EG-typegoedkeuringscertificaten

Aanhangsel:

EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen en technische eenheden

Bijlage VIII

Testresultaten

Bijlage IX

EG-certificaat van overeenstemming

Bijlage X

Procedures voor de conformiteit van de productie

Bijlage XI

Voertuigen voor speciale doeleinden: soort en bepalingen voor de eg- typegoedkeuring

Aanhangsel 1:

Kampeerwagens, ambulances en lijkwagens

Aanhangsel 2:

Gepantserde voertuigen

Aanhangsel 3

Voor rolstoelen toegankelijke voertuigen

Aanhangsel 4:

Overige voertuigen voor speciale doeleinden (inclusief speciale groep, multifunctionele werktuigdragers en caravans)

Aanhangsel 5:

Mobiele kranen

Aanhangsel 6:

Voertuigen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen

Bijlage XII

Beperkingen voor kleine series en restantvoorraden

Bijlage XIII

Lijst van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, de prestatie-eisen ervan, de passende testprocedures en de voorschriften inzake het merken en het verpakken

Bijlage XIV

Lijst van op grond van regelgevingen afgegeven EG-typegoedkeuringen

Bijlage XV

Regelgevingen waarvoor een fabrikant als technische dienst kan worden aangewezen

Aanhangsel:

Aanwijzing van een fabrikant als technische dienst

Bijlage XVI

Specifieke voorwaarden voor virtuele testmethoden en regelgevingen waarvoor virtuele testmethoden mogen worden gebruikt door een fabrikant of een technische dienst

Aanhangsel 1:

Algemene voorwaarden voor virtuele testmethoden

Aanhangsel 2:

Specifieke voorwaarden voor virtuele testmethoden

Aanhangsel 3:

Validering

Bijlage XVII

Procedures voor de EG-meerfasentypegoedkeuring

Aanhangsel:

Model van de extra plaat van de fabrikant

Bijlage XIX

Tijdschema voor de uitvoering van deze richtlijn met betrekking tot de typegoedkeuring

Bijlage XX

Termijnen voor de omzetting van de ingetrokken richtlijnen/verordeningen in nationaal recht

Bijlage XXI

Concordantietabel

▼M1




BIJLAGE I

▼M25

VOLLEDIGE LIJST VAN DE TE VERSTREKKEN INFORMATIE MET HET OOG OP EG-TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN, ONDERDELEN OF TECHNISCHE EENHEDEN ( 14 )

▼M1

Alle in deze richtlijn en in bijzondere richtlijnen of verordeningen bedoelde informatiedocumenten zijn uitsluitend uittreksels uit deze volledige lijst en houden de nummering ervan aan.

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een lijst van de opgenomen elementen. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto’s zijn voldoende details te zien.

Indien de in deze bijlage bedoelde systemen, onderdelen en technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, worden gegevens over de prestaties verstrekt.

0.   ALGEMENE GEGEVENS

0.1. Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2. Type: …

0.2.0.1. Chassis: …

0.2.0.2. Carrosserie/compleet voertuig: …

0.2.1. Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): …

▼M23

0.2.2. Voor in meer fasen goedgekeurde voertuigen, typegoedkeuringsinformatie van het basisvoertuig/het voertuig van de voorafgaande fase (vermeld de gegevens voor elke fase; dit kan met een matrix worden gedaan): …

Type:

Variant(en):

Uitvoering(en):

Typegoedkeuringsnummer, inclusief uitbreidingsnummer

▼M25

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid aangebracht (14)  ( 15 ): …

▼M1

0.3.0.1. Chassis: …

0.3.0.2. Carrosserie/compleet voertuig: …

0.3.1. Plaats van dat merkteken: …

0.3.1.1. Chassis: …

0.3.1.2. Carrosserie/compleet voertuig: …

0.4. Categorie waartoe het voertuig behoort ( 16 ): …

0.4.1. Indeling(en) op basis van de gevaarlijke goederen die het voertuig moet vervoeren: …

▼M15

0.5. Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …

▼M23

0.5.1. Voor in meer fasen goedgekeurde voertuigen, bedrijfsnaam en adres van de fabrikant van het basisvoertuig/het voertuig van de voorafgaande fase: …

▼M1

0.6. Plaats en wijze van aanbrenging van de voorgeschreven platen en plaats van het voertuigidentificatienummer: …

0.6.1. Op het chassis: …

0.6.2. Op de carrosserie: …

0.7. (Niet gebruikt)

0.8. Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9. Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

▼M25

1.   ALGEMENE BOUWKENMERKEN

1.1. Foto's en/of tekeningen van een representatief voertuig/onderdeel/technische eenheid (16) :

▼M1

1.2. Maattekening van het gehele voertuig: …

1.3. Aantal assen en wielen: …

1.3.1. Aantal en plaats van de assen met dubbellucht: …

1.3.2. Aantal en plaats van de gestuurde assen: …

1.3.3. Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding): …

1.4. Chassis (indien aanwezig) (overzichtstekening): …

1.5. Materiaal van de langsbalken ( 17 ): …

1.6. Plaats en opstelling van de motor: …

1.7. Stuurcabine (front of normaal) ( 18 ): …

1.8. Kant van het stuur: rechts/links ( 19 ).

1.8.1. Het voertuig is uitgerust om te worden gebruikt in links-/rechtsrijdend verkeer (19) .

▼M15

1.9. Geef aan of het trekkende voertuig bestemd is om een oplegger of andere aanhangwagen te trekken en of die aanhangwagen een oplegger, een autonome aanhangwagen, een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel is: …

▼M15

1.10. Geef aan of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur: …

▼M15

2.   MASSA’S EN AFMETINGEN ( 20 ) ( 21 ) ( 22 )

(in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen):

▼M1

2.1.   Wielbasis of -bases (bij volle belasting) ( 23 )

2.1.1. Tweeassige voertuigen: …

▼M15

2.1.2. Voertuigen met drie of meer assen:

2.1.2.1. Afstand tussen de opeenvolgende assen van de voorste naar de achterste as toe: …

2.1.2.2. Totale asafstand: …

▼M1

2.2.   Koppelschotel

2.2.1. Voor opleggers

2.2.1.1. Afstand tussen het hart van de koppelingspen en het achterste punt van de oplegger: …

2.2.1.2. Maximumafstand tussen het hart van de koppelingspen en een willekeurig punt aan de voorzijde van de oplegger: …

2.2.1.3. Speciale wielbasis van de oplegger (zoals gedefinieerd in punt 7.6.1.2 van bijlage I bij Richtlijn 97/27/EG): …

2.2.2. Voor opleggertrekkers

2.2.2.1. Afstand hart koppelschotel/hart achteras (maximaal en minimaal; de toelaatbare waarden voor een incompleet voertuig aangeven) ( 24 ): …

2.2.2.2. Maximumhoogte van de koppelschotel (genormaliseerd) ( 25 ): …

2.3.   Spoorwijdte en breedte van de assen

2.3.1. Spoorwijdte van elke gestuurde as ( 26 ): …

2.3.2. Spoorwijdte van alle andere assen (26) : …

2.3.3. Breedte van de breedste achteras: …

2.3.4. Breedte van de voorste as (gemeten aan de buitenzijde van de banden, exclusief de bolling van de banden dichtbij het wegdek): …

2.4.   Bereik van de afmetingen van het voertuig (buitenmaten)

2.4.1. Chassis zonder carrosserie

2.4.1.1. Lengte ( 27 ): …

2.4.1.1.1. Maximaal toelaatbare lengte: …

2.4.1.1.2. Minimaal toelaatbare lengte: …

2.4.1.1.3. Bij aanhangwagens, maximaal toelaatbare lengte van de trekstang ( 28 ): …

2.4.1.2. Breedte ( 29 ): …

2.4.1.2.1. Maximaal toelaatbare breedte: …

2.4.1.2.2. Minimaal toelaatbare breedte: …

2.4.1.3. Hoogte (in rijklare toestand) ( 30 ) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

2.4.1.4. Vooroverbouw ( 31 ): …

2.4.1.4.1. Oploophoek ( 32 ): …… graden.

2.4.1.5. Achteroverbouw ( 33 ): …

2.4.1.5.1. Afloophoek ( 34 ): …… graden.

2.4.1.5.2. Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelingspunt ( 35 ): …

2.4.1.6. Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in bijlage II, hoofdstuk A, punt 4.5)

2.4.1.6.1. Tussen de assen: …

2.4.1.6.2. Onder de vooras(sen): …

2.4.1.6.3. Onder de achteras(sen): …

2.4.1.7. Hellingshoek ( 36 ): …… graden

2.4.1.8. Toelaatbare uiterste posities van het zwaartepunt van de carrosserie en/of de binneninrichting en/of de uitrusting en/of de nuttige lading: …

2.4.2. Chassis met carrosserie

2.4.2.1. Lengte (36) : …

2.4.2.1.1. Lengte van de laadruimte: …

2.4.2.1.2. Bij aanhangwagens, maximaal toelaatbare lengte van de trekstang (36) : …

2.4.2.2. Breedte (36) : …

2.4.2.2.1. Dikte van de wanden (bij voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur): …

2.4.2.3. Hoogte (in rijklare toestand) (36)  (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

2.4.2.4. Vooroverbouw (36) : …

2.4.2.4.1. Oploophoek (36) : …… graden

2.4.2.5. Achteroverbouw (36) : …

2.4.2.5.1. Afloophoek (36) : …… graden

2.4.2.5.2. Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelingspunt (36) : …

2.4.2.6. Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in bijlage II, hoofdstuk A, punt 4.5)

2.4.2.6.1. Tussen de assen: …

2.4.2.6.2. Onder de vooras(sen): …

2.4.2.6.3. Onder de achteras(sen): …

2.4.2.7. Hellingshoek (36) : …… graden.

2.4.2.8. Toelaatbare uiterste posities van het zwaartepunt van de lading (bij een niet-gelijkmatig verdeelde lading): …

2.4.2.9. Plaats van het zwaartepunt van het voertuig (M2 en M3) bij zijn technisch toelaatbare maximummassa in lengte-, dwars- en verticale richting): …

2.4.3. Voor carrosserie goedgekeurd zonder chassis (voertuigen van de categorieën M2 en M3)

2.4.3.1. Lengte (36) : …

2.4.3.2. Breedte (36) : …

2.4.3.3. Nominale hoogte (in rijklare toestand) (36)  van het (de) bedoelde chassistype(n) (bij in de hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven): …

▼M15

2.5.  Minimummassa op de gestuurde as(sen) voor incomplete voertuigen:

2.6.    Massa in rijklare toestand ( 37 )

a) minimum en maximum voor elke variant: …

b) massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …

2.6.1. Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger, een middenasaanhangwagen of een aanhangwagen met stijve dissel, de massa op het koppelpunt: …

a) minimum en maximum voor elke variant: …

b) massa van elke uitvoering (er moet een matrix worden opgesteld): …

▼M15

2.6.2. Massa van de optionele uitrusting (zie de definitie in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie ( 38 ): …

▼M1

2.7.  Minimummassa van het voltooide voertuig volgens fabrieksopgave in het geval van een incompleet voertuig: …

2.7.1. Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de massa op het koppelingspunt: …

2.8.  Technisch toelaatbare maximummassa volgens fabrieksopgave ( 39 ) ( 40 ): …

2.8.1. Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (40) : …

2.9.  Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as:

▼M15

2.10.  Technisch toelaatbare massa op iedere groep assen: …

2.11.  Technisch toelaatbare getrokken maximummassa van het trekkende voertuig

in het geval van een:

▼M1

2.11.1. Autonome aanhangwagen: …

2.11.2. Oplegger: …

2.11.3. Middenasaanhangwagen: …

2.11.3.1. Maximumverhouding tussen koppelingsoverhang ( 41 ) en wielbasis: …

2.11.3.2. Maximale V-waarde: …… kN

▼M15

2.11.4. Aanhangwagen met stijve dissel: …

2.11.5. Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van de combinatie (41) : …

▼M1

2.11.6. Maximummassa van niet-beremde aanhangwagens: …

▼M15

2.12.    Technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt:

2.12.1. van een trekkend voertuig: …

2.12.2. van een oplegger, middenasaanhangwagen of autonome aanhangwagen: …

▼M1

2.12.3. Maximaal toelaatbare massa van de koppelinrichting (indien deze niet door de fabrikant is gemonteerd): …

2.13.  Uitzwaai van de achterkant (Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punten 7.6.2 en 7.6.3): …

2.14.  Verhouding tussen motorvermogen en maximummassa: ….. kW/kg.

2.14.1. Verhouding tussen motorvermogen en technisch toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie in beladen toestand (Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punt 7.10): …… kW/kg.

2.15.  Startvermogen op een helling (voertuig zonder aanhanger) ( 42 ): …… %.

▼M15

2.16.    Maximaal toelaatbare massa’s bij registratie/in het verkeer brengen (facultatief)

2.16.1. Maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.2. Maximaal toelaatbare massa op elke as bij registratie/in het verkeer brengen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de door de fabrikant opgegeven beoogde belasting op het koppelpunt indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelpunt: …

2.16.3. Maximaal toelaatbare massa op elke groep assen bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.4. Maximaal toelaatbare getrokken massa bij registratie/in het verkeer brengen: …

2.16.5. Maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in het verkeer brengen: …

▼M16

2.17.

Voertuig dat voor meerfasentypegoedkeuring ter beschikking wordt gesteld (alleen voor incomplete of voltooide voertuigen van categorie N1 binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 715/2007): ja/neen (42) 

2.17.1.

Massa van het basisvoertuig in rijklare toestand: … kg

2.17.2.

Standaard toegevoegde massa, berekend overeenkomstig punt 5 van bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008: … kg

▼M1

3.   MOTOR ( 43 )

3.1.   Fabrikant van de motor: …

3.1.1. Motorcode van de fabrikant (zoals vermeld op de motor, of ander identificatiemiddel): …

3.1.2. Goedkeuringsnummer (in voorkomend geval), inclusief brandstofidentificatiemarkering: …

(alleen voor zware bedrijfsvoertuigen)

3.2.   Verbrandingsmotor

3.2.1.   Specifieke gegevens over de motor

▼M21

3.2.1.1. Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking/dualfuel (43) 

Cyclus: viertakt/tweetakt/draaizuiger (43) 

▼M21

3.2.1.1.1. Type dualfuelmotor: type 1A/1B/2A/2B/3B (43)  ( 44 )

3.2.1.1.2. Gasenergieverhouding tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus: … %

▼M1

3.2.1.2. Aantal en opstelling van de cilinders: …

3.2.1.2.1. Boring ( 45 ): …… mm

3.2.1.2.2. Slag (45) : …… mm

3.2.1.2.3. Ontstekingsvolgorde: …

3.2.1.3. Cilinderinhoud ( 46 ): …… cm3

3.2.1.4. Volumetrische compressieverhouding ( 47 ): …

3.2.1.5. Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, in het geval van motoren met elektrische ontsteking, zuigerveren: …

3.2.1.6. Normaal stationair toerental (47) : …… min-1

3.2.1.6.1. Hoog stationair toerental (47) : …… min-1

▼M21

3.2.1.6.2. Stationair draaien op diesel: ja/neen (47)  (47) 

▼M1

3.2.1.7. Volumepercentage koolmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair draaiende motor (47) : … % volgens fabrieksopgave (alleen voor motoren met elektrische ontsteking)

3.2.1.8. Nettomaximumvermogen ( 48 ): … kW bij … min-1 (volgens fabrieksopgave)

3.2.1.9. Maximaal toegestaan motortoerental volgens fabrieksopgave: … min-1

3.2.1.10. Nettomaximumkoppel (48) : …… Nm bij …… min-1 (volgens fabrieksopgave)

▼M11

3.2.1.11. (Alleen Euro VI) Verwijzingen van de fabrikant naar het bij de artikelen 5, 7 en 9 van Verordening (EU) nr. 582/2011 voorgeschreven documentatiepakket op grond waarvan de goedkeuringsinstantie een oordeel kan vellen over de emissiebeheersingsstrategieën en de systemen aan boord van het voertuig en van de motor voor de juiste werking van NOx-beperkingsmaatregelen

▼M1

3.2.2.   Brandstof

▼M21

3.2.2.1. Lichte voertuigen: diesel/benzine/lpg/aardgas of biomethaan/ethanol (E 85)/biodiesel/waterstof/H2NG (48)  ( 49 )

3.2.2.2. Zware voertuigen: diesel/benzine/lpg/NG-H/NG-L/NG-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/lng/lng20 (49)  (49) 

▼M11

3.2.2.2.1. (Alleen Euro VI) Brandstoffen die voor de motor kunnen worden gebruikt zoals opgegeven door de fabrikant overeenkomstig punt 1.1.2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011 (naargelang het geval)

▼M1

3.2.2.3. Opening brandstoftank: vernauwde opening/sticker (49) 

3.2.2.4. Voertuigbrandstof type: monofuel, bifuel, flexfuel (49) 

3.2.2.5. Maximaal aanvaardbare hoeveelheid biobrandstof in de brandstof (volgens fabrieksopgave): …… vol.-%

3.2.3.   Brandstoftank(s)

3.2.3.1. Bedrijfsbrandstoftank(s)

3.2.3.1.1. Aantal en inhoud van elke tank: …

3.2.3.1.1.1. Materiaal: …

3.2.3.1.2. Tekening en technische beschrijving van de tank(s) met alle verbindingen en alle leidingen van het ontluchtings- en ventilatiesysteem, vergrendeling, kleppen, bevestigingsmiddelen: …

3.2.3.1.3. Tekening waarop duidelijk de plaats(en) van de tank(s) in het voertuig is (zijn) aangegeven: …

3.2.3.2. Reservebrandstoftank(s)

3.2.3.2.1. Aantal en inhoud van elke tank: …

3.2.3.2.1.1. Materiaal: …

3.2.3.2.2. Tekening en technische beschrijving van de tank(s) met alle verbindingen en alle leidingen van het ontluchtings- en ventilatiesysteem, vergrendeling, kleppen, bevestigingsmiddelen: …

3.2.3.2.3. Tekening waarop duidelijk de plaats(en) van de tank(s) in het voertuig is (zijn) aangegeven: …

3.2.4.   Brandstoftoevoer

3.2.4.1. Via carburateur(s): ja/neen (49) 

▼M21

3.2.4.2. Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking of dualfuel): ja/neen (49) 

▼M1

3.2.4.2.1. Beschrijving van het systeem: …

3.2.4.2.2. Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (49) 

3.2.4.2.3. Inspuitpomp

3.2.4.2.3.1. Merk(en): …

3.2.4.2.3.2. Type(n): …

3.2.4.2.3.3. Maximale brandstofopbrengst (49)  (49) : … mm3/slag of cyclus bij een motortoerental van … min-1 of eventueel karakteristiek schema: …

