EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31991D0448

91/448/EEG: Beschikking van de Commissie van 29 juli 1991 betreffende richtsnoeren voor de indeling als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 90/219/EEG van de Raad

OJ L 239, 28.8.1991, p. 23–26 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 010 P. 141 - 144
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 010 P. 141 - 144
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 002 P. 56 - 59
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 002 P. 73 - 76
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 002 P. 73 - 76
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 002 P. 10 - 13

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 09/02/1996

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1991/448/oj

31991D0448

91/448/EEG: Beschikking van de Commissie van 29 juli 1991 betreffende richtsnoeren voor de indeling als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 90/219/EEG van de Raad

Publicatieblad Nr. L 239 van 28/08/1991 blz. 0023 - 0026
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0141
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0141


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 29 juli 1991 betreffende richtsnoeren voor de indeling als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 90/219/EEG van de Raad (91/448/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (1), inzonderheid op artikel 4,

Overwegende dat, in het kader van deze richtlijn, genetisch gemodificeerde micro-organismen ingedeeld moeten worden in de groepen I en II volgens de criteria van bijlage II en de richtsnoeren als bedoeld in artikel 4, lid 3;

Overwegende dat de Commissie gehouden is om deze richtsnoeren vóór de datum van tenuitvoerlegging van Richtlijn 90/219/EEG op te stellen;

Overwegende dat over de bepalingen van deze beschikking door het Comité van vertegenwoordigers van de Lid-Staten overeenkomstig de procedure van artikel 21 van Richtlijn 90/219/EEG een gunstig advies is uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Indien genetisch gemodificeerde micro-organismen ingedeeld worden overeenkomstig het artikel 4 van Richtlijn 90/219/EEG, moeten de bijgevoegde richtsnoeren gebruikt worden ter interpretatie van bijlage II van Richtlijn 90/219/EEG.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 29 juli 1991. Voor de Commissie

Carlo RIPA DI MEANA

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 117 van 8. 5. 1990, blz. 1.

BIJLAGE

RICHTSNOEREN VOOR DE INDELING VAN GENETISCH GEMODIFICEERDE MICRO-ORGANISMEN (GMM'S) IN GROEP I, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 3, VAN RICHTLIJN 90/219/EEG

De volgende richtsnoeren dienen als nadere uitwerking van de criteria voor indeling in groep I, die in bijlage II van Richtlijn 90/219/EEG zijn opgenomen:

A. Eigenschappen van het (de) recipiënte of ouderorganisme(n) 1. Niet-pathogeen De recipiënte of ouderorganismen kunnen als niet-pathogeen worden aangemerkt, indien zij aan de in één van de volgende punten opgenomen voorwaarden voldoen: i) De recipiënte of ouderstam moet een erkende veiligheidskeur in het laboratorium en/of de industrie kunnen tonen waarbij geen schadelijke effecten op de volksgezondheid of het milieu zijn opgetreden. ii) De recipiënte of ourderstam voldoet niet aan de voorwaarden van punt i), doch behoort tot een soort die door ruime ervaring met toepassingen bij biologische werkzaamheden met inbegrip van veiligheid in het laboratorium en/of de industrie, veilig is gebleken en waarbij geen schadelijke effecten op de volksgezondheid en/of het milieu zijn opgetreden. iii) Indien de recipiënte of ouderstam niet aan de voorwaarden van punt i) voldoet en tot een soort behoort die niet door ervaring met toepassing bij biologische werkzaamheden in het laboratorium en/of de industrie veilig is gebleken, dient een adequate beproeving (zo nodig ook met dieren) te worden uitgevoerd ten einde aan te tonen dat de stam niet pathogeen is en veilig in het milieu kan worden gebracht. iv) Indien een niet-virulente stam van een als pathogeen bekend staande soort wordt gebruikt, dient de stam zo weinig mogelijk voor de virulentie bepalend genetisch materiaal te bevatten, zodat er geen omkering van de pathogeniteit kan optreden. Bij bacteriën moet bijzondere aandacht worden besteed aan virulentiedeterminanten op het plasmide of het faagchromosoon. 2. Geen bijkomende agentia De recipiënte of ouderstam/cellijn moet vrij zijn van bekende biologische besmettende agentia (symbionten, mycoplasma, virussen, viroïden enz.) die potentieel schadelijk zijn. 3. De recipiënte of ouderstam/cellijn moet aantoonbaar veilig zijn gebleken bij langdurig gebruik of ingebouwde biologische barrières bezitten die niet van invloed zijn op de optimale groei in de reactor of fermentor, maar beperkte overlevings- of reproduktiekansen bieden zonder schadelijke effecten voor het milieu (geldt alleen voor activiteiten van categorie B). B.1. Eigenschappen van de vector 1.1. De vector moet goed gekarakteriseerd zijn Hiervoor dient aan de volgende eisen te zijn voldaan. 1.1.1. Informatie over de samenstelling en structuur a) Het vectortype moet gedefinieerd zijn (virus, plasmide, cosmide, fasmide, transposon, minichromosoom enz.). b) Van de samenstellende delen van de vector moeten de volgende gegevens bekend zijn: i) de herkomst van elk fragment (oorspronkelijk genetisch element, stam van organismen waarin het oorspronkelijk genetisch element van nature voorkwam); ii) de functie ervan, ingeval sommige fragmenten synthetisch zijn. c) De bij de samenstelling gebruikte methode moet bekend zijn. 1.1.2. Informatie over de vectorstructuur a) De grootte van de vector moet bekend zijn en in baseparen of D worden uitgedrukt. b) Van de volgende elementen moeten de functie en relatieve positie bekend zijn: i) structuurgenen; ii) marker-genen voor selectie (antibioticaresistentie, resistentie tegen zware metalen, immuniteit voor fagen, genen die voor afbraak van xenobiotica coderen enz.); iii) regulerende elementen; iv) target-sites (nick-sites, herkenningsplaatsen voor restrictie-enzymen, linkers enz.); v) transposonen (inclusief provirussequenties); vi) genen die een rol spelen in de overdrachts- en mobilisatiefunctie (b.v. voor conjugatie, transductie of chromosoomintegratie); vii) replicon(s). 1.2. De vector moet vrij zijn van schadelijke sequenties De vector mag geen genen bevatten die coderen voor potentieel schadelijke of pathogene eigenschappen (b.v. virulentiedeterminanten, toxinen enz.) (behalve bij activiteiten van categorie A, indien dergelijke genen een essentieel element van de vector vormen, dat onder geen enkele omstandigheid in een schadelijk of pathogeen fenotype van het GMM kan resulteren). 1.3. De omvang van de vector dient zoveel mogelijk beperkt te blijven tot de voor de beoogde functie benodigde gensequenties. 1.4. De vector mag de stabiliteit van het GMM in het milieu niet verhogen (tenzij dat vereist is voor de beoogde functie). 1.5. De vector moet moeilijk te mobiliseren zijn 1.5.1. Als de vector een plasmide is: i) dient het gastheerbereik van de vector beperkt te zijn; ii) dient deze vector defectief te zijn in de overdrachtsmobilisatiefactoren,

