EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62003CJ0380

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (grote kamer) van 12 december 2006.
Bondsrepubliek Duitsland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie.
Beroep tot nietigverklaring - Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijn 2003/33/EG - Reclame en sponsoring voor tabaksproducten - Nietigverklaring van artikelen 3 en 4 - Keuze van rechtsgrondslag - Artikelen 95 EG en 152 EG - Evenredigheidsbeginsel.
Zaak C-380/03.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Harmonisatie van wetgevingen – Reclame en sponsoring voor tabaksproducten – Richtlijn 2003/33

(Richtlijn 2003/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, 4 en 8)

2. Harmonisatie van wetgevingen – Reclame en sponsoring voor tabaksproducten – Richtlijn 2003/33

(Richtlijn 2003/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1)

3. Harmonisatie van wetgevingen – Maatregelen om werking van interne markt te verbeteren – Rechtsgrondslag – Artikel 95 EG

(Art. 95 EG en 152 EG)

4. Harmonisatie van wetgevingen – Reclame en sponsoring voor tabaksproducten – Richtlijn 2003/33

(Richtlijn 2003/33 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3 en 4)

Samenvatting

1. Het verbod van reclame en sponsoring voor tabaksproducten in gedrukte publicaties, diensten van de informatiemaatschappij en radioprogramma’s, neergelegd in de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2003/33 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten kon worden vastgesteld op de grondslag van artikel 95 EG.

Wat om te beginnen de persproducten en de andere gedrukte publicaties betreft, bestonden er ten tijde van de vaststelling van richtlijn 2003/33 immers verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen van de lidstaten inzake reclame voor tabaksproducten, die het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten konden belemmeren. Dezelfde vaststelling geldt voor de reclame voor tabaksproducten in radioprogramma’s en in diensten van de informatiemaatschappij, alsook voor de sponsoring van radioprogramma’s door tabaksondernemingen. Vele lidstaten hadden reeds wetgeving op deze gebieden vastgesteld of stonden op het punt dat te doen. Gelet op de toenemende bewustwording bij het publiek dat het verbruik van tabaksproducten schadelijk is voor de gezondheid, viel te verwachten dat nieuwe belemmeringen van het vrije verkeer of het vrij verrichten van diensten zouden ontstaan doordat nieuwe regels, die deze ontwikkeling weerspiegelden, zouden worden vastgesteld om het verbruik van deze producten op efficiëntere wijze te ontmoedigen.

Verder hebben de artikelen 3 en 4 van de richtlijn daadwerkelijk tot doel, de voorwaarden voor de werking van de interne markt te verbeteren. Het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn vastgestelde verbod van reclame voor tabaksproducten in de pers en de andere gedrukte publicaties beoogt immers te vermijden dat het intracommunautaire verkeer van persproducten wordt belemmerd door de nationale regeling van de ene of de andere lidstaat. De artikelen 3, lid 2, en 4, lid 1, van de richtlijn, die reclame voor tabaksproducten in de diensten van de informatiemaatschappij en radioprogramma’s verbieden, strekken ertoe de vrije verspreiding van deze radioprogramma’s en het vrije verkeer van de communicaties via de diensten van de informatiemaatschappij te bevorderen. Door een verbod te stellen op de sponsoring van radioprogramma’s door ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit wordt gevormd door de vervaardiging of de verkoop van tabaksproducten, beoogt artikel 4, lid 2, van de richtlijn eveneens te vermijden dat het vrij verrichten van diensten wordt belemmerd door de nationale regeling van de ene of de andere lidstaat. Verder geeft artikel 8, volgens hetwelk de lidstaten het vrije verkeer van producten of diensten die aan deze richtlijn voldoen, niet mogen verbieden of beperken, uitdrukking aan het doel van de richtlijn, de voorwaarden voor de werking van de interne markt te verbeteren.

Ten slotte verbieden de artikelen 3 en 4 van de richtlijn slechts diverse vormen van reclame of sponsoring en houden zij geen algemeen verbod in.

