Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018CO0008

Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 16 mei 2019.
TE e.a. tegen Luminor Bank AB.
Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, en artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vrij verrichten van diensten – Markten voor financiële instrumenten – Particulier die een afgeleid financieel instrument van een bank heeft verworven – Kwalificatie van die particulier in de zin van het Unierecht.
Zaak C-8/18.

Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 16 mei 2019.
TE e.a. tegen Luminor Bank AB.
Verzoek van de Vilniaus apygardos teismas om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, en artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vrij verrichten van diensten – Markten voor financiële instrumenten – Particulier die een afgeleid financieel instrument van een bank heeft verworven – Kwalificatie van die particulier in de zin van het Unierecht.
Zaak C-8/18.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 16 mei 2019 – Luminor Bank

(Zaak C‑8/18) ( 1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, en artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vrij verrichten van diensten – Markten voor financiële instrumenten – Particulier die een afgeleid financieel instrument van een bank heeft verworven – Kwalificatie van die particulier in de zin van het Unierecht”

1. 

Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Markten voor financiële instrumenten – Richtlijnen 2004/39 en 2014/65 – Werkingssfeer ratione temporis – Obligatie‑ en leningsovereenkomsten die vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijnen zijn gesloten – Daarvan uitgesloten

(Richtlijnen 2004/39, art. 70, en 2014/65 van het Europees Parlement en de Raad)

(zie punten 31‑34, 37, 38, 52 en dictum)

2. 

Bescherming van de consument – Consumentenovereenkomsten – Richtlijn 2011/83 – Werkingssfeer ratione temporis – Obligatie‑ en leningsovereenkomsten die vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van de richtlijn zijn gesloten – Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 2011/83 van het Europees Parlement en de Raad, art.13, lid 2, en 28, lid 1)

(zie punten 35, 36, 38, 52 en dictum)

3. 

Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Vragen gesteld zonder voldoende precisering van de feitelijke en juridische context en van de redenen waarom een antwoord op de prejudiciële vragen noodzakelijk is – Kennelijke niet-ontvankelijkheid

(Art. 267 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 23; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 53, lid 2, en 94)

(zie punten 40‑49, 52 en dictum)

Dictum

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, en richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op de verwerving van kredietobligaties als in het hoofdgeding, voor zover deze verwerving vóór 1 november 2007 heeft plaatsgevonden.

De eerste en tweede vraag, voor zover zij betrekking hebben op richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, en verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft, zijn kennelijk niet-ontvankelijk.


( 1 ) PB C 152 van 30.4.2018.

Top