Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0452

Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst

OJ L 133, 6.5.2014, p. 12–26 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/452/oj

6.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 133/12


VERORDENING (EU) Nr. 452/2014 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2014

tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens Verordening (EG) nr. 216/2008 moeten exploitanten uit derde landen die betrokken zijn bij commerciële luchtvervoersactiviteiten met luchtvaartuigen voldoen aan de toepasselijke normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO).

(2)

Verordening (EG) nr. 216/2008 is niet van toepassing op exploitanten uit derde landen die over het grondgebied vliegen dat onder de bepalingen van het Verdrag valt.

(3)

Verordening (EG) nr. 216/2008 schrijft voor dat als er geen relevante ICAO-normen bestaan, exploitanten uit derde landen moeten voldoen aan de relevante essentiële eisen van de bijlagen I, III, IV en, voor zover van toepassing, Vb bij Verordening (EG) nr. 216/2008, op voorwaarde dat deze niet strijdig zijn met de rechten van derde landen op grond van internationale verdragen.

(4)

Verordening (EG) nr. 216/2008 bepaalt dat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het Agentschap”) vergunningen afgeeft en voortdurend controle uitoefent op de afgegeven vergunningen. De vergunning is een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een exploitatievergunning of gelijkwaardig document van de betreffende EU-lidstaat krachtens bestaande overeenkomsten voor luchtdiensten tussen de lidstaten van de EU en derde landen.

(5)

In het kader van de afgifte en permanente controle van vergunningen voert het Agentschap beoordelingen uit en treft het alle nodige maatregelen om te voorkomen dat een inbreuk blijft voortduren.

(6)

De vergunningprocedure voor exploitanten uit derde landen moet eenvoudig, evenredig, doeltreffend en kostenefficiënt zijn en rekening houden met de resultaten van het Universal Safety Oversight Audit Programme van de ICAO, platforminspecties en andere erkende informatie over veiligheidsaspecten met betrekking tot exploitanten uit derde landen.

(7)

Beoordelingen van exploitanten uit derde landen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad (2), kunnen een audit ter plekke op de terreinen van de exploitant omvatten. Met het oog op de opheffing van de schorsing van een vergunning kan het Agentschap eventueel een audit bij de exploitant uit het derde land uitvoeren.

(8)

Om een soepele overgang en een hoog uniform niveau van burgerluchtvaartveiligheid in de Europese Unie te garanderen, dient bij de uitvoeringsmaatregelen rekening te worden gehouden met de aanbevolen praktijken en richtsnoeren waarover onder de auspiciën van de ICAO overeenstemming is bereikt.

(9)

Het is van belang de luchtvaartsector en de administratieve organisatie van het Agentschap voldoende tijd te geven om zich aan het nieuwe regelgevingskader aan te passen en om door de lidstaten afgegeven exploitatievergunningen of gelijkwaardige documenten voor de exploitatie van vluchten naar, binnen of vanuit hun grondgebied onder bepaalde voorwaarden te erkennen.

(10)

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft ontwerpuitvoeringsvoorschriften voorbereid en ingediend als advies aan de Commissie, overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn verenigbaar met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor exploitanten van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 216/2008 die betrokken zijn bij commerciële luchtvervoersactiviteiten naar, binnen of vanuit het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, met inbegrip van de voorwaarden voor de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, schorsing of intrekking van hun vergunningen, de rechten en plichten van de houders van de vergunningen en de omstandigheden waarin vluchtuitvoeringen in het belang van de veiligheid verboden, beperkt of aan voorwaarden gebonden worden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „alternatieve wijzen van naleving”: wijzen die een alternatief op een bestaande aanvaardbare wijze van naleving voorstellen of die een nieuwe methode voorstellen om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan waarvoor het Agentschap geen bijbehorende aanvaardbare wijzen van naleving heeft vastgesteld;

2.   „commerciële luchtvervoersactiviteit”: de exploitatie van een luchtvaartuig voor het vervoer van passagiers, vracht of post tegen vergoeding of andere beloning;

3.   „vlucht”: vertrek van een bepaald luchtvaartterrein naar een bepaald bestemmingsluchtvaartterrein;

4.   „exploitant uit een derde land”: een exploitant die houder is van een air operator certificate dat is afgegeven door een derde land.

Artikel 3

Vergunningen

Exploitanten uit derde landen verrichten alleen commerciële luchtvervoersactiviteiten naar, binnen of vanuit het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn als zij voldoen aan de eisen van bijlage 1 en houder zijn van een vergunning die overeenkomstig bijlage 2 bij deze verordening door het Agentschap is afgegeven.

Artikel 4

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Bij wijze van uitzondering op de tweede alinea van lid 1 mogen lidstaten die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig hun nationale wetgeving exploitatievergunningen of gelijkwaardige documenten afgeven aan exploitanten uit derde landen, dit blijven doen. Exploitanten uit derde landen werken binnen de grenzen van het toepassingsgebied en de rechten als vastgelegd in de vergunning of het gelijkwaardige document van de lidstaat totdat het Agentschap een besluit heeft genomen overeenkomstig bijlage 2 bij deze verordening. De lidstaten stellen het Agentschap in kennis van de afgifte van dergelijke exploitatievergunningen of gelijkwaardige documenten.