(Als aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden, alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental)

3.2.4.2.3.4. Vast inspuittijdstip (49) : …

3.2.4.2.3.5. Inspuitvervroegingscurve (49) : …

3.2.4.2.3.6. Kalibreringsmethode: testbank/motor (49) 

3.2.4.2.4. Regulateur

3.2.4.2.4.1. Type: …

3.2.4.2.4.2. Uitschakelingspunt

3.2.4.2.4.2.1. Uitschakelingspunt onder belasting: …… min-1

3.2.4.2.4.2.2. Uitschakelingspunt zonder belasting: …… min-1

3.2.4.2.4.2.3. Stationair toerental: …… min-1

3.2.4.2.5. Inspuitleidingen (alleen voor zware bedrijfsvoertuigen)

3.2.4.2.5.1. Lengte: …… mm

3.2.4.2.5.2. Inwendige diameter: …… mm

3.2.4.2.5.3. Common rail, merk en type: …

3.2.4.2.6. Inspuiter(s)

3.2.4.2.6.1. Merk(en): …

3.2.4.2.6.2. Type(n): …

3.2.4.2.6.3. Openingsdruk (49) : …… kPa of karakteristiek schema (49) : …

3.2.4.2.7. Koudstartsysteem

3.2.4.2.7.1. Merk(en): …

3.2.4.2.7.2. Type(n): …

3.2.4.2.7.3. Beschrijving: …

3.2.4.2.8. Hulpstartsysteem

3.2.4.2.8.1. Merk(en): …

3.2.4.2.8.2. Type(n): …

3.2.4.2.8.3. Beschrijving van het systeem: …

3.2.4.2.9. Elektronische inspuiting: ja/neen (49) 

3.2.4.2.9.1. Merk(en): …

3.2.4.2.9.2. Type(n):

3.2.4.2.9.3 Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken): …

3.2.4.2.9.3.1. Merk en type van de regeleenheid (ECU): …

3.2.4.2.9.3.2. Merk en type van de brandstofregelaar: …

3.2.4.2.9.3.3. Merk en type van de luchtmassasensor: …

3.2.4.2.9.3.4. Merk en type van de brandstofverdelerpomp: …

3.2.4.2.9.3.5. Merk en type van het smoorklephuis: …

3.2.4.2.9.3.6. Merk en type van de watertemperatuursensor: …

3.2.4.2.9.3.7. Merk en type van de luchttemperatuursensor: …

3.2.4.2.9.3.8. Merk en type van de luchtdruksensor: …

3.2.4.2.9.3.9. Softwarekalibratienummer(s): …

3.2.4.3. Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/neen (49) 

3.2.4.3.1. Werkingsprincipe: inlaatspuitstuk (monopoint/multipoint/directe inspuiting (49)  /andere (specificeren): …

3.2.4.3.2. Merk(en): …

3.2.4.3.3. Type(n): …

3.2.4.3.4. Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken): …

3.2.4.3.4.1. Merk en type van de regeleenheid (ECU): …

3.2.4.3.4.2. Merk en type van de brandstofregelaar: …

3.2.4.3.4.3. Merk en type van de luchtmassasensor: …

3.2.4.3.4.4. Merk en type van de brandstofverdelerpomp: …

3.2.4.3.4.5. Merk en type van de drukregelaar: …

3.2.4.3.4.6. Merk en type van de microschakelaar: …

3.2.4.3.4.7. Merk en type van de instelschroef voor stationair draaien: …

3.2.4.3.4.8. Merk en type van het smoorklephuis: …

3.2.4.3.4.9. Merk en type van de watertemperatuursensor: …

3.2.4.3.4.10. Merk en type van de luchttemperatuursensor: …

3.2.4.3.4.11. Merk en type van de luchtdruksensor: …

3.2.4.3.4.12. Softwarekalibratienummer(s): …

3.2.4.3.5. Inspuiters: openingsdruk (49) : … kPa of karakteristiek schema: …

3.2.4.3.5.1. Merk: …

3.2.4.3.5.2. Type: …

3.2.4.3.6. Inspuitduur: …

3.2.4.3.7. Koudstartsysteem

3.2.4.3.7.1. Werkingsprincipe(s): …

3.2.4.3.7.2. Bedrijfsgrenzen/instellingen (49)  (49) : …

3.2.4.4. Brandstofpomp

3.2.4.4.1. Druk (49) : … kPa of karakteristiek schema (49) : …

3.2.5.   Elektrische installatie

3.2.5.1. Nominale spanning: …… V, positieve/negatieve (49)  massaverbinding

3.2.5.2. Generator

3.2.5.2.1. Type: …

3.2.5.2.2. Nominaal vermogen: …… VA

3.2.6.   Ontstekingssysteem (alleen motoren met elektrische ontsteking)

3.2.6.1. Merk(en): …

3.2.6.2. Type(n): …

3.2.6.3. Werkingsprincipe: …

3.2.6.4. Ontstekingsvervroegingscurve of -diagram (49) : …

3.2.6.5. Vast ontstekingsstijdstip (49) : …… graden vóór BDP

3.2.6.6. Bougies

3.2.6.6.1. Merk: …

3.2.6.6.2. Type: …

3.2.6.6.3. Elektrodenafstand: …… mm

3.2.6.7. Bobine(s)

3.2.6.7.1. Merk: …

3.2.6.7.2. Type: …

3.2.7.   Koelsysteem: vloeistof/lucht (49) 

3.2.7.1. Nominale instelling van het motortemperatuurregelmechanisme: …

3.2.7.2. Vloeistof

3.2.7.2.1. Aard van de vloeistof: …

3.2.7.2.2. Circulatiepomp(en): ja/neen (49) 

3.2.7.2.3. Kenmerken: ………. of

3.2.7.2.3.1. Merk(en): …

3.2.7.2.3.2. Type(n): …

3.2.7.2.4. Aandrijvingsverhouding(en): …

3.2.7.2.5. Beschrijving van de ventilator en het drijfwerk ervan: …

3.2.7.3. Lucht

3.2.7.3.1. Ventilator: ja/neen (49) 

3.2.7.3.2. Kenmerken: …… of

3.2.7.3.2.1. Merk(en): …

3.2.7.3.2.2. Type(n): …

3.2.7.3.3. Aandrijvingsverhouding(en): …

3.2.8.   Inlaatsysteem

3.2.8.1. Drukvulling: ja/neen (49) 

3.2.8.1.1. Merk(en): …

3.2.8.1.2. Type(n): …

3.2.8.1.3. Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk: …… kPa; afvoerklep, indien van toepassing): …

3.2.8.2. Tussenkoeler: ja/neen (49) 

3.2.8.2.1. Type: lucht-lucht/lucht-water (49) 

3.2.8.3. Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en 100 % belasting (alleen voor motoren met compressieontsteking)

3.2.8.3.1. Toelaatbaar minimum: ..…. kPa

3.2.8.3.2. Toelaatbaar maximum: ..…. kPa

▼M11

3.2.8.3.3. (Alleen Euro VI) Feitelijke onderdruk in het inlaatsysteem bij nominaal motortoerental en 100 % belasting van het voertuig: kPa

▼M1

3.2.8.4. Beschrijving en tekeningen van inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten enz.): …

3.2.8.4.1. Beschrijving van inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto’s): …

3.2.8.4.2. Luchtfilter, tekeningen: … of

3.2.8.4.2.1. Merk(en): …

3.2.8.4.2.2. Type(n): …

3.2.8.4.3. Inlaatgeluiddemper, tekeningen: …… of

3.2.8.4.3.1. Merk(en): …

3.2.8.4.3.2. Type(n): …

3.2.9.   Uitlaatsysteem

3.2.9.1. Beschrijving en/of tekening van het uitlaatspruitstuk: …

3.2.9.2. Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem: …

▼M21

3.2.9.2.1. (Alleen Euro VI) Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die een deel van het motorsysteem vormen

▼M1

3.2.9.3. Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen voor motoren met compressieontsteking): …… kPa

▼M11

3.2.9.3.1. (Alleen Euro VI) Feitelijke uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en 100 % belasting van het voertuig (alleen voor motoren met compressieontsteking): … kPa

▼M1

3.2.9.4. Type en merk van de uitlaatgeluiddemper(s): …

Indien relevant voor het buitengeluid: geluiddempende maatregelen in de motorruimte en op de motor: …

3.2.9.5. Plaats van het uiteinde van de uitlaat: …

3.2.9.6. Uitlaatgeluiddemper met vezelmaterialen: …

▼M21

3.2.9.7. Inhoud van het volledige uitlaatsysteem: … dm3

3.2.9.7.1. (Alleen Euro VI) Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem: … dm3

▼M21

3.2.9.7.2. (Alleen Euro VI) Inhoud van het uitlaatsysteem die een deel van het motorsysteem vormt: … dm3

▼M1

3.2.10.  Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten:

3.2.11.   Klepafstelling of equivalente gegevens

3.2.11.1. Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de afstelling van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van dode punten. Bij variabele kleptiming, de minimum- en maximumtiming: …

3.2.11.2. Referentie- en/of afstelbereik (49) : …

3.2.12.   Voorzieningen tegen luchtverontreiniging

3.2.12.1. Inrichting voor het recycleren van cartergassen (beschrijving en tekeningen): …

▼M11

3.2.12.1.1. (Alleen Euro VI) Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/neen (2)

Indien ja: beschrijving en tekeningen:

Indien neen: conformiteit met bijlage V bij Verordening (EU) nr. 582/2011 vereist

▼M1

3.2.12.2. Extra voorzieningen tegen luchtverontreiniging (indien aanwezig en niet elders vermeld)

3.2.12.2.1. Katalysator: ja/neen (49) 

3.2.12.2.1.1. Aantal katalysatoren en elementen (onderstaande informatie voor elke afzonderlijke eenheid verstrekken): …

3.2.12.2.1.2. Afmetingen, vorm en volume van de katalysator(en): …

3.2.12.2.1.3. Soort katalytische werking: …

3.2.12.2.1.4. Totale hoeveelheid edelmetalen: …

3.2.12.2.1.5. Relatieve concentratie: …

3.2.12.2.1.6. Ondergrond (structuur en materiaal): …

3.2.12.2.1.7. Celdichtheid: …

3.2.12.2.1.8. Type katalysatorhuis: …

3.2.12.2.1.9. Plaats van katalysatoren (plaats en referentieafstand in de uitlaatpijp): …

3.2.12.2.1.10. Hitteschild: ja/neen (49) 

3.2.12.2.1.11. Regeneratiesystemen/-methode van de uitlaatnabehandelingssystemen, beschrijving: …

3.2.12.2.1.11.1. Aantal bedrijfscycli van type I (of gelijkwaardige cycli op een motortestbank) tussen twee cycli waarin zich regeneratiefasen voordoen onder gelijkwaardige omstandigheden als de test van type I (afstand „D” in figuur 1 van bijlage 13 bij VN/ECE-Reglement nr. 83): …

3.2.12.2.1.11.2. Beschrijving van de toegepaste methode om het aantal cycli tussen twee cycli waarin zich regeneratiefasen voordoen, te bepalen: …

3.2.12.2.1.11.3. Parameters om te bepalen welk belastingniveau nodig is alvorens regeneratie optreedt (temperatuur, druk enz.): …

3.2.12.2.1.11.4. Beschrijving van de methode om het systeem te verontreinigen in de in VN/ECE-Reglement nr. 83, bijlage 13, punt 3.1, beschreven testprocedure: …

3.2.12.2.1.11.5. Normaal bedrijfstemperatuurbereik: …… K

3.2.12.2.1.11.6. Verbruiksreagentia: ja/neen (49) 

3.2.12.2.1.11.7. Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking: …

3.2.12.2.1.11.8. Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens: …… K

3.2.12.2.1.11.9. Internationale norm: …

3.2.12.2.1.11.10. Vulfrequentie reagens: continu/bij onderhoud (49) 

3.2.12.2.1.12. Merk van de katalysator: …

3.2.12.2.1.13. Identificatienummer van het onderdeel: …

3.2.12.2.2. Zuurstofsensor: ja/neen (49) 

3.2.12.2.2.1. Merk: …

3.2.12.2.2.2. Plaats: …

3.2.12.2.2.3. Regelbereik: …

3.2.12.2.2.4. Type: …

3.2.12.2.2.5. Identificatienummer van het onderdeel: …

3.2.12.2.3. Luchtinjectie: ja/neen (49) 

3.2.12.2.3.1. Type (pulse air, luchtpomp enz.): …

3.2.12.2.4. Uitlaatgasrecirculatie (EGR): ja/neen (49) 

3.2.12.2.4.1. Kenmerken (merk, type, debiet enz.): …

3.2.12.2.4.2. Watergekoeld systeem: ja/neen (49) 

3.2.12.2.5. Controlesysteem verdampingsemissies: ja/neen (49) 

3.2.12.2.5.1. Gedetailleerde beschrijving van de inrichtingen en de afstelling: …

3.2.12.2.5.2. Tekening van het verdampingscontrolesysteem: …

3.2.12.2.5.3. Tekening van de koolstofhouder: …

3.2.12.2.5.4. Massa van de droge koolstof: …… g

3.2.12.2.5.5. Schematische tekening van de brandstoftank met vermelding van inhoud en materiaal: …

3.2.12.2.5.6. Tekening van het hitteschild tussen brandstoftank en uitlaatsysteem: …

3.2.12.2.6. Deeltjesvanger: ja/neen (49) 

3.2.12.2.6.1. Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger: …

3.2.12.2.6.2. Ontwerp van de deeltjesvanger: …

3.2.12.2.6.3. Plaats (referentieafstand in de uitlaatpijp): …

3.2.12.2.6.4. Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening: …

3.2.12.2.6.4.1. Aantal werkingscycli van type I (of gelijkwaardige cycli op een motortestbank) tussen twee cycli waarin zich regeneratiefasen voordoen onder gelijkwaardige omstandigheden als de test van type I (afstand „D” in figuur 1 van bijlage 13 bij VN/ECE-Reglement nr. 83): …

3.2.12.2.6.4.2. Beschrijving van de toegepaste methode om het aantal cycli tussen twee cycli waarin zich regeneratiefasen voordoen, te bepalen: …

3.2.12.2.6.4.3. Parameters om te bepalen welk belastingniveau nodig is alvorens regeneratie optreedt (temperatuur, druk enz.): …

3.2.12.2.6.4.4 Beschrijving van de methode om het systeem te verontreinigen in de in VN/ECE-Reglement nr. 83, bijlage 13, punt 3.1, beschreven testprocedure: …

3.2.12.2.6.5. Merk van de deeltjesvanger: …

3.2.12.2.6.6. Identificatienummer van het onderdeel: …

3.2.12.2.6.7. Normale bedrijfstemperatuur: …… (K) en normaal drukbereik: …… (KPa)

(alleen voor zware bedrijfsvoertuigen)

3.2.12.2.6.8. In geval van periodieke regeneratie (alleen voor zware bedrijfsvoertuigen)

3.2.12.2.6.8.1. Aantal ETC-testcycli tussen twee regeneraties (n1): … ►M11   (niet van toepassing op Euro VI) ◄

▼M11

3.2.12.2.6.8.1.1. (Alleen Euro VI) Aantal WHTC-testcycli zonder regeneratie (n):

▼M1

3.2.12.2.6.8.2. Aantal ETC-cycli tijdens de regeneratie (n2): … ►M11   (niet van toepassing op Euro VI) ◄

▼M11

3.2.12.2.6.8.2.1. (Alleen Euro VI) Aantal WHTC-testcycli met regeneratie (nR):

3.2.12.2.6.9. Andere systemen: ja/neen (1)

3.2.12.2.6.9.1. Beschrijving en werking

▼M1

3.2.12.2.7. OBD-systeem: ja/neen (49)  …

▼M11

3.2.12.2.7.0.1. (Alleen Euro VI) Aantal OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie

3.2.12.2.7.0.2. Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing)

3.2.12.2.7.0.3. Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort:

3.2.12.2.7.0.4. Verwijzingen van de fabrikant naar de bij artikel 5, lid 4, onder c), en artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 582/2011 voorgeschreven en in bijlage X bij die verordening beschreven OBD-documentatie ter goedkeuring van het OBD-systeem

3.2.12.2.7.0.5. Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor installatie van een motorsysteem met boorddiagnose in een voertuig

3.2.12.2.7.0.6. Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het OBD-systeem van een goedgekeurde motor

▼M21 —————

▼M1

3.2.12.2.7.1. Beschrijving in woorden en/of tekening van de storingsindicator MI: …

3.2.12.2.7.2. Lijst en doel van alle onderdelen die door het OBD-systeem worden bewaakt: …

3.2.12.2.7.3. Beschrijving in woorden (algemene werkingsbeginselen) voor

3.2.12.2.7.3.1. Motoren met elektrische ontsteking …

3.2.12.2.7.3.1.1. Bewaking van de katalysator: …

3.2.12.2.7.3.1.2. Detectie van ontstekingsfouten: …

3.2.12.2.7.3.1.3. Bewaking van de zuurstofsensor: …

3.2.12.2.7.3.1.4. Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen: …

3.2.12.2.7.3.2. Motoren met compressieontsteking: …

3.2.12.2.7.3.2.1. Bewaking van de katalysator: …

3.2.12.2.7.3.2.2. Bewaking van de deeltjesvanger: …

3.2.12.2.7.3.2.3. Bewaking van het elektronisch brandstofsysteem: …

3.2.12.2.7.3.2.4. Bewaking van het NOx-verwijderende systeem: …

3.2.12.2.7.3.2.5. Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen: …

3.2.12.2.7.4. Criteria voor MI-activering (vast aantal rijcycli of statistische methode): …

3.2.12.2.7.5. Lijst van alle gebruikte OBD-uitvoercodes en -formaten (met telkens een verklaring): …

3.2.12.2.7.6. De voertuigfabrikant moet de volgende aanvullende informatie verstrekken om de fabricage van OBD-compatibele vervangings- of onderhoudsonderdelen en van diagnose- en testapparatuur mogelijk te maken.

3.2.12.2.7.6.1. Een beschrijving van het type en het aantal voorconditioneringscycli waaraan het voertuig bij de eerste typegoedkeuring is onderworpen.

3.2.12.2.7.6.2. Een beschrijving van het type OBD-demonstratiecyclus waaraan het voertuig bij de eerste typegoedkeuring is onderworpen met betrekking tot het onderdeel dat door het OBD-systeem wordt bewaakt.

