EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014PC0186

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

/* COM/2014/0186 final - 2014/0108 (COD) */

52014PC0186

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen /* COM/2014/0186 final - 2014/0108 (COD) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Algemene context, motivering en doel van het voorstel

Richtlijn 89/686/EEG betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen[1] is goedgekeurd op 21 december 1989 en werd volledig van toepassing met ingang van 1 juli 1995.

Richtlijn 89/686/EEG (hierna: "PBM-richtlijn") waarborgt het vrije verkeer van persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna: "PBM"). Zij heeft aanzienlijk bijgedragen tot de voltooiing en functionering van de interne markt voor PBM. Dankzij die richtlijn bestaat er in Europa vrij verkeer van PBM die onder haar werkingssfeer vallen en wordt tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming voor de gebruiker gegarandeerd.

In de PBM-richtlijn zijn de basiseisen vastgelegd waaraan PBM moeten voldoen om op de EU-markt te mogen worden aangeboden. PBM moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij aan de bepalingen van de richtlijn voldoen. De fabrikanten moet ook de CE-markering aanbrengen en de gebruikers instructies geven voor opslag, gebruik, reiniging, onderhoud, revisie en ontsmetting van de PBM.

De PBM-richtlijn is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en is een van de eerste harmonisatierichtlijnen op basis van de "nieuwe aanpak" beginselen, op grond waarvan de fabrikanten erop dienen toe te zien dat hun producten aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen van de wetgeving voldoen. De essentiële eisen zijn op prestaties gebaseerd, zonder specifieke technische oplossingen of specificaties voor te schrijven.

Onder PBM in de zin van de richtlijn wordt verstaan "een uitrustingsstuk of -middel dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen één of meer gevaren die een bedreiging voor zijn gezondheid en zijn veiligheid kunnen vormen". De richtlijn is ook van toepassing op "verwisselbare onderdelen van een PBM die voor de goede werking ervan onontbeerlijk zijn, en die uitsluitend voor dat beschermingsmiddel worden gebruikt" en "ieder samen met het PBM in de handel gebracht verbindingssysteem dat het beschermingsmiddel aan een andere, externe voorziening verbindt". Voorbeelden van PBM zijn veiligheidshelmen, oorbeschermers, veiligheidsschoenen en reddingsvesten, maar ook fietshelmen, zonnebrillen en reflecterende vesten.

Bepaalde typen PBM vallen buiten de werkingssfeer van de richtlijn, namelijk PBM die speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor de strijdkrachten of de ordehandhaving, PBM voor zelfverdediging tegen aanvallers, PBM die zijn ontworpen en vervaardigd voor particulier gebruik ter bescherming tegen bepaalde weersomstandigheden, vocht, water en hitte, PBM die bestemd zijn voor het beschermen of redden van personen aan boord van schepen of luchtvaartuigen en die niet permanent worden gedragen, en helmen en vizieren voor gebruikers van motorvoertuigen met twee of drie wielen.

Hoewel de doelstellingen van de richtlijn zijn bereikt, namelijk de totstandbrenging van een interne markt en het garanderen van een hoog beschermingsniveau voor de gebruikers van de PBM, hebben zich bij de uitvoering ervan bepaalde problemen voorgedaan. Hierbij ging het om in de handel gebrachte producten die geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau bieden, uiteenlopende werkwijzen van de aangemelde instanties, de doeltreffendheid van het markttoezicht en de risico’s in verband met beschermingsmiddelen die momenteel niet onder de PBM-richtlijn vallen. Bovendien moeten sommige bepalingen van de PBM-richtlijn duidelijker en eenvoudiger worden gemaakt.

Dit voorstel is bedoeld om – in overeenstemming met de vereenvoudigingsdoelstellingen van de Commissie – Richtlijn 89/686/EEG betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen te vervangen door een verordening.

De algemene doelstellingen van dit initiatief zijn een betere bescherming van de gezondheid en veiligheid van de gebruikers van PBM, het scheppen van gelijke concurrentievoorwaarden op de interne markt voor de marktdeelnemers van de sector, en vereenvoudiging van de Europese regelgeving op het gebied van PBM. Het voorstel wijzigt en verduidelijkt een aantal bepalingen van de bestaande richtlijn en brengt die in overeenstemming met de bepalingen van Besluit nr. 768/2008/EG betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten (NWK-besluit)[2].

Met name wordt voorgesteld om de werkingssfeer van de huidige PBM-richtlijn te vergroten door de uitsluitingen van producten voor particulier gebruik ter bescherming tegen hitte, vocht en water te schrappen. Ervaring met de uitvoering en handhaving van de PBM-richtlijn heeft geleerd dat deze uitsluitingen niet langer gerechtvaardigd waren. Om de veiligheid en de gezondheid van de gebruikers te verbeteren, moeten de voorschriften van de PBM-richtlijn op deze producten van toepassing zijn. Er zijn verduidelijkingen aangebracht om interpretatieproblemen te verminderen, bijvoorbeeld van sommige bepalingen voor op maat gemaakte en individueel aangepaste PBM. De lijst van producten die aan de meest stringente conformiteitsbeoordelingsprocedure waren onderworpen, is herzien om tegenstrijdigheden weg te nemen. Er zijn documentatievereisten gewijzigd om de werkzaamheden van de markttoezichtautoriteiten te verbeteren en in drie essentiële gezondheids- en veiligheidseisen zijn kleine wijzigingen ingevoerd om de kans op verwarring te verminderen.

Het voorstel heeft ook als doel de PBM-richtlijn aan te passen aan het NWK-besluit. Veel van de algemene problemen die op horizontaal niveau zijn onderkend, zijn ook vastgesteld in het kader van de uitvoering van de PBM-richtlijn (in de handel gebrachte PBM die geen passend beschermingsniveau garanderen, problemen met de kwaliteit van de diensten die door sommige aangemelde instanties worden verleend, verschillende praktijken in de lidstaten op het gebied van de evaluatie van en het toezicht op aangemelde instanties). Een aantal fabrikanten wordt ook geconfronteerd met het probleem dat het wettelijk kader complex en soms inconsistent is. De aanpassing van de PBM-richtlijn aan het NKW is in lijn met het politieke engagement in artikel 2 van het NWK-besluit.

Het NWK-besluit omvat een gemeenschappelijk kader voor de productharmonisatiewetgeving van de EU. Dit kader bestaat uit vaak gebruikte bepalingen in de EU-productwetgeving (bv. definities, verplichtingen voor marktdeelnemers, aangemelde instanties, vrijwaringsmechanismen enz.). Deze gemeenschappelijke bepalingen zijn aangescherpt om te waarborgen dat de wetgeving in de praktijk doeltreffender kan worden toegepast en gehandhaafd. Er zijn nieuwe elementen toegevoegd, zoals verplichtingen voor importeurs, die cruciaal zijn om de veiligheid van in de handel gebrachte producten te verbeteren.

In het kader van een NWK-uitvoeringspakket dat op 21 november 2011 is vastgesteld, heeft de Commissie al voorgesteld negen richtlijnen met het NWK-besluit op één lijn te brengen.

Om te zorgen voor de nodige samenhang in de harmonisatiewetgeving van de Unie voor industriële producten, in overeenstemming met de politieke verplichtingen die voortvloeien uit de goedkeuring van het NWK-besluit en de juridische verplichting in artikel 2 van het NWK-besluit, is het noodzakelijk dat dit voorstel overeenstemt met de bepalingen van het NWK-besluit.

In het voorstel wordt rekening gehouden met Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad, alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking nr. 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad[3].

Het voorstel houdt ook rekening met het voorstel van de Commissie van 13 februari 2013 voor een verordening betreffende markttoezicht op producten[4], dat bedoeld is om één rechtsinstrument vast te leggen betreffende de activiteiten inzake het markttoezicht op het gebied van andere dan voedingsmiddelen, consumenten- of niet-consumentenproducten en producten die al dan niet onder de harmonisatiewetgeving van de Unie vallen. Het voorstel voegt de voorschriften inzake markttoezicht van Richtlijn 2001/95/EG inzake algemene productveiligheid[5], van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten[6], en van sectorspecifieke harmonisatie van wetgeving samen om de doeltreffendheid van markttoezichtactiviteiten in de Unie te vergroten. De voorgestelde verordening inzake markttoezicht op producten bevat ook de relevante bepalingen inzake markttoezicht en vrijwaringsclausules. Derhalve moeten bepalingen in bestaande sectorspecifieke harmonisatiewetgeving van de Unie betreffende markttoezicht en vrijwaringsclausules uit die harmonisatiewetgeving worden verwijderd. De algehele doelstelling van de voorgestelde verordening is een fundamentele vereenvoudiging van het EU-kader voor markttoezicht, zodat dat toezicht voor de belangrijkste gebruikers ervan – markttoezichtautoriteiten en marktdeelnemers – beter functioneert. De huidige PBM-richtlijn voorziet in een vrijwaringsprocedure. Overeenkomstig het kader dat tot stand moet worden gebracht door de voorgestelde verordening inzake markttoezicht op producten, omvat dit voorstel voor een PBM-verordening niet de bepalingen inzake markttoezicht en vrijwaringsprocedures voor PBM als bedoeld in het NWK-besluit. Met het oog op juridische duidelijkheid wordt echter verwezen naar de voorgestelde verordening inzake markttoezicht op producten.

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

Dit initiatief is in overeenstemming met de Akte voor de interne markt[7], waarin de nadruk werd gelegd op de noodzaak om het vertrouwen van de consument in de kwaliteit van producten op de markt te herstellen en op het belang van aanscherping van het markttoezicht.

Bovendien ondersteunt het initiatief het beleid van de Commissie inzake betere regelgeving en vereenvoudiging van het regelgevingskader.

Dit voorstel verandert niets aan de verhouding tot Richtlijn 89/656/EEG van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats[8] (derde bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG).

2.           RESULTATEN VAN RAADPLEGINGEN VAN DE BETROKKEN PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbende partijen

De herziening van de PBM-richtlijn is besproken met alle belanghebbenden, met inbegrip van de lidstaten, federaties van fabrikanten, aangemelde instanties en vertegenwoordigers van normalisatieorganisaties. De raadpleging omvatte bijeenkomsten met een geselecteerde groep deskundigen en raadpleging van de werkgroep PBM alsmede de ADCO-groep voor PBM van de markttoezichtautoriteiten.

Hoewel de richtlijn alom als een succes wordt beschouwd, bestaat er bij de lidstaten en andere belanghebbenden brede consensus over dat er verbeteringen mogelijk zijn, die zouden bijdragen tot een nog doeltreffender bescherming van de gezondheid van de gebruikers en een meer efficiënte werking van de PBM-wetgeving, met inbegrip van een doeltreffender toezicht op de markt. De meeste van de voorgestelde verbeteringen vloeien voort uit de dagelijkse ervaring van de autoriteiten van de lidstaten en andere belanghebbenden met de handhaving en de uitvoering van de PBM-wetgeving en houden geen rechtstreeks verband met ongevallen.

Van april tot en met juni 2011 zijn met een openbare raadpleging standpunten en meningen van belanghebbenden en burgers verzameld over de diverse kwesties die bij de herziening van de PBM-richtlijn aangepakt zouden kunnen worden. In totaal werden 77 reacties ontvangen, namelijk 74 uit de 27 lidstaten (autoriteiten, ondernemingen, aangemelde instanties, beroepsverenigingen, individuele burgers), twee uit een EVA-land en één van daarbuiten. Deze antwoorden hebben de diensten van de Commissie een bredere kijk gegeven op de vastgestelde beleidsbehoeften en als zodanig de beoogde aanpak bevestigd[9].

In algemene termen spraken alle belanghebbenden hun steun uit voor het initiatief. Zowel de autoriteiten als het bedrijfsleven vinden dat de PBM-wetgeving moet worden vereenvoudigd en verduidelijkt. Men is unaniem van oordeel dat het markttoezicht en het systeem voor beoordeling van en toezicht op aangemelde instanties moeten worden verbeterd.

Er is ook algemene overeenstemming over de noodzaak om de PBM-richtlijn aan te passen aan het NKW om zo het bestaande algemene regelgevingskader te verbeteren. De autoriteiten ondersteunen deze maatregel volledig, omdat het bestaande systeem hierdoor wordt versterkt en de samenwerking op EU-niveau wordt verbeterd. De bedrijfstak verwacht gelijkere concurrentievoorwaarden als gevolg van doeltreffender optreden tegen producten die niet aan de wetgeving voldoen, alsmede een vereenvoudigingseffect door stroomlijning van de wetgeving.

Verder spraken de lidstaten en de belanghebbenden hun steun uit voor:

– De uitbreiding van het aantal producten dat onder de PBM-richtlijn valt;

– De toevoeging van bepaalde typen PBM aan de lijst van producten die aan de meest stringente conformiteitsbeoordelingsprocedure zijn onderworpen;

– De wijziging van drie fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften, en

– De wijziging van de voorwaarden voor het technische dossier, de geldigheid en de inhoud van het certificaat van EG-typeonderzoek, en de EG-conformiteitsverklaring.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid – effectbeoordeling

Er is een effectbeoordeling van de herziening van de PBM-richtlijn uitgevoerd. In de effectbeoordeling worden de verschillende opties voor de herziening van de sectorgerelateerde aspecten van de PBM-richtlijn uitgebreid uiteengezet.

Wat de aanpassing aan het NWK betreft, verwijst de effectbeoordeling van de herziening van de PBM-richtlijn naar de algemene effectbeoordeling die werd uitgevoerd in het kader van het NWK-uitvoeringspakket van 21 november 2011[10].

Met name de wijzigingen als gevolg van de aanpassing aan het NWK-besluit en de effecten ervan zullen naar verwachting overeenkomen met die van de negen productharmonisatierichtlijnen in het stroomlijningspakket.

In het effectbeoordelingsverslag over dit stroomlijningspakket is reeds een diepgaand onderzoek verricht naar de verschillende opties, die voor de PBM-richtlijn exact dezelfde zijn. Het verslag bevatte ook een analyse van de gevolgen van de aanpassing van de wetgeving aan de bepalingen van het NWK-besluit.

Daarom zijn die aspecten niet onderzocht in het effectbeoordelingsverslag van de herziening van de PBM-richtlijn en was het verslag gericht op specifieke kwesties in verband met de PBM-richtlijn en op de manieren om die aan te pakken.

In 2010 is er een externe studie[11] gestart en voltooid om de resultaten van de raadpleging aan te vullen. De studie geeft een overzicht van de structuur van het PBM-markt en beoordeelt de effecten van de voorgestelde maatregelen.

In 2012 is nog een aanvullende studie uitgevoerd. Deze was gericht op de analyse van de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen voor het concurrentievermogen[12].

Op basis van de verzamelde informatie werden in de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling drie opties met betrekking tot problemen en kwesties in verband met de PBM-richtlijn onderzocht en vergeleken.

Optie 1 - "Niets doen" – Geen wijzigingen in de huidige situatie

Deze optie stelt geen wijzigingen in de PBM-richtlijn voor.

Optie 2 — Interventie door middel van niet-wetgevende maatregelen

Optie 2 omvat vrijwillige maatregelen om de geconstateerde problemen op te lossen, bijvoorbeeld richtsnoeren met een gezamenlijk overeengekomen interpretatie van de PBM-richtlijn.

Optie 3 — Interventie door middel van niet-wetgevende maatregelen

Deze optie houdt wijziging van de PBM-richtlijn in.

Optie 3 heeft de voorkeur, om de volgende redenen:

– deze optie is doeltreffender dan optie 2: gezien de gebrekkige handhavingsmogelijkheden van optie 2 is het twijfelachtig of de positieve gevolgen van die optie zich werkelijk zullen voordoen;

– betere bescherming van de gezondheid en veiligheid van de gebruikers in een kader dat rechtszekerheid biedt;

– doeltreffender werkzaamheden van de markttoezichtautoriteiten en bijgevolg minder niet-conforme producten en eerlijkere concurrentievoorwaarden;

– geen significante kosten voor marktdeelnemers en aangemelde instanties; voor fabrikanten van producten die nog niet onder de PBM-richtlijn vallen, zullen de kosten hoger zijn, maar dit geldt alleen voor de fabrikanten die op het ogenblik niet aan de basisvoorwaarden voldoen; die producten worden echter in massaproductie vervaardigd, zodat de kosten per eenheid laag zijn;

– beter concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven omdat deze optie zorgt voor gelijke concurrentievoorwaarden voor de marktdeelnemers en voor een betere bescherming van de PBM-gebruikers;

– de opties 1 en 2 bieden geen oplossing voor juridische inconsistenties of dubbelzinnigheden en leiden derhalve niet tot een betere uitvoering van de richtlijn persoonlijke beschermingsmiddelen.

