Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02009R1221-20130701

Verordening (EG) n r. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1221/2013-07-01

2009R1221 — NL — 01.07.2013 — 001.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EG) Nr. 1221/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie

(PB L 342, 22.12.2009, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

VERORDENING (EU) Nr. 517/2013 VAN DE RAAD van 13 mei 2013

  L 158

1

10.6.2013




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 1221/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2009

inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 1 ),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s ( 2 ),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2 van het Verdrag wordt bepaald dat de Gemeenschap onder andere tot taak heeft binnen de hele Gemeenschap een duurzame groei te bevorderen.

(2)

In Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap ( 4 ) wordt de verbetering van samenwerking en partnerschap met bedrijven genoemd als een strategische benadering voor het realiseren van milieudoelstellingen. Vrijwillige verbintenissen zijn een essentieel onderdeel daarvan. De bevordering van een grotere deelneming aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en de ontplooiing van initiatieven om organisaties ertoe aan te zetten nauwkeurige en door onafhankelijke derden geverifieerde rapporten over hun prestaties op milieugebied of inzake duurzame ontwikkeling te publiceren, worden in dit verband noodzakelijk geacht.

(3)

In de mededeling van de Commissie van 30 april 2007 over de tussentijdse evaluatie van het Zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap wordt erkend dat het functioneren van de vrijwillige instrumenten die voor het bedrijfsleven in het leven zijn geroepen, moet worden verbeterd en dat deze instrumenten grote mogelijkheden hebben maar niet volledig zijn ontwikkeld. De Commissie wordt er aangespoord de instrumenten te herzien om ze meer ingang te doen vinden en de administratieve last bij het beheer ervan te verminderen.

(4)

In de mededeling van de Commissie van 16 juli 2008 over het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid wordt erkend dat EMAS ondernemingen helpt hun productieprocessen te optimaliseren, de milieueffecten te beperken en efficiënter gebruik te maken van hulpbronnen.

(5)

Teneinde de samenhang van de op communautair niveau ontwikkelde wetgeving inzake milieubescherming te bevorderen, dienen de Commissie en de lidstaten te onderzoeken welke rol voor EMAS-registratie is weggelegd bij de ontwikkeling van die wetgeving of hoe bedoelde registratie kan worden gebruikt als instrument ter handhaving van die wetgeving. Ook dienen zij, om EMAS aantrekkelijker te maken voor organisaties, rekening te houden met EMAS in hun beleid inzake overheidsopdrachten en dienen zij, waar passend, naar EMAS of gelijkwaardige milieubeheersystemen te verwijzen als prestatiegerelateerde contractvoorwaarde voor werkzaamheden en diensten.

(6)

Krachtens artikel 15 van Verordening (EG) nr. 761/2001 van de Raad en het Europees Parlement van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) ( 5 ) is de Commissie ertoe gehouden EMAS in het licht van de opgedane ervaring te evalueren en het Europees Parlement en de Raad passende wijzigingen voor te stellen.

(7)

Toepassing van milieusturingsprogramma’s waaronder EMAS zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 761/2001 heeft de doeltreffendheid ervan bij de bevordering van verbeteringen van de milieuprestaties van organisaties bewezen. Het aantal organisaties dat aan het programma deelneemt, moet echter worden opgevoerd ter verbetering van de algemene gevolgen van milieuverbeteringen. Te dien einde moet de ervaring die met de uitvoering van die verordening is opgedaan, worden benut om van EMAS een krachtiger instrument te maken om de algehele milieuprestaties van de organisaties te verbeteren.

(8)

De organisaties moeten worden aangemoedigd om op vrijwillige basis aan EMAS deel te nemen; zij kunnen daaraan een meerwaarde ontlenen in termen van controle op de naleving van regelgeving, kostenbesparingen en imago, mits zij kunnen aantonen dat hun milieuprestaties zijn verbeterd.

(9)

EMAS dient toegankelijk te worden gemaakt voor alle organisaties, zowel binnen als buiten de Gemeenschap, die activiteiten ontplooien waaraan milieueffecten zijn verbonden. EMAS moet voor die organisaties een middel zijn om deze effecten te beheersen en hun algehele milieuprestatie te verbeteren.

(10)

Organisaties, en met name kleine organisaties, moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan EMAS. Hun deelneming moet worden bevorderd door het vergemakkelijken van de toegang tot informatie, beschikbare financieringsbronnen en openbare instellingen en door het invoeren of propageren van maatregelen voor technische bijstand.

(11)

Organisaties die andere milieubeheersystemen toepassen en willen overschakelen op EMAS, dient de overstap zo gemakkelijk mogelijk te worden gemaakt. Er dient aandacht te worden besteed aan koppelingen met andere milieubeheersystemen.

(12)

Organisaties met vestigingsplaatsen in een of meer lidstaten dienen via één registratie al deze vestigingen of een deel daarvan te kunnen registreren.

(13)

Het mechanisme om vast te stellen of een organisatie alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften naleeft, moet worden versterkt om de geloofwaardigheid van EMAS te vergroten en met name om de lidstaten in staat te stellen de administratieve last voor geregistreerde organisaties te verlichten door deregulering of het afslanken van de regelgeving.

(14)

Een element van de invoering van EMAS is de betrokkenheid van de werknemers van de organisatie, aangezien dit leidt tot meer werktevredenheid en een betere kennis van milieuvraagstukken die zowel in de werkomgeving als daarbuiten kan worden toegepast.

(15)

Het EMAS-logo dient voor organisaties een aantrekkelijk communicatie- en marketinginstrument te zijn dat kopers en andere belanghebbenden bewuster maakt van het bestaan van EMAS. De regels voor het gebruik van het EMAS-logo moeten worden vereenvoudigd door het gebruik van één enkel logo; de bestaande beperkingen moeten worden opgeheven met uitzondering van de beperkingen voor het product en de verpakking. Er mag geen verwarring bestaan met milieukeurmerken voor producten.

(16)

De voor EMAS-registratie berekende kosten en vergoedingen dienen redelijk te zijn en in verhouding te staan tot de omvang van de organisatie en het door de bevoegde instanties geleverde werk. Onverminderd de regels inzake staatssteun van het Verdrag moet voor kleine organisaties een vrijstelling of vermindering van de vergoeding worden overwogen.

(17)

Organisaties dienen periodieke milieuverklaringen op te stellen en openbaar te maken waarin zij het publiek en andere belangstellenden informatie verstrekken over de naleving, door de organisaties, van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en over hun milieuprestaties.

(18)

Om de relevantie en vergelijkbaarheid van de informatie te garanderen, dient de verslaglegging over de milieuprestaties van de organisaties te worden gebaseerd op algemene en sectorspecifieke prestatie-indicatoren die specifiek betrekking hebben op cruciale milieuaspecten op procedure- en productniveau en in het kader waarvan adequate referentiepunten en schalen worden gebruikt. Dit moet het voor de organisaties gemakkelijker maken om hun milieuprestaties in verschillende verslagleggingsperiodes te vergelijken en een vergelijking te maken met de milieuprestaties van andere organisaties.

(19)

Middels uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten dienen referentiedocumenten met een beschrijving van de beste milieubeheerpraktijk alsook milieuprestatie-indicatoren voor specifieke sectoren worden opgesteld. Die documenten kunnen de organisaties helpen om zich beter te concentreren op de belangrijkste milieuaspecten in de betrokken sector.

(20)

Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het in de handel brengen van producten ( 6 ) organiseert de accreditatie op nationaal en Europees niveau en voorziet in een overkoepelend raamwerk voor accreditatie. Deze verordening moet die regels voor zover nodig aanvullen, rekening houdend met de specificiteit van EMAS en met name de noodzaak om ten aanzien van de belanghebbenden en de lidstaten in het bijzonder een grote geloofwaardigheid te garanderen, en zij moet waar passend specifiekere regels invoeren. Die EMAS-bepalingen moeten de deskundigheid van de milieuverificateurs garanderen — en ervoor zorgen dat die voortdurend wordt verbeterd — door te voorzien in een onafhankelijk en neutraal accreditatie- of vergunningensysteem, opleiding en passend toezicht op hun werkzaamheden, zodat de transparantie en de geloofwaardigheid van aan EMAS deelnemende organisaties worden gewaarborgd.

(21)

Indien een lidstaat besluit geen accreditering voor EMAS te gebruiken moet artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 765/2008 van toepassing zijn.

(22)

Zowel de lidstaten als de Commissie dienen promotie- en ondersteuningsactiviteiten te ontplooien.

(23)

Onverminderd de regels inzake staatssteun van het Verdrag dienen de lidstaten stimuleringsmaatregelen te nemen om geregistreerde organisaties te belonen, zoals toegang tot financiering of fiscale prikkels in het kader van regelingen ter ondersteuning van de milieuprestaties van het bedrijfsleven, op voorwaarde dat organisaties een verbetering van hun milieuprestaties kunnen aantonen.

(24)

De lidstaten en de Commissie dienen specifieke maatregelen uit te werken en toe te passen die gericht zijn op een grotere participatie van organisaties, en vooral kleine organisaties, in EMAS.

(25)

Teneinde een geharmoniseerde toepassing van deze verordening te garanderen, moet de Commissie volgens een prioriteitenprogramma sectorale referentiedocumenten opstellen op het onder deze verordening vallende gebied.

(26)

Indien aangewezen dient deze verordening binnen vijf jaar na de inwerkingtreding in het licht van de opgedane ervaringen te worden herzien.

(27)

Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 761/2001, die derhalve moet worden ingetrokken.

(28)

Aangezien de bruikbare elementen van Aanbeveling 2001/680/EG van de Commissie van 7 september 2001 betreffende leidraden bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) ( 7 ) en Aanbeveling 2003/532/EG van de Commissie van 10 juli 2003 betreffende een leidraad voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) op het stuk van selectie en gebruik van milieuprestatie-indicatoren ( 8 ) in deze verordening zijn opgenomen, dienen die aanbevelingen niet langer te worden gehanteerd aangezien zij door deze verordening worden vervangen.

(29)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk één enkel geloofwaardig systeem opzetten en het ontstaan van een veelheid van nationale systemen vermijden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en gevolgen ervan, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(30)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende bevoegdheden ( 9 ).

(31)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven procedures voor de intercollegiale toetsing van de bevoegde instanties vast te stellen, sectorale referentiedocumenten op te stellen, bestaande milieubeheersystemen of onderdelen daarvan te erkennen als zijnde conform de relevante eisen van deze verordening, en de bijlagen I tot en met VIII te wijzigen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(32)

Omdat er enige tijd nodig is om het kader voor de goede werking van deze verordening tot stand te brengen, dienen de lidstaten te beschikken over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, om de door de accreditatie-instanties en bevoegde instanties gevolgde procedures in overeenstemming te brengen met de betreffende bepalingen van deze verordening. Gedurende deze termijn van 12 maanden dienen de accreditatie-instanties en bevoegde instanties de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 761/2001 ingestelde procedures te kunnen blijven toepassen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doelstelling

Er wordt een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem, hierna „EMAS” genoemd, ingesteld waaraan binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde organisaties op vrijwillige basis kunnen deelnemen.

EMAS heeft, als belangrijk instrument van het Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid, ten doel voortdurende verbeteringen van de milieuprestaties van organisaties te stimuleren middels de instelling en toepassing van milieubeheersystemen door die organisaties, de stelselmatige, objectieve en periodieke beoordeling van de prestaties van die systemen, het verstrekken van informatie over de milieuprestaties, een open dialoog met het publiek en andere belanghebbenden en actieve betrokkenheid van de werknemers in organisaties en passende opleiding.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. „milieubeleid”: de algemene plannen en het beleid van een organisatie met betrekking tot haar milieuprestatie, zoals officieel vastgesteld door het hoogste leidinggevende niveau van die organisatie, met inbegrip van de naleving van alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en ook van een verbintenis tot voortdurende verbetering van de milieuprestaties. Dit beleid biedt een kader voor maatregelen en de vaststelling van milieudoelstellingen en streefcijfers;

2. „milieuprestaties”: de meetbare resultaten van het beheer, door een organisatie, van haar milieuaspecten;

3. „naleving van de wettelijke eisen”: de onverkorte implementatie van de toepasselijke wettelijke voorschriften, inclusief vergunningsvoorwaarden, met betrekking tot het milieu;

4. „milieuaspect”: een element van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie dat milieueffecten heeft of kan hebben;

5. „belangrijk milieuaspect”: een milieuaspect dat een belangrijk milieueffect heeft of kan hebben;

6. „direct milieuaspect”: een milieuaspect dat samenhangt met de activiteiten, producten en diensten van de organisatie zelf, waarover zij een directe beheerscontrole uitoefent;

7. „indirect milieuaspect”: een milieuaspect dat kan voortvloeien uit interacties van de organisatie met derden en waarover de organisatie tot op zekere hoogte invloed uitoefent;

8. „milieueffect”: iedere invloed op het milieu, hetzij ongunstig, hetzij gunstig, die volledig of gedeeltelijk het gevolg is van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie;

9. „milieuanalyse”: een eerste alomvattende analyse van de milieuaspecten, de milieueffecten en de milieuprestaties die verband houden met de activiteiten, producten en diensten van een organisatie;

10. „milieuprogramma”: een beschrijving van de maatregelen, verantwoordelijkheden en middelen die worden aangewend of waarvan de aanwending wordt overwogen om milieudoelstellingen en taakstellingen te verwezenlijken alsmede de termijnen voor die verwezenlijking;

11. „milieudoelstelling”: een algemene, uit het milieubeleid voortvloeiende doelstelling die een organisatie nastreeft en die waar mogelijk wordt gekwantificeerd;

12. „milieustreefdoelen”: een gedetailleerde prestatie-eis die voortvloeit uit de milieudoelstellingen, die geldt voor een organisatie of delen daarvan, en die moet worden vastgesteld en gehaald om die doelstellingen te verwezenlijken;

13. „milieubeheersysteem”: het gedeelte van het algemene beheersysteem dat de organisatiestructuur, planning, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen omvat die nodig zijn voor het ontwikkelen, uitvoeren, realiseren, toetsen en handhaven van het milieubeleid en het beheren van de milieuaspecten;

14. „beste milieubeheerpraktijk”: de meest doeltreffende wijze voor een organisatie in een bepaalde sector om het milieubeheersysteem toe te passen en dat in de gegeven economische en technische omstandigheden de beste milieuprestaties kan opleveren;

15. „belangrijke wijziging”: een verandering in de werking, de structuur, het administratie, de processen, de activiteiten, de producten of de diensten van een organisatie die aanmerkelijke gevolgen heeft of kan hebben voor het milieubeheersysteem van die organisatie, het milieu of de menselijke gezondheid;

16. „interne milieuaudit”: een systematische, gedocumenteerde, periodieke en objectieve evaluatie van de milieuprestaties van een organisatie, van het beheersysteem en van de processen die op milieubescherming gericht zijn;

17. „auditor”: een persoon of een groep personen behorend tot een organisatie zelf, dan wel een niet tot die organisatie behorende natuurlijke persoon of rechtspersoon, handelend in opdracht van die organisatie, die een beoordeling uitvoert van met name het toegepaste milieubeheersysteem en vaststelt of dit in overeenstemming is met het milieubeleid en het -programma van de organisatie, inclusief de naleving van de op het milieu toepasselijke wettelijke voorschriften;

18. „milieuverklaring”: het geheel van voor het publiek en andere belanghebbende partijen bestemde informatie van een organisatie over haar:

a) structuur en activiteiten;

b) milieubeleid en milieubeheersysteem;

c) milieuaspecten en milieueffecten;

d) milieuprogramma, milieudoelstellingen en milieutaakstellingen;

e) milieuprestaties en naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften als vermeld in bijlage IV;

19. „bijgewerkte milieuverklaring”: het geheel van voor het publiek en andere belanghebbende partijen bestemde informatie, met bijwerkingen van de laatst gevalideerde milieuverklaring, uitsluitend met betrekking tot de milieuprestaties van een organisatie en de naleving door de organisatie van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften als vermeld in bijlage IV;

20. „milieuverificateur”:

a) een conformiteitsbeoordelingsinstantie als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 765/2008 of elke natuurlijke of rechtspersoon of vereniging of groep van dergelijke personen, die een accreditatie heeft verkregen overeenkomstig deze verordening, of

b) elke natuurlijke of rechtspersoon of vereniging of groep van dergelijke personen, die een vergunning heeft verkregen om verificaties en valideringen te verrichten overeenkomstig deze verordening;

21. „organisatie”: een binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde maatschappij, vennootschap, firma, onderneming, autoriteit of instelling, dan wel een deel of een combinatie daarvan, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, privaat- of publiekrechterlijk, met een eigen structuur en administratie;

22. „vestiging”: een specifieke geografische locatie onder de beheerscontrole van een organisatie, inclusief de activiteiten, producten en diensten daarvan, met inbegrip van alle infrastructuur, uitrusting en materialen; een vestiging is de kleinst mogelijke eenheid die kan worden geregistreerd;

23. „cluster”: een groep onafhankelijke organisaties die wegens hun geografische nabijheid of door de aard van hun commerciële activiteiten zijn verbonden en die gezamenlijk het milieubeheersysteem uitvoeren;

24. „verificatie”: het conformiteitsbeoordelingsproces dat door een milieuverificateur wordt uitgevoerd om na te gaan of de milieuanalyse, het milieubeleid, het milieubeheersysteem en de interne milieuaudit en de toepassing daarvan, van een organisatie voldoen aan de eisen van deze verordening;

25. „validering”: de bevestiging door de milieuverificateur die de verificatie heeft uitgevoerd dat de informatie en de gegevens in de milieuverklaring en de bijgewerkte milieuverklaring van een organisatie betrouwbaar, geloofwaardig en juist zijn en aan de eisen van deze verordening voldoen;

26. „handhavingsautoriteiten”: de relevante bevoegde autoriteiten die door de lidstaten worden aangewezen om inbreuken op de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften op te sporen, te voorkomen en te onderzoeken en indien nodig handhavingsmaatregelen te nemen;

27. „milieuprestatie-indicator”: een specifieke parameter aan de hand waarvan de milieuprestaties van een organisatie kunnen worden gemeten;

28. „kleine organisaties”:

a) kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen ( 10 ), of

b) lokale besturen van gebieden met minder dan 10 000 inwoners of andere overheidsinstanties met minder dan 250 werknemers en een jaarlijks budget van ten hoogste 50 miljoen EUR of een jaarbalans van ten hoogste 43 miljoen EUR, waaronder:

i) overheids- of andere openbare diensten, of openbare adviesorganen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau;

ii) natuurlijke personen of rechtspersonen die krachtens het nationale recht openbarediensttaken verrichten, met inbegrip van specifieke taken, activiteiten of diensten in verband met het milieu, en

iii) natuurlijke of rechtspersonen die openbare verantwoordelijkheden hebben, openbare functies bekleden of aan openbare dienstverlening doen in samenhang met het milieu onder het toezicht van een onder b) bedoelde instantie of persoon;

29. „collectieve registratie”: één registratie van alle vestigingen, of een aantal ervan, van een organisatie met vestigingen in één of meer lidstaten of derde landen;

30. „accreditatie-instantie”: een overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008 aangewezen nationale accreditatie-instantie die verantwoordelijk is voor de accreditatie van en het toezicht op milieuverificateurs;

31. „vergunningsinstantie”: een overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 765/2008 aangewezen instantie die verantwoordelijk is voor het afgeven van vergunning aan en het toezicht op milieuverificateurs.



