EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007D0516

2007/516/EG: Beschikking van de Commissie van 19 juli 2007 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een in de lidstaten uit te voeren onderzoek naar de prevalentie en antimicrobiële resistentie van Campylobacter spp. bij koppels vleeskuikens en naar de prevalentie van Campylobacter spp. en Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3440)

PB L 190 van 21.7.2007, p. 25–37 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2007/516/oj

21.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/25


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2007

betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een in de lidstaten uit te voeren onderzoek naar de prevalentie en antimicrobiële resistentie van Campylobacter spp. bij koppels vleeskuikens en naar de prevalentie van Campylobacter spp. en Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3440)

(2007/516/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name op artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 90/424/EEG bepaalt op welke wijze de Gemeenschap financieel bijdraagt aan gerichte veterinaire maatregelen, waaronder acties op technisch en wetenschappelijk gebied. Krachtens deze beschikking onderneemt de Gemeenschap of helpt zij de lidstaten bij het ondernemen van acties op technisch en wetenschappelijk gebied die voor de ontwikkeling van de communautaire wetgeving op veterinair gebied en voor de ontwikkeling van onderwijs en opleiding op veterinair gebied nodig zijn.

(2)

Volgens het verslag van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) over de trends en bronnen van zoönoses, zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie in de Gemeenschap in 2005 (2) werden in 22 lidstaten in totaal 194 695 menselijke gevallen van campylobacteriose gemeld. Als belangrijkste infectiebron geldt vlees van vleeskuikens. In tot wel 66,4 % van de gevallen waren de monsters in vleeskuikenvlees positief. Bij koppels vleeskuikens was 0,2 tot 86 % van de gemelde monsters positief.

(3)

Voorts werden er volgens het verslag van de EFSA in 2005 in 22 lidstaten in totaal 168 929 menselijke gevallen van salmonellose gemeld. In de regel was 4-10 % van het pluimveevlees besmet; dit is het hoogste percentage van alle onderzochte levensmiddelen.

(4)

De EFSA wijst er in haar verslag ook op dat een relatief hoog aandeel van campylobacter- en salmonella-isolaten van dieren en levensmiddelen resistent is tegen de antimicrobiële stoffen die gewoonlijk bij de behandeling van ziekten bij de mens worden gebruikt. Dit geldt in het bijzonder voor resistentie tegen fluorchinolonen in campylobacterisolaten van pluimvee, waarvan volgens het verslag tot wel 94 % resistent was tegen ciprofloxacine. Door voedsel overgedragen infecties die door deze resistente bacteriën worden veroorzaakt, zijn in het bijzonder gevaarlijk voor de mens omdat zij ertoe kunnen leiden dat de behandeling niet aanslaat.

(5)

Overeenkomstig Beschikking 2005/636/EG van de Commissie van 1 september 2005 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap voor een in de lidstaten uit te voeren basisonderzoek naar de prevalentie van Salmonella spp. bij koppels vleeskuikens van Gallus gallus (3) werden vergelijkbare gegevens over de prevalentie van Salmonella bij dergelijke koppels verzameld. Het is echter uiterst moeilijk om de prevalentie van Campylobacter bij koppels vleeskuikens en in het vlees van vleeskuikens en van Salmonella in het vlees van vleeskuikens uit verschillende lidstaten te vergelijken, aangezien de controle in de lidstaten niet geharmoniseerd is.

(6)

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (4) kunnen gecoördineerde bewakingsprogramma’s worden vastgesteld wanneer een specifieke behoefte aan een risico-evaluatie is geconstateerd of wanneer op het niveau van de lidstaten referentiewaarden met betrekking tot zoönoses of zoönoseverwekkers moeten worden vastgesteld.

(7)

Wetenschappelijke deskundigen hebben in samenwerking met de EFSA technische specificaties voor een basisonderzoek naar Campylobacter in koppels vleeskuikens ontwikkeld. In 2006 werd voor laboratoriumpersoneel in alle lidstaten scholing georganiseerd betreffende detectiemethoden voor Campylobacter in dergelijke koppels; in 2007 is scholing met betrekking tot methoden voor kwantificering van Campylobacter op karkassen gepland.

(8)

De taskforce „Monitoring of Zoonoses Data Collection” van de EFSA heeft tijdens zijn vergadering op 16 en 17 oktober 2006 het rapport over de voorgestelde technische specificaties voor een gecoördineerd bewakingsprogramma voor Salmonella en Campylobacter in het vlees van vleeskuikens in de Europese Unie (5) goedgekeurd.

(9)

Op 20 februari 2007 heeft de taskforce eveneens een rapport goedgekeurd, waarin een voorstel was opgenomen voor een geharmoniseerde bewakingsregeling voor antimicrobiële resistentie van Salmonella bij kippen (Gallus gallus), kalkoenen en varkens en van Campylobacter jejuni en C. coli bij vleeskuikens (6). In het verslag worden aanbevelingen gedaan voor een geharmoniseerde bewakingsregeling en een geharmoniseerde methodologie voor gevoeligheidstests.

