EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31995R1768

Verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers

OJ L 173, 25.7.1995, p. 14–21 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 018 P. 63 - 70
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 017 P. 177 - 184
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 017 P. 177 - 184
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 024 P. 39 - 46

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 24/12/1998

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1995/1768/oj

31995R1768

Verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers

Publicatieblad Nr. L 173 van 25/07/1995 blz. 0014 - 0021


VERORDENING (EG) Nr. 1768/95 VAN DE COMMISSIE van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1) (hierna "de basisverordening" genoemd), inzonderheid op artikel 14, lid 3,

Overwegende dat artikel 14 van de basisverordening in een afwijking van het communautaire kwekersrecht met het oog op de bescherming van de landbouwproduktie (afwijking ten gunste van landbouwers) voorziet;

Overwegende dat, om uitvoering aan deze afwijking te geven en om de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer te beschermen, in uitvoeringsbepalingen voorwaarden moeten worden vastgesteld aan de hand van de in artikel 14, lid 3, van de basisverordening neergelegde criteria;

Overwegende dat in deze verordening deze voorwaarden worden vastgesteld door met name de verplichtingen van de landbouwers, loonwerkers en houders, die uit voornoemde criteria voortvloeien, te omschrijven;

Overwegende dat deze verplichtingen voornamelijk betrekking hebben op de betaling door de landbouwers die van de afwijking gebruik maken, van een billijke vergoeding aan de houder, op het verstrekken van informatie, op het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat het oogstprodukt na verwerking identiek is met dat vóór verwerking, en op het toezicht op de naleving van de bepalingen inzake de afwijking;

Overwegende dat tevens de definitie van "kleine landbouwers", die, wanneer zij van de afwijking gebruik maken, daarvoor geen vergoeding aan de houder behoeven te betalen, wordt vervolledigd, met name wat betreft landbouwers die bepaalde voedergewassen of aardappelen verbouwen;

Overwegende dat de Commissie er in de gehele Gemeenschap nauwlettend op zal toezien welke gevolgen de definitie van "kleine landbouwers", zoals neergelegd in de basisverordening en, met name wat de implicaties van braaklegging en - in het geval van aardappelen - de maximale grootte van de oppervlakte betreft, in deze verordening, kan hebben voor de rol van de in artikel 5, lid 3, van deze verordening vastgestelde vergoeding, en zo nodig passende voorstellen zal doen of passende maatregelen zal treffen om in de gehele Gemeenschap voor samenhang te zorgen wat betreft de verhouding tussen het gebruik van in licentie geproduceerd teeltmateriaal en het gebruik van het oogstprodukt op grond van de in artikel 14 van de basisverordening vervatte afwijking;

Overwegende dat het evenwel nog niet mogelijk is geweest te beoordelen in welke mate op grond van de huidige wetgeving van de Lid-Staten van soortgelijke afwijkingen gebruik is gemaakt, in verband met de bedragen die op het ogenblik in rekening worden gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van rassen die op grond van voornoemde wetgeving van de Lid-Staten worden beschermd;

Overwegende dat de Commissie bijgevolg op dit ogenblik, in het kader van de discretionaire bevoegdheid die ingevolge artikel 14, lid 3, van de basisverordening aan de communautaire wetgever is gelaten, niet de juiste hoogte van de billijke vergoeding, die aanmerkelijk lager moet zijn dan het bedrag dat voor het in licentie produceren van teeltmateriaal in rekening wordt gebracht, kan vaststellen;

Overwegende dat evenwel de aanvankelijke hoogte en de wijze waarop deze later kan worden aangepast, zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 juli 1997 moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat met deze verordening bovendien wordt beoogd duidelijk te maken wat het verband is tussen het communautaire kwekersrecht en de uit het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening voortvloeiende bevoegdheden enerzijds en de ten gunste van de landbouwer en zijn bedrijf verleende machtiging anderzijds;

Overwegende dat ten slotte moet worden verduidelijkt wat de gevolgen van niet-naleving van de uit de betrokken bepalingen voortvloeiende verplichtingen zijn;

Overwegende dat de raad van bestuur is geraadpleegd;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overennstemming zijn met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1. In deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen betreffende de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 14, lid 1, van de basisverordening vervatte afwijking vastgesteld.

