Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61994CC0166

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 26 oktober 1995.
Pezzullo Molini Pastifici Mangimifici SpA tegen Ministero delle Finanze.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Corte d'appello di Salerno - Italie.
Regeling actieve veredeling - Nationale wettelijke regeling die voorziet in moratoire interessen over landbouwheffingen en BTW voor periode tussen tijdelijke invoer en definitieve invoer.
Zaak C-166/94.

European Court Reports 1996 I-00331

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1995:359

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

F. G. JACOBS

van 26 oktober 1995 ( *1 )

1. 

De onderhavige zaak, die is voorgelegd door de Corte d'appello di Salerno, heeft betrekking op de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (hierna: de „verordening”) ( 1 ), en richtlijn 69/73/EEG van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de regeling „actieve veredeling” (hierna: de „richtlijn”). ( 2 ) De zaak werpt eveneens een vraag op betreffende de uitlegging van de Zesde BTW-richtlijn. ( 3 )

2. 

Op 21 mei 1982 voerde Pezzullo Molini Pastifici Mangimifici SpA (hierna: „Pezzullo”) tijdelijk 1000 ton harde tarwe uit Canada in met de bedoeling deze tot griesmeel te verwerken en weder uit te voeren. Na de wederuitvoer bracht Pezzullo de bijprodukten van de verwerking (fijn griesmeel, zemelen en meel) in Italië in het vrije verkeer, waardoor deze op 15 januari 1985 definitief werden ingevoerd.

3. 

Voor de definitieve invoer van deze bijprodukten vorderde de douane te Salerno betaling van een landbouwheffing en van BTW. Krachtens artikel 191 van de Italiaanse douanewet (presidentieel decreet nr. 43 van 23 januari 1973) vorderde zij tevens betaling van moratoire interessen voor de periode tussen de tijdelijke invoer en de definitieve invoer. Zij stelde de in totaal verschuldigde interessen vast op 18315610 LIT, te weten 17382352 LIT voor de landbouwheffing en 933258 LIT voor de BTW.

4. 

Pezzullo betaalde de verschuldigde heffing en BTW, alsook de moratoire interessen. Daar zij evenwel van mening was, dat de bepalingen van Italiaans recht op basis waarvan de interessen waren geheven, onverenigbaar waren met het gemeenschapsrecht, stelde zij op 18 oktober 1988 bij het Tribunale di Salerno beroep in, strekkende tot terugbetaling van de betaalde interessen. Na de verwerping van haar beroep stelde zij bij de verwijzende rechter hoger beroep in.

5. 

Voor deze rechterlijke instantie betoogde zij, dat de krachtens artikel 191 van de Italiaanse douanewet gevorderde moratoire interessen een met de artikelen 9, 12, 13, 30 en 38 van het Verdrag onverenigbare binnenlandse heffing of heffing van gelijke werking waren. Zij beriep zich voorts op schending van verordening nr. 19 van de Raad ( 4 ) en van verordening nr. 120/67/EEG van de Raad ( 5 ), op grond dat liet krachtens deze verordeningen verboden was, in het handelsverkeer met derde landen enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking toe te passen. Volgens de Italiaanse belastingdienst waren ten tijde van de tijdelijke invoer de verordeningen nrs. 19 en 120/67 niet van kracht, aangezien zij bij verordening nr. 2727/75 ( 6 ) waren ingetrokken. Hij stelde tevens, dat artikel 191 van de Italiaanse douanewet in overeenstemming was met de richtlijn inzake actieve veredeling. ( 7 )

6. 

Gelet op deze argumenten heeft de verwijzende rechter de volgende vraag gesteld:

„Was ten tijde van de litigieuze invoer (1982) de heffing van moratoire interessen, waarin artikel 191 van de Italiaanse douanewet voorziet in geval van definitieve invoer, in strijd met bepalingen van gemeenschapsrecht, die voorrang hebben boven nationaal recht?”

7. 