3.           JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL

3.1. Werkingssfeer en definities

Het toepassingsgebied van de voorgestelde verordening is ruimer dan dat van Richtlijn 89/686/EEG. De in bijlage I bij Richtlijn 89/686/EEG opgenomen uitsluiting van PBM die zijn ontworpen en vervaardigd voor particulier gebruik tegen warmte, vocht en water, zijn geschrapt. Deze producten zijn opgenomen in het toepassingsgebied van de voorgestelde verordening.

Het voorstel handhaaft de andere bestaande uitsluitingen en verduidelijkt dat het niet van toepassing is op PBM voor hoofd-, gezichts- en oogbescherming, die onder het toepasselijke VN/ECE-reglement vallen, voor gebruikers van motorvoertuigen met twee of drie wielen.

Twee voor PBM specifieke definities zijn toegevoegd om de toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedures te verduidelijken: "Individueel aangepaste PBM" en "op maat vervaardigde PBM".

In aanvulling hierop zijn de algemene definities van het NWK-besluit ingevoegd.

3.2. Op de markt aanbieden, vrij verkeer, verplichtingen van marktdeelnemers, CE-markering

Het voorstel bevat de gebruikelijke bepalingen voor productgerelateerde harmonisatiewetgeving van de Unie en stelt de verplichtingen vast van de betrokken ondernemers (fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs), in overeenstemming met het NWK-besluit.

Het voorstel verplicht de PBM-fabrikant om technische documentatie op te stellen en ervoor te zorgen dat het PBM vergezeld gaat van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring.

3.3. Aangemelde instanties

Het is van cruciaal belang dat de aangemelde instanties adequaat functioneren met het oog op een hoog niveau van gezondheids- en veiligheidsbescherming en op het vertrouwen van de burgers in het "nieuwe aanpak"-systeem.

Daarom behelst het voorstel, overeenkomstig het NWK-besluit, eisen voor de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de conformiteitsbeoordelingsinstanties (aangemelde instanties). Het legt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het aanwijzen en controleren van de aangemelde instanties bij de afzonderlijke lidstaat.

3.4. Categorieën en conformiteitsbeoordeling

Het voorstel voorziet in een vereenvoudiging van de definitie van de categorieën van PBM. De categorie is alleen afhankelijk van het risico waartegen het PBM beoogt te beschermen. De risico’s van elke categorie worden vastgesteld in bijlage I. Op maat gemaakte PBM worden gedefinieerd als categorie II.

De te volgen conformiteitsbeoordelingsprocedures zijn afhankelijk van de categorie van het PBM.

De voorgestelde verordening wijzigt de categorie van enkele typen PBM ten opzichte van Richtlijn 89/686/EEG. PBM die bestemd zijn om de gebruiker te beschermen tegen verdrinking, snijwonden door kettingzagen en hogedrukzagen, schotwonden of messteken, en schadelijk lawaai zijn opgenomen in categorie III en onderworpen aan de meest stringente conformiteitsbeoordelingsprocedure.

Het voorstel handhaaft de toepasselijke beoordelingsprocedures van Richtlijn 89/686/EEG. Het actualiseert echter de desbetreffende modules in overeenstemming met het NWK-besluit.

In module B, EU-typeonderzoek, worden aanvullende eisen ingevoerd met betrekking tot de minimuminhoud en de duur van de geldigheid van certificaten van het EU-typeonderzoek. De module voorziet in een procedure voor een herziening van het certificaat.

Module B vereist ook specifieke maatregelen voor individueel aangepaste PBM en op maat gemaakte PBM.

3.5. Essentiële veiligheids- en gezondheidseisen

De voorgestelde verordening brengt marginale wijzigingen aan in drie essentiële gezondheids- en veiligheidseisen die zijn opgenomen in bijlage II. De essentiële gezondheids- en veiligheidseisen 3.1.3, 3.5 en 3.9.1 worden gewijzigd door het schrappen van voorschriften waarvan is gebleken dat ze onuitvoerbaar waren of tot verwarring leidden.

3.6. Uitvoeringshandelingen

Het voorstel machtigt de Commissie om zo nodig uitvoeringshandelingen vast te stellen met het oog op een eenvormige toepassing van deze verordening ten aanzien van aangemelde instanties die niet of niet meer aan de vereisten voor hun aanmelding voldoen.

Deze uitvoeringshandelingen zullen worden goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen over uitvoeringshandelingen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

3.7. Gedelegeerde handelingen

Het voorstel machtigt de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen om de categorie van een specifiek risico te wijzigen teneinde rekening te houden met de vooruitgang van de techniek en nieuwe wetenschappelijke gegevens.

3.8. Slotbepalingen

De voorgestelde verordening zal twee jaar na haar inwerkingtreding van toepassing worden om de fabrikanten, aangemelde instanties en lidstaten de nodige tijd te geven om zich aan te passen aan de nieuwe voorschriften.

Niettemin moet de aanwijzing van aangemelde instanties op grond van de nieuwe vereisten en procedure kort na de inwerkingtreding van deze verordening beginnen. Dit zal ervoor zorgen dat tegen de toepassingsdatum van de voorgestelde verordening voldoende aangemelde instanties zijn aangewezen in overeenstemming met de nieuwe voorschriften om problemen met de continuïteit en de voorziening van de markt te voorkomen.

Er zijn overgangsbepalingen opgenomen voor de producten die zijn vervaardigd en de certificaten die door aangemelde instanties zijn afgegeven overeenkomstig Richtlijn 89/686/EEG, zodat de voorraden kunnen worden geabsorbeerd en de overgang naar de nieuwe vereisten soepel verloopt.

Richtlijn 89/686/EEG zal worden ingetrokken en vervangen door de voorgestelde verordening.

3.10. Bevoegdheid van de Unie, rechtsgrondslag, subsidiariteitsbeginsel en juridische vorm

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is met name aan de orde bij de nieuwe bepalingen die bedoeld zijn om de effectieve handhaving van Richtlijn 89/686/EEG te verbeteren, namelijk de verplichtingen voor importeurs en distributeurs, de traceerbaarheidsbepalingen, de bepalingen over de beoordeling en de aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties.

Uit ervaring met de handhaving van de wetgeving is gebleken dat maatregelen die op nationaal niveau werden genomen, tot uiteenlopende benaderingswijzen en een verschillende behandeling van marktdeelnemers in de EU hebben geleid, hetgeen de doelen van Richtlijn 89/686/EEG ondermijnt. Als er op nationaal niveau maatregelen worden getroffen om de problemen aan te pakken, houdt dit het risico in dat belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen worden opgeworpen. Bovendien zijn nationale maatregelen beperkt tot de territoriale bevoegdheid van een lidstaat. De gestelde doelen en met name een doeltreffender markttoezicht kunnen veel beter worden bereikt door gecoördineerd optreden op EU-niveau. Daarom is het zinvoller op EU-niveau maatregelen te treffen.

Evenredigheidsbeginsel

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

De nieuwe of gewijzigde verplichtingen leiden niet tot onnodige lasten en kosten voor de bedrijfstak, en in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen, of voor overheidsinstanties. Voor wijzigingen met negatieve gevolgen kon op basis van de analyse van de gevolgen van de optie de meest evenredige oplossing voor de geconstateerde problemen worden gekozen. Bij een aantal wijzigingen wordt de duidelijkheid van de bestaande richtlijn verbeterd, zonder dat belangrijke nieuwe eisen worden opgelegd waaraan extra kosten verbonden zijn.

Gebruikte wetgevingstechniek

Het voorstel heeft de vorm van een verordening.

De voorgestelde verandering van een richtlijn naar een verordening houdt rekening met de algemene doelstelling van de Commissie om de regelgeving te vereenvoudigen en de noodzaak van een uniforme tenuitvoerlegging van de voorgestelde wetgeving in de gehele Unie.

Het gebruik van een verordening is niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Deze wetgeving is gebaseerd op artikel 114 VWEU en heeft als doel het waarborgen van de goede werking van de interne markt voor persoonlijke beschermingsmiddelen. Om dit doel te bereiken is de PBM-richtlijn 89/686/EEG een totale-harmonisatierichtlijn. De lidstaten mogen geen strengere of bijkomende voorschriften in hun nationale wetgeving voor het in de handel brengen van PBM opleggen. Met name moeten de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voor producten en de conformiteitsbeoordelingsprocedures voor fabrikanten identiek zijn in alle lidstaten. Gezien deze mate van harmonisatie, die nodig is om belemmeringen voor het vrije verkeer van PBM te voorkomen, hebben de lidstaten nauwelijks flexibiliteit bij de omzetting van de richtlijn in hun nationale wetgeving, en de inhoud ervan is in veel gevallen letterlijk overgenomen in de nationale omzettingswetgeving.

Hetzelfde geldt voor de nieuwe bepalingen die zullen worden opgenomen in de tekst na de aanpassing aan het NWK-Besluit nr. 768/2008/EG. Deze bepalingen bevatten eisen, verplichtingen en procedures voor de fabrikanten, importeurs en distributeurs van PBM en voor de aangemelde instanties die de conformiteitsbeoordelingsprocedures uitvoeren. Al deze bepalingen zijn duidelijk en nauwkeurig genoeg om rechtstreeks te worden toegepast door de betrokken actoren.

De verplichtingen uit hoofde van de wetgeving voor de lidstaten, zoals de verplichting om de conformiteitsbeoordelingsinstanties te beoordelen, te benoemen en aan te melden, worden in elk geval niet als zodanig omgezet in nationale wetgeving, maar door de lidstaten ten uitvoer gelegd door middel van de noodzakelijke regulering en bestuurlijke maatregelen. Dit zal niet veranderen wanneer de betrokken verplichtingen zijn opgenomen in een verordening.

De overgang van een richtlijn naar een verordening zal niet leiden tot een wijziging in de regelgevingsaanpak. De kenmerken van de nieuwe aanpak zullen volledig worden gehandhaafd, in het bijzonder de flexibiliteit voor fabrikanten in de keuze van de gebruikte middelen om te voldoen aan de essentiële eisen (geharmoniseerde normen of andere technische specificaties) en in de keuze uit de beschikbare beoordelingsprocedures om de conformiteit aan te tonen. De bestaande mechanismen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de wetgeving (normalisatieproces, werkgroepen, markttoezicht, administratieve samenwerking (ADCO), de ontwikkeling van richtsnoeren, enz.) worden niet beïnvloed door de aard van het juridische instrument en blijven op dezelfde manier functioneren in het kader van de verordening als nu in het kader van de richtlijn.

Ten slotte voorkomt het gebruik van verordeningen voor wetgeving inzake de interne markt, ook in overeenstemming met de voorkeur van de belanghebbenden, dat de lidstaten onnodige voorschriften toevoegen ("goldplating"). Bovendien kunnen de fabrikanten zo rechtstreeks met de tekst van de verordening werken in plaats van de omzettingswetgeving van 28 lidstaten te moeten verzamelen en bestuderen.

Daarom is de keuze voor een verordening de meest geschikte oplossing voor alle betrokken partijen, aangezien die tot een snellere en meer coherente toepassing van de voorgestelde wetgeving zal leiden en een duidelijker regelgevingskader voor de marktdeelnemers zal scheppen.

4.           GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU.

5.           FACULTATIEVE ELEMENTEN

Intrekking van bestaande wetgeving

De vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van Richtlijn 89/686/EG tot gevolg.

Europese Economische Ruimte

Het voorstel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte.

2014/0108 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)       Richtlijn 89/686/EEG van de Raad[13] is vastgesteld in het kader van de totstandbrenging van de interne markt met het oog op de harmonisering van veiligheids- en gezondheidseisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) in alle lidstaten en op het wegnemen van belemmeringen voor de handel in PBM tussen de lidstaten.

(2)       Richtlijn 89/686/EEG is gebaseerd op de beginselen van de nieuwe aanpak, die uiteengezet zijn in de resolutie van de Raad betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie[14]. Dit betekent dat de richtlijn alleen de essentiële veiligheidseisen vaststelt die op PBM van toepassing zijn, terwijl de technische bijzonderheden zijn vastgesteld door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad[15]. Conformiteit met de aldus vastgestelde geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt, vestigt het vermoeden van conformiteit met de eisen van Richtlijn 89/686/EG. De ervaring heeft geleerd dat deze basisbeginselen in deze sector goed werken en moeten worden behouden en nog verder moeten worden bevorderd.

(3)       Bij de toepassing van de richtlijn zijn echter onvolkomenheden en inconsistenties in de productomschrijving en conformiteitsbeoordelingsprocedures aan het licht gekomen. Om rekening te houden met deze ervaring en om het kader voor het verhandelen van onder deze verordening vallende producten te verduidelijken, moeten bepaalde aspecten van Richtlijn 89/686/EEG worden herzien en verbeterd.

(4)       Aangezien de reikwijdte, de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen en de conformiteitsbeoordelingsprocedures identiek zijn in alle lidstaten, is er nagenoeg geen flexibiliteit bij de omzetting in nationale wetgeving van richtlijnen die zijn gebaseerd op de beginselen van de nieuwe aanpak. Daarom dient Richtlijn 89/686/EEG te worden vervangen door een verordening, het geschikte rechtsinstrument om duidelijke en gedetailleerde regels op te leggen die in de lidstaten geen speelruimte laten voor een afwijkende omzetting.

(5)       Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad[16] bevat horizontale voorschriften voor de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor de CE-markering.

(6)       Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad[17] omvat gemeenschappelijke beginselen en referentiebepalingen voor op de beginselen van de nieuwe aanpak gebaseerde wetgeving. Om te zorgen voor consistentie met andere sectorale productwetgeving moeten bepaalde bepalingen van deze verordening op dat besluit worden afgestemd, tenzij de bijzonderheden van de sector een andere oplossing vereisen. Daarom moeten bepaalde definities, de algemene verplichtingen van marktdeelnemers, de bepalingen betreffende het vermoeden van conformiteit, de EU-conformiteitsverklaring, de voorschriften voor de CE-markering, de eisen voor conformiteitsbeoordelingsinstanties en de aanmeldingsprocedures, en de bepalingen betreffende de procedures voor producten die een risico opleveren, op dat besluit worden afgestemd.

(7)       Verordening (EU) nr. 1025/2012 voorziet in een procedure voor bezwaren tegen geharmoniseerde normen die niet volledig aan de eisen van deze verordening voldoen.

(8)       Verordening (EU) nr. xx/xxxx van het Europees Parlement en de Raad[18] bevat gedetailleerde regels inzake markttoezicht en controles van geharmoniseerde producten, met inbegrip van de PBM uit derde landen die de Unie worden binnengebracht. Op grond van die verordening moeten de lidstaten markttoezicht organiseren en uitvoeren overeenkomstig die verordening, markttoezichtautoriteiten benoemen, hun bevoegdheden en taken specificeren, en de oprichting van algemene en sectorspecifieke programma’s voor markttoezicht opstellen. Die verordening bevat ook een vrijwaringsclausuleprocedure.

(9)       Sommige producten op de markt met een beschermende functie voor de gebruiker vallen buiten Richtlijn 89/686/EEG. Om te zorgen voor een even hoog beschermingsniveau voor de gebruiker van deze producten als voor de PBM die onder Richtlijn 89/686/EEG vallen, dient de werkingssfeer van deze verordening ook PBM voor particulier gebruik tegen vocht, water en warmte te omvatten (bv. afwashandschoenen, ovenwanten), in overeenstemming met soortgelijke PBM voor professioneel gebruik die reeds onder Richtlijn 89/686/EEG vallen. Ambachtelijke producten, zoals handgemaakte handschoenen, waarvoor de producent niet expliciet een beschermingsfunctie claimt, zijn geen PBM en blijven daarom buiten beschouwing. Verder moet de uitsluitingslijst in bijlage I bij Richtlijn 89/686/EEG worden verduidelijkt, door toevoeging van een verwijzing naar de producten die onder de wetgeving vallen en daarom buiten de PBM-verordening vallen.

(10)     Om het begrip en de uniforme toepassing van deze verordening van deze verordening te vergemakkelijken, moeten nieuwe definities voor "individueel aangepaste PBM" en "op maat gemaakte PBM" worden ingevoerd en moeten de conformiteitsbeoordelingsprocedures voor die PBM-soorten worden aangepast aan de specifieke omstandigheden van hun productie.

(11)     Het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers dat producten conform zijn met de gestelde eisen, in overeenstemming met de respectieve rol die zij vervullen in de toeleveringsketen, teneinde algemene belangen zoals gezondheid en veiligheid, en de gebruikers in grote mate te beschermen en eerlijke mededinging op de markt van de Unie te waarborgen.

(12)     Alle marktdeelnemers die een rol vervullen in de toeleverings- en distributieketen moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat PBM de gezondheid en de veiligheid van personen beschermen en dat zij uitsluitend producten op de markt aanbieden die aan deze verordening voldoen. Deze verordening moet zorgen voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van alle marktdeelnemers in de toeleverings- en distributieketen.