2. De voorwaarden zijn van toepassing op de bevoegdheden en de uitoefening daarvan en op de verplichtingen en de nakoming daarvan van en door de houder in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, alsmede op de machtiging en de gebruikmaking daarvan en op de verplichtingen en de nakoming daarvan van en door de landbouwer, in zoverre deze bevoegdheden, machtiging en verplichtingen uit het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening voortvloeien. Ze zijn eveneens van toepassing op de bevoegdheden, machtiging en verplichtingen die voor anderen uit het bepaalde in artikel 14, lid 3, van de basisverordening voortvloeien.

3. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, geldt ten aanzien van de nadere regeling van de uitoefening van de bevoegdheden, de gebruikmaking van de machtigingen en de nakoming van de verplichtingen het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de Lid-Staat waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt waarop van de afwijking gebruik wordt gemaakt.

Artikel 2

Bescherming van belangen

1. De in artikel 1 bedoelde voorwaarden worden door de houder, die namens de kweker handelt, en door de landbouwer op zodanige wijze toegepast dat beider rechtmatige belangen worden beschermd.

2. De rechtmatige belangen worden geacht niet te worden beschermd, wanneer een of meer van deze belangen worden geschaad, zonder dat rekening wordt gehouden met de noodzaak een redelijk evenwicht tussen al deze belangen te bewaren, of met het vereiste van evenredigheid tussen het doel van de betrokken voorwaarde en het daadwerkelijke effect van de toepassing daarvan.

HOOFDSTUK 2

DE HOUDER EN DE LANDBOUWER

Artikel 3

De houder

1. De uit het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening voortvloeiende bevoegdheden en verplichtingen van de houder, zoals in deze verordening nader omschreven, met uitzondering van het recht op een bedrag uit hoofde van de in artikel 5 bedoelde billijke vergoeding, waarvan de hoegrootheid reeds kan worden vastgesteld, zijn niet vatbaar voor overdracht aan anderen. In geval van overdracht van het communautaire kwekersrecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de basisverordening behoren ze evenwel tot de bevoegdheden en verplichtingen waarop deze overdracht betrekking heeft.

2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden kunnen geldend worden gemaakt door individuele houders, door verschillende houders gezamenlijk of door een in de Gemeenschap op communautair, nationaal, regionaal of lokaal niveau opgerichte organisatie van houders. Een organisatie van houders kan slechts namens haar leden handelen, en uitsluitend namens die leden welke de organisatie daartoe schriftelijk last hebben gegeven. Namens de organisatie treden hetzij een of meer van haar vertegenwoordigers, hetzij door haar gemachtigde accountants op, die handelen binnen de grenzen van hun bevoegdheid.

3. Een vertegenwoordiger van de houder of van een organisatie van houders of een gemachtigde accountant moet:

a) zijn woonplaats, zijn zetel of een vestiging in de Gemeenschap hebben;

b) door de houder of de organisatie schriftelijk zijn gemachtigd; en c) bewijzen dat aan de onder a) en b) vastgestelde voorwaarden is voldaan, hetzij aan de hand van relevante, door houders gepubliceerde of aan organisaties van landbouwers verstrekte informatie, hetzij anderszins, en op verzoek een afschrift van de onder b) bedoelde schriftelijke machtiging overleggen aan iedere landbouwer ten aanzien van wie hij de bevoegdheden doet gelden.

Artikel 4

De landbouwer

1. De uit het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening voortvloeiende machtiging en verplichtingen van de landbouwer, zoals in deze verordening of in krachtens deze verordening vastgestelde bepalingen nader omschreven, zijn niet vatbaar voor overdracht aan anderen. In geval van overdracht van het bedrijf van de landbouwer behoren ze evenwel tot de bevoegdheden en verplichtingen waarop deze overdracht betrekking heeft, tenzij, wat de verplichting tot betaling van de in artikel 5 bedoelde billijke vergoeding betreft, in de akte van overdracht van het bedrijf anders is bepaald. De overdracht van de machtiging en verplichtingen vindt op hetzelfde ogenblik plaats als de overdracht van het bedrijf.

2. Onder "eigen bedrijf" in de zin van artikel 14, lid 1, van de basisverordening wordt elk bedrijf of gedeelte van een bedrijf verstaan, dat de landbouwer daadwerkelijk voor de teelt van gewassen exploiteert, hetzij als eigendom, hetzij anderszins in eigen naam en voor eigen rekening, met name op grond van een pachtovereenkomst. De vervreemding van een bedrijf of gedeelte van een bedrijf met het oog op de exploitatie daarvan door anderen wordt als een overdracht in de zin van lid 1 beschouwd.