HOOFDSTUK II

REGISTRATIE VAN ORGANISATIES

Artikel 3

Vaststelling van de bevoegde instantie

1.  Aanvragen tot registratie van in een lidstaat gevestigde organisaties worden ingediend bij een bevoegde instantie in die lidstaat.

2.  Een organisatie met vestigingen in een of meer lidstaten of in derde landen kan voor al deze vestigingen of voor een aantal daarvan een collectieve registratie aanvragen.

Aanvragen voor een collectieve registratie worden ingediend bij een bevoegde instantie van de lidstaat waar de ter fine van dit lid aangewezen hoofdzetel of beheercentrum van de organisatie is gevestigd.

3.  Aanvragen tot registratie van organisaties buiten de Gemeenschap, met inbegrip van aanvragen voor een collectieve registratie voor uitsluitend buiten de Gemeenschap gelegen vestigingen, worden ingediend bij een bevoegde instantie in de lidstaat die overeenkomstig artikel 11, lid 1, tweede alinea, verantwoordelijk is voor de registratie van organisaties buiten de Gemeenschap.

Deze organisaties zorgen ervoor dat de milieuverificateur die de verificatie zal verrichten en het milieubeheersysteem van de organisatie zal valideren, geaccrediteerd is of een vergunning heeft in de lidstaat waar de organisatie haar aanvraag tot registratie indient.

Artikel 4

Voorbereiding van de registratie

1.  Organisaties die zich voor de eerste keer wensen te laten registreren:

a) voeren een milieuanalyse uit van alle milieuaspecten van de organisatie overeenkomstig de voorschriften van bijlage I en van bijlage II, punt A.3.1;

b) ontwikkelen en implementeren, in het licht van de resultaten van de toetsing, een milieubeheersysteem dat alle in bijlage II genoemde eisen behelst en rekening houdt met de beste milieubeheerpraktijk voor de betrokken sector als bedoeld in artikel 46, lid 1, onder a), voor zover beschikbaar;

c) verrichten een interne audit overeenkomstig de voorschriften van bijlage II, punt A.5.5 en bijlage III;

d) stellen overeenkomstig bijlage IV een milieuverklaring op. Wanneer sectorale referentiedocumenten als bedoeld in artikel 46 voor de sector in kwestie beschikbaar zijn, wordt bij de beoordeling van de milieuprestaties van de organisatie rekening gehouden met het relevante document.

2.  Organisaties kunnen gebruikmaken van de in artikel 32 bedoelde bijstand die beschikbaar is in de lidstaat waar de organisatie haar aanvraag tot registratie indient.

3.  Organisaties die over een gecertificeerd milieubeheersysteem beschikken dat is erkend overeenkomstig artikel 45, lid 4, zijn niet verplicht die delen uit te voeren die als equivalent aan deze verordening zijn erkend.

4.  Aan de hand van materiële of schriftelijke bewijsstukken tonen de organisaties aan dat zij voldoen aan alle toepasselijke wettelijke milieueisen.

Organisaties kunnen de bevoegde handhavingsautoriteit(en) overeenkomstig artikel 32, of de milieuverificateur om informatie verzoeken.

Organisaties van buiten de Gemeenschap refereren tevens aan de wettelijke milieuvoorschriften die van toepassing zijn op soortgelijke organisaties in de lidstaten waar zij hun aanvraag willen indienen.

Wanneer sectorale referentiedocumenten als bedoeld in artikel 46 voor de sector in kwestie beschikbaar zijn, vindt de beoordeling van de milieuprestaties van de organisatie plaats aan de hand van het relevante document.

5.  De initiële milieuanalyse, het milieubeheersysteem, de auditprocedure en de tenuitvoerlegging daarvan worden door een geaccrediteerde of erkende milieuverificateur geverifieerd en de milieuverklaring wordt door die verificateur gevalideerd.

Artikel 5

Registratieaanvraag

1.  Elke organisatie die aan de eisen van artikel 4 voldoet, kan een aanvraag tot registratie indienen.

2.  De aanvraag tot registratie wordt ingediend bij de overeenkomstig artikel 3 vastgestelde bevoegde instantie en omvat:

a) de gevalideerde milieuverklaring in elektronische vorm of op papier;

b) de in artikel 25, lid 9, bedoelde verklaring, ondertekend door de milieuverificateur die de milieuverklaring heeft gevalideerd;

c) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat;

d) een bewijs dat de eventueel verschuldigde vergoeding is betaald.

3.  De aanvraag wordt opgesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de organisatie de aanvraag tot registratie indient.



HOOFDSTUK III

VERPLICHTINGEN VAN DE GEREGISTREERDE ORGANISATIES

Artikel 6

Vernieuwing van de EMAS-registratie

1.  Geregistreerde organisaties moeten ten minste om de drie jaar:

a) hun volledige milieubeheersysteem en auditprogramma en de uitvoering ervan laten verifiëren;

b) hun milieuverklaring opstellen overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV, en deze laten verifiëren door een milieuverificateur;

c) de gevalideerde milieuverklaring indienen bij de bevoegde instantie;

d) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat, indienen bij de bevoegde instantie;

e) voor de vernieuwing van de registratie eventueel een registratievergoeding betalen aan de bevoegde instantie.

2.  Onverminderd het bepaalde in lid 1 moeten geregistreerde organisaties in de tussenliggende jaren:

a) overeenkomstig het auditprogramma een interne audit uitvoeren van hun milieuprestaties en de naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften overeenkomstig bijlage III;

b) een bijgewerkte milieuverklaring opstellen overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV, en deze laten verifiëren door een milieuverificateur;

c) de gevalideerde bijgewerkte milieuverklaring indienen bij de bevoegde instantie;

d) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat, indienen bij de bevoegde instantie;

e) voor de handhaving van de registratie eventueel een registratievergoeding betalen aan de bevoegde instantie.

3.  Geregistreerde organisaties maken hun milieuverklaring en hun bijgewerkte milieuverklaring publiek binnen een maand na de registratie en binnen een maand nadat de vernieuwing van de registratie is afgerond.

Geregistreerde organisaties kunnen aan deze eis voldoen door de milieuverklaring en de bijgewerkte milieuverklaring op verzoek ter beschikking te stellen of door links aan te bieden naar internetsites waar deze verklaringen kunnen worden geraadpleegd.

Geregistreerde organisaties specificeren de manier waarop zij algemene toegang verlenen in de in bijlage VI vermelde formulieren.

Artikel 7

Afwijking voor kleine organisaties

1.  Op verzoek van een kleine organisatie verlengen de bevoegde instanties voor die organisatie de in artikel 6, lid 1, bedoelde periode van drie jaar tot ten hoogste vier jaar of de in artikel 6, lid 2, bedoelde periode van één jaar tot ten hoogste twee jaar, op voorwaarde dat de milieuverificateur die de organisatie heeft geverifieerd, bevestigt dat aan alle hierna genoemde voorwaarden wordt voldaan:

a) er doen zich geen beduidende milieurisico’s voor;

b) de organisatie is niet voornemens belangrijke wijzigingen door te voeren, zoals gedefinieerd in artikel 8, en

c) er zijn geen noemenswaardige plaatselijke milieuproblemen waaraan de organisatie bijdraagt.

Voor de indiening van het in de eerste alinea bedoelde verzoek, kan de organisatie de in bijlage VI vermelde formulieren gebruiken.

2.  De bevoegde instantie wijst het verzoek af indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden in lid 1. Zij doet de organisatie een met redenen omklede motivering toekomen.

3.  Organisaties waaraan de in lid 1 bedoelde verlenging tot ten hoogste twee jaar is toegestaan, dienen in elk jaar waarvoor zij van de verplichting om over een gevalideerde bijgewerkte milieuverklaring te beschikken zijn vrijgesteld, hun niet-gevalideerde bijgewerkte milieuverklaring bij de bevoegde instantie in.

Artikel 8

Belangrijke wijzigingen

1.  Wanneer een geregistreerde organisatie voornemens is belangrijke wijzigingen te introduceren, voert die organisatie een milieuanalyse uit van deze wijzigingen, inclusief de milieuaspecten en -effecten daarvan.

2.  De organisatie werkt, na de milieutechnische analyse van de veranderingen de initiële milieuanalyse bij, wijzigt het milieubeleid, milieuprogramma en milieubeheersysteem en werkt de gehele milieuverklaring dienovereenkomstig bij.

3.  Alle overeenkomstig lid 2 gewijzigde en bijgewerkte documenten worden binnen zes maanden geverifieerd en gevalideerd.

4.  Na de validering brengt de organisatie middels het formulier van bijlage VI de wijzigingen ter kennis van de bevoegde instantie en maakt zij deze wijzigingen publiek.

Artikel 9

Interne milieuaudit

1.  Elke geregistreerde organisatie stelt een auditprogramma vast dat garandeert dat over een periode van ten hoogste drie of, indien de afwijking overeenkomstig artikel 7 van toepassing is, vier jaar alle activiteiten in de organisatie aan een interne milieuaudit worden onderworpen overeenkomstig de eisen van bijlage III.

2.  De audit wordt uitgevoerd door auditors die individueel of gezamenlijk over de vereiste bekwaamheden beschikken voor het verrichten van deze taken en die een voldoende mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de door te lichten activiteiten bezitten om een objectief oordeel te kunnen vellen.

3.  In het milieuauditprogramma van de organisatie worden de doelstellingen van elke audit of auditcyclus vastgelegd, met inbegrip van de auditfrequentie voor elke activiteit.

4.  Aan het einde van elke audit of auditcyclus stellen de auditors een schriftelijk auditverslag op.

5.  De auditor deelt de bevindingen en conclusies van de audit mee aan de organisatie.

6.  Na afloop van het auditproces wordt door de organisatie een passend actieplan opgesteld en uitgevoerd.

7.  De organisatie treft passende regelingen om te garanderen dat aan de resultaten van de audit het nodige gevolg wordt gegeven.

Artikel 10

Gebruik van het EMAS-logo

1.  Onverminderd het bepaalde in artikel 35, lid 2, mag het in bijlage V opgenomen EMAS-logo alleen door geregistreerde organisaties worden gebruikt, en zulks alleen zolang hun registratie geldig is.

Op het logo moet altijd het registratienummer van de organisatie worden vermeld.

2.  Het EMAS-logo mag alleen worden gebruikt conform de in bijlage V opgenomen technische specificaties.

3.  Ingeval een organisatie overeenkomstig artikel 3, lid 2, besluit niet al haar vestigingen in de collectieve registratie op te nemen, zorgt zij ervoor dat zij in haar communicatie met het publiek en bij het gebruik van het EMAS-logo duidelijk maakt op welke vestigingen de registratie betrekking heeft.

4.  Het EMAS-logo mag niet worden gebruikt:

a) op producten of de verpakking daarvan, of

b) in combinatie met vergelijkende beweringen over andere activiteiten en diensten, noch op een manier waardoor verwarring kan ontstaan met milieukeurmerken voor producten.

5.  Milieu-informatie die door een geregistreerde organisatie wordt gepubliceerd, mag van het EMAS-logo worden voorzien mits deze informatie een verwijzing bevat naar de meest recente milieuverklaring of bijgewerkte milieuverklaring van de organisatie waaraan zij is ontleend en mits zij door een milieuverificateur is gevalideerd als zijnde:

a) nauwkeurig;

b) onderbouwd en controleerbaar;

c) relevant en in de juiste context of in het juiste verband gebruikt;

d) representatief voor de algehele milieuprestaties van de organisatie;

e) niet voor verkeerde uitleg vatbaar, en

f) significant in relatie tot het algehele milieueffect.



HOOFDSTUK IV

REGELS BETREFFENDE DE BEVOEGDE INSTANTIES

Artikel 11

Aanwijzing en rol van de bevoegde instanties

1.  De lidstaten wijzen de bevoegde instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de registratie van in de Gemeenschap gevestigde organisaties overeenkomstig deze verordening.

De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde instanties die zij aanwijzen verantwoordelijk zijn voor de registratie van in de Gemeenschap gevestigde organisaties overeenkomstig deze verordening.

De bevoegde instanties controleren de inschrijving en handhaving van organisaties in het register, o.m. schorsingen en schrappingen.

2.  Er kunnen bevoegde instanties zijn op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau.

3.  De bevoegde instanties worden zodanig samengesteld dat hun onafhankelijkheid en neutraliteit gewaarborgd zijn.

4.  De bevoegde instanties dienen te beschikken over voldoende financiële en personele middelen voor een correcte uitvoering van hun taken.

5.  De bevoegde instanties passen deze verordening op consistente wijze toe en nemen op regelmatige basis deel aan de in artikel 17 omschreven intercollegiale toetsing.

Artikel 12

Voorschriften betreffende het registratieproces

1.  De bevoegde instanties stellen procedures vast voor de registratie van organisaties. Zij stellen met name regels vast voor:

a) het onderzoeken van de opmerkingen van belanghebbenden, waaronder erkennings- en vergunningsinstanties en bevoegde handhavingsautoriteiten, alsmede de instanties die de organisaties vertegenwoordigen, over kandidaatorganisaties of geregistreerde organisaties;

b) het weigeren van de registratie en het schorsen of schrappen van organisaties, en

c) de behandeling van beroepen of klachten die tegen hun besluiten worden ingediend.

2.  De bevoegde instanties zorgen voor het opstellen en bijhouden van een register van in hun lidstaat geregistreerde organisaties, dat tevens informatie bevat over de wijze waarop de milieuverklaring en de bijgewerkte milieuverklaring kunnen worden verkregen en werken dat register als er veranderingen zijn maandelijks bij.

Het register wordt publiek gemaakt op een website.

3.  De bevoegde instanties stellen de Commissie maandelijks afhankelijk van het besluit van de lidstaten in kwestie rechtstreeks of via de nationale instanties in kennis van wijzigingen in het in lid 2 bedoelde register.

Artikel 13

Registratie van organisaties

1.  De bevoegde instanties behandelen de aanvragen tot registratie van organisaties conform de daartoe vastgestelde procedures.

2.  Wanneer een organisatie een aanvraag tot registratie indient, registreert de bevoegde instantie die organisatie en kent zij haar een registratienummer toe mits aan alle hierna genoemde voorwaarden is voldaan:

a) de bevoegde instantie heeft een aanvraag tot registratie ontvangen die alle in artikel 5, lid 2, onder a) tot en met d), genoemde documenten bevat;

b) de bevoegde instantie heeft gecontroleerd dat de verificatie en de validering zijn uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25, 26 en 27;

c) de bevoegde instantie is er op basis van de ontvangen materiële bewijsstukken bijvoorbeeld een schriftelijk verslag van de bevoegde handhavingsautoriteit van overtuigd dat er geen bewijs is van schending van toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

d) dat er van belanghebbenden geen ter zake dienende klachten zijn of dat deze op positieve wijze zijn opgelost;

e) de bevoegde instantie is er op basis van de ontvangen bewijsstukken van overtuigd dat de organisatie voldoet aan alle eisen van deze verordening, en

f) de bevoegde instantie heeft de eventueel verschuldigde registratievergoeding ontvangen.

3.  De bevoegde instantie stelt de organisatie in kennis van het feit dat zij is geregistreerd en geeft haar haar registratienummer en het EMAS-logo.

4.  Indien een bevoegde instantie tot het besluit komt dat een aanvragende organisatie niet aan de voorwaarden van lid 2 voldoet, weigert zij die organisatie te registreren en stuurt zij de organisatie een met redenen omklede motivering van haar besluit.

5.  Indien een bevoegde instantie een schriftelijk toezichtrapport van de erkennings- of vergunningsinstantie ontvangt waaruit blijkt dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de aanvragende organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, weigert zij die organisatie te registreren. De bevoegde instantie verzoekt de organisatie een nieuwe registratieaanvraag in te dienen.