In haar opmerkingen voert de Commissie aan, dat de voorgelegde vraag wellicht niet-ontvankelijk is, op grond dat de nationale rechter niet duidelijk aangeeft welke bepalingen van gemeenschapsrecht hij in casu toepasselijk acht. Zij stelt tevens, dat de nationale rechter slechts met een paar woorden melding maakt van de argumenten van partijen, zonder er gedetailleerd op in te gaan.

8. 

Hoewel de verwijzingsbeschikking beknopt is en het nuttig zou zijn geweest indien de nationale rechter meer bijzonderheden had verschaft, ben ik van mening, dat de voorgelegde vraag voldoende nauwkeurig is en beantwoord moet worden. Gezien de aard van de vraag bevatten de verwijzingsbeschikking en de schriftelijke opmerkingen van de Italiaanse regering en de Commissie voldoende gegevens om het Hof in staat te stellen, de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven. De onderhavige zaak kan worden onderscheiden van andere zaken waarin het Hof het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk heeft verklaard. ( 8 ) De in casu voorgelegde vraag is duidelijk, het belang van het antwoord op de vraag voor de uitkomst van de nationale procedure kan gemakkelijk worden vastgesteld, en het is mogelijk een nuttig antwoord te geven zonder om nadere feitelijke gegevens te moeten verzoeken. In de omstandigheden van het onderhavige geval ben ik van mening, dat de verwijzingsbeschikking niet dermate beknopt is, dat dit de mogelijkheid schaadt van de Lid-Staten en de andere partijen die door artikel 20 van's Hofs Statuut daartoe worden gemachtigd, om opmerkingen in te dienen. Derhalve dient de voorgelegde vraag te worden beantwoord. Deze zienswijze wordt bevestigd door het arrest van het Hof in de zaak Vaneetveld. ( 9 )

9. 

Dat de voorgelegde vraag niet preciseert, welke bepalingen van gemeenschapsrecht van toepassing kunnen zijn, is irrelevant. De verwijzingsbeschikking verwijst naar de bepalingen van gemeenschapsrecht waarop partijen zich in het hoofdgeding hebben beroepen. Bovendien heeft het Hof overwogen, dat het, om de nationale rechterlijke instantie een nuttig antwoord te kunnen geven, in een prejudiciële procedure bepalingen van gemeenschapsrecht in aanmerking kan nemen waarnaar de nationale rechter in zijn vraag niet heeft verwezen. ( 10 ) Derhalve zal ik thans de voorgelegde vraag onderzoeken.

10. 

Zoals gezegd, inden de Italiaanse autoriteiten moratoire interessen zowel over de verschuldigde heffing als over de verschuldigde BTW. Ik zal eerst onderzoeken, of de inning van moratoire interessen over de heffing verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Vervolgens zal ik nagaan, of de inning van moratoire interessen over de BTW met dat recht verenigbaar is.

Moratoire interessen over invoerrechten

11.

Het is duidelijk, dat de artikelen 12, 13 en 30 van het Verdrag, waarop Pezzullo in het hoofdgeding een beroep heeft gedaan, in casu niet van toepassing zijn, omdat zij betrekking hebben op het intracommunautaire handelsverkeer en niet op het handelsverkeer met derde landen. Evenzo zijn de artikelen 9 en 38 van het Verdrag, waarnaar Pezzullo in het hoofdgeding eveneens heeft verwezen, in de onderhavige zaak niet rechtstreeks relevant.

12.

De basisverordening van de Gemeenschap die ten tijde van de feiten van toepassing was op de produkten waarom het hier gaat, is verordening nr. 2727/75. ( 11 ) De verordening, die verordening nr. 120/67 ( 12 ) verving, voert een eenvormige prijsregeling in, die is gebaseerd op een stelsel van externe bescherming. Zij voorziet in het bijzonder in het opleggen van een heffing bij invoer uit derde landen, ter overbrugging van het verschil tussen de in derde landen en de in de Gemeenschap geldende prijzen. ( 13 )

13.