3. De persoon of personen aan wie het bedrijf in eigendom toebehoort op het ogenblik waarop nakoming van een verplichting wordt geëist, wordt of worden geacht de landbouwer te zijn, tenzij hij bewijst of zij bewijzen dat een andere persoon de landbouwer is die overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 en 2 de verplichting moet nakomen.

HOOFDSTUK 3

VERGOEDING

Artikel 5

Hoogte van de vergoeding

1. De hoogte van de billijke vergoeding die overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening aan de houder moet worden betaald, kan worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken landbouwer.

2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal van de laagste categorie van hetzelfde ras die voor officiële certificering in aanmerking komt.

Wanneer in het gebied waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt, geen produktie in licentie van teeltmateriaal van het betrokken ras heeft plaatsgevonden en wanneer de hoogte van voornoemd bedrag niet in de gehele Gemeenschap gelijk is, moet de vergoeding aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat normaliter voor voornoemd doel wordt begrepen in de prijs waartegen teeltmateriaal van de laagste categorie van dat ras die voor officiële certificering in aanmerking komt, in dat gebied wordt verkocht, met dien verstande dat ze niet hoger mag zijn dan voornoemd bedrag dat in rekening wordt gebracht in het gebied waar dat teeltmateriaal is geproduceerd.

3. De vergoeding wordt overeenkomstig het bepaalde in lid 2 als aanmerkelijk lager in de zin van artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening beschouwd, indien ze niet hoger is dan noodzakelijk om, als economische factor die bepaalt in welke mate van de afwijking gebruik wordt gemaakt, een redelijk evenwichtige verhouding tot stand te brengen of in stand te houden tussen het gebruik van in licentie geproduceerd teeltmateriaal en de aanplanting van het oogstprodukt van de verschillende rassen waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend. Deze verhouding wordt als redelijk evenwichtig beschouwd, indien daardoor wordt gewaarborgd dat de houder over het geheel genomen een passende beloning voor het totale gebruik van zijn ras ontvangt.

Artikel 6

Individuele betalingsverplichting

1. Onverminderd het bepaalde in lid 2, ontstaat de individuele verplichting van een landbouwer tot betaling van de billijke vergoeding op het tijdstip waarop hij daadwerkelijk het oogstprodukt voor vermeerderingsdoeleinden in het veld gebruikt.

De houder kan bepalen op welke datum en op welke wijze de betaling moet geschieden. Hij mag evenwel geen eerdere datum voor de betaling vaststellen dan de datum waarop de verplichting ontstaat.

2. In het geval van een overeenkomstig artikel 116 van de basisverordening verleend communautair kwekersrecht ontstaat de individuele verplichting van een landbouwer die gerechtigd is zich op het bepaalde in artikel 116, lid 4, tweede streepje, van de basisverordening te beroepen, op het tijdstip waarop hij na 30 juni 2001 daadwerkelijk het oogstprodukt voor vermeerderingsdoeleinden in het veld gebruikt.

Artikel 7

Kleine landbouwers

1. Onder een oppervlakte waarop wordt verbouwd in de zin van artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening, wordt een oppervlakte verstaan die regelmatig wordt bebouwd en afgeoogst. Met name bosgrond, permanente weiden die gedurende meer dan vijf jaar als zodanig worden gebruikt, blijvend natuurlijk grasland en hiermee gelijkgestelde gevallen, zoals door het Permanent Comité voor kwekersrechten vastgesteld, worden niet beschouwd als oppervlakten waarop wordt verbouwd.

2. Oppervlakten van het bedrijf van de landbouwer, waarop is verbouwd, maar die bestaan uit grond die tijdelijk of blijvend wordt braakgelegd in het verkoopseizoen dat begint op 1 juli en eindigt op 30 juni van het volgende kalenderjaar ("het verkoopseizoen"), waarin de vergoeding zou moeten worden betaald, worden beschouwd als oppervlakten waarop nog steeds wordt verbouwd, indien door de Gemeenschap of door de betrokken Lid-Staat subsidies of compenserende betalingen met betrekking tot deze braaklegging worden toegekend.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 14, lid 3, derde streepje, eerste deelstreepje, van de basisverordening, worden in het geval van overige gewassen (artikel 14, lid 3, derde streepje, tweede deelstreepje, van de basisverordening) onder kleine landbouwers verstaan landbouwers die:

a) in het geval van voedergewassen die onder toepassing van laatstgenoemde bepaling vallen, ongeacht op welke oppervlakte zij andere gewassen dan deze voedergewassen verbouwen, deze voedergewassen niet gedurende meer dan vijf jaar op een grotere oppervlakte verbouwen dan de oppervlakte die nodig zou zijn om 92 ton graan per oogst te produceren;

b) in het geval van aardappelen, ongeacht op welke oppervlakte zij andere gewassen dan aardappelen verbouwen, geen aardappelen verbouwen op een grotere oppervlakte dan de oppervlakte die nodig zou zijn om 185 ton aardappelen per oogst te produceren.