3.2.12.2.7.6.3. Een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die met een sensor worden gemeten in het kader van de strategie voor foutenopsporing en activering van de storingsindicator (vast aantal rijcycli of statistische methode), met inbegrip van een lijst van relevante secundaire parameters voor de sensormeting van elk door het OBD-systeem bewaakt onderdeel. Een lijst van alle OBD-uitvoercodes en -formaten (met telkens een verklaring) die worden gebruikt voor afzonderlijke, emissiegerelateerde onderdelen van de aandrijflijn en voor afzonderlijke, niet-emissiegerelateerde onderdelen, voor zover de bewaking van het onderdeel wordt gebruikt om te bepalen wanneer de storingsindicator wordt geactiveerd, inclusief met name een uitvoerige toelichting op de in modus $05 Test ID $21 tot FF, en in modus $06 verstrekte gegevens.

In het geval van voertuigtypen die gebruikmaken van een communicatielink volgens ISO 15765-4 „Road vehicles — Diagnostics on Controller Area Network (CAN) — Part 4: requirements for emissions-related systems”, moet voor elke bewaakte ID van het OBD-systeem een uitvoerige toelichting worden gegeven op de in modus $06 Test ID $00 tot FF verstrekte gegevens.

3.2.12.2.7.6.4. De hierboven gevraagde informatie kan worden verstrekt door onderstaande tabel in te vullen.

3.2.12.2.7.6.4.1.  Lichte bedrijfsvoertuigen



Onderdeel

Foutcode

Bewakingsstrategie

Foutdetectiecriteria

MI-activeringscriteria

Secundaire parameters

Voorconditionering

Demonstratie test

Katalysator

P0420

Signalen van de zuurstofsensoren 1 en 2

Verschil tussen de signalen van sensor 1 en 2

3e cyclus

Toerentalbelasting van de motor, A/F modus, katalysatortemperatuur

Twee cycli van type I

Type I

3.2.12.2.7.6.4.2.  Zware bedrijfsvoertuigen:



Onderdeel

Foutcode

Bewakingsstrategie

Foutdetectiecriteria

MI-activeringscriteria

Secundaire parameters

Voorconditionering

Demonstratie test

SCR-katalysator

Pxxx

Signalen van de NOx-sensoren 1 en 2

Verschil tussen de signalen van sensor 1 en 2

3e cyclus

Toerentalbelasting van de motor, katalysatortemperatuur, reagensactiviteit

Drie OBD- testcycli (3 korte ESC-cycli)

OBD-testcyclus (korte ESC-cyclus)

▼M21

3.2.12.2.7.6.5. (Alleen Euro VI) Norm voor OBD-communicatieprotocol: ( 50 )

▼M11

3.2.12.2.7.7. (Alleen Euro VI) Verwijzing van de fabrikant naar de bij artikel 5, lid 4, onder d), en artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 582/2011 voorgeschreven OBD-informatie ter naleving van de bepalingen inzake OBD-informatie en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, of

3.2.12.2.7.7.1. Als alternatief voor de in punt 3.2.12.2.7.7 bedoelde verwijzing van de fabrikant, een verwijzing naar het aanhangsel bij het in aanhangsel 4 bij bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011 weergegeven inlichtingenformulier dat de volgende tabel bevat, dat volgens onderstaand voorbeeld is ingevuld:

Onderdeel — Foutcode — Bewakingsstrategie — Foutdetectiecriteria — MI-activeringscriteria — Secundaire parameters — Voorconditionering — Demonstratietest

Katalysator — P0420 — Signalen van de zuurstofsensoren 1 en 2 — Verschil tussen de signalen van sensor 1 en 2 — 3e cyclus — Toerental, belasting van de motor, A/F modus, katalysatortemperatuur — Twee cycli van type 1 — Type 1

▼M21

3.2.12.2.7.8. (Alleen Euro VI) OBD-onderdelen aan boord van het voertuig

3.2.12.2.7.8.0. Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.4.1 van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 582/2011: ja/neen (50) 

3.2.12.2.7.8.1. Lijst van OBD-onderdelen aan boord van het voertuig

3.2.12.2.7.8.2. Beschrijving in woorden en/of tekening van de MI ( 51 )

3.2.12.2.7.8.3. Beschrijving in woorden en/of tekening van de OBD-communicatie-interface buiten het voertuig (51) 

▼M1

3.2.12.2.8. Ander systeem (beschrijving en werking): …

▼M11

3.2.12.2.8.1. (Alleen Euro VI) Systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

▼M21

3.2.12.2.8.2. Aansporingssysteem

▼M21

3.2.12.2.8.2.1 (Alleen Euro VI) Motor met permanente deactivering van het aansporingssysteem, voor gebruik door hulpverleningsdiensten of in de in artikel 2, lid 3, onder b), van deze richtlijn gedefinieerde voertuigen: ja/neen (51) 

3.2.12.2.8.2.2. Activering van de kruipmodus

„uitschakelen na opnieuw starten”/„uitschakelen na tanken”/„uitschakelen na parkeren” (51)  (51) 

▼M11

3.2.12.2.8.3. (Alleen Euro VI) Aantal OBD-motorenfamilies binnen de betrokken motorenfamilie ter waarborging van de correcte werking van NOx-beperkingsmaatregelen

▼M21

3.2.12.2.8.3.1. (Alleen Euro VI) Lijst van de voor het garanderen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen gebruikte OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie (indien van toepassing)

3.2.12.2.8.3.2. (Alleen Euro VI) Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort

▼M21 —————

▼M11

3.2.12.2.8.5. (Alleen Euro VI) Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de basismotor/het familielid behoort

3.2.12.2.8.6. (Alleen Euro VI) Laagste concentratie van het in het reagens aanwezige, werkzame ingrediënt waarmee het waarschuwingssysteem niet wordt geactiveerd (CDmin): vol. %

3.2.12.2.8.7. (Alleen Euro VI) Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor installatie in een voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

▼M21

3.2.12.2.8.8. (Alleen Euro VI) Onderdelen aan boord van het voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx -beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

3.2.12.2.8.8.1. Lijst onderdelen aan boord van het voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx -beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

▼M11

3.2.12.2.8.8.2. Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het systeem waarmee de correcte werking van NOx-beperkingsmaatregelen van een goedgekeurde motor wordt gegarandeerd

▼M21

3.2.12.2.8.8.3. Beschrijving in woorden en/of tekening van het waarschuwingssignaal (51) 

▼M21

3.2.12.2.8.8.4. Alternatieve goedkeuring overeenkomstig punt 2.1 van bijlage XIII bij Verordening (EU) nr. 582/2011: ja/neen (51) 

3.2.12.2.8.8.5. Verwarmde/niet-verwarmde tank met reagens en doseringssysteem (zie punt 2.4 van bijlage 11 bij VN/ECE-Reglement nr. 49)

▼M1

3.2.12.2.9. Koppelbegrenzer: ja/neen (51) 

3.2.12.2.9.1. Beschrijving van de activering van de koppelbegrenzer (alleen voor zware bedrijfsvoertuigen): …

3.2.12.2.9.2. Beschrijving van de beperking van de koppelcurve bij vollast (alleen voor zware bedrijfsvoertuigen): …

3.2.13.   Rookopaciteit

3.2.13.1. Plaats van het absorptiecoëfficiëntsymbool (alleen voor motoren met compressieontsteking): …

3.2.13.2. Vermogen op zes meetpunten (zie punt 2.1 van bijlage III bij Richtlijn 72/306/EEG, zoals gewijzigd)

3.2.13.3. Op de testbank/het voertuig gemeten motorvermogen (51) 

3.2.13.3.1. Aangegeven toerentallen en vermogens



Meetpunten

Motortoerental (min-1)

Vermogen (kW)

1……

 

 

2……

 

 

3……

 

 

4……

 

 

5……

 

 

6……

 

 

3.2.14.  Gegevens over eventuele voorzieningen voor een zuinig brandstofverbruik (indien niet elders vermeld): …

3.2.15.   Lpg-systeem: ja/neen (51) 

3.2.15.1. Typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 70/221/EEG (zodra ook gastanks onder de richtlijn vallen) of goedkeuringsnummer overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 67 (PB L 76 van 6.4.1970, blz. 23): …

3.2.15.2. Elektronische regeleenheid voor motormanagement op lpg

3.2.15.2.1. Merk(en): …

3.2.15.2.2. Type(n): …

3.2.15.2.3. Instelmogelijkheden in verband met emissies …

3.2.15.3. Verdere documentatie

3.2.15.3.1. Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op lpg of omgekeerd: …

3.2.15.3.2. Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.15.3.3. Tekening van het symbool: …

3.2.16.   Ng-systeem: ja/neen (51) 

3.2.16.1. Typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 70/221/EEG (zodra ook gastanks onder de richtlijn vallen) of goedkeuringsnummer overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 110 (PB L 72 van 14.3.2008, blz. 113): …

3.2.16.2. Elektronische regeleenheid voor motormanagement op aardgas

3.2.16.2.1. Merk(en): …

3.2.16.2.2. Type(n): …

3.2.16.2.3. Instelmogelijkheden in verband met emissies …

3.2.16.3. Verdere documentatie

3.2.16.3.1. Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op aardgas of omgekeerd: …

3.2.16.3.2. Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.16.3.3. Tekening van het symbool: …

▼M21

3.2.17.   Specifieke informatie over gas- en dualfuelmotoren voor zware voertuigen (voor systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken) (indien van toepassing)

▼M1

3.2.17.1. Brandstof: Lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (51) 

3.2.17.2. Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (51) 

3.2.17.2.1. Merk(en): …

3.2.17.2.2. Type(n): …

3.2.17.2.3. Aantal drukreduceerfasen: …

3.2.17.2.4. Druk in de eindfase

minimum: …… kPa — maximum: …… kPa

3.2.17.2.5. Aantal voornaamste afstelpunten: …

3.2.17.2.6. Aantal stationair-afstelpunten: …

3.2.17.2.7. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.3. Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuiting (51) 

3.2.17.3.1. Mengverhoudingsregeling: …

3.2.17.3.2. Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen: …

3.2.17.3.3. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.4. Mengeenheid

3.2.17.4.1. Aantal: …

3.2.17.4.2. Merk(en): …

3.2.17.4.3. Type(n): …

3.2.17.4.4. Plaats: …

3.2.17.4.5. Afstelmogelijkheden: …

3.2.17.4.6. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.5. Inspuiting in het inlaatspruitstuk

3.2.17.5.1. Inspuiting: monopoint/multipoint (51) 

3.2.17.5.2. Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (51) 

3.2.17.5.3. Inspuitapparatuur

3.2.17.5.3.1. Merk(en): …

3.2.17.5.3.2. Type(n): …

3.2.17.5.3.3. Afstelmogelijkheden: …

3.2.17.5.3.4. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.5.4. Brandstofpomp (indien van toepassing)

3.2.17.5.4.1. Merk(en): …

3.2.17.5.4.2. Type(n): …

3.2.17.5.4.3. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.5.5. Inspuiter(s) …

3.2.17.5.5.1. Merk(en): …

3.2.17.5.5.2. Type(n): …

3.2.17.5.5.3. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.6. Directe inspuiting

3.2.17.6.1. Inspuitpomp/drukregelaar (51) 

3.2.17.6.1.1. Merk(en): …

3.2.17.6.1.2. Type(n): …

3.2.17.6.1.3. Inspuitduur: …

3.2.17.6.1.4. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.6.2. Inspuiter(s) …

3.2.17.6.2.1. Merk(en): …

3.2.17.6.2.2. Type(n): …

3.2.17.6.2.3. Openingsdruk of karakteristiek diagram (51) : …

3.2.17.6.2.4. Typegoedkeuringsnummer: …

3.2.17.7. Elektronische regeleenheid (ECU)

3.2.17.7.1. Merk(en): …

3.2.17.7.2. Type(n): …

3.2.17.7.3. Afstelmogelijkheden: …

3.2.17.7.4. Softwarekalibratienummer(s): …

3.2.17.8. Aardgasspecifieke apparatuur

3.2.17.8.1. Variant 1 (alleen in geval van goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

▼M11

3.2.17.8.1.0.1. (Alleen Euro VI) Functie voor zichzelf aanpassen? ja/neen (1)

3.2.17.8.1.0.2. (Alleen Euro VI) Kalibratie voor een specifieke gassamenstelling aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1)

Omzetting voor een specifieke gassamenstelling aardgas-Ht/aardgas-Lt/aardgas-HLt (1)

▼M1

3.2.17.8.1.1. Brandstofsamenstelling:



methaan (CH4):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

ethaan (C2H6):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

propaan (C3H8):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

butaan (C4H10):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

C5/C5+:

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

zuurstof (O2):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

inert gas (N2, He enz.):

basis: … mol.-%

min. … mol.-%

max. … mol.-%

3.2.17.8.1.2. Inspuiter(s)

3.2.17.8.1.2.1. Merk(en): …

3.2.17.8.1.2.2 Type(n): …

3.2.17.8.1.3. Overige (indien van toepassing): …

3.2.17.8.2. Variant 2 (alleen in geval van goedkeuringen voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

▼M21

3.2.17.9. Indien van toepassing, fabrieksreferentie van de documentatie voor het installeren van de dualfuelmotor in een voertuig (51) 

3.2.18. Waterstofsysteem: ja/neen (51) 

3.2.18.1. EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Verordening (EG) nr. 79/2009: …

3.2.18.2. Elektronische regeleenheid voor motormanagement op waterstof

3.2.18.2.1. Merk(en): …

3.2.18.2.2. Type(n): …

3.2.18.2.3. Emissiegerelateerde bijstelmogelijkheden: …

3.2.18.3. Verdere documentatie

3.2.18.3.1. Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op waterstof of omgekeerd: …

3.2.18.3.2. Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.18.3.3. Tekening van het symbool: …

3.2.19. H2NG-brandstofsysteem: ja/neen (51) 

3.2.19.1. Percentage waterstof in de brandstof (door de fabrikant opgegeven maximum): …

3.2.19.2. EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 110: …

3.2.19.3. Elektronische regeleenheid voor motormanagement op H2NG

3.2.19.3.1. Merk(en): …

3.2.19.3.2. Type(n): …

3.2.19.3.3. Instelmogelijkheden in verband met emissies: …

3.2.19.4. Verdere documentatie

3.2.19.4.1. Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op H2NG of omgekeerd: …

3.2.19.4.2. Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.19.4.3. Tekening van het symbool: …

▼M1

3.3.   Elektromotor

3.3.1. Type (wikkeling, bekrachtiging): …

3.3.1.1. Maximumuurvermogen: …… kW

▼M20

3.3.1.1.1. Nettomaximumvermogen (51)  … kW

(volgens fabrieksopgave)

3.3.1.1.2. Maximumvermogen gedurende 30 minuten (51)  … kW

(volgens fabrieksopgave)

▼M1

3.3.1.2. Bedrijfsspanning: …… V

3.3.2. Accu

3.3.2.1. Aantal cellen: …

3.3.2.2. Massa: …… kg

3.3.2.3. Cilinderinhoud: …… Ah (ampère-uur)

3.3.2.4. Plaats: …

3.4.   Motor of motorcombinatie

3.4.1.  Hybride elektrisch voertuig: ja/neen (51) 

3.4.2.  Categorie waartoe het hybride elektrische voertuig behoort: extern oplaadbaar/niet-extern oplaadbaar (51) :

3.4.3.   Bedrijfsstandschakelaar: met/zonder (51) 

3.4.3.1. Bedrijfsstanden

3.4.3.1.1. Enkel elektrisch: ja/neen (51) 

3.4.3.1.2. Enkel op benzine: ja/neen (51) 

3.4.3.1.3. Hybride modi: ja/neen (51) 

(zo ja, een korte beschrijving): …

3.4.4.   Beschrijving van de energieopslagvoorziening (accu, condensator, vliegwiel/generator):

3.4.4.1. Merk(en): …

3.4.4.2. Type(n): …

3.4.4.3. Identificatienummer: …

3.4.4.4. Soort elektrochemisch koppel: …

3.4.4.5. Energie: …… (voor accu: voltage en Ah-capaciteit in 2 u; voor condensator: J)

3.4.4.6. Lader: ingebouwd/extern/geen (51) 

3.4.5.   Elektromotor (elk type elektromotor afzonderlijk beschrijven)

3.4.5.1. Merk: …

3.4.5.2. Type: …

3.4.5.3. Primair gebruik: tractiemotor/generator (51) 

3.4.5.3.1. Bij gebruik als tractiemotor: één motor/meerdere motoren (aantal) (51) 

3.4.5.4. Maximumvermogen: …… kW

3.4.5.5. Werkingsprincipe

3.4.5.5.5.1. Gelijkstroom/wisselstroom/aantal fasen: …

3.4.5.5.2. Afzonderlijke bekrachtiging/seriebekrachtiging/compoundbekrachtiging (51) 

3.4.5.5.3. Synchroon/asynchroon (51) 

3.4.6.   Regeleenheid

3.4.6.1. Merk(en): …

3.4.6.2. Type(n): …

3.4.6.3. Identificatienummer: …

3.4.7.   Vermogensregulateur

3.4.7.1. Merk: …

3.4.7.2. Type: …

3.4.7.3. Identificatienummer: …

▼M21

3.4.8. Elektrisch bereik van het voertuig: … km (overeenkomstig bijlage 9 bij VN/ECE-Reglement nr. 101)

▼M1

3.4.9.  Door de fabrikant aanbevolen voorconditionering:

3.5.   CO2-emissies/brandstofverbruik ( 52 ) (volgens fabrieksopgave)

3.5.1.   CO2-massa-emissies

3.5.1.1. CO2-massa-emissies (stadsverkeer): …… g/km

3.5.1.2. CO2-massa-emissies (verkeer buiten de stad): …… g/km

3.5.1.3. CO2-massa-emissies (gemengd): …… g/km

3.5.2.   Brandstofverbruik (details verstrekken voor elke geteste brandstof)

▼M21

3.5.2.1. Brandstofverbruik (stadsverkeer): … l/100 km of m3/100 km of kg/100 km (52) 

3.5.2.2. Brandstofverbruik (verkeer buiten de stad): … l/100 km of m3/100 km of kg/100 km (52) 

3.5.2.3. Brandstofverbruik (gemengd): … l/100 km of m3/100 km of kg/100 km (52) 

▼M18 —————

▼M21

3.5.3.   Elektriciteitsverbruik voor elektrische voertuigen

3.5.3.1. Elektriciteitsverbruik voor zuiver elektrische voertuigen … Wh/km

3.5.3.2. Elektriciteitsverbruik voor extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen

3.5.3.2.1. Elektriciteitsverbruik (toestand A, gemengd) … Wh/km

3.5.3.2.2. Elektriciteitsverbruik (toestand B, gemengd)… Wh/km

3.5.3.2.3. Elektriciteitsverbruik (gewogen en gemengd) … Wh/km

▼M11

3.5.4.   CO2-emissies voor zware motoren (alleen Euro VI)

▼M21

3.5.4.1. CO2-massa-emissies WHSC-test ( 53 ): … g/kWh

3.5.4.2. CO2-massa-emissies WHSC-test in dieselmodus ( 54 ): … g/kWh

▼M21

3.5.4.3. CO2-massa-emissies WHSC-test in dualfuelmodus (54) : … g/kWh

3.5.4.4. CO2-massa-emissies WHTC-test (54)  ( 55 ): … g/kWh

3.5.4.5. CO2-massa-emissies WHTC-test in dieselmodus (55)  (55) : … g/kWh

3.5.4.6. CO2-massa-emissies WHTC-test in dualfuelmodus (55)  (55) : … g/kWh

▼M11

3.5.5.   Brandstofverbruik voor zware motoren (alleen Euro VI)

▼M21

3.5.5.1. Brandstofverbruik WHSC-test (55) : … g/kWh

3.5.5.2. Brandstofverbruik WHSC-test in dieselmodus (55) : … g/kWh

▼M21

3.5.5.3. Brandstofverbruik WHSC-test in dualfuelmodus (55) : … g/kWh

3.5.5.4. Brandstofverbruik WHTC-test (55)  (55) : … g/kWh

3.5.5.5. Brandstofverbruik WHTC-test in dieselmodus (55)  (55) : … g/kWh

3.5.5.6. Brandstofverbruik WHTC-test in dualfuelmodus (55)  (55) : … g/kWh

▼M24

3.5.6.

