EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62005CJ0150

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 28 september 2006.
Jean Leon Van Straaten tegen Staat der Nederlanden en Republiek Italië.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Rechtbank 's-Hertogenbosch - Nederland.
Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord - Beginsel ne bis in idem - Begrippen "dezelfde feiten' en "berechte feiten' - Uitvoer in staat en invoer in andere staat - Vrijspraak van verdachte.
Zaak C-150/05.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen

(Art. 234 EG)

2. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen

(Art. 234 EG)

3. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Protocol tot opneming van Schengen-acquis – Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord – Beginsel ne bis in idem

(Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord, art. 54)

4. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Protocol tot opneming van Schengen-acquis – Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord – Beginsel ne bis in idem

(Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord, art. 54)

Samenvatting

1. In het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties waarin artikel 234 EG voorziet, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht uitspraak te doen.

Het Hof kan slechts weigeren een uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.

(cf. punten 33‑34)

2. Al is het Hof in het kader van artikel 234 EG niet bevoegd om een regel van gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen en derhalve evenmin om tegen de achtergrond van deze regel een bepaling van nationaal recht te kwalificeren, het kan in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin dit artikel voorziet, op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter wel de gegevens met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaffen die voor deze van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van die bepaling.

(cf. punt 37)

3. Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord moet aldus worden uitgelegd dat het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.

Wat delicten in verband met verdovende middelen betreft, is enerzijds niet vereist dat de hoeveelheden drugs in de twee overeenkomstsluitende staten of de van deelneming aan de feiten in de twee staten verdachte personen, gelijk zijn. Derhalve is niet uitgesloten dat een situatie waarin de feiten niet gelijk zijn, een geheel van feiten vormt die naar hun aard onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, dienen anderzijds in beginsel te worden beschouwd als „dezelfde feiten” in de zin van dit artikel 54, maar het is aan de bevoegde nationale instanties om dit uiteindelijk te beoordelen.

(cf. punten 48‑51, 53, dictum 1)

4. Het in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord (SUO) verankerde beginsel ne bis in idem, dat dient te voorkomen dat een persoon die gebruikmaakt van zijn recht op vrij verkeer, daardoor voor dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere overeenkomstsluitende staten, moet toepassing vinden op een beslissing van de justitiële autoriteiten van een overeenkomstsluitende staat waardoor een verdachte bij onherroepelijk vonnis is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen.

De hoofdzin van de enige zin waaruit artikel 54 SUO bestaat, verwijst namelijk niet naar de inhoud van het onherroepelijk geworden vonnis. Slechts in de bijzin noemt artikel 54 de mogelijkheid dat een straf of maatregel is opgelegd, en bepaalt het dat in dat geval voor het verbod van strafvervolging een specifieke voorwaarde geldt. Indien de in de hoofdzin geformuleerde algemene regel slechts toepasselijk zou zijn op vonnissen waarbij een veroordeling wordt uitgesproken, zou het overbodig zijn te preciseren dat de bijzondere regel van toepassing is voor het geval een straf of maatregel is opgelegd.

Wanneer dit artikel 54 niet zou gelden voor een onherroepelijk geworden vrijspraak omdat het feit niet is bewezen, zou dit bovendien tot gevolg hebben dat het recht van vrij verkeer in gevaar wordt gebracht.

Ten slotte zou, in geval van een onherroepelijke vrijspraak omdat het feit niet is bewezen, strafvervolging voor dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat afbreuk doen aan de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. De verdachte zou dan moeten vrezen voor nieuwe strafvervolging in een andere overeenkomstsluitende staat, terwijl dezelfde feiten bij onherroepelijk vonnis zijn berecht.

(cf. punten 56‑59, 61, dictum 2)

Top