Artikel 18, lid 2, van de verordening, dat deel uitmaakt van titel II, „Regeling van het handelsverkeer met derde landen”, bepaalt het volgende:

„Behoudens andersluidende bepalingen van deze verordening of afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, zijn verboden

de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking

de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.

(...)”

14.

De nationale rechter spreekt enkel van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de moratoire interessen die zijn geheven voor de periode tussen de tijdelijke invoer en de definitieve invoer. De verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de heffing zelf, die de Italiaanse douaneautoriteiten van Pezzullo hebben gevorderd voor de definitieve invoer van de bijprodukten van de verwerking, stelt hij niet aan de orde. Bij de voorgelegde vraag gaat het erom, of de inning van moratoire interessen een heffing van gelijke werking als een douanerecht is, en, zo ja, of zij valt onder de in artikel 18, lid 2, van de verordening voorziene afwijking.

15.

Het Hof heeft het begrip „heffing van gelijke werking als een douanerecht” in de artikelen 9 en volgende van het Verdrag ruim uitgelegd. Het heeft overwogen dat, ongeacht benaming en structuur, een eenzijdig opgelegde geldelijke last — al mag zij gering zijn— die wegens grensoverschrijding op goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, een heffing van gelijke werking oplevert, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de staat wordt geheven, geen enkele discriminerende of beschermende werking heeft en al concurreert het belaste produkt niet met enige nationale produktie. ( 14 )

16.

Volgens de rechtspraak van het Hof heeft het begrip „heffing van gelijke werking als een douanerecht” in landbouwverordeningen dezelfde betekenis als in de bepalingen van het Verdrag. ( 15 ) Bovendien moet het begrip op dezelfde wijze worden uitgelegd, of het nu gaat om de intracommunautaire handel of om het handelsverkeer met derde landen. ( 16 ) Het Hof heeft niettemin overwogen, dat de afschaffing van heffingen van gelijke werking als douanerechten in het handelsverkeer met derde landen andere doelstellingen en een andere rechtsgrondslag heeft dan het verbod van zulke heffingen in het intracommunautaire handelsverkeer. ( 17 ) Wat de intracommunautaire handel betreft, gaat het daarbij om een in het Verdrag — artikel 9 — verankerd verbod, dat onvoorwaardelijk en absoluut is, omdat het is aangelegd op het tot stand brengen van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap. Daarentegen dient in het kader van het handelsverkeer met derde landen de vraag of heffingen van gelijke werking moeten worden afgeschaft, gehandhaafd, gewijzigd dan wel ingesteld, te worden betrokken zowel op de vereisten van de gemeenschappelijke handelspolitiek als op het — uit de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief voortvloeiende — vereiste, voor de invoer uit derde landen gelijke voorwaarden te scheppen. Het verbod is dus niet absoluut wat het handelsverkeer met derde landen betreft en wanneer de Raad dat verbod oplegt, kan hij uitzonderingen of afwijkingen voorzien. Zoals gezegd, verwijst artikel 18, lid 2, uitdrukkelijk naar dergelijke afwijkingen.

17.

Al aangenomen dat de betrokken moratoire interessen een heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn, dan nog zijn zij verenigbaar met het gemeenschapsrecht, aangezien zij vallen onder de afwijking waarin artikel 18, lid 2, voorziet met de woorden „Behoudens (...) afwijkingen waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit”. Op grond van de richtlijn ( 18 ), die ten tijde van de feiten van toepassing was, is het de Lid-Staten immers toegestaan, moratoire interessen te heffen.

18.

De richtlijn werd met ingang van 1 januari 1987 ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling. ( 19 ) Die verordening werd met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken bij het communautair douanewetboek. ( 20 ) Noch verordening nr. 1999/85 noch het communautair douanewetboek was ten tijde van de feiten die aan de onderhavige procedure ten grondslag liggen, van toepassing.

19.