(10)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, en bijlage II, deel B, van Richtlijn 2003/99/EG dienen er uitvoeringsbepalingen te worden vastgelegd inzake de bewaking van de antimicrobiële resistentie van Campylobacter jejuni en Campylobacter coli in pluimvee. Daartoe moeten gegevens worden verzameld. Om de noodzakelijke gegevens te verzamelen moet daarom het testen op antimicrobiële resistentie deel uitmaken van het onderzoek.

(11)

Gelet op het hoge aantal salmonella- en campylobactergevallen bij de mens, de importantie van vleeskuikens en vlees van vleeskuikens als infectiehaard en de toenemende verontrusting over de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie, moeten er vergelijkbare gegevens over de prevalentie van Campylobacter in vleeskuikens en vlees van vleeskuikens en van Salmonella in vlees van vleeskuikens in de lidstaten worden verzameld om de noodzaak, haalbaarheid en de kosten en baten van voor de gehele Gemeenschap geldende bestrijdingsmaatregelen te kunnen beoordelen.

(12)

Aan de hand van het onderzoek dient technische informatie te worden ingewonnen die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de communautaire veterinaire wetgeving, waaronder informatie over het gebruik van antimicrobiële stoffen in het kader van programma’s voor de bestrijding van zoönoses bij pluimvee. Aangezien het belangrijk is om vergelijkbare gegevens over de prevalentie van Salmonella en Campylobacter in vleeskuikens en vlees van vleeskuikens en de antimicrobiële resistentie van Campylobacter in vleeskuikens in de lidstaten te verzamelen, moet aan deze programma’s een financiële bijdrage van de Gemeenschap worden toegekend ten behoeve van de uitvoering van de specifieke vereisten van het onderzoek. De uitgaven voor laboratoriumtests moeten tot een bepaald maximumbedrag voor 100 % worden vergoed. Alle andere kosten, zoals bemonsterings-, reis- en administratiekosten, komen niet voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap in aanmerking.

(13)

Een financiële bijdrage van de Gemeenschap mag slechts worden verleend mits het onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en aan nog een aantal andere voorwaarden wordt voldaan.

(14)

Een financiële bijdrage van de Gemeenschap mag slechts worden verleend indien de voorgenomen maatregelen doeltreffend worden uitgevoerd en de bevoegde autoriteiten alle nodige inlichtingen binnen de in deze beschikking vastgestelde termijnen verstrekken.

(15)

Om redenen van administratieve doelmatigheid moeten alle voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap gedeclareerde uitgaven in euro worden uitgedrukt. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (7) moet de omrekening van de uitgaven in een andere valuta dan de euro geschieden tegen de meest recente koers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag door de betrokken lidstaat wordt ingediend.

(16)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze beschikking worden de bepalingen vastgesteld voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan een in de lidstaten uit te voeren onderzoek naar de prevalentie van:

a)

Campylobacter spp. bij koppels vleeskuikens en de antimicrobiële resistentie ervan; en tevens

b)

Campylobacter spp. en Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder:

a)

„koppel”: alle pluimvee (zoals vleeskuikens) met dezelfde gezondheidsstatus dat in hetzelfde lokaal of binnen dezelfde uitloopruimte wordt gehouden en dat een epidemiologische eenheid vormt; in batterijen omvat deze term alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen.

b)

„ter slacht aangeboden partij”: levering van in hetzelfde koppel gehouden vleeskuikens aan een slachthuis op één dag;

c)

„bevoegde autoriteit” de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat, als aangewezen krachtens artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2160/2003 (8) van het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 3

Zoönoses en zoönoseverwekkers waarop het onderzoek betrekking heeft

De lidstaten voeren een onderzoek uit ter beoordeling van de prevalentie van de volgende zoönoses en zoönoseverwekkers:

a)

Campylobacter spp. bij koppels vleeskuikens en de antimicrobiële resistentie ervan;

b)

Campylobacter spp. in vleeskuikenkarkassen;

c)

Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen;

in monsters die in overeenstemming met bijlage I in willekeurig gekozen slachthuizen in de gehele Gemeenschap bemonsterd zijn. Het onderzoek betreft slechts vanaf de eerste dag in de lidstaat geproduceerde vleeskuikens.

Artikel 4

Uitvoering van bemonstering en analyses

1.   De bemonstering wordt overeenkomstig de technische specificaties van bijlage I door de bevoegde autoriteit of onder haar toezicht uitgevoerd.

2.   De nationale referentielaboratoria (NRL’s) voor het testen op Salmonella spp., Campylobacter spp. en antimicrobiële resistentie, voeren de relevante onderdelen van de analyses van de monsters en isolaten uit.

3.   De bevoegde autoriteit kan echter besluiten om andere laboratoria die bij de officiële controles op Salmonella spp., Campylobacter spp. en het testen op antimicrobiële resistentie betrokken zijn, aan te wijzen voor het verrichten van de analyses van monsters.

De NRL’s bieden in dergelijke gevallen de aangewezen laboratoria ondersteuning en scholing en zien erop toe dat deze laboratoria aan de bepalingen inzake kwaliteitscontroles voldoen door geregeld ringtests te organiseren.