6.  Teneinde het bewijsmateriaal te vergaren dat nodig is voor het nemen van een besluit tot weigering van de registratie van een organisatie, raadpleegt de bevoegde instantie de betrokken partijen met inbegrip van de organisatie.

Artikel 14

Vernieuwing van de registratie van de organisatie

1.  Een bevoegde instantie vernieuwt de registratie van de organisatie als is voldaan aan alle hierna volgende voorwaarden:

a) de bevoegde instantie heeft een gevalideerde milieuverklaring overeenkomstig artikel 6, lid 1, letter c), een gevalideerde bijgewerkte milieuverklaring overeenkomstig artikel 6, lid 2, letter c), of een niet-gevalideerde bijgewerkte milieuverklaring overeenkomstig artikel 7, lid 3, ontvangen;

b) de bevoegde instantie heeft een ingevuld formulier ontvangen dat ten minste de minimale informatie bevat zoals omschreven in bijlage VI, overeenkomstig artikel 6, lid 1, letter d), en artikel 6, lid 2, letter d);

c) de bevoegde instantie heeft geen bewijs dat de verificatie en de validering niet zijn uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25, 26 en 27;

d) de bevoegde instantie heeft geen bewijs dat de organisatie niet aan de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften heeft voldaan;

e) er zijn van belanghebbenden geen ter zake dienende klachten of deze zijn op positieve wijze opgelost;

f) de bevoegde instantie is er op basis van de ontvangen bewijsstukken van overtuigd dat de organisatie voldoet aan alle eisen van deze verordening, en

g) de bevoegde instantie heeft de eventueel verschuldigde vergoeding voor vernieuwing van de registratie ontvangen.

2.  De bevoegde instantie stelt de organisatie in kennis van het feit dat haar registratie is verlengd.

Artikel 15

Schorsing of schrapping van organisaties uit het register

1.  Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een geregistreerde organisatie deze verordening niet naleeft, biedt zij de organisatie de gelegenheid haar standpunt over de kwestie kenbaar te maken. Indien de organisatie geen bevredigend antwoord geeft, wordt zij uit het register geschrapt of geschorst.

2.  Indien een bevoegde instantie een schriftelijk toezichtrapport van de accreditatie- of vergunningsinstantie ontvangt waaruit blijkt dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de geregistreerde organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, wordt de registratie geschorst.

3.  Een geregistreerde organisatie wordt uit het register geschorst c.q. geschrapt indien zij nalaat de bevoegde instantie, binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, de volgende stukken te doen toekomen:

a) de gevalideerde milieuverklaring, een bijwerking ervan of de in artikel 25, lid 9, bedoelde ondertekende verklaring;

b) een formulier dat ten minste de in bijlage VI bedoelde, door de organisatie te verstrekken minimuminformatie bevat.

4.  Indien een bevoegde instantie er door de bevoegde handhavingsautoriteit middels een schriftelijk verslag van in kennis wordt gesteld dat de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften door de organisatie worden overtreden, schorst c.q. schrapt zij de vermelding van die organisatie uit het register.

5.  Ingeval een bevoegde instantie beslist een registratie te schorsen of te schrappen, houdt zij in elk geval rekening met:

a) het milieueffect van de niet-naleving van de eisen van deze verordening door de organisatie;

b) de voorspelbaarheid van de niet-naleving van de eisen van deze verordening door de organisatie, of van daartoe leidende omstandigheden;

c) eerdere gevallen van niet-naleving van de eisen van deze verordening door de organisatie, en

d) de specifieke omstandigheden van de organisatie.

6.  Om het bewijsmateriaal te vergaren dat nodig is voor het nemen van een besluit tot schorsing of schrapping van een organisatie uit het register, raadpleegt de bevoegde instantie de betrokken partijen met inbegrip van de organisatie.

7.  Indien de bevoegde instantie op een andere wijze dan door middel van een schriftelijk toezichtrapport van de accreditatie- of vergunningsinstantie in het bezit is gekomen van aanwijzingen dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, raadpleegt zij de accreditatie- of vergunningsinstantie die toezicht uitoefent op de milieuverificateur.

8.  De bevoegde instantie motiveert alle door haar genomen maatregelen.

9.  De bevoegde instantie informeert de organisatie op passende wijze over de raadpleging van de betrokken partijen.

10.  De schorsing van een organisatie uit het register wordt opgeheven wanneer de bevoegde instantie informatie heeft ontvangen waaruit genoegzaam blijkt dat de organisatie voldoet aan de eisen van deze verordening.

Artikel 16

Forum van bevoegde instanties

1.  Door de bevoegde instanties wordt een forum van bevoegde instanties, hierna „het forum van bevoegde instanties” genoemd, ingesteld en dit forum komt ten minste eenmaal per jaar bijeen in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Commissie.

Het forum van bevoegde instanties stelt zijn reglement van orde vast.

2.  Aan het forum van bevoegde instanties wordt deelgenomen door bevoegde instanties uit alle lidstaten. Indien er in een lidstaat meerdere bevoegde instanties zijn ingesteld, worden passende maatregelen genomen om te garanderen dat zij allemaal over de werkzaamheden van het forum van bevoegde instanties worden geïnformeerd.

3.  Het forum van bevoegde instanties werkt richtsnoeren uit om ervoor te zorgen dat de procedures betreffende de registratie van organisaties overeenkomstig deze verordening, inclusief de vernieuwing van de registratie en de schorsing en schrapping van organisaties in en buiten de Gemeenschap uit het register, coherent worden toegepast.

Het forum van bevoegde instanties doet de documenten met richtsnoeren en de documenten betreffende de collegiale toetsing aan de Commissie toekomen.

4.  Door het forum van bevoegde instanties goedgekeurde documenten die richtsnoeren bevatten in verband met harmonisatieprocedures worden eventueel door de Commissie ter goedkeuring voorgesteld overeenkomstig de in artikel 49, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Deze documenten worden openbaar gemaakt.

Artikel 17

Intercollegiale toetsing van de bevoegde instanties

1.  Door het forum van bevoegde instanties wordt een intercollegiale toetsing georganiseerd om de conformiteit van het registratiesysteem van elke bevoegde instantie met deze verordening te beoordelen en een geharmoniseerde benadering van de toepassing van de regels inzake registratie uit te werken.

2.  De collegiale toetsing vindt regelmatig en ten minste om de vier jaar plaats en omvat een beoordeling van de regels en procedures van de artikelen 12, 13 en 15. Alle bevoegde instanties nemen deel aan de intercollegiale toetsing.

3.  De Commissie stelt procedures vast voor de uitvoering van de collegiale toetsing, met inbegrip van passende beroepsprocedures tegen als gevolg van de collegiale toetsing genomen besluiten.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.  De in lid 3 bedoelde procedures worden opgezet alvorens de eerste collegiale toetsing plaatsvindt.

5.  Het forum van bevoegde instanties doet de Commissie en het overeenkomstig artikel 49, lid 1, opgerichte comité regelmatig een verslag over de intercollegiale toetsing toekomen.

Dat verslag wordt na goedkeuring door het forum van bevoegde instanties en het in de eerste alinea bedoelde comité publiek gemaakt.



HOOFDSTUK V

MILIEUVERIFICATEURS

Artikel 18

Taken van de milieuverificateurs

1.  De milieuverificateurs beoordelen of de milieuanalyse, het milieubeleid, het milieubeheersysteem, de auditprocedures en de tenuitvoerlegging daarvan van een organisatie in overeenstemming zijn met de eisen van deze verordening.

2.  De milieuverificateurs verifiëren:

a) de naleving door de organisatie van alle eisen van deze verordening met betrekking tot de initiële milieuanalyse, het milieubeheersysteem, de milieuaudit en de resultaten daarvan alsook de milieuverklaring of de bijwerking ervan;

b) de naleving door de organisatie van de toepasselijke communautaire, nationale, regionale en plaatselijke wettelijke milieuvoorschriften;

c) de continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie, en

d) de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en juistheid van de gegevens en informatie in de volgende documenten:

i) de milieuverklaring;

ii) de bijgewerkte milieuverklaring;

iii) alle te valideren milieu-informatie.

3.  Meer in het bijzonder verifiëren de milieuverificateurs de geschiktheid van de initiële milieuanalyse of van de milieuaudit of andere door de organisatie toegepaste procedures, zonder die procedures onnodig te dupliceren.

4.  De milieuverificateurs verifiëren of de resultaten van de interne audit betrouwbaar zijn. Eventueel doen zij hiervoor steekproeven.

5.  Bij de verificatie met het oog op de voorbereiding van de registratie van een organisatie controleert de milieuverificateur dat de organisatie ten minste aan de volgende eisen voldoet:

a) er functioneert een volledig operationeel milieubeheersysteem overeenkomstig bijlage II;

b) er bestaat een volledig uitgewerkt en reeds gestart auditprogramma overeenkomstig bijlage III, waardoor ten minste de belangrijkste milieueffecten worden bestreken;

c) de in bijlage II, deel A, bedoelde management-toetsing is voltooid, en

d) er is een milieuverklaring opgesteld overeenkomstig bijlage IV, en eventueel beschikbare sectorale documenten zijn in de overwegingen betrokken.

6.  Ten behoeve van de verificatie met het oog op de vernieuwing van de registratie als bedoeld in artikel 6, lid 1, controleert de milieuverificateur of de organisatie aan de volgende eisen voldoet:

a) de organisatie beschikt over een volledig operationeel milieubeheersysteem overeenkomstig bijlage II;

b) de organisatie beschikt over een volledig uitgewerkt en operationeel auditprogramma dat al ten minste een auditcyclus heeft doorlopen overeenkomstig bijlage III;

c) de organisatie heeft een management-toetsing afgerond, en

d) de organisatie heeft een milieuverklaring opgesteld overeenkomstig bijlage IV, en eventueel beschikbare sectorale documenten zijn in de overwegingen betrokken.

7.  Ten behoeve van de verificatie met het oog op de vernieuwing van de registratie als bedoeld in artikel 6, lid 2, controleert de milieuverificateur of de organisatie ten minste aan de volgende eisen voldoet:

a) de organisatie heeft een interne audit uitgevoerd van de milieuprestaties en de naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften overeenkomstig bijlage III;

b) de organisatie levert het bewijs dat zij de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften blijft naleven en haar milieuprestaties voortdurend verbetert, en

c) de organisatie heeft een bijgewerkte milieuverklaring opgesteld overeenkomstig bijlage IV, en eventueel beschikbare sectorale documenten zijn in de overwegingen betrokken.

Artikel 19

Verificatiefrequentie

1.  In overleg met de organisatie stelt de milieuverificateur een programma op dat garandeert dat alle voor de registratie en de vernieuwing van de registratie vereiste elementen, als vermeld in de artikelen 4, 5 en 6, worden geverifieerd.

2.  De milieuverificateur valideert met tussenpozen van maximaal 12 maanden alle bijgewerkte informatie in de milieuverklaring of de bijwerking ervan.

Zo nodig geldt de afwijking bedoeld in artikel 7.

Artikel 20

Eisen met betrekking tot de milieuverificateurs

1.  Teneinde overeenkomstig deze verordening te worden geaccrediteerd of een vergunning te krijgen, dient een kandidaat-milieuverificateur een verzoek in bij de accreditatie- of vergunninginstantie waarbij hij de accreditatie of vergunning wenst aan te vragen.

In dit verzoek specificeert hij de reikwijdte van de verlangde erkenning of vergunning aan de hand van de statistische classificatie van economische activiteiten zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 ( 11 ).

2.  De milieuverificateur verstrekt de accreditatie- of vergunningsinstantie de passende bewijzen van zijn bekwaamheid, met inbegrip van kennis, relevante ervaring en voor de reikwijdte van de verlangde accreditatie of vergunning relevante technische capaciteiten op de volgende gebieden:

a) deze verordening;

b) het functioneren van milieubeheersystemen in het algemeen;

c) de relevante door de Commissie overeenkomstig artikel 46 uitgebrachte sectorale referentiedocumenten voor de toepassing van deze verordening;

d) de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die relevant zijn voor de te verifiëren en te valideren activiteit;

e) milieuaspecten en -effecten, met inbegrip van de milieudimensie van duurzame ontwikkeling;

f) de vanuit milieuoogpunt relevante technische aspecten van de te verifiëren en te valideren activiteit;

g) het functioneren van de te verifiëren en te valideren activiteit in het algemeen, teneinde de geschiktheid van het beheersysteem te beoordelen in relatie tot de milieu-interacties van de organisatie en haar producten, diensten en werkzaamheden, ten minste met inbegrip van:

i) de door de organisatie gebruikte technologieën;

ii) de terminologie die eigen is aan de activiteiten van de organisatie en het daarbij ingezette instrumentarium;

iii) operationele activiteiten en de karakteristieken van hun interactie met het milieu;

iv) methodieken voor de beoordeling van belangrijke milieuaspecten;

v) technologieën voor de beheersing en de beperking van verontreiniging;

h) de eisen en methodieken van milieuaudits, met inbegrip van het vermogen om een doeltreffende verificatieaudit van een milieubeheersysteem uit te voeren, passende bevindingen en conclusies van een dergelijke audit te formuleren en zowel mondelinge als schriftelijke auditverslagen op te stellen en te presenteren die een duidelijke neerslag van de verificatieaudit opleveren;

i) informatieaudits, de milieuverklaringen en de bijwerking ervan in samenhang met gegevensbeheer, gegevensopslag, gegevensverwerking, presentatie van gegevens in schriftelijke en grafische vorm ten behoeve van de evaluatie van mogelijke fouten en het gebruik van aannames en ramingen;

j) de milieudimensie van producten en diensten, met inbegrip van hun milieuaspecten en milieuprestaties in de gebruiksfase en daarna, en de integriteit van de voor de milieubesluitvorming beschikbaar gestelde gegevens.

3.  Van de milieuverificateur wordt verlangd dat hij aantoont over een permanente professionele ontwikkeling in de in lid 2 omschreven deskundigheidsgebieden te beschikken en dat hij de accreditatie- of vergunningsinstantie in staat stelt op deze ontwikkeling toe te zien.

4.  De milieuverificateur is bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden een derde partij van buiten, onafhankelijk van, met name, de auditor of consultant van de organisatie, onpartijdig en objectief.

5.  De milieuverificateur zorgt ervoor dat hij vrij is van elke commerciële, financiële of andere druk die zijn oordeel zou kunnen beïnvloeden of het vertrouwen in zijn onafhankelijk oordeel en integriteit in verband met de verificatiewerkzaamheden in gevaar zou kunnen brengen. De milieuverificateur zorgt ervoor dat alle in dit verband toepasselijke regels worden nageleefd.

6.  De milieuverificateur hanteert gedocumenteerde methoden en procedures, met inbegrip van instrumenten voor kwaliteitscontrole en vertrouwelijkheidsvoorschriften, teneinde aan de verificatie- en valideringsvereisten van deze verordening te voldoen.

7.  Een organisatie die als milieuverificateur optreedt, houdt een organisatieschema met de structuren en verantwoordelijkheden binnen de organisatie en een verklaring betreffende haar juridische status, eigenaar(s) en financieringsbronnen bij.

De organisatie stelt dat schema op verzoek ter beschikking.

8.  De inachtneming van deze voorschriften wordt gewaarborgd door de beoordeling die aan de accreditatie of verlening van de vergunning voorafgaat en door het toezicht dat door de accreditatie- of vergunningsinstantie wordt uitgeoefend.

Artikel 21

Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die natuurlijke personen zijn en hun verificatie- en valideringswerkzaamheden zelfstandig uitoefenen

Voor natuurlijke personen die als milieuverificateur optreden en zelfstandig verificaties en valideringen uitvoeren geldt, naast de voorwaarde dat zij aan de eisen van artikel 20 moeten voldoen, tevens dat:

a) zij over alle noodzakelijke bekwaamheden dienen te beschikken om verificatie- en valideringswerkzaamheden uit te voeren op de gebieden waarop hun vergunning betrekking heeft;

b) de vergunning beperkt is qua reikwijdte, overeenkomstig hun persoonlijke bekwaamheden.

Artikel 22

Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die werkzaamheden ontplooien in derde landen

1.  Indien een milieuverificateur voornemens is verificatie- en valideringswerkzaamheden te verrichten in derde landen, vraagt hij een accreditatie of vergunning voor specifieke derde landen aan.

2.  Teneinde een accreditatie of vergunning te verkrijgen voor een derde land dient de milieuverificateur, naast de eisen van de artikelen 20 en 21, aan de volgende eisen te voldoen:

a) kennis en begrip van de wettelijke en bestuursrechtelijke milieuvoorschriften van het derde land waarvoor de accreditatie of vergunning wordt aangevraagd;

b) kennis en begrip van de officiële taal van het derde land waarvoor de accreditatie of vergunning wordt aangevraagd.

3.  Aan de eisen van lid 2 wordt geacht te zijn voldaan indien de milieuverificateur het bestaan aantoont van een contractuele relatie tussen hemzelf en een gekwalificeerde persoon of organisatie die aan deze eisen voldoet.

Die persoon of organisatie dient onafhankelijk te zijn van de te verifiëren organisatie.

Artikel 23

Toezicht op milieuverificateurs

1.  Het toezicht op de verificatie- en valideringswerkzaamheden van de milieuverificateurs in:

a) de lidstaat waar zij zijn geaccrediteerd, of een vergunning hebben wordt uitgeoefend door de accreditatie- of vergunningsinstantie die de accreditatie of vergunning heeft verleend;

b) een derde land wordt uitgeoefend door de accreditatie- of vergunningsinstantie die de milieuverificateur voor die werkzaamheden de accreditatie of vergunning heeft verleend;

c) een andere lidstaat dan die waar de erkenning of vergunning werd verleend, wordt uitgeoefend door de accreditatie- of vergunningsinstantie van de lidstaat waar de verificatie plaats vindt.

