EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009L0041

Richtlijn 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (Herschikking) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 125, 21.5.2009, p. 75–97 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 031 P. 50 - 72

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/41/oj

21.5.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/75


RICHTLIJN 2009/41/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen

(Herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 90/129/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien de richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking ervan te worden overgegaan.

(2)

Het optreden van de Gemeenschap op milieugebied berust krachtens het Verdrag op het beginsel van preventief handelen en heeft onder andere tot doel het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren, alsmede de gezondheid van de mens te beschermen.

(3)

Maatregelen met betrekking tot de evaluatie en het optimale gebruik van biotechnologie ten aanzien van het milieu moeten een prioriteitsgebied vormen waarop de communautaire inspanningen zich moeten concentreren.

(4)

Door de ontwikkeling van de biotechnologie wordt een bijdrage geleverd tot de economische expansie van de lidstaten. Dit impliceert dat genetisch gemodificeerde micro-organismen (GGM's) bij activiteiten van uiteenlopende soort en omvang zullen worden toegepast.

(5)

Het ingeperkte gebruik van GGM's dient onder zodanige omstandigheden plaats te vinden dat eventuele negatieve effecten op de menselijke gezondheid en het milieu worden beperkt, waarbij de nodige aandacht moet worden besteed aan de preventie van ongevallen en het beheer van afvalstoffen.

(6)

GGM's die worden verwijderd zonder dat is gezorgd voor passende voorschriften voor specifieke inperkingsmaatregelen om het contact van die micro-organismen met de bevolking in het algemeen en het milieu te beperken, vallen niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Andere communautaire wetgeving zoals Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (5) kan van toepassing zijn.

(7)

Indien micro-organismen tijdens het ingeperkte gebruik in een lidstaat in het milieu terechtkomen, kunnen zij zich voortplanten en nationale grenzen overschrijden, waarbij zij in andere lidstaten van invloed zijn.

(8)

Het is voor een veilige ontwikkeling van de biotechnologie in de gehele Gemeenschap noodzakelijk gemeenschappelijke maatregelen vast te stellen voor de beoordeling en vermindering van de potentiële risico's die zich voordoen tijdens alle activiteiten die het ingeperkte gebruik van GGM's met zich meebrengen en passende voorwaarden voor het gebruik te stellen.

(9)

De precieze aard en omvang van de aan het ingeperkte gebruik van GGM's verbonden risico's zijn nog niet geheel bekend en de gevaren ervan moeten derhalve van geval tot geval worden geanalyseerd. Ter beoordeling van het risico voor de menselijke gezondheid en het milieu is het noodzakelijk eisen voor de risicoanalyse vast te stellen.

(10)

Alle vormen van ingeperkt gebruik van GGM's moeten op basis van het daaraan verbonden risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu worden ingedeeld. Deze indeling moet aansluiten bij de internationale praktijk en moet gebaseerd zijn op een risicoanalyse.

(11)

Om een hoog veiligheidsniveau te garanderen moeten de op ingeperkt gebruik toegepaste inperkings- en andere beschermingsmaatregelen overeenkomen met de klasse waartoe het ingeperkt gebruik behoort. In geval van twijfel moeten de bij de eerstvolgende hogere klasse behorende inperkings- en andere beschermingsmaatregelen worden toegepast totdat afdoende is aangetoond dat minder stringente maatregelen gerechtvaardigd zijn.

(12)

Bij alle activiteiten met GGM's moeten de beginselen van de goede microbiologische praktijk en goede gezondheid en veiligheid op het werk worden toegepast overeenkomstig de relevante bepalingen van de communautaire wetgeving.

(13)

In de verschillende fasen van een activiteit dienen passende inperkingsmaatregelen te worden toegepast om emissies en de verwijdering van materiaal afkomstig van het ingeperkt gebruik van GGM's te beheersen en ongevallen te voorkomen.

(14)

Eenieder die voor de eerste maal overgaat tot het ingeperkte gebruik van GGM's in een bepaalde installatie, moet hiervan kennisgeving doen aan de bevoegde instantie, zodat deze zich ervan kan vergewissen dat de voorgestelde installatie geschikt is voor het uitvoeren van de activiteit op een wijze die geen gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu inhoudt.

(15)

Het is tevens noodzakelijk passende procedures vast te stellen voor het per geval kennis geven van specifieke activiteiten waarbij een ingeperkt gebruik van GGM's wordt gemaakt, rekening houdend met de mate van risico daarvan.

(16)

Voor activiteiten waaraan grote risico's verbonden zijn, moet toestemming van de bevoegde instantie vereist zijn.

(17)

De inperkings- en andere beschermingsmaatregelen met betrekking tot ingeperkt gebruik moeten regelmatig opnieuw bezien worden.

(18)

Het kan juist worden geacht het publiek te raadplegen over het ingeperkte gebruik van GGM's.

(19)

Personen die bij ingeperkt gebruik werkzaam zijn, moeten geraadpleegd worden overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende communautaire wetgeving, met name Richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (6).

(20)

Er dienen passende maatregelen te worden genomen om eenieder die door een ongeval kan worden getroffen over alle veiligheidsaspecten te informeren.

(21)

Er dienen noodplannen te worden vastgesteld om bij ongevallen doelmatig te kunnen optreden.

(22)

De gebruiker dient de bevoegde instantie bij een ongeval onverwijld op de hoogte te stellen en moet de informatie verstrekken die nodig is voor een beoordeling van de gevolgen van het ongeval en voor het nemen van passende maatregelen.

(23)

De Commissie dient, in overleg met de lidstaten, een procedure vast te stellen voor de uitwisseling van informatie over ongevallen en de Commissie dient een lijst van dergelijke ongevallen aan te leggen.

(24)

Het ingeperkte gebruik van GGM's dient in de gehele Gemeenschap te worden gecontroleerd en de lidstaten dienen daartoe bepaalde informatie aan de Commissie te verstrekken.

(25)

Om als veilig voor de menselijke gezondheid en het milieu te kunnen worden beschouwd, moeten GGM's voldoen aan de criteria in de lijst in bijlage II, deel B. Gezien de snelheid van de ontwikkelingen in de biotechnologie, de aard van de vast te stellen criteria en het beperkte toepassingsgebied van deze lijst, zouden deze criteria door de Raad moeten worden herzien en, om de toepassing ervan te vergemakkelijken, indien nodig worden aangevuld met gedetailleerde richtsnoeren.

(26)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(27)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om bijlagen II, III, IV en V aan te passen aan de technische vooruitgang en om bijlage II, deel C, aan te passen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

(28)

Daar de nieuwe in deze richtlijn op te nemen onderdelen slechts de comitéprocedure betreffen, is omzetting door de lidstaten niet nodig.

(29)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze richtlijn worden gemeenschappelijke maatregelen vastgesteld voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „micro-organisme”: elke cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal, met inbegrip van virussen, viroïden en dierlijke en plantencellen in cultuur;

b)   „genetisch gemodificeerd micro-organisme” (GGM): een micro-organisme waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze die van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet plaatsvindt; volgens deze definitie:

c)   „ingeperkt gebruik”: elke activiteit waarbij micro-organismen genetisch worden gemodificeerd of waarbij dergelijke GGM's worden gekweekt, opgeslagen, getransporteerd, vernietigd, verwijderd of anderszins gebruikt en waarbij specifieke inperkingsmaatregelen worden gebruikt om het contact van die micro-organismen met de bevolking en het milieu te beperken en om aan zowel bevolking als milieu een hoog veiligheidsniveau te garanderen;

d)   „ongeval”: elk incident tijdens het ingeperkte gebruik waarbij onbedoeld een significante hoeveelheid GGM's vrijkomt waardoor de menselijke gezondheid of het milieu onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht;

e)   „gebruiker”: elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkte gebruik van GGM's;

f)   „kennisgeving”: het indienen van documenten met de vereiste gegevens bij de bevoegde instantie van een lidstaat.

