EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0033

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 4 mei 2017.
Procedure ingeleid door A Oy.
Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 148, onder d) – Vrijstelling – Diensten die voor de rechtstreekse behoeften van schepen voor de vaart op volle zee en de lading daarvan worden verricht – Laden en lossen van een schip, uitgevoerd door een onderaannemer voor rekening van een tussenpersoon.
Zaak C-33/16.

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 4 mei 2017.
Procedure ingeleid door A Oy.
Verzoek van de Korkein hallinto-oikeus om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 148, onder d) – Vrijstelling – Diensten die voor de rechtstreekse behoeften van schepen voor de vaart op volle zee en de lading daarvan worden verricht – Laden en lossen van een schip, uitgevoerd door een onderaannemer voor rekening van een tussenpersoon.
Zaak C-33/16.

Digital reports (Court Reports - general)

Zaak C‑33/16

Procedure ingeleid door A Oy

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 148, onder d) – Vrijstelling – Diensten die voor de rechtstreekse behoeften van schepen voor de vaart op volle zee en de lading daarvan worden verricht – Laden en lossen van een schip, uitgevoerd door een onderaannemer voor rekening van een tussenpersoon”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 4 mei 2017

  1. Harmonisatie van de belastingwetgeving–Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde–Vrijstellingen–Diensten die voor de rechtstreekse behoeften van schepen voor de vaart op volle zee en de lading daarvan worden verricht–Werkingssfeer–Hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip–Daaronder begrepen

    [Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 148, d)]

  2. Harmonisatie van de belastingwetgeving–Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde–Vrijstellingen–Diensten die voor de rechtstreekse behoeften van schepen voor de vaart op volle zee en de lading daarvan worden verricht–Werkingssfeer–Hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip, verricht door een onderaannemer voor rekening van een tussenpersoon–Daaronder begrepen–Hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip, in de eindhandelsfase aan de eigenaar van die lading verstrekt–Daaronder begrepen

    [Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 148, d)]

  1.  Artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip diensten zijn die worden verricht voor de rechtstreekse behoeften van de lading van de in artikel 148, onder a), van die richtlijn bedoelde schepen.

    In dit verband dient erop te worden gewezen dat artikel 148, onder c), van richtlijn 2006/112, waaraan artikel 148, onder d), van die richtlijn uitdrukkelijk refereert, net zoals die laatste bepaling tot doel heeft, diensten in verband met internationaal zeevervoer vrij te stellen, en voor de bepaling van die diensten verwijst naar diezelfde schepen, te weten die welke zijn bedoeld onder a) van datzelfde artikel. Aangezien die twee bepalingen dus soortgelijk en aanvullend zijn, dient bij de uitlegging van het begrip „rechtstreekse behoeften van een schip en zijn lading” rekening te worden gehouden met de opzet van artikel 148, onder c), van die richtlijn.

    Opgemerkt dient echter te worden dat artikel 148, onder c), van richtlijn 2006/112 met name vrijstelling verleent voor de verhuur, de reparatie en het onderhoud voor zover deze handelingen betrekking hebben op een voorwerp dat dient voor de exploitatie van een schip dat valt onder punt a) van dat artikel. Artikel 148, onder c), eist dus in wezen een band tussen de verrichte dienst en de exploitatie van het betrokken schip (zie in die zin arrest van 4 juli 1985, Berkholz,168/84, EU:C:1985:299, punt 21).

    Hijsdiensten bestaande in het laden en lossen voldoen aan die eis. Het vervoer van een lading vormt immers een gebruikelijke exploitatievorm van schepen voor de vaart op volle zee. Opdat een lading kan worden vervoerd, en een schip op die wijze kan worden geëxploiteerd, is het immers noodzakelijk dat die lading aan boord van het schip wordt gebracht in de haven van vertrek en vervolgens wordt gelost in de haven van bestemming.

    (zie punten 22‑24, 26, dictum 1)

  2.  Artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat niet alleen hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip als bedoeld in artikel 148, onder a), van die richtlijn die plaatsvinden in de eindhandelsfase van een dergelijke dienst, kunnen worden vrijgesteld, maar tevens in een eerdere fase verrichte diensten, zoals een dienst verricht door een onderaannemer voor een ondernemer die deze vervolgens doorberekent aan een transit‑ of vervoersonderneming, en dat ook hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van een schip die worden verricht voor degene die deze lading onder zich heeft, zoals de exporteur of de importeur ervan, kunnen worden vrijgesteld.

    In dit verband heeft het Hof in punt 24 van het arrest van 14 september 2006, Elmeka (C‑181/04–C‑183/04, EU:C:2006:563), waarnaar de verwijzende rechterlijke instantie verwijst, geoordeeld dat de vrijstelling van artikel 15, punt 8, van de Zesde richtlijn, waarvan de bewoordingen identiek zijn overgenomen in artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112, slechts toepassing vindt op verrichtingen die plaatsvinden tijdens de eindhandelsfase van de betrokken dienst.

    Een dergelijke rechtspraak, toegespitst op de bijzonderheden van de zaken die tot dat arrest hebben geleid, waarin het ging over diensten die konden worden afgewend van hun bestemming, kan niet worden toegepast op situaties waarin de bestemming van een dienst, gelet op de aard ervan, als vaststaand kan worden beschouwd vanaf het moment dat deze is afgesproken. In dergelijke situaties is de juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling van artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112 immers verzekerd zonder dat er controle‑ en toezichtsregelingen moeten worden ingevoerd.

    Dat is het geval met hijsdiensten bestaande in het laden en lossen van schepen als aan de orde in het hoofdgeding. Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt immers dat de uitkomst van het onderzoek of die diensten voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling opgenomen in artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112, uitsluitend afhangt van het type schip waarnaar of waarvan de ladingen moeten worden gehesen. Het gebruik dat van deze diensten wordt gemaakt, kan dus als vaststaand worden beschouwd vanaf het moment dat de uitvoeringsmodaliteiten ervan zijn overeengekomen.

    In het geval van hijsdiensten bestaande in het laden en lossen, die rechtstreeks samenhangen met de vervoerde lading en waarvan de kosten dus als zodanig kunnen worden doorberekend aan degenen die deze ladingen onder zich hebben, moet de verrichting van die diensten voor degenen die deze ladingen onder zich hebben, daarentegen worden geacht steeds deel uit te maken van de handelsketen van die diensten. Hieruit vloeit voort dat dergelijke diensten kunnen worden vrijgesteld op grond van artikel 148, onder d), van richtlijn 2006/112.

    (zie punten 31, 33, 34, 45, 46, dictum 2)

Top