b.v. Tra , Mob+ bij activiteiten van categorie A of

Tra , Mob bij activiteiten van categorie B. 1.5.2. Indien de vector een virus, cosmide of fasmide is: i) dient het gastheerbereik van de vector beperkt te zijn; ii) dient de vector niet-lysogeen te worden gemaakt, wanneer deze gebruikt wordt als een kloningsvector (b.v. defectief in de Cl-lambda-repressor). 1.6. Mag de vector geen resistentie-markers overdragen op micro-organismen die deze voor zover bekend niet langs natuurlijke weg opnemen (indien deze opname de toepassing van medicijnen ter bestrijding van ziekteverwekkers in gevaar brengt). B.2. Eigenschappen van de insert 2.1. De insert moet goed gekarakteriseerd zijn Hiervoor dient aan de volgende eisen te zijn voldaan. 2.1.1. De herkomst van de insert moet bekend zijn (geslacht, soort, stam). 2.1.2. Van de bibliotheek waarvan de insert afkomstig is, moeten de volgende gegevens bekend zijn: i) de bron en methode met behulp waarvan het betreffende nucleïnezuur is verkregen (cDNA, chromosomaal mitrochondrisch enz.); ii) de vector waarin de bibliotheek werd samengesteld (b.v. lambda GT 11, pBR322 enz.) en de plaats waarop het DNA werd ingebracht; iii) de identificatiemethode (kolonie, hybridisatie, immunoblotting enz.); iv) de voor de bibliotheekopbouw gebruikte stam. 2.1.3. Bij synthetische inserts moet de beoogde functie worden vermeld. 2.1.4. Van de structuur van de insert moeten de volgende gegevens bekend zijn: i) informatie over structuurgenen en regulerende elementen; ii) omvang van de insert; iii) herkenningsplaatsen voor restrictie-enzymen aan weerszijden van de insert; iv) informatie over transposonen en provirussequenties. 2.2. De insert moet vrij zijn van schadelijke sequenties i) De functie van elke genetische eenheid binnen de insert moet gedefinieerd zijn (dit geldt niet voor activiteiten van categorie A). ii) De insert mag geen genen bevatten die coderen voor potentieel pathogene eigenschappen (b.v. virulentiedeterminenten, toxinen enz.), behalve bij activiteiten van categorie A, indien dergelijke genen een essentieel element van de insert vormen, dat onder geen enkele omstandigheid in een schadelijk of pathogeen fenotype van het GMM kan resulteren. 2.3. De omvang van de insert dient zoveel mogelijk beperkt te blijven tot de voor de beoogde functie benodige gensequenties. 2.4. De insert mag de stabiliteit van de constructie in het milieu niet verhogen (tenzij dat vereist is voor de beoogde functie). 2.5. De insert moet moeilijk te mobiliseren zijn Er mogen bij voorbeeld geen transposonen of overdraagbare provirussequenties en andere overdraagbare fonctionele sequenties inzitten. C. Eigenschappen van het genetisch gemodificeerde micro-organisme 1. Het GMM mag niet pathogeen zijn Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan deze voorwaarde is voldaan, indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan. 2. a) De GMM's moeten net zo veilig zijn (voor de mens en het milieu) als de recipiënte of ouderstammen (dit geldt alleen voor activiteiten van categorie A). b) De genetisch gemodificeerde micro-organismen moeten in de reactor of fermentor even veilig zijn als de recipiënte of ouderstammen. Buiten de reactor of fermentor dienen zij beperkte overlevings- en/of reproduktiekansen te hebben zonder schadelijke effecten voor het milieu (dit geldt alleen voor activiteiten van categorie B). D. Andere gentisch gemodificeerde micro-organismen die, indien zij aan de voorwaarden onder C voldoen, eventueel in groep I kunnen worden opgenomen 1. GMM's die volledig zijn samengesteld uit één enkele prokaryotische recipiënt (met inbegrip van zijn plasmiden en virussen) of uit één enkele eukaryotische recipiënt (met inbegrip van de chloroplasten, mitochondriën en plasmiden, maar met uitsluiting van virussen). 2. GMM's die volledig bestaan uit gensequenties van verschillende soorten die deze sequenties door middel van bekende fysiologische processen uitwisselen.

Top