Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0240

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen

OJ L 74, 14.3.2014, p. 1–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2014/240/oj

14.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 74/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 240/2014 VAN DE COMMISSIE

van 7 januari 2014

betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1), en met name artikel 5, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van deze verordening is te voorzien in een Europese gedragscode om de lidstaten te ondersteunen bij de organisatie van partnerschappen, voor partnerschapsovereenkomsten en programma’s die worden ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV). Deze fondsen opereren nu onder een gemeenschappelijk kader en worden aangeduid als de „Europese structuur- en investeringsfondsen” (hierna „de ESI-fondsen” genoemd).

(2)

Werken in partnerschap is een traditioneel beginsel bij de uitvoering van de ESI-fondsen. Partnerschap impliceert een nauwe samenwerking tussen overheden, economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties op nationaal, regionaal en lokaal niveau, gedurende de gehele programmacyclus, die bestaat uit voorbereiding, uitvoering, bewaking en evaluatie.

(3)

De geselecteerde partners moeten zo representatief mogelijk voor de desbetreffende belanghebbenden zijn. De selectieprocedures moeten transparant zijn en rekening houden met de verschillende institutionele en juridische kaders van de lidstaten en hun nationale en regionale bevoegdheden.

(4)

De partners dienen te bestaan uit overheden, economische en sociale partners en maatschappelijke organisaties, waaronder milieupartners, organisaties van lokale gemeenschappen en vrijwilligersorganisaties, die wezenlijke invloed kunnen hebben op of ingrijpende gevolgen kunnen ondervinden van de uitvoering van de partnerschapsovereenkomst en programma’s. Specifieke aandacht moet worden besteed aan groepen die bij de programma’s betrokken kunnen raken, maar het moeilijk vinden om invloed uit te oefenen, in het bijzonder de meest kwetsbare en randgroepen, die het grootste risico lopen op discriminatie en sociale uitsluiting, in het bijzonder personen met een handicap, migranten en Roma.

(5)

Bij de selectie van partners moet rekening worden gehouden met de verschillen tussen partnerschapsovereenkomsten en programma’s. Partnerschapsovereenkomsten dekken alle ESI-fondsen die steun verlenen aan elke lidstaat, terwijl programma’s alleen betrekking hebben op de ESI-fondsen die er een bijdrage aan leveren. De partners voor partnerschapsovereenkomsten moeten relevant zijn in het licht van het geplande gebruik van alle ESI-fondsen, terwijl het voor programma’s voldoende is dat de partners relevant zijn in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen die aan het programma een bijdrage leveren.

(6)

De partners dienen te worden betrokken bij het opstellen en uitvoeren van partnerschapsovereenkomsten en programma’s. Daarom is vaststelling noodzakelijk van de belangrijkste beginselen en goede praktijken wat betreft tijdige, zinvolle en transparante raadpleging van de partners over het analyseren van de uitdagingen en behoeften die aangepakt moeten worden, de keuze van de doelstellingen en prioriteiten, en de coördinatie structuren en „multi-level governance”-afspraken, die noodzakelijk zijn voor een effectieve uitvoering van het beleid.

(7)

De partners moeten vertegenwoordigd zijn in de comités voor toezicht op de programma’s. De regels voor het lidmaatschap en de comitéprocedures dienen continuïteit en „ownership” van programmering en uitvoering te bevorderen, alsmede duidelijke en transparante werkafspraken, inachtneming van de tijdsplanning en non-discriminatie.

(8)

Door hun actieve deelname aan de toezichtcomités dienen de partners te worden betrokken bij de beoordeling van de prestaties inzake de verschillende prioriteiten, de verslagen over de programma’s en eventueel bij de oproepen tot het indienen van voorstellen.

(9)

Doelmatig partnerschap moet worden vergemakkelijkt door de desbetreffende partners te helpen met het versterken van hun institutionele capaciteit met het oog op het opstellen en uitvoeren van programma’s.