(13)     De fabrikant, die op de hoogte is van de details van het ontwerp- en productieproces, is het best in staat om de conformiteitsbeoordelingsprocedure volledig uit te voeren. De verplichting om een beoordeling ten behoeve van overeenstemming uit te voeren, moet daarom uitsluitend op de fabrikant blijven rusten.

(14)     Er moet worden gewaarborgd dat PBM in de Unie in de handel komen, aan de eisen van deze verordening voldoen, en met name dat de fabrikanten adequate beoordelingsprocedures hebben uitgevoerd. Daarom moet worden bepaald dat importeurs erop toezien dat de PBM die zij in de handel brengen aan de eisen van deze verordening voldoen en dat zij geen producten in de handel brengen die niet aan deze eisen voldoen of een risico inhouden. Er moet eveneens worden bepaald dat importeurs erop toezien dat er conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben plaatsgevonden en dat de CE-markering en technische documenten die de fabrikanten opstellen ter beschikking staan van de markttoezichtautoriteiten.

(15)     Distributeurs bieden een PBM pas aan op de markt nadat het door de fabrikant of de importeur in de handel is gebracht, en moeten de nodige zorgvuldigheid betrachten om ervoor te zorgen dat de wijze waarop zij met het PBM omgaan geen negatieve invloed heeft op de conformiteit van het PBM.

(16)     Wanneer importeurs PBM in de handel brengen, moeten zij hun naam en contactadres op het product vermelden. Er dient te worden voorzien in uitzonderingen hierop wanneer een dergelijke vermelding door de omvang of aard van het PBM niet mogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de importeur de verpakking zou moeten openen om zijn naam en adres op het product te vermelden.

(17)     Wanneer een marktdeelnemer een PBM onder zijn eigen naam of handelsmerk in de handel brengt of een product zodanig wijzigt dat de conformiteit met de eisen van deze verordening in het gedrang kan komen, moet hij als fabrikant worden beschouwd en de verplichtingen van de fabrikant op zich nemen.

(18)     Distributeurs en importeurs moeten, aangezien zij dicht bij de markt staan, worden betrokken bij de markttoezichttaken van de bevoegde nationale autoriteiten, en moeten bereid zijn actief medewerking te verlenen en die autoriteiten alle nodige informatie over het product te verstrekken.

(19)     Het markttoezicht wordt eenvoudiger en doeltreffender wanneer gewaarborgd wordt dat PBM in de toeleveringsketen traceerbaar is. Een efficiënt traceringssysteem vergemakkelijkt de taak van de markttoezichtautoriteiten bij het opsporen van marktdeelnemers die niet-conforme producten op de markt hebben aangeboden.

(20)     Om bepaalde fundamentele veiligheidseisen te vereenvoudigen en ze aan te passen aan de huidige praktijk, moet het voorschrift om PBM die tegen schadelijk lawaai beschermen van een label met de comfortindex te voorzien, worden ingetrokken omdat de ervaring heeft geleerd dat het niet mogelijk is om een dergelijke index te meten en vast te stellen. Wat mechanische trillingen betreft, moet het voorschrift om de grenswaarden in de wetgeving van de Unie inzake de blootstelling van werknemers aan trillingen niet de overschrijden, worden ingetrokken omdat het gebruik van PBM op zichzelf deze doelstelling niet kan verwezenlijken. Met betrekking tot PBM die tegen straling beschermt, is het niet langer nodig te eisen dat de door de fabrikant geleverde gebruiksaanwijzing de transmissiekrommen vermeldt, aangezien de vermelding van de beschermingsklasse nuttiger is en toereikend is voor de gebruiker.

(21)     De relatie en het toepassingsgebied van deze verordening tot het recht van de lidstaten om voorschriften uit te vaardigen voor het gebruik van PBM op het werk, met name in het kader van Richtlijn 89/656/EEG van de Raad[19], dient duidelijk te worden aangegeven om verwarring en dubbelzinnigheid te voorkomen en het vrije verkeer van PBM te garanderen.

(22)     Het is gebleken dat het vereiste in andere interne-marktwetgeving om een EU-conformiteitsverklaring te verstrekken bij de uitrusting het markttoezicht vergemakkelijkt en de doelmatigheid vergroot, en daarom moet het eveneens in deze verordening worden opgenomen. Het moet mogelijk zijn om een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring te verstrekken om de lasten die gepaard gaan met deze eis te verlagen zonder de doelmatigheid ervan te verminderen. Daarom moeten beide mogelijkheden in deze verordening worden geboden.

(23)     Met het oog op een efficiënter markttoezicht moet de verplichting om een volledige technische documentatie op te stellen, worden uitgebreid tot alle beschermingsmiddelen.

(24)     Om te zorgen dat PBM worden onderzocht op basis van de stand van de techniek, moet de geldigheid van het certificaat van EU-typeonderzoek worden vastgesteld op maximaal vijf jaar. Er moet worden voorzien in een evaluatieproces voor het certificaat. Er moet een minimuminhoud van het certificaat worden vastgesteld om de taak van de markttoezichtautoriteiten te vergemakkelijken.

(25)     De CE-markering, waarmee de conformiteit van een product wordt aangegeven, is de zichtbare uitkomst van het proces van conformiteitsbeoordeling in brede zin. De algemene beginselen voor de CE-markering zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 765/2008. In deze verordening moeten voorschriften met betrekking tot het aanbrengen van de CE-markering op PBM worden vastgesteld.

(26)     Het is van cruciaal belang dat aan fabrikanten en gebruikers duidelijk wordt gemaakt dat de fabrikant door het aanbrengen van de CE-markering verklaart dat het product aan deze verordening beantwoordt en dat hij de volledige verantwoordelijkheid daarvoor op zich neemt.

(27)     De CE-markering moet de enige markering zijn die aangeeft dat het PBM conform is met de harmonisatiewetgeving van de Unie. Andere markeringen moeten evenwel worden toegestaan als zij bijdragen aan een betere bescherming van de consument en niet onder de harmonisatiewetgeving van de Unie vallen.

(28)     Om ervoor te zorgen dat de essentiële veiligheidseisen worden nageleefd, moeten passende conformiteitsbeoordelingsprocedures ten behoeve van overeenstemming voor fabrikanten worden vastgesteld. In Richtlijn 89/686/EEG worden PBM die zijn onderworpen aan conformiteitsbeoordelingsprocedures ingedeeld in drie categorieën. Om een constant hoog veiligheidsniveau voor alle PBM te garanderen, dient de lijst van producten die onder een van de conformiteitbeoordelingsprocedures met betrekking tot de productiefase vallen, te worden uitgebreid. De conformiteitbeoordelingsprocedures voor elke categorie PBM moeten zoveel mogelijk worden vastgesteld op basis van de conformiteitsbeoordelingsmodules die zijn vastgelegd in Besluit 768/2008/EG.

(29)     Het is noodzakelijk te zorgen voor een eenvormig hoog prestatieniveau van de conformiteitsbeoordelingsinstanties voor PBM in de hele Unie, en al deze instanties moeten hun functies op hetzelfde niveau en onder eerlijke concurrentievoorwaarden verrichten. Daarom moeten verplichte eisen worden vastgesteld voor conformiteitsbeoordelingsinstanties die aangemeld willen worden met het oog op het verlenen van conformiteitsbeoordelingsdiensten in de zin van deze verordening.

(30)     Om bij de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling een consistent kwaliteitsniveau van PBM te kunnen waarborgen, moeten ook eisen worden vastgesteld waaraan de aanmeldende autoriteiten en andere instanties die bij de beoordeling en aanmelding van en bij het toezicht op aangemelde instanties betrokken zijn, moeten voldoen.

(31)     Teneinde rekening te houden met de vooruitgang in de technische kennis en nieuwe wetenschappelijke kennis moet aan de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de bevoegdheid worden overgedragen om wijzigingen aan te brengen in de lijst van PBM die in elke categorie zijn opgenomen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(32)     Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad[20]. Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen teneinde de aanmeldende lidstaat te verzoeken de nodige corrigerende maatregelen te nemen ten aanzien van aangemelde instanties die niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoen, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast.

(33)     De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op de bepalingen van deze verordening en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(34)     Om fabrikanten en andere marktdeelnemers voldoende tijd te gunnen om zich aan de voorschriften van deze verordening aan te passen, moet er na de inwerkingtreding van deze verordening een adequate overgangsperiode zijn waarin PBM die aan Richtlijn 89/686/EG voldoen nog in de handel mogen worden gebracht.

(35)     Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor menselijke gezondheid en veiligheid en van de werking van de interne markt door geharmoniseerde gezondheids- en veiligheidseisen voor PBM en minimumeisen voor markttoezicht vast te stellen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(36)     Richtlijn 89/686/EEG is verscheidene keren gewijzigd. Aangezien nieuwe, ingrijpende wijzigingen moeten worden aangebracht en om te zorgen voor een uniforme tenuitvoerlegging in de hele Unie moet Richtlijn 89/686/EEG worden ingetrokken en worden vervangen door een verordening.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat voorschriften voor het ontwerp en de vervaardiging van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van gebruikers en regels voor het vrije verkeer in de Unie.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.           Deze verordening is van toepassing op persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) zoals omschreven in artikel 3.

2.           Deze verordening is niet van toepassing op PBM:

(a) die speciaal zijn ontworpen voor de strijdkrachten of voor de ordehandhaving;

(b) bestemd voor gebruik ter zelfverdediging;

(c) bestemd voor particulier gebruik ter bescherming tegen weersomstandigheden die niet uitzonderlijk of extreem van aard zijn;

(d) voor gebruik op zeeschepen of luchtvaartuigen die vallen onder de desbetreffende internationale verdragen die in de lidstaten van toepassing zijn;

(e) voor hoofd-, gezichts- en oogbescherming voor gebruikers, die vallen onder het toepasselijke reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van motorvoertuigen met twee of drie wielen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

1.           "persoonlijk beschermingsmiddel" (PBM):

(a) uitrustingsstuk dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden ter bescherming tegen een of meer gevaren voor zijn of haar gezondheid of veiligheid en dat afzonderlijk of gecombineerd met niet-beschermende persoonlijke uitrustingsstukken in de handel wordt gebracht;

(b) verwisselbare onderdelen voor uitrusting als bedoeld onder a) die essentieel zijn voor de beschermende functie ervan;

(c) verbindingssystemen voor uitrusting als bedoeld onder a) die niet door een persoon worden vastgehouden of gedragen en die bestemd zijn om die uitrusting te koppelen aan een externe voorziening of structuur, en die niet bedoeld zijn om permanent aan een structuur te zijn vastgemaakt;

2.           "individueel aangepast PBM": PBM dat in serie is vervaardigd, waarbij elk artikel wordt aangepast aan de individuele gebruiker;

3.           "op maat vervaardigd PBM": PBM dat individueel is vervaardigd om te voldoen aan de bijzondere behoeften van een individuele gebruiker, uitgaande van een basismodel, volgens de instructies van de ontwerper van dat basismodel, waarbij de variaties binnen de toegelaten marges blijven;

4.           "op de markt aanbieden": het leveren van PBM met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, op de markt van de Unie;

5.           "in de handel brengen": het voor het eerst aanbieden van PBM op de markt van de Unie;

6.           "fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die PBM ontwerpt of vervaardigt, of laat ontwerpen of vervaardigen, en onder zijn naam of handelsmerk in de handel brengt; voor de toepassing van artikel 8, lid 2, tweede alinea, wordt de ontwerper van een basismodel van op maat vervaardigde PBM als fabrikant aangemerkt;

7.           "gemachtigde": een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te vervullen;

8.           "importeur": een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die PBM uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

9.           "distributeur": een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, verschillend van de fabrikant of de importeur, die PBM op de markt aanbiedt;

10.         "marktdeelnemers": de fabrikant, de gemachtigde, de importeur en de distributeur;

11.         "technische specificatie": een document dat de technische eisen voorschrijft waaraan PBM moeten voldoen;

12.         "geharmoniseerde norm": geharmoniseerde norm zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

13.         "accreditatie": accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

14.         "nationale accreditatie-instantie": accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

15.         "conformiteitsbeoordeling": het proces om aan te tonen of aan de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van deze verordening met betrekking tot een PBM is voldaan;

16.         "conformiteitsbeoordelingsinstantie": een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verricht, zoals onder meer ijken, testen, certificeren en inspecteren;

17.         "terugroepen": maatregel waarmee wordt beoogd PBM te doen terugkeren dat al aan de eindgebruiker ter beschikking is gesteld;

18.         "uit de handel nemen": maatregel waarmee wordt beoogd te voorkomen dat een PBM dat zich in de toeleveringsketen bevindt, op de markt wordt aangeboden;

19.         "CE-markering": een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het PBM in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Unie die in het aanbrengen ervan voorziet;

20.         "harmonisatiewetgeving van de Unie": alle wetgeving van de Unie die de voorwaarden voor het verhandelen van producten harmoniseert.

Artikel 4

Op de markt aanbieden

De lidstaten treffen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat PBM uitsluitend op de markt worden aangeboden indien zij, mits op passende wijze onderhouden en gebruikt overeenkomstig het doel waarvoor zij zijn bestemd, aan deze verordening voldoen.

Artikel 5

Essentiële veiligheids- en gezondheidseisen

PBM dienen te voldoen aan de toepasselijke, in bijlage II vermelde essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.

Artikel 6

Bepalingen betreffende het gebruik van PBM

Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten, met name bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 89/656/EEG, om voorschriften vast te stellen betreffende het gebruik van PBM op voorwaarde dat deze voorschriften geen afbreuk doen aan het ontwerp van PBM die in de handel zijn gebracht overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

Artikel 7

Vrij verkeer

1.           Het is de lidstaten niet toegestaan om, wat de onder deze verordening vallende aspecten betreft, het aanbieden van PBM die aan deze verordening voldoen op hun grondgebied te verhinderen.

2.           Lidstaten mogen niet verhinderen dat PBM die niet aan deze verordening voldoen, op handelsbeurzen, tentoonstellingen en demonstraties worden vertoond, mits een zichtbaar teken duidelijk vermeldt dat het PBM niet aan deze verordening voldoet en niet op de markt wordt aangeboden totdat het in overeenstemming is gebracht.

Bij demonstraties moeten alle nodige maatregelen worden genomen om de bescherming van personen te waarborgen.

HOOFDSTUK II

VERPLICHTINGEN VAN MARKTDEELNEMERS

Artikel 8

Verplichtingen van fabrikanten

1.           Wanneer zij PBM in de handel brengen, waarborgen fabrikanten dat deze zijn ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de toepasselijke in bijlage II opgenomen essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

2.           Fabrikanten stellen de in bijlage III bedoelde technische documentatie op en voeren de in artikel 18 bedoelde relevante conformiteitsbeoordelingsprocedure(s) uit of laten deze uitvoeren.

De ontwerper van een basismodel van een op maat gemaakt PBM stelt de in bijlage III bedoelde technische documentatie op en voert het in bijlage V bedoelde EU-typeonderzoek uit of laat dit uitvoeren.

Fabrikanten van op maat gemaakte PBM voeren de in bijlage VI opgenomen conformiteitsbeoordelingsprocedure uit.

Wanneer met die procedure is aangetoond dat de PBM aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen voldoet, stelt de fabrikant een EU-conformiteitsverklaring zoals bedoeld in artikel 15 op en brengt hij de in artikel 16 bedoelde CE-markering aan.

3.           Fabrikanten bewaren de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring tot tien jaar nadat het PBM in de handel is gebracht.

4.           Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie met deze verordening te blijven waarborgen. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in het ontwerp of in de kenmerken van het PBM en met veranderingen in de geharmoniseerde normen of in andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van het PBM is verwezen.

5.           Fabrikanten zorgen ervoor dat op het PBM dat zij in de handel brengen een type-, partij- of serienummer, dan wel een ander identificatiemiddel is aangebracht, of wanneer dit door de omvang of aard van het PBM niet mogelijk is, dat de vereiste informatie op de verpakking of in een bij het PBM gevoegd document is vermeld.

6.           Fabrikanten vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op het PBM of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking ervan of in een bij het PBM gevoegd document. Het adres vermeldt één enkel punt waar contact met de fabrikant opgenomen kan worden. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

7.           Fabrikanten zien erop toe dat het PBM vergezeld gaat van de instructies die zijn vermeld in bijlage II, punt 1.4, in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die de consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen.

8.           Fabrikanten zien erop toe dat het PBM vergezeld gaat van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 15, lid 2. De fabrikanten kunnen ervoor opteren om aan deze eis te voldoen door het PBM te voorzien van de vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring als bedoeld in artikel 15, lid 3. Indien alleen de vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring wordt verstrekt, wordt deze onmiddellijk gevolgd door het juiste internetadres waar de volledige EU-conformiteitsverklaring te vinden is.

