Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02003L0041-20130620

Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/41/2013-06-20

2003L0041 — NL — 20.06.2013 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 2003/41/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 3 juni 2003

betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

(PB L 235, 23.9.2003, p.10)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

RICHTLIJN 2009/138/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 25 november 2009

  L 335

1

17.12.2009

►M2

RICHTLIJN 2010/78/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 24 november 2010

  L 331

120

15.12.2010

►M3

RICHTLIJN 2011/61/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 8 juni 2011

  L 174

1

1.7.2011

►M4

RICHTLIJN 2013/14/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Voor de EER relevante tekst van 21 mei 2013

  L 145

1

31.5.2013




▼B

RICHTLIJN 2003/41/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 3 juni 2003

betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, artikel 55 en artikel 95, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een echte interne markt voor financiële diensten is voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie van wezenlijk belang.

(2)

Er zijn reeds belangrijke resultaten geboekt met betrekking tot de totstandbrenging van deze interne markt, waardoor financiële instellingen in andere lidstaten kunnen opereren en de consumenten van financiële diensten een hoog beschermingsniveau wordt geboden.

(3)

De mededeling van de Commissie, getiteld „Tenuitvoerlegging van het kader voor financiële markten: een actieplan” somt een reeks maatregelen op die nodig zijn om de interne markt voor financiële diensten te vervolmaken, en de Europese Raad heeft er tijdens zijn bijeenkomst te Lissabon op 23 en 24 maart 2000 toe opgeroepen dit actieplan vóór 2005 uit te voeren.

(4)

Het actieplan voor financiële diensten beschouwt de opstelling van een richtlijn inzake het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als een dringende prioriteit, omdat dit grote financiële instellingen zijn die ten aanzien van de integratie, de efficiëntie en de liquiditeit van de financiële markten een centrale rol spelen, maar niet onderworpen zijn aan een samenhangende communautaire wetgeving die hen in staat stelt de voordelen van de interne markt ten volle te benutten.

(5)

Aangezien de socialezekerheidsstelsels steeds meer onder druk komen te staan, zullen de bedrijfspensioenvoorzieningen in de toekomst steeds meer als aanvulling moeten dienen. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen derhalve verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model.

(6)

Deze richtlijn vormt aldus een eerste stap op de weg naar een op Europese schaal georganiseerde interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening. Door de „prudent person”-regel tot onderliggend beginsel te maken voor vermogensbelegging en door het voor instellingen mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de overheveling van spaargelden naar de sector bedrijfspensioenvoorziening gestimuleerd, waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang.

(7)

De in de richtlijn verankerde prudentiële regels zijn bedoeld om de toekomstige gepensioneerden door middel van strenge toezichtsnormen een hoge mate van zekerheid te bieden en tegelijkertijd een efficiënte uitvoering van de regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening mogelijk te maken.

(8)

Instellingen die volledig zijn gescheiden van bijdragende ondernemingen en die op basis van kapitaaldekking opereren met als enig doel het verstrekken van pensioenuitkeringen, dienen vrijelijk diensten en beleggingen te kunnen verrichten met als enige voorwaarde dat aan gecoördineerde prudentiële vereisten wordt voldaan, ongeacht of deze instellingen als rechtspersonen worden beschouwd.

(9)

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld.

(10)

De nationale voorschriften betreffende de deelname van zelfstandigen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen uiteen. In sommige lidstaten mogen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening opereren op grond van overeenkomsten met een branche of met bedrijfsorganisaties waarvan de aangeslotenen als zelfstandigen werkzaam zijn, dan wel op grond van rechtstreeks met zelfstandigen en werknemers gesloten overeenkomsten. In sommige lidstaten kan een zelfstandige zich ook aansluiten bij een instelling wanneer de zelfstandige handelt als werkgever of zijn professionele diensten ten behoeve van een onderneming verricht. In sommige lidstaten mogen zelfstandigen niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening deelnemen tenzij bepaalde voorwaarden, waaronder die welke voortvloeien uit de sociale en de arbeidswetgeving, vervuld zijn.

(11)

Instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren en die reeds op Gemeenschapsniveau worden gecoördineerd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met het speciale geval van instellingen die in één lidstaat zowel socialezekerheidsregelingen als bedrijfspensioenregelingen beheren.

(12)

Financiële instellingen waarop reeds communautaire regelgeving van toepassing is, dienen in de regel van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Daar deze instellingen in sommige gevallen echter ook bedrijfspensioendiensten aanbieden, moet ervoor worden gezorgd dat deze richtlijn niet tot mededingingsverstoringen leidt. Deze verstoringen kunnen worden vermeden door de prudentiële vereisten van deze richtlijn ook op de bedrijfspensioenactiviteiten van levensverzekeringsondernemingen toe te passen. De Commissie moet zorgvuldig toezien op de situatie op de bedrijfspensioenmarkt en nagaan of het mogelijk is de facultatieve toepassing van deze richtlijn uit te breiden tot andere financiële instellingen waarop regelgeving van toepassing is.

(13)

Bij het streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering dient ervoor gezorgd te worden dat de uitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien. Tevens dient een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens mogelijk te zijn.

(14)

Het is van belang ervoor te zorgen dat ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten. Een passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, alsmede uitkeringen aan nabestaanden die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn.

(15)

De lidstaten toestaan om instellingen die regelingen met minder dan 100 deelnemers uitvoeren van de werkingssfeer van de nationale uitvoeringsbepalingen uit te sluiten, kan het toezicht in bepaalde lidstaten vergemakkelijken zonder de deugdelijke werking van de interne markt op dit gebied te ondermijnen. Een en ander mag echter geen afbreuk doen aan het recht van die instellingen om voor het beheer van hun beleggingsportefeuille en de bewaring van hun activa, in een andere lidstaat gevestigde en naar behoren erkende beleggingsbeheerders en -bewaarders te benoemen.

(16)

Instellingen zoals de Unterstützungskassen in Duitsland, waarvan de deelnemers geen wettelijke rechten op uitkeringen van een bepaald bedrag hebben en waarbij de belangen van de deelnemers door een verplichte wettelijke verzekering tegen insolventie worden beschermd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgezonderd.

(17)

Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten beperken tot de activiteiten, en de daarmee verband houdende werkzaamheden, die in deze richtlijn worden genoemd.

(18)

In geval van faillissement van een bijdragende onderneming loopt de deelnemer het gevaar zowel zijn werk als zijn verworven pensioenrechten te verliezen. Derhalve is een duidelijke scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling noodzakelijk en dienen minimale prudentiële normen te worden vastgesteld om de deelnemers te beschermen.

(19)

De werking van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen in de lidstaten aanzienlijk uiteen. In sommige lidstaten kan niet alleen op de instelling zelf toezicht worden uitgeoefend, maar ook op de lichamen of ondernemingen die gemachtigd zijn deze instellingen te beheren. De lidstaten moeten met een dergelijke specifieke omstandigheid rekening kunnen houden zolang daadwerkelijk aan alle in deze richtlijn opgenomen vereisten wordt voldaan. Daarnaast moeten de lidstaten verzekeringslichamen en andere financiële lichamen kunnen toestaan om instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te beheren.