Nadat het Agentschap een besluit heeft genomen aangaande een exploitant uit een derde land, of, indien dit eerder is, na het verstrijken van een periode van ten hoogste dertig maanden na de inwerkingtreding van deze verordening, voeren de lidstaten bij het afgeven van exploitatievergunningen geen veiligheidsbeoordelingen van die exploitant uit een derde land meer uit overeenkomstig hun nationale wetgeving.

3.   Exploitanten uit derde landen die op de datum van inwerkingtreding houder zijn van een exploitatievergunning of gelijkwaardig document dienen uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening bij het Agentschap een aanvraag voor een vergunning in. De aanvraag bevat informatie over alle door een lidstaat verleende exploitatievergunningen.

4.   Bij ontvangst van een aanvraag beoordeelt het Agentschap of de exploitant uit het derde land de toepasselijke eisen naleeft. Deze beoordeling moet uiterlijk dertig maanden na de inwerkingtreding van deze verordening zijn voltooid.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 april 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15).


BIJLAGE 1

DEEL-TCO

EXPLOITANTEN UIT DERDE LANDEN

SECTIE I

Algemene eisen

TCO.100   Toepassingsgebied

In deze bijlage (hierna „Deel-TCO” genoemd) zijn de eisen vastgelegd voor exploitanten uit derde landen die betrokken zijn bij commerciële luchtvervoersactiviteiten naar, binnen of vanuit het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn.

TCO.105   Wijzen van naleving

a)

In plaats van de door het Agentschap vastgestelde aanvaardbare wijzen van naleving mag een exploitant uit een derde land alternatieve wijzen van naleving gebruiken om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 (1) en Deel-TCO.

b)

Wanneer een aan een vergunning onderworpen exploitant uit een derde land een alternatieve wijze van naleving wenst te gebruiken in plaats van de door het Agentschap vastgestelde aanvaardbare wijzen van naleving om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en Deel-TCO, meldt hij dit aan het Agentschap en geeft hij een volledige beschrijving van de alternatieve wijze van naleving alvorens die toe te passen. De beschrijving moet elke ter zake dienende herziening van handboeken of procedures bevatten, alsook een beoordeling waaruit blijkt dat de uitvoeringsvoorschriften worden nageleefd.

De exploitant uit een derde land mag deze alternatieve wijzen van naleving toepassen onder de voorwaarde van voorafgaande goedkeuring door het Agentschap en na ontvangst van de kennisgeving als voorgeschreven in ART.105 in bijlage 2 (hierna „Deel-ART” genoemd).

TCO.110   Risicobeperkende maatregelen

a)

Wanneer het land van de exploitant of het land van registratie melding heeft gemaakt van afwijkingen van ICAO-normen die door het Agentschap overeenkomstig ART.200, onder d), van Deel-ART, zijn geïdentificeerd, mag de exploitant uit een derde land risicobeperkende maatregelen voorstellen om overeenstemming te bereiken met Deel-TCO.

b)

De exploitant uit een derde land levert het Agentschap het bewijs dat deze maatregelen een veiligheidsniveau garanderen dat gelijkwaardig is aan dat van de norm ten opzichte waarvan afwijkingen zijn gemeld.

TCO.115   Toegang

a)

De exploitant uit een derde land draagt er zorg voor dat iedere persoon die daartoe gemachtigd is door het Agentschap of de lidstaat op het grondgebied waarvan een van zijn luchtvaartuigen is geland, toestemming krijgt dat luchtvaartuig te allen tijde, met of zonder voorafgaande kennisgeving, te betreden teneinde:

(1)

de aan boord mee te nemen documenten en handboeken te controleren en inspecties ter waarborging van de naleving van Deel-TCO uit te voeren, of

(2)

een platforminspectie uit te voeren als beschreven in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie (2).

b)

De exploitant uit een derde land draagt er zorg voor dat iedere daartoe door het Agentschap gemachtigde persoon toegang krijgt tot alle installaties of documenten die met zijn activiteiten, met inbegrip van uitbestede activiteiten, verband houden, teneinde na te gaan of Deel-TCO is nageleefd.