De richtlijn voert gemeenschappelijke regels inzake de regeling actieve veredeling in, en heeft tot doel een beperkte mate van harmonisatie tot stand te brengen teneinde een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te verzekeren. ( 21 ) Volgens artikel 2 wordt onder de regeling „actieve veredeling” verstaan de douaneregeling krachtens welke ingevoerde goederen die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag, mogen worden veredeld zonder betaling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen, wanneer deze goederen bestemd zijn om in de vorm van veredelingsprodukten geheel of gedeeltelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden uitgevoerd. ( 22 )

20.

Krachtens artikel 3 dient vrijstelling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen op een van de volgende twee wijzen plaats te vinden. De goederen kunnen onder een douaneregeling worden gebracht waarbij de heffing wordt opgeschort voor de tijd gedurende welke de bedoelde goederen in het douanegebied van de Gemeenschap moeten kunnen verblijven. In het tweede geval moeten de heffingen bij invoer voorlopig worden betaald en bij uitvoer van de verkregen veredelingsprodukten uit het douanegebied van de Gemeenschap worden terugbetaald. De keuze van de wijze van vrijstelling is voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten en ingeval de eerste wijze wordt gekozen, kunnen die autoriteiten een zekerheid eisen.

21.

Artikel 15 bepaalt dat, wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, met name wanneer het bedrijven betreft met een regelmatige produktie die zowel op de markt van de Gemeenschap als op de externe markt gericht is, de bevoegde autoriteiten kunnen toestaan, dat veredelingsprodukten of onder de regeling „actieve veredeling” geplaatste goederen in het vrije verkeer worden gebracht. ( 23 ) Artikel 16 luidt als volgt:

„Bij het in het vrije verkeer brengen op grond van een overeenkomstig artikel 15, lid 1, sub a) of sub b), eerste streepje, verleende toestemming moeten op de veredelingsprodukten, de gedeeltelijk veredelde produkten of de onveredelde goederen die douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen worden geheven, welke van toepassing zijn op de ingevoerde goederen naar het tarief of het bedrag geldende op de dag waarop de bevoegde autoriteiten het op deze ingevoerde goederen betrekking hebbende douanedocument in ontvangst hebben genomen en op de grondslag van de douanewaarde en de andere op die dag als juist erkende of aanvaarde heffingsgrondslagen, onverminderd de eventueel verschuldigde moratoire interest.” ( 24 ) (Cursivering van mij.)

22.

Artikel 16 van de richtlijn machtigt de Lid-Staten dus uitdrukkelijk, moratoire interessen te heffen over de betaling van invoerrechten en landbouwheffingen voor onder de regeling actieve veredeling geplaatste produkten. Opgemerkt zij, dat volgens een Speciaal Verslag van de Rekenkamer over de EG-regeling voor het actieve veredelingsverkeer ( 25 ), waarin de situatie in acht Lid-Staten is onderzocht, alleen Italië consequent interessen inde en daarbij een rentepercentage hanteerde dat onder het niveau van de dagnoteringen lag. ( 26 )

23.

De richtlijn is een maatregel die voorziet in een afwijking in de zin van artikel 18, lid 2, van de verordening. Hieraan staat niet in de weg, dat de richtlijn eerder dan de verordening werd vastgesteld. Deze zienswijze vindt steun in het arrest Wigei. ( 27 ) In die zaak moest het Hof nagaan, of rechten wegens sanitaire keuring die werden geheven bij de invoer van partijen vers vlees van pluimvee uit Hongarije, heffingen van gelijke werking als douanerechten waren die onverenigbaar waren met artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee. ( 28 ) De tekst van artikel 11, lid 2, was identiek aan die van artikel 18, lid 2, van de verordening. Het Hof merkte op, dat hoewel artikel 11, lid 2, verbood andere dan in het gemeenschappelijk douanetarief voorziene douanerechten of nationale heffingen van gelijke werking toe te passen, dat verbod gold behoudens andersluidende bepalingen van verordening nr. 2777/75 of een afwijking waartoe de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besloot. Het Hof verklaarde, dat een bepaling van een eerdere richtlijn, te weten artikel 15 van richtlijn 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee ( 29 ), een afwijking —in de zin van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75 — vormde van het tot de Lid-Staten gerichte verbod om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen.