2.  Ten minste vier weken vóór elke verificatie in een lidstaat brengt de milieuverificateur de gegevens met betrekking tot zijn accreditatie of vergunning alsook het tijdstip en de plaats van de verificatie ter kennis van de accreditatie- of vergunningsinstantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op de betrokken milieuverificateur.

3.  De milieuverificateur stelt de erkenning- of vergunningssinstantie onverwijld in kennis van elke verandering die gevolgen kan hebben voor de erkenning of vergunning of de reikwijdte daarvan.

4.  Op gezette tijden, maar ten minste om de 24 maanden, gaat de accreditatie- of vergunningsinstantie na of de milieuverificateur nog steeds aan de accreditatie- of vergunningsvoorwaarden voldoet en controleert zij de kwaliteit van de uitgevoerde verificatie- en valideringswerkzaamheden.

5.  Het toezicht kan de vorm hebben van audits van de administratie, toezicht ter plaatse in de organisaties, enquêtes, toetsing van door de verificateur gevalideerde milieuverklaringen of de bijwerking ervan en toetsing van verificatierapporten.

Het toezicht dient in verhouding te staan tot de door de verificateur verrichte werkzaamheden.

6.  Organisaties moeten de accreditatie- of vergunningsinstanties in staat stellen toezicht te houden op de milieuverificateur tijdens het verificatie- en valideringsproces.

7.  Een eventueel besluit van de accreditatie- of vergunningsinstantie om de accreditatie of vergunning in te trekken of te schorsen dan wel de reikwijdte van de accreditatie of vergunning te beperken, kan pas worden genomen nadat de milieuverificateur de gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden.

8.  Indien de toezichthoudende accreditatie- of vergunningsinstantie van mening is dat de kwaliteit van het werk van de milieuverificateur niet beantwoordt aan de eisen van deze verordening, wordt een schriftelijk toezichtrapport toegezonden aan de betrokken milieuverificateur en aan de bevoegde instantie waarbij de betrokken organisatie haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen of die de betrokken organisatie heeft geregistreerd.

Indien het geschil daarmee niet is opgelost, wordt het toezichtrapport toegezonden aan het in artikel 30 bedoelde forum van accreditatie- of vergunningsinstanties.

Artikel 24

Extra eisen inzake toezicht op milieuverificateurs die werkzaamheden verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij zijn geaccrediteerd of een vergunning hebben.

1.  Een milieuverificateur die in een bepaalde lidstaat is geaccrediteerd of een vergunning heeft, stelt, ten minste vier weken voor hij in een andere lidstaat verificatie- en valideringswerkzaamheden uitvoert, de accreditatie- of vergunningsinstantie van laatstgenoemde lidstaat in kennis van de volgende gegevens:

a) de gegevens met betrekking tot zijn accreditatie, deskundigheid, in het bijzonder zijn kennis van de wettelijke milieuvoorschriften en de officiële taal van de andere lidstaat, en in voorkomend geval de samenstelling van zijn team;

b) het tijdstip en de plaats van de verificatie en de validering;

c) het adres en de contactgegevens van de organisatie.

Deze kennisgeving wordt voor iedere verificatie en validering opnieuw gedaan.

2.  De accreditatie- of vergunningsinstantie kan verzoeken om meer informatie over de kennis die de verificateur bezit van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften.

3.  De accreditatie- of vergunningsinstantie kan andere voorwaarden stellen dan de in lid 1 genoemde, mits die andere voorwaarden geen afbreuk doen aan het recht van de milieuverificateur om zijn diensten aan te bieden in een andere lidstaat dan die waar de accreditatie of vergunning is verleend.

4.  De accreditatie- of vergunningsinstantie maakt geen gebruik van de in lid 1 bedoelde procedure om de komst van de milieuverificateur uit te stellen. Indien de accreditatie- of vergunningsinstantie niet in de mogelijkheid verkeert haar taken overeenkomstig de leden 2 en 3 te verrichten vóór het tijdstip van de verificatie en validering waarvan de verificateur overeenkomstig lid 1, onder b), kennis heeft gegeven, doet zij de verificateur een gemotiveerde verklaring toekomen.

5.  Er worden door de accreditatie- of vergunningsinstanties geen discriminerende kennisgevings- of toezichtsvergoedingen in rekening gebracht.

6.  Indien de toezichthoudende accreditatie- of vergunningsinstantie van mening is dat de kwaliteit van het werk van de milieuverificateur niet beantwoordt aan de eisen van deze verordening, wordt een schriftelijk toezichtrapport toegezonden aan de betrokken milieuverificateur, aan de accreditatie- of vergunningsinstantie die de accreditatie of vergunning heeft verleend en aan de bevoegde instantie waarbij de betrokken organisatie haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen of die de betrokken organisatie heeft geregistreerd. Indien het geschil daarmee niet is opgelost, wordt het toezichtrapport toegezonden aan het in artikel 30 bedoelde forum van de accreditatie- of vergunningsinstanties.

Artikel 25

Voorwaarden voor de uitvoering van verificaties en valideringen

1.  De milieuverificateur verricht zijn werkzaamheden binnen de reikwijdte van zijn accreditatie of vergunning en op basis van een schriftelijke overeenkomst met de organisatie.

Die overeenkomst:

a) specificeert de reikwijdte van de werkzaamheden;

b) specificeert de voorwaarden die de milieuverificateur in staat moeten stellen om op onafhankelijke en professionele wijze te werk te gaan, en

c) verplicht de organisatie ertoe de nodige medewerking te verlenen.

2.  De milieuverificateur zorgt ervoor dat alle onderdelen van de organisatie ondubbelzinnig zijn gedefinieerd overeenkomstig de werkelijke indeling van de activiteiten.

De milieuverklaring dient duidelijk de verschillende onderdelen van de organisatie te specificeren waarop de verificatie of validering betrekking heeft.

3.  De milieuverificateur beoordeelt de in artikel 18 genoemde elementen.

4.  De door de milieuverificateur uitgevoerde verificatie- en valideringswerkzaamheden omvatten het onderzoek van documenten, een bezoek aan de organisatie, de uitvoering van steekproefsgewijze controles en het voeren van gesprekken met het personeel.

5.  Voorafgaand aan een bezoek van de milieuverificateur verstrekt de organisatie de verificateur essentiële informatie over de organisatie en haar activiteiten, het milieubeleid en het milieuprogramma, een beschrijving van het in de organisatie toegepaste milieubeheersysteem, bijzonderheden omtrent de uitgevoerde milieuanalyse of milieuaudit, het rapport over die analyse of audit en over eventueel naderhand genomen bijsturingsmaatregelen, alsmede de concept-milieuverklaring of de bijwerking ervan.

6.  De milieuverificateur stelt voor de organisatie een schriftelijk rapport op over het resultaat van de verificatie, waarin de volgende elementen uitdrukkelijk aan de orde komen:

a) alle kwesties die relevant zijn voor de werkzaamheden van de milieuverificateur;

b) een beschrijving van de conformiteit met alle eisen van deze verordening, met inbegrip van bewijsmateriaal, bevindingen en conclusies;

c) een vergelijking van de resultaten en streefdoelen van voorgaande milieuverklaringen en een beoordeling van de milieuprestaties en van de continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie;

d) indien van toepassing, de technische tekortkomingen in de milieuanalyse, de auditmethode, het milieubeheersysteem of enig ander relevant proces.

7.  In geval van niet-conformiteit met de bepalingen in deze verordening worden in het rapport bovendien nader gespecificeerd:

a) de bevindingen en conclusies betreffende de niet-conformiteit van de organisatie en het bewijsmateriaal waarop die bevindingen en conclusies gebaseerd zijn;

b) de punten waarop het rapport niet met de concept-milieuverklaring of de bijwerking ervan overeenstemt, alsmede een specificering van de wijzigingen of toevoegingen die in de milieuverklaring of de bijwerking ervan moeten worden aangebracht.

8.  Na de verificatie valideert de milieuverificateur de milieuverklaring, of de bijwerking ervan, van de organisatie en bevestigt dat de verklaring aan de eisen van deze verordening voldoet, mits het resultaat van de verificatie en de validering bevestigt dat:

a) de informatie en de gegevens in de milieuverklaring, of de bijwerking ervan, van de organisatie betrouwbaar en juist zijn en aan de eisen van deze verordening voldoen, en

b) er geen aanwijzingen zijn dat de organisatie niet voldoet aan de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften.

9.  Bij de validering geeft de milieuverificateur een ondertekende verklaring als bedoeld in bijlage VII af, waarin wordt bevestigd dat de verificatie en validering overeenkomstig deze verordening zijn uitgevoerd.

10.  Milieuverificateurs die in één lidstaat zijn geaccrediteerd of een vergunning hebben, mogen verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten in alle andere lidstaten overeenkomstig de eisen van deze verordening.

Op de verificatie- of valideringswerkzaamheden wordt toegezien door de accreditatie- of vergunningsinstantie van de lidstaat waar die werkzaamheden plaatsvinden. De aanvang van de activiteiten wordt aan deze accreditatie- of vergunningsinstantie medegedeeld volgens het tijdschema beschreven in artikel 24, lid 1.

Artikel 26

Verificatie en validering van kleine organisaties

1.  Bij het verrichten van zijn verificatie- en valideringswerkzaamheden houdt de milieuverificateur rekening met de specifieke kenmerken van kleine organisaties, waaronder:

a) korte rapportagelijnen;

b) multifunctioneel personeel;

c) opleiding op de werkplek;

d) het vermogen om snel in te spelen op veranderingen, en

e) beperkte documentatie van procedures.

2.  De milieuverificateur voert de verificatie of validering op zodanige wijze uit dat kleine organisaties daardoor niet onnodig worden belast.

3.  De milieuverificateur houdt rekening met objectieve aanwijzingen voor de doeltreffendheid van het systeem, met inbegrip van het bestaan binnen de organisatie van procedures die zijn afgestemd op de omvang en complexiteit van de operatie, de aard van de daardoor veroorzaakte milieueffecten en de deskundigheid van het uitvoerend personeel.

Artikel 27

Verificatie- en valideringsvoorwaarden in derde landen

1.  Milieuverificateurs die in een lidstaat zijn geaccrediteerd of aan wie een vergunning is afgegeven, mogen verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten voor een in een derde land gevestigde organisatie overeenkomstig de eisen van deze verordening.

2.  Ten minste zes weken vóór elke verificatie of validering in een derde land brengt de milieuverificateur de gegevens met betrekking tot zijn accreditatie of vergunning alsook het tijdstip en de plaats van de verificatie of validering ter kennis van de accreditatie- of vergunningsinstantie van de lidstaat waar de betrokken organisatie geregistreerd is of haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen.

3.  Op de verificatie- of valideringswerkzaamheden wordt toegezien door de accreditatie- of vergunningsinstantie van de lidstaat waar de milieuverificateur is geaccrediteerd of een vergunning heeft. De aanvang van de activiteiten wordt aan deze accreditatie- of vergunningsinstantie medegedeeld volgens het tijdschema in lid 2.



HOOFDSTUK VI

ACCREDITATIE- EN VERGUNNINGSINSTANTIES

Artikel 28

Verloop van het accreditatie- en vergunningsproces

1.  De uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008 door de lidstaten aangewezen accreditatie -instanties zijn bevoegd voor de accreditatie van de milieuverificateurs en het toezicht op de door milieuverificateurs overeenkomstig deze verordening verrichte werkzaamheden.

2.  De lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 765/2008 een vergunningsinstantie aanwijzen die verantwoordelijk is voor het afgeven van vergunning aan en het toezicht op milieuverificateurs.

3.  De lidstaten kunnen besluiten aan natuurlijke personen geen accreditatie of vergunning als milieuverificateur te verlenen.

4.  De accreditatie- of vergunningsinstanties beoordelen de deskundigheid van de milieuverificateurs in het licht van de in de artikelen 20, 21 en 22 omschreven elementen die relevant zijn voor de reikwijdte van de verlangde accreditatie of vergunning.

5.  De reikwijdte van de accreditatie of vergunning van de verificateurs wordt bepaald aan de hand van de statistische classificatie van economische activiteiten zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006. Die reikwijdte wordt begrensd overeenkomstig de deskundigheid van de milieuverificateur, in voorkomend geval rekening houdend met de omvang en de complexiteit van de activiteit.

6.  De accreditatie- en vergunningsinstanties stellen passende procedures vast voor de erkenning of vergunning, de weigering tot erkenning of van vergunning en de schorsing en intrekking van de erkenning of vergunning van milieuverificateurs en het toezicht op milieuverificateurs.

Die procedures omvatten mechanismen om rekening te houden met de opmerkingen van belanghebbenden, waaronder de bevoegde instanties en de vertegenwoordigende instanties van organisaties, over kandidaat-milieuverificateurs en geaccrediteerde of over een vergunning beschikkende milieuverificateurs.

7.  In geval van weigering tot accreditatie of vergunning stelt de accreditatie- of vergunningsinstantie de milieuverificateur in kennis van de redenen voor haar besluit.

8.  De accreditatie- of vergunningsinstanties zorgen voor de opstelling, herziening en bijwerking van een lijst van milieuverificateurs in hun lidstaat, met vermelding van de reikwijdte van hun accreditatie of vergunning, en stellen de Commissie en de bevoegde instantie van de lidstaat waar de accreditatie- of vergunningsinstantie is gevestigd maandelijks rechtstreeks of via de nationale instanties zoals is besloten door de lidstaat in kwestie in kennis van de wijzigingen in deze lijst.

9.  In het kader van de regels en procedures inzake toezicht op activiteiten van artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 765/2008 stellen accreditatie- en vergunningsinstanties een toezichtrapport op indien zij, na de betrokken milieuverificateur te hebben gehoord, tot het besluit komen dat zich een van de volgende twee gevallen voordoet:

a) de werkzaamheden van de milieuverificateur zijn niet adequaat genoeg uitgevoerd om te waarborgen dat de organisatie voldoet aan de eisen van deze verordening;

b) de verificatie en de validering door de milieuverificateur zijn verricht in strijd met een of meer bepalingen van deze verordening.

Dit rapport wordt toegezonden aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de organisatie is geregistreerd of een aanvraag tot registratie heeft ingediend, en, indien van toepassing, aan de accreditatie- of vergunningsinstantie die de accreditatie of vergunning heeft verleend.

Artikel 29

Schorsing en intrekking van accreditatie of vergunning

1.  Voor de schorsing of intrekking van de accreditatie of vergunning moeten de betrokken partijen, waaronder de milieuverificateur, worden gehoord opdat de accreditatie- of vergunningsinstantie over de nodige gegevens kan beschikken voor het nemen van haar beslissing.

2.  De accreditatie- of vergunningsinstantie stelt de milieuverificateur in kennis van de redenen voor de getroffen maatregelen en, in voorkomend geval, van het met de bevoegde handhavingsautoriteit gevoerde overleg.

3.  De accreditatie of vergunning wordt geschorst of ingetrokken totdat, naar gelang van de aard en omvang van de tekortkoming of schending van de wettelijke voorschriften, passende zekerheid is verkregen omtrent de naleving van de eisen van deze verordening door de milieuverificateur.

4.  De schorsing van de accreditatie of vergunning wordt opgeheven wanneer de accreditatie- of vergunningsinstantie informatie ontvangt waaruit genoegzaam blijkt dat de milieuverificateur voldoet aan deze verordening.

Artikel 30

Forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties

1.  Er wordt een forum opgericht van alle accreditatie- en vergunningsinstanties van alle lidstaten, hierna „forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties” genoemd, en dit komt ten minste een keer per jaar in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Commissie bijeen.

2.  Het forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties heeft tot taak de coherentie te garanderen van de procedures met betrekking tot:

a) de erkenning van en het verlenen van vergunningen aan milieuverificateurs in het kader van deze verordening, met inbegrip van de weigering tot erkenning en de schorsing en intrekking van erkenningen en vergunningen;

b) het toezicht op de werkzaamheden van de milieuverificateurs die werden erkend of aan wie een vergunning werd verleend.

3.  Het forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties stelt richtsnoeren op voor kwesties die tot de bevoegdheid van de accreditatie- en vergunningsinstanties behoren.

4.  Het forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties stelt zijn reglement van orde vast.

5.  De in lid 3 bedoelde richtsnoeren en het in lid 4 bedoelde reglement van orde worden aan de Commissie toegezonden.

6.  Door het forum van de accreditatie- en vergunningsinstanties goedgekeurde documenten die richtsnoeren bevatten in verband met harmonisatieprocedures worden eventueel door de Commissie ter goedkeuring voorgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing zoals bedoeld in artikel 49, lid 3.

Deze documenten worden openbaar gemaakt.

Artikel 31

Intercollegiale toetsing van accreditatie- en vergunningsinstanties

1.  De collegiale toetsing inzake de accreditatie en vergunning van milieuverificateurs in het kader van deze verordening, die door het forum van accreditatie- en vergunningsinstanties moet worden georganiseerd, gebeurt regelmatig, en wel minstens eens in de vier jaar, en omvat een beoordeling van de regels en procedures van de artikelen 28 en 29.

Alle accreditatie- en vergunningsinstanties nemen deel aan de collegiale toetsing.