De overeenkomstig lid 2, tweede alinea, van dit artikel aangewezen laboratoria die de tests uitvoeren, voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij beschikken over bewezen ervaring met de toepassing van de voor de tests vereiste methoden;

b)

zij maken gebruik van een kwaliteitsborgingssysteem overeenkomstig EN/ISO-norm 17025;

c)

zij staan onder toezicht van de desbetreffende NRL’s.

Artikel 5

Voorwaarden voor de toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap

1.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten voor bemonstering en analyses wordt aan de lidstaten toegekend tot ten hoogste het maximale totaalbedrag voor medefinanciering overeenkomstig bijlage II.

2.   De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt toegekend aan de lidstaten, mits het onderzoek in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht wordt uitgevoerd, met inbegrip van de bepalingen inzake mededinging en inzake de plaatsing van overheidsopdrachten, en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de uitvoering van het onderzoek treden uiterlijk op 31 december 2007 in werking;

b)

uiterlijk op 31 mei 2008 wordt een voortgangsverslag over de eerste drie maanden van het onderzoek met de in deel E, punt 1, van bijlage I vermelde gegevens bij de Commissie ingediend;

c)

uiterlijk op 28 februari 2009 wordt een eindverslag over de uitvoering van het onderzoek met alle in de punten 1 en 2 van deel E van bijlage I vermelde gegevens ingediend, vergezeld van bewijsstukken ter staving van de in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 door de lidstaten gedane uitgaven voor de bemonstering en analyses en van de behaalde resultaten. De bewijsstukken ter staving van de uitgaven bevatten ten minste de in bijlage III vermelde gegevens;

d)

het onderzoek wordt doeltreffend uitgevoerd.

3.   Indien het in lid 2, onder c), bedoelde eindverslag niet uiterlijk op 28 februari 2009 is ingediend, wordt de te betalen financiële bijdrage progressief verminderd met 25 % van het totaalbedrag op 30 maart 2009, met 50 % op 30 april 2009 en met 100 % op 30 mei 2009.

Artikel 6

Maximaal te vergoeden bedragen

De financiële bijdrage van de Gemeenschap in de aan de lidstaten te vergoeden kosten voor bemonstering en analyses in het kader van het onderzoek bedragen ten hoogste:

a)

20 EUR per test voor de detectie van Campylobacter spp. en Salmonella spp.;

b)

30 EUR per bevestiging, speciesbepaling en kwantificering van isolaten van Campylobacter spp. en de serotypering van isolaten van Salmonella spp.;

c)

30 EUR per test op antimicrobiële resistentie van campylobacterisolaten afkomstig van koppels vleeskuikens.

Artikel 7

Gegevensverzameling, beoordeling en rapportage

1.   De bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling van het jaarlijkse nationale verslag krachtens artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG, verzamelt en evalueert de resultaten van de uit hoofde van artikel 4 van deze beschikking uitgevoerde bemonstering en analyses in verband met de prevalentie van Salmonella spp. en Campylobacter spp. en deelt uiterlijk op 28 februari 2009 alle nodige gegevens en de beoordeling daarvan door de lidstaten aan de Commissie mee. De resultaten van de tests op antimicrobiële resistentie worden vóór eind mei 2009 in het kader van de jaarlijkse rapportage overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG meegedeeld.

2.   De Commissie stuurt die tijdens de uitvoering van het onderzoek verkregen resultaten tezamen met de nationale geaggregeerde gegevens en de beoordelingen daarvan door de lidstaten door naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, die ze zal bestuderen.

Elk gebruik van de gegevens van de lidstaten voor andere doeleinden dan het onderzoek moet eerst met de lidstaten worden overeengekomen.

3.   De nationale geaggregeerde gegevens en resultaten worden op zodanige wijze openbaar gemaakt dat de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd.

Artikel 8

Omrekeningskoers voor de uitgaven

Wanneer de uitgaven van een lidstaat zijn gedaan in een andere valuta dan de euro, rekent de betrokken lidstaat deze om in euro onder toepassing van de meest recente wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag door de betrokken lidstaat wordt ingediend.

Artikel 9

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 10

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2006/965/EG (PB L 397 van 30.12.2006, blz. 22).

(2)  The EFSA Journal (2006) 94.

(3)  PB L 228 van 3.9.2005, blz. 14.

(4)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/104/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 352).

(5)  The EFSA Journal (2007) 96, blz. 1-46.

(6)  The EFSA Journal (2006) 403, blz. 1-62.

(7)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 378/2007 (PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1).

(8)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE I

TECHNISCHE SPECIFICATIES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4

DEEL A

Steekproefkader

Om leeftijdsgebonden effecten te vermijden wordt het toezicht uitgevoerd op de ter slacht aangeboden partijen in het slachthuis.

Daar is aangetoond dat de prevalentie van Campylobacter spp. afhankelijk van het jaargetijde sterk uiteenloopt, is stratificatie noodzakelijk. Hiertoe wordt een periode van twaalf maanden in twaalf periodes van één maand verdeeld. In elk van deze periodes wordt 1/12 van de totale steekproefomvang bemonsterd.