SECTIE II

Vluchtuitvoering

TCO.200   Algemene eisen

a)

De exploitant uit een derde land houdt zich aan:

(1)

de toepasselijke normen in de bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, inzonderheid bijlage 1 (bevoegdheidsverklaring van personeel), 2 (luchtverkeersregels), 6 (gebruik van luchtvaartuigen, deel I (internationaal commercieel luchtvervoer — vleugelvliegtuigen) of deel III (internationale vluchten — helikopters), naargelang van het geval), 8 (luchtwaardigheid van luchtvaartuigen), 18 (gevaarlijke goederen) en 19 (veiligheidsbeheer);

(2)

de door het Agentschap overeenkomstig ART.200, onder d), aanvaarde beheersingsmaatregelen;

(3)

de desbetreffende eisen van Deel-TCO, en

(4)

de toepasselijke luchtverkeersregels van de Unie.

b)

De exploitant uit een derde land draagt er zorg voor dat een luchtvaartuig waarmee wordt gevlogen naar, binnen of vanuit het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, geëxploiteerd wordt in overeenstemming met:

(1)

zijn air operator certificate (AOC) en de bijbehorende activiteitenspecificaties, en

(2)

de overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunning en het toepassingsgebied en de rechten als vastgelegd in de bijgevoegde specificaties.

c)

De exploitant uit een derde land ziet erop toe dat voor een luchtvaartuig waarmee naar, in of uit de Unie wordt gevlogen een luchtwaardigheidscertificaat van het luchtvaartuig aanwezig is dat is afgegeven of gevalideerd door:

(1)

het land van registratie, of

(2)

het land van de exploitant, op voorwaarde dat het land van de exploitant en het land van registratie krachtens artikel 83 bis van het Verdrag inzake de burgerluchtvaart een overeenkomst tot overdracht van de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het luchtwaardigheidscertificaat hebben gesloten.

d)

De exploitant uit een derde land verstrekt het Agentschap desgevraagd alle informatie die voor het controleren van de overeenstemming met Deel-TCO van belang is.

e)

Onverminderd Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) stelt de exploitant uit een derde land het Agentschap zonder nodeloze vertraging in kennis van ieder ongeval als gedefinieerd in ICAO-bijlage 13 waarbij een onder zijn AOC gebruikt luchtvaartuig betrokken is.

TCO.205   Navigatie-, communicatie- en surveillanceapparatuur

Wanneer de exploitant uit een derde land activiteiten uitvoert in het luchtruim boven het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, draagt hij er zorg voor dat zijn luchtvaartuig voorzien is van en bediend wordt met de in dat luchtruim voorgeschreven navigatie-, communicatie- en surveillanceapparatuur.

TCO.210   Aan boord mee te nemen documenten, handboeken en gegevens

De exploitant uit een derde land ziet erop toe dat alle documenten, handleidingen en gegevens die aan boord moeten worden meegenomen geldig en bijgewerkt zijn.

TCO.215   Overleggen van documenten, handboeken en gegevens

Binnen een redelijke tijd nadat hem zulks is verzocht door een persoon die daartoe gemachtigd is door het Agentschap of de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de landing heeft plaatsgevonden, toont de gezagvoerder die persoon de aan boord mee te nemen documenten, handboeken en gegevens.

SECTIE III

Vergunningverlening aan exploitanten uit derde landen

TCO.300   Aanvraag van een vergunning

a)

Alvorens te beginnen met commerciële luchtvervoersactiviteiten krachtens Deel-TCO, dient de exploitant uit een derde land een vergunning aan te vragen bij het Agentschap en te verkrijgen.

b)

Een aanvraag van een vergunning dient:

(1)

minstens 30 dagen vóór de geplande begindatum van de activiteit te worden ingediend, en

(2)

te worden ingediend in een vorm en op een wijze die door het Agentschap zijn voorgeschreven.

c)

Onverminderd van toepassing zijnde bilaterale overeenkomsten verschaft de aanvrager het Agentschap alle informatie die het nodig heeft om te beoordelen of de beoogde activiteit zal worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke eisen van TCO.200, onder a). Dergelijke informatie omvat onder meer:

(1)

de naar behoren ingevulde aanvraag;

(2)

de officiële naam, de bedrijfsnaam, het adres en het postadres van de aanvrager;

(3)

een afschrift van het door het land van de exploitant afgegeven AOC van de aanvrager, inclusief bijbehorende activiteitenspecificaties, of een daaraan gelijkwaardig document waaruit blijkt dat de houder in staat is de beoogde activiteiten uit te voeren;

(4)

de meest recente oprichtingsakte of het meest recente bewijs van inschrijving als onderneming dan wel een vergelijkbaar door het handelsregister in het land van de hoofdvestiging afgegeven document;

(5)

gegevens over de voorgestelde activiteit (startdatum, type en geografisch bereik).

d)

Zo nodig kan het Agentschap aanvullend andere relevante documentatie of handboeken of informatie over specifieke, door het land van de exploitant of het land van registratie afgegeven of goedgekeurde erkenningen verlangen.

e)

Voor niet in het land van de exploitant geregistreerde luchtvaartuigen kan het Agentschap verzoeken om overlegging van:

(1)

gegevens omtrent de leaseovereenkomst voor elk aldus te gebruiken luchtvaartuig, en

(2)

voor zover van toepassing, een afschrift van de overeenkomst betreffende het luchtvaartuig tussen het land van de exploitant en het land van registratie krachtens artikel 83 bis van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