Artikel 3

1.   Onverminderd artikel 4, lid 1, is deze richtlijn niet van toepassing:

a)

indien de genetische modificatie wordt verkregen door middel van de in bijlage II, deel A, genoemde technieken/methoden, of

b)

op ingeperkt gebruik van uitsluitend typen van GGM's die voldoen aan de criteria die worden genoemd in bijlage II, deel B, waarmee wordt vastgesteld dat zij onschadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu. Deze typen van GGM's worden opgesomd in bijlage II, deel C.

2.   Artikel 4, leden 3 en 6, en de artikelen 5 tot en met 11 zijn niet van toepassing op het transport van GGM's over de weg, per spoor, over de binnenwateren, over zee of door de lucht.

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de opslag, de kweek, het transport, de vernietiging, de verwijdering of het gebruik van GGM's die op de markt zijn gebracht overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG of krachtens andere communautaire wetgeving die voorziet in een specifieke milieurisicobeoordeling die vergelijkbaar is met die van die richtlijn, op voorwaarde dat het ingeperkt gebruik in overeenstemming is met de eventueel aan de toestemming tot het in de handel brengen verbonden voorwaarden.

Artikel 4

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle passende maatregelen worden genomen ter voorkoming van eventuele schadelijke gevolgen van het ingeperkt gebruik van GGM's voor de menselijke gezondheid en het milieu.

2.   Daartoe moet de gebruiker een analyse maken van de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu die eventueel aan het ingeperkt gebruik verbonden zijn, waarbij hij minimaal gebruikmaakt van de beoordelingselementen en de procedure die beschreven zijn in bijlage III, onder A en B.

3.   De in lid 2 bedoelde analyse moet via de procedure van bijlage III leiden tot de definitieve indeling in vier klassen van het ingeperkt gebruik. Dit resulteert in de toekenning van inperkingsniveaus overeenkomstig artikel 5:

Klasse 1

:

Activiteiten die geen of een verwaarloosbaar risico inhouden, dat wil zeggen activiteiten waarvoor inperkingsniveau 1 een passende bescherming biedt voor de menselijke gezondheid en het milieu.

Klasse 2

:

Activiteiten die weinig risico inhouden, dat wil zeggen activiteiten waarvoor inperkingsniveau 2 een passende bescherming biedt voor de menselijke gezondheid en het milieu.

Klasse 3

:

Activiteiten die enig risico inhouden, dat wil zeggen activiteiten waarvoor inperkingsniveau 3 een passende bescherming biedt voor de menselijke gezondheid en het milieu.

Klasse 4

:

Activiteiten die veel risico inhouden, dat wil zeggen activiteiten waarvoor inperkingsniveau 4 een passende bescherming biedt voor de menselijke gezondheid en het milieu.

4.   Wanneer twijfel bestaat welke klasse passend is voor het voorgestelde ingeperkt gebruik, worden de strengste beschermingsmaatregelen toegepast, tenzij in overleg met de bevoegde instantie wordt vastgesteld dat afdoende is aangetoond dat minder stringente maatregelen gerechtvaardigd zijn.

5.   Bij de in lid 2 bedoelde analyse wordt in het bijzonder rekening gehouden met het aspect van de afvoer van de afvalstoffen en van het afvalwater. Ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu moeten zo nodig de vereiste veiligheidsmaatregelen worden toegepast.

6.   De gebruiker dient een verslag van de in lid 2 bedoelde analyse te bewaren en dit in een passende vorm ter beschikking van de bevoegde instantie te stellen, hetzij als onderdeel van de kennisgeving bedoeld in de artikelen 6, 8 en 9, hetzij op verzoek.

Artikel 5

1.   Behalve wanneer in bijlage IV, punt 2, andere maatregelen worden toegestaan, past de gebruiker de algemene beginselen en de relevante inperkings- en andere beschermingsmaatregelen van bijlage IV toe die overeenstemmen met de klasse van het ingeperkt gebruik, teneinde de blootstelling van de werkplek en het milieu aan GGM's tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau te beperken en een hoog veiligheidsniveau te garanderen.

2.   De in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse en de toegepaste inperkings- en andere beschermingsmaatregelen worden regelmatig opnieuw bezien, en wel onmiddellijk indien:

a)

de toegepaste inperkingsmaatregelen niet langer passend zijn of de klasse waarin het ingeperkt gebruik is ingedeeld, niet langer juist is, of

b)

er redenen zijn te vermoeden dat de analyse, in het licht van nieuwe wetenschappelijke of technische kennis, niet langer passend is.

Artikel 6

Wanneer in een installatie voor het eerst een ingeperkt gebruik plaatsvindt, is de gebruiker gehouden tevoren bij de bevoegde instantie een kennisgeving in te dienen die minimaal de in bijlage V, deel A, genoemde informatie bevat.

Artikel 7

Zodra de in artikel 6 bedoelde kennisgeving is ingediend, mag vervolgens zonder verdere kennisgeving ingeperkt gebruik van klasse 1 plaatsvinden. Gebruikers van GGM's zijn bij ingeperkt gebruik van klasse 1 gehouden van elke analyse als bedoeld in artikel 4, lid 6, een verslag bij te houden en dit op verzoek ter beschikking van de bevoegde instantie te stellen.

Artikel 8

1.   Wanneer in een overeenkomstig artikel 6 aangemelde installatie al dan niet voor het eerst ingeperkt gebruik van klasse 2 plaatsvindt, dient tevoren een kennisgeving te worden ingediend die de in bijlage V, deel B, genoemde informatie bevat.

2.   Als voor de installatie al eerder een kennisgeving van ingeperkt gebruik van klasse 2 of hoger is ingediend en als is voldaan aan de daarmee verband houdende eisen voor toestemming, kan onmiddellijk na de indiening van de nieuwe kennisgeving met ingeperkt gebruik van klasse 2 worden begonnen.

De indiener kan ook zelf de bevoegde instantie om een besluit inzake formele toestemming verzoeken. Dat besluit moet uiterlijk 45 dagen na de kennisgeving worden genomen.

3.   Indien voor de installatie niet eerder een kennisgeving van ingeperkt gebruik van klasse 2 of hoger is ingediend, mag, als de bevoegde instantie geen bezwaar kenbaar heeft gemaakt, met ingeperkt gebruik van klasse 2 worden begonnen 45 dagen na de indiening van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, of eerder als de bevoegde instantie daarmee instemt.

Artikel 9

1.   Wanneer in een overeenkomstig artikel 6 aangemelde installatie al dan niet voor het eerst ingeperkt gebruik van klasse 3 of klasse 4 plaatsvindt, dient tevoren een kennisgeving te worden ingediend die de in bijlage V, deel C, genoemde informatie bevat.