Voertuig uitgerust met een eco-innovatie in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009 voor voertuigen van categorie M1 of van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 510/2011 voor voertuigen van categorie N1: ja/neen (1)

3.5.6.1.

Type/variant/uitvoering van het basisvoertuig zoals bedoeld in artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 voor voertuigen van categorie M1 of van artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 voor voertuigen van categorie N1 (indien van toepassing) …

▼M18

3.5.6.2.

Wisselwerkingen tussen verschillende eco-innovaties: ja/neen (1)

3.5.6.3.

Emissiegegevens met betrekking tot het gebruik van eco-innovaties (tabel herhalen voor elke geteste referentiebrandstof) ( 56 )



Besluit tot goedkeuring van de eco-innovatie ()

Code van de eco-innovatie ()

1.  CO2-emissies van het basisvoertuig (g/km)

2.  CO2-emissies van het eco-innovatievoertuig (g/km)

3.  CO2-emissies van het basisvoertuig in type 1-testcyclus ( ()

)

4.  CO2-emissies van het eco-innovatievoertuig in type 1-testcyclus (= 3.5.1.3)

5.  Gebruiksfactor (UF), d.w.z. het tijdsaandeel van het gebruik van de technologie onder normale omstandigheden

CO2-emissiebesparing

image

xxxx/201x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totale CO2-emissiebesparing (g/km) ()

 

(1)    (w) Eco-innovaties.

(2)    (w2) Nummer van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.

(3)    (w3) Toegekend in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.

(4)    (w4) Indien met instemming van de typegoedkeuringsinstantie in plaats van de type 1-testcyclus een modelleringsmethode wordt toegepast, moet hier de waarde worden vermeld die met de modelleringsmethode wordt verkregen.

(5)    (w5) Som van de CO2-emissiebesparingen van alle afzonderlijke eco-innovaties.

▼M1

3.6.   Door de fabrikant toegestane temperaturen

3.6.1.   Koelsysteem

3.6.1.1.    Vloeistofkoeling

Maximumtemperatuur aan de afvoer: …… K

3.6.1.2.    Luchtkoeling

3.6.1.2.1. Referentiepunt: …

3.6.1.2.2. Maximumtemperatuur op het referentiepunt: …… K

3.6.2.  Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler: …… K

3.6.3.  Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (buitenflenzen) van het uitlaatspruitstuk of de turbocompressor: …… K

3.6.4.   Brandstoftemperatuur

minimum: …… K — maximum: …… K

Voor dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, voor gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar

3.6.5.   Smeermiddeltemperatuur

minimum: …… K — maximum: …… K

3.6.6.   Brandstofdruk

Minimum: …… kPa — maximum: …… kPa

Bij de eindtrap van de drukregelaar, alleen bij aardgasmotoren.

3.7.   Met de motor aangedreven hulpapparatuur

Vermogen dat door de voor de werking van de motor benodigde hulpapparatuur wordt opgenomen, zoals gespecificeerd in en onder de bedrijfsomstandigheden van Richtlijn 80/1269/EEG, bijlage I, punt 5.1.1.



Hulpapparatuur

Opgenomen vermogen (kW) bij verschillende toerentallen

Stationair toerental

Laag toerental

Hoog toerental

Toerental A (1)

Toerental B (1)

Toerental C (1)

Referentietoerental (2)

P (a)

 

 

 

 

 

 

 

Voor de werking van de motor benodigde hulpapparatuur (af te trekken van het gemeten motorvermogen) zie aanhangsel 1, punt 6.1

 

 

 

 

 

 

 

(1)   ESC-test.

(2)   Alleen ETC-test.

3.8.   Smeersysteem

3.8.1.   Beschrijving van het systeem

3.8.1.1. Plaats van het smeermiddelreservoir: …

3.8.1.2. Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (56) 

3.8.2.   Smeerpomp

3.8.2.1. Merk(en): …

3.8.2.2. Type(n): …

3.8.3.   Vermenging met brandstof

3.8.3.1. Mengverhouding: …

3.8.4.   Oliekoeler: ja/neen (56) 

3.8.4.1. Tekening(en): …… of

3.8.4.1.1. Merk(en): …

3.8.4.1.2. Type(n): …

4.   TRANSMISSIE ( 57 )

4.1.  Tekening van de transmissie:

4.2.  Transmissiesysteem (mechanisch, hydraulisch, elektrisch enz.): …

4.2.1. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

4.3.  Traagheidsmoment van het motorvliegwiel:

4.3.1. Extra traagheidsmoment in de vrijstand: …

4.4.   Koppeling

4.4.1. Type: …

4.4.2. Maximumkoppelomvorming: …

4.5.   Versnellingsbak

4.5.1. Type (manueel/automatisch/CVT (continuvariabele transmissie)) (57) 

4.5.2. Plaats ten opzichte van de motor: …

4.5.3. Bedieningswijze: …

4.6.   Overbrengingsverhoudingen



Versnelling

Verhoudingen in de versnellingsbak (verhoudingen tussen omwentelingen van de motor en omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak)

Eindoverbrengingsverhouding(en) (verhouding tussen omwentelingen van de uitgaande as van de versnellingsbak en omwentelingen van de aangedreven wielen)

Totale verhouding

Maximum voor CVT (1)

 

 

 

1

 

 

 

2

 

 

 

3

 

 

 

...

 

 

 

Minimum voor CVT (1)

 

 

 

Achteruit

 

 

 

(1)   Continuvariabele transmissie.

4.7.  Door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van het voertuig (in km/h) ( 58 ): …

4.8.   Snelheidsmeter

4.8.1. Werkwijze en beschrijving van het aandrijfmechanisme: …

4.8.2. Technische constante van het instrument: …

4.8.3. Tolerantie van het meetmechanisme (overeenkomstig bijlage II, punt 2.1.3, van Richtlijn 75/443/EEG): …

4.8.4. Totale overbrengingsverhouding (overeenkomstig bijlage II, punt 2.1.2, van Richtlijn 75/443/EEG) of gelijkwaardige gegevens: …

4.8.5. Tekening van de snelheidsmeterschaal of andere vormen van weergave: …

4.9.   Tachograaf: ja/neen (58) 

4.9.1 Goedkeuringsmerk: …

4.10.  Differentieelblokkering: ja/neen/optioneel (58) 

▼M13

4.11. Schakelindicator

4.11.1. Geluidssignaal beschikbaar: ja/neen (1). Zo ja, beschrijving van het geluid en vermelding van de geluidssterkte voor het oor van de bestuurder in dB(A). (Geluidssignaal kan altijd aan- of uitgezet worden.)

4.11.2. Informatie overeenkomstig punt 4.6 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 65/2012 (volgens fabrieksopgave)

4.11.3. Foto's en/of tekeningen van de schakelindicator en korte beschrijving van de systeemonderdelen en de werking ervan:

▼M1

5.   ASSEN

5.1. Beschrijving van elke as: …

5.2. Merk: …

5.3. Type: …

5.4. Plaats van de hefbare as(sen): …

5.5. Plaats van de belastbare as(sen): …

6.   OPHANGING

6.1. Tekening van de ophanging: …

6.2. Type en ontwerp van de ophanging van elke as of elk asstel of elk wiel: …

6.2.1. Niveauregeling: ja/neen/optioneel (58) 

6.2.2. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

6.2.3. Luchtvering van de aangedreven as(sen): ja/neen (58) 

6.2.3.1. Vering van de aangedreven as(sen), gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (58) 

6.2.3.2. Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa: …

6.2.4. Luchtvering voor niet-aangedreven as(sen): ja/neen (58) 

6.2.4.1. Vering van niet-aangedreven as(sen), gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (58) 

6.2.4.2. Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa: …

6.3.  Kenmerken van de verende onderdelen van de ophanging (ontwerp, kenmerken van de materialen en afmetingen): …

6.4.  Stabilisatoren: ja/neen/optioneel (58) 

6.5.  Schokdempers: ja/neen/optioneel (58) 

6.6.   Banden en wielen:

6.6.1.   Band/wielcombinatie(s)

a) voor banden de maataanduiding, de belastingsindex, het symbool van de snelheidscategorie en de rolweerstand opgeven overeenkomstig ISO 28580 (indien van toepassing) ( 59 );

b) voor wielen de velgmaat (velgmaten) en de wielbolling(en)

6.6.1.1. Assen

6.6.1.1.1. As 1: …

6.6.1.1.2. As 2: …

enz.

6.6.1.2. Eventueel reservewiel: …

6.6.2.   Boven- en ondergrenzen van de afrolstralen

6.6.2.1. As 1: …

6.6.2.2. As 2: …

6.6.2.3. As 3: …

6.6.2.4. As 4: …

enz.

6.6.3.  Door de fabrikant van het voertuig aanbevolen bandenspanning: …… kPa

6.6.4.  Door de fabrikant aanbevolen ketting/band/wielcombinatie op de voor- en/of achteras die geschikt is voor het type voertuig:

6.6.5.  Korte beschrijving van het reservewiel voor tijdelijk gebruik (indien aanwezig): …

7.   STUURINRICHTING

7.1.  Schematisch diagram van de bestuurde as(sen) met aanduiding van de stuurgeometrie:

7.2.   Overbrenging en regeling

7.2.1. Type overbrenging van de stuurinrichting (in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren): …

7.2.2. Verbinding met de wielen (inclusief andere dan mechanische middelen; in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren): …

7.2.2.1. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

7.2.3. Type stuurbekrachtiging (indien aanwezig): …

7.2.3.1. Principe en diagram van de werking, merk(en) en type(n): …

7.2.4. Schema van de gehele stuurinrichting, waarop de plaats op het voertuig van de verschillende onderdelen die van invloed zijn op het stuurgedrag, is aangegeven: …

7.2.5. Schematisch(e) diagram(men) van het stuurorgaan (de stuurorganen): …

7.2.6. Bereik en methode van verstelling van het stuurorgaan (indien mogelijk): …

7.3.   Maximumstuurhoek van de wielen

7.3.1. Naar rechts: …… graden; aantal omwentelingen van het stuurwiel (of gelijkwaardige gegevens): …

7.3.2. Naar links: …… graden; aantal omwentelingen van het stuurwiel (of gelijkwaardige gegevens): …

8.   REMINRICHTING

(De volgende gegevens, met inbegrip van de eventuele identificatiemiddelen, dienen te worden verstrekt)

8.1. Type en kenmerken van de remmen, zoals gedefinieerd in Richtlijn 71/320/EEG van de Raad (PB L 205 van 6.9.1971, blz. 37), bijlage I, punt 1.6, met details en tekeningen van de trommels, schijven, slangen, merk en type van remschoen/blokstellen en/of remvoeringen, effectieve remoppervlakte, straal van trommels, schoenen of schijven, massa van trommels, afstelinrichtingen, relevante delen van de as(sen) en ophanging: …

8.2. Werkingsschema, beschrijving en/of tekening van het remsysteem, zoals beschreven in Richtlijn 71/320/EEG, bijlage I, punt 1.2, met inbegrip van details van de overbrenging en de bedieningsorganen:

8.2.1. Bedrijfsremsysteem: …

8.2.2. Hulpremsysteem: …

8.2.3. Parkeerremsysteem: …

8.2.4. Eventueel extra remsysteem: …

8.2.5. Automatisch remsysteem bij breuk van de koppeling: …

8.3. Bediening en overbrenging van remsystemen van aanhangwagens bij voertuigen die zijn ontworpen voor het trekken van aanhangwagens: …

8.4. Het voertuig is uitgerust om een aanhangwagen met elektrische/pneumatische/hydraulische (59)  bedrijfsremmen te trekken: ja/neen (59) 

8.5. Antiblokkeersysteem: ja/neen/optioneel (59) 

8.5.1. Bij voertuigen met een antiblokkeersysteem, beschrijving van de werking van het systeem (met inbegrip van eventuele elektronische onderdelen), elektrisch blokschema, schema van het hydraulisch of pneumatisch circuit: …

8.6. Berekening en curven overeenkomstig het aanhangsel van punt 1.1.4.2 van bijlage II bij Richtlijn 71/320/EEG of, indien van toepassing, het aanhangsel van bijlage XI: …

8.7. Beschrijving en/of tekening van de energietoevoer (eveneens aan te geven voor remsystemen met rembekrachtiging): …

8.7.1. In het geval van luchtremsystemen, de werkdruk p2 in de luchtreservoirs: …

8.7.2. In het geval van vacuümremsystemen, het aanvankelijke energieniveau in het (de) reservoir(s): …

8.8. Berekening van het remsysteem (bepaling van de verhouding tussen het totaal van de remkrachten aan de omtrek van de wielen en de op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht): …

8.9. Korte beschrijving van het remsysteem overeenkomstig punt 1.6 van het addendum bij aanhangsel 1 van bijlage IX bij Richtlijn 71/320/EEG: …

8.10. Indien aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van de tests van type I en/of type II, of type III, het nummer van het rapport overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage VII bij Richtlijn 71/320/EEG opgeven: …

8.11. Bijzonderheden van het type vertragersysteem (de typen vertragersystemen): …

9.   CARROSSERIE

9.1. Type carrosserie met gebruikmaking van de in deel C van bijlage II gedefinieerde codes: …

9.2. Materialen en bouwwijze: …

9.3.   Deuren voor de inzittenden, hang- en sluitwerk

9.3.1. Configuratie van de deuren en aantal deuren: …

9.3.1.1. Afmetingen, openingsrichting en maximale openingshoek van de deuren: …

9.3.2. Tekening van het hang- en sluitwerk en de plaats daarvan in de deuren: …

9.3.3. Technische beschrijving van het hang- en sluitwerk: …

9.3.4. Details (met afmetingen) van ingangen, treden en noodzakelijke handgrepen, indien van toepassing: …

9.4.   Gezichtsveld

9.4.1. Gegevens over de primaire referentiemerken; deze moeten voldoende gedetailleerd zijn om ze gemakkelijk te kunnen identificeren en de plaats van elk merk ten opzichte van de andere merken en van het punt R te kunnen controleren: …

9.4.2. Tekening(en) of foto(’s) waarop de plaats van de samenstellende delen binnen het 180o-gezichtsveld naar voren is aangegeven: …

9.5.   Voorruit en andere ruiten

9.5.1.   Voorruit

9.5.1.1. Gebruikte materialen: …

9.5.1.2. Montage: …

9.5.1.3. Hellingshoek: …

9.5.1.4. Typegoedkeuringsnummer(s): …

9.5.1.5. Accessoires van de voorruit en de positie waarin deze zijn gemonteerd, met een korte beschrijving van de elektrische/elektronische onderdelen: …

9.5.2.   Andere ruiten

9.5.2.1. Gebruikte materialen: …

9.5.2.2. Typegoedkeuringsnummer(s): …

9.5.2.3. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen van het portierraammechanisme: …

9.5.3.   Beglazing voor schuif- of hefdak

9.5.3.1. Gebruikte materialen: …

9.5.3.2. Typegoedkeuringsnummer(s): …

9.5.4.   Andere beglazing

9.5.4.1. Gebruikte materialen: …

9.5.4.2. Typegoedkeuringsnummer(s): …

9.6.   Ruitenwisser(s)

9.6.1. Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen): …

9.7.   Ruitensproeier

9.7.1. Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen) of, indien goedgekeurd als technische eenheid, typegoedkeuringsnummer: …

9.8.   Ontdooiing en ontwaseming

9.8.1. Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen): …

9.8.2. Maximumelektriciteitsverbruik: …… kW

9.9.   Inrichtingen voor indirect zicht

9.9.1. Achteruitkijkspiegels, met voor elke spiegel opgave van:

9.9.1.1. Merk: …

9.9.1.2. Typegoedkeuringsmerk: …

9.9.1.3. Variant: …

9.9.1.4. Tekening(en) ter identificatie van de spiegel, waarop de plaats van de spiegel ten opzichte van de voertuigstructuur is aangegeven: …

9.9.1.5. Gegevens over de bevestigingswijze, met inbegrip van dat deel van de voertuigstructuur waarop de spiegel is bevestigd: …

9.9.1.6. Accessoires die van invloed kunnen zijn op het gezichtsveld naar achteren: …

9.9.1.7. Korte beschrijving van de (eventuele) elektronische onderdelen van het verstelsysteem: …

9.9.2. Andere inrichtingen voor indirect zicht dan spiegels: …

9.9.2.1. Type en kenmerken (zoals een volledige beschrijving van de inrichting): …

9.9.2.1.1. In geval van een cameramonitorinrichting: de waarnemingsafstand (mm), het contrast, het luminantiebereik, de correctie voor invallend licht, de beeldschermprestaties (zwart-wit/kleur), de beeldvernieuwingsfrequentie en het luminantiebereik van het beeldscherm: …

9.9.2.1.2. Voldoende gedetailleerde tekeningen die een overzicht geven van de volledige inrichting, met inbegrip van de montagevoorschriften; op de tekeningen moet de plaats voor het EG-typegoedkeuringsmerk zijn aangegeven.