(10)

De Commissie moet de uitwisseling van goede praktijken, het versterken van de institutionele capaciteit en de verspreiding van relevante resultaten onder lidstaten, beheersautoriteiten en vertegenwoordigers van de partners vergemakkelijken door het opzetten van een „Community of Practice on Partnership” die alle ESI-fondsen bestrijkt.

(11)

De rol van de partners bij de uitvoering van de partnerschapsovereenkomsten en de prestaties en de doeltreffendheid van het partnerschap in de programmeringsperiode dient door de lidstaten te worden beoordeeld.

(12)

Voor het ondersteunen van de lidstaten bij de organisatie van het partnerschap moet de Commissie voorbeelden van goede praktijken in de lidstaten ter beschikking stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Deze verordening stelt de Europese gedragscode vast inzake partnerschap voor partnerschapsovereenkomsten en programma’s die worden ondersteund door de Europese structuur- en investeringsfondsen.

HOOFDSTUK II

BELANGRIJKSTE BEGINSELEN INZAKE TRANSPARANTE PROCEDURES VOOR IDENTIFICATIE VAN DE DESBETREFFENDE PARTNERS

Artikel 2

Representativiteit van de partners

De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 5, lid 1, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde partners zo representatief mogelijk zijn voor de relevante belanghebbenden en worden benoemd als naar behoren gemachtigde vertegenwoordigers, rekening houdende met hun bekwaamheid en capaciteit om actief en op een passend niveau van vertegenwoordiging deel te nemen.

Artikel 3

Identificatie van de betreffende partners voor de partnerschapsovereenkomst

1.   Voor de partnerschapsovereenkomst identificeren de lidstaten de relevante partners uit ten minste de volgende categorieën:

a)

bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden, waaronder:

i)

regionale overheden, nationale vertegenwoordigers van lokale overheden en lokale overheden die de grootste steden en stedelijke gebieden vertegenwoordigen, waarvan de bevoegdheden verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen;

ii)

nationale vertegenwoordigers van instellingen voor hoger onderwijs, opleidings- en onderwijsinstellingen en onderzoekscentra, in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen;

iii)

andere nationale overheden die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de horizontale beginselen in artikel 4 tot en met 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen; en in het bijzonder de organen voor de bevordering van gelijke behandeling die zijn opgericht overeenkomstig Richtlijn 2000/43/EG van de Raad (2), Richtlijn 2004/113/EG van de Raad (3) en Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad (4);

b)

economische en sociale partners, waaronder:

i)

nationaal erkende organisaties van sociale partners, in het bijzonder de algemene bedrijfstakoverkoepelende organisaties en sectororganisaties, waarvan de sectoren verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen;

ii)

de nationale kamers van koophandel en ondernemersverenigingen die het algemeen belang van sectoren en bedrijfstakken vertegenwoordigen, in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen en met het oog op evenwichtige vertegenwoordiging van grote, middelgrote, kleine en micro-ondernemingen, samen met vertegenwoordigers van de sociale economie;

c)

organen die maatschappelijke organisaties vertegenwoordigen, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en organen die verantwoordelijk zijn voor de bevordering van sociale integratie, gendergelijkheid en non-discriminatie, met inbegrip van:

i)

organen die actief zijn op de gebieden die verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen en de toepassing van horizontale beginselen zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, op basis van hun representativiteit, en rekening houdende met de geografische en thematische dekking, beheer van capaciteit, deskundigheid en innovatieve benaderingen;

ii)

andere organisaties of groepen waarvoor de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen aanzienlijke gevolgen heeft of waarschijnlijk zal hebben, in het bijzonder groepen die geacht worden een risico van discriminatie en sociale uitsluiting te lopen.

2.   Waar overheden, economische en sociale partners, en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een organisatie hebben opgericht voor het groeperen van hun belangen, om hun deelname aan het partnerschap te vergemakkelijken (overkoepelende organisatie), kunnen zij één enkele vertegenwoordiger aanwijzen om de standpunten van de overkoepelende organisatie in het partnerschap voor te leggen.