2.  Het in artikel 30, lid 1, bedoelde forum van accreditatie- en vergunningsinstanties doet de Commissie en het overeenkomstig artikel 49, lid 1, opgerichte comité regelmatig een verslag over de intercollegiale toetsing toekomen

Dat verslag wordt publiek gemaakt na goedkeuring door het forum van accreditatie- en vergunningsinstanties en het in de eerste alinea bedoelde comité.



HOOFDSTUK VII

REGELS BETREFFENDE DE LIDSTATEN

Artikel 32

Bijstand aan organisaties in verband met de naleving van de wettelijke milieuvoorschriften

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat voor organisaties mogelijke informatie en bijstand beschikbaar zijn in verband met de wettelijke milieuvoorschriften in de betrokken lidstaat.

2.  De bijstand omvat:

a) informatie over de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

b) specificatie van de bevoegde handhavingsautoriteit per specifiek wettelijk milieuvoorschrift waarvan is vastgesteld dat het van toepassing is;

3.  De lidstaten kunnen de in de leden 1 en 2 omschreven taak toevertrouwen aan de bevoegde instanties of aan enige andere instantie met de noodzakelijke deskundigheid en passende middelen voor de taak.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de handhavingsautoriteiten ten minste verzoeken van kleine organisaties met betrekking tot de onder hun bevoegdheid vallende toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften beantwoorden en de organisaties informeren over de wijze waarop kan worden aangetoond dat de organisaties voldoen aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde handhavingsautoriteiten een geval van niet-naleving van toepasbare wettelijke milieueisen door een geregistreerde organisatie signaleren aan de bevoegde instantie die de organisatie heeft geregistreerd.

De bevoegde handhavingsinstantie stelt de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van een maand nadat de niet-naleving haar ter kennis is gekomen op de hoogte.

Artikel 33

EMAS-promotieplan

1.  In samenwerking met de bevoegde instanties, de handhavingsinstanties en andere desbetreffende belanghebbenden bevorderen de lidstaten het EMAS-programma, rekening houdend met de in de artikelen 34 tot en met 38 bedoelde activiteiten.

2.  Met het oog hierop kunnen de lidstaten een promotiestrategie opzetten, die regelmatig herzien wordt.

Artikel 34

Informatie

1.  De lidstaten nemen passende maatregelen om informatie te bieden aan:

a) het publiek over de doelstellingen en belangrijkste elementen van EMAS;

b) organisaties over de inhoud van deze verordening.

2.  De lidstaten maken, waar passend gebruik van vakpublicaties, lokale kranten, promotiecampagnes of andere functionele middelen om algemene bekendheid met EMAS te bevorderen.

De lidstaten mogen in het bijzonder samenwerken met beroepsverenigingen, consumentenorganisaties, milieuorganisaties, vakverenigingen, plaatselijke instellingen en andere belanghebbenden.

Artikel 35

Promotieactiviteiten

1.  De lidstaten ontplooien promotieactiviteiten voor EMAS. Deze activiteiten kunnen omvatten:

a) de bevordering van de uitwisseling van kennis en beste praktijken inzake EMAS tussen alle betrokken partijen;

b) de ontwikkeling van doeltreffende instrumenten om EMAS te promoten en de bekendmaking daarvan aan organisaties;

c) de technische ondersteuning van organisaties bij de uitwerking en uitvoering van hun aan EMAS gerelateerde marketingactiviteiten;

d) de stimulering van partnerschappen tussen organisaties ter promotie van EMAS.

2.  Het EMAS-logo zonder registratienummer kan door bevoegde instanties, accreditatie- en vergunningsinstanties, nationale overheden en andere belanghebbenden worden gebruikt voor marketing en reclame in verband met EMAS. In dit soort gevallen mag het gebruik van het in bijlage V beschreven EMAS-logo het niet doen voorkomen dat de gebruiker geregistreerd is, als zulks niet het geval is.

Artikel 36

Bevordering van de deelneming van kleine organisaties

De lidstaten nemen passende maatregelen om de deelneming van kleine organisaties aan te moedigen door o.m.:

a) de toegang tot specifiek op dergelijke organisaties toegesneden informatie en ondersteunende financiering te vergemakkelijken;

b) ervoor te zorgen dat dergelijke organisaties dankzij redelijke registratiekosten tot deelneming worden aangespoord;

c) propagering van maatregelen voor technische bijstand.

Artikel 37

Geclusterde en stapsgewijze aanpak

1.  De lidstaten sporen de plaatselijke overheden aan om, in samenwerking met beroepsverenigingen, kamers van koophandel en andere betrokken partijen, specifieke bijstand te verlenen aan clusters van organisaties om aan de registratie-eisen van de artikelen 4, 5 en 6 te voldoen.

Iedere organisatie van de cluster wordt afzonderlijk geregistreerd.

2.  De lidstaten zetten organisaties ertoe aan om een milieubeheersysteem te implementeren. Zij moedigen met name een stapsgewijze benadering aan die leidt tot een EMAS-registratie.

3.  Overeenkomstig de leden 1 en 2 opgezette systemen moeten op dusdanige wijze functioneren dat onnodige kosten voor deelnemers, meer bepaald kleine organisaties, worden vermeden.

Artikel 38

EMAS en andere communautaire beleidsoriëntaties en -instrumenten

1.  Onverminderd de Gemeenschapswetgeving bekijken de lidstaten de manier waarop de EMAS-registratie overeenkomstig deze verordening kan worden:

a) meegenomen bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving;

b) gebruikt als instrument ter uitvoering en handhaving van de wetgeving;

c) meegenomen bij overheidsopdrachten en -aankopen.

2.  Onverminderd de Gemeenschapswetgeving, met name inzake concurrentie, fiscaliteit en staatssteun, nemen de lidstaten waar passend maatregelen die het voor organisaties gemakkelijker maken om een EMAS-registratie te verkrijgen of te behouden.

Deze maatregelen kunnen onder meer onderstaande behelzen:

a) verlichting van de regelgeving, zodanig dat een geregistreerde organisatie, geacht wordt te voldoen aan bepaalde — door de bevoegde instanties te specificeren — wettelijke milieuvoorschriften die in andere rechtsinstrumenten zijn vervat;

b) betere regelgeving, waarbij andere rechtsinstrumenten zo worden gewijzigd dat de lasten voor aan EMAS deelnemende organisaties worden weggenomen, beperkt of verlicht, teneinde het doeltreffend functioneren van de markten te bevorderen en het concurrentievermogen te versterken.

Artikel 39

Vergoedingen

1.  De lidstaten kunnen vergoedingen in rekening brengen, rekening houdend met:

a) de kosten verbonden aan de informatieverstrekking en bijstandsverlening aan organisaties door de daartoe overeenkomstig artikel 32 door de lidstaten aangewezen of ingestelde instanties;

b) de kosten verbonden aan de accreditatie van en het toezicht op de milieuverificateurs;

c) de kosten verbonden aan registratie, vernieuwing van registratie, schorsing en schrapping door de bevoegde instanties, alsook de extra kosten verbonden aan het beheer van deze procedures voor buiten de Gemeenschap gevestigde organisaties.

Die vergoedingen dienen beperkt te blijven tot een redelijk bedrag en in verhouding te staan tot de omvang van de organisatie en van de te verrichten werkzaamheden.

2.  De lidstaten zien erop toe dat organisaties op de hoogte worden gesteld van de geldende vergoedingen.

Artikel 40

Niet-naleving

1.  De lidstaten nemen passende juridische of administratieve maatregelen in geval van niet-naleving van deze verordening.

2.  De lidstaten voeren doeltreffende bepalingen in tegen elk gebruik van het EMAS-logo dat in strijd is met deze verordening.

Bepalingen die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt ( 12 ), mogen worden gebruikt.

Artikel 41

Informering van en verslaglegging aan de Commissie

1.  De lidstaten informeren de Commissie over de structuur en de procedures voor het functioneren van de bevoegde instanties en accreditatie- en vergunningsinstanties en werken deze informatie zo nodig geregeld bij.

2.  De lidstaten brengen om de twee jaar bij de Commissie verslag uit van bijgewerkte gegevens over de krachtens deze verordening genomen maatregelen.

In die verslagen houden de lidstaten rekening met het jongste verslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 47 bij het Europees Parlement en de Raad heeft ingediend.



HOOFDSTUK VIII

REGELS BETREFFENDE DE COMMISSIE

Artikel 42

Informatie

1.  De Commissie informeert:

a) het publiek over de doelstellingen en belangrijkste elementen van EMAS;

b) organisaties over de inhoud van deze verordening.

2.  De Commissie zorgt voor het bijhouden en openbaar maken van:

a) een register van milieuverificateurs en geregistreerde organisaties;

b) een databank van milieuverklaringen in elektronische vorm;

c) een databank van optimale werkmethoden inzake EMAS, met onder meer doeltreffende instrumenten om EMAS te promoten en voorbeelden van technische ondersteuning van organisaties;

d) een overzicht van Gemeenschapsmiddelen voor de financiering van de tenuitvoerlegging van EMAS, en daarmee verband houdende projecten en activiteiten.

Artikel 43

Samenwerking en coördinatie

1.  De Commissie stimuleert, zo nodig, de samenwerking tussen de lidstaten, met name om in heel de Gemeenschap te komen tot een uniforme en coherente toepassing van de regels betreffende:

a) de registratie van organisaties;

b) de milieuverificateurs;

c) de in artikel 32 bedoelde informatie en bijstand.

2.  Onverminderd de Gemeenschapswetgeving inzake overheidsopdrachten verwijzen de Commissie en de andere Gemeenschapsinstellingen en -organen waar passend naar EMAS of andere overeenkomstig artikel 45 erkende of gelijkwaardige milieubeheersystemen als prestatiegerelateerde contractvoorwaarde voor werkzaamheden en diensten.

Artikel 44

Integratie van EMAS en andere milieubeleidsvormen en -instrumenten in de Gemeenschap

De Commissie bekijkt de manier waarop de EMAS-registratie overeenkomstig deze verordening kan worden:

1. meegenomen bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving en de herziening van de bestaande wetgeving, in het bijzonder in de vorm van verlichting van de regelgeving en betere regelgeving zoals beschreven in artikel 38, lid 2,

2. gebruikt als instrument in de context van uitvoering en handhaving van de wetgeving.

Artikel 45

Verband met andere milieubeheersystemen

1.  De lidstaten kunnen bij de Commissie een schriftelijk verzoek indienen om bestaande milieubeheersystemen, of onderdelen daarvan, die zijn gecertificeerd overeenkomstig passende certificeringsprocedures die op nationaal of regionaal niveau zijn erkend, te accepteren als zijnde in overeenstemming met de betreffende eisen van deze verordening.

2.  De lidstaten specificeren in hun verzoek de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de betreffende eisen van deze verordening.

3.  De lidstaten leveren het bewijs van de gelijkwaardigheid met deze verordening van alle relevante onderdelen van het betrokken milieubeheersysteem.

4.  De Commissie accepteert, na het in lid 1 bedoelde verzoek te hebben onderzocht en volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de accreditatie- of vergunningsvoorschriften voor de certificeringsinstanties indien zij van mening is dat de lidstaat:

a) in zijn verzoek de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de betreffende eisen van deze verordening voldoende duidelijk heeft gespecificeerd;

b) het afdoende bewijs heeft geleverd van de gelijkwaardigheid met deze verordening van alle relevante onderdelen van het betrokken milieubeheersysteem.

5.  De Commissie maakt de referenties van de geaccepteerde milieubeheersystemen, met inbegrip van de relevante onderdelen van EMAS als omschreven in bijlage I waarop deze referenties van toepassing zijn, en de geaccepteerde accreditatie- of vergunningsvoorschriften bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 46

Opstelling van referentiedocumenten en gidsen

1.  De Commissie zorgt in overleg met de lidstaten en andere belanghebbenden voor het opstellen van sectorale referentiedocumenten die bevatten:

a) optimale werkmethoden op het gebied van milieubeheer;

b) indicatoren van milieuprestaties voor specifieke sectoren;

c) zo nodig criteria voor topprestaties en evaluatiesystemen voor milieuprestatieniveaus.

Ook kan de Commissie referentiedocumenten voor sectoroverschrijdend gebruik opstellen.

2.  De Commissie houdt rekening met bestaande referentiedocumenten en milieuprestatie-indicatoren die zijn opgesteld volgens andere milieubeleidsvormen en -instrumenten in de Gemeenschap of volgens internationale normen.

3.  De Commissie stelt vóór eind 2010 een werkprogramma op met een indicatieve lijst van sectoren en subsectoren die als prioritair worden beschouwd voor de vaststelling van sectorale en sectoroverschrijdende referentiedocumenten.

Het werkprogramma wordt algemeen beschikbaar gesteld en regelmatig bijgewerkt.

4.  In samenwerking met het forum van bevoegde instanties stelt de Commissie een gids op over de registratie van organisaties buiten de Gemeenschap.

5.  De Commissie publiceert een leidraad met uitleg over de nodige stappen voor deelname aan EMAS.

De leidraad is online beschikbaar in alle officiële talen van de instellingen van de Europese Unie.

6.  Overeenkomstig de leden 1 en 4 opgestelde documenten worden voor aanneming overgelegd. Deze maatregelen, die beogen om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 47

Rapportage

Om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in dat informatie bevat over de in het kader van dit hoofdstuk ondernomen acties en maatregelen, alsook de informatie die zij uit hoofde van artikel 41 van de lidstaten heeft ontvangen.

Het verslag bevat een beoordeling van de effecten van het systeem op het milieu en de tendens met betrekking tot het aantal deelnemers.



HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 48

Wijziging van de bijlagen

1.  De Commissie kan de bijlagen bij deze verordening indien nodig of passend wijzigen in het licht van de ervaring die met de werking van EMAS wordt opgedaan, naar aanleiding van een vastgestelde behoefte aan richtsnoeren betreffende EMAS-eisen en in het licht van eventuele veranderingen op het stuk van internationale normen of nieuwe normen die relevant zijn voor het doeltreffend functioneren van deze verordening.

2.  Deze maatregelen, die beogen om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 49

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 50

Toetsing

De Commissie toetst EMAS uiterlijk 11 januari 2015 in het licht van de opgedane ervaring en de internationale ontwikkelingen. Zij houdt rekening met de overeenkomstig artikel 47 bij het Europees Parlement en de Raad ingediende rapporten.

Artikel 51

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1.  De volgende besluiten worden ingetrokken:

a) Verordening (EG) nr. 761/2001;

b) Beschikking 2001/681/EG van de Commissie van 7 september 2001 betreffende leidraden bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) ( 13 );

c) Beschikking 2006/193/EG van de Commissie van 1 maart 2006 houdende vaststelling van voorschriften, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad, betreffende het gebruik van het EMAS-logo in het uitzonderingsgeval van verzendverpakking en tertiaire verpakking ( 14 ).

2.  In afwijking van lid 1:

a) blijven nationale erkenningsinstanties en bevoegde instanties die op grond van Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn opgericht, functioneren. De lidstaten brengen de procedures die door de accreditatie-instanties en bevoegde instanties worden toegepast, in overeenstemming met deze verordening. De lidstaten zien erop toe dat de systemen tot uitvoering van de gewijzigde procedures uiterlijk op 11 januari 2011 volledig operationeel zijn;

b) blijven organisaties die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn geregistreerd, opgenomen in het EMAS-register. Bij de eerstvolgende verificatie van de organisatie controleert de milieuverificateur of de organisatie de nieuwe voorschriften van deze verordening naleeft. Indien de volgende verificatie voor 11 juli 2010 moet plaatsvinden, kan het tijdstip van de volgende verificatie in overleg met de milieuverificateur en de bevoegde instanties met zes maanden worden uitgesteld;

c) mogen milieuverificateurs die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn erkend, hun werkzaamheden blijven uitvoeren overeenkomstig de eisen van deze verordening.

3.  Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 761/2001 gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de in bijlage VIII opgenomen concordantietabel.

Artikel 52

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

MILIEUANALYSE

De milieuanalyse bestrijkt de volgende gebieden:

1.  Specificatie van de toepasselijke wettelijke milieueisen

Naast de opstelling van een lijst van toepasselijke wettelijke eisen dient de organisatie ook aan te geven hoe kan worden aangetoond dat zij aan de verschillende eisen voldoet.

2. Specificatie van alle directe en indirecte milieuaspecten met belangrijke effecten op het milieu, gekwalificeerd en waar van toepassing gekwantificeerd, waarbij in een register wordt aangegeven welke als belangrijk worden geïdentificeerd.

Een organisatie houdt bij de beoordeling van het belang van een milieuaspect rekening met de volgende aandachtspunten:

i) de potentie om schade aan het milieu toe te brengen;

ii) de kwetsbaarheid van het plaatselijke, regionale of mondiale milieu;

iii) de omvang, het aantal, de frequentie en de omkeerbaarheid van het aspect of effect;

iv) het bestaan van relevante milieuwetgeving en de voorschriften daarvan;

v) het belang voor de stakeholders en de werknemers van de organisatie.

a) Directe milieuaspecten

Directe milieuaspecten zijn verbonden aan activiteiten, producten en diensten van de organisatie zelf, waarover zij directe beheerscontrole heeft.

Alle organisaties moeten rekening houden met de directe aspecten van hun activiteiten.

