EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0367

Samenvatting van het arrest

Zaak C-367/11

Déborah Prete

tegen

Rijksdienst voor arbeidsvoorziening

[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]

„Vrij verkeer van personen — Artikel 39 EG — Staatsburger van ene lidstaat die op zoek is naar dienstbetrekking in andere lidstaat — Gelijke behandeling — Wachtuitkeringen ten gunste van jongeren op zoek naar hun eerste dienstbetrekking — Toekenning onderworpen aan voorwaarde dat ten minste zes jaar studie in ontvangende staat is gevolgd”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 25 oktober 2012

  1. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Gelijke behandeling – Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit – Artikel 39, lid 2, EG – Toepassing van die bepaling op personen die op zoek zijn naar dienstbetrekking

    (Art. 12 EG en 39 EG)

  2. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Gelijke behandeling – Wachtuitkeringen ten gunste van jongeren op zoek naar hun eerste dienstbetrekking – Toekenning onderworpen aan voorwaarde dat ten minste zes jaar studie in ontvangende lidstaat is gevolgd – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

    (Art. 18 EG en 39 EG)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 21-28)

  2.  Artikel 39 EG verzet zich tegen een nationale bepaling die het recht op wachtuitkeringen voor jongeren die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat, voor zover deze voorwaarde belet dat rekening wordt gehouden met andere representatieve factoren die het bestaan kunnen aantonen van een werkelijke band tussen de aanvrager van uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, en daardoor verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van de door die bepaling nagestreefde doelstelling, te weten het bestaan van een dergelijke band te waarborgen.

    Een dergelijke regeling stelt genoemd recht immers afhankelijk van een voorwaarde die gemakkelijker door de nationale staatsburgers kan worden vervuld en dus vooral staatsburgers van andere lidstaten dreigt te benadelen.

    Die regeling zou dus alleen kunnen worden gerechtvaardigd indien de nationale wetgever, door die voorwaarde op te leggen, zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van die uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt.

    Dat is niet het geval bij een regeling die niet toestaat dat, om te beoordelen of een dergelijke band bestaat, rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de verzoekster zich, met gebruikmaking van de door artikel 18 EG aan de burgers van de Unie verleende vrijheid van verkeer, naar de ontvangende lidstaat heeft begeven om daar na een huwelijk met een staatsburger van die lidstaat bij haar echtgenoot te wonen, dat zij er een tijd lang heeft gewoond, alsook met de omstandigheid dat zij sinds enige tijd als werkzoekende is ingeschreven bij een werkloosheidsdienst van die lidstaat en actieve stappen heeft ondernomen om in die lidstaat een dienstbetrekking te vinden. Die verschillende omstandigheden kunnen immers het bestaan van een dergelijke band aantonen.

    (cf. punten 31, 33, 40, 46-48, 50, 52 en dictum)

Top

Zaak C-367/11

Déborah Prete

tegen

Rijksdienst voor arbeidsvoorziening

[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]

„Vrij verkeer van personen — Artikel 39 EG — Staatsburger van ene lidstaat die op zoek is naar dienstbetrekking in andere lidstaat — Gelijke behandeling — Wachtuitkeringen ten gunste van jongeren op zoek naar hun eerste dienstbetrekking — Toekenning onderworpen aan voorwaarde dat ten minste zes jaar studie in ontvangende staat is gevolgd”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 25 oktober 2012

  1. Vrij verkeer van personen — Werknemers — Gelijke behandeling — Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit — Artikel 39, lid 2, EG — Toepassing van die bepaling op personen die op zoek zijn naar dienstbetrekking

    (Art. 12 EG en 39 EG)

  2. Vrij verkeer van personen — Werknemers — Gelijke behandeling — Wachtuitkeringen ten gunste van jongeren op zoek naar hun eerste dienstbetrekking — Toekenning onderworpen aan voorwaarde dat ten minste zes jaar studie in ontvangende lidstaat is gevolgd — Ontoelaatbaarheid — Rechtvaardiging — Geen

    (Art. 18 EG en 39 EG)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 21-28)

  2.  Artikel 39 EG verzet zich tegen een nationale bepaling die het recht op wachtuitkeringen voor jongeren die op zoek zijn naar hun eerste dienstbetrekking, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene ten minste zes jaar onderwijs heeft gevolgd aan een onderwijsinstelling van de ontvangende lidstaat, voor zover deze voorwaarde belet dat rekening wordt gehouden met andere representatieve factoren die het bestaan kunnen aantonen van een werkelijke band tussen de aanvrager van uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt, en daardoor verder gaat dan nodig voor de verwezenlijking van de door die bepaling nagestreefde doelstelling, te weten het bestaan van een dergelijke band te waarborgen.

    Een dergelijke regeling stelt genoemd recht immers afhankelijk van een voorwaarde die gemakkelijker door de nationale staatsburgers kan worden vervuld en dus vooral staatsburgers van andere lidstaten dreigt te benadelen.

    Die regeling zou dus alleen kunnen worden gerechtvaardigd indien de nationale wetgever, door die voorwaarde op te leggen, zich ervan wil vergewissen dat er een werkelijke band bestaat tussen de aanvrager van die uitkeringen en de betrokken geografische arbeidsmarkt.

    Dat is niet het geval bij een regeling die niet toestaat dat, om te beoordelen of een dergelijke band bestaat, rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de verzoekster zich, met gebruikmaking van de door artikel 18 EG aan de burgers van de Unie verleende vrijheid van verkeer, naar de ontvangende lidstaat heeft begeven om daar na een huwelijk met een staatsburger van die lidstaat bij haar echtgenoot te wonen, dat zij er een tijd lang heeft gewoond, alsook met de omstandigheid dat zij sinds enige tijd als werkzoekende is ingeschreven bij een werkloosheidsdienst van die lidstaat en actieve stappen heeft ondernomen om in die lidstaat een dienstbetrekking te vinden. Die verschillende omstandigheden kunnen immers het bestaan van een dergelijke band aantonen.

    (cf. punten 31, 33, 40, 46-48, 50, 52 en dictum)

Top