Artikel 4

Identificatie van relevante partners voor programma’s

1.   Voor ieder programma identificeren de lidstaten de relevante partners uit ten minste de volgende categorieën:

a)

bevoegde regionale, plaatselijke, stedelijke en andere overheden, waaronder:

i)

regionale overheden, nationale vertegenwoordigers van lokale overheden en lokale overheden die de grootste steden en stedelijke gebieden vertegenwoordigen, waarvan de bevoegdheden verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen en bijdragen aan het programma;

ii)

nationale of regionale vertegenwoordigers van instellingen voor hoger onderwijs, aanbieders van opleidingen en adviesdiensten, en onderzoekscentra, in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen die bijdragen aan het programma;

iii)

andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de horizontale beginselen in artikel 4 tot en met 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in het licht van het geplande gebruik van de ESI-fondsen die bijdragen aan het programma; en in het bijzonder de organen voor de bevordering van gelijke behandeling opgericht overeenkomstig Richtlijn 2000/43/EG, Richtlijn 2004/113/EG en Richtlijn 2006/54/EG;

iv)

andere instanties op nationaal, regionaal of lokaal niveau en overheden die de gebieden vertegenwoordigen waar door het programma gefinancierde geïntegreerde territoriale investeringen en strategieën voor lokale ontwikkeling worden uitgevoerd;

b)

economische en sociale partners, waaronder:

i)

nationaal of regionaal erkende organisaties van sociale partners, in het bijzonder de algemene bedrijfstakoverkoepelende organisaties en sectororganisaties, waarvan de sectoren verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen die bijdragen aan het programma;

ii)

de nationale of regionale kamers van koophandel en ondernemersverenigingen die het algemeen belang van industrieën of branches vertegenwoordigen, in het licht van een evenwichtige vertegenwoordiging van grote, middelgrote, kleine en micro-ondernemingen, samen met vertegenwoordigers van de sociale economie;

iii)

andere soortgelijke instanties op nationaal of regionaal niveau;

c)

vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en organen die verantwoordelijk zijn voor de bevordering van sociale integratie, gendergelijkheid en non-discriminatie, met inbegrip van:

i)

organen die actief zijn op de gebieden die verband houden met het geplande gebruik van de ESI-fondsen die bijdragen aan het programma en de toepassing van horizontale beginselen, zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, op basis van hun representativiteit, en rekening houdende met de geografische en thematische dekking, beheer van capaciteit, deskundigheid en innovatieve benaderingen;

ii)

instanties die de plaatselijke actiegroepen als bedoeld in artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vertegenwoordigen;

iii)

andere organisaties of groepen waarvoor de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen aanzienlijke gevolgen heeft of waarschijnlijk zal hebben, in het bijzonder groepen die geacht worden een risico van discriminatie en sociale uitsluiting te lopen.

2.   Ten aanzien van Europese programma’s voor territoriale samenwerking kunnen de lidstaten bij het partnerschap betrekken:

i)

Europese groeperingen voor territoriale samenwerking, die op het terrein van het betreffende grensoverschrijdende of transnationale programma werkzaam zijn;

ii)

overheden of organen die betrokken zijn bij de ontwikkeling of uitvoering van een macroregionale of zeebekkenstrategie op het terrein van het programma, met inbegrip van coördinatoren van de prioritaire gebieden voor macroregionale strategieën.

3.   Waar overheidsinstanties, economische en sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een overkoepelende organisatie hebben opgericht, kunnen zij één enkele vertegenwoordiger aanwijzen om de standpunten van de overkoepelende organisatie in het partnerschap voor te leggen.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE BEGINSELEN EN GOEDE PRAKTIJKEN MET BETREKKING TOT DE BETROKKENHEID VAN DE RELEVANTE PARTNERS BIJ HET OPSTELLEN VAN DE PARTNERSCHAPSOVEREENKOMST EN PROGRAMMA’S

Artikel 5

Raadplegen van de betreffende partners bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomst en programma’s

1.   Om transparante en effectieve betrokkenheid van de relevante partners te waarborgen, raadplegen de lidstaten en de beheersautoriteiten hen over het proces en het tijdschema voor het opstellen van de partnerschapsovereenkomst en programma’s. Daarbij houden zij hen volledig op de hoogte van de inhoud en eventuele wijzigingen.