2.   Met ingeperkt gebruik van klasse 3 of hoger mag niet worden begonnen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de bevoegde instantie die haar besluit schriftelijk meedeelt:

a)

uiterlijk 45 dagen na indiening van de nieuwe kennisgeving, in het geval van een installatie waarvoor al eerder een kennisgeving is ingediend van ingeperkt gebruik van klasse 3 of hoger en indien is voldaan aan daarmee verband houdende eisen voor toestemming voor dezelfde of een hogere klasse dan die van het ingeperkt gebruik waarmee men voornemens is te beginnen;

b)

uiterlijk 90 dagen na indiening van de kennisgeving, in de overige gevallen.

Artikel 10

1.   De lidstaten wijzen de instantie of instanties aan die bevoegd is (zijn) voor de uitvoering van de uit hoofde van deze richtlijn genomen maatregelen en voor het ontvangen en het bevestigen van de ontvangst van de in artikel 6, 8 en 9 bedoelde kennisgeving.

2.   De bevoegde instantie onderzoekt of de kennisgeving aan de eisen van deze richtlijn voldoet, of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn, of de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse en de klasse van ingeperkt gebruik correct zijn en, zo nodig, of de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen, het afvalbeheer en de rampenbestrijding passend zijn.

3.   Zo nodig kan de bevoegde instantie:

a)

de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken of de omstandigheden van het voorgestelde ingeperkt gebruik dan wel de klasse waarin dit is ingedeeld, te wijzigen. In dit geval kan de bevoegde instantie eisen dat niet met het voorgestelde ingeperkt gebruik wordt begonnen of het lopende ingeperkt gebruik wordt geschorst of beëindigd totdat de bevoegde instantie dit ingeperkt gebruik op basis van de nadere informatie of de gewijzigde omstandigheden heeft goedgekeurd;

b)

aan het ingeperkt gebruik een tijdslimiet of bepaalde specifieke voorwaarden verbinden.

4.   Voor de berekening van de in de artikelen 8 en 9 genoemde termijnen wordt geen rekening gehouden met de termijnen gedurende welke de bevoegde instantie:

a)

wacht op nadere informatie waarom zij de kennisgever overeenkomstig lid 3, onder a), eventueel heeft verzocht, of

b)

overeenkomstig artikel 12 een openbaar onderzoek verricht of het publiek raadpleegt.

Artikel 11

1.   Indien de gebruiker de beschikking krijgt over nieuwe terzake doende gegevens of het ingeperkt gebruik wijzigt op een manier die aanzienlijke consequenties kan hebben voor de risico's die daaraan zijn verbonden, wordt de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld en de kennisgeving krachtens de artikelen 6, 8 en 9 gewijzigd.

2.   Indien de bevoegde instantie nadien de beschikking krijgt over gegevens die aanzienlijke consequenties kunnen hebben voor de risico's die aan het ingeperkt gebruik verbonden zijn, kan de bevoegde instantie van de gebruiker eisen het ingeperkt gebruik te schorsen of te beëindigen of de omstandigheden ervan te wijzigen.

Artikel 12

Onverminderd artikel 18 kan een lidstaat, wanneer hij zulks passend acht, voorschrijven dat het publiek wordt geraadpleegd over sommige aspecten van het voorgestelde ingeperkt gebruik.

Artikel 13

1.   De bevoegde instantie draagt er zorg voor dat, alvorens een ingeperkt gebruik begint:

a)

een rampenplan voor ingeperkt gebruik wordt opgesteld, indien het falen van de inperkingsmaatregelen hetzij onmiddellijk, hetzij op termijn kan resulteren in ernstig gevaar voor personen buiten de installatie en/of voor het milieu, tenzij een dergelijk rampenplan is opgesteld uit hoofde van andere communautaire wetgeving;

b)

op passende wijze informatie over de rampenplannen met inbegrip van de desbetreffende veiligheidsmaatregelen wordt verschaft aan de instanties en autoriteiten die met de gevolgen van een ongeval kunnen worden geconfronteerd, en wel zonder dat daartoe een verzoek hunnerzijds noodzakelijk is. Deze informatie wordt met de nodige regelmaat bijgewerkt. Deze informatie wordt tevens ter beschikking van het publiek gesteld.

2.   De betrokken lidstaten verstrekken aan de andere betrokken lidstaten gelijktijdig dezelfde informatie als aan hun eigen onderdanen, zulks als uitgangspunt voor het noodzakelijke overleg in het kader van hun bilaterale betrekkingen.

Artikel 14

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gebruiker bij een ongeval de in artikel 10 bedoelde bevoegde instantie daarvan onmiddellijk op de hoogte stelt en de volgende informatie verstrekt:

a)

de omstandigheden van het ongeval;

b)

de identiteit en kwantiteit van de betrokken GGM's;

c)

alle benodigde gegevens voor de inschatting van de effecten van het ongeval op de volksgezondheid en het milieu;

d)

de getroffen maatregelen.

2.   Wanneer informatie is verstrekt uit hoofde van lid 1:

a)

zorgen de lidstaten ervoor dat alle nodige maatregelen worden genomen en waarschuwen zij onmiddellijk alle lidstaten die door het ongeval kunnen worden getroffen;

b)

verzamelen de lidstaten waar mogelijk de benodigde informatie voor een volledige analyse van het ongeval en doen zij zo nodig aanbevelingen om soortgelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

Artikel 15

1.   De lidstaten moeten:

a)

over de voorgestelde uitvoering van rampenplannen overleg plegen met andere lidstaten die bij een ongeval kunnen worden getroffen;

b)

de Commissie zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen van elk ongeval dat onder deze richtlijn valt en hierbij gedetailleerde gegevens verstrekken over de omstandigheden van het ongeval, de identiteit en kwantiteit van de betrokken GGM's, de getroffen maatregelen en de effectiviteit daarvan, alsmede een analyse van het ongeval die vergezeld gaat van aanbevelingen om de gevolgen ervan te beperken en soortgelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen.

2.   De Commissie stelt in overleg met de lidstaten een procedure vast voor de uitwisseling van de in lid 1 bedoelde informatie. Ook legt zij een register aan van de ongevallen die zich hebben voorgedaan en die onder deze richtlijn vallen, met de ongevalsanalyses, de opgedane ervaring en de maatregelen die zijn getroffen om dergelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen; dit register staat ter beschikking van de lidstaten.

Artikel 16

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde instantie inspecties organiseert en andere controlemaatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de gebruiker zich aan de bepalingen van deze richtlijn houdt.

Artikel 17

1.   De lidstaten zenden de Commissie aan het einde van elk jaar een samenvattend verslag toe over het ingeperkt gebruik van klasse 3 en klasse 4 waarvan in dat jaar krachtens artikel 9 kennisgeving is gedaan, inclusief de beschrijving van de aard, het doel en de risico's van dit ingeperkt gebruik.

2.   Om de drie jaar en voor het eerst op 5 juni 2003 sturen de lidstaten de Commissie een samenvattend verslag toe van de ervaringen die zij met deze richtlijn hebben opgedaan.

3.   Om de drie jaar en voor het eerst op 5 juni 2004 publiceert de Commissie een samenvatting van de in lid 2 bedoelde verslagen.

4.   De Commissie mag algemene statistische informatie publiceren over de toepassing van deze richtlijn en aanverwante kwesties, mits daarin geen gegevens voorkomen die de concurrentiepositie van een gebruiker kunnen schaden.