(cf. punten 55, 61, 65, 71, 73-78, 87-88)

2. De uitdrukking „gedrukte publicaties” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/33 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten omvat slechts publicaties zoals kranten, tijdschriften en magazines. Andere soorten publicaties vallen niet onder het reclameverbod van deze bepaling. Deze uitlegging vindt steun in de vierde overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke het vrije verkeer in de interne markt van publicaties zoals tijdschriften, kranten en magazines aanzienlijk kan worden belemmerd door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die tabaksreclame in die media verbieden of reglementeren. Teneinde het vrije verkeer van al deze media in de interne markt te waarborgen, is het volgens dezelfde overweging noodzakelijk, de tabaksreclame daarin te beperken tot die magazines en tijdschriften die niet voor het grote publiek bestemd zijn.

(cf. punten 84‑86)

3. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden waaronder artikel 95 EG als rechtsgrondslag kan worden gebruikt, kan het feit dat bij de te maken keuzen de bescherming van de volksgezondheid doorslaggevend is, voor de gemeenschapswetgever geen beletsel vormen om van deze rechtsgrondslag uit te gaan.

Artikel 95, lid 3, EG vereist immers uitdrukkelijk dat bij de harmonisatie een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid wordt gewaarborgd. Verder moet volgens artikel 152, lid 1, eerste alinea, EG bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd.

Ten slotte sluit artikel 152, lid 4, sub c, EG weliswaar harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten ter bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid uit, maar deze bepaling houdt niet in dat op basis van andere verdragsbepalingen vastgestelde harmonisatiemaatregelen geen invloed kunnen hebben op de bescherming van de volksgezondheid.

(cf. punten 92‑95)

4. De artikelen 3 en 4 van richtlijn 2003/33 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten houden geen schending van het evenredigheidsbeginsel in, aangezien zij geschikt zijn om het ermee beoogde doel, namelijk de harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen van de lidstaten inzake reclame voor tabaksproducten, te bereiken. Gelet op de verplichting van de gemeenschapswetgever om een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren, gaan zij ook niet verder dan nodig is ter bereiking van dat doel.

In de eerste plaats slaat het in artikel 3 van de richtlijn vastgestelde verbod van reclame voor tabaksproducten in gedrukte publicaties immers niet op publicaties die bestemd zijn voor personen die werkzaam in de tabakshandel, of die in derde landen zijn uitgegeven en niet in de eerste plaats voor de communautaire markt bestemd zijn. Bovendien kon de gemeenschapswetgever geen minder strikte maatregel vaststellen, in de vorm van een reclameverbod dat niet zou gelden voor publicaties die bestemd zijn voor een lokale of regionale markt, aangezien de grenzen van de werkingssfeer van het verbod van reclame voor tabaksproducten door een dergelijke uitzondering onzeker en vaag zouden zijn geworden, waardoor de richtlijn haar doel niet had kunnen bereiken.

In de tweede plaats kan het in de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 1, vastgestelde verbod van reclame voor tabaksproducten in diensten van de informatiemaatschappij en in radioprogramma’s niet als onevenredig worden beschouwd en kan dit verbod voor het overige worden gerechtvaardigd door het streven om, gelet op de convergentie van de media, de omzeiling van het voor de gedrukte media geldende verbod door een toegenomen gebruik van deze twee media te vermijden.

Wat in de derde plaats het verbod van sponsoring van radioprogramma’s van artikel 4, lid 2, van de richtlijn betreft, blijkt uit de considerans van de richtlijn niet dat de gemeenschapswetgever, door een dergelijk verbod niet te beperken tot activiteiten of evenementen met een grensoverschrijdend effect, de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid op dit gebied heeft overschreden.

Bovendien houdt het in de artikelen 3 en 4 van de richtlijn vastgestelde verbod van reclame of sponsoring evenmin een schending in van het door artikel 10 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens erkende fundamentele recht op vrije meningsuiting. Ook al zou dit verbod tot gevolg hebben dat de vrijheid van meningsuiting indirect wordt afgezwakt, blijft immers de vrijheid van meningsuiting van journalisten als zodanig intact en worden de redactionele bijdragen van journalisten dus niet getroffen.

(cf. punten 146‑152, 156‑158)

Top