TCO.305   Niet-geregelde vluchten — eenmalige melding

a)

Bij wijze van uitzondering op TCO.300, onder a), mag een exploitant uit een derde land ambulancevluchten of (een reeks) niet-geregelde vluchten uitvoeren om tegemoet te komen aan een onvoorziene, onmiddellijke en hoogdringende operationele behoefte zonder eerst een vergunning te hebben gekregen, voor zover:

(1)

die exploitant het Agentschap vóór de geplande datum van de eerste vlucht in kennis stelt in een vorm en op een wijze die door het Agentschap zijn vastgesteld;

(2)

geen exploitatieverbod aan die exploitant is opgelegd krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad (4), en

(3)

die exploitant een vergunning aanvraagt binnen tien werkdagen na de datum van kennisgeving aan het Agentschap overeenkomstig TCO.300.

b)

De vlucht(en) die is (zijn) gespecificeerd in de onder a), punt (1), vermelde kennisgeving mogen gedurende een periode van hoogstens zes opeenvolgende weken na de datum van kennisgeving aan het Agentschap worden uitgevoerd of tot het Agentschap een besluit over de aanvraag heeft genomen overeenkomstig Deel-ART, als dit eerder is.

c)

Een exploitant mag slechts één keer om de 24 maanden een dergelijke kennisgeving doen.

TCO.310   Rechten van vergunninghouders

De rechten van de exploitant worden vermeld in de specificaties bij de vergunning en reiken niet verder dan de door het land van de exploitant toegekende rechten.

TCO.315   Wijzigingen

a)

Voor alle andere wijzigingen dan die welke krachtens ART.210, onder c), zijn overeengekomen en die gevolgen hebben voor de voorwaarden van een vergunning of bijbehorende specificaties is voorafgaande toestemming van het Agentschap vereist.

b)

De exploitant uit een derde land dient de aanvraag voor voorafgaande toestemming van het Agentschap minstens dertig dagen vóór de datum van toepassing van de beoogde wijziging in.

De exploitant uit een derde land verstrekt het Agentschap de in TCO.300 beschreven informatie in verhouding tot de reikwijdte van de wijziging.

Na indiening van een aanvraag voor een wijziging voert de exploitant uit een derde land activiteiten uit volgens de voorwaarden die krachtens ART.225, onder b), door het Agentschap zijn voorgeschreven.

c)

Alle wijzigingen waarvoor krachtens ART.210, onder c), is overeengekomen dat voorafgaande goedkeuring niet is vereist, worden aan het Agentschap meegedeeld vóór de wijziging plaatsvindt.

TCO.320   Permanente geldigheid

a)

De vergunning blijft geldig mits:

(1)

de exploitant uit een derde land aan de toepasselijke eisen van Deel-TCO blijft voldoen. Hiervoor worden ook de bepalingen van TCO.325 inzake de behandeling van bevindingen in aanmerking genomen;

(2)

het door het land van de exploitant afgegeven AOC of gelijkwaardige document alsook de bijbehorende activiteitenspecificaties, voor zover van toepassing, geldig blijven;

(3)

het Agentschap toegang tot de exploitant uit een derde land wordt verleend zoals beschreven in TCO.115;

(4)

de exploitant uit een derde land geen exploitatieverbod krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 opgelegd krijgt;

(5)

de vergunning niet wordt opgeschort of ingetrokken en er geen afstand van wordt gedaan;

(6)

de exploitant uit een derde land op basis van de vergunning minstens één vlucht per 24 kalendermaanden heeft uitgevoerd naar, binnen of vanuit het grondgebied waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn.

b)

In geval van afstand of intrekking wordt de vergunning ingeleverd bij het Agentschap.

TCO.325   Bevindingen

Na ontvangst van een kennisgeving van bevindingen die krachtens ART.230 door het Agentschap zijn vastgesteld, dient de exploitant uit een derde land:

a)

de dieper liggende oorzaak van de niet-naleving vast te stellen;

b)

een plan met corrigerende maatregelen op te stellen waarmee de dieper liggende oorzaak van de niet-naleving binnen een aanvaardbare periode kan worden aangepakt en dit plan bij het Agentschap indienen;

c)

naar tevredenheid van het Agentschap aan te tonen dat de corrigerende maatregelen binnen de overeenkomstig ART.230, onder e), punt (1), met het Agentschap overeengekomen periode zijn uitgevoerd.


(1)  Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1). Verordening zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 6/2013 van de Commissie van 8 januari 2013 (PB L 4 van 9.1.2013, blz. 34).

(2)  Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35).

(4)  Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van Richtlijn 2004/36/EG (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 15).