Directe milieuaspecten houden onder andere maar niet uitsluitend verband met:

i) de wettelijke eisen en de grenswaarden in vergunningen;

ii) de uitstoot in de lucht;

iii) de lozing in water;

iv) de productie, de recycling, het hergebruik, het vervoer en de verwijdering van vast en ander afval, met name gevaarlijk afval;

v) het gebruik en de verontreiniging van de bodem;

vi) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen (inclusief energie);

vii) gebruik van toevoegingen, hulpvoorzieningen en halffabrikaten;

viii) de lokale overlast (geluid, trillingen, stank, stof, visuele hinder, enz.);

ix) vervoerskwesties (zowel voor goederen als voor diensten);

x) de risico’s van milieuongevallen en -effecten die zich voordoen of waarschijnlijk zullen voordoen ten gevolge van incidenten, ongevallen en mogelijke noodsituaties;

xi) de effecten op de biodiversiteit.

b) Indirecte milieuaspecten

Indirecte milieuaspecten kunnen een gevolg zijn van de interactie van een organisatie met derden die tot op redelijke hoogte kan worden beïnvloed door de organisatie die een EMAS-registratie wenst.

Voor niet-industriële organisaties, zoals lokale overheidsinstanties of financiële instellingen, is het van essentieel belang dat ze ook rekening houden met de milieuaspecten die samenhangen met hun kernactiviteiten. Een inventarisatie die beperkt blijft tot de milieuaspecten van de vestiging en installaties van een organisatie, is niet voldoende.

Hieronder vallen onder andere maar niet uitsluitend:

i) aspecten in verband met de levenscyclus van een product (ontwerp, ontwikkeling, verpakking, transport, gebruik en afvalverwerking of -verwijdering);

ii) investeringen, kredietverlening en verzekeringsdiensten;

iii) nieuwe markten;

iv) de keuze en samenstelling van diensten (bijv. vervoer of catering);

v) administratieve en planningsbeslissingen;

vi) de samenstelling van het assortiment;

vii) de milieuprestaties en praktijken van contractanten, subcontractanten en leveranciers.

De organisatie moet kunnen aantonen dat de belangrijke milieuaspecten die verband houden met haar inkoopprocedures, zijn geïnventariseerd en dat er in het beheersysteem aandacht wordt besteed aan belangrijke milieueffecten van deze aspecten. De organisaties trachten te waarborgen dat de leveranciers en degenen die namens de organisatie optreden, zich voegen naar het milieubeleid van de organisatie binnen de grenzen van de activiteiten die zij ingevolge het contract uitvoeren.

Bij deze indirecte milieuaspecten gaat een organisatie na in hoeverre zij invloed op deze aspecten kan uitoefenen en welke maatregelen kunnen worden genomen om de milieueffecten ervan te beperken.

3.  Beschrijving van de criteria voor de bepaling van het belang van de milieueffecten

De organisatie stelt de criteria op voor de bepaling van het belang van de milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten om na te gaan welke daarvan belangrijke milieueffecten hebben.

De organisatie dient bij de ontwikkeling van de criteria rekening te houden met de communautaire wetgeving en de criteria dienen breed, onafhankelijk controleerbaar en reproduceerbaar te zijn en dienen te worden gepubliceerd.

Bij de vaststelling van de criteria voor de bepaling van het belang van de milieuaspecten van een organisatie kan onder andere maar niet uitsluitend rekening worden gehouden met:

a) informatie over de toestand van het milieu om vast te stellen welke activiteiten, producten en diensten van de organisatie milieueffecten kunnen hebben;

b) de bestaande gegevens van de organisatie over de risico’s in verband met materiaal- en energieverbruik, lozingen, afvalstoffen en emissies;

c) de standpunten van belanghebbenden;

d) de milieuactiviteiten van de organisatie waarvoor regelgeving bestaat;

e) inkoopactiviteiten;

f) ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging, distributie, onderhoud, gebruik, hergebruik, recycling en verwijdering van de producten van de organisatie;

g) de activiteiten van de organisatie die de belangrijkste milieukosten en milieubaten met zich brengen.

De organisatie gaat bij de bepaling van de significantie van de milieueffecten van haar activiteiten niet alleen uit van de normale bedrijfsomstandigheden maar ook van de omstandigheden bij het opstarten en stilleggen en van redelijkerwijs voorzienbare noodsituaties. Er wordt rekening gehouden met de vroegere, de huidige en de geplande activiteiten.

4. Onderzoek van alle bestaande praktijken en procedures voor milieubeheer.

5. Beoordeling van feedback die afkomstig is van het onderzoek van eerdere incidenten.




BIJLAGE II

Milieubeheersysteemeisen en andere aandachtspunten voor organisaties die EMAS invoeren

De milieubeheersysteemeisen in het kader van EMAS zijn vastgelegd in deel 4 van de norm EN ISO 14001:2004. Deze eisen worden vermeld in de linkerkolom van onderstaande tabel; dit is deel A van deze bijlage.

Daarnaast zijn er verschillende andere aandachtspunten voor geregistreerde organisaties, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan bepaalde onderdelen van deel 4 van de norm EN ISO 14001:2004. Deze aandachtspunten worden vermeld in de rechterkolom van onderstaande tabel; dit is deel B van deze bijlage.



DEEL A

Milieubeheersysteemeisen uit hoofde van EN ISO 14001:2004

DEEL B

Andere aandachtspunten voor organisaties die EMAS invoeren

Organisaties die deelnemen aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) leven de eisen na van EN ISO 14001:2004, die zijn beschreven in afdeling 4 van de Europese norm (1) en hieronder onverkort worden weergegeven:

 

A.  Milieubeheersysteemeisen

 

A.1.  Algemene eisen

 

De organisatie moet een milieubeheersysteem vaststellen, schriftelijk vastleggen, toepassen en handhaven en dit continu verbeteren overeenkomstig de eisen van deze internationale norm, en bepalen hoe zij aan deze eisen zal voldoen.

 

De organisatie moet het toepassingsgebied van haar milieubeheersysteem omschrijven en schriftelijk vastleggen.

 

A.2.  Milieubeleid

 

Het hoogste leidinggevende niveau bepaalt het milieubeleid van de organisatie en ziet erop toe dat dit, binnen het vastgestelde toepassingsgebied van het milieubeheersysteem van de organisatie,

 

a)  geschikt is voor de aard, omvang en milieueffecten van haar activiteiten, producten en diensten;

 

b)  een verbintenis bevat tot continue verbetering en preventie van verontreiniging;

 

c)  een verbintenis bevat tot naleving van de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door de organisatie onderschreven eisen in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten;

 

d)  een kader biedt voor het vaststellen en beoordelen van milieudoelstellingen en -taakstellingen;

 

e)  schriftelijk wordt vastgelegd en wordt toegepast en gehandhaafd;

 

f)  ter kennis wordt gebracht van alle personen die werken voor of namens de organisatie, en

 

g)  beschikbaar is voor het publiek.

 

A.3.  Planning

 

A.3.1.  Milieuaspecten

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om

 

a)  binnen het vastgestelde toepassingsgebied van het milieubeheersysteem de milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten die zij kan beheersen en deze waarop zij invloed kan uitoefenen, te identificeren, rekening houdend met geplande of nieuwe ontwikkelingen en nieuwe of gewijzigde activiteiten, producten en diensten, en

 

b)  de aspecten te bepalen die belangrijke effecten hebben of kunnen hebben op het milieu (d.i. belangrijke milieuaspecten).

 

De organisatie legt deze informatie schriftelijk vast en zorgt ervoor dat zij bijgewerkt blijft.

 

De organisatie zorgt ervoor dat met de belangrijke milieuaspecten rekening wordt gehouden bij de vaststelling, toepassing en handhaving van haar milieubeheersysteem.

 
 

B.1.  Milieuanalyse

Organisaties voeren een eerste milieuanalyse zoals beschreven in bijlage I uit om hun milieuaspecten te bepalen en te beoordelen, en om te bepalen welke wettelijke eisen in verband met het milieu van toepassing zijn.

 

Organisaties van buiten de Gemeenschap refereren tevens aan de wettelijke milieuvoorschriften die van toepassing zijn op soortgelijke organisaties in de lidstaten waar zij hun aanvraag willen indienen.

A.3.2.  Wettelijke en andere eisen

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om

 

a)  de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door haar onderschreven eisen in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten te identificeren en daar toegang toe te hebben, en

 

b)  te bepalen hoe deze eisen ten aanzien van de voor haar relevante milieuaspecten dienen te worden toegepast.

 

De organisatie zorgt ervoor dat met de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door haar onderschreven eisen rekening wordt gehouden bij de vaststelling, toepassing en handhaving van haar milieubeheersysteem.

 
 

B.2.  Naleving van wettelijke eisen

 

Organisaties die zich bij EMAS willen registreren, moeten kunnen aantonen dat ze:

 

1)  hebben gespecificeerd welke wettelijke milieueisen die bij de milieuanalyse overeenkomstig bijlage I zijn gespecificeerd, voor hen toepasselijk zijn en de implicaties daarvan voor de organisatie kennen;

 

2)  de wettelijke milieueisen, met inbegrip van vergunningen en grenswaarden in vergunningen, naleven, en

 

3)  procedures hebben ingevoerd die de organisatie in staat stellen aan deze eisen te blijven voldoen.

A.3.3.  Doelstellingen, taakstellingen en programma’s

 

De organisatie moet voor de relevante functies en op de relevante niveaus binnen de organisatie schriftelijk vastgelegde milieudoelstellingen en -taakstellingen vaststellen, toepassen en handhaven.

 

Deze doelstellingen en taakstellingen dienen voor zover mogelijk meetbaar te zijn en in overeenstemming te zijn met het milieubeleid, met inbegrip van de verbintenissen om verontreiniging te voorkomen, de toepasselijke wettelijke eisen en andere door de organisatie onderschreven eisen na te leven en werk te maken van continue verbetering.

 

De organisatie houdt bij het vaststellen en beoordelen van haar doelstellingen en taakstellingen rekening met de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door de organisatie onderschreven eisen, alsmede met de voor haar belangrijke milieuaspecten. Zij houdt ook rekening met haar technologische opties, haar financiële, operationele en zakelijke behoeften en met de visies van belanghebbende partijen.

 

De organisatie moet een of meer programma’s vaststellen, toepassen en handhaven om haar doelstellingen en taakstellingen te realiseren. Deze programma’s omvatten:

 

a)  de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de doelstellingen en taakstellingen op de relevante niveaus en voor de relevante functies binnen de organisatie, en

 

b)  de middelen en het tijdschema voor het bereiken van deze doelstellingen.

 
 

B.3.  Milieuprestaties

 

1.  De organisaties kunnen aantonen dat het milieubeheersysteem en de auditprocedures betrekking hebben op de werkelijke milieuprestaties van de organisatie ten aanzien van de directe en indirecte aspecten die bij de milieuanalyse overeenkomstig bijlage I zijn gespecificeerd.

 

2.  Als onderdeel van de beoordeling door de directie worden de milieuprestaties van de organisatie in vergelijking met haar doelstellingen en taakstellingen geëvalueerd. De organisatie verbindt zich ook tot een continue verbetering van haar milieuprestaties. Daarbij kan de organisatie haar optreden baseren op lokale, regionale en nationale milieuprogramma’s.

 

3.  De middelen om de doelstellingen en taakstellingen te verwezenlijken kunnen geen milieudoelstellingen zijn. Indien de organisatie een of meer vestigingen omvat, voldoet elke locatie waarop EMAS van toepassing is, aan alle EMAS-voorschriften, waaronder een continue verbetering van de in artikel 2, lid 2, gedefinieerde milieuprestaties.

A.4.  Implementatie en uitvoering

 

A.4.1.  Middelen, taakverdeling, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

 

De directie ziet erop toe dat de benodigde middelen voor de vaststelling, toepassing, handhaving en verbetering van het milieubeheersysteem beschikbaar zijn. Die middelen omvatten personele middelen en specialistische vaardigheden, organisatorische infrastructuur, technologie en financiële middelen.

 

De taakverdeling, verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden omschreven, schriftelijk vastgelegd en bekendgemaakt om een doeltreffende milieubeheer te bevorderen.

 

Het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie benoemt een of meer specifieke directievertegenwoordigers die, ongeacht hun andere verantwoordelijkheden, welomschreven taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden hebben om:

 

a)  ervoor te zorgen dat een milieubeheersysteem wordt vastgesteld, toegepast en gehandhaafd in overeenstemming met de eisen van deze internationale norm;

 

b)  aan het hoogste leidinggevende niveau verslag uit te brengen over het functioneren van het milieubeheersysteem met het oog op de beoordeling daarvan, met inbegrip van aanbevelingen voor verbetering.

 

A.4.2.  Vakbekwaamheid, opleiding en bewustmaking

B.4.  Betrokkenheid van de werknemers

 

1.  De organisatie dient te beseffen dat een actieve betrokkenheid van de werknemers een impuls en voorwaarde is voor continue en succesvolle milieuverbeteringen en daarnaast een cruciaal hulpmiddel bij de verbetering van de milieuprestaties en tevens de juiste methode om het milieubeheer- en milieuauditsysteem op succesvolle wijze in de organisatie te verankeren.

 

2.  De term „werknemersparticipatie” omvat zowel participatie als voorlichting van de individuele werknemer en zijn vertegenwoordigers. Er dient dan ook een regeling voor werknemersparticipatie op alle niveaus te zijn. De organisatie dient te beseffen dat engagement, een luisterend oor en actieve steun van de kant van de directie een eerste vereiste is om deze processen tot een succes te maken. In deze context moet de noodzaak van terugkoppeling van de directie naar de werknemers worden benadrukt.

De organisatie ziet erop toe dat alle personen die voor of namens haar taken uitvoeren die door de organisatie geïdentificeerde belangrijke milieueffecten kunnen hebben, vakbekwaam zijn uit hoofde van passende scholing, opleiding of ervaring, en houdt ter zake een register bij.

 

De organisatie inventariseert de opleidingsbehoeften in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten en haar milieubeheersysteem. Zij verstrekt de nodige opleiding of onderneemt actie om in deze behoeften te voorzien, en houdt ter zake een register bij.

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om de personen die voor of namens haar werken, bewust te maken van:

 

a)  het belang van naleving van het milieubeleid en de milieuprocedures en van de eisen van het milieubeheersysteem;

 

b)  de belangrijke milieuaspecten en de daarmee samenhangende feitelijke of potentiële milieueffecten van hun werk en de voordelen van betere persoonlijke prestaties voor het milieu;

 

c)  hun eigen taken en verantwoordelijkheden inzake de naleving van de eisen van het milieubeheersysteem, en

 

d)  de potentiële consequenties als van de gespecificeerde procedures wordt afgeweken.

 
 

3.  Afgezien van deze voorschriften worden de werknemers betrokken bij het proces met het oog op een continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie via:

 

a)  de initiële milieuanalyse, de analyse van de status quo en het verzamelen en controleren van informatie;

 

b)  de vaststelling en invoering van een milieubeheer- en milieuauditsysteem om de milieuprestaties te verbeteren;

 

c)  milieucomités om informatie te verzamelen en om de participatie tussen de milieufunctionaris/vertegenwoordigers van de directie en de werknemers en hun vertegenwoordigers te waarborgen;

 

d)  gemeenschappelijke werkgroepen voor het milieuactieprogramma en milieuaudits;

 

e)  de opstelling van de milieuverklaringen.

 

4.  Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van passende participatievormen zoals een ideeënboek of projectgericht groepswerk of milieucomités. De organisaties houden daarbij rekening met de richtsnoeren van de Commissie inzake beste praktijk op dit gebied. Indien zij daarom verzoeken, worden ook vertegenwoordigers van het personeel daarbij betrokken.

A.4.3.  Communicatie

 

Met betrekking tot de voor haar relevante milieuaspecten en haar milieubeheersysteem moet de organisatie een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor:

 

a)  de interne communicatie tussen de verschillende niveaus en functies van de organisatie,

 

b)  het ontvangen van, schriftelijk vastleggen van en reageren op relevante mededelingen van externe belanghebbende partijen.

 

De organisatie beraadt zich over de vraag of zij al dan niet naar buiten toe zal communiceren over de voor haar belangrijke milieuaspecten, en legt haar beslissing ter zake schriftelijk vast. Indien zij ertoe besluit hierover te communiceren, moet de organisatie een methodiek voor deze externe communicatie vaststellen en toepassen.

 
 

B.4.  Communicatie

 

1.  Organisaties kunnen aantonen dat zij met het publiek en andere belanghebbenden, met inbegrip van lokale gemeenschappen en klanten, een open dialoog voeren over de milieueffecten van hun activiteiten, producten en diensten teneinde de punten van zorg van het publiek en andere belanghebbenden te signaleren.

 

2.  Openheid, transparantie en periodieke verstrekking van milieu-informatie zijn belangrijke factoren waardoor EMAS zich onderscheidt van andere regelingen. Deze factoren zijn voor de organisatie ook van belang voor de opbouw van een vertrouwensrelatie met belanghebbenden.

 

3.  EMAS biedt organisaties de nodige flexibiliteit om specifieke doelgroepen te kunnen voorzien van relevante informatie, terwijl alle informatie gegarandeerd beschikbaar is voor degenen dit wensen.

A.4.4.  Documentatie

 

De documentatie met betrekking tot het milieubeheersysteem omvat:

 

a)  het milieubeleid, de milieudoelstellingen en de milieutaakstellingen;

 

b)  een omschrijving van het toepassingsgebied van het milieubeheersysteem;

 

c)  een beschrijving van de belangrijkste elementen van het milieubeheersysteem en de interacties daartussen, alsook een verwijzing naar de desbetreffende documenten;

 

d)  de documenten, met inbegrip van registers, die krachtens deze internationale norm vereist zijn; en

 

e)  de documenten, met inbegrip van registers, welke de organisatie noodzakelijk acht voor een doeltreffende planning, uitvoering en beheersing van de processen die samenhangen met de voor haar belangrijke milieuaspecten.

