EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62009CJ0385

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 oktober 2010.
Nidera Handelscompagnie BV tegen Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos vyriausybės - Litouwen.
Richtlijn 2006/112/EG - Recht op aftrek van voorbelasting - Nationale wettelijke regeling die recht op aftrek uitsluit voor goederen die vóór identificatie van btw-plichtige zijn doorverkocht.
Zaak C-385/09.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Prejudiciële vragen – Voorlegging aan Hof – Nationale rechterlijke instantie in zin van artikel 234 EG – Begrip

(Art. 234 EG)

2. Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Verplichtingen van belastingplichtige

(Richtlijn 2006/112 van Raad)

Samenvatting

1. Om te beoordelen of een verwijzend orgaan een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG is, houdt het Hof rekening met een geheel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter en de verplichte rechtsmacht ervan, het uitspraak doen in een procedure op tegenspraak, de toepassing door het orgaan van de regels van het recht en de onafhankelijkheid van het orgaan.

De Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos vyriausybės (Litouwse commissie voor fiscale geschillen), die tot taak heeft de door de belastingplichtigen ingediende bezwaren op onpartijdige wijze te onderzoeken en rechtmatige en met redenen omklede beslissingen te geven, voldoet aan deze criteria.

(cf. punten 35‑36, 40)

2. Richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat een btw-plichtige die volgens de bepalingen van deze richtlijn de materiële voorwaarden voor aftrek van de btw vervult en die zich binnen een redelijke termijn na de transacties die het recht op aftrek hebben doen ontstaan, voor btw-doeleinden identificeert, de mogelijkheid wordt ontnomen om dit recht uit te oefenen door een nationale wettelijke regeling die de aftrek van bij aankoop van goederen betaalde btw uitsluit wanneer die belastingplichtige zich niet voor btw-doeleinden heeft geïdentificeerd alvorens deze goederen te gebruiken voor zijn belaste activiteiten.

Op grond van artikel 178, sub a, van richtlijn 2006/112 geldt voor de uitoefening van het in artikel 168, sub a, van diezelfde richtlijn bedoelde recht op aftrek, wat de goederenleveringen en dienstverrichtingen betreft, immers één vormvoorwaarde, namelijk dat de belastingplichtige in het bezit is van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 en 238 tot en met 240 van deze richtlijn opgestelde factuur. Krachtens artikel 213 van richtlijn 2006/112 rust op de belastingplichtigen weliswaar tevens de verplichting, opgave te doen van het begin, de wijziging en de beëindiging van hun activiteiten overeenkomstig de hiertoe door de lidstaten vastgestelde maatregelen, maar een dergelijke bepaling geeft de lidstaten geenszins de bevoegdheid om, zolang geen opgave is gedaan, de uitoefening van het recht op aftrek op te schorten tot aan de daadwerkelijke aanvang van de normale verrichting van de belaste handelingen, dan wel de belastingplichtige de uitoefening van dit recht te ontzeggen. Bovendien mogen de maatregelen die de lidstaten op grond van artikel 273 van richtlijn 2006/112 kunnen nemen ter waarborging van de juiste inning van de belasting en ter voorkoming van fraude, niet verder gaan dan ter bereiking van die doelstellingen noodzakelijk is, en geen afbreuk doen aan de neutraliteit van de btw. Bijgevolg is de in artikel 214 van richtlijn 2006/112 voorgeschreven identificatie, evenals de in artikel 213 van diezelfde richtlijn vermelde verplichtingen, geen handeling die het recht op aftrek doet ontstaan – dat recht ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt – maar een formeel vereiste voor controledoeleinden. Bijgevolg mag een btw-plichtige niet worden gehinderd in de uitoefening van zijn recht op aftrek op grond dat hij zich niet heeft geïdentificeerd voor btw-doeleinden alvorens de aangekochte goederen te gebruiken in het kader van zijn belaste activiteiten.

(cf. punten 47‑51, 54 en dictum)

Top