(20)

Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan.

(21)

Gezien het enorme aantal instellingen in bepaalde lidstaten moet een pragmatische oplossing worden gevonden in verband met de voorafgaande vergunningverlening aan de instellingen. Wanneer een instelling in een andere lidstaat een pensioenregeling wenst uit te voeren, moet echter een voorafgaande vergunning, verleend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, worden verlangd.

(22)

Elke lidstaat eist dat een op hun grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en, indien van toepassing, een jaarverslag en een jaarrekening voor elke pensioenregeling. De jaarrekening en het jaarverslag, waarin, rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, een getrouw beeld van de activa, passiva en financiële positie van de instelling wordt gegeven en die naar behoren door een bevoegde persoon zijn goedgekeurd, vormen een essentiële bron van informatie voor de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling, alsmede voor de bevoegde autoriteiten. Zij stellen met name de bevoegde autoriteiten in staat de financiële draagkracht van een instelling te controleren en te beoordelen of de instelling aan al haar contractuele verplichtingen kan voldoen.

(23)

Deugdelijke informatie aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling is van wezenlijk belang. Dit geldt met name voor verzoeken om inlichtingen over de financiële draagkracht van de instelling, de contractuele bepalingen, de uitkeringen en de feitelijke financiering van opgebouwde pensioenrechten, het beleggingsbeleid en het risico- en kostenbeheer.

(24)

Het beleggingsbeleid van een instelling is voor zowel de veiligheid als de betaalbaarheid van de bedrijfspensioenen doorslaggevend. De instellingen dienen derhalve een „verklaring inzake de beleggingsbeginselen” op te stellen, die zij ten minste eens in de drie jaar herzien. Deze verklaring dient aan de bevoegde autoriteiten en desgevraagd ook aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling ter beschikking te worden gesteld.

(25)

Om hun wettelijke taak te kunnen vervullen dienen de bevoegde autoriteiten in toereikende mate te beschikken over rechten op informatie en interventiebevoegdheden ten aanzien van instellingen en de personen die deze instellingen daadwerkelijk besturen. Wanneer een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zeer belangrijke taken (zoals het beleggingsbeheer, de informaticatechnologie of de boekhouding) aan andere ondernemingen heeft uitbesteed (outsourcing), dienen de rechten op informatie en interventiebevoegdheden tot die uitbestede taken te worden uitgebreid om na te gaan of deze activiteiten overeenkomstig de toezichtregels worden uitgevoerd.

(26)

Een prudente berekening van de technische voorzieningen is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat aan de uitkeringsverplichtingen kan worden voldaan. De technische voorzieningen moeten derhalve worden berekend op basis van erkende actuariële methoden en door gekwalificeerde personen worden gewaarmerkt. De maximale rentevoeten moeten prudent worden gekozen overeenkomstig relevante nationale voorschriften. Het minimumbedrag van de technische voorzieningen moet toereikend zijn om de uitbetaling van de reeds verschuldigde uitkeringen aan pensioengerechtigden te kunnen voortzetten en de verplichtingen weergeven die uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers voortvloeien.

(27)

De door de instellingen gedekte risico's lopen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. De lidstaten van herkomst dienen derhalve de mogelijkheid te hebben de berekening van de technische voorzieningen te onderwerpen aan aanvullende en uitvoeriger regels dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(28)

Toereikende en passende activa ter dekking van de technische voorzieningen beschermen de belangen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling wanneer de bijdragende onderneming insolvent wordt. Met name in gevallen van grensoverschrijdende activiteiten vereist de wederzijdse erkenning van de toezichtbeginselen die in de lidstaten van toepassing zijn, dat de technische voorzieningen te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt.

(29)

Wanneer de instelling geen grensoverschrijdende activiteiten verricht, kunnen lidstaten een ontoereikende dekking toestaan, mits een deugdelijk plan wordt opgesteld om tot volledige kapitaaldekking te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever ( 4 ).

(30)

Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.

(31)

Instellingen zijn beleggers op zeer lange termijn. De door deze instellingen aangehouden activa mogen in de regel niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen. Bovendien moeten de instellingen, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, kunnen kiezen voor een allocatie van activa die nauwkeurig strookt met de aard en de looptijd van hun verplichtingen. Deze overwegingen maken een efficiënte controle en benadering van de beleggingsregels noodzakelijk, die de instellingen voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent te handelen. Toepassing van de „prudent person”-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de deelnemersstructuur van de afzonderlijke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.

(32)

De toezichtmethoden en -praktijken lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Daarom moet de lidstaten een zekere vrijheid worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen. Deze voorschriften mogen het vrije kapitaalverkeer evenwel niet belemmeren, tenzij dit om prudentiële redenen gerechtvaardigd is.

(33)

Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon en lage liquiditeitsrisico's, bevinden instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen prudentiële grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in risicokapitaalmarkten te beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen, risicokapitaalmarkten en andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt dienen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet te worden beperkt.

(34)

Indien de instelling evenwel grensoverschrijdende activiteiten verricht, kan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst worden verzocht om grenzen in acht te nemen voor belegging in aandelen en soortgelijke activa die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, alsmede in aandelen en andere instrumenten die door dezelfde onderneming worden uitgegeven of in activa in niet-congruente valuta's, mits die voorschriften ook gelden voor in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen.

(35)

Beperkingen ten aanzien van de vrije keuze door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening van erkende vermogensbeheerders en -bewaarders belemmeren de mededinging in de interne markt en moeten derhalve worden opgeheven.

(36)

Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, dienen instellingen de mogelijkheid te hebben hun diensten in andere lidstaten te verrichten. Het dient hun te zijn toegestaan in andere lidstaten gevestigde ondernemingen als bijdragende onderneming te aanvaarden en pensioenregelingen met deelnemers in meer dan één lidstaat uit te voeren. Dit zou deze instellingen aanzienlijke schaalvoordelen kunnen opleveren, het concurrentievermogen van deze bedrijfstak in de Gemeenschap kunnen verbeteren en de arbeidsmobiliteit kunnen vergroten. Hiervoor is een wederzijdse erkenning van prudentiële normen nodig. Op een deugdelijke handhaving van deze prudentiële normen moet toezicht worden gehouden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, tenzij anders is bepaald.

(37)

Het recht van een instelling in een bepaalde lidstaat om een bedrijfspensioenregeling overeengekomen in een andere lidstaat uit te voeren, moet worden uitgeoefend met volledige inachtneming van de bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die in de lidstaat van ontvangst van kracht zijn, voorzover deze voor bedrijfspensioenen relevant zijn, bijvoorbeeld de definitie en de betaling van pensioenuitkeringen en de voorwaarden voor de overdraagbaarheid van pensioenrechten.

(38)

Wanneer een regeling wordt afgescheiden, gelden de bepalingen van deze richtlijn voor deze regeling afzonderlijk.