 

A.4.5.  Documentenbeheer

 

De krachtens het milieubeheersysteem en deze internationale norm vereiste documenten worden op passende wijze beheerd. Registers vormen een specifieke categorie documenten en dienen te worden beheerd overeenkomstig de in punt A.5.4. omschreven eisen.

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om:

 

a)  geschikt bevonden documenten goed te keuren, voorafgaand aan de uitgifte daarvan;

 

b)  documenten te herbezien, voor zover nodig te actualiseren en opnieuw goed te keuren;

 

c)  ervoor te zorgen dat wijzigingen en de actuele revisiestatus van documenten worden aangegeven;

 

d)  ervoor te zorgen dat de relevante versies van toepasselijke documenten beschikbaar zijn op de plaatsen waar zij worden gebruikt;

 

e)  ervoor te zorgen dat de documenten leesbaar en gemakkelijk herkenbaar blijven;

 

f)  ervoor te zorgen dat documenten van externe oorsprong welke de organisatie voor de planning en het functioneren van het milieubeheersysteem noodzakelijk acht, worden geïnventariseerd en dat op de verspreiding ervan wordt toegezien, en

 

g)  het onbedoelde gebruik van verouderde documenten te voorkomen en dergelijke documenten op een passende wijze te identificeren indien zij voor enig doel worden bewaard.

 

A.4.6.  Logistiek beheer

 

Overeenkomstig haar milieubeleid, milieudoelstellingen en milieutaakstellingen inventariseert en plant de organisatie de werkzaamheden die samenhangen met de geïdentificeerde belangrijke milieuaspecten om te bewerkstelligen dat deze onder gespecificeerde voorwaarden worden uitgevoerd. Zij doet dit door:

 

a)  een of meer procedures vast te stellen en schriftelijk vast te leggen, toe te passen en te handhaven voor de beheersing van situaties waarin het ontbreken van dergelijke procedures tot afwijkingen van het milieubeleid en de milieudoelstellingen en -taakstellingen zou kunnen leiden, en

 

b)  in de procedure(s) criteria voor de uitvoering van de werkzaamheden te specificeren, en

 

c)  procedures vast te stellen, toe te passen en te handhaven in samenhang met de geïdentificeerde belangrijke milieuaspecten van door de organisatie gebruikte goederen en diensten, en de toepasselijke procedures en eisen bekend te maken aan haar leveranciers, met inbegrip van aannemers van werk.

 

A.4.7.  Paraatheid en reactie op noodsituaties

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor het identificeren van mogelijke noodsituaties en mogelijke ongevallen die gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ter bepaling van de manier waarop zij daarop zal reageren.

 

De organisatie reageert op reële noodsituaties en ongevallen en voorkomt of vermindert de daarmee samenhangende schadelijke milieueffecten.

 

De organisatie beoordeelt periodiek de procedures inzake voorbereiding en reactie op noodsituaties en herziet deze waar nodig, met name nadat zich ongevallen of noodsituaties hebben voorgedaan.

 

Zo mogelijk beproeft de organisatie deze procedures op periodieke basis.

 

A.5.  Controle

 

A.5.1.  Monitoring en metingen

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor de geregelde monitoring en meting van de belangrijkste kenmerken van haar werkzaamheden die een belangrijk effect op het milieu kunnen hebben. Deze procedure(s) omvat(ten) het schriftelijk vastleggen van informatie ter bewaking van de prestaties, de toepasselijke logistieke controles en de naleving van de milieudoelstellingen en -taakstellingen van de organisatie.

 

De organisatie ziet erop toe dat gekalibreerde of geverifieerde monitoring- en meetapparatuur wordt gebruikt en onderhouden en houdt ter zake een register bij.

 

A.5.2.  Beoordeling van de naleving

 

A.5.2.1.  Overeenkomstig de aangegane nalevingsverbintenis moet de organisatie een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor de periodieke beoordeling van de naleving van de toepasselijke wettelijke eisen.

 

De organisatie houdt een register bij van de resultaten van deze periodieke beoordeling.

 

A.5.2.2.  De organisatie beoordeelt de naleving van de andere eisen welke zij onderschrijft. De organisatie kan deze beoordeling desgewenst combineren met de in punt A.5.2.1 bedoelde beoordeling van de naleving van de wettelijke eisen, of in een of meer afzonderlijke procedures voorzien.

 

De organisatie houdt een register bij van de resultaten van deze periodieke beoordeling.

 

A.5.3.  Afwijkingen en corrigerende en preventieve maatregelen

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om feitelijke en mogelijke afwijkingen aan te pakken en corrigerende en preventieve maatregelen te nemen. In deze procedure(s) worden de eisen omschreven voor:

 

a)  het vaststellen en verhelpen van afwijkingen en het nemen van maatregelen om de milieueffecten daarvan te verminderen;

 

b)  het onderzoeken van afwijkingen, het vaststellen van de oorzaken daarvan en het treffen van maatregelen om een herhaling daarvan te vermijden;

 

c)  het beoordelen van de noodzaak van maatregelen om afwijkingen te voorkomen en het nemen van passende maatregelen om het optreden daarvan te vermijden;

 

d)  het registreren van de resultaten van corrigerende en preventieve maatregelen, en

 

e)  het beoordelen van de doeltreffendheid van de genomen corrigerende en preventieve maatregelen. Deze maatregelen moeten op de omvang van het probleem en de vastgestelde milieueffecten worden afgestemd.

 

De organisatie zorgt ervoor dat alle nodige wijzigingen in de documentatie met betrekking tot het milieubeheersysteem worden aangebracht.

 

A.5.4.  Beheer van registers

 

De organisatie moet de registers opzetten en bijhouden die nodig zijn om aan te tonen dat zij de eisen van haar milieubeheersysteem en van deze internationale norm naleeft, alsook om de bereikte resultaten te documenteren.

 

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor het identificeren, opslaan, beveiligen, raadplegen, bewaren en verwijderen van de gegevens in deze registers.

 

De gegevens in de registers dienen leesbaar, identificeerbaar en traceerbaar te zijn en te blijven.

 

A.5.5.  Interne audit

 

De organisatie zorgt ervoor dat op geregelde tijdstippen een interne audit van het milieubeheersysteem plaatsvindt om:

 

a)  vast te stellen of het milieubeheersysteem:

 

—  voldoet aan de voorgenomen regelingen inzake milieubeheer, met inbegrip van de eisen van deze internationale norm, en

 

—  correct is ingevoerd en wordt gehandhaafd, en

 

b)  informatie over de resultaten van de audits te verschaffen aan de directie.

 

Door de organisatie worden een of meer auditprogramma’s gepland, vastgesteld, uitgevoerd en gehandhaafd, rekening houdend met het milieubelang van de betrokken activiteiten en de resultaten van eerdere audits.

 

Er worden auditprocedures vastgesteld, toegepast en gehandhaafd met betrekking tot:

 

—  de verantwoordelijkheden en eisen inzake de planning en uitvoering van audits, de rapportage van de resultaten en het bewaren van de gegevens ter zake;

 

—  de vaststelling van de criteria, reikwijdte, frequentie en methoden van de audits.

 

Bij de selectie van de auditeurs en de uitvoering van de audits wordt zodanig te werk gegaan dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van het auditproces gegarandeerd zijn.

 

A.6.  Beoordeling door de directie

 

Het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie beoordeelt op geregelde tijdstippen het milieubeheersysteem van de organisatie teneinde de continue geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid daarvan te garanderen. De beoordeling omvat ook een evaluatie van de mogelijkheden tot verbetering en de noodzaak van wijzigingen in het milieubeheersysteem, met inbegrip van het milieubeleid en de milieudoelstellingen en -taakstellingen.

 

Van de beoordelingen door de directie wordt een verslag opgesteld en bewaard.

 

Voor de beoordelingen door de directie wordt gebruikgemaakt van:

 

a)  de resultaten van de interne audits en de beoordelingen van de naleving van de wettelijke eisen en de andere eisen die door de organisatie worden onderschreven;

 

b)  mededelingen van belanghebbende derden, met inbegrip van klachten;

 

c)  de milieuprestaties van de organisatie;

 

d)  de mate waarin de doelstellingen en taakstellingen zijn gerealiseerd;

 

e)  de situatie met betrekking tot corrigerende en preventieve maatregelen;

 

f)  follow-upmaatregelen resulterend uit eerdere beoordelingen door de directie;

 

g)  gewijzigde omstandigheden, met inbegrip van ontwikkelingen inzake de wettelijke en andere eisen ten aanzien van de voor de organisatie relevante milieuaspecten, en

 

h)  aanbevelingen voor verbeteringen.

 

De resultaten van de beoordelingen door de directie omvatten met name alle besluiten en maatregelen met betrekking tot eventuele wijzigingen in het milieubeleid, de milieudoelstellingen en -taakstellingen en andere elementen van het milieubeheersysteem in overeenstemming met de verbintenis tot voortdurende verbetering.

 

Lijst van nationale normalisatie-instellingen:

►M1  

BE: IBN/BIN (Institut Belge de Normalisation/Belgisch Instituut voor Normalisatie)

CZ: ČNI (Český normalizační institut)

DK: DS (Dansk Standard)

DE: DIN (Deutsches Institut für Normung e.V.)

EE: EVS (Eesti Standardikeskus)

EL: ELOT (Ελληνικός Οργανισμός Τυποποίησης)

ES: AENOR (Asociacion Espanola de Normalizacion y Certificacion)

FR: AFNOR (Association Française de Normalisation)

HR: HZN (Hrvatski zavod za norme)

IE: NSAI (National Standards Authority of Ireland)

IT: UNI (Ente Nazionale Italiano di Unificazione)

CY: Κυπριακός Οργανισμός Προώθησης Ποιότητας

LV: LVS (Latvijas Standarts)

LT: LST (Lietuvos standartizacijos departamentas)

LU: SEE (Service de l’Energie de l’Etat) (Luxembourg)

HU: MSZT (Magyar Szabványügyi Testület)

MT: MSA (Awtorita' Maltija dwar l-Istandards / Malta Standards Authority)

NL: NEN (Nederlands Normalisatie-Instituut)

AT: ON (Österreichisches Normungsinstitut)

PL: PKN (Polski Komitet Normalizacyjny)

PT: IPQ (Instituto Português da Qualidade)

SI: SIST (Slovenski inštitut za standardizacijo)

SK: SÚTN (Slovenský ústav technickej normalizácie)

FI: SFS (Suomen Standardisoimisliitto r.y)

SE: SIS (Swedish Standards Institute)

UK: BSI (British Standards Institution).

 ◄

 
 

Aanvullende lijst van nationale normalisatie-instellingen

 

Nationale normalisatie-instellingen die niet vallen onder EN ISO 14001:2004:

 

BG: BDS (Българският институт за стандартизация);

 

RO: ASRO (Asociația de Standardizare din România).

 

Nationale normalisatie-instellingen in lidstaten waar een nationale normalisatie-instelling die is opgenomen in EN ISO 14001:2004, is vervangen:

 

CZ: ÚNMZ (Ústav pro technickou normalizaci, metrologii a státní zkušebnictví).

(1)   De tekst in deze bijlage wordt gebruikt met toestemming van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN). De volledige versie is bij de nationale normaliseringsinstelling verkrijgbaar; een lijst van deze instellingen is in deze bijlage te vinden. Reproductie van deze bijlage voor commerciële doeleinden is niet toegestaan.




BIJLAGE III

INTERNE MILIEUAUDIT

A.   Auditprogramma en auditfrequentie

1.   Auditprogramma

Het auditprogramma waarborgt dat het management van de organisatie de informatie krijgt die het nodig heeft om de milieuprestaties van de organisatie en de effectiviteit van het milieubeheersysteem te toetsen en te kunnen aantonen dat deze onder controle zijn.

2.   Doelstellingen van het auditprogramma

De doelstellingen omvatten in het bijzonder een beoordeling van de ingevoerde milieubeheersystemen en de vaststelling of ze in overeenstemming zijn met het milieubeleid en het milieuprogramma van de organisatie, inclusief de naleving van de relevante wettelijke milieuvoorschriften.

3.   Reikwijdte van het auditprogramma

De algehele reikwijdte van de afzonderlijke audits of eventueel van elke fase van een auditcyclus wordt duidelijk omschreven, waarbij expliciet worden vermeld:

a) de bestreken gebieden;

b) de door te lichten activiteiten;

c) de in aanmerking te nemen milieucriteria;

d) de door de audit bestreken periode.

De milieuaudit omvat een evaluatie van de feitelijke gegevens die nodig zijn om de milieuprestaties te beoordelen.

4.   Auditfrequentie

De audit of auditcyclus die alle activiteiten van de organisatie bestrijkt, wordt voor zover van toepassing uitgevoerd met tussenpozen van ten hoogste drie jaar, of vier jaar indien de in artikel 7 bepaalde afwijking van toepassing is. De frequentie waarmee activiteiten aan een audit worden onderworpen, varieert naar gelang:

a) de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten;

b) het belang van de daarmee samenhangende milieueffecten;

c) de omvang en urgentie van de in eerdere audits gesignaleerde problemen;

d) milieuproblemen in het verleden.

Complexere activiteiten met significantere milieueffecten worden vaker doorgelicht.

De organisatie voert audits ten minste op jaarlijkse basis uit, aangezien dit ertoe bijdraagt dat aan het management van de organisatie en de milieuverificateur wordt aangetoond dat zij de belangrijke milieuaspecten onder controle heeft.

De organisatie voert audits uit met betrekking tot:

a) de milieuprestaties van de organisatie, en

b) de naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften door de organisatie.

B.   Auditwerkzaamheden

Tot de auditwerkzaamheden behoren gesprekken met het personeel, de inspectie van de exploitatieomstandigheden en de apparatuur en de beoordeling van de verslagen, de schriftelijk vastgelegde procedures en andere relevante documentatie, teneinde de milieuprestaties van de betrokken activiteit te beoordelen om na te gaan of deze aan de toepasselijke normen, voorschriften of milieudoelstellingen en -streefdoelen voldoen, en of het ingevoerde systeem voor het beheer van milieutaken effectief en geschikt is. Om de effectiviteit van het gehele milieubeheersysteem te beoordelen wordt onder meer steekproefsgewijs getoetst of aan deze criteria wordt voldaan.

Het auditproces omvat met name de volgende stappen:

a) het verwerven van inzicht in de milieubeheersystemen;

b) het evalueren van de sterke en zwakke punten van de milieubeheersystemen;

c) het verzamelen van relevante gegevens;

d) het evalueren van de resultaten van de audit;

e) het formuleren van de conclusies van de audit;

f) de rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit.

C.   Rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit

De hoofddoelstellingen van een schriftelijk auditverslag zijn:

a) de reikwijdte van de audit vastleggen;

b) het management informatie verstrekken over de mate waarin het milieubeleid van de organisatie in acht wordt genomen en de organisatie vorderingen boekt op het gebied van het milieu;

c) het management informatie verstrekken over de effectiviteit en de betrouwbaarheid van de regelingen voor de monitoring van de milieueffecten van de organisatie;

d) eventueel aantonen dat corrigerende maatregelen nodig zijn.




BIJLAGE IV

MILIEURAPPORTAGE

A.   Inleiding

Milieu-informatie wordt op een duidelijke en coherente wijze in elektronische of gedrukte vorm verstrekt.

B.   MILIEUVERKLARING

De milieuverklaring bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan onderstaande minimale eisen:

a) een duidelijke en ondubbelzinnige beschrijving van de organisatie die EMAS-registratie wenst, met een overzicht van haar activiteiten, producten en diensten en eventueel haar relatie tot overkoepelende organisaties;

b) het milieubeleid en een korte beschrijving van het milieubeheersysteem van de organisatie;

c) een beschrijving van alle belangrijke directe en indirecte milieuaspecten die tot belangrijke milieueffecten van de organisatie leiden en een toelichting op de aard van de effecten, gerelateerd aan die aspecten (bijlage I.2);

d) een beschrijving van de milieudoelstellingen en -streefdoelen in verband met de belangrijke milieuaspecten en -effecten;

e) een overzicht van de beschikbare gegevens over de prestaties van de organisatie ten opzichte van haar milieudoelstellingen en -streefdoelen op het gebied van haar significante milieueffecten. Daarbij wordt gerapporteerd over de kernindicatoren en over andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren, zoals vermeld in hoofdstuk C;

f) andere factoren in verband met de milieuprestaties, onder andere ten opzichte van wettelijke bepalingen met betrekking tot hun belangrijke milieueffecten;

g) een verwijzing naar de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

h) de naam en het accreditatie-nummer van de milieuverificateur en de datum van validering.

De bijgewerkte milieuverklaring bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan de minimale eisen in de punten e) tot en met h).

C.   Kernindicatoren en andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren

1.   Inleiding

De organisaties brengen zowel in de milieuverklaring als in de bijgewerkte milieuverklaring verslag uit over onderstaande kernindicatoren, voor zover deze betrekking hebben op de directe milieuaspecten van de organisatie, en andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren.

Het verslag bevat gegevens over het werkelijke verbruik/effect. Indien bekendmaking de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële gegevens van de organisatie in gevaar brengt, in gevallen dat deze vertrouwelijkheid door nationale of Gemeenschapswetgeving mogelijk wordt gemaakt om een wettig economisch belang te beschermen, kan aan de organisatie toestemming worden verleend deze gegevens in haar verslaglegging te indexeren bijvoorbeeld door een uitgangsjaar (met index 100) vast te stellen op basis waarvan de ontwikkeling van het werkelijke verbruik/effect zou blijken.