Artikel 18

1.   Wanneer de openbaarmaking ervan gevolgen heeft voor een of meer van de in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (8) genoemde punten kan de kennisgever aangeven dat bepaalde informatie in een op grond van deze richtlijn ingediende kennisgeving vertrouwelijk moet worden behandeld. In dit geval moeten aantoonbare redenen worden aangevoerd.

De bevoegde instantie besluit na overleg met de kennisgever welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de kennisgever op de hoogte van haar besluit.

2.   De vertrouwelijkheid is in geen geval van toepassing op de volgende informatie, wanneer deze overeenkomstig de artikelen 6, 8 of 9 wordt gegeven:

a)

de algemene karakteristieken van de GGM's, naam en adres van de kennisgever en de plaats van gebruik;

b)

de klasse van ingeperkt gebruik en de inperkingsmaatregelen;

c)

de conclusies met betrekking tot de te verwachten effecten, met name de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu.

3.   De Commissie en de bevoegde instantie geven aan derden geen informatie door ten aanzien waarvan overeenkomstig de tweede alinea van lid 1 tot vertrouwelijke behandeling besloten is en waarvan krachtens deze richtlijn kennis is gegeven of die krachtens deze richtlijn anderszins is verstrekt; ook dienen zij de rechten inzake de intellectuele eigendom van de ontvangen gegevens te beschermen.

4.   Wanneer de kennisgever, om welke reden dan ook, zijn kennisgeving intrekt, moet de bevoegde instantie de vertrouwelijkheid van de verschafte informatie respecteren.

Artikel 19

De maatregelen betreffende de aanpassing aan de technische vooruitgang van de bijlagen II, III, IV en V en de aanpassing van bijlage II, deel C, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 20

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

Artikel 21

Richtlijn 90/219/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VI, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VII.

Artikel 22

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 23

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J. KOHOUT


(1)  PB C 162 van 25.6.2008, blz. 85.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 maart 2009.

(3)  PB L 117 van 8.5.1990, blz. 1.

(4)  Zie bijlage VI, deel A.

(5)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.

(6)  PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

DEEL A

Technieken van genetische modificatie bedoeld in artikel 2, onder b), i), zijn onder meer:

1.

recombinant-nucleïnezuurtechnieken die resulteren in de vorming van nieuwe combinaties van genetisch materiaal doordat op enigerlei wijze buiten een organisme geproduceerde nucleïnezuurmoleculen worden geïnsereerd in een virus, een bacteriële plasmide of een ander vectorsysteem en worden geïntegreerd in een gastheerorganisme waarin zij van nature niet voorkomen maar waarin zij tot regelmatige replicatie in staat zijn;

2.

technieken met rechtstreekse inbrenging in een micro-organisme van erfelijk materiaal dat buiten het micro-organisme geprepareerd is, waaronder micro-injectie, macro-injectie en micro-encapsulatie;

3.

celfusie of hybridisatietechnieken waarbij levende cellen met nieuwe combinaties van erfelijk genetisch materiaal worden gevormd door de fusie van twee of meer cellen met gebruikmaking van methoden die van nature niet voorkomen.

DEEL B

Technieken bedoeld in artikel 2, onder b), ii), die niet worden geacht tot genetische modificatie te leiden mits bij deze technieken geen gebruik wordt gemaakt van recombinant-nucleïnezuurmoleculen of GGM's die zijn geproduceerd met behulp van andere dan de bij bijlage II, deel A, uitgesloten technieken/methoden:

1.

in-vitrobevruchting;

2.

natuurlijke processen, zoals conjugatie, transductie, transformatie;

3.

polyploïdie-inductie.


BIJLAGE II

DEEL A

Technieken/methoden van genetische modificatie waarbij micro-organismen ontstaan die van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten op voorwaarde dat daarbij geen andere recombinant-nucleïnezuurmoleculen of GGM’s worden gebruikt dan die welke door middel van een of meer van de hieronder genoemde technieken/methoden zijn geproduceerd:

1.

mutagenese;

2.

celfusie (met inbegrip van protoplastfusie) van prokaryotische soorten die genetisch materiaal uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen;

3.

celfusie (met inbegrip van protoplastfusie) van cellen van eukaryotische soorten, met inbegrip van de productie van hybridoma’s en de fusie van plantencellen;

4.

zelfklonering, dit wil zeggen het verwijderen van nucleïnezuursequenties uit een cel van een organisme, al dan niet gevolgd door de reïnsertie van dit nucleïnezuur of een deel daarvan (of een synthetisch equivalent) — eventueel na een aantal voorafgaande enzymatische of mechanische bewerkingen — in cellen van dezelfde soort of cellen van een fylogenetisch nauw verwante soort waarmee eerstgenoemde soort genetisch materiaal kan uitwisselen door middel van bekende fysiologische processen, voor zover het onwaarschijnlijk mag worden geacht dat het resulterende micro-organisme een ziekte kan verwekken bij mens, dier of plant.

Bij zelfklonering mag gebruik worden gemaakt van recombinante vectoren waarvan het gebruik in combinatie met de betrokken micro-organismen in de loop der tijd veilig is gebleken.

DEEL B

Criteria om vast te stellen of GGM’s veilig zijn voor de gezondheid van de mens en het milieu

In deze bijlage worden in algemene termen de criteria beschreven waaraan moet worden voldaan bij de vaststelling of typen GGM’s veilig zijn voor de gezondheid van de mens en het milieu en geschikt zijn om in deel C te worden opgenomen. Teneinde de tenuitvoerlegging en de interpretatie van deze bijlage te vereenvoudigen kunnen technische richtsnoeren worden uitgewerkt in overeenstemming met de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.

1.   Inleiding

Typen GGM’s die volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing in deel C worden opgenomen, worden van het toepassingsgebied uitgesloten. GGM’s worden uitsluitend individueel aan de lijst toegevoegd en de uitsluiting geldt alleen voor het duidelijk geïdentificeerde GGM. Deze uitsluiting geldt alleen wanneer het gebruik van het GGM voldoet aan de voorwaarden van ingeperkt gebruik, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c), van de richtlijn en geldt niet voor de doelbewuste introductie van GGM’s. Een GGM kan alleen in deel C worden opgenomen indien is aangetoond dat het aan onderstaande criteria voldoet.

2.   Algemene criteria

2.1.   Verificatie/authenticatie van de stam

De identiteit van de stam moet exact worden bepaald en de modificatie moet bekend en geverifieerd zijn.

2.2.   Gedocumenteerd en algemeen erkend bewijs van de veiligheid

Er moet gedocumenteerd bewijsmateriaal voor de veiligheid van het organisme worden ingediend.

2.3.   Genetische stabiliteit

Wanneer de veiligheid nadelig kan worden beïnvloed door instabiliteit, moet stabiliteit worden aangetoond.

3.   Specifieke criteria

3.1.   Niet pathogeen

Het GGM mag bij een mens, plant of dier in goede gezondheid geen ziekte of schade kunnen veroorzaken. Onder pathogeniteit vallen zowel toxigene als allergene werking, zodat het GGM tevens de volgende eigenschappen moet hebben.

3.1.1.   Niet toxigeen

Het GGM mag door de genetische modificatie niet sterker toxigeen worden en het mag geen bekende toxigene eigenschappen hebben.

3.1.2.   Niet allergeen

Het GGM mag door de genetische modificatie niet sterker allergeen worden en het mag geen bekende allergene eigenschappen hebben met bijvoorbeeld een allergene werking die met name vergelijkbaar is met die van de micro-organismen die in Richtlijn 2000/54/EG worden gespecificeerd.