24.

Opgemerkt zij, dat artikel 18, lid 2, van de verordening verwijst naar afwijkingen waartoe de Raad „met gekwalificeerde meerderheid van stemmen” besluit, terwijl de richtlijn met eenparigheid van stemmen was vastgesteld op de grondslag van artikel 100 van het Verdrag. Aangezien de Raad evenwel krachtens artikel 18, lid 2, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot afwijkingen kan besluiten, kan de Raad a fortiori met eenparigheid van stemmen hiertoe besluiten. In het arrest Wigei erkende het Hof, dat richtlijn 71/118 voorzag in een afwijking in de zin van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2777/75, hoewel die richtlijn door de Raad met eenparigheid van stemmen was vastgesteld op de grondslag van de artikelen 100 en 43 van het Verdrag.

25.

Zelfs indien om wat voor reden dan ook niet zou worden aangenomen, dat zij een maatregel is die voorziet in een afwijking in de zin van artikel 18, lid 2, zou de richtlijn nochtans in elk geval kunnen voorzien in een geldige uitzondering op het door de verordening opgelegde verbod van invoerrechten en maatregelen van gelijke werking. Los van de uitdrukkelijke afwijking als bedoeld in artikel 18, lid 2, moet dat verbod worden uitgelegd in het licht van andere communautaire maatregelen. De verordening is een algemene maatregel tot instelling van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen en kan niet aldus worden uitgelegd, dat artikel 16 van de richtlijn, dat voorziet in een specifieke regel met betrekking tot de regeling actieve veredeling, geen toepassing vindt.

26.

Ik kom tot de conclusie, dat de betrokken moratoire interessen, al aangenomen dat zij een heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn, niet door de verordening worden verboden, en dat de Italiaanse autoriteiten, door van Pezzullo betaling van moratoire interessen te vorderen, derhalve geen inbreuk op het gemeenschapsrecht hebben gemaakt.

27.

Gezien bovenstaande conclusie is het niet strikt noodzakelijk na te gaan, of de betrokken moratoire interessen een heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn. Met betrekking tot dit vraagstuk volstaan de volgende opmerkingen.

28.

Mijns inziens moet worden betwijfeld of, wanneer produkten tijdelijk in de Gemeenschap worden ingevoerd in het kader van de regeling actieve veredeling en vervolgens de bijprodukten van de verwerking in het vrije verkeer worden gebracht, moratoire interessen over de invoerheffing, die verschuldigd zijn voor de periode tussen de tijdelijke invoer en de definitieve invoer, kunnen worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een douanerecht.

29.

De verordening moet aldus worden uitgelegd, dat de verplichting tot betaling van invoerheffing ontstaat op het tijdstip waarop de produkten in de Gemeenschap worden ingevoerd. Hieruit volgt in beginsel, dat wanneer de invoerheffing niet wordt betaald op het tijdstip van invoer van de produkten, moratoire interessen verschuldigd zijn. Zoals de Italiaanse regering opmerkt, is de verplichting tot betaling van moratoire interessen de natuurlijke consequentie van het uitstel van betaling van de heffing, aangezien deze verplichting erop is gericht, het financiële voordeel weg te nemen dat dit uitstel de importeur zou opleveren en te verzekeren, dat de doelstellingen van de invoerheffing worden bereikt. Derhalve kunnen moratoire interessen niet worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een douanerecht. Dit kan anders zijn wanneer het rentepercentage buitensporig is.

30.