De indicatoren moeten:

a) een correct beeld geven van de milieuprestaties van de organisatie;

b) begrijpelijk en ondubbelzinnig zijn;

c) het mogelijk maken om de milieuprestaties van de organisatie van jaar tot jaar te vergelijken om zo de ontwikkeling te kunnen bepalen;

d) het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met sectorale, nationale of regionale referentiepunten;

e) het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met de regelgevingseisen.

2.   Kernindicatoren

a) De kernindicatoren gelden voor alle soorten organisaties. Ze zijn vooral gericht op de prestaties op de volgende cruciale milieugebieden:

i) energie-efficiëntie;

ii) materiaalefficiëntie;

iii) water;

iv) afval;

v) biodiversiteit, en

vi) emissies.

Indien een organisatie tot de slotsom komt dat één of meer kerngegevens niet ter zake doen voor haar belangrijke directe milieuaspecten, is het mogelijk dat deze organisatie geen verslag uitbrengt over deze kernindicatoren. De organisatie omkleedt haar milieuanalyse ter zake met een motivering.

b) Elke kernindicator bestaat uit:

i) een getal A dat het totale jaarlijkse verbruik/effect op het desbetreffende gebied aangeeft;

ii) een getal B dat de totale jaarlijkse productie van de organisatie aangeeft, en

iii) een getal R dat de verhouding A/B aangeeft.

Elke organisatie rapporteert voor elke indicator alle drie onderdelen.

c) Het totale jaarlijkse verbruik/effect op het desbetreffende gebied, getal A, wordt als volgt gerapporteerd:

i) voor de energie-efficiëntie:

 het „totale directe energiegebruik”: het totale jaarlijkse energieverbruik, uitgedrukt in MWu of GJ;

 het „totale hernieuwbare energiegebruik”: het percentage van het totale jaarlijkse energieverbruik (elektriciteit en warmte) dat door de organisatie uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd;

ii) voor de materiaalefficiëntie:

 de „jaarlijkse massastroom van verschillende gebruikte materialen” (met uitzondering van energiedragers en water), uitgedrukt in ton;

iii) voor water:

 het „totale jaarlijkse waterverbruik”, uitgedrukt in m3;

iv) voor afval:

 de „totale jaarlijkse afvalproductie”, gespecificeerd per soort, uitgedrukt in ton;

 de „totale jaarlijkse productie van gevaarlijk afval”, uitgedrukt in kilogram of in ton;

v) voor biodiversiteit:

 het „landgebruik”, uitgedrukt in m2 bebouwd gebied;

vi) voor emissies:

 de „totale jaarlijkse emissie van broeikasgassen”, met in begrip van ten minste de uitworp van CO2, CH4, N2O, HFCs, PFCs en SF6, uitgedrukt in ton CO2-equivalent.

 de totale „jaarlijkse uitstoot in de atmosfeer” met inbegrip van ten minste de uitstoot van SO2, NOX en PM, uitgedrukt in kilogram of ton.

In aanvulling op de hierboven omschreven indicatoren kan een organisatie ook andere indicatoren gebruiken om het totale jaarlijkse verbruik/effect in de desbetreffende sector uit te drukken.

d) De vermelding van de totale jaarlijkse productie van de organisatie, getal B, is voor alle gebieden gelijk, maar wordt afhankelijk van de aard van de activiteit aan de verschillende soorten organisaties aangepast en hiervan wordt als volgt verslag gedaan:

i) voor organisaties die actief zijn in de productiesector (industrie), kan de totale jaarlijkse bruto toegevoegde waarde worden vermeld, uitgedrukt in miljoenen EUR of totale jaarlijkse fysieke productie in ton, of, voor kleine organisaties, de totale jaarlijkse omzet of het aantal werknemers;

ii) voor organisaties in andere sectoren (overheid/diensten), wordt een verband gelegd met de omvang van de organisatie, uitgedrukt in aantal werknemers.

In aanvulling op de hierboven omschreven indicatoren kan een organisatie ook andere indicatoren gebruiken om haar totale jaarlijkse verbruik/effect uit te drukken.

3.   Andere relevante milieuprestatie-indicatoren

Elke organisatie rapporteert ook jaarlijks over haar prestaties in verband met de specifiekere milieuaspecten, zoals die in haar milieuverklaring worden genoemd, en houdt daarbij rekening met de in artikel 46 bedoelde sectorale referentiedocumenten, wanneer deze beschikbaar zijn.

D.   Openbaarheid

De organisatie moet aan de milieuverificateur kunnen aantonen dat iedereen met belangstelling voor de milieuprestaties van de organisatie eenvoudig en onbelemmerd toegang kan krijgen tot de onder de punten B en C verplicht gestelde informatie.

De organisatie zorgt ervoor dat deze informatie beschikbaar is in (een van) de officiële ta(a)l(en) van de lidstaat waar de organisatie is geregistreerd en eventueel in (een van de) officiële ta(a)l(en) van de lidstaten waar vestigingen zijn die onder de collectieve registratie vallen.

E.   Lokale verantwoordingsplicht

Het is mogelijk dat organisaties die EMAS-registratie wensen, één milieuverklaring willen opstellen waarin een aantal verschillende geografische locaties wordt bestreken.

Aangezien het de bedoeling van EMAS is dat er op lokaal niveau verantwoording wordt afgelegd, dienen de organisaties ervoor te zorgen dat de belangrijke milieueffecten van elke vestiging duidelijk in de gemeenschappelijke milieuverklaring worden gespecificeerd en gerapporteerd.




BIJLAGE V

HET EMAS-LOGO

image

▼M1

1.

Het logo kan in de 24 talen worden gebruikt, mits onderstaande formulering wordt gebruikt:



Bulgaars:

„Проверено управление по околна среда”

Tsjechisch:

„Ověřený systém environmentálního řízení”

Kroaats:

„Verificirani sustav upravljanja okolišem”

Deens:

„Verificeret miljøledelse”

Nederlands:

„Geverifieerd milieuzorgsysteem”

Engels:

„Verified environmental management”

Ests:

„Tõendatud keskkonnajuhtimine”

Fins:

„Todennettu ympäristöasioiden hallinta”

Frans:

„Management environnemental vérifié”

Duits:

„Geprüftes Umweltmanagement”

Grieks:

„επιθεωρημένη περιβαλλοντική διαχείριση”

Hongaars:

„Hitelesített környezetvédelmi vezetési rendszer”

Italiaans:

„Gestione ambientale verificata”

Iers:

„Bainistíocht comhshaoil fíoraithe”

Lets:

„Verificēta vides pārvaldība”

Litouws:

„Įvertinta aplinkosaugos vadyba”

Maltees:

„Immaniggjar Ambjentali Verifikat”

Pools:

„Zweryfikowany system zarządzania środowiskowego”

Portugees:

„Gestão ambiental verificada”

Roemeens:

„Management de mediu verificat”

Slowaaks:

„Overené environmentálne manažérstvo”

Sloveens:

„Preverjen sistem ravnanja z okoljem”

Spaans:

„Gestión medioambiental verificada”

Zweeds:

„Verifierat miljöledningssystem”

▼B

2.

Het logo wordt gebruikt:

 in drie kleuren (Pantone nr. 355 Groen; Pantone nr. 109 Geel; Pantone nr. 286 Blauw);

 in het zwart;

 in het wit, of

 in grijstinten.




BIJLAGE VI

VOOR REGISTRATIE VEREISTE INFORMATIE

(informatie die, indien van toepassing, moet worden verstrekt)



1.  ORGANISATIE

 

Naam

Adres

Plaats

Postcode

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

Contactpersoon

Telefoon

FAX

E-mail:

Website

Toegang van de burger tot de milieuverklaring of de bijwerking daarvan

 

a)  in gedrukte vorm

b)  in elektronische vorm

Registratienummer

Registratiedatum

Schorsingsdatum van registratie

Schrappingsdatum van registratie

Datum eerstkomende milieuverklaring

Datum eerstkomende bijgewerkte milieuverklaring

Verzoek om afwijking overeenkomstig artikel 7

JA — NEEN

NACE-code van de activiteiten

Aantal werknemers

Omzet of jaarbalans

2.  VESTIGING

 

Naam

Adres

Postcode

Plaats

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

Contactpersoon

Telefoon

FAX

E-mail:

Website

Toegang van de burger tot de milieuverklaring of de bijwerking daarvan.

 

a)  in gedrukte vorm

b)  in elektronische vorm

Registratienummer

Registratiedatum

Schorsingsdatum van registratie

Schrappingsdatum van registratie

Datum eerstkomende milieuverklaring

Datum eerstkomende bijgewerkte milieuverklaring

Verzoek om afwijking overeenkomstig artikel 7

JA — NEEN

NACE-code van de activiteiten

Aantal werknemers

Omzet of jaarbalans

3.  MILIEUVERIFICATEUR

 

Naam van de verificateur

Adres

Postcode

Plaats

Land/deelstaat/gewest/autonome regio

Telefoon

FAX

E-mail:

Registratienummer accreditatie of vergunning

Reikwijdte van de accreditatie of vergunning (NACE-codes)

Accreditatie- of vergunningsinstantie

Gedaan te op …/…/20

Handtekening van de vertegenwoordiger van de organisatie




BIJLAGE VII

VERKLARING VAN DE MILIEUVERIFICATEUR OVER DE VERIFICATIE- EN VALIDERINGSWERKZAAMHEDEN

… (naam), EMAS-milieuverificateur met registratienummer …

geaccrediteerd met als reikwijdte … (NACE-code)

geaccrediteerd of in het bezit van een vergunning voor … (NACE Code)

verklaart dat hij/zij heeft geverifieerd of de vestiging(en) of de hele organisatie, zoals vermeld in de milieuverklaring/bijgewerkte milieuverklaring ( 15 ) van de organisatie … (naam)

met registratienummer (indien beschikbaar) …

voldoet aan alle eisen van Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

Met de ondertekening van deze verklaring verklaar ik dat:

 de verificatie en validering volledig overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1221/2009 zijn uitgevoerd;

 uit het resultaat van de verificatie en validering blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat niet aan de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften is voldaan;

 de gegevens en informatie van de milieuverklaring/bijgewerkte milieuverklaring (15)  van de organisatie/vestiging (15)  een betrouwbaar, geloofwaardig en juist beeld geven van alle activiteiten van de organisatie/vestiging (15)  binnen de in de milieuverklaring vermelde reikwijdte.

Dit document is niet gelijk aan een EMAS-registratie. EMAS-registratie kan alleen worden gedaan door een bevoegde instantie in de zin van Verordening (EG) 1221/2009. Dit document wordt niet gebruikt als een zelfstandig stuk openbare communicatie.

Gedaan te op …/…/20..

Handtekening




BIJLAGE VIII

CONCORDANTIETABEL



Verordening (EG) nr. 761/2001

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 2, onder d)

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, onder b)

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, lid 9

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, lid 8

Artikel 2, onder h)

Artikel 2, lid 10

Artikel 2, onder i)

Artikel 2, lid 11

Artikel 2, onder j)

Artikel 2, lid 12

Artikel 2, onder k)

Artikel 2, lid 13

Artikel 2, onder l)

Artikel 2, lid 16

Artikel 2, onder l), punt i)

Artikel 2, onder l), punt ii)

Artikel 2, onder m)

Artikel 2, onder n)

Artikel 2, lid 17

Artikel 2, onder o)

Artikel 2, lid 18

Artikel 2, onder p)

Artikel 2, onder q)

Artikel 2, lid 20

Artikel 2, onder r)

Artikel 2, onder s), eerste alinea

Artikel 2, lid 21

Artikel 2, onder s), tweede alinea

Artikel 2, onder t)

Artikel 2, lid 22

Artikel 2, onder u)

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2, onder a), eerste alinea

Artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 3, lid 2, onder a), tweede alinea

Artikel 4, lid 3

Artikel 3, lid 2, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder c)

Artikel 3, lid 2, onder c)

Artikel 4, lid 1, onder d)

Artikel 3, lid 2, onder d)

Artikel 4, lid 5

Artikel 3, lid 2, onder e)

Artikel 5, lid 2, eerste alinea; Artikel 6, lid 3

Artikel 3, lid 3, onder a)

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 3, onder b), eerste zin

Artikel 6, lid 1, onder b) en c)

Artikel 3, lid 3, onder b), tweede zin

Artikel 7, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 51, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 5, eerste zin

Artikel 25, lid 10, eerste alinea

Artikel 4, lid 5, tweede zin

Artikel 25, lid 10, tweede alinea, tweede zin

Artikel 4, lid 6

Artikel 41

Artikel 4, lid 7

Artikel 4, lid 8, eerste alinea

Artikel 30, lid 1

Artikel 4, lid 8, tweede alinea

Artikel 30, leden 3 en 5

Artikel 4, lid 8, derde alinea, eerste en tweede zin

Artikel 31, lid 1

Artikel 4, lid 8, derde alinea, laatste zin

Artikel 31, lid 2

Artikel 5, lid 1

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 5, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 5, lid 3, eerste zin

Artikel 12, lid 1

Artikel 5, lid 3, tweede zin, eerste streepje

Artikel 12, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 3, tweede zin, tweede streepje

Artikel 12, lid 1, onder b)

Artikel 5, lid 4

Artikel 11, lid 1, tweede en derde alinea

Artikel 5, lid 5, eerste zin

Artikel 16, lid 1

Artikel 5, lid 5, tweede zin

Artikel 16, lid 3, eerste zin

Artikel 5, lid 5, derde zin

Artikel 17, lid 1

Artikel 5, lid 5, vierde zin

Artikel 16, lid 3, tweede alinea en artikel 16, lid 4, tweede alinea

Artikel 6, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 6, punt 1, eerste streepje

Artikel 13, lid 2, onder a) en artikel 5, lid 2, onder a)

Artikel 6, punt 1, tweede streepje

Artikel 13, lid 2, onder a) en artikel 5, lid 2, onder c)

Artikel 6, punt 1, derde streepje

Artikel 13, lid 2, onder f) en artikel 5, lid 2, onder d)

Artikel 6, punt 1, vierde streepje

Artikel 13, lid 2, onder c)

Artikel 6, punt 1, tweede alinea

Artikel 13, lid 2, eerste zin

Artikel 6, punt 2

Artikel 15, lid 3

Artikel 6, punt 3, eerste streepje

Artikel 15, lid 3, onder a)

Artikel 6, punt 3, tweede streepje

Artikel 15, lid 3, onder b)

Artikel 6, punt 3, derde streepje

Artikel 6, punt 3, laatste zin

Artikel 15, lid 8

Artikel 6, punt 4, eerste alinea

Artikel 15, lid 2

Artikel 6, punt 4, tweede alinea

Artikel 15, lid 4

Artikel 6, punt 5, eerste zin

Artikel 15, lid 6

Artikel 6, punt 5, tweede zin

Artikel 15, leden 8 en 9

Artikel 6, punt 6

Artikel 15, lid 10

Artikel 7, lid 1

Artikel 28, lid 8

Artikel 7, lid 2, eerste zin

Artikel 12, lid 2

Artikel 7, lid 2, tweede zin

Artikel 12, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 42, lid 2, onder a)

Artikel 8, lid 1, eerste zin

Artikel 10, lid 1

Artikel 8, lid 1, tweede zin

Artikel 10, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 3, eerste alinea

Artikel 10, lid 4

Artikel 8, lid 3, tweede alinea

Artikel 9, lid 1, inleidende zin

Artikel 4, lid 3

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 45, lid 4

Artikel 9, lid 1, onder b)

Artikel 45, lid 4

Artikel 9, lid 1, tweede alinea

Artikel 45, lid 5

Artikel 9, lid 2

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 2, eerste alinea

Artikel 38, leden 1 en 2

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, eerste zin

Artikel 41

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, tweede zin

Artikel 47

Artikel 11, lid 1, eerste alinea

Artikel 36

Artikel 11, lid 1, eerste streepje

Artikel 36, onder a)

Artikel 11, lid 1, tweede streepje

Artikel 36, onder c)

Artikel 11, lid 1, derde streepje

Artikel 36, onder b)

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, eerste zin

Artikel 37, lid 1

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, derde zin

Artikel 37, lid 2

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, vierde zin

Artikel 37, lid 3

Artikel 11, lid 2

Artikel 43, lid 2

Artikel 11, lid 3, eerste zin

Artikel 41, lid 2

Artikel 11, lid 3, tweede zin

Artikel 47

Artikel 12, lid 1, onder a)

Artikel 12, lid 1, onder b)

Artikel 35, lid 1

Artikel 12, lid 1, tweede alinea

Artikel 12, lid 2

Artikel 41, lid 2

Artikel 12, lid 3

Artikel 13

Artikel 40, lid 1

Artikel 14, lid 1

Artikel 49, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 15, lid 1

Artikel 50

Artikel 15, lid 2

Artikel 48

Artikel 15, lid 3

Artikel 16, lid 1

Artikel 39, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 42, lid 2

Artikel 17, lid 1

Artikel 17, leden 2, 3 en 4

Artikel 51, lid 2

Artikel 17, lid 5

Artikel 18

Artikel 52



( 1 ) Advies van 25 februari 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

( 2 ) PB C 120 van 28.5.2009, blz. 56.

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 2 april 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 26 oktober 2009.

( 4 ) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

( 5 ) PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.

( 6 ) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

( 7 ) PB L 247 van 17.9.2001, blz. 1.

( 8 ) PB L 184 van 23.7.2003, blz. 19.

( 9 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

( 10 ) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

( 11 ) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

( 12 ) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

( 13 ) PB L 247 van 17.9.2001, blz. 24.

( 14 ) PB L 70 van 9.3.2006, blz. 63.

( 15 ) doorhalen wat niet van toepassing is.

Top