2.   Met betrekking tot de raadpleging van de betreffende partners houden de lidstaten rekening met de noodzaak van:

a)

tijdige mededeling van en gemakkelijke toegang tot de betreffende informatie;

b)

voldoende tijd voor partners voor het analyseren van en commentaar geven op de belangrijkste voorbereidende documenten, de ontwerp-partnerschapsovereenkomst en de ontwerpprogramma’s;

c)

beschikbare kanalen waardoor partners vragen kunnen stellen, bijdragen kunnen leveren en geïnformeerd kunnen worden over de wijze waarop hun voorstellen in overweging zijn genomen;

d)

de verspreiding van de resultaten van de raadpleging.

3.   Met betrekking tot de programma’s voor plattelandsontwikkeling houden de lidstaten rekening met de rol die de nationale plattelandsnetwerken, opgericht overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), kunnen spelen bij het inschakelen van de betreffende partners.

4.   Waar formele overeenkomsten zijn vastgesteld tussen de verschillende bestuursniveaus onder het nationale niveau houdt de lidstaat rekening met deze „multi-level governance”-overeenkomsten, in overeenstemming met het institutionele en juridische kader.

Artikel 6

Opstellen van de partnerschapsovereenkomst

De lidstaten betrekken de relevante partners, in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomst, en vooral met betrekking tot:

a)

het analyseren van dispariteiten, ontwikkelingsbehoeften en groeipotentieel, aan de hand van de thematische doelstellingen, waaronder die waarop de relevante landenspecifieke aanbevelingen betrekking hebben;

b)

samenvattingen van de voorwaarden vooraf van de programma’s en de belangrijkste bevindingen van iedere voorafgaande op initiatief van de lidstaat ondernomen evaluatie van de partnerschapsovereenkomst;

c)

de selectie van de thematische doelstellingen, de indicatieve toewijzingen van de ESI-fondsen en de belangrijkste verwachte resultaten;

d)

de lijst van programma’s en de mechanismen op nationaal en regionaal niveau om de coördinatie van de ESI-fondsen met elkaar en met andere EU-en nationale financieringsinstrumenten en met de Europese Investeringsbank te waarborgen;

e)

de regelingen voor het waarborgen van een geïntegreerde benadering voor het gebruik van ESI-fondsen voor de territoriale ontwikkeling van stedelijke, landbouw-, kust- en visserijgebieden en gebieden met bijzondere territoriale kenmerken;

f)

de regelingen voor het waarborgen van een geïntegreerde benadering van de specifieke behoeften van de geografische gebieden die het hardst door armoede worden getroffen en van doelgroepen die het grootste risico lopen op discriminatie en sociale uitsluiting, met speciale aandacht voor randgroepen;

g)

de uitvoering van de horizontale beginselen als bedoeld in de artikelen 5, 7 en 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Artikel 7

Informatie over de actieve betrokkenheid van de betreffende partners in de partnerschapsovereenkomst

De lidstaten verstrekken voor de partnerschapsovereenkomst ten minste de volgende gegevens:

a)

de lijst van partners die betrokken zijn bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomst;

b)

de getroffen maatregelen voor actieve deelname van de partners, met inbegrip van maatregelen ten aanzien van toegankelijkheid, vooral voor personen met een handicap;

c)

de rol van de partners bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomst;

d)

de resultaten van het overleg met partners en een beschrijving van de toegevoegde waarde daarvan bij het opstellen van de partnerschapsovereenkomst.

Artikel 8

Opstellen van programma’s

De lidstaten betrekken de relevante partners, in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, bij het opstellen van de programma’s, en vooral met betrekking tot:

a)

de analyse en identificatie van de behoeften;

b)

de vaststelling of selectie van prioriteiten en gerelateerde specifieke doelstellingen;

c)

de toewijzing van financiële middelen;

d)

de vaststelling van specifieke indicatoren voor de programma’s;

e)

de uitvoering van de horizontale beginselen zoals gedefinieerd in de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

f)

de samenstelling van het toezichtcomité.