Zijn andere overwegingen van toepassing wanneer goederen in de Gemeenschap worden ingevoerd in het kader van de regeling actieve veredeling? Mijns inziens is dat niet het geval. De doelstellingen van de regeling actieve veredeling schragen de conclusie, dat moratoire interessen geen heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn. De onderliggende doelstelling van die regeling, of deze nu op nationaal of op communautair niveau is vastgesteld, is te voorkomen dat tolmuren die bedoeld zijn om een nationale markt te beschermen, hindernissen zouden vormen voor de exportmarkt. In het bijzonder wil de regeling actieve veredeling verzekeren, dat een exporteur die goederen uit derde landen gebruikt voor het vervaardigen van voor uitvoer bestemde produkten, in internationaal verband niet wordt benadeeld, door de exporteur de mogelijkheid te verschaffen deze goederen onder dezelfde voorwaarden te verwerven als ondernemingen uit derde landen. ( 30 ) Het is duidelijk, dat de regeling actieve veredeling niet dient om een importeur in staat te stellen produkten uit derde landen in de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen, zonder de door de verordening opgelegde invoerheffingen, die tot doel hebben de landbouwmarkten van de Gemeenschap te beschermen, volledig te betalen.

31.

Dat blijkt ook uit de richtlijn. Zoals gezegd, staat de richtlijn onder bepaalde omstandigheden toe, dat in het kader van de regeling actieve veredeling ingevoerde goederen of daaruit door een veredelingshandeling verkregen produkten, in het vrije verkeer worden gebracht. De richtlijn voorziet in het in het vrije verkeer brengen „wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen”, maar stelt geen criteria of grenzen vast. In het Speciaal Verslag van de Rekenkamer over de EG-regeling voor het actieve veredelingsverkeer wordt gesteld, dat naar de geest van de richtlijn deze goederen of produkten slechts bij uitzondering bedoeld zijn om op de markt van de Gemeenschap te worden gebracht, namelijk slechts dan wanneer een inmiddels veranderde marktsituatie zulks rechtvaardigt. ( 31 ) In het Verslag heet het:

„Het is echter nauwelijks denkbaar dat het de bedoeling van de opstellers van de richtlijn is geweest houders van een vergunning actieve veredeling, die produkten, verkregen uit goederen waarop deze vergunning betrekking heeft, op de EG-markt afzetten, te bevoordelen door hun op kosten van de Gemeenschap voor de betaling van de invoerbelastingen enkele maanden uitstel te verlenen. Om te voorkomen dat de regeling een dergelijk neveneffect heeft, is het zaak hetzij de geldende voorschriften zodanig aan te scherpen dat afwijkingen van de bestemming tot een minimum beperkt blijven, hetzij als alternatief hiervoor een renteclausule (...) in te voeren.” ( 32 )

32.

Opgemerkt zij dat volgens de Rekenkamer een rentevergoeding, berekend tegen de dagkoers, moet worden betaald wanneer veredelingsprodukten in het vrije verkeer worden gebracht. Daardoor zouden de ongerechtvaardigde voordelen, die voor de kaspositie van de houders van de vergunning actieve veredeling aan de toepassing van het systeem van voorwaardelijke vrijstelling zijn verbonden, teniet worden gedaan. ( 33 ) Aldus zouden deze vergunninghouders ten aanzien van de door hen op de EG-markt afgezette produkten of goederen op één lijn worden geplaatst met andere producenten, maar ten aanzien van buiten het EG-douanegebied afgezette produkten wèl volledig in het genot blijven van de voordelen die de bestaande richtlijn hun onmiskenbaar bedoelt te verschaffen. ( 34 )

Moratoire interessen over de BTW

33.

Mijns inziens stelt de Commissie terecht, dat de BTW-voorschriften op dit punt verschillen van de voorschriften die van toepassing zijn op invoerrechten. Artikel 10, lid 3, van de Zesde BTW-richtlijn ( 35 ) bepaalt het volgende:

„Bij invoer vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van het binnenkomen van het goed in het binnenland in de zin van artikel 3.

Indien ingevoerde goederen zijn onderworpen aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan rechten van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid, kunnen de Lid-Staten het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting verbinden met het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze communautaire rechten.