9.10.   Binneninrichting

9.10.1.   Binnenbescherming voor de inzittenden

9.10.1.1. Overzichtstekening of foto’s waarop de plaats van de uitstekende delen is aangegeven: …

9.10.1.2. Foto of tekening waarop de referentiezone met het uitgezonderde gebied, zoals bedoeld in Richtlijn 74/60/EEG van de Raad (PB L 38 van 11.2.1974, blz. 2), bijlage I, punt 2.3.1, is aangegeven: …

9.10.1.3. Foto’s, tekeningen en/of een opengewerkte tekening van de binneninrichting die een overzicht geven van de delen van het interieur en de gebruikte materialen (met uitzondering van binnenachteruitkijkspiegels), de plaats van de bedieningsorganen, het dak en het rol- of schuifdak, de rugleuning, de zitplaatsen en de achterzijde van de zitplaatsen: …

9.10.2.   Plaatsing en identificatie van de bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters

9.10.2.1. Foto’s en/of tekeningen van de plaatsing van symbolen en bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters: …

9.10.2.2. Foto’s en/of tekeningen van de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters en, indien van toepassing, van de in de bijlagen II en III bij Richtlijn 78/316/EEG bedoelde voertuigonderdelen: …

9.10.2.3.    Overzichtstabel

Het voertuigtype is uitgerust met de volgende bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters overeenkomstig de bijlagen II en III bij Richtlijn 78/316/EEG



Bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters waarvoor bij montage identificatie verplicht is, en de daarvoor te gebruiken symbolen

Symbool nr.

Inrichting

Bedieningsorgaan/meter aanwezig (1)

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

Verklikkerlicht aanwezig (1)

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

1

Hoofdlicht

 

 

 

 

 

 

2

Dimlicht

 

 

 

 

 

 

3

Grootlicht

 

 

 

 

 

 

4

Breedtelichten

 

 

 

 

 

 

5

Mistlichten vóór

 

 

 

 

 

 

6

Mistlicht achter

 

 

 

 

 

 

7

Verstelinrichting koplamp

 

 

 

 

 

 

8

Parkeerlichten

 

 

 

 

 

 

9

Richtingaanwijzers

 

 

 

 

 

 

10

Waarschuwingsknipperlichten

 

 

 

 

 

 

11

Ruitenwisser

 

 

 

 

 

 

12

Ruitensproeier

 

 

 

 

 

 

13

Combinatie ruitenwisser/ruitensproeier

 

 

 

 

 

 

14

Koplampwisser

 

 

 

 

 

 

15

Ontwaseming en ontdooiing van de voorruit

 

 

 

 

 

 

16

Ontwaseming en ontdooiing van de achterruit

 

 

 

 

 

 

17

Ventilator

 

 

 

 

 

 

18

Dieselvoorverwarmerr

 

 

 

 

 

 

19

Choke

 

 

 

 

 

 

20

Remdefect

 

 

 

 

 

 

21

Brandstofpeil

 

 

 

 

 

 

22

Acculaadmeter

 

 

 

 

 

 

23

Temperatuur koelvloeistof motor

 

 

 

 

 

 

(1)    x = ja — = niet aanwezig of niet afzonderlijk aanwezig o = optioneel.

(2)    d = direct op bedieningsorgaan, meter of verklikkerlicht c = in de onmiddellijke nabijheid.



Bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters waarvoor eventueel aangebrachte identificatie facultatief is, en de voor eventuele identificatie te gebruiken symbolen

Symbool nr.

Inrichting

Bedieningsorgaan/meter aanwezig (1)

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

Verklikkerlicht aanwezig (1)

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

1

Parkeerrem

 

 

 

 

 

 

2

Ruitenwisser achterruit

 

 

 

 

 

 

3

Sproeier achterruit

 

 

 

 

 

 

4

Combinatie ruitenwisser/sproeier achterruit

 

 

 

 

 

 

5

Ruitenwisser voorruit met intervalschakelaar

 

 

 

 

 

 

6

Geluidssignaalinrichting (claxon)

 

 

 

 

 

 

7

Klep motorkap

 

 

 

 

 

 

8

Klep kofferbak

 

 

 

 

 

 

9

Veiligheidsgordel

 

 

 

 

 

 

10

Oliedrukmeter

 

 

 

 

 

 

11

Ongelode benzine

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)    x = ja — = niet aanwezig of niet afzonderlijk aanwezig o = optioneel.

(2)    d = direct op bedieningsorgaan, meter of verklikkerlicht c = in de onmiddellijke nabijheid.

9.10.3.   Zitplaatsen

9.10.3.1. Aantal zitplaatsen ( 60 ): …

9.10.3.1.1. Plaats en opstelling: …

9.10.3.2. Zitplaats(en) die uitsluitend is (zijn) bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig: …

9.10.3.3. Massa: …

9.10.3.4. Kenmerken: voor zitplaatsen zonder typegoedkeuring als onderdeel, beschrijving en tekeningen van

9.10.3.4.1. De zitplaatsen en hun verankeringen: …

9.10.3.4.2. Het verstelsysteem: …

9.10.3.4.3. De wegklap- en vergrendelingssystemen: …

9.10.3.4.4. De verankeringen voor de veiligheidsgordels, indien aanwezig op de zitplaats: …

9.10.3.4.5. De als verankering gebruikte delen van het voertuig: …

9.10.3.5. Coördinaten of tekening van het punt R ( 61 )

9.10.3.5.1. Bestuurderszitplaats: …

9.10.3.5.2. Alle overige zitplaatsen: …

9.10.3.6. Ontwerp-torsohoek van de rugleuning

9.10.3.6.1. Bestuurderszitplaats: …

9.10.3.6.2. Alle overige zitplaatsen: …

9.10.3.7. Bereik van het verstelsysteem

9.10.3.7.1. Bestuurderszitplaats: …

9.10.3.7.2. Alle overige zitplaatsen: …

9.10.4.   Hoofdsteunen

9.10.4.1. Type hoofdsteunen: geïntegreerd/afneembaar/los (61) 

9.10.4.2. Eventueel typegoedkeuringsnummer: …

9.10.4.3. Voor nog goed te keuren hoofdsteunen

9.10.4.3.1. Een uitvoerige beschrijving van de hoofdsteun, waarbij wordt aangegeven de aard van het bekledingsmateriaal (de bekledingsmaterialen) en, voor zover van toepassing, de plaats en specificaties van de steunen en de verankering voor het (de) type(n) zitplaats waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd: …

9.10.4.3.2. In het geval van een „afzonderlijke” hoofdsteun

9.10.4.3.2.1. Een uitvoerige beschrijving van het deel van de constructie waarop de hoofdsteun wordt gemonteerd: …

9.10.4.3.2.2. Tekeningen met vermelding van de afmetingen van de karakteristieke delen van de structuur en de hoofdsteun: …

9.10.5.   Verwarming van het interieur

9.10.5.1. Een korte beschrijving van het voertuigtype wat de interieurverwarming betreft, indien daarbij gebruik wordt gemaakt van de warmte van de koelvloeistof van de motor: …

9.10.5.2. Een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat de interieurverwarming betreft, indien daarbij gebruik wordt gemaakt van de koellucht of de uitlaatgassen van de motor, met inbegrip van:

9.10.5.2.1. Een tekening van het verwarmingssysteem met aanduiding van de plaats daarvan in het voertuig: …

9.10.5.2.2. Een schema van de warmtewisselaar bij verwarmingssystemen die voor de verwarming gebruikmaken van de uitlaatgassen, of van de delen waar de warmtewisseling plaatsvindt (bij verwarmingssystemen die voor de verwarming gebruikmaken van de koellucht van de motor): …

9.10.5.2.3. Een doorsnede van de warmtewisselaar of van de delen waar de warmtewisseling plaatsvindt, met aanduiding van de wanddikte, de gebruikte materialen en de oppervlakte-eigenschappen: …

9.10.5.2.4. Specificaties van andere belangrijke onderdelen van het verwarmingssysteem, bijvoorbeeld de kachelventilator, voor wat de wijze van constructie betreft en technische gegevens: …

9.10.5.3. Een korte beschrijving van het voertuigtype wat het verwarmingssysteem op brandstof en de automatische controle betreft: …

9.10.5.3.1. Een schema van het verwarmingssysteem op brandstof, het luchtinlaatsysteem, het uitlaatsysteem, de brandstoftank, het brandstoftoevoersysteem (met inbegrip van de kleppen) en de elektrische verbindingen met aanduiding van de plaats daarvan in het voertuig

9.10.5.4. Maximumelektriciteitsverbruik: …… kW

9.10.6.   Onderdelen die van invloed zijn op het gedrag van de stuurinrichting bij botsingen

9.10.6.1. Een gedetailleerde beschrijving, met foto(’s) en/of tekening(en), van de structuur, de afmetingen, de lijnen en de samenstellende materialen van dat gedeelte van het voertuig dat zich vóór het besturingsorgaan bevindt, met inbegrip van onderdelen die zijn ontworpen om mede energie te absorberen bij een stoot tegen het stuurorgaan: …

9.10.6.2. Foto(’s) en/of tekening(en) van andere dan de in punt 9.10.6.1 beschreven voertuigonderdelen die volgens opgave van de fabrikant in overleg met de technische dienst mede het gedrag van de stuurinrichting bij botsingen bepalen: …

9.10.7.   Brandgedrag van de voor de binneninrichting van bepaalde categorieën motorvoertuigen gebruikte materialen

9.10.7.1.    Voor de binnenbekleding van het dak gebruikte materialen:

9.10.7.1.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.1.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.1.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.1.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.1.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.1.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.2.    Voor de achter- en zijwanden gebruikt(e) materiaal(materialen)

9.10.7.2.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.2.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.2.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.2.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.2.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.2.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.3.    Voor de vloer gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.3.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.3.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.3.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.3.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.3.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.3.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.4.    Voor de stoffering van de zitplaatsen gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.4.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.4.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.4.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.4.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.4.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.4.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.5.    Voor de verwarmings- en ventilatieleidingen gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.5.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.5.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.5.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/.…..

9.10.7.5.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.5.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.5.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.6.    Voor bagagerekken gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.6.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.6.2. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.6.2.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.6.2.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.6.2.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.6.2.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.7.    Voor andere doeleinden gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.7.1. Gebruiksbestemmingen: …

9.10.7.7.2. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen): …

9.10.7.7.3. Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.7.3.1. Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: ……/……

9.10.7.7.3.2. Samengesteld/enkelvoudig (61)  materiaal, aantal lagen (61) : …

9.10.7.7.3.3. Type bekleding (61) : …

9.10.7.7.3.4. Maximum-/minimumdikte: ……/…… mm

9.10.7.8.    Onderdelen die zijn goedgekeurd als complete inrichtingen (zitplaatsen, scheidingswanden, bagagerekken enz.)

9.10.7.8.1. Typegoedkeuringsnummer(s) van het onderdeel: …

9.10.7.8.2. Voor complete inrichtingen: zitplaats, scheidingswand, bagagerek enz. (61) 

9.10.8.   Gas dat als koelmiddel in de klimaatregelingsapparatuur wordt gebruikt: …

9.10.8.1. De klimaatregelingsapparatuur is ontworpen om een gefluoreerd broeikasgas te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150: ja/neen (61) 

9.10.8.2. Zo ja, ook de volgende punten invullen

9.10.8.2.1. Tekening en beknopte beschrijving van de klimaatregelingsapparatuur, inclusief referentie of onderdeelnummer en materiaal van de lekgevoelige onderdelen:

9.10.8.2.2. Lekkage van de klimaatregelingsapparatuur

9.10.8.2.4. Referentie of onderdeelnummer en materiaal van de onderdelen van het systeem en informatie over de test (bv. nummer van het testrapport, goedkeuringsnummer enz.): …

9.10.8.3. Totale lekkage in g/jaar van het volledige systeem: …

9.11.   Naar buiten uitstekende delen

9.11.1. Algemeen overzicht (tekening of foto’s) met aanduiding van de plaats van de uitstekende delen:

9.11.2. Tekeningen en/of foto’s van bijvoorbeeld de deur- en raamstijlen, luchtinlaatroosters, radiateurgrille, ruitenwissers, regenlijsten, handgrepen, rails, kleppen, scharnieren en sloten van deuren, haken, trekogen, sierstrippen, badges, emblemen en uitsparingen en andere naar buiten uitstekende delen en delen van het buitenoppervlak die als kritisch kunnen worden beschouwd (bijvoorbeeld verlichtingsinstallatie). Indien de in de vorige zin genoemde delen niet kritisch zijn, kunnen zij voor documentatiedoeleinden worden vervangen door foto’s met, indien noodzakelijk, vermelding van de afmetingen en/of begeleidende tekst:

9.11.3. Tekeningen van delen van het buitenoppervlak overeenkomstig bijlage I, punt 6.9.1, van Richtlijn 74/483/EEG: …

9.11.4. Tekening van de bumpers: …

9.11.5. Tekening van de vloerlijn: …

9.12.   Veiligheidsgordels en/of andere bevestigingssystemen

9.12.1. Aantal en plaats van de veiligheidsgordels en bevestigingssystemen en van de zitplaatsen waarop deze gordels en systemen mogen worden aangebracht



(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)

 

Volledig EG-typegoedkeuringsmerk

Variant (indien van toepassing)

Verstelinrichting gordelhoogte (ja/neen/optioneel)

Eerste rij zitplaatsen left accolade

L

 

 

 

C

 

 

 

R

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (1) left accolade

L

 

 

 

C

 

 

 

R

 

 

 

(1)   De tabel kan zo nodig worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

9.12.2. Aard en plaats van aanvullende beveiligingssystemen (geef aan ja/neen/optioneel)



(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)

 

Airbag voor

Airbag zijkant

Gordelvoorspaninrichting

Eerste rij zitplaatsen left accolade

L

 

 

 

C

 

 

 

R

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (1) left accolade

L

 

 

 

C

 

 

 

R

 

 

 

(1)   De tabel kan zo nodig worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

9.12.3. Aantal en plaats van de verankeringen voor veiligheidsgordels en bewijs van overeenstemming met Richtlijn 76/115/EEG (d.w.z. typegoedkeuringsnummer of testrapport): …

9.12.4. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

9.13.   Verankeringen veiligheidsgordels

9.13.1. Foto’s en/of tekeningen van de carrosserie waaruit de plaats en de afmetingen van de reële en de effectieve verankeringen blijken, inclusief de R-punten: …

9.13.2. Tekeningen van de verankeringen voor de veiligheidsgordels en de delen van de voertuigstructuur waarop deze zijn aangebracht (met opgave van de materialen): …

9.13.3. Aanduiding van de typen ( 62 ) veiligheidsgordels die op de verankeringen van het voertuig mogen worden aangebracht



 

Plaats van verankering

Voertuigstructuur

Zitplaatsstructuur

Eerste rij zitplaatsen

 

 

Rechterzitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade buitenzijde binnenzijde

verankeringen boven

 

Middelste zitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade rechts links

 

 

verankeringen boven

 

 

 

Linkerzitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade buitenzijde binnenzijde

 

 

verankeringen boven

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (1)

 

 

Rechterzitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade buitenzijde binnenzijde

verankeringen boven

 

Middelste zitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade rechts links

 

 

verankeringen boven

 

 

 

Linkerzitplaats left accolade

verankeringen onder

left accolade buitenzijde binnenzijde

 

 

verankeringen boven

 

 

 

(1)   De tabel kan zo nodig worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

9.13.4. Beschrijving van een bijzonder type veiligheidsgordel dat is vereist voor een verankering die zich in de rugleuning van de zitplaats bevindt of waarin een energiedissiperende voorziening is opgenomen: …

9.14.   Plaats voor het aanbrengen van de achterste kentekenplaat (vermeld in voorkomend geval het bereik; er kan eventueel gebruik worden gemaakt van tekeningen)

9.14.1. Hoogte boven het wegdek, bovenrand: …

9.14.2. Hoogte boven het wegdek, onderrand: …

9.14.3. Afstand van de middellijn tot het middenlangsvlak van het voertuig: …

9.14.4. Afstand tot de linkerrand van het voertuig: …

9.14.5. Afmetingen (lengte × breedte): …

9.14.6. Helling van het vlak ten opzichte van de verticaal: …

9.14.7. Zichtbaarheidshoek in het horizontale vlak: …

9.15.   Beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden

9.15.0. Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (62) 

9.15.1. Tekening van de voertuigdelen die van belang zijn voor de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden, d.w.z. tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en montage van de breedste achterste as, tekening van de bevestigingsmiddelen en/of hulpstukken van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden. Indien de beschermingsinrichting tegen klemrijden geen afzonderlijke inrichting is, moet uit de tekening duidelijk blijken dat de afmetingen aan de voorschriften voldoen: …

9.15.2. Volledige beschrijving en/of tekening van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden (met bevestigingsmiddelen en hulpstukken), indien het een afzonderlijke inrichting is of, indien deze goedgekeurd is als technische eenheid, het typegoedkeuringsnummer: …

9.16.   Wielafschermingen

9.16.1. Korte beschrijving van het voertuig wat de wielafschermingen betreft: …

9.16.2. Gedetailleerde tekeningen van de wielafschermingen en de plaats daarvan op het voertuig met aanduiding van de afmetingen zoals aangegeven in figuur 1 van bijlage I bij Richtlijn 78/549/EEG en rekening houdend met de uiterste waarden van de band/wielcombinaties: …

9.17.   Voorgeschreven platen

9.17.1. Foto’s en/of tekeningen van de plaats van de voorgeschreven platen en opschriften en van het voertuigidentificatienummer: …

9.17.2. Foto’s en/of tekeningen van de voorgeschreven platen en opschriften (ingevuld voorbeeld met afmetingen): …

9.17.3. Foto’s en/of tekeningen van het voertuigidentificatienummer (ingevuld voorbeeld met afmetingen): …

9.17.4. Door de fabrikant opgestelde verklaring van overeenstemming met de voorschriften van punt 3.1.1.1 van de bijlage bij Richtlijn 76/114/EEG van de Raad (PB L 24 van 30.1.1976, blz. 1).