9.           Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht PBM niet conform is met deze verordening, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het PBM conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen fabrikanten, indien het PBM een risico vertoont, de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waar zij het PBM op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

10.         Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het PBM aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van de door hen in de handel gebrachte PBM.

Artikel 9

Gemachtigden

1.           Een fabrikant kan via een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanstellen. De verplichtingen uit hoofde van artikel 8, lid 1, en de verplichting om de in artikel 8, lid 2, bedoelde technische documentatie op te stellen, maken geen deel uit van het mandaat van de gemachtigde.

2.           Een gemachtigde voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Het mandaat laat de gemachtigde toe ten minste de volgende taken te verrichten:

(a) hij houdt de EU-conformiteitsverklaring en de technische documentatie ten minste gedurende tien jaar na het in de handel brengen van het PBM ter beschikking van de nationale markttoezichtautoriteiten;

(b) hij verstrekt een nationale markttoezichtautoriteit op grond van een met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het PBM aan te tonen;

(c) hij verleent op verzoek van de nationale markttoezichtautoriteit medewerking aan eventueel genomen maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van PBM die onder het mandaat van de gemachtigde vallen.

Artikel 10

Verplichtingen van importeurs

1.           Importeurs brengen alleen PBM in de handel die aan de gestelde eisen voldoen.

2.           Alvorens een PBM in de handel te brengen, zien importeurs erop toe dat de fabrikant de in artikel 18 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedure(s) heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld, dat het PBM is voorzien van de CE-markering, vergezeld gaat van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring en vergezeld gaat van de in artikel 8, lid 7, bedoelde instructies en dat de fabrikant aan de eisen van artikel 8, leden 5 en 6, heeft voldaan.

Wanneer een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een PBM niet conform is met de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II, mag hij het PBM niet in de handel brengen voordat het conform is gemaakt. Bovendien stelt de importeur, wanneer het PBM een risico vertoont, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten daarvan op de hoogte.

3.           Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op het PBM of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking ervan of in een bij het PBM gevoegd document. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

4.           Importeurs zien erop toe dat het PBM vergezeld gaat van de instructies die zijn vermeld in bijlage II, punt 1.4, in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die de consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen.

5.           Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor het PBM verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van het PBM met de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II niet in het gedrang komt.

6.           Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht PBM niet conform is met deze verordening, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het PBM conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen importeurs, indien het PBM een risico vertoont, de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waar zij het PBM op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

7.           Importeurs houden ten minste gedurende tien jaar nadat het PBM in de handel is gebracht een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

8.           Importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit op papier of elektronisch alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een PBM aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van de door hen in de handel gebrachte PBM.

Artikel 11

Verplichtingen van distributeurs

1.           Distributeurs die een PBM op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de eisen van deze verordening.

2.           Alvorens een PBM op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of het voorzien is van de CE-markering, vergezeld gaat van de conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring en vergezeld gaat van de instructies die zijn vermeld in punt 1.4 van bijlage II, in een taal die gemakkelijk kan worden begrepen door de consumenten in de lidstaat waar het PBM op de markt wordt aangeboden, of dat de fabrikant en de importeur aan de eisen in artikel 8, leden 5 en 6, en artikel 10, lid 3, hebben voldaan.

Wanneer een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een PBM niet conform is met de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II, mag hij het product pas op de markt aanbieden nadat het conform is gemaakt. Wanneer het PBM een risico vertoont, brengt de distributeur de fabrikant of de importeur hiervan bovendien op de hoogte, evenals de markttoezichtautoriteiten.

3.           Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor het PBM verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van het PBM met de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II niet in het gedrang komt.

4.           Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden PBM niet conform is met de eisen van deze verordening, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen distributeurs, indien het PBM een risico vertoont, de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waar zij het PBM op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

5.           Distributeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit op papier of elektronisch alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het PBM aan te tonen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van door hen op de markt aangeboden PBM.

Artikel 12

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze verordening als fabrikant beschouwd en hij moet aan de in artikel 8 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen wanneer hij PBM onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengt of reeds in de handel gebrachte PBM zodanig wijzigt dat de conformiteit met de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen van bijlage II in het gedrang kan komen.

Artikel 13

Identificatie van marktdeelnemers

Marktdeelnemers delen, op verzoek, aan de markttoezichtautoriteiten mee:

(a) welke marktdeelnemer PBM aan hen heeft geleverd;

(b) aan welke marktdeelnemer zij PBM hebben geleverd.

Marktdeelnemers moeten tot tien jaar nadat het PBM aan hen is geleverd en tot tien jaar nadat zij het PBM hebben geleverd, de in de eerste alinea bedoelde informatie kunnen verstrekken.

HOOFDSTUK III

CONFORMITEIT VAN HET PBM

Artikel 14

Vermoeden van conformiteit

PBM die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in bijlage II beschreven essentiële veiligheids- en gezondheidseisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

Artikel 15

EU-conformiteitsverklaring

1.           In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat aangetoond is dat aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II is voldaan.

2.           De EU-conformiteitsverklaring heeft de structuur en bevat de elementen die worden beschreven in bijlage IX en wordt voortdurend bijgewerkt. Zij wordt vertaald in de taal of talen zoals voorgeschreven door de lidstaat waar het PBM op de markt wordt aangeboden.

3.           Een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring bevat de in bijlage X vermelde elementen en wordt voortdurend bijgewerkt. Zij wordt vertaald in de taal of talen zoals voorgeschreven door de lidstaat waar het PBM op de markt wordt aangeboden. De EU-conformiteitsverklaring die toegankelijk is via het internetadres, moet beschikbaar zijn in de taal of talen zoals voorgeschreven door de lidstaat waar het PBM op de markt wordt aangeboden.

4.           Indien voor een PBM uit hoofde van meer dan één handeling van de Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt één EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Unie opgesteld. In die verklaring moet duidelijk worden aangegeven om welke handelingen van de Unie het gaat, met vermelding van de publicatiereferenties ervan.

5.           Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen, neemt de fabrikant de volledige verantwoordelijkheid voor de conformiteit van het PBM met de vereisten van deze verordening op zich.

Artikel 16

CE-markering

1.           De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

2.           De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het PBM aangebracht. Indien dit door de aard van het PBM niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking of in de begeleidende documenten.

3.           De CE-markering wordt aangebracht voordat het PBM in de handel wordt gebracht. De markering kan worden gevolgd door een pictogram of een andere aanduiding van het risico waartegen het PBM moet beschermen.

4.           Voor PBM van categorie III wordt de CE-markering gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie die betrokken is bij de procedure om de conformiteit met het type op basis van productkeuring te verzekeren of de procedure om de conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces te verzekeren.

HOOFDSTUK IV

CONFORMITEITSBEOORDELING

Artikel 17

Risicocategorieën van PBM

Alle PBM worden ingedeeld in de in bijlage I vastgestelde risicocategorieën.

Artikel 18

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

De te volgen procedures voor elke van de in bijlage I vastgestelde risicocategorieën zijn als volgt:

(a) Categorie 1: interne productiecontrole (module A) als vastgesteld in bijlage IV;

(b) Categorie II: EU-typeonderzoek (module B) als vastgesteld in bijlage V, gevolgd door conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole (module C) als vastgesteld in bijlage VI;

(c) Categorie III: EU-typeonderzoek (module B) als vastgesteld in bijlage V met een van de volgende elementen:

(1) conformiteit met het type op basis van productkeuring (module F) als vastgesteld in bijlage VII;

(2) conformiteit met het type op basis van kwaliteitsbewaking van het productieproces (module D) als vastgesteld in bijlage VIII.

HOOFDSTUK V

AANMELDING VAN CONFORMITEITSBEOORDELINGSINSTANTIES

Artikel 19

Aanmelding

De instanties die bevoegd zijn om conformiteitsbeoordelingstaken van derden uit hoofde van deze verordening te verrichten, worden door de lidstaten bij de Commissie en de andere lidstaten aangemeld.

Artikel 20

Aanmeldende autoriteiten

1.           De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van de naleving van artikel 25.

2.           De lidstaten kunnen de beoordeling en het toezicht als bedoeld in lid 1 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 laten uitvoeren door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in die verordening.

3.           Indien de aanmeldende autoriteit de beoordeling, de aanmelding of het toezicht als bedoeld in lid 1 delegeert of op andere wijze toevertrouwt aan een instantie die geen overheidsinstantie is, is deze instantie een rechtspersoon en voldoet zij mutatis mutandis aan de eisen die zijn vastgesteld in artikel 21. Bovendien moet deze instantie een regeling treffen om de aansprakelijkheid voor haar activiteiten te dekken.

4.           De aanmeldende autoriteit is volledig aansprakelijk voor de taken die de in lid 3 vermelde instantie verricht.

Artikel 21

Eisen voor aanmeldende autoriteiten

1.           Een aanmeldende autoriteit is zodanig opgericht dat zich geen belangenconflicten met conformiteitsbeoordelingsinstanties voordoen.

2.           Een aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn.

3.           Een aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd dat elk besluit in verband met de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt genomen door bekwame personen die niet de beoordeling hebben verricht.

4.           Een aanmeldende autoriteit verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie en biedt evenmin aan dergelijke activiteiten te verrichten of dergelijke adviezen te verlenen.

5.           Een aanmeldende autoriteit waarborgt dat de verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld.

6.           Een aanmeldende autoriteit beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden om haar taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 22

Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten

De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van hun procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op aangemelde instanties, en van alle wijzigingen daarin.

De Commissie maakt deze informatie openbaar.

Artikel 23

Eisen in verband met aangemelde instanties

1.           Om te kunnen worden aangemeld moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties aan de eisen in de leden 2 tot en met 11 voldoen.

2.           Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is naar nationaal recht opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid.

3.           Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is een derde partij die onafhankelijk is van de door haar beoordeelde organisatie of PBM.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers en/of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering, de montage, het gebruik of het onderhoud van door hen beoordeeld PBM, kan als een dergelijke instantie worden beschouwd op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten aangetoond worden.

4.           Een keuringsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, koper, eigenaar, gebruiker van of uitvoerder van onderhoud aan het door hen beoordeelde PBM, noch de gemachtigde van een van deze partijen. Dit belet echter niet het gebruik van beoordeelde PBM die nodig zijn voor de activiteiten van de keuringsinstantie of het gebruik van dergelijke PBM voor persoonlijke doeleinden.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet direct of indirect of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen, aanbieden, gebruiken of onderhouden van PBM. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld in het gedrang kunnen brengen. Dit geldt met name voor adviesdiensten.

Conformiteitsbeoordelingsinstanties zorgen ervoor dat de activiteiten van hun dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten.

5.           Conformiteitsbeoordelingsinstanties en hun personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.           Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die in de bijlagen V, VII en VIII aan haar zijn toegewezen en waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of deze taken door de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

De conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt te allen tijde, voor elke conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor elke soort PBM waarvoor zij is aangemeld over:

(a) het benodigde personeel met technische kennis en voldoende passende ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;

(b) de beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd. Zij beschikt over een gepast beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangemelde instantie verricht en andere activiteiten;

(c) procedures voor de uitoefening van haar activiteiten die naar behoren rekening houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, de structuur ervan, de relatieve complexiteit van de PBM-technologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met de beoordelingsactiviteiten ten behoeve van de overeenstemming op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle vereiste apparatuur en faciliteiten.

7.           Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verantwoordelijke personeel beschikt over:

(a) een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingstaken omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld;

(b) een bevredigende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;

(c) voldoende kennis over en inzicht in de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II, de desbetreffende geharmoniseerde normen en de relevante bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Unie;

(d) de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.

8.           De onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, moet worden gewaarborgd.

De beloning van de hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken van een conformiteitsbeoordelingsinstantie verricht, hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.

9.           Conformiteitsbeoordelingsinstanties sluiten een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de staat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

10.         Het personeel van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennis neemt bij de uitoefening van haar taken uit hoofde van de bijlagen V, VII en VIII of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de werkzaamheden plaatsvinden. De eigendomsrechten worden beschermd.

11.         Conformiteitsbeoordelingsinstanties nemen deel aan, of zorgen ervoor dat het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van, de desbetreffende normalisatieactiviteiten en de activiteiten van de coördinatiegroep van aangemelde instanties die is opgericht uit hoofde van deze verordening, en hanteren de door die groep genomen administratieve beslissingen en geproduceerde documenten als algemene richtsnoeren.

Artikel 24

Vermoeden van conformiteit van aangemelde instanties

Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de ter zake doende geharmoniseerde normen of delen ervan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen in artikel 23 te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.

Artikel 25

Dochterondernemingen en uitbesteding door aangemelde instanties

1.           Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen in artikel 23 voldoet, en brengt zij de aanmeldende autoriteit hiervan op de hoogte.

2.           Aangemelde instanties nemen de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze gevestigd zijn.

3.           Activiteiten mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.

4.           Aangemelde instanties houden alle relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door de onderaannemer of dochteronderneming uit hoofde van de bijlagen V, VII en VIII verrichte taken ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.

Artikel 26

Verzoek om aanmelding

1.           Een conformiteitsbeoordelingsinstantie dient een verzoek om aanmelding in bij de aanmeldende autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is.

2.           Het verzoek om aanmelding gaat vergezeld van een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsprocedure(s) en het soort PBM waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn en, indien dit bestaat, van een accreditatiecertificaat dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de eisen in artikel 23.

3.           Wanneer de betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie geen accreditatiecertificaat kan overleggen, verschaft zij de aanmeldende autoriteit alle bewijsstukken die nodig zijn om haar conformiteit met de eisen in artikel 23 te verifiëren en te erkennen en daar geregeld toezicht op te houden.

Artikel 27

Aanmeldingsprocedure

1.           Aanmeldende autoriteiten mogen uitsluitend conformiteitsbeoordelingsinstanties aanmelden die aan de eisen in artikel 23 hebben voldaan.

2.           Zij verrichten de aanmelding bij de Commissie en de andere lidstaten door middel van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.

3.           Bij de aanmelding worden de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsprocedure(s) en de betrokken soorten PBM en de desbetreffende bekwaamheidsattestatie uitvoerig beschreven.

4.           Wanneer een aanmelding niet gebaseerd is op een accreditatiecertificaat als bedoeld in artikel 26, lid 2, verschaft de aanmeldende autoriteit de Commissie en de andere lidstaten de bewijsstukken waaruit de bekwaamheid van de conformiteitsbeoordelingsinstantie blijkt, evenals de regeling die waarborgt dat de instantie regelmatig wordt gecontroleerd en zal blijven voldoen aan de eisen van artikel 23.

5.           De betrokken instantie mag de activiteiten van een aangemelde instantie alleen verrichten als de Commissie en de andere lidstaten binnen twee weken na een aanmelding indien een accreditatiecertificaat wordt gebruikt en binnen twee maanden na een aanmelding indien geen accreditatiecertificaat wordt gebruikt, geen bezwaren hebben ingediend.

Alleen een dergelijke instantie wordt voor de toepassing van deze verordening als aangemelde instantie beschouwd.

6.           De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle relevante latere wijzigingen in de aanmelding.

Artikel 28

Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties

1.           De Commissie kent aan aangemelde instanties een identificatienummer toe.

Zij kent per instantie slechts één identificatienummer toe, ook als de instantie uit hoofde van diverse handelingen van de Unie is aangemeld.

2.           De Commissie maakt de lijst van de krachtens deze verordening aangemelde instanties openbaar, met vermelding van de toegekende identificatienummers en de activiteiten waarvoor zij zijn aangemeld.

Zij zorgt ervoor dat de lijst wordt bijgewerkt.

Artikel 29

Wijzigingen van de aanmelding

1.           Wanneer een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet meer aan de eisen in artikel 23 voldoet of haar verplichtingen niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, geschorst of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan die eisen of het niet-nakomen van die verplichtingen. Zij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte.

2.           Wanneer de aanmelding wordt beperkt, geschorst of ingetrokken, of de aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de aanmeldende lidstaat het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 30

Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

1.           De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt. De aanmeldende lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.

2.           Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

3.           Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoet, stelt zij een uitvoeringshandeling vast die de aanmeldende lidstaat verzoekt de nodige corrigerende maatregelen te nemen, en zo nodig de aanmelding in te trekken.

4.           Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 38, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 31

Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

1.           Aangemelde instanties voeren conformiteitsbeoordelingen uit volgens de conformiteitsbeoordelingsprocedures in de bijlagen V, VII en VIII.

2.           De conformiteitsbeoordelingen worden op evenredige wijze uitgevoerd, waarbij voorkomen wordt de marktdeelnemers onnodig te belasten. De conformiteitsbeoordelingsinstantie houdt bij de uitoefening van haar activiteiten naar behoren rekening met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, haar structuur, de relatieve technologische complexiteit van de PBM en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Hierbij eerbiedigen zij hoe dan ook de striktheid en het beschermingsniveau die nodig zijn opdat het PBM voldoet aan de bepalingen van deze verordening.