4. De berekening van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde oppervlakten geschiedt voor het grondgebied van elke Lid-Staat:

- in het geval van gewassen die onder toepassing van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad (1) vallen en in het geval van andere voedergewassen dan die welke reeds onder toepassing van die verordening vallen, overeenkomstig de bepalingen en inzonderheid de artikelen 3 en 4 van die verordening of overeenkomstig krachtens die verordening vastgestelde bepalingen; en - in het geval van aardappelen, op basis van de gemiddelde opbrengst per hectare, zoals in de betrokken Lid-Staat vastgesteld overeenkomstig de statistische informatie, verstrekt op grond van Verordening (EEG) nr. 959/93 van de Raad (2) betreffende de door de Lid-Staten te verstrekken statistische informatie over andere gewassen dan granen.

5. Een landbouwer die zich erop beroept een "kleine landbouwer" te zijn, moet in geval van betwisting het bewijs leveren dat aan de voor deze categorie van landbouwers geldende voorwaarden is voldaan. De voor een "kleine producent" geldende voorwaarden in de zin van artikel 8, leden 1 en 2, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 zijn te dezen echter niet van toepassing, tenzij de houder ermee instemt dat dit wel het geval is.

HOOFDSTUK 4

INFORMATIE

Artikel 8

Door de landbouwer te verstrekken informatie

1. De bijzonderheden betreffende de relevante informatie die overeenkomstig artikel 14, lid 3, zesde streepje, van de basisverordening door de landbouwer aan de houder moet worden verstrekt, kunnen worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken landbouwer.

2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de landbouwer, onverminderd uit andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht of uit de wetgeving van de Lid-Staten voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van informatie, aan de houder op diens verzoek een verklaring afgeven die alle relevante informatie bevat. De volgende gegevens worden als relevant beschouwd:

a) de naam van de landbouwer, zijn huisadres en het adres van zijn bedrijf;

b) het feit of de landbouwer het oogstprodukt van een of meer rassen van de houder voor aanplanting in het veld op zijn bedrijf heeft gebruikt;

c) in het geval van een zodanig gebruik door de landbouwer, de hoeveelheid oogstprodukt van het ras of de rassen in kwestie die de landbouwer overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening heeft gebruikt;

d) in hetzelfde geval, de naam en het adres van de persoon of personen die voor hem een dienst, bestaande in de verwerking van het betrokken oogstprodukt voor aanplanting, heeft of hebben verricht;

e) indien de overeenkomstig het bepaalde onder b), c) of d) verkregen informatie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 kan worden bevestigd, de gebruikte hoeveelheid in licentie geproduceerd teeltmateriaal van de betrokken rassen, alsmede de naam en het adres van de leverancier of leveranciers daarvan; en f) in het geval van een landbouwer die zich op het bepaalde in artikel 116, lid 4, tweede streepje, van de basisverordening beroept, het feit of hij reeds zonder betaling van een vergoeding het betrokken ras voor het in artikel 14, lid 1, van de basisverordening omschreven doel heeft gebruikt en, zo ja, vanaf wanneer.

3. De in lid 2, onder b), c), d) en e), bedoelde informatie moet betrekking hebben op het lopende verkoopseizoen en op een of meer van de voorgaande drie verkoopseizoenen, waarvoor de houder nog niet eerder overeenkomstig het bepaalde in lid 4 of lid 5 een verzoek om informatie heeft gedaan.

Het eerste verkoopseizoen waarop de informatie betrekking moet hebben, is echter dat waarin het eerste dergelijke verzoek met betrekking tot het ras of de rassen in kwestie en de betrokken landbouwer werd gedaan, mits de houder passende maatregelen had getroffen om ervoor te zorgen dat de landbouwer bij het verkrijgen van teeltmateriaal van het ras of de rassen vóór of in die tijd tenminste op de hoogste was van het feit dat een aanvraag om verlening van een communautair kwekersrecht was ingediend of dat een dergelijk recht was verleend, alsmede van de aan het gebruik van dat teeltmateriaal verbonden voorwaarden.