Voorts is de bemonstering gebaseerd op een willekeurige selectie; dit geldt voor de keuze van de slachthuizen, de bemonsteringsdagen per maand en de op een bepaalde dag te bemonsteren partijen. De randomisatieprocedure garandeert met name dat bij de geselecteerde partijen de verhouding tussen de aantallen opgefokte koppels in de verschillende productietypen (conventionele bedrijven, bedrijven met vrije uitloop en biologische bedrijven) wordt gerespecteerd. Bovendien mag de status inzake Salmonella spp. en Campylobacter spp., voor zover bij de slacht bekend, de randomisatie niet beïnvloeden. De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de opstelling van de randomisatieprocedure en ziet erop toe dat deze op de juiste wijze wordt uitgevoerd. Een voorbeeld van een randomisatieprocedure wordt gegeven in het rapport van de taskforce „Monitoring of Zoonosis Data Collection” van de EFSA met voorstellen voor de technische specificaties voor een gecoördineerd bewakingsprogramma ten aanzien van Salmonella en Campylobacter in het vlees van vleeskuikens in de Europese Unie. De nadere bijzonderheden van de randomisatieprocedure worden aan de Commissie meegedeeld.

DEEL B

Steekproefomvang

1.   Primaire steekproefomvang

a)

De primaire steekproefomvang is het aantal ter slacht aangeboden partijen dat bemonsterd moet worden.

b)

Er worden ten minste 384 partijen bemonsterd. Op non-respons wordt geanticipeerd door ongeveer 10 % meer dan de aangegeven aantallen partijen te bemonsteren.

c)

In afwijking van punt b) worden in Estland, Letland en Luxemburg de volgende aantallen (1) bemonsterd:

i)

In Estland ten minste 96 partijen;

ii)

In Letland ten minste 120 partijen;

iii)

In Luxemburg ten minste 12 partijen.

2.   Secundaire steekproefomvang

De secundaire steekproefomvang is het aantal te bemonsteren vleeskuikens per partij. Dat bedraagt 10 dieren voor de detectie van Campylobacter in caecum en 1 dier voor de detectie van Campylobacter en Salmonella op karkassen. Deze caecummonsters en het karkasmonster zijn afkomstig van dezelfde partij.

DEEL C

Monsterneming, behandeling en analyse ten behoeve van de detectie van campylobacter spp. bij koppels vleeskuikens en tests op de antimicrobiële resistentie ervan

1.   Verzamelen en vervoer

Campylobacters zijn betrekkelijk kwetsbare organismen die buiten de ingewanden van de gastheer snel afsterven. Daarom moet erop worden toegezien dat de monsters op adequate wijze worden genomen en snel worden geanalyseerd. Extreme temperaturen moeten worden vermeden en het vervoer dient zo snel mogelijk plaats te vinden.

De monsters worden genomen van intacte caeca. Caecummonsters worden tijdens het ontdoen van de ingewanden genomen.

Alleen personeel dat geoefend is in standaardbemonsteringsmethoden, mag monsters nemen. Hierbij gaat het er vooral om dat bij de bemonstering externe besmetting van caecuminhoud zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit kan het beste worden bereikt door voorzichtig met de vingers te trekken bij de overgang naar het darmkanaal. Per dier wordt één intact caecum genomen, en de monsternemers controleren of het caecum vol is; zo niet, dan wordt het buiten beschouwing gelaten. Bij voorkeur worden dieren uit de hele groep aselect bemonsterd (waarbij het eerste gedeelte van de ter slacht aangeboden partij wordt uitgesloten) en worden er monsters van niet direct op elkaar volgende dieren genomen. De tien verzamelde caeca kunnen voor vervoer in één enkele steriele zak/verpakking worden gedaan.

Alle relevante informatie betreffende het monster moeten op een door de bevoegde autoriteit opgesteld monsterformulier worden geregistreerd, zodat aan de rapportageverplichtingen in deel E kan worden voldaan. Ieder monster en het bijbehorende monsterformulier moet voorzien zijn van een etiket met een uniek nummer; dit nummer moet van de monsterneming tot de analyse worden gebruikt. De bevoegde autoriteit draagt zorg voor de invoering en gebruikmaking van een systeem voor unieke nummering. Voor de ter slacht aangeboden partij wordt hetzelfde identificatienummer gebruikt als voor het monster van het karkas.

Caecummonsters worden binnen 24 uur (d.w.z. per nachtpost of koerier) als intacte caeca naar het laboratorium vervoerd en daar onmiddellijk geanalyseerd. Indien dit niet haalbaar is, worden de monsters ten minste tot het vervoer naar het laboratorium koel bewaard en worden zij niet later dan 72-80 uur na de bemonstering geanalyseerd. In het laboratorium worden monsters die niet op de dag van aankomst kunnen worden geanalyseerd tot de analyse koel bewaard.

In het laboratorium wordt de caecuminhoud aseptisch verwijderd en tot één verzamelmonster samengevoegd.