9.17.4.1. De betekenis van tekens van de tweede groep en, indien van toepassing, van de derde groep die gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.3 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moet worden verklaard: …

9.17.4.2. Indien er tekens van de tweede groep gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.4 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moeten deze tekens worden vermeld: …

9.18.   Radiostoring/elektromagnetische compatibiliteit

9.18.1. Beschrijving en tekeningen of foto’s van de vormen en samenstellende materialen van het gedeelte van de carrosserie bestaande uit de motorruimte en het aangrenzende gedeelte van het interieur: …

9.18.2. Tekeningen of foto’s van de plaats van de metalen onderdelen die zich in de motorruimte bevinden (verwarmingsapparaten, reservewiel, luchtfilter, stuurinrichting enz.): …

9.18.3. Tabel en tekening van de ontstoringsinrichting: …

9.18.4. Opgave van de nominale waarde van de gelijkstroomweerstanden en, voor weerstandskabels voor de ontsteking, van de nominale weerstand per meter: …

9.19.   Zijdelingse bescherming

9.19.0. Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (62) 

9.19.1. Tekening van de voertuigdelen die van belang zijn voor de zijdelingse bescherming, d.w.z. tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en ophanging van de as(sen), tekening van de bevestigingsmiddelen en/of montagehulpstukken van de zijdelingse beschermingsinrichtingen. Indien de zijdelingse bescherming tot stand wordt gebracht zonder (een) zijdelingse beschermingsinrichting(en), moet de tekening duidelijk aangeven dat aan de afmetingsvoorschriften is voldaan: …

9.19.2. Bij (een) zijdelingse beschermingsinrichting(en), een volledige beschrijving en/of tekening van (een) dergelijke inrichting(en) (inclusief montage- en bevestigingsmiddelen), of het typegoedkeuringsnummer van de onderdelen ervan: …

9.20.   Opspatafschermingssystemen

9.20.0. Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (62) 

9.20.1. Korte beschrijving van het voertuig met betrekking tot het opspatafschermingssysteem en de samenstellende delen: …

9.20.2. Gedetailleerde tekeningen van het opspatafschermingssysteem en de plaats daarvan op het voertuig met vermelding van de afmetingen zoals aangegeven in de figuren van bijlage III bij Richtlijn 91/226/EEG en rekening houdend met de uiterste waarden van de band/wielcombinaties: …

9.20.3. Eventueel typegoedkeuringsnummer van het opspatafschermingssysteem (de opspatafschermingssystemen): …

9.21.   Weerstand tegen zijdelingse botsing

9.21.1. Een gedetailleerde beschrijving met foto’s en/of tekeningen van het voertuigtype voor wat betreft de structuur, de afmetingen, het ontwerp en de materialen waaruit het bestaat, de zijwanden van de passagierskooi (buiten- en binnenkant), met in voorkomend geval nadere gegevens over het beschermingssysteem: …

9.22.   Beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden

9.22.0. Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (62) 

9.22.1. Tekeningen van de voertuigonderdelen die verband houden met de bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden, d.w.z. een tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en bevestiging van de breedste vooras, tekening van de montagewijze en/of bevestiging van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Indien de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden geen afzonderlijke inrichting is, moet de tekening duidelijk aangeven dat aan de afmetingsvoorschriften is voldaan: …

9.22.2. In geval van een afzonderlijke inrichting, een volledige beschrijving en/of tekening van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden (inclusief montagestukken en bevestigingsmiddelen), of, indien goedgekeurd als technische eenheid, het typegoedkeuringsnummer: …

9.23.   Bescherming van voetgangers

9.23.1. Een gedetailleerde beschrijving, inclusief foto’s en/of tekeningen, van het voertuig met betrekking tot de structuur, de afmetingen, de relevante referentielijnen en de samenstellende materialen van het frontgedeelte van het voertuig (binnen- en buitenkant), met inbegrip van nadere gegevens over elk geïnstalleerd systeem voor actieve bescherming.

▼M2

9.24.   Frontbeschermingsinrichtingen

9.24.1. Algemeen overzicht (tekeningen of foto’s) met aanduiding van de plaats en bevestiging van de frontbeschermingsinrichtingen:

9.24.2. Tekeningen en/of foto’s, indien relevant, van luchtinlaatroosters, radiatorrooster, sierstrips, badges, decoratieve emblemen en uitsparingen en andere naar buiten uitstekende delen en delen van het buitenoppervlak die als kritisch kunnen worden beschouwd (bv. verlichtingsinstallatie). Indien de in de eerste zin genoemde delen niet kritisch zijn, kunnen zij voor documentatiedoeleinden worden vervangen door foto’s met, indien noodzakelijk, vermelding van de afmetingen en/of begeleidende tekst:

9.24.3. Complete nadere gegevens over de vereiste bevestigingen en volledige montage-instructies, zoals de toe te passen koppelinstellingen:

9.24.4. Tekening van de bumpers:

9.24.5. Tekening van de vloerlijn aan de voorkant van het voertuig:

▼M1

10.   VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN

10.1. Tabel van alle inrichtingen (nummer, merk, type, typegoedkeuringsmerk, maximumsterkte van de grootlichtbundels, kleur, verklikkerlicht): …

10.2. Tekening van de plaats van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen: …

10.3. Verstrek de volgende gegevens (in woorden en/of aan de hand van een schema) voor alle in Richtlijn 76/756/EEG van de Raad (PB L 262 van 27.9.1976, blz. 1) vermelde lichten en retroflectoren

10.3.1. Tekening met aanduiding van de grootte van het lichtdoorlatende gedeelte: …

10.3.2. Methode voor de bepaling van het zichtbaar vlak overeenkomstig punt 2.10 van VN/ECE-Reglement nr. 48 (PB L 137 van 30.5.2007, blz. 1): …

10.3.3. Referentieas en referentiepunt: …

10.3.4. Werkwijze van camoufleerbare lichten: …

10.3.5. Eventuele specifieke montage- en bedradingsvoorschriften: …

10.4. Dimlichten: normale richting overeenkomstig punt 6.2.6.1 van VN/ECE-Reglement nr. 48:

10.4.1. Waarde van de begininstelling: …

10.4.2. Plaats van de aanduiding: …



10.4.3.

Beschrijving/schets (1) en type verstelinrichting voor de koplamp (bv. automatisch, manueel getrapt verstelbaar, manueel continu verstelbaar):

right accolade Geldt alleen voor voertuigen met een verstelinrichting voor de koplamphoogte

10.4.4.

Bedieningsinrichting:

10.4.5.

Referentiemerktekens:

10.4.6.

Merktekens voor de beladingsomstandigheden:

(1)   Doorhalen wat niet van toepassing is (er zijn gevallen waarin meer dan een punt van toepassing is en niets hoeft te worden weggelaten).

10.5. Korte beschrijving van de eventuele andere elektrische/elektronische onderdelen dan lampen: …

11.   VERBINDINGEN TUSSEN TREKKER EN AANHANGWAGEN OF OPLEGGER

11.1. Klasse en type van de gemonteerde of te monteren koppelinrichting(en): …

11.2. Kenmerken D, U, S en V van de gemonteerde koppelinrichting(en) of minimumkenmerken D, U, S en V van de te monteren koppelinrichting(en): …… daN

11.3. Door de fabrikant gegeven instructies voor de bevestiging van het type koppeling van het voertuig en foto’s of tekeningen van de verankeringen op het voertuig; aanvullende gegevens, indien het type koppeling slechts voor bepaalde varianten of uitvoeringen van het type voertuig wordt gebruikt: …

11.4. Gegevens over de montage van speciale trekinrichtingen of montageplaten: …

11.5. Typegoedkeuringsnummer(s): …

12.   DIVERSEN

12.1. Geluidssignaalinrichting(en)

12.1.1. Plaats, wijze van bevestiging, plaatsing en richting van de inrichting(en), met afmetingen: …

12.1.2. Aantal inrichtingen: …

12.1.3. Typegoedkeuringsnummer(s): …

12.1.4. Schema van het elektrisch/pneumatisch (62)  circuit: …

12.1.5. Nominale spanning of druk: …

12.1.6. Tekening van het montagesysteem: …

12.2. Inrichtingen ter beveiliging tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig

12.2.1. Beveiligingsinrichting

12.2.1.1. Gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat betreft de opstelling en het ontwerp van het bedieningsorgaan of van de eenheid waarop de beveilingsinrichting werkt: …

12.2.1.2. Tekeningen van de beveilingsinrichting en van de montage ervan op het voertuig: …

12.2.1.3. Technische beschrijving van de inrichting: …

12.2.1.4. Gegevens van de gebruikte vergrendelingscombinaties: …

12.2.1.5. Voertuigimmobilisatiesysteem

12.2.1.5.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer: …

12.2.1.5.2. Voor nog niet goedgekeurde immobilisatiesystemen

12.2.1.5.2.1. Gedetailleerde technische beschrijving van het voertuigimmobilisatiesysteem en van de maatregelen tegen onbedoelde activering: …

12.2.1.5.2.2. Het systeem (de systemen) waarop het immobilisatiesysteem aangrijpt: …

12.2.1.5.2.3. Aantal gebruikte wisselcombinaties, indien van toepassing: …

12.2.2. Alarmsysteem (indien aanwezig)

12.2.2.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer: …

12.2.2.2. Voor nog niet goedgekeurde alarmsystemen

12.2.2.2.1. Gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem: …

12.2.2.2.2. Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem: …

12.2.3. Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

12.3. Trekinrichting(en)

12.3.1. Voor: haak/oog/andere (62) 

12.3.2. Achter: haak/oog/andere/geen (62) 

12.3.3. Tekening of foto van het chassis/gedeelte van de voertuigcarrosserie met aanduiding van de plaats, constructie en montage van de trekinrichting(en): …

12.4. Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden inrichtingen die zijn ontworpen om het brandstofverbruik te beïnvloeden (voor zover niet elders vermeld): …

12.5. Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden geluiddempingsinrichtingen (voor zover niet elders vermeld): …

12.6. Snelheidsbegrenzers

12.6.1. Fabrikant(en): …

12.6.2. Type(n): …

12.6.3. Eventueel typegoedkeuringsnummer: …

12.6.4. Snelheid of reeks van snelheden waarop de snelheidsbegrenzer kan worden ingesteld: …… km/h

12.7. Tabel met de installatie en het gebruik van RF-zenders in het (de) voertuig(en), indien van toepassing: …



Frequentiebanden (Hz)

Maximaal uitgangsvermogen (W)

Positie van de antenne op het voertuig, specifieke voorwaarden voor installatie en/of gebruik

 

 

 

De indiener van een typegoedkeuringsaanvraag moet, voor zover nodig, ook de volgende documenten voorleggen:

Aanhangsel 1

Een lijst met merk en type van alle elektrische en/of elektronische onderdelen die onder Richtlijn 72/245/EEG van de Commissie (PB L 152 van 6.7.1972, blz. 15) vallen.

Aanhangsel 2

Schema’s of tekeningen van de algemene opstelling van de elektrische en/of elektronische onderdelen die onder Richtlijn 72/245/EEG vallen en de algemene opstelling van de kabelboom.

Aanhangsel 3

Beschrijving van het voor het type representatieve voertuig

Carrosserietype:

Kant van het stuur: rechts/links (62) 

Wielbasis:

Aanhangsel 4

Door de fabrikant of erkende laboratoria ingediende testrapporten die relevant zijn voor het opstellen van het typegoedkeuringscertificaat

12.7.1. Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen (62) 

13.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR BUSSEN EN TOERBUSSEN

13.1. Voertuigklasse: Klasse I/Klasse II/Klasse III/Klasse A/Klasse B (62) 

13.1.1. Typegoedkeuringsnummer van de carrosserie, goedgekeurd als technische eenheid: …

13.1.2. Chassistypen waarop de carrosserie met typegoedkeuring kan worden geïnstalleerd (fabrikant(en) en typen incomplete voertuigen): …

13.2.   Oppervlak bestemd voor passagiers (m2)

13.2.1. Totaal (S0): …

13.2.2. Bovendek (S0a(62) : …

13.2.3. Benedendek (S0b(62) : …

13.2.4. Voor staanplaatsen (S1): …

13.3.   Aantal passagiers (zit- en staanplaatsen)

13.3.1. Totaal (N): …

13.3.2. Bovendek (Na(62) : …

13.3.3. Benedendek (Nb(62) : …

13.4.   Aantal passagierszitplaatsen

13.4.1. Totaal (A): …

13.4.2. Bovendek (Aa(62) : …

13.4.3. Benedendek (Ab(62) : …

13.4.4. Aantal rolstoelplaatsen bij voertuigen van de categorieën M2 en M3: …

13.5.  Aantal bedrijfsdeuren:

13.6.  Aantal nooduitgangen (deuren, ramen, noodluiken, verbindingstrap en halve trap):

13.6.1. Totaal: …

13.6.2. Bovendek (62) : …

13.6.3. Benedendek (62) : …

13.7.  Inhoud van de bagageruimte (m3):

13.8.  Oppervlak voor bagage op het dak (m2):

13.9.  Technische voorzieningen ter vergemakkelijking van de toegang tot voertuigen (bv. oprijplaat, hefplatform en knielsysteem), indien aanwezig:

13.10.   Sterkte van de bovenbouw

13.10.1. Eventueel typegoedkeuringsnummer: …

13.10.2. Voor een nog niet goedgekeurde bovenbouw:

13.10.2.1. Gedetailleerde beschrijving van de bovenbouw van het voertuigtype met inbegrip van afmetingen, configuratie en samenstellende materialen en de bevestiging daarvan aan een chassis: …

13.10.2.2. Tekeningen van het voertuig en van die delen van de binneninrichting die van invloed zijn op de sterkte van de bovenbouw of op de restruimte: …

13.10.2.3. Plaats van het zwaartepunt van het voertuig in rijklare toestand in de langs-, dwars- en verticale richting: …

13.10.2.4. Maximumafstand tussen de hartlijnen van de buitenste passagierszitplaatsen: …

13.11.  Punten van Richtlijn 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 42 van 13.2.2002, blz. 1) waaraan deze technische eenheid aantoonbaar moet voldoen:

▼M15

13.12.  Tekening met de afmetingen van de binneninrichting wat betreft de zitplaatsen, ruimte voor staande passagiers, rolstoelgebruikers en bagageruimten met inbegrip van rekken en skiboxen, indien van toepassing

▼M1

14.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VOERTUIGEN BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN

14.1.   Elektrische uitrusting volgens Richtlijn 94/55/EG van de Raad (PB L 319 van 12.12.1994, blz. 1)

14.1.1. Bescherming tegen de oververhitting van geleiders: …

14.1.2. Type vermogensschakelaar: …

14.1.3. Type en werking van de accuhoofdschakelaar: …

14.1.4. Beschrijving en plaats van de stroombegrenzer van de tachograaf: …

14.1.5. Beschrijving van de permanent onder stroom staande installaties. Vermeld de toegepaste Europese norm (EN): …

14.1.6. Constructie en beveiliging van de elektrische installatie aan de achterkant van de stuurcabine: …

14.2.   Voorkoming van brandgevaar

14.2.1. Type niet gemakkelijk ontvlambaar materiaal in de stuurcabine: …

14.2.2. Type hitteschild achter de stuurcabine (in voorkomend geval): …

14.2.3. Plaats en warmte-isolatie van de motor: …

14.2.4. Plaats en warmte-isolatie van het uitlaatsysteem: …

14.2.5. Type en ontwerp van de warmte-isolatie van de vertragersystemen: …

14.2.6. Type, ontwerp en plaats van de verwarmingstoestellen: …

14.3.   Eventuele bijzondere eisen betreffende de carrosserie volgens Richtlijn 94/55/EG

14.3.1. Beschrijving van de maatregelen tot inachtneming van de voorschriften voor voertuigen van de typen EX/II en EX/III: …

14.3.2. Voor voertuigen van het type EX/III, weerstand tegen hitte van buitenaf: …

15.   HERBRUIKBAARHEID, RECYCLEERBAARHEID EN MOGELIJKE NUTTIGE TOEPASSING

15.1. Uitvoering waartoe het referentievoertuig behoort: …

15.2. Massa van het referentievoertuig met carrosserie of massa van het chassis met cabine, zonder carrosserie en/of koppelinrichting, indien niet gemonteerd door de fabrikant, (met inbegrip van vloeistoffen, gereedschap, reservewiel indien gemonteerd) en zonder bestuurder: …

15.3. Massa van de materialen van het referentievoertuig: …

15.3.1. Massa van het materiaal waarmee rekening wordt gehouden bij de voorbehandeling ( 63 ): …

15.3.2. Massa van het materiaal waarmee rekening wordt gehouden bij de demontage (63) : …

15.3.3. Massa van het als recycleerbaar beschouwde materiaal waarmee rekening wordt gehouden bij het behandelen van niet-metalen residu (63) : …

15.3.4. Massa van het voor energieterugwinning in aanmerking komende materiaal waarmee rekening wordt gehouden bij het behandelen van niet-metalen residu (63) : …

15.3.5. Specificatie van de materialen (63) : …

15.3.6. Totale massa van de materialen die herbruikbaar en/of recycleerbaar zijn: …

15.3.7. Totale massa van de materialen die herbruikbaar en/of nuttig toepasbaar zijn: …

15.4.   Percentages

15.4.1. Recycleerbaarheidspercentage Rcyc ( %): …

15.4.2. Nuttige-toepasbaarheidspercentage Rcov ( %): …

16.   TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

16.1. Adres van de belangrijkste website voor toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie: …

16.1.1. Datum vanaf wanneer deze beschikbaar is (uiterlijk 6 maanden na de datum van typegoedkeuring): …

16.2. Voorwaarden voor toegang tot de website: …

16.3. Formaat van de via de website toegankelijke reparatie- en onderhoudsinformatie: …

Toelichting

(5) De waarde voor elke technische configuratie van het voertuigtype moet duidelijk zijn aangegeven.

▼M18 —————

▼M21

(x) Dualfuelmotoren.

▼M12




BIJLAGE II

ALGEMENE DEFINITIES, CRITERIA VOOR DE INDELING IN VOERTUIGCATEGORIEËN, VOERTUIGTYPEN EN CARROSSERIETYPEN

INLEIDING

Algemene definities en algemene bepalingen

1.    Definities

1.1.

„Zitplaats” :

elke locatie die als zitplaats kan dienen voor één persoon die ten minste zo groot is als:

a) in het geval van de bestuurder: de dummy die overeenkomt met een man van het 50e percentiel;

b) in alle andere gevallen: de dummy die overeenkomt met een volwassen vrouw van het 5e percentiel.

1.2.

„Stoel” : een complete structuur met bekleding, al dan niet geïntegreerd in de carrosseriestructuur van het voertuig, die bestemd is om zitplaats te bieden aan één persoon.

1.2.1.

De term „stoel” dekt zowel een afzonderlijke stoel als een zitplaats op een bank.

1.2.2.

Klapstoelen en verwijderbare stoelen vallen eveneens onder deze definitie.

1.3.

„Goederen” : in hoofdzaak alle roerende zaken.

De term „goederen” omvat producten in bulk, industrieproducten, vloeistoffen, levende dieren, gewassen en ondeelbare ladingen.

1.4.

„Maximummassa” : de „technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand” zoals vermeld in punt 2.8 van bijlage I.

2.    Algemene bepalingen

2.1.   Aantal zitplaatsen

2.1.1.

De voorschriften voor het aantal zitplaatsen zijn van toepassing op stoelen die bestemd zijn om te worden gebruikt als het voertuig op de weg rijdt.

2.1.2.

Zij zijn niet van toepassing op stoelen die bestemd zijn om te worden gebruikt wanneer het voertuig stilstaat en die voor de gebruikers duidelijk worden aangeduid door middel van een pictogram of een bordje met een passende tekst.

2.1.3.

Voor het tellen van het aantal zitplaatsen gelden de volgende voorschriften:

a) elke afzonderlijke stoel telt als één zitplaats;

b) bij banken telt elke ruimte met een breedte van ten minste 400 mm, gemeten ter hoogte van het zitkussen, als één zitplaats.