(39)

Het is belangrijk voorziening te treffen voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in verband met toezichthoudende taken, en tussen deze autoriteiten en de Commissie voor andere doeleinden. Voor hun taakuitvoering en om een bijdrage te leveren aan de consequente en tijdige uitvoering van deze richtlijn moeten de bevoegde autoriteiten elkaar de noodzakelijke informatie verschaffen ter toepassing van de richtlijn. De Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn een Comité van toezichthouders in te stellen ter aanmoediging van de samenwerking, coördinatie en uitwisseling van standpunten tussen de nationale autoriteiten en ter bevordering van een consequente uitvoering van deze richtlijn.

(40)

Daar de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk het scheppen van een gemeenschappelijk juridisch kader dat de instellingen voor bedrijfspensioenenvoorziening bestrijkt, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Wanneer instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig de nationale wetgeving geen rechtspersoonlijkheid hebben, passen de lidstaten deze richtlijn toe op deze instellingen of, onverminderd lid 2, op de vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen.

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a) instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren welke onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 5 ) en Verordening (EEG) nr. 574/72 ( 6 ) van de Raad vallen;

▼M3

b) instellingen die onder de Richtlijnen 73/239/EEG ( 7 ), 85/611/EEG ( 8 ), 93/22/EEG ( 9 ), 2000/12/EG ( 10 ), 2002/83/EG ( 11 ) en 2011/61/EU ( 12 ) vallen;

▼B

c) instellingen die op basis van een omslagstelsel werken;

d) instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen juridisch afdwingbare rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen;

e) ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers pensioenuitkeringen te betalen.

Artikel 3

Toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen uitvoeren

Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die tevens verplichte arbeidsgerelateerde pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, vallende onder Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72, vallen met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van de niet-verplichte bedrijfspensioenvoorziening onder deze richtlijn. In dat geval worden de passiva en de overeenkomstige activa afgescheiden en kunnen ze niet worden overgedragen aan verplichte pensioenregelingen welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, of omgekeerd.

Artikel 4

Facultatieve toepassing op onder Richtlijn 2002/83/EG vallende instellingen

De lidstaten van herkomst kunnen ervoor kiezen de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 16 en 18 tot en met 20 van deze richtlijn toe te passen op de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorzieningen van onder Richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen. In dat geval worden alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en passiva afgescheiden en gescheiden van de overige werkzaamheden van de verzekeringsondernemingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat.

In dat geval zijn verzekeringsondernemingen, uitsluitend wat betreft hun bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden, niet onderworpen aan de artikelen 20 tot en met 26, 31 en 36 van Richtlijn 2002/83/EG.

De lidstaat van herkomst waarborgt dat ofwel de bevoegde autoriteiten, ofwel de met het toezicht op de onder Richtlijn 2002/83/EG vallende verzekeringsondernemingen belaste autoriteiten in het kader van hun toezicht de strikte scheiding van de betrokken bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden controleren.

Artikel 5

Kleine pensioeninstellingen en wettelijke regelingen

Met uitzondering van artikel 19 kunnen de lidstaten ervoor kiezen deze richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen. Onverminderd artikel 2, lid 2, moet dergelijke instellingen niettemin het recht worden verleend deze richtlijn vrijwillig toe te passen. Artikel 20 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de artikelen 9 tot en met 17 niet toe te passen op instellingen waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd. Artikel 20 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

Artikel 6

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „instelling voor bedrijfspensioenvoorziening” of „instelling”: een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract:

 individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun respectieve vertegenwoordigers, of

 met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst,

en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;

b) „pensioenregeling”: een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

c) „bijdragende onderneming”: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt;

d) „pensioenuitkeringen”: uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. Om voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen hebben deze uitkeringen gewoonlijk de vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens;

e) „deelnemer”: persoon die op grond van hun beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling;

f) „pensioengerechtigde”: persoon die pensioenuitkeringen ontvangt;

g) „bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die zijn aangewezen om de in deze richtlijn vastgestelde taken te verrichten;

h) „biometrische risico's”: risico's in verband met overlijden en/of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting;

i) „lidstaat van herkomst”: lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel en haar hoofdbestuur heeft, of, indien de instelling geen statutaire zetel heeft, waar zij haar hoofdbestuur heeft;

j) „lidstaat van ontvangst”: lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de relatie tussen de bijdragende onderneming en de deelnemers.

Artikel 7

Werkzaamheden van de instellingen

Iedere lidstaat legt de op zijn grondgebied gevestigde instellingen de verplichting op hun werkzaamheden te beperken tot activiteiten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daarmee verband houden.

Wanneer een verzekeringsonderneming haar werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig artikel 4 door afscheiding van de activa en passiva beheert, worden die afgescheiden activa en passiva uitsluitend aangewend voor verrichtingen inzake pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daar rechtstreeks verband mee houden.

Artikel 8

Juridische scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat er een juridische scheiding bestaat tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, zodat in geval van faillissement van de bijdragende onderneming de activa van de instelling in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden beschermd zijn.

Artikel 9

Voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden

1.  Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgt iedere lidstaat ervoor dat:

▼M2

a) de instelling door de bevoegde instantie in een nationaal register is ingeschreven of over een vergunning beschikt; bij grensoverschrijdende activiteiten in de zin van artikel 20 worden daarbij ook de lidstaten waar de instelling werkzaam is, in het register vermeld; deze gegevens worden meegedeeld aan de bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad ( 13 ) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Insurance and Occupational Pensions Authority — hierna de „EIOPA”), die ze publiceert op haar website;

▼B

b) de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd door personen van goede reputatie die zelf over voldoende beroepskwalificaties en beroepservaring beschikken of adviseurs in dienst hebben met toepasselijke beroepskwalificaties en beroepservaring;

c) er naar behoren vastgestelde regels bestaan betreffende de werking van iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en dat de deelnemers naar behoren van die regels in kennis zijn gesteld;

d) alle technische voorzieningen door een actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, zijn berekend en gewaarmerkt overeenkomstig de nationale wetgeving, op basis van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden;

e) de bijdragende onderneming bij regelingen waarin zij garant staat voor de betaling van de pensioenuitkeringen, tot regelmatige financiële bijdragen verplicht is;

f) de deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

i) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

ii) de financiële, technische en andere aan de pensioenregeling verbonden risico's;

iii) de aard en spreiding van die risico's.

2.  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat de facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve vertegenwoordigers, zulks overeenkomen.

3.  Een lidstaat kan aan de voorwaarden van bedrijfsvoering van een op zijn grondgebied gevestigde instelling andere eisen stellen om ervoor te zorgen dat de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden adequaat worden beschermd.

4.  Een lidstaat kan op zijn grondgebied gevestigde instellingen toestaan of van hen verlangen dat zij de uitvoering van deze instellingen geheel of ten dele toevertrouwen aan andere lichamen die handelen in naam van die instellingen.

▼M2

5.  Bij grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 worden de voorwaarden van bedrijfsvoering van de instelling onderworpen aan de voorafgaande verlening van een vergunning door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst. Wanneer een dergelijke vergunning wordt verstrekt, stelt de lidstaat de EIOPA hiervan onverwijld in kennis.