Artikel 9

Informatie over de betrokkenheid van de relevante partners in de programma’s

De lidstaten leveren voor de programma’s ten minste de volgende gegevens:

a)

de getroffen maatregelen om de betreffende partners bij het opstellen van de programma’s en de wijzigingen daarvan te betrekken;

b)

de geplande acties om de deelname van de partners bij de uitvoering van de programma’s te waarborgen.

HOOFDSTUK IV

GOEDE PRAKTIJKEN MET BETREKKING TOT DE FORMULERING VAN REGELS VOOR LIDMAATSCHAP EN DE INTERNE PROCEDURES VAN TOEZICHTCOMITÉS

Artikel 10

Regels voor lidmaatschap van het toezichtcomité

1.   Bij het formuleren van de regels voor lidmaatschap van het toezichtcomité houden de lidstaten rekening met de betrokkenheid van de partners die betrokken zijn geweest bij het opstellen van de programma’s en te streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen en non-discriminatie.

2.   Ten aanzien van de toezichtcomités van programma’s voor Europese territoriale samenwerking kunnen partners worden vertegenwoordigd door overkoepelende organisaties op Europees of transnationaal niveau voor interregionale en transnationale samenwerkingsprogramma’s. De lidstaten kunnen partners betrekken bij de voorbereiding van de toezichtcomités, in het bijzonder door hun deelname aan coördinatiecommissies op nationaal niveau, georganiseerd in de deelnemende lidstaten.

Artikel 11

Reglement van orde van het toezichtcomité

Bij het opstellen van het reglement van orde houden de toezichtcomités rekening met de volgende aspecten:

a)

stemrecht van de leden;

b)

de kennisgeving van de vergaderingen en de verzending van documenten, over het algemeen ten minste 10 werkdagen van tevoren;

c)

de regelingen voor de publicatie en toegankelijkheid van de voorbereidende documenten die aan de toezichtcomités worden voorgelegd;

d)

de procedure voor goedkeuring, publicatie en toegankelijkheid van de notulen;

e)

de regelingen voor de oprichting en activiteiten van werkgroepen onder de toezichtcomités;

f)

de bepalingen over belangenconflicten voor partners die betrokken zijn bij toezicht, evaluatie en oproepen tot het indienen van voorstellen;

g)

de voorwaarden, beginselen en regelingen voor vergoedingen, mogelijkheden voor capaciteitsopbouw en het beroep op technische bijstand.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEGINSELEN EN GOEDE PRAKTIJKEN WAT BETREFT DE ACTIEVE BETROKKENHEID VAN DE RELEVANTE PARTNERS BIJ DE VOORBEREIDING VAN OPROEPEN TOT HET INDIENEN VAN VOORSTELLEN, VOORTGANGSRAPPORTAGES EN MET BETREKKING TOT TOEZICHT EN EVALUATIE VAN PROGRAMMA’S

Artikel 12

Verplichtingen met betrekking tot gegevensbescherming, vertrouwelijkheid en belangenconflict

De lidstaten zorgen ervoor dat de partners die betrokken zijn bij de voorbereiding van oproepen tot het indienen van voorstellen, voortgangsrapportages en bij toezicht en evaluatie van programma’s zich bewust zijn van hun verplichtingen met betrekking tot gegevensbescherming, vertrouwelijkheid en belangenconflicten.

Artikel 13

Betrokkenheid van de relevante partners bij het opstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen

De beheersautoriteiten nemen passende maatregelen om mogelijke belangenconflicten te voorkomen, daar waar de partners worden betrokken bij de voorbereiding van oproepen tot het indienen van voorstellen of bij de beoordeling daarvan.

Artikel 14

Betrokkenheid van de relevante partners bij het opstellen van voortgangsrapportages

De lidstaten betrekken de relevante partners bij het opstellen van de voortgangsrapportages over de uitvoering van de partnerschapsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in het bijzonder met betrekking tot de beoordeling van de rol van de partners bij de uitvoering van de partnerschapsovereenkomst en het overzicht van de adviezen van de partners tijdens de raadpleging, met inbegrip, in voorkomend geval, van de beschrijving van de wijze waarop met de adviezen van partners rekening is gehouden.