3.2.   Geen schadelijke adventieve agentia

Het GGM mag geen bekende adventieve agentia bevatten, zoals actieve of latente andere micro-organismen, die zich aan of in het GGM bevinden en schade aan de gezondheid van de mens of het milieu kunnen toebrengen.

3.3.   Overdracht van genetisch materiaal

Het gemodificeerde genetische materiaal mag geen schade veroorzaken als het wordt overgebracht en mag ook niet met een hogere frequentie zelf-overdraagbaar of over te brengen zijn dan andere genen van het recipiënte of ouder-micro-organisme.

3.4.   Veiligheid voor het milieu bij onbedoelde significante ontsnapping aan de inperking

GGM’s mogen geen directe of vertraagde schadelijke gevolgen voor het milieu hebben wanneer zij onbedoeld in significante hoeveelheden vrijkomen.

GGM’s die niet aan bovenstaande criteria voldoen, zijn niet geschikt om in deel C te worden opgenomen.

DEEL C

Typen van GGM’s die voldoen aan de criteria van deel B:

… (dit deel wordt aangenomen volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing)


BIJLAGE III

Beginselen die ten grondslag liggen aan de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse

Deze bijlage beschrijft in algemene bewoordingen de relevante elementen en de procedure die moet worden gevolgd voor het uitvoeren van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse. Teneinde de tenuitvoerlegging en de interpretatie van deze bijlage te vereenvoudigen, in het bijzonder wat betreft punt B, kunnen technische richtsnoeren (1) worden uitgewerkt in overeenstemming met de in artikel 20, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure.

A.   Elementen van de analyse

1.

Als mogelijke schadelijke effecten moeten worden beschouwd:

ziekten bij de mens, met inbegrip van allergene of toxische effecten;

ziekten bij dier of plant;

schadelijke effecten als gevolg van de onmogelijkheid om een ziekte te behandelen of over een doeltreffende profylaxe te beschikken;

schadelijke effecten als gevolg van vestiging of verspreiding in het milieu;

schadelijke effecten als gevolg van de natuurlijke overdracht van geïnsereerd genetisch materiaal naar andere organismen.

2.

De in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse moet worden gebaseerd op:

a)

de vaststelling van alle potentieel schadelijke effecten, met name die welke veroorzaakt worden door:

i)

het recipiënte micro-organisme,

ii)

het geïnsereerde genetisch materiaal (afkomstig van het donor-organisme),

iii)

de vector,

iv)

het als donor fungerende micro-organisme (zo lang het als donor fungerende micro-organisme bij de activiteit zelf wordt gebruikt),

v)

het resulterende GGM;

b)

de aard van de activiteit;

c)

de ernst van de potentieel schadelijke effecten;

d)

de kans dat de mogelijke schadelijke effecten zich werkelijk voordoen.

B.   Procedure

3.

Bij wijze van eerste stap in het analyseproces moeten de schadelijke eigenschappen van het recipiënte micro-organisme en indien nodig van het als donor fungerende micro-organisme worden vastgesteld, de schadelijke effecten die verband houden met de vector of het geïnsereerde materiaal, met inbegrip van elke wijziging van de actuele eigenschappen van het recipiënte organisme.

4.

In de regel worden alleen GGM's met de volgende kenmerken geschikt bevonden om te worden ingedeeld in klasse 1 als omschreven in artikel 4, lid 3:

i)

onwaarschijnlijkheid dat het recipiënte of ouder-micro-organisme ziekten veroorzaakt bij mens, dier of plant (2);

ii)

de aard van de vector en van de insert dient zodanig te zijn dat deze het GGM geen fenotype verlenen waarvan het waarschijnlijk is dat dit ziekten bij mens, dier of plant (2) veroorzaakt of schadelijke effecten heeft in het milieu;

iii)

onwaarschijnlijkheid dat het GGM ziekten veroorzaakt bij mens, dier of plant (2) en schadelijke effecten heeft in het milieu.

5.

Alvorens kennis te nemen van de voor de aanwending van deze procedure nodige informatie, kan de gebruiker eerst de relevante communautaire wetgeving, met name Richtlijn 2000/54/EG, in aanmerking nemen. Ook met internationale of nationale classificatiesystemen (bv. die van de Wereldgezondheidsorganisatie of de National Institutes of Health) als gewijzigd in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens en de vooruitgang van de techniek, kan rekening worden gehouden.

Deze classificatiesystemen zijn opgezet voor ongemodificeerde micro-organismen en zijn gewoonlijk gebaseerd op het vermogen van die micro-organismen om ziekten te verwekken bij mens, dier of plant alsmede op de ernst en de besmettelijkheid van de eventueel veroorzaakte ziekte. In Richtlijn 2000/54/EG worden micro-organismen, in hun hoedanigheid van biologische agentia, ingedeeld in vier risicoklassen op basis van hun mogelijke effecten op een gezonde volwassen persoon. Deze risicoklassen kunnen als leidraad worden gebruikt bij de indeling van de activiteiten met ingeperkt gebruik in vier risicoklassen als bedoeld in artikel 4, lid 3. De gebruiker kan eveneens rekening houden met — meestal op nationaal niveau vastgestelde — classificatiesystemen voor planten- en dierziekteverwekkers. De bedoelde classificatiesystemen geven slechts een voorlopige indicatie van de risicoklasse van de activiteit en de ter zake te nemen inperkings- en controlemaatregelen.

6.

Het omschrijven van de gevaren, uitgevoerd overeenkomstig de punten 3 tot en met 5, moet leiden tot identificatie van het aan het GGM verbonden risiconiveau.

7.

Vervolgens moeten op basis van de aan de GGM's verbonden risiconiveaus inperkings- en andere beschermingsmaatregelen worden gekozen, waarbij in acht moeten worden genomen:

i)

de kenmerken van het milieu dat aan de GGM's kan worden blootgesteld (bijvoorbeeld of in het milieu dat aan de GGM's kan worden blootgesteld, levende wezens voorkomen waarvan bekend is dat zij schade kunnen ondervinden van de micro-organismen die bij het ingeperkt gebruik worden ingezet);

ii)

de kenmerken van de activiteiten (bijvoorbeeld de aard en/of de omvang daarvan);

iii)

alle niet-standaardactiviteiten (bijvoorbeeld het inenten van dieren met GGM's; apparaten die aerosols kunnen produceren).

De inachtneming van de punten i) tot en met iii) voor de specifieke activiteit kan de aan de GGM's verbonden risiconiveaus als omschreven in punt 6 verhogen, verlagen of ongewijzigd laten.

8.

De volgens voorgaande beschrijving uitgevoerde analyse leidt uiteindelijk tot het onderbrengen van de activiteit onder een van de in artikel 4, lid 3, omschreven klassen.

9.

De definitieve indeling van het ingeperkt gebruik moet worden bevestigd middels een toetsing van de afgeronde in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse.


(1)  Zie Beschikking 2000/608/EG van de Commissie van 27 september 2000 betreffende de richtsnoeren voor de risicoanalyse als omschreven in bijlage III bij Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 258 van 12.10.2000, blz. 43).

(2)  Dit zou enkel gelden voor dieren en planten in de omgeving die waarschijnlijk wordt blootgesteld.


BIJLAGE IV

INPERKINGS- EN ANDERE BESCHERMINGSMAATREGELEN

Algemene beginselen

1.