BIJLAGE 2

DEEL-ART

EISEN VOOR AUTORITEITEN MET BETREKKING TOT HET VERLENEN VAN VERGUNNINGEN AAN EXPLOITANTEN UIT DERDE LANDEN

SECTIE I

Algemeen

ART.100   Toepassingsgebied

In deze bijlage („Deel-ART”) zijn administratieve eisen vastgelegd waaraan de lidstaten en het Agentschap moeten voldoen, in het bijzonder aangaande:

a)

de afgifte, handhaving, wijziging, beperking, schorsing of intrekking van vergunningen van exploitanten uit derde landen die commerciële luchtvervoersactiviteiten uitvoeren, en

b)

het controleren van deze exploitanten.

ART.105   Alternatieve wijzen van naleving

Het Agentschap beoordeelt alle overeenkomstig TCO.105, onder b), door exploitanten uit derde landen voorgestelde alternatieve wijzen van naleving door de verstrekte documentatie te analyseren en, als het dat nodig acht, de exploitanten te inspecteren.

Oordeelt het Agentschap dat de alternatieve wijzen van naleving in overeenstemming zijn met Deel-TCO, dan zal het zonder nodeloze vertraging de aanvrager ervan in kennis stellen dat de alternatieve wijzen van naleving mogen worden gebruikt en, voor zover van toepassing, de vergunning van de aanvrager dienovereenkomstig aanpassen.

ART.110   Uitwisseling van informatie

a)

Het Agentschap stelt de Commissie en de lidstaten in kennis wanneer het:

(1)

een aanvraag voor een vergunning afwijst;

(2)

vanwege veiligheidsproblemen beperkingen oplegt of een vergunning schorst of intrekt.

b)

Het Agentschap stelt de lidstaten binnen één werkdag na ontvangst van de kennisgevingen die het overeenkomstig TCO.305 heeft ontvangen, in kennis van deze kennisgevingen.

c)

Het Agentschap stelt de lidstaten regelmatig een bijgewerkte lijst ter beschikking van door het Agentschap afgegeven, beperkte, gewijzigde, opgeschorte of ingetrokken vergunningen.

d)

De lidstaten stellen het Agentschap in kennis van hun voornemen een maatregel krachtens artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2111/2005 te nemen.

ART.115   Bijhouden van gegevens

a)

Het Agentschap zet een systeem voor het bijhouden van gegevens op dat voorziet in een passende opslag, toegankelijkheid en betrouwbare traceerbaarheid van informatie over:

(1)

de opleiding, kwalificatie en autorisatie van zijn personeel;

(2)

de vergunningen die aan exploitanten uit derde landen zijn afgegeven en de kennisgevingen die zijn ontvangen;

(3)

de vergunningsprocedures en de permanente controle van vergunninghoudende exploitanten uit derde landen;

(4)

de bevindingen, de overeengekomen corrigerende maatregelen en de afsluitingsdatum van de maatregel;

(5)

de genomen handhavingsmaatregelen, met inbegrip van de boeten waarom het Agentschap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 heeft gevraagd;

(6)

de uitvoering van door het Agentschap overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 voorgeschreven corrigerende maatregelen, en

(7)

het gebruik van de flexibiliteitsregeling overeenkomstig artikel 18, onder d), van Verordening (EG) nr. 216/2008.

b)

Alle gegevens worden minstens vijf jaar bijgehouden, met inachtneming van de toepasselijke wetgeving inzake gegevensbescherming.

SECTIE II

Vergunningverlening, controle en handhaving

ART.200   Eerste beoordelingsprocedure — algemeen

a)

Bij ontvangst van een vergunningsaanvraag overeenkomstig TCO.300 beoordeelt het Agentschap of de exploitant uit een derde land aan de toepasselijke eisen van Deel-TCO voldoet.

b)

De eerste beoordeling moet worden voltooid binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag of dertig dagen vóór de geplande begindatum van de activiteit, als dit later is.

Indien voor de beoordeling een nadere beoordeling of een audit nodig is, wordt de beoordelingsperiode verlengd voor de duur van de nadere beoordeling of de audit, naargelang van het geval.

c)

De eerste beoordeling wordt gebaseerd op:

(1)

de door de exploitant uit een derde land verstrekte documentatie en gegevens;

(2)

relevante informatie inzake de veiligheidsprestaties van de exploitant uit een derde land, waaronder verslagen over platforminspecties, overeenkomstig ARO.RAMP.145, onder c), meegedeelde informatie, erkende industriële normen, gegevens over ongevallen en door derde landen genomen handhavingsmaatregelen;

(3)

relevante informatie over de toezichtcapaciteit van het land van de exploitant of het land van registratie, naargelang van het geval, met inbegrip van de uitkomst van audits uitgevoerd in het kader van internationale verdragen of veiligheidsbeoordelingsprogramma's van de staat, en

(4)

besluiten en onderzoeken krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 of gezamenlijk overleg krachtens Verordening (EG) nr. 473/2006 van de Commissie (1).

d)