2.   Diagnosemethoden

2.1.   Kweek

Aan de hand van een directe kweek op een selectief medium kan de prevalentie van campylobacters goed geschat worden. Een directe kweek van het monster moet plaatsvinden op een selectief medium dat geschikt is voor Campylobacter spp., (d.w.z. een gemodificeerd selectief medium voor Campylobacter spp, dat vrij is van bloed (CCDA), Karmali-, of Prestonagar).

De platen worden in microaerobe omstandigheden bij 41,5 ± 1 °C gedurende ten minste 48 +/– 2 uur bebroed. Na 24 uur kan groei worden vastgesteld.

De microaerobe atmosfeer kan worden verkregen in incubatoren die in de handel verkrijgbaar zijn (gasmengsel 10 % CO2/6 % O2). Indien dergelijke incubatoren ontbreken, kunnen microaerobe kweeksystemen zoals bijvoorbeeld potten worden gebruikt. Gaszakjes die de juiste microaerobe omstandigheden bieden, zijn in de handel verkrijgbaar.

Voor elke batch gekweekte monsters moeten adequate positieve en negatieve controles worden meegenomen.

2.2.   Bevestiging en speciesbepaling van het genus Campylobacter

De isolatie en bevestiging van campylobacters moeten worden uitgevoerd overeenkomstig ISO 10272-1:2006(E). Van ten minste één campylobacterisolaat per batch moet de species worden bepaald aan de hand van de in ISO 10272-1:2006(E) beschreven fenotypische methoden of van gepubliceerde moleculaire methoden zoals de polymerasekettingreactie (PCR). De gebruikte methode dient te worden vermeld. Het isolaat waarvan de species is bepaald, moet vervolgens voor het testen op antimicrobiële resistentie worden gebruikt.

Indien een laboratorium minder ervaring heeft met speciesbepaling, slaat het het isolaat overeenkomstig punt 2.4 op in afwachting van bijscholing of stuurt het in overleg met het communautaire referentielaboratorium voor Campylobacter spp. naar een laboratorium met meer ervaring.

2.3.   Kwaliteitscontrole

Met het oog op de kwaliteitsborging moet een deel van de isolaten van Campylobacter spp. (maximaal acht isolaten) ter bevestiging en speciesbepaling naar het communautaire laboratorium voor Campylobacter worden gestuurd.

Een deel van deze isolaten wordt dat laboratorium in één keer of eenmaal per kwartaal toegezonden. Het vervoer van isolaten tussen laboratoria vindt onder de juiste omstandigheden plaats (bijvoorbeeld gebruikmaking van koolstofswabs).

2.4.   Opslag

Ten minste één isolaat per positief monster wordt in de NRL’s opgeslagen in overeenstemming met de gangbare methode van kweekverzameling van het NRL, mits deze methode de levensvatbaarheid van de stammen gedurende ten minste twee jaar waarborgt.

2.5.   Testen op antimicrobiële resistentie

In het kader van de bewaking van de antimicrobiële resistentie worden per lidstaat 170 campylobacterisolaten onderzocht. Bij de bewaking is maximaal één isolaat per campylobacterspecies van dezelfde ter slacht aangeboden partij betrokken.

In lidstaten waar in een bepaald jaar een geringer aantal isolaten beschikbaar is, worden al deze isolaten bij de bewaking van de antimicrobiële resistentie betrokken.

In lidstaten waar een groter aantal isolaten beschikbaar is, worden of alle isolaten of een representatieve aselecte steekproef, gelijk aan of groter dan de nagestreefde steekproefomvang, onderzocht.

Voor de bepaling van de gevoeligheid van Campylobacter testen de lidstaten ten minste de in tabel 1 vermelde antimicrobiële stoffen, met inachtneming van de gegeven cut-offwaarden en een passend concentratiebereik.

Tabel 1

 

Antimicrobiële stof

Cut-offwaarde (mg/L) R >

Campylobacter jejuni

erytromycine

4

ciprofloxacin

1

tetracycline

2

streptomycine

2

gentamicine

1

Campylobacter coli

erytromycine

16

ciprofloxacin

1

tetracycline

2

streptomycine

4

gentamicine

2

De verdunningsmethoden worden toegepast overeenkomstig de methoden die zijn beschreven in de CSLI-richtsnoeren M31-A3 — Third Edition, Performance Standards for Antimicrobial Disk and Dilution Susceptibility Tests for Bacteria Isolated from Animals and M100-S16, Performance Standards for Antimicrobial Susceptibility testing; Sixteenth International Supplement.

DEEL D

Monsterneming, behandeling en analyse ten behoeve van de detectie van Campylobacter spp. en Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen

1.   Verzamelen en vervoer

Onmiddellijk na de koeling, maar vóór de verdere verwerking zoals bevriezing, uitsnijding of verpakking wordt per ter slacht aangeboden partij een geheel karkas genomen. In sommige slachthuizen kan dit inhouden dat er monsters na de voorkoeling worden genomen, wanneer dit de laatste stap voor verdere verwerking is.