▼B

Artikel 10

Jaarrekening en jaarverslag

Iedere lidstaat eist dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt waarin iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, alsmede, indien van toepassing, een jaarrekening en een jaarverslag voor iedere pensioenregeling, worden opgenomen. De jaarrekeningen en jaarverslagen geven een getrouw beeld van de activa, de passiva en de financiële positie van de instelling. De jaarrekeningen en de informatie in de jaarverslagen zijn consistent, alomvattend en correct gepresenteerd en ze worden naar behoren goedgekeurd door overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegde personen.

Artikel 11

Aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken inlichtingen

1.  Afhankelijk van de aard van de pensioenregeling draagt iedere lidstaat er zorg voor dat iedere op zijn grondgebied gevestigde instelling ten minste de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde inlichtingen verstrekt.

2.  Deelnemers en pensioengerechtigden, en/of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ontvangen:

a) op verzoek de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 10; en indien een instelling verantwoordelijk is voor meer dan één regeling, ontvangen zij de jaarverslagen en de jaarrekeningen voor hun specifieke pensioenregeling;

b) binnen een redelijke termijn alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling.

3.  De in artikel 12 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen wordt op verzoek aan de deelnemers en pensioengerechtigden, en/of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ter beschikking gesteld.

4.  Iedere deelnemer ontvangt tevens op verzoek duidelijke en wezenlijke gegevens over:

a) indien van toepassing, het richtniveau van de pensioenuitkeringen;

b) het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking;

c) wanneer de deelnemer het beleggingsrisico draagt, alle beschikbare beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing, en de feitelijke beleggingsportefeuille, evenals gegevens over de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen;

d) de modaliteiten voor de overdracht van aanspraken op een andere instelling voor bedrijfspensioenvoorziening ingeval van beëindiging van de dienstbetrekking.

De deelnemers ontvangen jaarlijks beknopte informatie over de situatie van de instelling en over het actuele financieringsniveau van hun totale individuele aanspraken.

5.  Iedere pensioengerechtigde ontvangt bij zijn pensionering of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, de nodige informatie over de uitkeringen waarop hij of zij aanspraak kan maken en over de wijze van uitbetaling.

Artikel 12

Verklaring inzake de beleggingsbeginselen

Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat iedere op hun grondgebied gevestigde instelling een schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt en deze ten minste om de drie jaar herziet. Deze verklaring moet onverwijld worden herzien na een belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid. De lidstaten zien erop toe dat deze verklaring ten minste onderwerpen omvat als de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen.

Artikel 13

Aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken inlichtingen

►M2  1. ◄   Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde instelling over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om:

a) de instelling, de leden van de raad van bestuur en andere met het beheer of de leiding of de controle op de instelling belaste personen te verplichten inlichtingen te verstrekken over alle zakelijke aangelegenheden of alle bedrijfsdocumenten over te leggen;

b) toezicht te houden op de betrekkingen tussen de instelling en andere ondernemingen of tussen instellingen waarbij activiteiten aan deze ondernemingen of instellingen worden uitbesteed (outsourcing), waarbij de financiële positie van de instelling wordt beïnvloed of die op concrete wijze van belang zijn voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht;

c) periodiek de verklaring inzake de beleggingsbeginselen, de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede alle documenten te verkrijgen die voor de uitoefening van toezicht noodzakelijk zijn. Daartoe kunnen behoren:

i) interne tussentijdse verslagen;

ii) actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen;

iii) activa-passiva-studies;

iv) bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd;

v) bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen volgens plan zijn betaald;

vi) rapport van de in artikel 10 bedoelde personen die met de controle van de jaarrekening zijn belast;

d) verificaties uit te voeren in de bedrijfsruimten van de instelling en, waar nodig, onderzoek naar uitbestede activiteiten in te stellen om na te gaan of deze overeenkomstig de toezichtregels worden verricht.

▼M2

2.  De EIOPA kan ontwerpen van technische uitvoeringsnormen opstellen inzake de formulieren en formaten voor de in lid 1, onder c), punten i) tot en met vi), genoemde documenten.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

▼B

Artikel 14

Interventiebevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten

1.  De bevoegde autoriteiten eisen dat er in iedere op hun grondgebied gevestigde instelling goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen bestaan.

2.  De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde instelling of jegens de personen die deze instelling besturen alle maatregelen te nemen, waaronder, waar passend, maatregelen van bestuursrechtelijke en geldelijke aard, die geschikt en noodzakelijk zijn om eventuele onregelmatigheden die de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden kunnen schaden, te voorkomen of ongedaan te maken.

Zij kunnen tevens de vrije beschikking over de activa van de instelling beperken of verbieden, met name wanneer de instelling:

a) geen toereikende technische voorzieningen heeft gevormd met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, dan wel onvoldoende activa heeft om de technische voorzieningen te dekken;

b) er niet in is geslaagd het voorgeschreven eigen vermogen in stand te houden.

3.  De bevoegde autoriteiten kunnen, teneinde de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een regeling te beschermen, de bevoegdheden waarover de personen die een op haar grondgebied gevestigde instelling besturen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst beschikken, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een bijzondere vertegenwoordiger die geschikt is om deze bevoegdheden uit te oefenen.

4.  De bevoegde autoriteiten kunnen de activiteiten van een op haar grondgebied gevestigde instelling verbieden of beperken, met name indien:

a) de instelling de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de regeling niet afdoende beschermt;

b) de instelling niet langer aan de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden voldoet;

c) de instelling ernstig in gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde voorschriften;

d) de instelling, in geval van grensoverschrijdende activiteiten, de vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenen niet in acht neemt.

▼M2

Een eventueel besluit om activiteiten van een instelling te verbieden wordt gedetailleerd met redenen omkleed en de betrokken instelling wordt hiervan in kennis gesteld. Ook de EIOPA wordt hiervan in kennis gesteld.

▼B

5.  De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten ten aanzien van instellingen die worden genomen op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beroep op de rechter openstaat.

Artikel 15

Technische voorzieningen

1.  De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren te allen tijde met betrekking tot het geheel van de door hun uitgevoerde pensioenregelingen een juist bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten voortvloeien.

2.  De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden tegen biometrische risico's en/of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking tot het geheel van deze regelingen.

3.  De technische voorzieningen worden elk jaar berekend. De lidstaat van herkomst kan evenwel toestaan dat deze berekening om de drie jaar wordt uitgevoerd indien de instelling de deelnemers en/of de bevoegde autoriteiten voor de tussenliggende jaren een verklaring of een verslag met aanpassingen verstrekt. In die verklaring of dat verslag moet de aangepaste ontwikkeling van de technische voorzieningen en van wijzigingen in de gedekte risico's worden weergegeven.

4.  De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd en gewaarmerkt door een actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, op grond van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden en met inachtneming van de volgende beginselen:

a) het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden, kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de passiva zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht genomen moet worden, indien van toepassing;

b) de toegepaste maximale rentepercentages moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle desbetreffende voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van deze prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met:

 het rendement van de overeenkomstige activa die door de instelling worden beheerd en met de toekomstige beleggingsopbrengsten, en/of

 marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige of staatsobligaties;

c) de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte biometrische tabellen worden gebaseerd op prudente beginselen, rekening houdend met de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's;

d) de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijft in het algemeen van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd. Wijzigingen kunnen evenwel gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.