In het geval van rassen die onder toepassing van het bepaalde in artikel 116 van de basisverordening vallen, en ten aanzien van landbouwers die gerechtigd zijn zich op het bepaalde in artikel 116, lid 4, tweede streepje, van de basisverordening te beroepen, is het eerste verkoopseizoen 2001/2002.

4. De houder moet in zijn verzoek zijn naam en adres, het ras of de rassen waarover hij informatie verlangt, en de referentie of referenties van het communautaire kwekersrecht of de communautaire kwekersrechten in kwestie vermelden. Indien de landbouwer dit verlangt, moet het verzoek schriftelijk geschieden en moet het bewijs van de hoedanigheid van houder worden geleverd. Onverminderd het bepaalde in lid 5, moet het verzoek rechtstreeks tot de betrokken landbouwer worden gericht.

5. Een verzoek dat niet rechtstreeks tot de betrokken landbouwer is gericht, wordt geacht aan het bepaalde in lid 4, derde zin, te voldoen, indien het met hun voorafgaande toestemming door bemiddeling van respectievelijk de volgende lichamen of personen aan landbouwers wordt toegezonden:

- organisaties van landbouwers of cooeperaties, wat betreft alle landbouwers die lid van de betrokken organisatie of cooeperatie zijn; of - loonwerkers, wat betreft alle landbouwers voor wie zij in het lopende verkoopseizoen en in de voorgaande drie verkoopseizoenen, te beginnen met het in lid 3 bedoelde verkoopseizoen, een dienst, bestaande in de verwerking van het betrokken oogstprodukt voor aanplanting, hebben verricht; of - leveranciers van in licentie geproduceerd teeltmateriaal van rassen van de houder, wat betreft alle landbouwers aan wie zij in het lopende verkoopseizoen en in de voorgaande drie verkoopseizoenen, te beginnen met het in lid 3 bedoelde verkoopseizoen, dergelijk teeltmateriaal hebben geleverd.

6. In een verzoek dat overeenkomstig het bepaalde in lid 5 geschiedt, behoeven geen individuele landbouwers te worden vermeld. De organisaties, cooeperaties, loonwerkers of leveranciers kunnen door de betrokken landbouwers worden gemachtigd de vereiste informatie aan de houder te bezorgen.

Artikel 9

Door de loonwerker te verstrekken informatie

1. De bijzonderheden betreffende de relevante informatie die overeenkomstig artikel 14, lid 3, zesde streepje, van de basisverordening door de loonwerker aan de houder moet worden verstrekt, kunnen worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken loonwerker.

2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de loonwerker, onverminderd uit andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht of uit de wetgeving van de Lid-Staten voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van informatie, aan de houder op diens verzoek een verklaring afgeven die alle relevante informatie bevat. De volgende gegevens worden als relevant beschouwd:

a) de naam van de loonwerker, zijn huisadres en het adres van zijn bedrijf;

b) het feit of de loonwerker een dienst, bestaande in de verwerking van het oogstprodukt van een of meer rassen van de houder voor aanplanting, heeft verricht, indien aan de loonwerker werd meegedeeld welk ras of welke rassen het betrof, of indien dit anderszins aan de loonwerker bekend was;

c) indien de loonwerker een dergelijke dienst heeft verricht, de hoeveelheid oogstprodukt van het ras of de rassen in kwestie die door de loonwerker voor aanplanting is verwerkt, en de totale hoeveelheid die deze verwerking heeft opgeleverd;

d) de data waarop en de plaatsen waar de onder c) bedoelde verwerking heeft plaatsgevonden; en e) de naam en het adres van de persoon of personen voor wie hij de onder c) bedoelde dienst inzake verwerking heeft verricht, alsmede de respectieve hoeveelheden.

3. De in lid 2, onder b), c), d) en e), bedoelde informatie moet betrekking hebben op het lopende verkoopseizoen en op een of meer van de voorgaande drie verkoopseizoenen, waarvoor de houder nog niet eerder overeenkomstig het bepaalde in lid 4 of lid 5 een verzoek heeft gedaan; het eerste verkoopseizoen waarop de informatie betrekking moet hebben, is echter dat waarin het eerste dergelijke verzoek met betrekking tot het ras of de rassen in kwestie en de betrokken loonwerker werd gedaan.