Deze tabellen bieden een overzicht van de minimumeisen en -maatregelen die normaliter van toepassing zijn voor de diverse inperkingsniveaus.

De inperking wordt tevens tot stand gebracht door de toepassing van goede werkpraktijken, opleiding, inperkingsfaciliteiten en speciaal ontworpen installaties. Bij alle activiteiten met GGM’s moeten de beginselen van de goede microbiologische praktijk en goede gezondheid en veiligheid op het werk worden toegepast:

i)

de blootstelling van de werkplek en van het milieu aan enig GGM op het laagst haalbare niveau houden;

ii)

bij de bouw van de apparatuur controlemaatregelen aan de bron nemen en deze waar nodig aanvullen met adequate persoonlijke beschermende kleding en persoonlijke beschermingsmiddelen;

iii)

adequate beproeving en handhaving van controlemaatregelen en goede werking van de installatie;

iv)

indien nodig, de aanwezigheid van levensvatbare procesorganismen buiten de primaire fysische inperking onderzoeken;

v)

voorzien in passende personeelsopleiding;

vi)

indien vereist, comités of subcomités inzake biologische veiligheid instellen;

vii)

zoals vereist, lokale richtlijnen voor de praktijk inzake veiligheid van het personeel op de werkplek opstellen en toepassen;

viii)

waar nodig waarschuwingsborden aanbrengen die wijzen op biologische risico’s;

ix)

voorzieningen voor wassen en ontsmetten voor het personeel ter beschikking stellen;

x)

adequate protocollering;

xi)

eten, drinken, roken, het aanbrengen van cosmetica of het opslaan van voedsel voor menselijke consumptie op de werkplek verbieden;

xii)

pipetteren met de mond verbieden;

xiii)

waar nodig voorzien in schriftelijke gestandaardiseerde werkprocedures om de veiligheid te waarborgen;

xiv)

doeltreffende desinfectiemiddelen en specifieke desinfectieprocedures ter beschikking hebben in geval van weglekken van GGM’s;

xv)

waar nodig, voorzien in een veilige opslag voor verontreinigde laboratoriumuitrusting en materialen.

2.

De titels van de tabellen zijn indicatief:

 

Tabel I A biedt een overzicht van de minimumeisen voor laboratoriumactiviteiten.

 

Tabel I B bevat aanvullingen op en wijzigingen van tabel I A voor activiteiten in kassen en kweekkamers waarbij gebruik wordt gemaakt van GGM’s.

 

Tabel I C bevat aanvullingen op en wijzigingen van tabel I A voor activiteiten waarbij zowel dieren als GGM’s worden gebruikt.

 

Tabel II biedt een overzicht van de minimumeisen voor andere dan laboratoriumactiviteiten.

In bepaalde specifieke gevallen kan het nodig zijn een combinatie van maatregelen van tabel I A en tabel II voor hetzelfde niveau toe te passen.

In sommige gevallen kunnen gebruikers met instemming van de bevoegde instantie nalaten bepaalde voorschriften ten aanzien van een gegeven inperkingsniveau toe te passen of voorschriften met betrekking tot twee verschillende niveaus combineren.

In deze tabellen moet onder „facultatief” worden verstaan dat de gebruiker deze maatregelen per geval naargelang van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse mag toepassen.

3.

Bij de toepassing van deze bijlage kunnen de lidstaten ter verduidelijking van de eisen bovendien de algemene beginselen uit de inleiding in de hierna volgende tabellen verwerken.

Tabel I A

Inperkings- en andere beschermende maatregelen voor laboratoriumactiviteiten

Specificaties

Inperkingsniveau

1

2

3

4

1

Afgesloten (1) laboratoriumcomplex

Niet vereist

Niet vereist

Vereist

Vereist

2

Laboratorium hermetisch afsluitbaar met het oog op fumigatie

Niet vereist

Niet vereist

Vereist

Vereist

Installatie

3

Oppervlakken bestand tegen water, zuren, basen, oplosmiddelen, desinfectiemiddelen en ontsmettingsagentia en gemakkelijk schoon te maken

Vereist (werktafels)

Vereist (werktafels)

Vereist (werktafels, vloeren)

Vereist (werktafels, vloeren, zolderingen, muren)

4

Toegang tot laboratorium via luchtsluis (2)

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

5

Onderdruk ten opzichte van de druk in de directe omgeving

Niet vereist

Niet vereist

Vereist behalve voor (3)

Vereist

6

HEPA-filtratie (4) van de af- en aangevoerde lucht in hetlaboratorium

Niet vereist

Niet vereist

Vereist: HEPA-filtratie van de afgevoerde lucht, uitzonderingen (3)

Vereist: HEPA-filtratie van de af- en aangevoerde lucht (5)

7

Microbiologische veiligheidskast/isolatieruimte

Niet vereist

Facultatief

Vereist

Vereist

8

Autoclaaf

Op de locatie

In het gebouw

In het complex (6)

In het laboratorium: doorgeef-autoclaaf

Modus operandi

9

Beperkte toegang

Niet vereist

Vereist

Vereist

Vereist

10

Biorisicoteken op de deur

Niet vereist

Vereist

Vereist

Vereist

11

Specifieke maatregelen om verspreiding van aerosolen tegen te gaan

Niet vereist

Vereist, verspreiding zoveel mogelijk beperken

Vereist, verspreiding voorkomen

Vereist, verspreiding voorkomen

13

Douche

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

14

Beschermende kleding

Passende beschermende kleding

Passende beschermende kleding

Passende beschermende kleding en (facultatief) schoeisel

Volledige verwisseling van kleding en schoeisel vóór verlaten laboratorium

15

Handschoenen

Niet vereist

Facultatief

Vereist

Vereist

18

Doeltreffende controle potentiële vectoren (bv. knaagdieren en insecten)

Facultatief

Vereist

Vereist

Vereist

Behandeling afval

19

Inactivering GGM’s in het effluent van wastafels, afvoergoten en douches en gelijkaardige effluenten

Niet vereist

Vereist

Facultatief

Vereist

20

Inactivering GGM’s in verontreinigd materiaal en afval

Facultatief

Vereist

Vereist

Vereist

Andere maatregelen

21

Uitrusting mag het laboratorium niet verlaten

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

23

Kijkvenster (of een alternatief) waardoor personeel kan worden gezien

Facultatief

Facultatief

Facultatief

Vereist


Tabel I B

Inperkings- en andere beschermende maatregelen voor kassen en kweekkamers

Onder „kas” of „kweekkamer” wordt verstaan een constructie met muren, een dak en een vloer, die is ontworpen en hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het kweken van planten in een gecontroleerd en beschermd milieu.

Alle bepalingen van tabel I a zijn van toepassing met de volgende aanvullingen/wijzigingen:


Specificaties

Inperkingsniveau

1

2

3

4

Gebouw

1

Kas: permanente constructie (7)

Niet vereist

Vereist

Vereist

Vereist

Installatie

3

Toegang via een afzonderlijke ruimte waarvan de twee deuren van een gekoppelde vergrendeling zijn voorzien

Niet vereist

Facultatief

Facultatief

Vereist

4

Maatregelen met betrekking tot de afvoer van verontreinigd water

Facultatief

Lozing zoveel mogelijk beperken (8)

Lozing voorkomen

Lozing voorkomen

Modus operandi

6

Maatregelen ter bestrijding van ongewenste organismen zoals insecten en andere arthropoden, knaagdieren enz.