3.           Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen in bijlage II of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen of technische specificaties, verlangt zij van de fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen conformiteitscertificaat.

4.           Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een certificaat vaststelt dat een PBM niet meer conform is met de eisen van deze verordening, verlangt zij van de fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt; zo nodig schorst zij het certificaat of trekt zij dit in.

5.           Wanneer geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, wordt het certificaat door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

Artikel 32

Beroep tegen besluiten van aangemelde instanties

De lidstaten voorzien in een beroepsprocedure tegen besluiten van de aangemelde instanties.

Artikel 33

Informatieverplichting voor aangemelde instanties

1.           Aangemelde instanties brengen de aanmeldende autoriteit op de hoogte van:

(a) elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten;

(b) omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor aanmelding;

(c) informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen;

(d) op verzoek, de binnen de werkingssfeer van hun aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

2.           Aangemelde instanties verstrekken de andere uit hoofde van deze verordening aangemelde instanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde PBM verrichten, relevante informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten, en op verzoek ook over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.

Artikel 34

Uitwisseling van ervaringen

De Commissie voorziet in de organisatie van de uitwisseling van ervaringen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aanmeldingsbeleid.

Artikel 35

Coördinatie van aangemelde instanties

De Commissie zorgt voor passende coördinatie en samenwerking tussen instanties die zijn aangemeld uit hoofde van deze verordening in de vorm van een sectorale groep van aangemelde instanties.

De lidstaten zorgen ervoor dat de door hen aangemelde instanties rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers aan de werkzaamheden van die groep deelnemen.

HOOFDSTUK VI

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 36

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 37 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen met betrekking tot de categorie van een specifiek risico, in antwoord op de technische vooruitgang en kennis of nieuwe wetenschappelijke gegevens en door rekening te houden met de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure die voor elke categorie moet worden gevolgd, in overeenstemming met artikel 18.

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.           De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.           De in artikel 36 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar na [de in artikel 42, lid 2, vastgestelde datum]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.           Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 36 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.           Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.           Een overeenkomstig artikel 36 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 38

Comitéprocedure

1.           De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.           Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VII

SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 39

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de regels ten uitvoer worden gelegd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen die bepalingen uiterlijk op [drie maanden vóór de datum van toepassing van deze verordening] aan de Commissie mee en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen.

Artikel 40

Intrekking

Richtlijn 89/686/EG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage XI opgenomen concordantietabel.

Artikel 41

Overgangsperiode

1.           Onverminderd lid 2 belemmeren de lidstaten niet dat PBM die onder Richtlijn 89/686/EG vallen en met die richtlijn in overeenstemming zijn, op de markt worden aangeboden wanneer die PBM vóór [1 jaar na de inwerkingtreding] in de handel zijn gebracht.

2.           Verklaringen van EG-typeonderzoek die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 89/686/EEG blijven geldig tot [zes jaar na de inwerkingtreding], tenzij zij voor die datum vervallen.

Artikel 42

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van [twee jaar na de inwerkingtreding].

De artikelen 19 tot en met 35 zijn echter van toepassing met ingang van [zes maanden na de inwerkingtreding].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement                        Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

[1]               PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18.

[2]               PB L 218 van 13.8.2009, blz. 82.

[3]               PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12.

[4]               Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het markttoezicht op producten en tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad, de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 1999/5/EG, 2000/9/EG, 2000/14/EG, 2001/95/EG, 2004/108/EG, 2006/42/EG, 2006/95/EG, 2007/23/EG, 2008/57/EG, 2009/48/EG, 2009/105/EG, 2009/142/EG, 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 305/2011, (EG) nr. 764/2008 en (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2013) 75 final).

[5]               PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

[6]               PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

[7]               Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's (COM(2011) 206 definitief).

[8]               PB L 393 van 30.12.1989, blz. 18.

[9]               Een verslag over de resultaten is beschikbaar op http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/mechanical/files/ppe/pc-report_en.pdf.

[10]             Nieuw wetgevingskader (NWK) — stroomlijningspakket (tenuitvoerlegging goederenpakket), werkdocument van de diensten van de Commissie — Begeleidend document bij de tien voorstellen om productharmonisatierichtlijnen op één lijn te brengen met Besluit nr. 768/2008/EG (SEC(2011) 1376 definitief).

[11]             Zie http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/mechanical/files/ppe/rev-study-assess-part1_en.pdf (deel 1 van de evaluatie) en http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/mechanical/files/ppe/rev-study-assess-part2_en.pdf (deel 2 van de effectbeoordeling).

[12]             Zie http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/mechanical/files/ppe/rev-study-competitiveness_en.pdf.

[13]             Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18).

[14]             Resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie (PB C 136 van 4.6.1985, blz. 1).

[15]             Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).

[16]             Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

[17]             Besluit 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).

[18]             [Verordening (COM/2013/075 final - 2013/0048 (COD)) betreffende het markttoezicht op producten en tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad, de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 1999/5/EG, 2000/9/EG, 2000/14/EG, 2001/95/EG, 2004/108/EG, 2006/42/EG, 2006/95/EG, 2007/23/EG, 2008/57/EG, 2009/48/EG, 2009/105/EG, 2009/142/EG, 2011/65/EU, Verordeningen (EU) nr. 305/2011, (EG) nr. 764/2008 en (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L XXXX)].

[19]             Richtlijn 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers (PB L 393 van 30.12.1989, blz. 18).

[20]             Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

BIJLAGE I

Risicocategorieën van persoonlijke beschermingsmiddelen

Categorie I

Beschermingsmiddelen bestemd om de gebruiker te beschermen tegen zeer geringe risico’s. Categorie I omvat uitsluitend PBM die bestemd zijn om de gebruiker te beschermen tegen de volgende risico's:

a)      oppervlakkig mechanisch letsel;

b)      contact met water of vrij onschadelijke schoonmaakmiddelen;

c)      contact met warme oppervlakken van niet meer dan 50°C;

d)      schade aan de ogen als gevolg van blootstelling aan zonlicht (anders dan tijdens observatie van de zon);

e)      weersomstandigheden die niet extreem van aard zijn.

Categorie II

Categorie II omvat:

a)      PBM bestemd om de gebruiker te beschermen tegen andere risico’s dan die vermeld in de categorieën I en III;

b)      op maat gemaakte PBM, behalve wanneer deze bestemd zijn om de gebruiker te beschermen tegen de risico’s vermeld in categorie I.

Categorie III

PBM bestemd om de gebruiker te beschermen tegen zeer ernstige risico’s. Categorie III omvat uitsluitend PBM die bestemd zijn om de gebruiker beschermen tegen de volgende risico's:

a)      inademen van schadelijke stoffen;

b)      agressieve chemische stoffen;

c)      ioniserende straling;

d)      warme omgeving met effecten die vergelijkbaar zijn met die van een luchttemperatuur van minstens 100°C;

e)      koude omgeving met effecten die vergelijkbaar zijn met die van een luchttemperatuur van -50°C of minder;

f)       naar beneden vallen van grote hoogte;

g)      elektrische schok en onder spanning werken;

h)      verdrinking;

i)       snijwonden door kettingzagen;

j)       hogedrukzagen;

k)      schotwonden of messteken;

l)       schadelijk lawaai.

BIJLAGE II

Essentiële gezondheids- en veiligheidseisen

1.         ALGEMENE VOORSCHRIFTEN DIE VOOR ALLE PBM GELDEN

PBM moeten passende bescherming bieden tegen de risico’s waarvoor zij bestemd zijn.

1.1.      Beginselen betreffende het ontwerp

1.1.1.   Ergonomie

PBM moeten zodanig worden ontworpen en gefabriceerd dat de gebruiker, onder de te verwachten gebruiksomstandigheden waarvoor zij bestemd zijn, de activiteit waardoor hij aan risico's wordt blootgesteld, normaal kan uitoefenen en daarbij een passende bescherming van zo hoog mogelijk niveau geniet.

1.1.2.   Beschermingsniveaus en -klassen

1.1.2.1.            Optimaal beschermingsniveau

Het optimale beschermingsniveau waarop het ontwerp moet zijn gericht is het hoogste niveau dat bereikt kan worden zonder dat hinder door het dragen van het PBM het doelmatige gebruik daarvan gedurende de blootstelling aan het risico of het normale verrichten van de werkzaamheden belet.

1.1.2.2.            Beschermingsklassen die passen bij verschillende niveaus van een risico

Wanneer er voor eenzelfde risico onderscheid wordt gemaakt tussen verscheidene niveaus in verband met te verwachten verschillende gebruiksomstandigheden moeten bij het ontwerpen van het PBM passende beschermingsklassen in aanmerking worden genomen.

1.2.      Onschadelijkheid van het PBM

1.2.1.   Afwezigheid van inherente risico's en overige factoren die hinder kunnen veroorzaken

PBM moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij onder de te verwachten gebruiksomstandigheden geen risico's of andere factoren die hinder veroorzaken opleveren.

1.2.1.1.            Gebruik van de juiste materialen

De materialen waarvan het PBM is vervaardigd, met inbegrip van de eventuele afbraakproducten, mogen geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid of veiligheid van de gebruikers.

1.2.1.2.            Geschikte oppervlaktegesteldheid van alle delen van een PBM die met de gebruiker in contact komen

Op de delen van een PBM die met de gebruiker in contact komen, of die met de gebruiker in contact kunnen komen als het PBM wordt gedragen, mogen geen oneffenheden, scherpe of uitstekende punten en dergelijke voorkomen, die ernstige irritatie of verwondingen kunnen veroorzaken.

1.2.1.3.            Maximaal toelaatbare hinder voor de gebruiker

PBM moeten zo weinig mogelijk hinder opleveren voor de te verrichten handelingen, de aan te nemen houdingen en de zintuiglijke waarnemingen; bovendien mag het gebruik van het PBM niet leiden tot handelingen de gebruiker of andere personen in gevaar kunnen brengen.

1.3.      Comfort en doelmatigheid

1.3.1.   Aanpassing van PBM aan de lichaamsbouw van de gebruiker

Beschermingsmiddelen moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij zo gemakkelijk mogelijk in de juiste positie op de gebruiker kunnen worden aangebracht, en gedurende de tijd dat zij naar verwachting moeten worden gedragen op hun plaats blijven onder de verschillende omgevingsinvloeden, bij de te verrichten handelingen en de aan te nemen lichaamshoudingen. Daarom moeten PBM zo goed mogelijk kunnen worden aangepast aan de lichaamsbouw van de gebruiker, bijvoorbeeld door middel van deugdelijke verstellings- en bevestigingssystemen of een toereikende keuze aan maten.

1.3.2.   Lichtheid en stevigheid

PBM moeten zo licht mogelijk zijn, zonder dat dit afbreuk mag doen aan de stevigheid of de doelmatigheid.

Naast de in punt 3 bedoelde bijkomende specifieke eisen waaraan zij moeten voldoen om een doelmatige bescherming te bieden tegen de risico's waarvoor zij bestemd zijn, moeten de PBM voldoende weerstand bieden tegen de gevolgen van omgevingsinvloeden die inherent zijn aan de te verwachten gebruiksomstandigheden.

1.3.3.   Verenigbaarheid van typen PBM die bestemd zijn om gelijktijdig te worden gedragen

Als een fabrikant diverse modellen op de markt brengt van verschillende typen PBM die naburige lichaamsdelen gelijktijdig moeten beschermen, dienen deze onderling verenigbaar te zijn.

1.4.      Aanwijzingen van de fabrikant

De gebruiksaanwijzing die de fabrikant verplicht is op te stellen en bij de in de handel gebrachte PBM te leveren, moet behalve naam en adres van de fabrikant of van diens gemachtigde, of beide, alle relevante informatie over de volgende punten bevatten:

a)      voorschriften voor opslag, gebruik, reiniging, onderhoud, revisie en ontsmetting. De reinigings-, onderhouds- en ontsmettingsmiddelen die door de fabrikant worden aanbevolen, mogen bij gebruik overeenkomstig de gebruiksaanwijzing geen schadelijke gevolgen voor het PBM of de gebruiker hebben;

b)      de eigenschappen die bij het technisch onderzoek naar de beschermingsniveaus of -klassen van de PBM zijn gemeten;

c)      toebehoren die bij de PBM kunnen worden gebruikt en de kenmerken van de juiste reserveonderdelen;

d)      de passende beschermingsklassen op diverse risiconiveaus en de daarmee overeenkomende aan het gebruik gestelde grenzen;

e)      de uiterste gebruiksdatum of -duur van de beschermingsmiddelen of van bepaalde onderdelen daarvan;

f)       het juiste type verpakking voor het vervoer;

g)      de betekenis van de eventuele markeringen (zie punt 2.12);

h)      in voorkomend geval de referenties van andere harmonisatiewetgeving van de Unie;

i)       naam, adres en identificatienummer van de aangemelde instantie of instanties die betrokken is of zijn bij de conformiteitsbeoordeling van het PBM.

Deze aanwijzingen moeten duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld in ten minste de officiële taal of talen van de lidstaat waarvoor zij zijn bestemd.

2.         AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN VOOR VERSCHILLENDE TYPEN PBM

2.1.      PBM die zijn voorzien van regelsystemen

Als PBM zijn voorzien van regelsystemen, moeten deze zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij, nadat zij zijn ingesteld, onder de te verwachten gebruiksomstandigheden niet onbedoeld kunnen worden ontregeld.

2.2.      Beschermingsmiddelen die de te beschermen lichaamsdelen omhullen

Beschermingsmiddelen die de te beschermen lichaamsdelen omhullen, moeten, voor zover mogelijk, voldoende worden geventileerd om transpiratie ten gevolge van het dragen te beperken; anders moeten zij worden uitgerust met voorzieningen om het transpiratievocht te absorberen.

2.3.      PBM voor gelaat, ogen en ademhalingswegen

PBM voor gelaat, ogen en ademhalingswegen dienen het gezichtsveld van de gebruiker zo min mogelijk te beperken.

De schermen voor deze typen PBM moeten een mate van optische neutraliteit hebben die verenigbaar is met de precisie en de duur van de activiteiten van de gebruiker.

Zo nodig moeten zij een bewerking ondergaan of worden uitgerust met een systeem om wasemvorming te voorkomen.

PBM die bestemd zijn voor gebruikers die correctie van het gezichtsvermogen behoeven, moeten verenigbaar zijn met het dragen van een corrigerende bril of contactlenzen.

2.4.      PBM die aan veroudering onderhevig zijn

Als bekend is dat de werking van het PBM in nieuwstaat tijdens het gebruik in belangrijke mate door veroudering kan worden aangetast, dan moet de fabricagedatum en/of, indien mogelijk, de uiterste gebruiksdatum onuitwisbaar en ondubbelzinnig worden aangebracht op elk in de handel gebracht PBM of elk inwisselbaar onderdeel van een PBM, alsmede op de verpakking.

Als de fabrikant geen concrete uitspraken kan doen over de gebruiksduur van een PBM, dan dient hij in de gebruiksaanwijzing alle nuttige informatie te verstrekken om de koper of gebruiker in staat te stellen een redelijke gebruiksduur vast te stellen, rekening houdend met de kwaliteit van het model en de daadwerkelijke omstandigheden waaronder het wordt opgeslagen, gebruikt, gereinigd, gereviseerd en onderhouden.

Als mag worden aangenomen dat de werking van de PBM snel en ingrijpend kan worden aangetast door veroudering als gevolg van het regelmatig uitvoeren van een door de fabrikant aanbevolen reiniging, dan dient de fabrikant zo mogelijk op elk exemplaar dat in de handel wordt gebracht, een opschrift aan te brengen waarin het maximale aantal reinigingen wordt aangegeven dat het PBM mag ondergaan alvorens te worden gereviseerd of afgekeurd; als dit niet mogelijk is, dan moet de fabrikant deze gegevens in de gebruiksaanwijzing vermelden.

2.5.      PBM die tijdens gebruik kunnen worden gegrepen

Wanneer onder de te verwachten gebruiksomstandigheden in het bijzonder het risico bestaat dat een PBM door een bewegend voorwerp wordt gegrepen zodat gevaar voor de gebruiker kan ontstaan, dan moet het PBM een zodanige trekvastheid hebben dat het gevaar wordt afgewend door het afbreken of -scheuren van een onderdeel.

2.6.      PBM voor gebruik in een explosieve atmosfeer

Beschermingsmiddelen die bestemd zijn voor gebruik in een potentieel explosieve atmosfeer moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij geen vonken van elektrische of elektrostatische oorsprong of van een schok afkomstige vonken kunnen veroorzaken die een explosief mengsel tot ontbranding zouden kunnen brengen.

2.7.      PBM die voor snel ingrijpen of voor snel op- en afzetten zijn bestemd

Deze typen PBM moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zo weinig mogelijk tijd nodig is om het beschermingsmiddel op en af te zetten.