In gevallen waarin de ingevoerde goederen niet aan een van deze communautaire rechten zijn onderworpen, kunnen de Lid-Staten de vigerende bepalingen inzake invoerrechten toepassen met betrekking tot het belastbare feit en het verschuldigd worden van de belasting.

Indien de goederen onmiddellijk bij invoer onder een van de regelingen van artikel 16, lid 1, sub A, worden geplaatst, of onder een regeling inzake tijdelijke invoer of douanevervoer, dan vindt het belastbare feit pas plaats en wordt de belasting pas verschuldigd op de datum waarop de goederen aan deze regeling worden onttrokken en ten invoer tot verbruik worden aangegeven.”

34.

Ingevolge artikel 16, lid 1, punt A, sub e, is artikel 10, lid 3, laatste alinea, van toepassing op de regeling actieve veredeling. ( 36 )

35.

De BTW-richdijn bepaalt dus uitdrukkelijk, dat het belastbare feit pas plaatsvindt en de belasting pas verschuldigd wordt op de datum waarop de goederen aan de regeling worden onttrokken en ten invoer tot verbruik worden aangegeven. Krachtens artikel 10, lid 1, sub b, is het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, dat waarop de schatkist de belasting van de belastingplichtige kan vorderen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld. Interessen voor niet-betaling van de belasting kunnen dus op zijn vroegst met ingang van dit tijdstip verschuldigd zijn.

36.

Dat de BTW pas verschuldigd wordt op de datum waarop de betrokken goederen aan de regeling actieve regeling worden onttrokken, kan wellicht worden verklaard door de kenmerken van het BTW-stelsel. Anders dan het geval is met het invoerrecht, kunnen importeurs de betaalde BTW terugkrijgen. Krachtens artikel 17, lid 2, van de Zesde BTW-richtlijn heeft een belastingplichtige die goederen gebruikt voor het verrichten van belaste leveringen, het recht de voor die goederen betaalde BTW door middel van aftrek terug te krijgen. Artikel 17, lid 1, bepaalt, dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. Mits hij de goederen gebruikt voor het verrichten van belaste leveringen, heeft een importeur die op het tijdstip van invoer belasting betaalt, derhalve recht op volledige en onmiddellijke belastingaftrek. Een importeur die een beroep doet op een regeling actieve veredeling, heeft pas recht op aftrek op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, te weten wanneer de goederen aan de regeling worden onttrokken. Heffing van interessen vanaf het tijdstip van oorspronkelijke invoer zou derhalve ongerechtvaardigd zijn.

Conclusie

37.

Mitsdien ben ik van mening, dat de voorgelegde vraag moet worden beantwoord als volgt:

„Ten tijde van de litigieuze invoer stond het gemeenschapsrecht niet in de weg aan de inning van moratoire interessen over het invoerrecht voor de periode tussen de tijdelijke invoer en de definitieve invoer, doch wel aan de inning van dergelijke interessen over de BTW die over deze invoer moest worden betaald.”


( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 1 ) PB 1975, L 281, biz. 1.

( 2 ) PB 1969, L 58, biz. 1.

( 3 ) Zesde richtlijn 77/388/EEG van Je Raad van 17 mei 1977 betreffende üc harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, biz. 1).

( 4 ) Verordening nr. 19 van de Raad van 20 april 1962 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in -de sector granen (PB 1962, blz. 933).

( 5 ) Verordening nr. 120/67/EEG van de Raad van 13 juni 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1967, Blz. 2269).

( 6 ) Zie voetnoot 1 hierboven.

( 7 ) Zie voetnoot 2 hierboven.

( 8 ) Zie arrest van 26 januari 1993 (gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e. a., Jurispr. 1993, blz. I-393); beschikkingen van 19 maart 1993 (zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085); 9 augustus 1994 (zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999); 23 maart 1995 (zaak C-458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511), en 7 april 1995 (zaak C-167/94, Grau Gomis e. a., Jurispr. 1995, blz. I-1023, gerectificeerd bij beschikking van 6 juni 1995).