Vereist

Vereist

Vereist

Vereist

7

Procedures voor het overbrengen van levend materiaal tussen de kas/kweekkamer, de beschermende constructie en het laboratorium die de verspreiding van de GGM’s bestrijden

Verspreiding zoveel mogelijk beperken

Verspreiding zoveel mogelijk beperken

Verspreiding voorkomen

Verspreiding voorkomen


Tabel I C

Inperkings- en andere beschermende maatregelen voor activiteiten in animalaria

Alle bepalingen van tabel I A zijn van toepassing met de volgende aanvullingen/wijzigingen:


Specificaties

Inperkingsniveau

1

2

3

4

Dierenverblijven

1

Afgesloten animalarium (9)

Facultatief

Vereist

Vereist

Vereist

2

Dierenverblijven (10) afgescheiden door vergrendelbare deuren

Facultatief

Vereist

Vereist

Vereist

3

Dierenverblijven ontworpen om te kunnen worden ontsmet (waterdicht en makkelijk wasbaar materiaal voor kooien enz.)

Facultatief

Facultatief

Vereist

Vereist

4

Vloer en/of muren gemakkelijk schoon te maken

Facultatief

Vereist (vloer)

Vereist (vloer en muren)

Vereist (vloer en muren)

5

Dieren gehouden in daartoe geschikte kooien, hokken of reservoirs

Facultatief

Facultatief

Facultatief

Facultatief

6

Van filters voorziene isolatieboxen of afgesloten ruimten (11)

Niet vereist

Facultatief

Vereist

Vereist


Tabel II

Inperkings- en andere beschermende maatregelen voor andere activiteiten

Specificaties

Inperkingsniveau

1

2

3

4

Algemeen

1

Levensvatbare micro-organismen moeten worden ingeperkt in een systeem dat het proces van het milieu isoleert (gesloten systeem)

Facultatief

Vereist

Vereist

Vereist

2

Maatregelen om de emissie van gassen door het gesloten systeem tegen te gaan

Niet vereist

Vereist, uitstoot zoveel mogelijk beperken

Vereist, uitstoot voorkomen

Vereist, uitstoot voorkomen

3

Maatregelen om aerosolvorming bij het nemen van monsters, de introductie van materiaal in het gesloten systeem of de overbrenging van materiaal naar een ander gesloten systeem tegen te gaan

Facultatief

Vereist, uitstoot zoveel mogelijk beperken

Vereist, uitstoot voorkomen

Vereist, uitstoot voorkomen

4

Inactivering van de bulkkweekvloeistoffen alvorens zij uit het gesloten systeem worden verwijderd

Facultatief

Vereist, volgens gevalideerde methoden

Vereist, volgens gevalideerde methoden

Vereist, volgens gevalideerde methoden

5

Afdichtingen moeten zo zijn ontworpen dat lekken zoveel mogelijk worden vermeden of worden voorkomen

Geen bijzondere voorschriften

Lekken zoveel mogelijk vermijden

Lekken voorkomen

Lekken voorkomen

6

De gecontroleerde zone moet zo zijn ontworpen dat bij een eventueel lek de gehele inhoud van het gesloten systeem erin kan worden opgevangen

Facultatief

Facultatief

Vereist

Vereist

7

De gecontroleerde zone moet met het oog op fumigatie hermetisch kunnen worden afgesloten

Niet vereist

Facultatief

Facultatief

Vereist

Installatie

8

Toegang via luchtsluis

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

9

De oppervlakken moeten bestand zijn tegen water, zuren, basen, oplosmiddelen, desinfectiemiddelen en ontsmettingsagentia, en gemakkelijk schoon te maken zijn

Vereist (eventuele werktafels)

Vereist (eventuele werktafels)

Vereist (vloer en eventuele werktafels)

Vereist (werktafels, vloer, zoldering, muren)

10

Specifieke maatregelen om de gecontroleerde zone afdoende te ventileren om verontreiniging van de lucht te voorkomen

Facultatief

Facultatief

Facultatief

Vereist

11

In de gecontroleerde zone moet een onderdruk heersen ten opzichte van de directe omgeving

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

12

De afgevoerde en aangevoerde lucht van de gecontroleerde zone moet met een HEPA-filter worden gezuiverd

Niet vereist

Niet vereist

Vereist voor de afgevoerde lucht, facultatief voor de aangevoerde lucht

Vereist (aan- en afgevoerde lucht)

Modus operandi

13

De gesloten systemen moeten zich binnen een gecontroleerde zone bevinden

Niet vereist

Facultatief

Vereist

Vereist

14

De toegang moet voor bevoegd personeel worden gereserveerd

Niet vereist

Vereist

Vereist

Vereist

15

Er moeten borden met het biorisicoteken worden aangebracht

Niet vereist

Vereist

Vereist

Vereist

17

Het personeel dient een douche te nemen alvorens de gecontroleerde zone te verlaten

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

18

Het personeel moet beschermende kleding dragen

Vereist (werkkleding)

Vereist (werkkleding)

Vereist

Volledige verwisseling van kleding vóór betreden en vóór verlaten van zone

Behandeling afval

22

Inactivering GGM’s in het effluent van wastafels en douches of gelijkaardige effluenten

Niet vereist

Niet vereist

Facultatief

Vereist

23

Inactivering GGM’s in verontreinigd materiaal en afval, met inbegrip van GGM’s in het proceswater vóór de uiteindelijke lozing

Facultatief

Vereist, volgens gevalideerde methoden

Vereist, volgens gevalideerde methoden

Vereist, volgens gevalideerde methoden


(1)  

Afgesloten: het laboratorium is afgescheiden van de andere delen van hetzelfde gebouw of vormt een afzonderlijk gebouw.

(2)  

Luchtsluis: als toegang fungeert een luchtsluis, die uit een van het laboratorium gescheiden kamer bestaat. Tussen de „schone” en de „afgeschermde” kant van de luchtsluis moeten zich omkleed- of douchevoorzieningen bevinden en de luchtsluis moet bij voorkeur voorzijn zijn van deuren met gekoppelde vergrendeling.

(3)  Het betreft activiteiten waarbij geen transmissie via de lucht optreedt.

(4)  

HEPA= High Efficiency Particulate Air.

(5)  Bij gebruik van virussen die niet door HEPA-filtratie worden tegengehouden, zijn extra vereisten van de afgevoerde lucht noodzakelijk.

(6)  Met gevalideerde procedures voor de veilige overbrenging van materiaal naar een autoclaaf buiten het laboratorium bij een gelijkwaardig beschermingsniveau.

(7)  De kas dient een duurzame constructie te zijn met een naadloze waterdichte bekleding, gelegen op een plek waarvan het talud van dien aard is dat de instroming van oppervlaktewater wordt voorkomen en voorzien van zelfsluitende, vergrendelbare deuren.

(8)  In gevallen waarin transmissie via de grond mogelijk is.

(9)  

Animalarium: een gebouw of een afzonderlijk deel van een gebouw dat de dierenverblijven alsmede andere ruimten zoals kleedkamers, douches, autoclaven, opslagruimten voor diervoeder enz., omvat.

(10)  

Dierenverblijf: een ruimte die normaal wordt gebruikt om er reserve-, fok- of proefdieren onder te brengen of eenvoudige chirurgische ingrepen uit te voeren.