Wanneer een PBM bevestigingssystemen omvat waarmee het PBM in de juiste positie op de gebruiker kan worden bevestigd en verwijderd, moet het mogelijk zijn om dit snel en gemakkelijk te doen.

2.8.      PBM bestemd voor werkzaamheden in zeer gevaarlijke omstandigheden

De aanwijzingen die door de fabrikant worden geleverd bij PBM bestemd voor werkzaamheden in zeer gevaarlijke omstandigheden moet met name gegevens bevatten die bestemd zijn voor bevoegde personen die opgeleid en gekwalificeerd zijn om deze te kunnen interpreteren en ervoor te zorgen dat de gebruiker er naar handelt.

Bovendien moet in de gebruiksaanwijzing de procedure worden beschreven die moet worden gevolgd om, nadat het PBM op de gebruiker is aangebracht, te controleren of het goed is afgesteld en kan functioneren.

Als het PBM is uitgerust met een alarmsysteem dat in werking treedt zodra de normale bescherming niet langer geboden wordt, dan dient het zodanig te zijn ontworpen en aangebracht dat het alarm door de gebruiker kan worden waargenomen onder de te verwachten gebruiksomstandigheden.

2.9.      PBM met onderdelen die door de gebruiker kunnen worden versteld of verwijderd

Als PBM zijn uitgerust met onderdelen die door de gebruiker kunnen worden versteld of verwijderd ter vervanging, moeten zij zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zij gemakkelijk kunnen worden aangebracht en verwijderd zonder gereedschap.

2.10.    PBM om te worden bevestigd aan een aanvullende voorziening buiten het PBM

Als PBM zijn uitgerust met een systeem waarmee zij kunnen worden verbonden met een andere, aanvullende voorziening, dan moet het aansluitstuk zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat het enkel op een voorziening van het juiste type kan worden aangesloten.

2.11.    Beschermingsmiddelen die zijn uitgerust met een vloeistof- of gascirculatiesysteem

Als beschermingsmiddelen zijn uitgerust met een vloeistof- of gascirculatiesysteem, dan moet dit systeem van dien aard zijn en zodanig zijn aangebracht dat de vloeistof of het gas in de nabijheid van het gehele te beschermen lichaamsdeel in voldoende mate wordt ververst, ongeacht de gebaren, houdingen of bewegingen van de gebruiker onder de te verwachten gebruiksomstandigheden.

2.12.    PBM die zijn voorzien van één of meer merktekens of indicatoren die direct of indirect betrekking hebben op de gezondheid en de veiligheid

De op deze soorten PBM aangebrachte merktekens of indicatoren die direct of indirect betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid, moeten bij voorkeur de vorm van geharmoniseerde pictogrammen of ideogrammen hebben. Zij moeten goed leesbaar en zichtbaar zijn en blijven gedurende de verwachte "levensduur'' van de PBM. Voorts moeten deze tekens volledig, duidelijk en begrijpelijk zijn, zodat verkeerde interpretatie uitgesloten is; met name moeten eventuele woorden of zinnen van dergelijke tekens gesteld zijn in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het beschermingsmiddel gebruikt wordt.

Als een PBM (of verwisselbaar onderdeel ervan) te klein is voor het geheel of gedeeltelijk aanbrengen van de nodige tekens, dan dienen deze op de verpakking en in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant te worden vermeld.

2.13.    PBM bestemd om de zichtbaarheid van de gebruiker te verbeteren

PBM bestemd voor te verwachten gebruiksomstandigheden waaronder het nodig is de aanwezigheid van de individuele gebruiker visueel kenbaar te maken, moet zijn voorzien van een (of meer) goed geplaatst(e) inrichting(en) of middel(en) die (dat) een zichtbare straling met een goede lichtsterkte en goede fotometrische en colorimetrische eigenschappen rechtstreeks uitzendt (uitzenden) dan wel reflecteert (reflecteren).

2.14.    PBM voor verschillende risico's

PBM die bestemd zijn om de gebruiker te beschermen tegen verschillende risico's die gelijktijdig kunnen optreden, moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij met name voldoen aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen die specifiek zijn voor elk van deze risico's.

3.         AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN DIE SPECIFIEK ZIJN VOOR DE TE VERMIJDEN RISICO'S

3.1.      Bescherming tegen mechanische schokken

3.1.1.   Schokken veroorzaakt door vallende of wegschietende voorwerpen en stoten van een lichaamsdeel tegen een obstakel

PBM voor dergelijke risico's moeten de gevolgen van schokken in zodanige mate kunnen verzwakken dat met name wordt voorkomen dat letsel ontstaat doordat het beschermde lichaamsdeel wordt verpletterd of doorboord; zij dienen ten minste bescherming te bieden tegen schokken tot een energieniveau waarboven de schokabsorberende voorziening een buitensporige omvang of massa zou moeten krijgen die niet verenigbaar zou zijn met een doelmatig gebruik van de PBM gedurende de tijd dat zij naar verwachting moeten worden gedragen.

3.1.2.   Val van personen

3.1.2.1. Preventie van vallen door uitglijden

De buitenzolen van veiligheidsschoeisel die zijn bestemd om uitglijden te voorkomen, moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd of uitgerust met extra middelen, dat een goede grip wordt verzekerd door wrijving, noppen of spikes, afhankelijk van de aard of de staat van de bodem.

3.1.2.2. Preventie van vallen van een hoogte

PBM bestemd om het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan te voorkomen, moeten zijn uitgerust met een voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd, en met een verbindingssysteem dat kan worden verbonden met een veilig extern verankeringspunt. Het moet zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat de valhoogte onder de te verwachten gebruiksomstandigheden zo gering mogelijk is, om te vermijden dat het lichaam tegen een obstakel stoot, waarbij de remkracht niet zo groot mag zijn dat lichamelijk letsel ontstaat of onderdelen van het PBM opengaan of afbreken, waardoor de gebruiker zou kunnen vallen.

Voorts moeten zij zodanig zijn uitgevoerd dat de gebruiker zich na de afremming in een correcte positie bevindt, waarin hij zo nodig op hulp kan wachten.

De fabrikant moet in zijn gebruiksaanwijzing met name alle relevante informatie verstrekken over:

a)      de vereiste kenmerken voor het veilige externe verankeringspunt en de noodzakelijke minimale speling onder de gebruiker;

b)      de wijze waarop de voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd het beste kan worden aangetrokken en waarop het verbindingssysteem aan het veilige verankeringspunt kan worden gekoppeld.

3.1.3.   Mechanische trillingen

PBM bestemd om de gevolgen van mechanische trillingen te voorkomen, moeten de trillingscomponenten die voor het te beschermen lichaamsdeel schadelijk zijn afdoende kunnen verzwakken.

3.2.      Bescherming tegen (statische) samendrukking van een lichaamsdeel

PBM bestemd om een lichaamsdeel te beschermen tegen statische samendrukking, moeten de gevolgen daarvan in zodanige mate kunnen verzwakken dat wordt voorkomen dat acuut letsel of chronische aandoeningen ontstaan.

3.3.      Bescherming tegen mechanisch letsel

In PBM bestemd om het gehele lichaam of lichaamsdelen te beschermen tegen oppervlakkig letsel, bij voorbeeld als gevolg van wrijving, steek-, snij- en bijtwonden, moeten de gebruikte materialen en andere onderdelen van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat dergelijke PBM in voldoende mate bestand zijn tegen afschuring, perforatie en doorsnijding (zie ook punt 3.1), rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden.

3.4.      Bescherming in het water

3.4.1.   Preventie van verdrinking

PBM bestemd om verdrinking te voorkomen moeten een gebruiker die in een vloeistof is terechtgekomen, en eventueel uitgeput of bewusteloos is, zonder zijn gezondheid te schaden zo snel mogelijk naar de oppervlakte brengen en hem daar vervolgens in een zodanige houding drijvende houden dat hij in afwachting van hulp kan ademhalen.

Het drijvend vermogen van deze PBM kan geheel of gedeeltelijk een intrinsieke eigenschap zijn, of worden verkregen door opblazing, hetzij met een gas dat automatisch of na handbediening vrijkomt, hetzij met de mond.

Onder de te verwachten gebruiksomstandigheden:

a)      moeten de PBM bestand zijn tegen de inslag in de vloeistof en tegen de omgevingsfactoren van die vloeistof, zonder dat de werking een nadelige invloed ondergaat;

b)      opblaasbare PBM moeten snel en volledig kunnen worden opgeblazen.

Wanneer te verwachten speciale gebruiksomstandigheden zulks vereisen, moeten bepaalde typen PBM voorts voldoen aan één of meer van de volgende aanvullende voorschriften:

a)      zij moeten alle in de tweede alinea bedoelde opblaasinrichtingen, en/of een licht- of geluidssignaalinrichting bezitten;

b)      zij moeten een inrichting bezitten die als aangrijpingspunt en bevestigingsmiddel voor het lichaam dient zodat de gebruiker uit de vloeistof kan worden gehaald;

c)      zij moeten geschikt zijn voor een langdurig gebruik tijdens de hele duur van de activiteit waarbij de eventueel geklede gebruiker blootgesteld is aan het risico dat hij in de vloeistof valt;

3.4.2.   Drijfhulpmiddelen

Kleding die een doelmatig drijvend vermogen waarborgt gelet op het te verwachten gebruik, die veilig kan worden gedragen en die positieve steun geeft in het water. Onder de te verwachten gebruiksomstandigheden mag dit beschermingsmiddel de gebruiker niet in zijn bewegingsvrijheid hinderen; hij moet met name kunnen zwemmen of het nodige kunnen doen om aan een gevaar te ontsnappen of andere personen te hulp te komen.

3.5.      Bescherming tegen de schadelijke gevolgen van lawaai

PBM bestemd om de nadelige gevolgen van lawaai te voorkomen, moeten in staat zijn om het lawaai zodanig te dempen dat de blootstelling van de gebruiker in geen geval hoger is dan de grenswaarden die zijn vastgesteld in Richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad.[1]

Op ieder PBM moet een etiket zijn aangebracht waarop het door het PBM verschafte geluiddempingsniveau staat aangegeven; indien dit onmogelijk is, moet dit etiket op de verpakking zijn aangebracht.

3.6.      Bescherming tegen hitte en/of vuur

PBM bestemd om het gehele lichaam of lichaamsdelen te beschermen tegen de gevolgen van hitte en/of vuur, moeten zo nodig een warmte-isolerend vermogen en een mechanische weerstand bezitten, die in overeenstemming zijn met de te verwachten gebruiksomstandigheden.

3.6.1.   In PBM gebruikte materialen en andere onderdelen

Materialen en andere onderdelen bestemd voor bescherming tegen warmteoverdracht door straling en convectie, moeten een geschikte doorgangscoëfficiënt voor de invallende warmtestroom bezitten en een onbrandbaarheid die zo hoog is dat er onder de te verwachten gebruiksomstandigheden geen enkel risico van zelfontbranding bestaat.           

Wanneer de buitenkant van deze materialen en onderdelen een reflecterend vermogen moet bezitten, dient dit geschikt te zijn voor de stralingswarmtestroom in het infrarood.

Materialen en andere onderdelen van PBM bestemd voor kortdurende werkzaamheden in een hete omgeving, en van PBM die kunnen worden getroffen door wegvliegende hete voorwerpen, bij voorbeeld grote hoeveelheden gesmolten materiaal, moeten bovendien een warmtecapaciteit bezitten die groot genoeg is om ervoor te zorgen dat het grootste gedeelte van de opgenomen warmte pas wordt afgegeven nadat de gebruiker de plaats waar hij aan de risico's wordt blootgesteld heeft verlaten en zich van zijn PBM heeft ontdaan.

Materialen en andere onderdelen van PBM die krachtig kunnen worden getroffen door wegvliegende hete voorwerpen moeten bovendien mechanische schokken voldoende kunnen verzwakken (zie punt 3.1).

Materialen en andere onderdelen van PBM die toevallig met een vlam in aanraking kunnen komen of die worden gebruikt voor de fabricage van brandbestrijdingsuitrusting, moeten bovendien een onbrandbaarheid bezitten die in overeenstemming is met de aard van de risico's die onder te verwachten gebruiksomstandigheden optreden. Zij mogen onder de invloed van een vlam niet smelten en evenmin een bijdrage leveren tot de uitbreiding van de vlam.

3.6.2.   Complete PBM, gereed voor het gebruik

Onder de te verwachten gebruiksomstandigheden:

a)      moet de hoeveelheid warmte die de gebruiker via zijn PBM bereikt, zo gering zijn dat tijdens het dragen ervan in het beschermde lichaamsdeel in geen geval zoveel warmte wordt geaccumuleerd dat de pijngrens wordt overschreden of de gezondheid wordt geschaad;

b)      moeten de PBM zo nodig vloeistof- of dampwerend zijn en mogen zij geen aanleiding geven tot brandwonden ten gevolge van contacten tussen de beschermende omhulling en de gebruiker.

Als PBM zijn uitgerust met een koelvoorziening waarmee de invallende warmte wordt geabsorbeerd door verdamping van een vloeistof of sublimatie van een vaste stof, dan moeten deze voorzieningen zo zijn ontworpen dat de vrijkomende vluchtige stoffen de gebruiker niet bereiken, maar buiten de beschermende omhulling terecht komen.

Als PBM zijn uitgerust met een adembeschermingsapparaat, dan moet dit onder de te verwachten gebruiksomstandigheden naar behoren bescherming bieden.

De fabrikant moet in de gebruiksaanwijzing bij elk model van een PBM bestemd voor kortdurende werkzaamheden in een hete omgeving in het bijzonder alle gegevens vermelden om te kunnen bepalen hoe lang de gebruiker maximaal mag worden blootgesteld aan de warmte die door het overeenkomstig het gebruiksdoel gebruikte PBM wordt doorgelaten.

3.7.      Bescherming tegen koude

Beschermingsmiddelen bestemd om het gehele lichaam of lichaamsdelen te beschermen tegen de gevolgen van koude moeten een warmte-isolerend vermogen en een mechanische weerstand bezitten die in overeenstemming zijn met de te verwachten gebruiksomstandigheden waarvoor zij bestemd zijn.

3.7.1.   In PBM gebruikte materialen en andere onderdelen

De in PBM gebruikte materialen en andere onderdelen die geschikt zijn voor bescherming tegen koude moeten een voor de te verwachten gebruiksomstandigheden voldoende lage doorgangscoëfficiënt voor de invallende thermische stroom bezitten. Soepele materialen en andere onderdelen van PBM bestemd voor gebruik in een koude omgeving moeten de voor de nodige bewegingen en houdingen geschikte soepelheid behouden.

Materialen en andere onderdelen van beschermingsmiddelen die krachtig kunnen worden getroffen door grote hoeveelheden koude producten, moeten bovendien mechanische schokken voldoende kunnen verzwakken (zie punt 3.1).

3.7.2.   Complete PBM, gereed voor het gebruik

Onder de te verwachten gebruiksomstandigheden zijn de volgende eisen van toepassing:

a)      moet de koudestroom die de gebruiker via zijn PBM bereikt, zo gering zijn dat tijdens het dragen ervan in elk punt van het beschermde lichaamsdeel (met inbegrip van de toppen van de vingers en de tenen) in geen geval zoveel koude wordt geaccumuleerd dat de pijngrens wordt overschreden of de gezondheid wordt geschaad;

b)      PBM moeten zo veel mogelijk het binnendringen van vloeistoffen zoals regenwater tegengaan en mogen geen wonden veroorzaken ten gevolge van contacten tussen de koude, beschermende omhulling en de gebruiker.

Als PBM zijn uitgerust met een adembeschermingsapparaat, dan moet dit onder de te verwachten gebruiksomstandigheden naar behoren bescherming bieden.

De fabrikant moet inzonderheid in de gebruiksaanwijzing bij elk model van een PBM bestemd voor kortdurende werkzaamheden in een koude omgeving alle gegevens vermelden die nodig zijn om te kunnen bepalen hoelang de gebruiker maximaal mag worden blootgesteld aan de door het beschermingsmiddel doorgelaten koude.

3.8.      Beveiliging tegen elektrische schokken

3.8.1.   Isolerend materiaal

PBM bestemd om het lichaam of een lichaamsdeel te beschermen tegen de effecten van elektrische stroom, moeten een isolerend vermogen bezitten dat in overeenstemming is met de spanning waaraan de gebruiker onder de meest ongunstige te verwachten gebruiksomstandigheden kan worden blootgesteld.

Daarom moeten de in deze PBM gebruikte materialen en andere onderdelen van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat de lekstroom door de beschermende omhulling, gemeten onder testomstandigheden met spanningen gecorreleerd met realistische spanningen, zo laag mogelijk is en in ieder geval minder dan een overeengekomen, aan de tolerantiedrempel gecorreleerde maximaal toelaatbare waarde.