5.  De lidstaat van herkomst kan ten aanzien van de berekening van de technische voorzieningen aanvullende en meer uitvoerige voorwaarden opleggen met het oog op een voldoende bescherming van de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden.

▼M2

6.  Met het oog op een verdere harmonisatie van de voorschriften voor de berekening van de technische voorzieningen die gerechtvaardigd kunnen zijn — met name de rentepercentages en andere hypotheses die van invloed zijn op de hoogte van de technische voorzieningen — brengt de Commissie, gebruik makend van advies van de EIOPA, om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat verslag uit over de situatie met betrekking tot de ontwikkeling van de grensoverschrijdende activiteiten.

▼B

De Commissie stelt alle maatregelen voor die noodzakelijk zijn ter voorkoming van mogelijke verstoringen die worden veroorzaakt door verschillen in de hoogte van de rentevoeten, en ter bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en de deelnemers aan enigerlei regeling.

Artikel 16

Financiering van de technische voorzieningen

1.  De lidstaat van herkomst verplicht iedere instelling te allen tijde over voldoende en passende activa te beschikken om de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen te dekken.

2.  De lidstaat van herkomst kan een instelling toestaan gedurende een korte periode over onvoldoende activa te beschikken om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval verplichten de bevoegde autoriteiten de instelling een concreet en haalbaar herstelplan aan te nemen om ervoor te zorgen dat opnieuw aan de vereisten van lid 1 wordt voldaan. Bedoeld plan is aan de volgende voorwaarden onderworpen:

a) de instelling stelt een concreet en haalbaar plan op om de hoeveelheid activa die noodzakelijk is om de technische voorzieningen volledig te dekken, tijdig te herstellen. Het plan wordt ter beschikking gesteld van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers en/of wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst goedgekeurd;

b) bij de opstelling van het plan wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van de instelling, met name de structuur van activa en passiva, het risicoprofiel, de liquiditeitsplanning, het leeftijdsprofiel van de deelnemers die aanspraak kunnen maken op pensioenuitkeringen, aanvangsregelingen en regelingen die van niet- of gedeeltelijke kapitalisatie in volledige kapitalisatie worden gewijzigd;

c) ingeval een pensioenregeling tijdens deze periode zoals hiervoor in dit lid genoemd, wordt beëindigd, stelt de instelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. De instelling stelt een procedure vast om de activa en overeenkomstige passiva aan een andere financiële instelling of een vergelijkbaar lichaam over te dragen. Deze procedure wordt ter kennis van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst gebracht, en er wordt een algemeen overzicht van de procedure ter beschikking van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers gesteld in overeenstemming met het vertrouwelijkheidsbeginsel.

3.  In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 moeten de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt. Is niet aan deze voorwaarden voldaan, dan handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 14. Voor de naleving van dit vereiste kan de lidstaat van herkomst verlangen dat de activa en passiva worden afgescheiden.

Artikel 17

Voorgeschreven eigen vermogen

1.  De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort risico en de aard van de activa met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.

▼M1

2.  Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 17 bis - 17 quinquies vastgestelde regels van toepassing.

▼B

3.  Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde instellingen te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.

▼M1

Artikel 17 bis

Beschikbare solvabiliteitsmarge

1.  Iedere lidstaat verplicht elke op zijn grondgebied gevestigde instelling in de zin van artikel 17, lid 1, te allen tijde te beschikken over een voldoende beschikbare solvabiliteitsmarge met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, die ten minste gelijk is aan hetgeen in deze richtlijn als vereiste is gesteld.

2.  De beschikbare solvabiliteitsmarge bestaat uit het vermogen van de instelling dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichting, na aftrek van de immateriële bestanddelen, met inbegrip van:

a) het gestorte maatschappelijk kapitaal of, wat onderlinge waarborgmaatschappijen betreft, het gestorte gedeelte van het waarborgkapitaal plus de rekeningen van de leden van die waarborgmaatschappij, die aan alle volgende criteria voldoen:

i) de statuten bepalen dat er langs deze rekeningen alleen betalingen aan leden mogen worden verricht indien zulks geen daling van de beschikbare solvabiliteitsmarge tot onder het vereiste niveau veroorzaakt of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan;

ii) de statuten bepalen dat de bevoegde autoriteiten ten minste een maand van tevoren in kennis moeten worden gesteld van de in punt i) bedoelde betalingen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kunnen verbieden; en

iii) de relevante bepalingen in de statuten kunnen pas worden gewijzigd wanneer de bevoegde autoriteiten, onverminderd de onder i) en ii) genoemde criteria, hebben verklaard geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben;

b) de (wettelijke of vrije) reserves die niet tegenover verplichtingen staan;

c) de overgebrachte winst of het overgebrachte verlies, na aftrek van de uit te keren dividenden; en

d) voor zover de nationale wetgeving zulks toestaat: de op de balans opgenomen winstreserves, wanneer deze kunnen worden gebruikt tot dekking van eventuele verliezen en wanneer zij niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers.

De beschikbare solvabiliteitsmarge wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door de instelling worden gehouden.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat de beschikbare solvabiliteitsmarge ook kan bestaan uit:

a) het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge naargelang welk bedrag het laagst is, waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van faillissement of liquidatie van de instelling, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip uitstaande schulden zijn voldaan.

b) effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten, met inbegrip van andere gecumuleerde preferente aandelen dan de onder a) bedoelde, ten belope van maximaal 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is, voor het totaal van deze effecten en van de onder a) vermelde achtergestelde leningen, mits deze aan de volgende voorwaarden voldoen:

i) zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;

ii) de emissieovereenkomst biedt de instelling de mogelijkheid de betaling van de rente over de lening uit te stellen;

iii) de vorderingen van de kredietverlener op de instelling moeten volledig worden achtergesteld bij de vorderingen van alle niet-achtergestelde crediteuren;

iv) in de documenten met betrekking tot de effectenemissie wordt bepaald dat de verliezen gecompenseerd kunnen worden door de schuld en de niet-betaalde rente, terwijl de instelling haar activiteiten kan voortzetten; en

v) alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

Voor de toepassing van punt a) moeten achtergestelde leningen tevens voldoen aan de volgende voorwaarden:

i) alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen;

ii) voor leningen met een vaste looptijd bedraagt de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar. Uiterlijk een jaar voor de vervaldag legt de instelling de bevoegde autoriteiten een plan ter goedkeuring voor waarin wordt uiteengezet op welke wijze de beschikbare solvabiliteitsmarge zal worden gehandhaafd of op het vereiste niveau gebracht op de vervaldag, tenzij de mate waarin de lening als bestanddeel van de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking mag worden genomen, gedurende minimaal de laatste vijf jaren voor de vervaldag geleidelijk wordt verlaagd. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke leningen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de emitterende herverzekeringsonderneming en haar beschikbare solvabiliteitsmarge niet onder het vereiste niveau daalt;

iii) leningen waarvan de looptijd niet bepaald is, worden slechts terugbetaald met een opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij de leningen niet langer als bestanddelen van de beschikbare solvabiliteitsmarge worden aangemerkt of uitdrukkelijk de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is voor vervroegde terugbetaling. In dit laatste geval dient de instelling de bevoegde autoriteiten ten minste zes maanden van tevoren in kennis te stellen van de voorgenomen terugbetaling, onder vermelding van de beschikbare en de vereiste solvabiliteitsmarge zowel vóór als na deze terugbetaling. De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming voor de terugbetaling indien de beschikbare solvabiliteitsmarge van de herverzekeringsonderneming niet onder het vereiste niveau dreigt te dalen;

iv) de leningsovereenkomst bevat geen bepalingen op grond waarvan de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald;

v) de leningsovereenkomst kan alleen worden gewijzigd nadat de bevoegde autoriteiten verklaard hebben geen bezwaar te hebben tegen de wijziging;