(11)  

Isolatieboxen: doorzichtige containers waarin kleine dieren, al dan niet een kooi, worden gehouden; voor grote dieren zijn afgesloten ruimten geschikter.


BIJLAGE V

Vereiste gegevens voor de in artikel 6, 8 en 9 bedoelde kennisgeving

DEEL A

Vereiste gegevens voor de in artikel 6 bedoelde kennisgeving:

naam van de gebruiker(s), inclusief de personen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht en de veiligheid;

gegevens over de opleiding en kwalificaties van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht en de veiligheid;

nadere bijzonderheden over eventuele biologische comités of subcomités;

adres en een algemene beschrijving van de gebouwen;

een beschrijving van de aard van de uit te voeren werkzaamheden;

de klasse van ingeperkt gebruik;

alleen voor ingeperkt gebruik van klasse 1 een beknopte samenvatting van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse en informatie over het afvalbeheer.

DEEL B

Vereiste gegevens voor de in artikel 8 bedoelde kennisgeving:

de datum van indiening van de in artikel 6 bedoelde kennisgeving;

de namen van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht en de veiligheid en gegevens over hun opleiding en kwalificaties;

het (de) gebruikte recipiënt-, donor- en/of ouder-micro-organisme(n) alsmede, in voorkomend geval, het (de) gebruikte vector/gastheersysteem (-systemen);

de bron(nen) en beoogde functie(s) van het bij de modificatie(s) gebruikte genetisch materiaal;

de identiteit en de kenmerken van het (de) GGM('s);

het doel van het ingeperkte gebruik alsmede de verwachte resultaten;

de te gebruiken kweekvolumes (bij benadering);

een beschrijving van de inperkings- en andere beschermende maatregelen die zullen worden toegepast, met inbegrip van de informatie over afvalbeheer, inclusief de behandeling, de uiteindelijke vorm en de bestemming van de afvalstoffen die bij de activiteiten zullen ontstaan;

een beknopte samenvatting van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse;

de informatie die nodig is om de bevoegde instantie in staat te stellen om, in voorkomend geval, conform artikel 13, lid 1, vereiste rampenplannen te evalueren.

DEEL C

Vereiste gegevens voor de in artikel 9 bedoelde kennisgeving:

a)

de datum van indiening van de in artikel 6 bedoelde kennisgeving;

de naam van de personen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht en de veiligheid en gegevens over hun opleiding en kwalificaties;

b)

het (de) te gebruiken recipiënt- of ouder-micro-organisme(n);

het (de) te gebruiken vector/gastheersysteem (-systemen) (in voorkomend geval);

de bron(nen) en beoogde functie(s) van het bij de modificatie(s) te gebruiken genetisch materiaal;

de identiteit en de kenmerken van het GGM;

de te gebruiken kweekvolumes;

c)

een beschrijving van de inperkings- en andere beschermende maatregelen die zullen worden toegepast, met inbegrip van informatie over het afvalbeheer, inclusief de aard en de vorm van de afvalstoffen die zullen ontstaan alsmede de behandeling, de uiteindelijke vorm en de bestemming daarvan;

het doel van het ingeperkte gebruik alsmede de verwachte resultaten;

een beschrijving van de diverse onderdelen van de installatie;

d)

gegevens over de ongevallenpreventie en eventuele rampenplannen:

eventuele specifieke risico's als gevolg van de ligging van de installatie;

de getroffen preventiemaatregelen zoals veiligheidsuitrusting, alarmsystemen en inperkingsmethoden;

de procedures en plannen ter verificatie van de onverminderde doeltreffendheid van de inperkingsmaatregelen;

een beschrijving van de aan de werknemers verstrekte informatie;

de informatie die nodig is om de bevoegde instantie in staat te stellen om, in voorkomend geval, conform artikel 13, lid 1, vereiste rampenplannen te evalueren;

e)

een afschrift van de in artikel 4, lid 2, bedoelde analyse.


BIJLAGE VI

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 21)

Richtlijn 90/219/EEG van de Raad

(PB L 117 van 8.5.1990, blz. 1)

 

Richtlijn 94/51/EG van de Commissie

(PB L 297 van 18.11.1994, blz. 29)

 

Richtlijn 98/81/EG van de Raad

(PB L 330 van 5.12.1998, blz. 13)

 

Beschikking 2001/204/EG van de Raad

(PB L 73 van 15.3.2001, blz. 32)

 

Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1)

Uitsluitend punt 19 van bijlage III

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 21)

Richtlijn

Omzettingstermijn

90/219/EEG

23 oktober 1991

94/51/EG

30 april 1995

98/81/EG

5 juni 2000


BIJLAGE VII

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 90/219/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, lid 1, aanhef

Artikel 3, eerste streepje

Artikel 3, lid 1, onder a)

Artikel 3, tweede streepje

Artikel 3, lid 1, onder b)

Artikel 4, eerste alinea

Artikel 3, lid 2

Artikel 4, tweede alinea

Artikel 3, lid 3

Artikel 5

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11, leden 1, 2 en 3

Artikel 10, leden 1, 2 en 3

Artikel 11, lid 4, aanhef

Artikel 10, lid 4, aanhef

Artikel 11, lid 4, eerste streepje

Artikel 10, lid 4, onder a)

Artikel 11, lid 4, tweede streepje

Artikel 10, lid 4, onder b)

Artikel 12, eerste paragraaf

Artikel 11, lid 1

Artikel 12, tweede paragraaf

Artikel 11, lid 2

Artikel 13

Artikel 12

Artikel 14, eerste paragraaf

Artikel 13, lid 1

Artikel 14, tweede paragraaf

Artikel 13, lid 2

Artikel 15, lid 1, aanhef

Artikel 14, lid 1, aanhef

Artikel 15, lid 1, eerste streepje

Artikel 14, lid 1, onder a)

Artikel 15, lid 1, tweede streepje

Artikel 14, lid 1, onder b)

Artikel 15, lid 1, derde streepje

Artikel 14, lid 1, onder c)

Artikel 15, lid 1, vierde streepje

Artikel 14, lid 1, onder d)

Artikel 15, lid 2, aanhef

Artikel 14, lid 2, aanhef

Artikel 15, lid 2, eerste streepje

Artikel 14, lid 2, onder a)

Artikel 15, lid 2, tweede streepje

Artikel 14, lid 2, onder b)

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 16

Artikel 18

Artikel 17

Artikel 19, lid 1

Artikel 18, lid 1, eerste alinea

Artikel 19, lid 2

Artikel 18, lid 1, tweede alinea

Artikel 19, lid 3, aanhef

Artikel 18, lid 2, aanhef

Artikel 19, lid 3, eerste streepje

Artikel 18, lid 2, onder a)

Artikel 19, lid 3, tweede streepje

Artikel 18, lid 2, onder b)

Artikel 19, lid 3, derde streepje

Artikel 18, lid 2, onder c)

Artikel 19, lid 4

Artikel 18, lid 3

Artikel 19, lid 5

Artikel 18, lid 4

Artikel 20

Artikel 19

Artikel 20 bis

Artikel 21, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 21, lid 2, eerste alinea

Artikel 20, leden 2 en 3, eerste alinea

Artikel 21, lid 2, tweede alinea

Artikel 20, lid 3, tweede alinea

Artikel 21, lid 3

Artikel 22

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 23

Bijlagen I tot en met V

Bijlagen I tot en met V

Bijlage VI

Bijlage VII


Top