Het Agentschap identificeert, in overleg met de lidstaten, de ICAO-normen waarvoor het beheersingsmaatregelen kan aanvaarden ingeval het land van de exploitant of het land van registratie bij de ICAO een afwijking heeft gemeld. Het Agentschap aanvaardt de beheersingsmaatregelen wanneer het ervan overtuigd is dat deze maatregelen een veiligheidsniveau garanderen dat gelijkwaardig is aan dat van de norm ten opzichte waarvan afwijkingen zijn gemeld.

e)

Indien het Agentschap tijdens de eerste beoordeling niet tot een afdoende mate van vertrouwen in de exploitant uit een derde land en/of het land van de exploitant kan komen, moet het:

(1)

de aanvraag afwijzen als de uitkomst van de beoordeling erop wijst dat nadere beoordeling niet tot afgifte van een vergunning zal leiden, of

(2)

nadere beoordelingen uitvoeren in de mate dat dit noodzakelijk is om vast te stellen of de geplande activiteit overeenkomstig de toepasselijke eisen van Deel-TCO zal worden uitgevoerd.

ART.205   Eerste beoordelingsprocedure — exploitanten uit derde landen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd

a)

Bij ontvangst van een vergunningsaanvraag van een exploitant waaraan een exploitatieverbod of exploitatiebeperkingen is opgelegd krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2055 past het Agentschap de toepasselijke beoordelingsprocedure van ART.200 toe.

b)

Indien het exploitatieverbod is opgelegd omdat het land van de exploitant niet op passende wijze toezicht houdt op de exploitant, stelt het Agentschap de Commissie in kennis met het oog op nadere beoordeling van de exploitant en het land van de exploitant krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005.

c)

Het Agentschap voert een audit uit als:

(1)

de exploitant uit een derde land instemt met de audit;

(2)

de uitkomst van de onder a) en b) bedoelde beoordelingen wijst op een mogelijk positief resultaat van de audit, en

(3)

de audit in de installaties van de exploitant uit een derde land kan worden uitgevoerd zonder dat de veiligheid van het personeel van het Agentschap in gevaar komt.

d)

De audit bij de exploitant uit een derde land kan een beoordeling omvatten van het toezicht door het land van de exploitant indien er aanwijzingen zijn van ernstige tekortkomingen in het toezicht op de aanvrager.

e)

Het Agentschap stelt de Commissie in kennis van de resultaten van de audit.

ART.210   Afgifte van een vergunning

a)

Het Agentschap geeft de vergunning, inclusief de bijbehorende specificaties, af zoals bepaald in aanhangsels I en II indien:

(1)

het ervan overtuigd is dat de exploitant uit een derde land houder is van een door het land van de exploitant afgegeven geldig AOC of gelijkwaardig document plus bijbehorende activiteitenspecificaties;

(2)

het ervan overtuigd is dat de exploitant uit een derde land van het land van de exploitant toestemming heeft gekregen voor het uitvoeren van vluchten naar de EU;

(3)

het ervan overtuigd is dat de exploitant uit een derde land heeft gezorgd voor:

i)

overeenstemming met de toepasselijke eisen van Deel-TCO;

ii)

transparante, adequate en tijdige informatieverstrekking naar aanleiding van een nadere beoordeling en/of een audit van het Agentschap, voor zover van toepassing, en

iii)

tijdige en succesvolle corrigerende maatregelen naar aanleiding van een eventueel geconstateerd geval van niet-naleving;

(4)

er geen aanwijzingen zijn van ernstige tekortkomingen in het vermogen van het land van de exploitant of het land van registratie, naargelang van het geval, om te voorzien in certificering van en toezicht op de exploitant en/of de luchtvaartuigen overeenkomstig de toepasselijke ICAO-normen, en

(5)

geen exploitatieverbod krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 is opgelegd aan de aanvrager.

b)

De vergunning wordt afgegeven voor onbeperkte duur.

De rechten en de omvang van de activiteiten die de exploitant uit een derde land mag uitvoeren, worden gespecificeerd in de bij de vergunning gevoegde specificaties.

c)

Het Agentschap komt met de exploitant uit een derde land overeen voor welke wijzigingen bij de exploitant geen voorafgaande goedkeuring is vereist.

ART.215   Controle

a)

Het Agentschap beoordeelt:

(1)

de permanente naleving van de toepasselijke eisen van Deel-TCO door exploitanten uit derde landen waaraan het een vergunning heeft verleend;

(2)

voor zover van toepassing, de uitvoering van corrigerende maatregelen die door het Agentschap worden voorgeschreven overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

b)

Deze beoordeling moet:

(1)

berusten op door de exploitant uit een derde land verstrekte documentatie en gegevens die van belang zijn voor de veiligheid;

(2)

berusten op relevante informatie inzake de veiligheidsprestaties van de exploitant uit een derde land, waaronder verslagen over platforminspecties, overeenkomstig ARO.RAMP.145, onder c), meegedeelde informatie, erkende industriële normen, gegevens over ongevallen en door derde landen genomen handhavingsmaatregelen;