4.  Op een met bewijzen gestaafd verzoek van de instelling aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en met instemming van deze bevoegde autoriteit kan de beschikbare solvabiliteitsmarge ook bestaan uit:

a) in geval van niet-zillmeren of in geval van zillmeren waarbij de in de premie begrepen afsluitkosten niet worden bereikt, het verschil tussen de niet-gezillmerde of gedeeltelijk gezillmerde wiskundige voorziening en een gezillmerde wiskundige voorziening waarbij het percentage van het zillmeren gelijk is aan de in de premie begrepen afsluitkosten;

b) de latente netto meerwaarden die voortvloeien uit de waardering van de activa, voor zover deze nettoreserves geen uitzonderlijk karakter hebben;

c) de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het waarborgkapitaal, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dit kapitaal bedraagt, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.

Het onder a) bedoelde bedrag mag echter niet groter zijn dan 3,5 % van de som van de verschillen tussen de kapitalen voor levensverzekering en bedrijfspensioenvoorziening en de wiskundige voorzieningen voor alle overeenkomsten waarbij zillmeren mogelijk is; dit verschil wordt eventueel verminderd met het bedrag van de niet afgeschreven afsluitkosten die als een debetpost worden opgenomen.

5.  De Commissie kan nadere uitvoeringsmaatregelen treffen ten aanzien van de leden 2, 3 en 4, om rekening te houden met ontwikkelingen die een technische aanpassing van de voor opneming in de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking komende bestanddelen vergen.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 21 ter bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 17 ter

Vereiste solvabiliteitsmarge

1.  Onverminderd artikel 17 quater wordt de vereiste solvabiliteitsmarge bepaald als aangegeven in de leden 2 tot en met 6, al naargelang de verzekerde risico’s.

2.  De vereiste solvabiliteitsmarge is gelijk aan de som van de volgende twee uitkomsten:

a) eerste uitkomst:

een component van 4 % van de wiskundige voorzieningen met betrekking tot het directe verzekeringsbedrijf en tot de geaccepteerde herverzekeringen zonder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen de wiskundige voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het brutobedrag van de wiskundige voorzieningen; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 85 %;

b) tweede uitkomst:

voor overeenkomsten waarbij het risicokapitaal niet negatief is, wordt een component van 0,3 % van dit kapitaal dat ten laste komt van de instelling, vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen het risicokapitaal dat ten laste van de instelling blijft, na overdracht en retrocessie uit hoofde van herverzekering, en het risicokapitaal zonder aftrek van de herverzekering; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

Voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden, met een looptijd van ten hoogste drie jaar, bedraagt deze component 0,1 %; voor verzekeringen met een looptijd van meer dan drie, doch niet meer dan vijf jaar, bedraagt deze component 0,15 %.

3.  Voor de aanvullende verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, a) iii), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ( 14 ) is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de vereiste solvabiliteitsmarge voor instellingen als bedoeld in artikel 17 quinquies.

4.  Voor de kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 2, lid 3, b) iii), van Richtlijn 2009/138/EG van is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 4 % van de wiskundige voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a).

5.  Voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 3, b) i), van Richtlijn 2009/138/EG van is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 1 % van hun activa.

6.  Voor de verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, a), i) en ii), van Richtlijn 2009/138/EG, die verbonden zijn met beleggingsfondsen en voor de verrichtingen als bedoeld in artikel 2, lid 3, b), iii), iv) en v), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de som van:

a) voor zover de instelling een beleggingsrisico draagt, een component van 4 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

b) voor zover de instelling geen beleggingsrisico draagt maar het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van meer dan vijf jaar, een component van 1 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

c) voor zover de onderneming geen beleggingsrisico draagt en het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van vijf jaar of minder, een bedrag dat gelijk is aan 25 % van de nettobeheerskosten in verband met dergelijke verrichtingen in het voorgaande boekjaar;

d) voor zover de verzekeringsonderneming een overlijdensrisico draagt, een component van 0,3 % van het risicokapitaal, berekend overeenkomstig lid 2, onder b), van dit artikel.

Artikel 17 quater

Garantiefonds

1.  De lidstaten kunnen bepalen dat het garantiefonds bestaat uit een derde deel van de in artikel 17 ter bedoelde vereiste solvabiliteitsmarge. Het wordt gevormd door de in artikel 17 bis, leden 2 en 3, en - met goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst - lid 4, onder b), vermelde bestanddelen.

2.  Het garantiefonds bedraagt niet minder dan 3 miljoen EUR. Iedere lidstaat kan bepalen dat het minimumgarantiefonds voor onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen met 25 % wordt verminderd.

Artikel 17 quinquies

De vereiste solvabiliteitsmarge in de zin van artikel 17 ter, lid 3

1.  De vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald ten opzichte van het jaarlijkse totaal van premies of bijdragen, dan wel ten opzichte van de gemiddelde schadelast van de laatste drie boekjaren.

2.  Het bedrag van de vereiste solvabiliteitsmarge moet gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de in de leden 3 en 4 omschreven berekeningen.

3.  Voor de berekening ten opzichte van de premies of bijdragen wordt uitgegaan van hetzij het bedrag van de uitgegeven brutopremies of -bijdragen, zoals hieronder berekend, hetzij het bedrag van de verdiende brutopremies of -bijdragen, naargelang welk van beide bedragen het hoogst is.

De premies of bijdragen die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf gedurende het laatste boekjaar zijn uitgegeven, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de premies die gedurende het laatste boekjaar uit hoofde van herverzekering werden geaccepteerd.

Daarvan worden afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar geannuleerde premies of bijdragen, alsmede het totaalbedrag van de belastingen en rechten op de samengetelde premies of bijdragen.

Het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 50 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 18 % en 16 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

4.  De solvabiliteitsmarge op schadebasis wordt berekend als volgt:

Eerst worden de bedragen van de schaden die gedurende de in lid 1 bedoelde perioden in het kader van het directe verzekeringsbedrijf zijn betaald, bij elkaar opgeteld, zonder aftrek van de ten laste van de cessionarissen en retrocessionarissen komende schaden.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de schaden die gedurende dezelfde perioden uit hoofde van geaccepteerde herverzekeringen of retrocessies zijn betaald, en het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het einde van het laatste boekjaar voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Daarvan worden de gedurende de in lid 1 bedoelde perioden voor het uitoefenen van verhaalsrecht ontvangen bedragen afgetrokken.