Typen PBM bestemd om uitsluitend te worden gebruikt bij werkzaamheden of handelingen aan elektrische installaties die onder spanning staan of kunnen staan, alsmede de verpakking daarvan, moeten zijn voorzien van een opschrift, waarin de beschermingsklasse en/of overeenkomstige gebruiksspanning, het serienummer en de fabricagedatum worden vermeld; voorts moet aan de buitenkant van de beschermende omhulling van de PBM een ruimte zijn gereserveerd om naderhand de datum van ingebruikneming te vermelden, alsmede de data van de te verrichten periodieke tests of controles.

De fabrikant moet in het bijzonder in de gebruiksaanwijzing aangeven voor welk exclusief gebruik deze typen PBM bestemd zijn en bovendien de aard en regelmaat vermelden van de diëlektrische tests waaraan zij tijdens hun "levensduur'' moeten worden onderworpen.

3.8.2.   Geleidend materiaal

Geleidende PBM bestemd om onder spanning te werken bij hoge spanning, moet zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat er geen potentiaalverschil bestaat tussen de gebruiker en de installaties waaraan hij werkt.

3.9.      Stralingsbescherming

3.9.1.   Niet-ioniserende straling

PBM ter preventie van acute of chronische gevolgen van niet-ioniserende straling voor het oog moeten het grootste deel van de bij de schadelijke golflengten uitgezonden energie kunnen absorberen of terugkaatsen, hetgeen evenwel geen ingrijpende gevolgen mag hebben voor de transmissie van het onschadelijke deel van het zichtbare spectrum, de waarneming van contrasten en het onderscheiden van kleuren, indien de te verwachten gebruiksomstandigheden zulks vereisen.

Derhalve moet een beschermbril zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat voor elke schadelijke golflengte de spectrale transmissiecoëfficiënt zo laag is dat het oog van de gebruiker via het filter aan een zo klein mogelijke bestralingssterkte wordt blootgesteld, waarbij in geen geval de maximaal toelaatbare blootstelling mag worden overschreden.

Bovendien mag de bril niet beschadigd raken of zijn eigenschappen verliezen als gevolg van de onder de te verwachten gebruiksomstandigheden uitgezonden straling, en elk op de markt gebracht exemplaar moet worden gekenmerkt door het nummer van de beschermingsklasse overeenkomend met de spectrale verdeling van de transmissiecoëfficiënt.

Brillen bestemd voor gelijksoortige stralingsbronnen moeten worden ingedeeld naar opklimmende waarde van de beschermingsklasse, en de fabrikant moet inzonderheid in de gebruiksaanwijzing vermelden hoe het juiste PBM kan worden gekozen, rekening houdend met de relevante gebruiksomstandigheden, zoals de afstand tot de stralingsbron en de spectrale verdeling van de op deze afstand ontvangen straling.

Het nummer van de beschermingsklasse van de beschermbrillen moet op elk exemplaar worden aangebracht door de fabrikant.

3.9.2.   Ioniserende straling

3.9.2.1 Bescherming tegen uitwendige radioactieve besmetting

De materialen en andere onderdelen van PBM bestemd om het hele lichaam of een lichaamsdeel te beschermen tegen radioactief stof, gas, vloeistof of mengsels daarvan, moeten van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat de radioactieve stoffen er onder de te verwachten gebruiksomstandigheden niet in kunnen binnendringen.

De vereiste ondoorlaatbaarheid kan, naar gelang van de aard of toestand van de radioactieve stoffen, worden gerealiseerd met een ondoorlatende beschermende omhulling en/of met elk ander geschikt middel, bij voorbeeld ventilatiesystemen en overdruksystemen, waarmee wordt voorkomen dat deze stoffen naar binnen diffunderen.

Als deze PBM moeten worden gedecontamineerd, dan mag dat geen nadelige gevolgen hebben voor het eventuele verdere gebruik ervan gedurende de te verwachten "levensduur''.

3.9.2.2 Bescherming tegen uitwendige bestraling

Beschermingsmiddelen bestemd om de gebruiker volledig te beschermen tegen uitwendige bestraling of, indien dit niet mogelijk is, de straling in voldoende mate te verzwakken, kunnen alleen worden toegepast als de straling bestaat uit elektronen (bij voorbeeld bètastraling) of fotonen (x, gamma) met een vrij lage energie.

De in dergelijke PBM gebruikte materialen en andere onderdelen moeten van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat de gebruiker een voor de te verwachten gebruiksomstandigheden voldoende hoge mate van bescherming geniet, zonder dat zijn bewegingen, houdingen of verplaatsingen zodanig worden belemmerd dat de blootstellingsduur erdoor wordt verlengd (zie punt 1.3.2).

De PBM moeten een opschrift dragen waarop de aard en dikte zijn aangegeven van het materiaal of de materialen waarvan gebruik is gemaakt met het oog op de te verwachten gebruiksomstandigheden.

3.10.    Bescherming tegen gevaarlijke stoffen en infectieverwekkers

3.10.1. Bescherming van de ademhalingswegen

PBM bestemd voor de bescherming van de luchtwegen moeten de gebruiker kunnen voorzien van voor inademing geschikte lucht als hij is blootgesteld aan een verontreinigde atmosfeer en/of een atmosfeer met een te laag zuurstofgehalte.

De door het PBM aan de gebruiker verschafte inadembare lucht wordt verkregen door passende methoden, zoals filtering van de verontreinigde lucht door het beschermingsapparaat of -middel, of door aanvoer uit een niet-verontreinigde bron.

De in dergelijke PBM gebruikte materialen en andere onderdelen moeten van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat de ademhalingsfunctie en -hygiëne van de gebruiker onder de te verwachten gebruiksomstandigheden tijdens het dragen op deugdelijke wijze gewaarborgd zijn.

De luchtdichtheid van het gelaatstuk, het drukverlies bij inademing en, voor filterapparaten, het zuiverend vermogen moeten zodanig zijn dat er, in het geval van een verontreinigde atmosfeer, zo weinig verontreinigingen binnendringen dat de gezondheid of de hygiëne van de gebruiker geen nadelen ondervindt.

Op de PBM moet een merkteken ter identificatie van de fabrikant zijn aangebracht en moeten de kenmerken van het beschermingsmiddel worden vermeld, zodat alle daarvoor opgeleide en gekwalificeerde gebruikers de PBM aan de hand van de gebruiksaanwijzing op de juiste wijze kunnen gebruiken.

Bij filtreeruitrusting moet de gebruiksaanwijzing van de fabrikant ook de uiterste datum voor het bewaren van nieuwe filters in hun oorspronkelijke verpakking vermelden.

3.10.2. Bescherming van de huid en de ogen tegen ongewenst contact

De beschermende omhulling van PBM die bestemd zijn om te vermijden dat het hele lichaam of een lichaamsdeel in oppervlakkig contact komt met gevaarlijke stoffen en infectieverwekkers, moet de penetratie of de permeatie van dergelijke stoffen onmogelijk maken onder de te verwachten gebruiksomstandigheden waarvoor deze PBM zijn bedoeld.

Daarom moeten de in dergelijke PBM gebruikte materialen en andere onderdelen van dien aard zijn en zodanig worden aangewend dat zo veel mogelijk een totale ondoorlaatbaarheid wordt verkregen, zodat zo nodig een eventueel langdurig dagelijks gebruik mogelijk is; als moet worden volstaan met een beperkte ondoorlaatbaarheid, dan brengt dit beperkingen voor de gebruiksduur met zich.

Als bepaalde gevaarlijke stoffen of infectieverwekkers, als gevolg van hun aard en de te verwachten gebruiksomstandigheden, gemakkelijker in de betrokken PBM kunnen binnendringen, zodat slechts gedurende beperkte tijd bescherming geboden wordt, dan moeten op deze PBM de gangbare tests worden uitgevoerd, ten einde ze op basis van hun doelmatigheid in te delen. Op PBM die aan de testspecificaties voldoen, moet een markering worden aangebracht, waarop de naam, of anders de code, van de voor de tests gebruikte stoffen vermeld is, alsmede de tijd gedurende welke de normale bescherming geboden wordt. Bovendien moet de fabrikant in het bijzonder in zijn gebruiksaanwijzing de betekenis van de codes vermelden – indien nodig – een uitvoerige beschrijving van de gangbare tests geven en voorts alle gegevens vermelden die nodig zijn om de maximaal toelaatbare gebruiksduur onder de uiteenlopende te verwachten gebruiksomstandigheden te kunnen bepalen.

3.11.    Duikersuitrusting

Het ademhalingsapparaat moet de gebruiker onder de te verwachten gebruiksomstandigheden en met name gelet op de maximale duikdiepte kunnen voorzien van een gasmengsel dat geschikt is voor inademing.

Wanneer de te verwachten gebruiksomstandigheden zulks vereisen, moet de duikersuitrusting het volgende omvatten:

a)      een pak dat de gebruiker beschermt tegen de koude (zie punt 3.7);

b)      een alarmsysteem dat de gebruiker tijdig moet waarschuwen voor een later optredend gebrek aan toevoer van het in te ademen gasmengsel (zie punt 2.8);

c)      een reddingsvoorziening die de gebruiker in staat stelt weer aan de oppervlakte te komen.

BIJLAGE III

Technische documentatie voor PBM

De technische documentatie dient de middelen te specifiëren die de fabrikant heeft gebruikt om te zorgen dat het PBM voldoet aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II.

De technische documentatie omvat minimaal de volgende elementen:

1. een volledige beschrijving van het PBM en van het beoogde gebruik;

2. een beoordeling van het risico of de risico's waartegen het PBM moet beschermen;

3. een lijst van de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen die op het PBM van toepassing zijn;

4. ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede schema’s van de PBM en van de onderdelen, subassemblages en leidingen;

5. de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van de in punt 4 bedoelde tekeningen en schema’s en van de werking van het PBM;

6. de referentie(s) van de geharmoniseerde norm(en) als bedoeld in artikel 14 die zijn toegepast voor het ontwerp en de vervaardiging van het PBM; bij gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen wordt in de technische documentatie gespecificeerd welke delen zijn toegepast;

7. wanneer geharmoniseerde normen niet of slechts gedeeltelijk zijn toegepast, een beschrijving van de andere technische specificaties die zijn toegepast om te voldoen aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen;

8. de resultaten van de ontwerpberekeningen, inspecties en onderzoeken die zijn uitgevoerd om de conformiteit van het PBM met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen te controleren;

9. verslagen van de tests die worden verricht om de conformiteit van het PBM met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen te controleren en om, in voorkomend geval, de relevante beschermingsklasse vast te stellen;

10. een beschrijving van de middelen die de fabrikant gebruikt bij de productie van het PBM om de conformiteit van het PBM met de ontwerpspecificaties te garanderen;

11. een kopie van de in punt 1.4 van bijlage II bedoelde gebruiksaanwijzing;

12. voor op maat gemaakte PBM, alle noodzakelijke aanwijzingen van de ontwerper van het basismodel voor de vervaardiging van op maat gemaakte PBM op basis van het goedgekeurde basismodel.

BIJLAGE IV

Interne productiecontrole

(Module A)

1. Met "interne productiecontrole" wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 4 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat het betrokken PBM voldoet aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II.

2. Technische documentatie

De fabrikant dient de technische documentatie beschreven in bijlage III samen te stellen. Aan de hand van de documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het PBM aan de toepasselijke eisen voldoet; zij omvat een adequate risicoanalyse en -beoordeling. In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van het PBM.

3. Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de vervaardigde PBM conform zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.

4. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

4.1. De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk afzonderlijk PBM dat aan de toepasselijke gezondheids- en veiligheidseisen van het wetgevingsinstrument voldoet.

4.2. De fabrikant stelt voor een PBM-model een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring, samen met de technische documentatie, tot tien jaar na het in de handel brengen van het PBM ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende PBM beschreven.

Elk PBM gaat vergezeld van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring.

5. Gemachtigde

De in punt 4 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid worden vervuld door zijn gemachtigde, op voorwaarde dat dit in het mandaat gespecificeerd is.

BIJLAGE V

EU-typeonderzoek

(Module B)

1. Met "EU-typeonderzoek" wordt dat gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de aangemelde instantie het technisch ontwerp van een PBM onderzoekt om te controleren of het PBM voldoet aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II, en hierover een verklaring verstrekt.

2. Het EU-typeonderzoek wordt verricht in de vorm van een onderzoek van een voor de betrokken productie representatief monster van het volledige PBM (productietype).

3. Aanvraag voor het EG-typeonderzoek

De fabrikant dient bij één aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag voor het EU-typeonderzoek in.

De aanvraag omvat:

a)      naam en adres van de fabrikant en, indien de aanvraag wordt ingediend door zijn gemachtigde, ook diens naam en adres;

b)      een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)      de technische documentatie zoals beschreven in bijlage III. Aan de hand van de documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het PBM aan de toepasselijke eisen voldoet; deze documentatie moet een adequate risicoanalyse en -beoordeling omvatten. De technische documentatie vermeldt de toepasselijke eisen en omvat, voor zover relevant voor de beoordeling, het ontwerp, de fabricage en de werking van het PBM;

d)      voor de betrokken productie representatieve monsters van het PBM. De aangemelde instantie kan meer monsters verlangen als dit voor het testprogramma nodig is. Voor individueel aangepaste PBM moeten monsters worden verstrekt die representatief zijn voor het hele gamma van verschillende gebruikers;

e)      voor individueel aangepaste PBM een beschrijving van de maatregelen die de producent tijdens het montage- en productieproces moet nemen om te garanderen dat elk exemplaar van het PBM overeenstemt met het goedgekeurde type en met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.

4. EU-typeonderzoek

De aangemelde instantie heeft de volgende taken:

a)      het technisch dossier onderzoeken om te beoordelen of het technisch ontwerp van het PBM geschikt is;

b)      voor individueel aangepaste PBM: de beschrijving van de in punt 3 bedoelde maatregelen onderzoeken om te beoordelen of zij toereikend zijn;

c)      voor op maat gemaakte PBM: onderzoeken van de aanwijzingen van de ontwerper van het basismodel voor de vervaardiging van op maat gemaakte PBM op basis van het goedgekeurde basismodel;

d)      controleren of de monsters overeenkomstig de technische documentatie zijn vervaardigd en vaststellen welke elementen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de relevante geharmoniseerde normen zijn ontworpen, alsook welke elementen zijn ontworpen overeenkomstig andere technische specificaties;

e)      de nodige onderzoeken en tests verrichten of laten verrichten om, ingeval de fabrikant heeft gekozen voor de oplossingen uit de relevante geharmoniseerde normen, te controleren of deze op de juiste wijze zijn toegepast;

f)       de nodige onderzoeken en tests verrichten of laten verrichten om, ingeval de oplossingen uit de relevante geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, te controleren of de door de fabrikant gekozen oplossingen, met inbegrip van andere technische specificaties die zijn toegepast, aan de desbetreffende essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voldoen en correct zijn toegepast.

5. Evaluatieverslag

De aangemelde instantie stelt een evaluatieverslag op over de overeenkomstig punt 4 verrichte activiteiten en de resultaten daarvan. Onverminderd haar verplichtingen jegens de aanmeldende autoriteiten maakt de aangemelde instantie de inhoud van het verslag uitsluitend met instemming van de fabrikant geheel of gedeeltelijk openbaar.

6. Certificaat van EU-typeonderzoek

6.1. Indien het type voldoet aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, verstrekt de aangemelde instantie de fabrikant een certificaat van EU-typeonderzoek.

6.2. In dat certificaat worden ten minste de volgende gegevens opgenomen:

a)      naam, adres en identificatienummer van de aangemelde instantie;

b)      naam en adres van de fabrikant en, indien de aanvraag wordt ingediend door zijn gemachtigde, ook diens naam en adres;

c)      identificatienummer van het PBM waarop het certificaat betrekking heeft (type, model, referentienummer van de fabrikant);

d)      een verklaring dat het PBM voldoet aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II;

e)      als de geharmoniseerde normen volledig of gedeeltelijk zijn toegepast, de referenties van die normen of delen daarvan;

f)       als andere technische specificaties zijn toegepast, de referenties daarvan;

g)      in voorkomend geval het/de prestatieniveau(s) of de beschermingsgraad van het PBM;

h)      voor op maat gemaakte PBM de toelaatbare afwijkingen van de relevante parameters voor op maat gemaakte PBM op basis van het goedgekeurde basismodel;

i)       de datum van afgifte en, in voorkomend geval, de datum (data) van verlenging;

j)       de vervaldatum (een termijn maximaal vijf jaar na de datum van afgifte, of de datum van de laatste verlenging);

k)      alle voorwaarden die aan de afgifte van het certificaat verbonden zijn;

l)       voor PBM van categorie III, een verklaring dat het certificaat alleen mag worden gebruikt in combinatie met een van de in artikel 18 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures.