Elk monster wordt in een afzonderlijke steriele plastic zak verpakt om kruisverontreiniging te voorkomen en wordt naar het laboratorium gezonden waar huidmonsters worden genomen.

Bij de inzameling van de karkassen moet kruisverontreiniging door andere karkassen of caecummonsters worden vermeden. Daarom moeten er in alle stadia voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat het voor bemonstering, vervoer en opslag gebruikte materieel niet verontreinigd wordt met de pathogenen die onderzocht worden.

Alle relevante informatie betreffende het monster moet op een door de bevoegde autoriteit opgesteld monsterformulier worden geregistreerd, zodat aan de rapportagevoorschriften van deel E kan worden voldaan.

Ieder monster en het bijbehorende monsterformulier moeten voorzien zijn van een uniek nummer dat van de monsterneming tot en met de analyse wordt gebruikt. De bevoegde autoriteit draagt zorg voor de invoering en gebruikmaking van een systeem voor unieke nummering. Voor de caecummonsters wordt hetzelde identificatienummer gebruikt als voor de ter slacht aangeboden partij.

De monsters worden bewaard bij een temperatuur van + 2 tot 8 °C en staan tijdens het vervoer niet bloot aan externe verontreiniging.

Idealiter bereiken alle monsters binnen 24 uur na de monsterneming het laboratorium. In uitzonderlijke omstandigheden (zoals bijvoorbeeld lange trajecten, weekeinden en openbare feestdagen) kan deze periode tot 80 uur worden verlengd.

Indien het testen op Campylobacter en Salmonella in verschillende laboratoria plaatsvindt, ontvangt het laboratorium dat op Campylobacter test het monster eerst.

2.   Bemonstering in het laboratorium en de analysemethoden

2.1.   Ontvangst van de monsters

Bij ontvangst van de monsters controleren de laboratoria de door de monsternemer geregistreerde gegevens en vullen zij de relevante onderdelen van het monsterformulier in.

De monsters worden bij + 2 tot 8 °C in het laboratorium bewaard; de monsters worden zo spoedig mogelijk na aankomst onderzocht, maar in ieder geval binnen 72 tot 80 uur na het tijdstip van bemonstering.

2.2.   Monstervoorbehandeling

Alle ontvangen monsters worden vóór het testen onderzocht om na te gaan of de verzendverpakking nog intact is.

De personen die de monsters hanteren moeten in ieder stadium kruisverontreiniging tussen de monsters onderling en uit de omgeving vermijden.

Het dier wordt met wegwerphandschoenen uit de monsterzak genomen; hierbij wordt ervoor gezorgd dat de buitenkant van het dier niet verontreinigd wordt.

Met gebruikmaking van een steriel instrument en een aseptische techniek wordt het nekvel, indien aanwezig, tezamen met de huid van één zijde van het karkas (zonder vet) verwijderd en wordt een analysemonster van 27 g samengesteld, dat in een stomacherzak (of pulsifier) wordt gedeponeerd.

2.3.   Initiële suspensie

Aan het analysemonster van 27 g worden negen delen (243 ml) gebufferd peptonwater toegevoegd, dat vooraf op kamertemperatuur is gebracht. Het mengsel wordt ongeveer 1 minuut in een stomacherzak of pulsifier behandeld (voor de gelijktijdige analyse van één monster op Salmonella spp. en Campylobacter spp. is 27 g benodigd). Schuimvorming dient te worden voorkomen door de lucht zoveel mogelijk uit de stomacherzak te verwijderen.

De initiële suspensie wordt als volgt gebruikt:

a)

10 ml (~1 g) wordt toegevoegd aan 90 ml verrijkingsmedium voor de opsporing van Campylobacter spp.;

b)

10 ml (~1 g) wordt in een lege steriele buis gegoten; 1 ml wordt gebruikt voor de kwantificering van Campylobacter spp. op selectieve platen.

De rest van de initiële suspensie (250 ml ~ 25 g) wordt gebruikt voor de opsporing van Salmonella spp.

2.4.   Methoden voor detectie en identificatie van Salmonella spp.

2.4.1.   Detectie van Salmonella spp.

De detectie van Salmonella spp. vindt plaats overeenkomstig ISO 6579-2002 (E). „Microbiology of food and animal feeding stuffs — Horizontal method for the detection of Salmonella spp.” (Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders — Horizontale methode voor het aantonen van Salmonella spp.).

2.4.2.   Serotypering van Salmonella spp.

Ten minste één isolaat van elk positief monster wordt in het nationale referentielaboratorium voor Salmonella aan de hand van het Kaufmann-White-schema getypeerd.

Met het oog op de kwaliteitsborging wordt een deel van de niet-typeerbare isolaten naar het communautaire referentielaboratorium voor Salmonella, gestuurd (maximaal 16 niet-typeerbare isolaten). Per kwartaal moet een deel van de isolaten naar dat laboratorium worden gestuurd.

2.4.3.   Faagtypering van Salmonella spp.

Het verdient aanbeveling om ten minste één isolaat van S. Enteritidis en S. Typhimurium van elk positief monster te faagtyperen, waarbij gebruik wordt gemaakt van het protocol als gedefinieerd door het Health Protection Agency (HPA), Colindale, Londen.