4. Het bepaalde in artikel 8, lid 4, is van overeenkomstige toepassing.

5. Een verzoek dat niet rechtstreeks tot de betrokken loonwerker is gericht, wordt geacht aan het bepaalde in artikel 8, lid 4, derde zin, te voldoen, indien het met hun voorafgaande toestemming door bemiddeling van respectievelijk de volgende lichamen of personen aan loonwerkers wordt toegezonden:

- in de Gemeenschap op communautair, nationaal, regionaal of lokaal niveau opgerichte organisaties van loonwerkers, wat betreft alle loonwerkers die lid van de betrokken organisatie zijn of daarin zijn vertegenwoordigd;

- landbouwers, wat betreft alle loonwerkers die in het lopende verkoopseizoen en in de voorgaande drie verkoopseizoenen, te beginnen met het in lid 3 bedoelde verkoopseizoen, voor hen een dienst, bestaande in de verwerking van het betrokken oogstprodukt voor aanplanting, hebben verricht.

6. In een verzoek dat overeenkomstig het bepaalde in lid 5 geschiedt, behoeven geen individuele loonwerkers te worden vermeld. De organisaties of landbouwers kunnen door de betrokken loonwerkers worden gemachtigd de vereiste informatie aan de houder te bezorgen.

Artikel 10

Door de houder te verstrekken informatie

1. De bijzonderheden betreffende de informatie die overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening door de houder aan de landbouwer moet worden verstrekt, kunnen worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de landbouwer en de betrokken houder.

2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de houder, onverminderd uit andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht of uit de wetgeving van de Lid-Staten voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van informatie, aan de landbouwer van wie de houder betaling van de in artikel 5 bedoelde vergoeding heeft geëist, op diens verzoek een verklaring afgeven die alle relevante informatie bevat. De volgende gegevens worden als relevant beschouwd:

- het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren, in het gebied waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt, van teeltmateriaal van de laagste categorie van hetzelfde ras die voor officiële certificering in aanmerking komt; of - wanneer in het gebied waar het bedrijf van de landbouwer zich bevindt, geen produktie in licentie van teeltmateriaal van het betrokken ras heeft plaatsgevonden en wanneer de hoogte van voornoemd bedrag niet in de gehele Gemeenschap gelijk is, het bedrag dat normaliter voor voornoemd doel wordt begrepen in de prijs waartegen teeltmateriaal van de laagste categorie van dat ras die voor officiële certificering in aanmerking komt, in dat gebied wordt verkocht, alsmede voornoemd bedrag dat in rekening wordt gebracht in het gebied waar dat teeltmateriaal is geproduceerd.

Artikel 11

Door officiële instanties te verstrekken informatie

1. Wanneer een houder een officiële instantie om informatie over het daadwerkelijke gebruik van een bepaald ras of bepaalde rassen voor aanplanting of over de resultaten van dit gebruik verzoekt, moet hij zulks schriftelijk doen. De houder moet in zijn verzoek zijn naam en adres vermelden en aangeven over welke rassen hij informatie verlangt, alsook welke soort informatie hij verlangt. Hij moet eveneens bewijzen dat hij de houder is.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 12, kan de officiële instantie slechts weigeren de gevraagde informatie te verstrekken, indien:

- zij niet bij het toezicht op de landbouwproduktie betrokken is; of - het haar uit hoofde van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht of de bepalingen van de Lid-Staten betreffende de algemene discretionaire bevoegdheid ter zake van handelingen van officiële instanties niet is toegestaan deze informatie aan houders te verstrekken; of - het overeenkomstig de bepalingen van het Gemeenschapsrecht of de wetgeving van een Lid-Staat, op grond waarvan de informatie is verzameld, tot haar discretionaire bevoegdheid behoort te weigeren deze informatie te verstrekken; of - de gevraagde informatie niet of niet langer beschikbaar is; of - deze informatie niet bij de normale uitoefening van de taak van de officiële instantie kan worden verkregen; of - het verkrijgen van deze informatie extra werk of kosten zou vergen; of - deze informatie specifiek betrekking heeft op materiaal dat niet tot rassen van de houder behoort.

De betreffende officiële instanties delen de Commissie de wijze mede waarop zij het in het derde streepje bedoelde voorbehoud uitoefenen.