(3)

berusten op relevante informatie over de toezichtcapaciteit van, naargelang van het geval, het land van de exploitant of het land van registratie, met inbegrip van het resultaat van audits die zijn uitgevoerd in het kader van internationale verdragen of veiligheidsbeoordelingsprogramma's van de staat;

(4)

berusten op besluiten en onderzoeken krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 of gezamenlijk overleg krachtens Verordening (EG) nr. 473/2006;

(5)

berusten op eventuele eerdere beoordelingen of audits, en

(6)

het Agentschap het benodigde bewijs verschaffen om verdere actie te motiveren, inclusief de maatregelen van ART.235.

c)

De reikwijdte van de onder a) en b) omschreven controle wordt bepaald op basis van de resultaten van eerdere vergunningverlenings- en/of controleactiviteiten.

d)

Indien de beschikbare informatie doet vermoeden dat de veiligheidsprestaties van de exploitant uit een derde land en/of de toezichtscapaciteit van het land van de exploitant zijn/is afgenomen tot onder het niveau van de toepasselijke normen in de bijlagen bij het Verdrag inzake de burgerluchtvaart, voert het Agentschap voor zover nodig nadere beoordelingen uit om vast te stellen dat de beoogde activiteit in overeenstemming met de toepasselijke eisen van Deel-TCO zal worden uitgevoerd.

e)

Het Agentschap verzamelt en verwerkt alle veiligheidsinformatie die het voor de controle van belang acht.

ART.220   Controleprogramma

a)

Het Agentschap draagt zorg voor de opstelling en instandhouding van een controleprogramma dat de bij ART.215 en, voor zover van toepassing, Subdeel ARO.RAMP vereiste activiteiten bestrijkt.

b)

Bij de opstelling van het controleprogramma wordt rekening gehouden met de resultaten van eerdere vergunningsverlenings- en/of controleactiviteiten.

c)

Het Agentschap voert uiterlijk om de 24 maanden een beoordeling van exploitanten uit derde landen uit.

De cyclus mag worden verkort als er aanwijzingen zijn dat de veiligheidsprestaties van de exploitant uit een derde land en/of de toezichtcapaciteit van het land van de exploitant zijn/is afgenomen tot onder het niveau van de toepasselijke normen in de bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

Het Agentschap mag de cyclus verlengen tot ten hoogste 48 maanden indien het heeft vastgesteld dat tijdens de voorbije controleperiode:

(1)

aanwijzingen hebben ontbroken dat de toezichthoudende autoriteit van het land van de exploitant geen doeltreffend toezicht uitoefent op de onder haar verantwoordelijkheid vallende exploitanten;

(2)

de exploitant uit een derde land steeds tijdig melding heeft gemaakt van wijzigingen als bedoeld in TCO.315;

(3)

geen bevindingen van niveau 1, zoals vermeld in ART.230, onder b), zijn afgegeven, en

(4)

alle corrigerende maatregelen zijn toegepast binnen de door het Agentschap aanvaarde of verlengde periode zoals gedefinieerd in ART.230, onder e), punt (1).

d)

Het controleprogramma bevat gegevens over de datums van de controleactiviteiten, met inbegrip van vergaderingen.

ART.225   Wijzigingen

a)

Bij ontvangst van een vooraf goed te keuren wijzigingsaanvraag past het Agentschap de relevante procedure van ART.200 toe in verhouding tot de reikwijdte van de wijziging.

b)

Het Agentschap bepaalt onder welke voorwaarden de exploitant uit een derde land tijdens de wijziging binnen het toepassingsgebied van zijn vergunning mag werken, tenzij het oordeelt dat de vergunning moet worden opgeschort.

c)

In het geval van niet vooraf goed te keuren wijzigingen beoordeelt het Agentschap de informatie die vermeld staat in de door de exploitant uit een derde land overeenkomstig TCO.315 verzonden kennisgeving om na te gaan of aan de toepasselijke eisen is voldaan. Zijn de eisen niet nageleefd, dan zal het Agentschap:

(1)

de exploitant uit een derde land in kennis stellen van de niet-naleving en een herzien voorstel vragen om naleving te bewerkstelligen, en

(2)

in geval van niveau 1- of niveau 2-bevindingen, handelen overeenkomstig ART.230 en, voor zover van toepassing, ART.235.

ART.230   Bevindingen en corrigerende maatregelen

a)

Het Agentschap dient te beschikken over een systeem om de bevindingen te toetsen op hun belang voor de veiligheid.

b)

Het Agentschap geeft een bevinding van niveau 1 af bij vaststelling van ieder significant geval van niet-naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en Deel-TCO of van de voorwaarden van de vergunning, voor zover dat geval van niet-naleving de veiligheid vermindert of ernstig gevaar oplevert voor de vliegveiligheid.