2.5.   Methoden voor detectie, identificatie en kwantificering van Campylobacter spp.

2.5.1.   Detectie van Campylobacter spp.

De isolatie en bevestiging van campylobacters moeten worden uitgevoerd overeenkomstig ISO 10272-1:2006(E). Van ten minste één campylobacterisolaat per partij moet de species worden bepaald door middel van de in ISO 10272-1:2006(E) beschreven fenotypische methoden of van gepubliceerde moleculaire methoden zoals de polymerasekettingreactie (PCR). De gebruikte methode dient te worden vermeld.

Met het oog op de kwaliteitsborging moet een deel van de isolaten van Campylobacter spp. (maximaal acht isolaten) ter bevestiging en speciesbepaling naar het communautaire laboratorium voor Campylobacter worden gestuurd.

Per kwartaal moet een deel van de isolaten naar dat laboratorium worden gestuurd. Het vervoer van isolaten tussen laboratoria vindt onder de juiste omstandigheden plaats (bijvoorbeeld gebruikmaking van koolstofswabs).

2.5.2.   Kwantificering van Campylobacter spp.

De kwantitatieve detectie van Campylobacter spp. vindt plaats volgens ISO/TS 10272-2:2006 „Microbiology of food and animal feeding stuffs — Horizontal method for detection and enumeration of Campylobacter spp. Part 2: Colony-count technique” (Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders — Horizontale methode voor de telling van het aantal van Campylobacter spp. — Deel 2:.Telplaattechniek). Uitgaande van 10 ml initiële suspensie wordt 0,1 ml van de suspensie en van verdere verdunningen hiervan onderzocht om de telling tot maximaal 106 kve/g mogelijk te maken. Voorts wordt 1 ml van de onverdunde initiële suspensie onderzocht om een kwantificeringsgrens van 10 kve/g te verkrijgen. Elke plaattelling vindt in duplo plaats.

Met het oog op een juiste vergelijking en beoordeling van de gegevens (ten behoeve van een toekomstige risicobeoordeling) wordt voor ieder laboratorium de meetonzekerheid (MO) van de kwantitatieve bepalingsmethode geschat.

De MO wordt aan de hand van de technische specificatie ISO/TS 19036:2006 geschat, behalve dat de schatting van de MO plaatsvindt op basis van de parallelle verdunningen van de initiële suspensie.

De MO wordt op basis van de intralaboratorium-standaardafwijking van de reproduceerbaarheid berekend. De gegevens over de schatting van de MO dienen van mei tot september te worden verzameld zodat positieve monsters gegarandeerd zijn. Er worden in totaal twaalf positieve monsters in duplo en in parallelle van de 10 ml initiële suspensie bereide verdunningen onderzocht. De ruwe gegevens betreffende de MO-schatting worden afzonderlijk gerapporteerd in het kader van de algemene beschrijving van de uitvoering van het onderzoek zoals aangegeven in deel E.

3.   Opslag van de isolaten

Om bijvoorbeeld latere tests op antimicrobiële gevoeligheid mogelijk te maken verdient het aanbeveling om een gedeelte van de isolaten op te slaan. Per positief monster wordt één isolaat opgeslagen. Het bij de kwantitatieve analyse verkregen campylobacterisolaat verdient de voorkeur. De isolaten worden in de NRL’s in overeenstemming met de gangbare methode van kweekverzameling van het NRL opgeslagen, mits deze methode de levensvatbaarheid van de stammen gedurende ten minste twee jaar waarborgt.

DEEL E

Rapportage

In de verslagen worden ten minste de volgende gegevens opgenomen:

1)

Algemene beschrijving van de uitvoering van het onderzoek:

slachthuizen: het totale aantal per land en het aantal waar monsters werden genomen;

primaire steekproefomvang;

beschrijving van de stratificatie- en randomisatieprocedures;

beschrijving van de werkzaamheden in verband met de kwaliteitscontrole, waaronder een verslag van de twaalf MO-schattingen per laboratorium met betrekking tot de kwantificering van Campylobacter;

algehele resultaten.

2)

Specifieke informatie over de prevalentiegegevens.

De lidstaten leggen de bevindingen van het onderzoek voor in de vorm van ruwe gegevens met gebruikmaking van een door de Commissie verstrekte data dictionary en gegevensverzamelingsformulieren.