3. De officiële instantie mag bij het verstrekken van de informatie houders niet ongelijk behandelen. De officiële instantie kan de gevraagde informatie verstrekken door de houder kopieën ter beschikking te stellen van documenten die ook andere informatie bevatten dan die welke op materiaal van rassen van de houder betrekking heeft, mits er zorg voor wordt gedragen dat het op generlei wijze mogelijk is de identiteit te achterhalen van personen die op grond van de in artikel 12 bedoelde bepalingen bescherming genieten.

4. Indien de officiële instantie besluit te weigeren de gevraagde informatie te verstrekken, stelt zij de houder schriftelijk hiervan in kennis en deelt zij hem de redenen van haar besluit mee.

Artikel 12

Bescherming van persoonsgegevens

1. Elke persoon die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, 9, 10 of 11 informatie verstrekt of ontvangt, is met betrekking tot persoonsgegevens onderworpen aan de bepalingen van het Gemeenschapsrecht of de wetgeving van de Lid-Staten inzake de bescherming van personen ten aanzien van de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens.

2. Het is elke persoon die overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, 9, 10 of 11 informatie ontvangt, verboden zonder toestemming van de persoon die deze informatie heeft verstrekt, deze informatie zelfs gedeeltelijk aan een andere persoon door te geven of ze voor een ander doel te gebruiken dan om het communautaire kwekersrecht uit te oefenen, respectievelijk van de in artikel 14 van de basisverordening vervatte machtiging gebruik te maken.

HOOFDSTUK 5

OVERIGE VERPLICHTINGEN

Artikel 13

Verplichtingen in geval van verwerking buiten het bedrijf van de landbouwer

1. Onverminderd de eventuele beperkingen die de Lid-Staten overeenkomstig artikel 14, lid 3, tweede streepje, van de basisverordening hebben opgelegd, mag het oogstprodukt van een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, niet zonder voorafgaande toestemming van de houder van het bedrijf waarop het is verkregen, worden weggevoerd om voor aanplanting te worden verwerkt, tenzij de landbouwer:

a) passende maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat het produkt na verwerking identiek is met het produkt vóór verwerking; en b) erop toeziet dat de verwerking daadwerkelijk wordt uitgevoerd door een loonwerker die diensten, bestaande in de verwerking van het oogstprodukt voor aanplanting, verricht, welke - hetzij overeenkomstig op grond van het algemeen belang vastgestelde wettelijke bepalingen van de betrokken Lid-Staat in een register is opgenomen, hetzij zich er jegens de landbouwer toe heeft verbonden deze werkzaamheid, wat betreft rassen waarvoor een communautair kwerkersrecht is verleend, aan te melden bij het bevoegde lichaam dat te dien einde in deze Lid-Staat is opgericht, aangewezen of gemachtigd, hetzij door een officiële instantie, hetzij door een organisatie van houders, landbouwers of loonwerkers, om vervolgens in een door voornoemd bevoegd lichaam opgestelde lijst te worden opgenomen, en - zich er jegens de landbouwer toe heeft verbonden eveneens passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het produkt na verwerking identiek is met het produkt vóór verwerking.

2. De Lid-Staten kunnen met het oog op het opstellen van een lijst van loonwerkers, zoals in lid 1 bedoeld, eisen inzake vakbekwaamheid vaststellen waaraan de loonwerkers moeten voldoen.

3. De in lid 1 bedoelde registers en lijsten worden gepubliceerd of ter beschikking van de organisaties van houders, landbouwers en loonwerkers gesteld.

4. De in lid 1 bedoelde lijsten worden uiterlijk op 1 juli 1997 opgesteld.

HOOFDSTUK 6

TOEZICHT DOOR DE HOUDER

Artikel 14

Toezicht op landbouwers

1. Opdat de houder toezicht zou kunnen uitoefenen op de naleving overeenkomstig deze verordening van het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening, wat de nakoming door de landbouwer van zijn verplichtingen betreft, moet de landbouwer op verzoek van de houder:

a) de juistheid van de informatie, vervat in de in artikel 8 bedoelde verklaringen, aantonen door overlegging van de beschikbare relevante documenten zoals facturen, gebruikte etiketten of andere bewijsstukken, zoals op grond van artikel 13, lid 1, onder a), vereist, die betrekking hebben op - de verrichting door derden van diensten, bestaande in de verwerking van het oogstprodukt van een ras van de houder voor aanplanting, of - in het geval van artikel 8, lid 2, onder e), de levering van teeltmateriaal van een ras van de houder,

of door het tonen van het land of de opslaginstallaties;

b) het op grond van artikel 4, lid 3, of artikel 7, lid 5, vereiste bewijs leveren.