Artikel 15

Betrokkenheid van de relevante partners bij het toezicht op programma’s

De beheersautoriteiten betrekken de partners, in het kader van het toezichtcomité en de daaronder vallende werkgroepen, bij de beoordeling van de prestaties van het programma, met inbegrip van de conclusies van de evaluatie van de resultaten, en bij de voorbereiding van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen over de programma’s.

Artikel 16

Betrokkenheid van de relevante partners bij het evalueren van programma’s

1.   Beheersautoriteiten dienen de partners te betrekken bij de evaluatie van programma’s, in het kader van de toezichtcomités en in voorkomend geval van specifieke werkgroepen die door de toezichtcomités voor dit doel zijn opgericht.

2.   Beheersautoriteiten van de programma’s voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds dienen de partners te raadplegen over de verslagen die een samenvatting geven van de bevindingen van de evaluaties tijdens de programmeringsperiode, overeenkomstig artikel 114, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

HOOFDSTUK VI

INDICATIEVE TERREINEN, THEMA’S EN GOEDE PRAKTIJKEN MET BETREKKING TOT HET GEBRUIK VAN DE ESI-FONDSEN TER VERSTERKING VAN DE INSTITUTIONELE CAPACITEIT VAN RELEVANTE PARTNERS EN DE ROL VAN DE COMMISSIE BIJ DE VERSPREIDING VAN GOEDE PRAKTIJKEN

Artikel 17

Versterken van de institutionele capaciteit van relevante partners

1.   De beheersautoriteit onderzoekt de noodzaak van technische bijstand ter ondersteuning van de versterking van de institutionele capaciteit van de partners, in het bijzonder ten aanzien van kleine lokale overheden, economische en sociale partners en niet-gouvernementele organisaties, om hen te helpen om effectief te kunnen deelnemen aan voorbereiding, uitvoering, toezicht en evaluatie.

2.   De in lid 1 bedoelde steun kan de vorm aannemen van, onder andere, speciale workshops, opleidingscursussen, coördinatie en netwerken, of bijdragen aan de kosten van deelname aan vergaderingen over de voorbereiding en uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van een programma.

3.   Voor programma’s voor plattelandsontwikkeling kan de in lid 1 bedoelde steun worden verleend via het nationale netwerk voor het platteland, dat is opgezet overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

4.   Voor ESF-programma’s zorgen de beheersautoriteiten in minder ontwikkelde of overgangsregio’s, of in lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds, ervoor dat er naar behoefte passende ESF-middelen worden toegewezen aan de activiteiten voor capaciteitsopbouw van de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties die bij de programma’s betrokken zijn.

5.   Voor Europese territoriale samenwerking kan ondersteuning op grond van de leden 1 en 2 ook betrekking hebben op ondersteuning voor partners ter versterking van hun institutionele capaciteit voor deelname aan internationale samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 18

Rol van de Commissie bij de verspreiding van goede praktijken

1.   De Commissie zet een samenwerkingsmechanisme op, genaamd de Europese Groep voor partnerschapspraktijk (European Community for Practice on Partnership), die alle ESI-fondsen bestrijkt en openstaat voor belanghebbende lidstaten, beheersautoriteiten en organisaties die de partners op communautair niveau vertegenwoordigen.

Deze Europese Groep vergemakkelijkt de uitwisseling van ervaringen, de capaciteitsopbouw en de verspreiding van de betreffende resultaten.

2.   De Commissie stelt voorbeelden van goede praktijken voor het organiseren van het partnerschap ter beschikking.

3.   De uitwisseling van ervaringen met de identificatie, overdracht en verspreiding van goede praktijken en innovatieve benaderingen met betrekking tot de uitvoering van interregionale samenwerkingsprogramma’s en maatregelen op grond van artikel 2, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6), dient ervaringen met partnerschap in samenwerkingsprogramma’s te omvatten.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 januari 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)  Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).

(3)  Richtlijn 2004/113/EG van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37).

(4)  Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259).


Top