Van deze uitkomst wordt eveneens afgetrokken het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het tweede boekjaar voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar, voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Een derde van het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte tot een beloop van maximaal 35 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 26 % en 23 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

5.  Indien de vereiste solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 lager is dan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, moet de vereiste solvabiliteitsmarge ten minste gelijk zijn aan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal van het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het einde van het laatste boekjaar en het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het begin van het laatste boekjaar. Bij deze berekeningen worden de technische voorzieningen berekend verminderd met de herverzekering, maar het quotiënt mag in geen geval meer dan 1 bedragen.

▼B

Artikel 18

Beleggingsvoorschriften

1.  De lidstaten verplichten de instellingen die binnen hun rechtsgebied gevestigd zijn een beleggingsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met de „prudent person”-regel en met name met de volgende voorschriften:

a) de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden geschiedt;

b) de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd.

Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;

c) de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten activa, moeten in elk geval tot een prudent niveau worden beperkt;

d) beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;

e) de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat een bovenmatige afhankelijkheid van (of vertrouwen in) bepaalde activa, of een bepaalde emittent of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.

Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;

f) beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille.

Wanneer een groep van ondernemingen aan de instelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.

De lidstaten kunnen ertoe besluiten de onder e) en f) bedoelde vereisten niet toe te passen op beleggingen in staatsobligaties.

▼M4

1 bis.  Met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de onder toezicht vallende instellingen, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de toereikendheid van de kredietbeoordelingsprocessen van deze instellingen, dat zij het gebruik van verwijzingen naar ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus ( 15 ), in het beleggingsbeleid van die instellingen beoordelen en dat zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke referenties aanmoedigen, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.

▼B

2.  De lidstaat van herkomst verbiedt de instelling leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te treden. De lidstaten kunnen de instellingen evenwel toestaan om tijdelijk en uitsluitend voor liquiditeitsdoelstellingen leningen aan te gaan.

3.  De lidstaten mogen van de op hun grondgebied gevestigde instellingen niet verlangen dat zij in bepaalde categorieën activa beleggen.

4.  Onverminderd het bepaalde in artikel 12, stellen de lidstaten geen eisen inzake voorafgaande goedkeuring of systematische kennisgeving aan de beleggingsbesluiten van een op hun grondgebied gevestigde instelling of de vermogensbeheerder ervan.

5.  De lidstaten kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 tot en met 4, voor op hun grondgebied gevestigde instellingen nadere voorschriften vaststellen, met inbegrip van kwantitatieve voorschriften, mits deze vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn, die het geheel van door deze instellingen uitgevoerde pensioenregelingen weerspiegelen.

Meer in het bijzonder kunnen de lidstaten bepalingen op het gebied van beleggingen toepassen zoals die van Richtlijn 2002/83/EG.

De lidstaten verbieden de instellingen evenwel niet om:

a) maximaal 70 % van de activa ter dekking van de technische voorzieningen of van de gehele portefeuille voor regelingen waarvan de deelnemers de beleggingsrisico's dragen, te beleggen in aandelen, met aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardepapieren en bedrijfsobligaties die zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markten, en te beslissen over het relatieve gewicht van deze waardepapieren in hun beleggingsportefeuille. Mits zulks vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd is, mogen de lidstaten evenwel een lagere limiet toepassen op instellingen die pensioenproducten op basis van een gegarandeerde rente op lange termijn verstrekken, het beleggingsrisico dragen en zelf de garantie bieden;

b) maximaal 30 % van hun activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, te beleggen in activa in andere valuta's dan die waarin de passiva luiden;

c) in risicokapitaalmarkten te beleggen.

6.  Het bepaalde in lid 5 belet de lidstaten niet ook op individuele basis de toepassing van beleggingsvoorschriften door op hun grondgebied gevestigde instellingen te eisen, op voorwaarde dat deze met name in het licht van de door de instelling aangegane verplichtingen, prudentieel gerechtvaardigd zijn.

7.  In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 kunnen de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat van ontvangst verlangen dat de in de tweede alinea bedoelde voorschriften op de instellingen in de lidstaat van herkomst van toepassing zijn. In dat geval zijn deze voorschriften uitsluitend van toepassing op het deel van de activa van de instelling dat overeenstemt met de activiteiten die in de betrokken lidstaat van ontvangst worden uitgeoefend. Voorts worden ze uitsluitend toegepast indien dezelfde of strengere voorschriften ook op in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen van toepassing zijn.

De in de eerste alinea bedoelde voorschriften luiden als volgt:

a) de instelling belegt niet méér dan 30 % van die activa in aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, of belegt ten minste 70 % van deze activa in aandelen, andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren en obligaties die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt;

b) de instelling belegt niet meer dan 5 % van die activa in aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren, obligaties en andere geldmarkt- en kapitaalmarktinstrumenten van dezelfde onderneming, en niet meer dan 10 % van die activa in aandelen en andere met aandelen gelijkgestelde waardepapieren, obligaties en andere geldmarkt- en kapitaalmarktinstrumenten van ondernemingen die tot eenzelfde groep behoren;

c) de instelling belegt niet meer dan 30 % van deze activa in activa in andere valuta's dan die waarin de passiva luiden.

Om aan deze voorschriften te voldoen kan de lidstaat van herkomst verlangen dat de activa worden afgescheiden.

Artikel 19

Beheer en bewaring

▼M3

1.  De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor het beheer van hun beleggingsportefeuille beleggingsbeheerders aanwijzen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan voor deze activiteit naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig de Richtlijnen 85/611/EEG, 93/22/EEG, 2000/12/EG, 2002/83/EG en 2011/61/EU, alsmede degenen bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

▼B

2.  De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor de bewaring van hun activa bewaarders aanstellen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 93/22/EEG of Richtlijn 2000/12/EG of die voor de doeleinden van Richtlijn 85/611/EEG als bewaarder zijn aanvaard.

Het bepaalde in dit lid belet de lidstaat van herkomst niet de aanwijzing van een bewaarder verplicht te stellen.

3.  Iedere lidstaat voert de nodige maatregelen uit om overeenkomstig zijn nationaal recht in staat te zijn om overeenkomstig artikel 14 op verzoek van de lidstaat van herkomst van de instelling de vrije beschikking over de activa te verbieden die worden gehouden door een op zijn grondgebied gevestigde depositaris of bewaarder.

Artikel 20

Grensoverschrijdende activiteiten

1.  Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, staan de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen toe bij te dragen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Tevens staan zij de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening toe bijdragen te aanvaarden van ondernemingen die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd.

2.  Indien een instelling bijdragen wenst te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, dan is hiervoor voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vereist, zoals bedoeld in artikel 9, lid 5. Zij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst waar haar vergunning is verleend, in kennis van haar voornemen om bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd.

3.  De lidstaten verlangen van op hun grondgebied gevestigde instellingen die voornemens zijn bijdragen te ontvangen van een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde onderneming dat zij bij een kennisgeving ingevolge lid 2 de volgende gegevens verstrekken:

a) de lidstaat (lidstaten) van ontvangst;

b) de naam van de bijdragende onderneming;

c) de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming uitgevoerd zal worden.

4.  Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis worden gesteld overeenkomstig lid 2, doen zij, tenzij ze reden hebben te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie van de instelling, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de instelling besturen met de in de lidstaat van ontvangst voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn, binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de instelling daarvan dienovereenkomstig in kennis.