2. Onverminderd andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht of de wetgeving van de Lid-Staten, moeten de landbouwers alle in lid 1 bedoelde documenten of bewijsstukken ten minste gedurende de in artikel 8, lid 3, vastgestelde periode bewaren, mits, wat gebruikte etiketten betreft, de door de houder verstrekte informatie, zoals bedoeld in artikel 8, lid 3, tweede alinea, de instructie bevatten dat het bij het geleverde teeltmateriaal horende etiket moest worden bewaard.

Artikel 15

Toezicht op loonwerkers

1. Opdat de houder toezicht zou kunnen uitoefenen op de naleving overeenkomstig deze verordening van het bepaalde in artikel 14 van de basisverordening, wat de nakoming door de loonwerker van zijn verplichtingen betreft, moet de loonwerker op verzoek van de houder de juistheid van de informatie, vervat in de in artikel 9 bedoelde verklaringen, aantonen door overlegging van de beschikbare relevante documenten zoals facturen, bewijsstukken aan de hand waarvan het materiaal kan worden geïdentificeerd, andere geschikte bewijsstukken, zoals op grond van artikel 13, lid 1, onder b), tweede streepje, vereist, of monsters van het verwerkte materiaal, die betrekking hebben op de verrichting door hem ten behoeve van landbouwers van diensten, bestaande in de verwerking van het oogstmateriaal van een ras van de houder voor aanplanting, of door het tonen van de verwerkings- of opslaginstallaties.

2. Onverminderd andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht of de wetgeving van de Lid-Staten, moeten de loonwerkers alle in lid 1 bedoelde documenten of bewijsstukken ten minste gedurende de in artikel 9, lid 3, vastgestelde periode bewaren.

Artikel 16

Wijze van uitoefening van het toezicht

1. Het toezicht wordt door de houder uitgeoefend. Hij kan passende regelingen treffen om zich door organisaties van landbouwers of loonwerkers, cooeperaties of andere kringen uit de landbouwsector te laten bijstaan.

2. De bepalingen inzake de methoden van toezicht, die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen organisaties van houders en organisaties van landbouwers of loonwerkers, die in de Gemeenschap op communautair, nationaal, regionaal of lokaal niveau zijn opgericht, dienen als richtsnoer, indien deze overeenkomsten door gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken organisaties schriftelijk ter kennis van de Commissie zijn gebracht en in het "Mededelingenblad" van het Communautair Bureau voor planterassen zijn gepubliceerd.

HOOFDSTUK 7

INBREUKEN EN BIJZONDERE CIVIELE RECHTS VORDERINGEN

Artikel 17

Inbreuken

De houder kan de uit het communautaire kwekersrecht voortvloeiende rechten doen gelden jegens een ieder die inbreuk maakt op een van de voorwaarden of beperkingen die overeenkomstig deze verordening aan de in artikel 14 van de basisverordening vervatte afwijking zijn verbonden.

Artikel 18

Bijzondere civiele rechtsvorderingen

1. De houder kan van een persoon als in artikel 17 bedoeld in rechte eisen dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 14, lid 3, van de basisverordening, zoals in deze verordening nader omschreven, nakomt.

2. Wanneer een dergelijke persoon herhaaldelijk en opzettelijk zijn verplichting uit hoofde van artikel 14, lid 3, vierde streepje, van de basisverordening met betrekking tot een of meer rassen van dezelfde houder niet is nagekomen, is hij ter vergoeding aan de houder van alle andere daardoor ontstane schade overeenkomstig artikel 94, lid 2, van de basisverordening gehouden tot betaling van ten minste een forfaitaire som, berekend op basis van het viervoud van het gemiddelde bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van een overeenkomstige hoeveelheid teeltmateriaal van beschermde rassen van het betrokken gewas, onverminderd de verplichting tot vergoeding van eventuele hogere schade.

HOOFDSTUK 8

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 24 juli 1995.

Voor de Commissie Franz FISCHLER Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 12.

(2) PB nr. L 98 van 24. 4. 1993, blz. 1.

(1) PB nr. L 227 van 1. 9. 1994, blz. 1.

(1) PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 12.

(2) PB nr. L 98 van 24. 4. 1993, blz. 1.

Top