Deze gegevens betreffen ten minste de volgende informatie:

naam/code van het slachthuis;

identificatienummer van de ter slacht aangeboden partij;

naam/code van het bedrijf van oorsprong van de ter slacht aangeboden partij;

grootte van het bedrijf, indien bekend;

vaccinatiestatus van het koppel tegen salmonella, indien bekend;

leeftijd van de vleeskuikens bij bemonstering (slacht);

was de ter slacht aangeboden partij de eerste of een van de daaropvolgende partijen van het koppel (al dan niet voorafgaand uitladen)?

productietype (d.w.z. conventioneel, vrije uitloop, biologisch);

resultaten van eerdere tests op Salmonella en Campylobacter in hetzelfde koppel;

datum van de bemonstering;

aantal geslachte dieren per jaar in het desbetreffende slachthuis;

gebruikte koelmethode (lucht, onderdompeling, besproeiing);

nadere bijzonderheden van het vervoersprotocol (zoals aangegeven: ja/neen);

datum van ontvangst in het laboratorium;

datum van de test;

identificatie van het laboratorium;

type monster;

beschrijving van de gebruikte kweekmethoden, met name van het/de selectieve medium/media;

campylobacterisolaat: voor de speciesbepaling gebruikte methode;

Campylobacter: resultaat van de bacteriologische analyse, met inbegrip van de speciesbepaling aan de hand van het caecummonster;

Campylobacter: resultaat van de bacteriologische analyse, met inbegrip van de speciesbepaling en de kwantificering aan de hand van het monster van het karkas;

Salmonella: resultaat van de bacteriologische analyse en serotypering;

tijd tussen de bemonstering en de analyse (per periode van 12 uur);

3)

Specifieke informatie betreffende de tests op antimicrobiële resistentie van campylobacterisolaten van caecummonsters.

De resultaten van de bewaking van de antimicrobiële resistentie worden beoordeeld en hiervan wordt overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2003/99/EG verslag gedaan in het jaarlijkse verslag over de tendensen en bronnen van zoönoses, zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie.

Onverminderd het bepaalde in bijlage IV bij Richtlijn 2003/99/EG, wordt verslag gedaan van de volgende informatie:

herkomst van de isolaten, d.w.z. basisonderzoek, bestrijdingsprogramma, passieve surveillance;

aantal op gevoeligheid geteste isolaten per campylobacterspecies;

aantal resistent bevonden isolaten per antimicrobiële stof per campylobacterspecies; en tevens

aantal volledig gevoelige isolaten en aantal isolaten die resistent zijn tegen 1, 2, 3, 4 en meer dan 4 in tabel 1 vermelde antimicrobiële stoffen per campylobacterspecies.


(1)  Raming: aantal bedrijven (4 in Estland, 5 in Letland) × 2 koppels per bedrijf × 2 ter slacht aangeboden partijen per koppel × 6 ronden per jaar. In Luxemburg worden slechts vleeskuikens van drie kleine koppels geslacht. Van elk daarvan wordt ieder kwartaal een partij bemonsterd.


BIJLAGE II

Maximale financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de lidstaten

(EUR)

Lidstaat

Maximaal totaalbedrag voor de medefinanciering van bemonstering en analyses

België - BE

58 092

Bulgarije - BG

58 092

Tsjechië - CZ

58 092

Denemarken - DK

58 092

Duitsland - DE

58 092

Estland - EE

14 688

Ierland - IE

58 092

Griekenland - EL

58 092

Spanje - ES

58 092

Frankrijk - FR

58 092

Italië - IT

58 092

Cyprus - CY

58 092

Letland - LV

18 360

Litouwen - LT

58 092

Luxemburg - LU

1 836

Hongarije - HU

58 092

Malta - MT

58 092

Nederland - NL

58 092

Oostenrijk - AT

58 092

Polen - PL

58 092

Portugal - PT

58 092

Roemenië - RO

58 092

Slovenië - SI

58 092

Slowakije - SK

58 092

Finland - FI

58 092

Zweden - SE

58 092

Verenigd Koninkrijk - UK

58 092

Totaal

1 429 092


BIJLAGE III

Gefiatteerd financieel verslag over de uitvoering van een onderzoek naar de prevalentie van Campylobacter spp. in koppels vleeskuikens en de antimicrobiële resistentie ervan en naar de prevalentie van Campylobacter spp. en Salmonella spp. in vleeskuikenkarkassen

Verslagperiode: … tot …

Verklaring betreffende uitgaven die voor het onderzoek zijn verricht en voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap in aanmerking komen:

Referentienummer van de beschikking van de Commissie tot vaststelling van de financiële bijdrage:

Uitgaven in verband met

Aantal tests

Totale uitgaven voor tests tijdens de verslagperiode

(in nationale valuta)

Bacteriologische detectie van Campylobacter spp.

 

 

Bacteriologische detectie van Salmonella spp.

 

 

Bevestiging van Campylobacter spp.

 

 

Speciesbepaling van campylobacterisolaten

 

 

Kwantificering van campylobacterisolaten

 

 

Serotypering van salmonella-isolaten

 

 

Tests op de antimicrobiële resistentie van campylobacterisolaten

 

 

Verklaring van de begunstigde

Wij verklaren dat:

bovengenoemde uitgaven werkelijk zijn gedaan en betrekking hebben op de in deze beschikking omschreven taken en dat zij essentieel waren voor de goede uitvoering van die taken;

alle bewijsstukken met betrekking tot de kosten beschikbaar zijn voor auditdoeleinden;

Geen andere bijdrage van de Gemeenschap voor dit programma is aangevraagd.

Datum:

Naam van de persoon die financieel verantwoordelijk is:

Handtekening:


Top