Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CJ0133

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 oktober 2012.
Folien Fischer AG en Fofitec AG tegen Ritrama SpA.
Verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Bijzondere bevoegdheden ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht (,negative Feststellungsklage’) – Recht van vermeende veroorzaker van schadebrengend feit om potentiële benadeelde te dagen voor gerecht van plaats waar dit feit zich zou hebben voorgedaan of zich kan voordoen teneinde vast te stellen dat op hem geen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust.
Zaak C‑133/11.

Zaak C-133/11

Folien Fischer AG

en

Fofitec AG

tegen

Ritrama SpA

(verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Bijzondere bevoegdheden ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad — Vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht (‘negative Feststellungsklage’) — Recht van vermeende veroorzaker van schadebrengend feit om potentiële benadeelde te dagen voor gerecht van plaats waar dit feit zich zou hebben voorgedaan of zich kan voordoen teneinde vast te stellen dat op hem geen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 oktober 2012

  1. Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Voorwaarden – Vragen die verband houden met reëel geschil of met voorwerp van geding – Verzoek waarin aan Hof voldoende preciseringen van feitelijk en juridisch kader worden verstrekt

    (Art. 267 VWEU)

  2. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Vordering tot verkrijging van negatieve verklaring voor recht – Daaronder begrepen

    (Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 5, punt 3)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 22-28)

  2.  Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht die ertoe strekt het bestaan van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te ontkennen, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt.

    Die vordering houdt weliswaar een omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit onrechtmatige daad in, aangezien de eiser de potentiële schuldenaar van een op een onrechtmatige daad gebaseerde vordering is, terwijl de verweerder de vermeende benadeelde van die daad is, maar die omkering van de rollen sluit een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht niet uit van de werkingssfeer van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. De door die bepaling nagestreefde doelstellingen van voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht en rechtszekerheid hebben immers geen betrekking op de verdeling van de respectieve rollen van eiser en verweerder, noch op de bescherming van een van beiden. Voorts verschillen de belangen van de verzoeker om een negatieve verklaring voor recht weliswaar van die van degene die een vordering instelt tot vaststelling dat de verweerder aansprakelijk is voor bepaalde schade en tot veroordeling van die verweerder tot betaling van een schadevergoeding, maar in beide gevallen heeft de beoordeling door de aangezochte rechter in wezen betrekking op dezelfde gegevens, feitelijk en rechtens.

    (cf. punten 43-45, 48, 55 en dictum)

Top

Zaak C-133/11

Folien Fischer AG

en

Fofitec AG

tegen

Ritrama SpA

(verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Bijzondere bevoegdheden ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad — Vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht (‘negative Feststellungsklage’) — Recht van vermeende veroorzaker van schadebrengend feit om potentiële benadeelde te dagen voor gerecht van plaats waar dit feit zich zou hebben voorgedaan of zich kan voordoen teneinde vast te stellen dat op hem geen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 oktober 2012

  1. Prejudiciële vragen — Ontvankelijkheid — Voorwaarden — Vragen die verband houden met reëel geschil of met voorwerp van geding — Verzoek waarin aan Hof voldoende preciseringen van feitelijk en juridisch kader worden verstrekt

    (Art. 267 VWEU)

  2. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening nr. 44/2001 — Bijzondere bevoegdheden — Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad — Vordering tot verkrijging van negatieve verklaring voor recht — Daaronder begrepen

    (Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 5, punt 3)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 22-28)

  2.  Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht die ertoe strekt het bestaan van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te ontkennen, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt.

    Die vordering houdt weliswaar een omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit onrechtmatige daad in, aangezien de eiser de potentiële schuldenaar van een op een onrechtmatige daad gebaseerde vordering is, terwijl de verweerder de vermeende benadeelde van die daad is, maar die omkering van de rollen sluit een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht niet uit van de werkingssfeer van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. De door die bepaling nagestreefde doelstellingen van voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht en rechtszekerheid hebben immers geen betrekking op de verdeling van de respectieve rollen van eiser en verweerder, noch op de bescherming van een van beiden. Voorts verschillen de belangen van de verzoeker om een negatieve verklaring voor recht weliswaar van die van degene die een vordering instelt tot vaststelling dat de verweerder aansprakelijk is voor bepaalde schade en tot veroordeling van die verweerder tot betaling van een schadevergoeding, maar in beide gevallen heeft de beoordeling door de aangezochte rechter in wezen betrekking op dezelfde gegevens, feitelijk en rechtens.

    (cf. punten 43-45, 48, 55 en dictum)

Top