5.  Voordat de instelling met de uitvoering van een pensioenregeling voor een bijdragende onderneming in een andere lidstaat begint, zullen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst informeren over de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de lidstaat van ontvangst, alsmede over voorschriften die krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden toegepast. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de instelling mededeling van deze gegevens.

6.  Zodra de instelling de in lid 5 bedoelde mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 5 genoemde periode geen mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst is ontvangen, kan de instelling met de uitvoering van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de lidstaat van ontvangst beginnen, met inachtneming van de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst en van voorschriften die krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel moeten worden toegepast.

7.  Met name zijn de instellingen waaraan wordt bijgedragen door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, wat de desbetreffende deelnemers betreft, tevens onderworpen aan door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst aan in die lidstaat gevestigde instellingen opgelegde voorschriften inzake informatieverstrekking overeenkomstig artikel 11.

8.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van elke significante wijziging in de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling, voorzover het gaat om de uitvoering van de pensioenregeling waaraan door een onderneming wordt bijgedragen in de lidstaat van ontvangst, alsmede in voorschriften die toegepast moeten worden krachtens artikel 18, lid 7, en lid 7 van dit artikel.

9.  De instelling wordt onderworpen aan voortdurend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om na te gaan of haar activiteiten in overeenstemming zijn met de in lid 5 bedoelde op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, alsook met de in lid 7 bedoelde voorschriften inzake informatieverstrekking. Wanneer bij dit toezicht onregelmatigheden aan het licht komen, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst nemen in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instelling een einde maakt aan de vastgestelde inbreuk op de sociale en arbeidswetgeving.

10.  Indien de instelling, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen of omdat de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft getroffen, inbreuk blijft maken op de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, kunnen de bevoegde autoriteiten van deze laatste, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de instelling te beletten in de lidstaat van ontvangst activiteiten te verrichten voor de bijdragende onderneming.

▼M2

11.  De lidstaten stellen de EIOPA in kennis van hun nationale voorzieningen van prudentiële aard die relevant zijn voor het gebied van bedrijfspensioenregelingen die niet vallen onder de verwijzing naar nationale sociale en arbeidswetgeving als bedoeld in lid 1.

De lidstaten actualiseren die informatie regelmatig en ten minste om de twee jaar; de EIOPA maakt die informatie beschikbaar op haar website.

Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van dit lid te garanderen, stelt de EIOPA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op inzake de procedures die de bevoegde autoriteiten moeten volgen en de formulieren en templates die zij moeten gebruiken bij het bijwerken van relevante informatie en het toezenden ervan aan de EIOPA. De EIOA legt deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend de in de derde alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

▼B

Artikel 21

▼M2

Samenwerking tussen de lidstaten, de EIOPA en de Commissie

▼B

1.  De lidstaten dragen op passende wijze zorg voor de uniforme toepassing van deze richtlijn door een regelmatige uitwisseling van informatie en ervaringen, met het doel om de beste praktijken op dit gebied alsmede een nauwere samenwerking te ontwikkelen en op deze wijze mededingingsverstoringen te voorkomen en de voorwaarden te scheppen voor vlotte grensoverschrijdende deelneming.

2.  De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen met het doel om het toezicht op de activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te vergemakkelijken.

▼M2

2 bis.  De bevoegde autoriteiten werken voor de toepassing van deze richtlijn samen met de EIOPA, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1094/2010.

De bevoegde autoriteiten verstrekken de EIOPA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 1094/2010, overeenkomstig artikel 35 van die verordening.

▼M2

3.  Elke lidstaat brengt de Commissie en de EIOPA op de hoogte van eventuele belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn.

De Commissie, de EIOPA en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten onderzoeken deze moeilijkheden zo spoedig mogelijk teneinde een afdoende oplossing te vinden.

▼B

4.  Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn brengt de Commissie verslag uit over de evaluatie van:

a) de toepassing van artikel 18 en de gemaakte vorderingen inzake de aanpassing van de nationale toezichtstelsels, en

b) de toepassing van artikel 19, lid 2, tweede alinea, met name de in de lidstaten heersende situatie in verband met het gebruik van bewaarders en de rol die zij in voorkomend geval vervullen.

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vragen een besluit te nemen over de afscheiding van de activa en passiva van de instelling, zoals bepaald in artikel 16, lid 3, en artikel 18, lid 7.

▼M1

Artikel 21 bis

Aanpassing van het bedrag van het garantiefonds

1.  Het in euro luidende bedrag genoemd in artikel 17 quater, lid 2, wordt jaarlijks en voor de eerste maal op 31 oktober 2012 aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europese indexcijfer van de consumentenprijzen dat alle lidstaten bestrijkt.

Het bedrag wordt automatisch aangepast door het basisbedrag in euro te verhogen met de procentuele wijziging van het indexcijfer gedurende de periode tussen 31 december 2009 en de actualiseringsdatum, en afgerond op een veelvoud van 100 000 EUR.

Indien deze wijziging sinds de laatste aanpassing minder dan 5 % bedraagt, blijft de actualisering achterwege.

2.  De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks in kennis van de actualisering, alsmede van de aangepaste bedragen, zoals vermeld in lid 1.

Artikel 21 ter

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/9/EG van de Commissie ( 16 ) ingestelde Europees Comité voor verzekeringen en bedrijfspensioenen.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

▼B

Artikel 22

Uitvoering

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen voor 23 september 2005. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.  De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 17, leden 1 en 2, op op hun grondgebied gevestigde instellingen die op de in lid 1 van dit artikel genoemde datum niet beschikken over het minimumbedrag aan voorgeschreven eigen vermogen dat is voorgeschreven bij artikel 17, leden 1 en 2, uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die pensioenregelingen op grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen uitvoeren, is dat evenwel niet toegestaan, totdat ze aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

4.  De lidstaten kunnen de toepassing van artikel 18, lid 1, onder f), op op hun grondgebied gevestigde instellingen uitstellen tot 23 september 2010. Aan instellingen die pensioenregelingen op grensoverschrijdende basis in de betekenis van artikel 20 willen uitvoeren, is dat evenwel niet toegestaan, tenzij ze onmiddellijk aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 24

Addressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.



( 1 ) PB C 96 E van 27.3.2001, blz. 136.

( 2 ) PB C 155 van 29.5.2001, blz. 26.

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 4 juli 2001 (PB C 65 E van 14.3.2002, blz. 135), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 5 november 2002 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), besluit van het Europees Parlement van 12 maart 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 mei 2003.

( 4 ) PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 270 van 8.10.2002, blz. 10).

( 5 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 1).

( 6 ) Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 410/2002 van de Commissie (PB L 62 van 5.3.2002, blz. 17).

( 7 ) Eerste Richtlijn van de Raad 73/239/EEG van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3.).

( 8 ) Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3.).

( 9 ) Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27.).

( 10 ) Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.).

( 11 ) Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB L 345 van 19.12.2002, blz. 1.).

( 12 ) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.).

( 13 ) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

( 14 ) PB L … 335 van 17.12.2009, blz. 1.

( 15 ) PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

( 16 ) PB L 3 van 7.1.2004, blz. 34.

Top