( 9 ) Arrest van 3 maart 1994 (zaak C-316/93, Jurispr. 1994, blz. I-763).

( 10 ) Zie bij voorbeeld arrest van 2 februari 1994 (zaak C-315/92, Verband Sozialer Wettbewerb, Jurispr. 1994, blz. I-317, r. o. 7).

( 11 ) Zie voetnoot 1 hierboven. De verordening is inmiddels gewijzigd.

( 12 ) Zie voetnoot 5 hierboven.

( 13 ) Zie de tiende overweging van de considerans en de artikelen 13-20.

( 14 ) Arresten van 1 juli 1969 (gevoegde zaken 2/69 en 3/69, Sociaal Fonds Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211, r. o. 15-18) en 25 januari 1977 (zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5, r. o. 10).

( 15 ) Zie arrest van 10 oktober 1973 (zaak 34/73, Variola, Jurispr. 1973, blz. 981, r. o. 3).

( 16 ) Arrest van 5 oktober 1995 (zaak C-125/94, Aprile, Jurispr. 1995, blz. I-2919, r. o. 39-41).

( 17 ) Arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmcnthal, Jurïspr. 1978, blz. 1453, r. o. 21-23).

( 18 ) Zie voetnoot 2 hierboven.

( 19 ) PB 1985, L 188, blz. 1. Zie ook verordening (EEG) nr. 2228/91 van tic Commissie van 26 juni 1991 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad betreffende de regeling actieve veredeling (PB 1991, L 210, biz. 1).

( 20 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PD 1992, L 302, blz. 1).

( 21 ) Zie de tweede overweging van de considerans.

( 22 ) De artikelen 2, lid 3, en 24 van de richtlijn bevatten definities van veredelingsprodukten. Deze omvatten produkten verkregen door de verwerking van goederendaaronder begrepen het monteren en samenbouwen van goederen en het aanbrengen daarvan aan andere goederen.

( 23 ) Zie artikel 15, lid 1, sub a, en sub b, eerste streepje.

( 24 ) In afwijking hiervan bepaalt artikel 18, dat de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de lijst vaststelt van de veredelingsprodukten en de gedeeltelijk veredelde produkten, ter zake waarvan, wanneer deze produkten in het vrije verkeer worden gebracht, de douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen moeten worden geheven die voor deze produkten gelden en niet die welke gelden voor de ingevoerde goederen.

( 25 ) PB 1983, C 88, blz. 3.

( 26 ) T. a. p., punt 19.

( 27 ) Arrest van 22 januari 1980 (zaak 30/79, Jurispr. 1980, blz. 151).

( 28 ) PB 1975, L 282, blz. 77.

( 29 ) PB 1971, L 55, blz. 23.

( 30 ) Zie punt 2 van het Verslag van de Rekenkamer (voetnoot 25 hierboven); zie ook arrest van 29 juni 1995 (zaak C-437/93, Temie Telefunken, Jurispr. 1995, blz. I-1687, r. o. 18 en 19).

( 31 ) Zie punt 17 van het Verslag van de Rekenkamer (voetnoot 25 hierboven).

( 32 ) T. a. p.

( 33 ) Krachtens de richtlijn vindt vrijstelling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwhcffingen plaats volgens het systeem van voorwaardelijke vrijstelling of volgens het systeem van terugbetaling, en is de keuze hiervan voorbehouden aan de nationale autoriteiten (zie artikel 3).

( 34 ) Verslag van de Rekenkamer (voetnoot 25 hierboven), punt 19. Zie evenwel de antwoorden van de Commissie op de opmerkingen van de Rekenkamer over de EG-regeling voor het actieve veredelingsverkeer (PB 1983, C 88, blz. 10, punten 17-19).

( 35 ) Zie voetnoot 3 hierboven.

( 36 ) De Engelse tekst is voor meer dan een uideg vatbaar, maar de betekenis van de bepaling is duidelijk in de andere taalversies.

Top