6.3. Het certificaat van EU-typeonderzoek kan vergezeld gaan van een of meer bijlagen.

6.4. Voor op maat gemaakte de PBM, indien degene aan wie het certificaat van EU-typeonderzoek is verstrekt, niet de fabrikant van de op maat gemaakte PBM is:

a)      moet de fabrikant van de op maat gemaakte PBM de schriftelijke toestemming van de certificaathouder hebben om dat certificaat te gebruiken;

b)      verstrekt de certificaathouder de fabrikant van de op maat gemaakte PBM de in punt 12 van bijlage III bedoelde instructies.

6.5. Wanneer het type niet aan de toepasselijke eisen van de toepasselijke essentiële veiligheidseisen voldoet, weigert de aangemelde instantie een certificaat van EU-typeonderzoek te verstrekken en brengt zij de aanvrager hiervan op de hoogte met vermelding van de precieze redenen voor de weigering.

7. Evaluatie van het certificaat van EU-typeonderzoek

7.1. De aangemelde instantie houdt zich op de hoogte van elke verandering in de algemeen erkende stand van de techniek; indien het goedgekeurde type vanwege deze ontwikkeling mogelijk niet meer aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voldoet, beoordeelt zij of nader onderzoek nodig is. Als dit het geval is, stelt de aangemelde instantie de fabrikant daarvan in kennis.

7.2. De fabrikant brengt de aangemelde instantie die de technische documentatie betreffende het certificaat van EU-typeonderzoek bewaart op de hoogte van alle wijzigingen van het goedgekeurde type die van invloed kunnen zijn op de conformiteit van het PBM met de toepasselijk essentiële veiligheids- en gezondheidseisen of de voorwaarden voor de geldigheid van dat certificaat. Dergelijke wijzigingen vereisen een aanvullende goedkeuring in de vorm van een aanvulling op het oorspronkelijke certificaat van EU-typeonderzoek.

7.3. De fabrikant zorgt ervoor dat het PBM blijft voldoen aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen in het licht van de stand van de techniek.

7.4. De fabrikant verzoekt de aangemelde instantie om het certificaat van EU-typeonderzoek te herzien:

a)      in geval van een wijziging van de PBM als bedoeld in punt 7.2;

b)      in geval van een wijziging in de stand van de techniek als bedoeld in punt 7.3;

c)      uiterlijk vóór de datum waarop het certificaat verstrijkt.

7.5. De aangemelde instantie onderzoekt het PBM en verricht alle noodzakelijke tests om te verifiëren dat het PBM aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen blijft voldoen. In dat geval verlengt zij het certificaat van EU-typeonderzoek.

7.6. Indien de aangemelde instantie naar aanleiding van de evaluatie tot de conclusie komt dat het certificaat van EU-typeonderzoek niet langer geldig is, trekt de instantie het in en stopt de fabrikant het in de handel brengen van het betrokken PBM.

8. De aangemelde instantie brengt de autoriteit die haar heeft saangemeld op de hoogte van de door haar verstrekte of ingetrokken certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop en verstrekt deze autoriteit op gezette tijden of op verzoek een lijst van dergelijke geweigerde, geschorste of anderszins beperkte certificaten en aanvullingen daarop.

De aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, ingetrokken, geschorste of anderszins beperkte certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop alsmede, op verzoek, van dergelijke door haar verstrekte certificaten en aanvullingen daarop.

De Commissie, de lidstaten en de andere aangemelde instanties kunnen op verzoek een kopie van de certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop ontvangen. De Commissie en de lidstaten kunnen op gemotiveerd verzoek een kopie van de technische documentatie en de resultaten van het door de aangemelde instantie verrichte onderzoek ontvangen.

De aangemelde instantie bewaart een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek, de bijlagen en aanvullingen, alsook het technisch dossier, met inbegrip van de door de fabrikant overgelegde documentatie, tot vijf jaar na het einde van de geldigheidsduur van dat certificaat.

9. De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van het PBM een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek, de bijlagen en aanvullingen, samen met de technische documentatie, ter beschikking van de nationale autoriteiten.

10. De gemachtigde van de fabrikant kan de in punt 3 bedoelde aanvraag indienen en de in de punten 7 en 9 vermelde verplichtingen vervullen, op voorwaarde dat dit in het mandaat gespecificeerd is.

BIJLAGE VI

Conformiteit met type op basis van interne productiecontrole

(Module C)

1. Met "conformiteit met type op basis van interne productiecontrole" wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2 en 3 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat het betrokken PBM conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II.

2. Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de vervaardigde PBM conform zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

Voor op maat gemaakte PBM neemt de fabrikant alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de op maat gemaakte PBM conform zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

3. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

3.1. De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk afzonderlijk PBM dat conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

3.2. De fabrikant stelt voor een PBM-model een schriftelijke EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het product ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende PBM beschreven.

Elk PBM gaat vergezeld van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring.

4. Gemachtigde

De in punt 3 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid worden vervuld door zijn gemachtigde, op voorwaarde dat dit in het mandaat gespecificeerd is.

BIJLAGE VII

Conformiteit met het type op basis van productkeuring

(Module F)

1. Met "conformiteit met het type op basis van productkeuring" wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3, 5.2 en 6 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat het betrokken PBM, waarop de bepalingen van punt 4 zijn toegepast, conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II.

2. Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de productie homogeen is en dat het PBM conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

3. Verzoek om productkeuring

Alvorens een PBM in de handel te brengen, dient de fabrikant een verzoek om productkeuring in bij een aangemelde instantie van zijn keuze.

De aanvraag omvat:

a)      naam en adres van de fabrikant en, indien de aanvraag wordt ingediend door zijn gemachtigde, ook diens naam en adres;

b)      een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)      een identificatie van het betrokken PBM.

Wanneer de gekozen instantie niet zelf het EU -typeonderzoek heeft verricht, omvat de aanvraag tevens het volgende:

a)      de technische documentatie zoals beschreven in bijlage III;

b)      een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek.

4. Beoordeling van de conformiteit

4.1. De aangewezen instantie moet de nodige onderzoeken en tests uitvoeren om vast te stellen of productie homogeen is en of het PBM conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

4.2. De onderzoeken en tests worden ten minste eenmaal per jaar verricht, met willekeurige, door de aangemelde instantie te bepalen tussenpozen. De eerste onderzoeken en tests worden verricht niet meer dan één jaar na de datum van afgifte van het certificaat van EU-typeonderzoek.

4.3. De aangemelde instantie trekt een adequate aselecte steekproef van de vervaardigde PBM op een plaats die tussen de instantie en de fabrikant is overeengekomen. Alle exemplaren van het PBM van de steekproef worden onderzocht en er worden passende tests als omschreven in de relevante geharmoniseerde norm(en) en/of gelijkwaardige, in andere relevante technische specificaties vastgelegde tests uitgevoerd ter controle van de conformiteit van het PBM met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.

4.4. Wanneer de in punt 3 bedoelde aangemelde instantie niet de instantie is die het desbetreffende certificaat van EU-typeonderzoek heeft afgegeven, neemt het contact op met die instantie in geval van problemen in verband met de beoordeling van de conformiteit van het monster.

4.5. Indien uit het onderzoek en de tests blijkt dat de productie niet homogeen is of dat het PBM niet in overeenstemming is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek of met de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, neemt de aangemelde instantie de voor de vastgestelde fouten passende maatregelen en brengt zij de aanmeldende autoriteit daarvan op de hoogte.

5. Testrapport

5.1. De aangemelde instantie verschaft de fabrikant een testrapport en geeft de fabrikant toestemming om het identificatienummer van de aangemelde instantie aan te brengen op elk afzonderlijk PBM dat conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en dat voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

5.2. De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van het PBM het testrapport ter beschikking van de nationale autoriteiten.

6. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

6.1. De fabrikant brengt de CE-markering en, met toestemming van de in punt 3 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk afzonderlijk PBM dat conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen voldoet.

6.2. De fabrikant stelt voor elk PBM-model een schriftelijke EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het PBM ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende PBM-model beschreven.

Elk PBM gaat vergezeld van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring.

7. Als de in punt 3 bedoelde aangemelde instantie daarmee akkoord gaat, kan de fabrikant onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie tijdens het fabricageproces het identificatienummer van deze instantie op de PBM aanbrengen.

8. Gemachtigde

De verplichtingen van de fabrikant kunnen namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid worden vervuld door zijn gemachtigde, op voorwaarde dat dit in het mandaat gespecificeerd is. Een gemachtigde mag de in punt 2 vervatte verplichtingen van de fabrikant niet vervullen.

BIJLAGE VIII

Conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces

(Module D)

1. Met "conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces" wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 5 en 6 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat het betrokken PBM conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen bedoeld in artikel 5 en vastgesteld in bijlage II.

2. Fabricage

De fabrikant past op de productie, de eindproductcontrole en de beproeving van de betrokken PBM een goedgekeurd kwaliteitssysteem als bedoeld in punt 3 toe, waarop overeenkomstig punt 4 toezicht wordt uitgeoefend.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient bij één aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

De aanvraag omvat:

a)      naam en adres van de fabrikant en, indien de aanvraag wordt ingediend door zijn gemachtigde, ook diens naam en adres;

b)      een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)      een identificatie van het betrokken PBM;

d)      de documentatie over het kwaliteitssysteem.

Wanneer de gekozen instantie niet zelf het EU-typeonderzoek heeft verricht, omvat de aanvraag tevens het volgende:

a)      de technische documentatie van het PBM zoals beschreven in bijlage III;

b)      een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet ervoor zorgen dat het PBM conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

Alle door de fabrikant vastgestelde gegevens, eisen en bepalingen dienen systematisch en geordend bijeen te worden gebracht in een document met schriftelijk vastgelegde beleidsmaatregelen, procedures en aanwijzingen. Aan de hand van de documentatie van het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma’s, plannen, handboeken en dossiers eenduidig kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

a)      de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;

b)      de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitsbeheersings- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procedés, alsmede de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen;

c)      de onderzoeken en tests die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;

d)      de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz., en

e)      de middelen om toezicht uit te oefenen op het bereiken van de vereiste productkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen.

Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan voor elementen van het kwaliteitssysteem die voldoen aan de desbetreffende specificaties van de relevante geharmoniseerde norm.

Het auditteam moet ervaring hebben met kwaliteitsmanagementsystemen; bovendien moet ten minste één lid van het team ervaring hebben met beoordelingen op het gebied van PBM en de betrokken technologie en op de hoogte zijn van de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen. De audit omvat een inspectiebezoek aan de fabrikant. Het auditteam evalueert de in punt 3.1, bedoelde technische documentatie van het PBM om te controleren of de fabrikant zich bewust is van de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen en het vereiste onderzoek kan verrichten om te waarborgen dat het PBM aan deze eisen voldoet.

De fabrikant wordt van het resultaat van die evaluatie in kennis gesteld. In deze kennisgeving zijn de conclusies van de audit opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

3.5. De fabrikant brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem blijft voldoen aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. In deze kennisgeving zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

3.6. De aangemelde instantie geeft de fabrikant toestemming om het identificatienummer van de aangemelde instantie aan te brengen op elk afzonderlijk PBM dat conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en dat voldoet aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie.

4.1. Het toezicht heeft tot doel te controleren of de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de fabricage-, controle-, test- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

a)      de documentatie over het kwaliteitssysteem;

b)      de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens en rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel.

4.3. De aangemelde instantie verricht, ten minste eenmaal per jaar, periodieke audits om te controleren of de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en verstrekt de fabrikant een auditverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig onderzoeken of tests van de PBM verrichten of laten verrichten, om te controleren of het kwaliteitssysteem goed functioneert. De aangemelde instantie verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn verricht, een testrapport.

5. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

5.1. De fabrikant brengt de CE-markering en, met toestemming van de in punt 3,1 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk afzonderlijk PBM dat conform is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en aan de toepasselijke essentiële veiligheids- en gezondheidseisen voldoet.

5.2. De fabrikant stelt voor elk PBM-model een schriftelijke EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het PBM ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende PBM-model beschreven.

Elk PBM gaat vergezeld van een kopie van de EU-conformiteitsverklaring of een vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring.

6. De fabrikant houdt gedurende een periode van tien jaar nadat het PBM in de handel is gebracht de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

a)      de in punt 3.1 bedoelde documentatie;

b)      de informatie over de in punt 3.5 bedoelde wijzigingen zoals deze zijn goedgekeurd;

c)      de in de punten 3.5, 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

7. De aangemelde instantie brengt de autoriteit die haar hebben aangemeld op de hoogte van de verleende en ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen en verstrekt haar aangemelde autoriteit op gezette tijden of op verzoek een lijst van zulke geweigerde, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

De aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, geschorste, ingetrokken of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen alsmede, op verzoek, van de door haar verleende goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

8. Als de in punt 3.1 bedoelde aangemelde instantie daarmee akkoord gaat, kan de fabrikant onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie tijdens het fabricageproces het identificatienummer van deze instantie op de PBM aanbrengen.

9. Gemachtigde

De in de punten 3.1, 3.5, 5 en 6 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid worden vervuld door zijn gemachtigde, op voorwaarde dat dit in het mandaat gespecificeerd is.

BIJLAGE IX

EU-conformiteitsverklaring

1. Persoonlijk beschermingsmiddel (product, partij, type of serienummer):

2. Naam en adres van de fabrikant of zijn gemachtigde [de gemachtigde moet ook de bedrijfsnaam en het adres van de fabrikant opgeven]:

3. Deze conformiteitsverklaring wordt verstrekt onder volledige verantwoordelijkheid van de fabrikant:

4. Voorwerp van de verklaring (beschrijving aan de hand waarvan het product kan worden getraceerd; deze kan, indien nodig voor de identificatie van het PBM, een voldoende duidelijke afbeelding in kleur omvatten):

5. Het in punt 4 beschreven voorwerp is conform met de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie.

6. Vermelding van de relevante geharmoniseerde normen, met inbegrip van de datum van de norm, of van de andere technische specificaties, met inbegrip van de datum van de specificatie, waarop de conformiteitsverklaring betrekking heeft:

7. Indien van toepassing: "De aangemelde instantie ... (naam, nummer) ... heeft het EU-typeonderzoek (module B) verricht en het certificaat van EU-typeonderzoek ... (verwijzing naar dat certificaat) afgegeven."

8. Indien van toepassing: "Het persoonlijk beschermingsmiddel is onderworpen is aan de conformiteitsbeoordelingsprocedure ... (Conformiteit met het type op basis van productkeuring (module F)) of (Conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces (module D)) ... onder toezicht van de aangemelde instantie ... (naam, nummer).

9. Aanvullende informatie:

Ondertekend voor en namens:

(plaats en datum van afgifte):

(naam, functie) (handtekening):

BIJLAGE X

Vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring

De vereenvoudigde EU-conformiteitsverklaring wordt als volgt geformuleerd:

Hierbij verklaar ik, [naam van de fabrikant], dat het type persoonlijk beschermingsmiddel [aanduiding van het type PBM] conform is met Verordening (EU) nr. XXXX/xx betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen.

BIJLAGE XI

Concordantietabel

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 89/686/EEG || Deze verordening

||

Artikel 1, lid 1 || Artikel 1 en artikel 2, lid 1

Artikel 1, leden 2 en 3 || Artikel 3, lid 1

Artikel 1, lid 4 || Artikel 2, leden 2 en 3

Artikel 2, lid 1 || Artikel 4

Artikel 2, lid 2 || Artikel 6

Artikel 2, lid 3 || Artikel 7, lid 2

Artikel 3 || Artikel 5

Artikel 4, lid 1 || Artikel 7, lid 1

Artikel 4, lid 2 || ___

Artikel 5, leden 1, 4, 5 en 6 || ___

Artikel 5, lid 2 || Artikel 14

Artikel 6 || Artikel 38

Artikel 7 || ___

Artikel 8, lid 1 || Artikel 8, lid 2, eerste alinea

Artikel 8, leden 2 tot en met 4 || Artikelen 17 en 18 en bijlage I

Artikel 9 || Artikelen 19, 23, 1, 24, en artikel 29, lid 1

Artikel 10 || Bijlage V

Artikel 11, onder A || Bijlage VII

Artikel 11, onder B) || Bijlage VIII

Artikel 12, lid 1 || Artikel 15

Artikel 12, lid 2, en artikel 13 || Artikel 16

Artikel 14 || ___

Artikel 15 || ___

Artikel 16 || ___

Bijlage I || Artikel 2, lid 2

Bijlage II || Bijlage II

Bijlage III || Bijlage III

Bijlage IV || Artikel 16

Bijlage V || Artikel 23, leden 2 tot en met 11

Bijlage VI || Bijlage IX

[1]               Richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2003 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (PB L 42 van 15.2.2003, blz. 38).

Top