De bevindingen van niveau 1 omvatten onder meer, maar niet uitsluitend, het volgende:

(1)

ook na een schriftelijk verzoek het Agentschap geen toegang verlenen tot de installaties van de exploitant uit een derde land tijdens de normale werktijd, zoals bepaald in TCO.115, onder b);

(2)

vooraf goed te keuren wijzigingen toepassen zonder een vergunning te hebben ontvangen overeenkomstig ART.210;

(3)

de geldigheid van de vergunning verkrijgen of behouden door vervalsing van bewijsstukken;

(4)

bewijzen van wanpraktijken of frauduleus gebruik van de vergunning.

c)

Het Agentschap geeft een bevinding van niveau 2 af bij vaststelling van een geval van niet-naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en Deel-TCO of van de voorwaarden van de vergunning, voor zover dat geval van niet-naleving de veiligheid zou kunnen verminderen of gevaar voor de vliegveiligheid oplevert.

d)

Wanneer tijdens de controle een bevinding wordt vastgesteld, deelt het Agentschap, onverminderd aanvullende maatregelen die zijn vereist bij Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, de bevinding schriftelijk aan de exploitant uit een derde land mee en verzoekt het corrigerende maatregelen te nemen om de diepere oorzaak weg te nemen of onder controle te houden, zodat herhaling van de geconstateerde niet-naleving voorkomen wordt.

e)

In het geval van bevindingen van niveau 2 zal het Agentschap:

(1)

de exploitant uit een derde land een uitvoeringsperiode voor corrigerende maatregelen toekennen die is aangepast aan de aard van de bevinding. Aan het einde van deze periode en afhankelijk van de aard van de bevinding kan het Agentschap de periode verlengen mits het met een tweede bevredigend plan met corrigerende maatregelen heeft ingestemd, en

(2)

de corrigerende maatregel en het uitvoeringsplan die door de exploitant uit een derde land zijn voorgesteld, beoordelen. Als uit de beoordeling blijkt dat het plan een analyse van de diepere oorzaken bevat, alsmede maatregelen waarmee de diepere oorzaken doeltreffend kunnen worden weggenomen of beheerst, zodat herhaling van de niet-naleving wordt voorkomen, worden de corrigerende maatregel en het uitvoeringsplan aanvaard.

Indien een exploitant uit een derde land geen aanvaardbaar plan met corrigerende maatregelen indient, zoals vermeld in ART.230, onder e), punt (1), of geen corrigerende maatregelen neemt binnen de door het Agentschap aanvaarde of verlengde periode, wordt de bevinding verhoogd tot niveau 1 en wordt de in ART.235, onder a), bepaalde actie ondernomen.

f)

Het Agentschap registreert alle bevindingen die het heeft vastgesteld en stelt, naargelang van het geval, het land van de exploitant of het land van registratie in kennis van zijn bevindingen.

ART.235   Beperking, schorsing en intrekking van vergunningen

a)

Onverminderd aanvullende handhavingsmaatregelen onderneemt het Agentschap stappen om de vergunning te beperken of op te schorten in geval van:

(1)

een bevinding van niveau 1;

(2)

verifieerbaar bewijs dat het land van de exploitant of het land van registratie, naargelang van het geval, niet in staat is de exploitant en/of de luchtvaartuigen te certificeren en te controleren overeenkomstig de toepasselijke ICAO-normen, of

(3)

toepassing van een maatregel krachtens artikel 6, lid 1 en lid 2, van Verordening (EG) nr. 2111/2005 op de exploitant uit een derde land.

b)

Een vergunning wordt opgeschort voor een periode van ten hoogste zes maanden. Aan het einde van deze periode kan het Agentschap de schorsingsperiode met drie maanden verlengen.

c)

De beperking of schorsing wordt opgeheven wanneer het Agentschap ervan overtuigd is dat succesvolle corrigerende maatregelen door de exploitant uit een derde land en/of het land van de exploitant zijn genomen.

d)

Als het Agentschap overweegt een schorsing op te heffen, voert het een audit van de exploitant uit een derde land uit als de voorwaarden van ART.205, onder c), zijn vervuld. Indien de schorsing het gevolg is van ernstige tekortkomingen in het toezicht op de aanvrager door, naargelang van het geval, het land van de exploitant of het land van registratie, kan de audit een beoordeling omvatten die tot doel heeft na te gaan of deze tekortkomingen zijn verholpen.

e)

Het Agentschap trekt de vergunning in wanneer:

(1)

de onder b) vermelde periode is verstreken, of

(2)

krachtens Verordening (EG) nr. 2111/2005 een exploitatieverbod wordt opgelegd aan de exploitant uit een derde land.

f)

Indien na een beperking als bedoeld onder a) een exploitatiebeperking wordt opgelegd aan de exploitant uit een derde land overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2111/2005, handhaaft het Agentschap de onder a) bedoelde beperking tot de exploitatiebeperking is ingetrokken.


(1)  Verordening (EG) nr. 473/2006 van de Commissie van 22 maart 2006 tot vaststelling van uitvoeringsregels voor de in hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod is opgelegd in de Gemeenschap (PB L 84 van 23.3.2006, blz. 8).

Aanhangsel I

Image

Aanhangsel II

Image


Top