Onverminderd deze voorwaarde moet de fabrikant de in punt 1.1 bedoelde algemene bepalingen toepassen;

c) een ruimte zoals bedoeld onder b) telt echter niet als één zitplaats indien:

i) de zitplaats op een bank zodanige kenmerken heeft dat de dummy niet op natuurlijke wijze kan zitten, zoals door de aanwezigheid van een vaste consolebox, een onbekleed gedeelte of een interieurafwerking die het nominale zitoppervlak onderbreekt;

ii) de voeten van de dummy niet op natuurlijke wijze kunnen worden geplaatst als gevolg van het ontwerp van de vloerkuip onmiddellijk vóór een veronderstelde zitplaats (bv. door de aanwezigheid van een tunnel).

2.1.4.

Bij voertuigen waarop Richtlijn 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/27/EG ( 64 ) van toepassing is, moet de in punt 2.1.3, onder b), bedoelde afmeting worden aangepast aan de voor één persoon vereiste minimumruimte voor de desbetreffende voertuigklasse.

2.1.5.

Wanneer in een voertuig stoelverankeringen voor een verwijderbare stoel aanwezig zijn, telt de verwijderbare stoel mee bij de bepaling van het aantal zitplaatsen.

2.1.6.

Een ruimte die bestemd is voor een rolstoel met gebruiker wordt beschouwd als één zitplaats.

2.1.6.1.

Deze bepaling geldt onverminderd de punten 3.6.1 en 3.7 van bijlage VII bij Richtlijn 2001/85/EG.

2.2.   Maximummassa

2.2.1.

In het geval van een opleggertrekker omvat de maximummassa waarop de indeling van het voertuig wordt gebaseerd, de maximummassa van de oplegger die door de koppelschotel wordt gedragen.

2.2.2.

In het geval van een motorvoertuig dat een middenasaanhangwagen of een aanhangwagen met stijve dissel kan trekken, omvat de maximummassa waarop de indeling van het motorvoertuig wordt gebaseerd, de maximummassa die door de koppeling op het trekkende voertuig wordt overbracht.

2.2.3.

In het geval van een oplegger, een middenasaanhangwagen en een aanhangwagen met stijve dissel komt de maximummassa waarop de indeling van het voertuig wordt gebaseerd, overeen met de maximummassa die door de wielen van een as of van een groep assen op de grond wordt overgebracht wanneer het voertuig aan het trekkende voertuig is gekoppeld.

2.2.4.

In het geval van een dolly omvat de maximummassa waarop de indeling van het voertuig wordt gebaseerd, de maximummassa van de oplegger die door de koppelschotel wordt gedragen.

2.3.   Speciale uitrusting

2.3.1.

Voertuigen waarop in eerste instantie vaste uitrusting zoals machines of apparatuur wordt gemonteerd, worden beschouwd als voertuigen van categorie N of O.

2.4.   Eenheden

2.4.1.

Tenzij anders vermeld, komen de meeteenheden en de bijbehorende symbolen overeen met Richtlijn 80/181/EEG van de Raad ( 65 ).

3.    Indeling in voertuigcategorieën

3.1.

De fabrikant is verantwoordelijk voor de indeling van een voertuigtype in een bepaalde categorie.

Hierbij moet aan alle desbetreffende criteria in deze bijlage worden voldaan.

3.2.

De goedkeuringsinstantie kan de fabrikant om aanvullende informatie vragen die van belang is om aan te tonen dat een voertuigtype moet worden ingedeeld in de speciale groep van voertuigen voor speciale doeleinden („SG-code”).

DEEL A

Criteria voor de indeling in voertuigcategorieën

1.    Voertuigcategorieën

Met het oog op Europese en nationale typegoedkeuring, alsook individuele goedkeuring, worden voertuigen volgens onderstaande classificatie in categorieën ingedeeld

(opgemerkt zij dat alleen goedkeuring kan worden verleend voor de categorieën die beschreven zijn in de punten 1.1.1 tot en met 1.1.3, 1.2.1 tot en met 1.2.3 en 1.3.1 tot en met 1.3.4):

Categorie M

Motorvoertuigen die in eerste instantie voor het vervoer van personen en hun bagage zijn ontworpen en gebouwd.

Categorie M1

Voertuigen van categorie M met maximaal acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.

Voertuigen van categorie M1 mogen geen ruimte voor staande passagiers hebben.

Het aantal zitplaatsen mag beperkt zijn tot één (de bestuurderszitplaats).

Categorie M2

Voertuigen van categorie M met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en een maximummassa van ten hoogste 5 ton.

Voertuigen van categorie M2 mogen naast zitplaatsen ook ruimte voor staande passagiers hebben.

Categorie M3

Voertuigen van categorie M met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en een maximummassa van meer dan 5 ton.

Voertuigen van categorie M3 mogen ruimte voor staande passagiers hebben.

Categorie N

Motorvoertuigen die in eerste instantie voor het vervoer van goederen zijn ontworpen en gebouwd.

Categorie N1

Voertuigen van categorie N met een maximummassa van ten hoogste 3,5 ton.

Categorie N2

Voertuigen van categorie N met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, maar niet meer dan 12 ton.

Categorie N3

Voertuigen van categorie N met een maximummassa van meer dan 12 ton.

Categorie O

Aanhangwagens die ontworpen en gebouwd zijn voor het vervoer van goederen of personen, alsook om woongelegenheid te bieden aan personen.

Categorie O1

Voertuigen van categorie O met een maximummassa van ten hoogste 0,75 ton.

Categorie O2

Voertuigen van categorie O met een maximummassa van meer dan 0,75 ton, maar niet meer dan 3,5 ton.

Categorie O3

Voertuigen van categorie O met een maximummassa van meer dan 3,5 ton, maar niet meer dan 10 ton.

Categorie O4

Voertuigen van categorie O met een maximummassa van meer dan 10 ton.

2.    Voertuigsubcategorieën

2.1.   Terreinvoertuigen

Onder „terreinvoertuig” wordt verstaan een voertuig van categorie M of N met specifieke technische kenmerken waardoor het buiten de normale wegen kan worden gebruikt.

Voor deze subcategorie wordt de letter „G” als suffix toegevoegd aan de letter en het cijfer waarmee de voertuigcategorie wordt aangeduid.

De criteria voor de indeling van voertuigen in de subcategorie terreinvoertuigen zijn gespecificeerd in deel A, punt 4.

2.2.   Voertuigen voor speciale doeleinden

2.2.1.

Onder „voertuig voor speciale doeleinden” wordt verstaan een voertuig van categorie M, N of O met specifieke technische kenmerken om een functie te vervullen waarvoor speciale voorzieningen en/of uitrustingen vereist zijn.

Voor incomplete voertuigen die bestemd zijn om tot deze subcategorie te behoren, wordt de letter „S” als suffix toegevoegd aan de letter en het cijfer waarmee de voertuigcategorie wordt aangeduid.

De verschillende typen voertuigen voor speciale doeleinden zijn gedefinieerd en opgesomd in punt 5.

2.3.   Terreinvoertuigen voor speciale doeleinden

2.3.1.

Onder „terreinvoertuig voor speciale doeleinden” wordt verstaan een voertuig van categorie M of N met de in de punten 2.1 en 2.2 bedoelde specifieke technische kenmerken.

Voor deze subcategorie wordt de letter „G” als suffix toegevoegd aan de letter en het cijfer waarmee de voertuigcategorie wordt aangeduid.

Voor incomplete voertuigen die bestemd zijn om tot deze subcategorie te behoren, wordt bovendien de letter „S” als tweede suffix toegevoegd.

3.    Criteria voor de indeling van voertuigen in categorie N

3.1.

De indeling van een voertuigtype in categorie N wordt gebaseerd op de in de punten 3.2 tot en met 3.6 bedoelde technische kenmerken van het voertuig.

3.2.

In beginsel wordt het compartiment of worden de compartimenten waar alle zitplaatsen zich bevinden, volledig gescheiden van de laadruimte.

3.3.

In afwijking van punt 3.2 mogen personen en goederen in hetzelfde compartiment worden vervoerd wanneer de laadruimte voorzien is van bevestigingsmiddelen die ontworpen zijn om de vervoerde personen tijdens het rijden te beschermen tegen schuivende lading, onder meer bij hard remmen en in scherpe bochten.

3.4.

Bevestigings- of vastzetmiddelen die bedoeld zijn om de lading vast te maken zoals voorgeschreven in punt 3.3, en scheidingssystemen, bedoeld voor voertuigen tot 7,5 ton, moeten zijn ontworpen overeenkomstig de punten 3 en 4 van ISO-norm 27956:2009 „Road vehicles — Securing of cargo in delivery vans — Requirements and Test Methods”.

3.4.1.

De naleving van de in punt 3.4 bedoelde voorschriften kan worden gecontroleerd aan de hand van een nalevingsverklaring van de fabrikant.

3.4.2.

In plaats van de voorschriften van punt 3.4 mag de fabrikant tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie aantonen dat de gemonteerde bevestigingsmiddelen een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden als voorgeschreven is in de bedoelde norm.

3.5.

Het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, mag niet meer bedragen dan:

a) zes in het geval van voertuigen van categorie N1;

b) acht in het geval van voertuigen van categorie N2 of N3.

3.6.

Het draagvermogen voor goederen van een voertuig moet ten minste gelijk aan het draagvermogen voor personen, uitgedrukt in kg.

3.6.1.

Hiertoe moet in alle configuraties, en in het bijzonder wanneer alle zitplaatsen bezet zijn, aan de volgende vergelijkingen worden voldaan:

a) wanneer N = 0:

P – M ≥ 100 kg;

b) wanneer 0 < N ≤ 2:

P – (M + N × 68) ≥ 150 kg;

c) wanneer N > 2:

P – (M + N × 68) ≥ N × 68;

waarbij de letters de volgende betekenis hebben:

P

= de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

M

= de massa in rijklare toestand;

N

= het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.

3.6.2.

De massa van de uitrusting die op het voertuig is gemonteerd om plaats te bieden aan goederen (bv. tanks, carrosserie enz.), goederen te verplaatsen (bv. kranen, liften enz.) en goederen vast te zetten (bv. bevestigingsmiddelen voor lading), wordt bij de bepaling van M meegerekend.

De massa van de uitrusting die niet voor de hierboven genoemde doeleinden wordt gebruikt (zoals een compressor, een lier, een stroomgenerator, zendapparatuur enz.), wordt bij de bepaling van M met het oog op de toepassing van bovenstaande formules niet meegerekend.

3.7.

Alle varianten en uitvoeringen van een voertuigtype moeten aan de punten 3.2 tot en met 3.6 voldoen.

3.8.

Criteria voor de indeling van voertuigen in categorie N1

3.8.1.

Een voertuig wordt in categorie N1 ingedeeld wanneer aan alle toepasselijke criteria wordt voldaan.

Wanneer niet wordt voldaan aan één of meer criteria, wordt het voertuig ingedeeld in categorie M1.

3.8.2.

Voor de indeling van voertuigen waarbij de bestuurdersruimte en de lading zich binnen één eenheid bevinden („BB”-carrosserie), moet behalve aan de algemene criteria in de punten 3.2 tot en met 3.6, tevens worden voldaan aan de criteria in de punten 3.8.2.1 tot en met 3.8.2.3.5.

3.8.2.1.

De aanwezigheid van een volledige of gedeeltelijke wand of scheiding tussen een stoelenrij en de laadruimte doet niet af aan de verplichting om aan de voorgeschreven criteria te voldoen.

3.8.2.2.

Aan de volgende criteria moet worden voldaan:

a) de goederen moeten kunnen worden geladen door een daarvoor ontworpen en gebouwde achterdeur, laadklep of zijdeur;

b) de laadopening van een achterdeur of laadklep moet aan de volgende voorschriften voldoen:

i) als het voertuig maar één stoelenrij of alleen een bestuurdersstoel heeft, moet de minimumhoogte van de laadopening ten minste 600 mm bedragen;

ii) als het voertuig twee of meer stoelenrijen heeft, moet de minimumhoogte van de laadopening ten minste 800 mm bedragen en moet de opening een oppervlakte hebben van ten minste 12 800 cm2;

c) de laadruimte moet aan de volgende voorschriften voldoen:

onder „laadruimte” wordt verstaan het deel van het voertuig dat zich bevindt achter de stoelenrij(en), of achter de bestuurdersstoel als het voertuig maar één bestuurdersstoel heeft;

i) het laadoppervlak van de laadruimte moet nagenoeg vlak zijn;

ii) als het voertuig maar één stoelenrij of één stoel heeft, moet de minimumlengte van de laadruimte ten minste 40 % van de wielbasis bedragen;

iii) als het voertuig twee of meer stoelenrijen heeft, moet de minimumlengte van de laadruimte ten minste 30 % van de wielbasis bedragen.

Indien de stoelen van de laatste stoelenrij gemakkelijk en zonder gebruik van speciaal gereedschap uit het voertuig kunnen worden verwijderd, moet aan de voorschriften voor de lengte van de laadruimte worden voldaan wanneer alle stoelen in het voertuig zijn geïnstalleerd;

iv) aan de voorschriften voor de lengte van de laadruimte moet worden voldaan met de stoelen van de eerste rij of van de laatste rij, al naargelang het geval, in de normale rechtopstand voor gebruik door inzittenden.

3.8.2.3.

Specifieke meetvoorwaarden

3.8.2.3.1.   Definities

a) Hoogte van de laadopening”: de verticale afstand tussen twee horizontale vlakken die raken aan het hoogste punt van de onderkant van de deuropening, respectievelijk aan het laagste punt van de bovenkant van de deuropening;

b) oppervlakte van de laadopening”: de grootste oppervlakte van de loodrechte projectie op een verticaal vlak dat loodrecht op de middellijn van het voertuig staat, van de grootst mogelijke opening wanneer de achterdeur(en) of de achterklep wijd openstaat of –staan;

c) wielbasis”, voor de toepassing van de formules in de punten 3.8.2.2 en 3.8.3.1: de afstand tussen:

i) bij een voertuig met twee assen: de middellijn van de vooras en de middellijn van de tweede as, of

ii) bij een voertuig met drie assen: de middellijn van de vooras en de middellijn van een denkbeeldige as op gelijke afstand van de tweede en de derde as.

3.8.2.3.2.   Instelling van stoelen

a) De stoelen worden in de achterste en buitenste stand ingesteld;

b) als de rugleuning verstelbaar is, wordt deze zo ingesteld dat de driedimensionale H-puntmachine onder een romphoek van 25° op de stoel kan worden geplaatst;

c) als de rugleuning niet verstelbaar is, moet deze in de door de voertuigfabrikant ontworpen stand staan;

d) als de stoel in hoogte verstelbaar is, moet deze in de laagste stand worden ingesteld.

3.8.2.3.3.   Voertuigvoorwaarden

a) Het voertuig moet tot de maximummassa beladen zijn;

b) de wielen van het voertuig moeten in de rechtuitstand staan.

3.8.2.3.4.

Punt 3.8.2.3.2 is niet van toepassing als het voertuig met een wand of scheiding is uitgerust.

3.8.2.3.5.

Meting van de lengte van de laadruimte

a) Als het voertuig niet met een scheiding of wand is uitgerust, wordt de lengte gemeten vanaf een verticaal vlak dat raakt aan het achterste en buitenste punt van de bovenkant van de rugleuning van de stoel tot de binnenkant van de achterruit, achterdeur of achterklep, in gesloten stand;

b) als het voertuig met een scheiding of wand is uitgerust, wordt de lengte gemeten vanaf een verticaal vlak dat raakt aan het achterste en buitenste punt van de scheiding of wand tot de binnenkant van de achterruit, achterdeur of achterklep, al naargelang het geval, in gesloten stand;

c) aan de voorschriften voor de lengte moet ten minste worden voldaan langs een horizontale lijn die gelegen is in het verticale langsvlak door de middellijn van het voertuig, ter hoogte van de laadvloer.

3.8.3.

Voor de indeling van voertuigen waarbij de bestuurdersruimte en de lading zich niet binnen één eenheid bevinden („BE”-carrosserie), moet behalve aan de algemene criteria in de punten 3.2 tot en met 3.6, tevens worden voldaan aan de criteria in de punten 3.8.3.1 tot en met 3.8.3.4.

3.8.3.1.

Als het voertuig een omhullend type carrosserie heeft, geldt het volgende:

a) de goederen moeten door een achterdeur, laadklep, paneel of op andere wijze kunnen worden geladen;

b) de minimumhoogte van de laadopening moet ten minste 800 mm bedragen en de opening moet een oppervlakte hebben van ten minste 12 800 cm2;

c) de minimumlengte van de laadruimte moet ten minste 40 % van de wielbasis bedragen.

3.8.3.2.

Als het voertuig een open type laadruimte heeft, zijn alleen de bepalingen in punt 3.8.3.1, onder a) en c), van toepassing.

3.8.3.3.

Voor de toepassing van de in punt 3.8.3 bedoelde bepalingen zijn de definities in punt 3.8.2 van overeenkomstige toepassing.

3.8.3.4.

Aan de voorschriften voor de lengte van de laadruimte moet echter worden voldaan langs een horizontale lijn die gelegen is in het langsvlak door de middellijn van het voertuig, ter hoogte van de laadvloer.

4.    Criteria voor de indeling van voertuigen in de subcategorie terreinvoertuigen

4.1.

Voertuigen van categorie M1 of N1 worden in de subcategorie terreinvoertuigen ingedeeld als zij tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) het voertuig heeft ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ongeacht of één aangedreven as kan worden ontkoppeld;

b) het voertuig heeft ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of een mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt verkregen;

c) het afzonderlijke voertuig kan een helling van ten minste 25 % oprijden;

d) het voertuig voldoet aan vijf van de volgende zes voorschriften:

i) de oploophoek bedraagt ten minste 25o;

ii) de afloophoek bedraagt ten minste 20o;

iii) de hellingshoek bedraagt ten minste 20o;

iv) de bodemvrijheid onder de vooras bedraagt ten minste 180 mm;

v) de bodemvrijheid onder de achteras bedraagt ten minste 180 mm;

vi) de bodemvrijheid tussen de assen bedraagt ten minste 200 mm.

4.2.

Voertuigen van categorie M2, N2 of M3 met een maximummassa van niet meer dan 12 ton worden in de subcategorie terreinvoertuigen ingedeeld als zij aan de voorwaarde onder a) voldoen of als zij aan de voorwaarden onder zowel b) als c) voldoen:

a) alle assen van het voertuig worden gelijktijdig aangedreven, ongeacht of één of meer aangedreven assen kunnen worden ontkoppeld;

b)

 

i) het voertuig heeft ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ongeacht of één aangedreven as kan worden ontkoppeld;

ii) het voertuig heeft ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of een mechanisme waarmee hetzelfde effect wordt verkregen;

iii) het afzonderlijke voertuig kan een helling van 25 % oprijden;

c) van de zes onderstaande voorschriften voldoet het voertuig er ten minste aan vijf als de maximummassa niet hoger is dan 7,5 ton en ten minste aan vier als de maximummassa hoger is dan 7,5 ton:

i) de oploophoek bedraagt ten minste 25o;

ii) de afloophoek bedraagt ten minste 25o;

iii) de hellingshoek bedraagt ten minste 25o;

iv) de bodemvrijheid onder de vooras bedraagt ten minste 250 mm;

v) de bodemvrijheid tussen de assen bedraagt ten minste 300 mm;

vi) de bodemvrijheid onder de achteras bedraagt ten minste 250 mm.

4.3.

Voertuigen van categorie M3 of N3 met een maximummassa van meer dan 12 ton worden in de subcategorie terreinvoertuigen ingedeeld als zij aan de voorwaarde onder a) voldoen of als zij aan de voorwaarden onder zowel b) als c) voldoen:

a) alle assen van het voertuig worden gelijktijdig aangedreven, ongeacht of één of meer aangedreven assen kunnen worden ontkoppeld;

b)

 

i) ten minste de helft van de assen (of twee van de drie assen bij een voertuig met drie assen en mutatis mutandis bij een voertuig met vijf assen) is ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ongeacht of één aangedreven as kan worden ontkoppeld;

ii) het voertuig heeft ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of een mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt verkregen;

iii) het afzonderlijke voertuig kan een helling van 25 % oprijden;

c) het voertuig voldoet aan ten minste vier van de volgende zes voorschriften:

i) de oploophoek bedraagt ten minste 25o;

ii) de afloophoek bedraagt ten minste 25o;

iii) de hellingshoek bedraagt ten minste 25o;

iv) de bodemvrijheid onder de vooras bedraagt ten minste 250 mm;

v) de bodemvrijheid tussen de assen bedraagt ten minste 300 mm;

vi) de bodemvrijheid onder de achteras bedraagt ten minste 250 mm.

4.4.

De procedure voor de controle op de naleving van de in dit punt bedoelde geometrische bepalingen is opgenomen in aanhangsel 1.

5.    Voertuigen voor speciale doeleinden



 

Benaming

Code

Definitie

5.1.

Kampeerwagen

SA

Een voertuig van categorie M dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting:

a)  tafel en stoelen;

b)  slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;

c)  kookvoorzieningen;

d)  opbergmogelijheden.

Deze uitrusting moet vast in het woongedeelte bevestigd zijn.

De tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd.

5.2.

Gepantserd voertuig

SB

Een voertuig dat bestemd is om de vervoerde personen of goederen te beschermen door middel van kogelwerende bepantsering.

▼M22

5.3.

Ambulance

SC

Een voertuig van categorie M dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft.

▼M12

5.4.

Lijkwagen

SD

Een voertuig van categorie M dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft.

5.5.

Voor rolstoelen toegankelijk voertuig

SH

Een voertuig van categorie M1 dat specifiek gebouwd of verbouwd is om plaats te bieden aan één of meer personen die in hun rolstoel zitten wanneer het voertuig op de weg rijdt.

5.6.

Caravan

SE

Een voertuig van categorie O zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.3 van ISO-norm 3833:1977.

5.7.

Mobiele kraan

SF

Een voertuig van categorie N3 dat niet is uitgerust voor het vervoer van goederen, maar voorzien is van een kraan met een hefmoment van ten minste 400 kNm.

5.8.

Speciale groep

SG

Een voertuig voor speciale doeleinden dat niet onder een van de andere definities in dit punt valt.

5.9.

Dolly

SJ

Een voertuig van categorie O dat van een koppelschotel is voorzien om een oplegger te dragen, zodat deze als aanhangwagen kan worden gebruikt.

5.10.

Aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen

SK

Een voertuig van categorie O4 dat bestemd is voor het vervoer van ondeelbare ladingen, waarvoor snelheids- en verkeersbeperkingen gelden vanwege de afmetingen ervan.

Hieronder vallen ook hydraulische modulaire aanhangwagens, ongeacht het aantal modules.

▼M22

5.11.

Motorvoertuig voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen

SL

Een aanhangwagentrekker of een opleggertrekker van categorie N3 die aan alle hiernavolgende voorwaarden voldoet:

a)  meer dan twee assen hebben, waarbij ten minste de helft van de assen (twee van de drie assen bij een voertuig met drie assen en mutatis mutandis bij een voertuig met vijf assen) is ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ongeacht of één aangedreven as kan worden ontkoppeld;

b)  ontworpen zijn om een aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen van de categorie O4 te slepen of te duwen;

c)  een motorvermogen van minstens 350 kW hebben, en

d)  kunnen worden voorzien van een bijkomende voorste koppelinrichting voor zware getrokken massa’s.

5.12.

Multifunctione-le werktuigdrager

SM

Een terreinvoertuig van categorie N (zoals gedefinieerd in punt 2.3) ontworpen en gebouwd voor het trekken, duwen, vervoeren en aandrijven van bepaalde onderling verwisselbare apparatuur

a)  met ten minste twee montageoppervlakken voor deze apparatuur;

b)  met gestandaardiseerde, mechanische, hydraulische en/of elektrische verbindingsdelen (zoals een aftakas) voor het voeden en aandrijven van de bovengenoemde apparatuur, en

c)  die voldoet aan de definitie van norm ISO 3833:1977, punt 3.1.4 (speciaal voertuig).

Indien het voertuig is uitgerust met een hulplaadplatform, bedraagt de maximale lengte:

a)  1,4 maal de grootste spoorbreedte (voor of achter) van het voertuig bij tweeassige voertuigen, of

b)  2,0 maal de grootste spoorbreedte (voor of achter) van het voertuig bij voertuigen met meer dan twee assen.

▼M12

6.    Opmerkingen

6.1.

Er wordt geen typegoedkeuring verleend:

a) voor dolly’s zoals gedefinieerd in deel A, punt 5;

b) voor aanhangwagens met stijve dissel zoals gedefinieerd in deel C, punt 4;

c) voor aanhangwagens waarin personen over de weg mogen worden vervoerd.

6.2.

Punt 6.1 geldt onverminderd artikel 23 betreffende nationale typegoedkeuring van kleine series.

DEEL B

Criteria voor voertuigtypen, varianten en uitvoeringen

1.    Categorie M1

1.1.   Voertuigtype

1.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) in het geval van een zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de assemblage van de essentiële delen van de carrosseriestructuur.

Ditzelfde voorschrift is van overeenkomstige toepassing voor voertuigen waarvan de carrosserie met bouten of door middel van lassen op een apart frame is gemonteerd;

c) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

1.1.2.

In afwijking van punt 1.1.1, onder b), mogen ingeval de fabrikant het vloergedeelte van de carrosseriestructuur en de essentiële bestanddelen die de voorzijde van de direct vóór de voorruit gelegen carrosseriestructuur vormen, bij de bouw van verschillende soorten carrosserie (bv. een sedan en een coupé) gebruikt, deze voertuigen tot hetzelfde type worden gerekend. Dit moet door de fabrikant worden aangetoond.

1.1.3.

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

1.2.   Variant

1.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouwkenmerken gemeen hebben:

a) het aantal zijdeuren of het type carrosserie zoals gedefinieerd in deel C, punt 1, wanneer de fabrikant het criterium van punt 1.1.2 toepast;

b) de motor wat de volgende bouwkenmerken betreft:

i) het type energievoorziening (verbrandingsmotor, elektrische motor of andere);

ii) het werkingsprincipe (elektrische ontsteking, compressieontsteking of andere);

iii) het aantal en de opstelling van de cilinders in het geval van een verbrandingsmotor (L4, V6 of andere);

c) het aantal assen;

d) het aantal en de onderlinge verbinding van de aangedreven assen;

e) het aantal gestuurde assen;

f) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet).

1.3.   Uitvoering

1.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) de cilinderinhoud in het geval van een verbrandingsmotor;

c) het maximaal geleverde motorvermogen of het nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor);

d) de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bi-fuel of andere);

e) het maximumaantal zitplaatsen;

f) het geluidsniveau bij langsrijden;

g) het uitlaatemissieniveau (bv. Euro V, Euro VI of andere);

h) gecombineerde of gewogen, gecombineerde CO2-uitstoot;

i) elektriciteitsverbruik (gewogen, gecombineerd);

j) gecombineerd of gewogen, gecombineerd brandstofverbruik;

k) het bestaan van een uniek pakket innoverende technologie, zoals beschreven in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009 ( 66 ).

2.    Categorieën M2 en M3

2.1.   Voertuigtype

2.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) de categorie;

c) de volgende bouw- en ontwerpaspecten:

i) het ontwerp en de bouw van de essentiële bestanddelen die het chassis vormen;

ii) in het geval van een zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de bouw van de essentiële delen die de carrosseriestructuur vormen;

d) het aantal dekken (enkel- of dubbeldeks);

e) het aantal segmenten (ongeleed/geleed);

f) het aantal assen;

g) de wijze van energievoorziening (binnen of buiten het voertuig);

h) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

2.1.2.

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

2.2.   Variant

2.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouwkenmerken gemeen hebben:

a) het type carrosserie zoals gedefinieerd in deel C, punt 2;

b) de voertuigklasse of combinatie van klassen zoals gedefinieerd in punt 2.1.1 van bijlage I bij Richtlijn 2001/85/EG (alleen in het geval van complete en voltooide voertuigen);

c) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet/voltooid);

d) de motor wat de volgende bouwkenmerken betreft:

i) het type energievoorziening (verbrandingsmotor, elektrische motor of andere);

ii) het werkingsprincipe (elektrische ontsteking, compressieontsteking of andere);

iii) het aantal en de opstelling van de cilinders in het geval van een verbrandingsmotor (L6, V8 of andere).

2.3.   Uitvoering

2.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) de geschiktheid of ongeschiktheid van het voertuig om een aanhangwagen te trekken;

c) de cilinderinhoud in het geval van een verbrandingsmotor;

d) het maximaal geleverde motorvermogen of het nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor);

e) de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bi-fuel of andere);

f) het geluidsniveau bij langsrijden;

g) het uitlaatemissieniveau (bv. Euro IV, Euro V of andere).

3.    Categorie N1

3.1.   Voertuigtype

3.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) in het geval van een zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de assemblage van de essentiële delen van de carrosseriestructuur;

c) in het geval van een niet-zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de bouw van de essentiële delen die het chassis vormen;

d) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

3.1.2.

In afwijking van punt 3.1.1, onder b), mogen ingeval de fabrikant het vloergedeelte van de carrosseriestructuur en de essentiële bestanddelen die de voorzijde van de direct vóór de voorruit gelegen carrosseriestructuur vormen, bij de bouw van verschillende soorten carrosserie (bv. een bestelwagen en een chassiscabine, verschillende wielbasissen en verschillende dakhoogten) gebruikt, deze voertuigen tot hetzelfde type worden gerekend. Dit moet door de fabrikant worden aangetoond.

3.1.3.

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

3.2.   Variant

3.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouwkenmerken gemeen hebben:

a) het aantal zijdeuren of het type carrosserie zoals gedefinieerd in deel C, punt 3 (voor complete en voltooide voertuigen), wanneer de fabrikant het criterium van punt 3.1.2 toepast;

b) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet/voltooid);

c) de motor wat de volgende bouwkenmerken betreft:

i) het type energievoorziening (verbrandingsmotor, elektrische motor of andere);

ii) het werkingsprincipe (elektrische ontsteking, compressieontsteking of andere);

iii) het aantal en de opstelling van de cilinders in het geval van een verbrandingsmotor (L6, V8 of andere);

d) het aantal assen;

e) het aantal en de onderlinge verbinding van de aangedreven assen;

f) het aantal gestuurde assen.

3.3.   Uitvoering

3.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) de cilinderinhoud in het geval van een verbrandingsmotor;

c) het maximaal geleverde motorvermogen of het nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor);

d) de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bi-fuel of andere);

e) het maximumaantal zitplaatsen;

f) het geluidsniveau bij langsrijden;

g) het uitlaatemissieniveau (bv. Euro V, Euro VI of andere);

h) gecombineerde of gewogen, gecombineerde CO2-uitstoot;

i) elektriciteitsverbruik (gewogen, gecombineerd);

j) gecombineerd of gewogen, gecombineerd brandstofverbruik.

4.    Categorieën N2 en N3

4.1.   Voertuigtype

4.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende essentiële kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) de categorie;

c) het ontwerp en de bouw van het chassis die gemeenschappelijk zijn voor één productlijn;

d) het aantal assen;

e) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

4.1.2.

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

4.2.   Variant

4.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouwkenmerken gemeen hebben:

a) het concept van de carrosseriestructuur of het carrosserietype zoals bedoeld in deel C, punt 3, en in aanhangsel 2 (alleen voor complete en voltooide voertuigen);

b) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet/voltooid);

c) de motor wat de volgende bouwkenmerken betreft:

i) het type energievoorziening (verbrandingsmotor, elektrische motor of andere);

ii) het werkingsprincipe (elektrische ontsteking, compressieontsteking of andere);

iii) het aantal en de opstelling van de cilinders in het geval van een verbrandingsmotor (L6, V8 of andere);

d) het aantal en de onderlinge verbinding van de aangedreven assen;

e) het aantal gestuurde assen.

4.3.   Uitvoering

4.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) de geschiktheid of ongeschiktheid om de volgende aanhangwagens te trekken:

i) een niet-geremde aanhangwagen;

ii) een aanhangwagen met oplooprem zoals gedefinieerd in punt 2.12 van VN/ECE-Reglement nr. 13;

iii) een aanhangwagen met remsysteem voor continu of halfcontinu remmen zoals gedefinieerd in punt 2.9, respectievelijk punt 2.10 van VN/ECE-Reglement nr. 13;

iv) een aanhangwagen van categorie O4, waardoor de combinatie een maximummassa van ten hoogste 44 ton heeft;

v) een aanhangwagen van categorie O4, waardoor de combinatie een maximummassa van meer dan 44 ton heeft;

c) de cilinderinhoud;

d) het maximaal geleverde motorvermogen;

e) de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bi-fuel of andere);

f) het geluidsniveau bij langsrijden;

g) het uitlaatemissieniveau (bv. Euro IV, Euro V of andere).

5.    Categorieën O1 en O2

5.1.   Voertuigtype

5.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) de categorie;

c) het in deel C, punt 4, gedefinieerde concept;

d) de volgende bouw- en ontwerpaspecten:

i) het ontwerp en de bouw van de essentiële bestanddelen die het chassis vormen;

ii) in het geval van een zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de bouw van de essentiële delen die de carrosseriestructuur vormen;

e) het aantal assen;

f) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

5.1.2.

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

5.2.   Variant

5.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouwkenmerken gemeen hebben:

a) het soort carrosserie zoals bedoeld in aanhangsel 2 (voor complete en voltooide voertuigen);

b) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet/voltooid);

c) het type remsysteem (bv. niet-beremd/inertie/bekrachtigd).

5.3.   Uitvoering

5.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) het concept van de ophanging (luchtvering, stalen of rubberen veren, torsiestang of andere);

c) het concept van de dissel (driehoek, stang of ander concept);

6.    Categorieën O3 en O4

6.1.   Voertuigtype

6.1.1.

Een „voertuigtype” bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de bedrijfsnaam van de fabrikant.

Bij een wijziging van de rechtsvorm van de onderneming hoeft niet opnieuw goedkeuring te worden verleend;

b) de categorie;

c) het concept van de aanhangwagen in verband met de definities in deel C, punt 4;

d) de volgende bouw- en ontwerpaspecten:

i) het ontwerp en de bouw van de essentiële bestanddelen die het chassis vormen;

ii) in het geval van aanhangwagens met een zelfdragende carrosserie: het ontwerp en de bouw van de essentiële delen die de carrosseriestructuur vormen;

e) het aantal assen;

f) bij voertuigen die in verschillende fasen gebouwd worden: de fabrikant en het type van het voertuig in de vorige fase.

6.1.2

Een type omvat ten minste één variant en één uitvoering.

6.2.   Varianten

6.2.1.

Een „variant” van een voertuigtype bestaat uit voertuigen die alle volgende bouw- en ontwerpkenmerken gemeen hebben:

a) het soort carrosserie zoals bedoeld in aanhangsel 2 (voor complete en voltooide voertuigen);

b) de voltooiingsfase (bv. compleet/incompleet/voltooid);

c) het concept van de ophanging (stalen veren, hydraulische of luchtvering);

d) de volgende technische kenmerken:

i) de mogelijkheid of onmogelijkheid om het chassis uit te schuiven;

ii) de dekhoogte (normaal, dieplader, semidieplader enz.).

6.3.   Uitvoeringen

6.3.1.

Een „uitvoering” van een variant bestaat uit voertuigen die alle volgende kenmerken gemeen hebben:

a) de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

b) de onderverdelingen of combinatie van onderverdelingen zoals bedoeld in de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I bij Richtlijn 96/53/EG, waartoe de afstand behoort tussen twee opeenvolgende assen die een groep vormen;

c) de definitie van de assen in de volgende opzichten:

i) liftassen (aantal en plaats);

ii) belastbare assen (aantal en plaats);

iii) gestuurde assen (aantal en plaats).

7.    Gemeenschappelijke voorschriften voor alle voertuigcategorieën

7.1.

Als een voertuig door de maximummassa en/of het aantal zitplaatsen in verscheidene categorieën valt, kan de fabrikant voor de definitie van de varianten en uitvoeringen een van deze categorieën kiezen, waarvan hij de criteria toepast.

7.1.1.

Voorbeelden:

a) voor voertuig „A” kan vanwege de maximummassa typegoedkeuring als N1 (3,5 ton) en N2 (4,2 ton) worden verleend. In dit geval kunnen de bij categorie N1 vermelde parameters ook worden toegepast voor het voertuig dat in categorie N2 valt (en omgekeerd);

b) voor voertuig „B” kan vanwege het aantal zitplaatsen (7+1 of 10+1) typegoedkeuring als M1 en M2 worden verleend, dus kunnen de bij categorie M1 vermelde parameters ook worden toegepast voor het voertuig dat in categorie M2 valt (en omgekeerd).

7.2.

Voor een voertuig van categorie N kan typegoedkeuring aan de hand van de bepalingen voor categorie M1 of M2 worden verleend als het bestemd is om in de volgende fase van een meerfasentypegoedkeuring te worden veranderd in een voertuig van die categorie.

7.2.1.

Deze mogelijkheid bestaat alleen voor incomplete voertuigen.

De fabrikant van het basisvoertuig kent aan dergelijke voertuigen een specifieke variantcode toe.