EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62008CJ0403

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 oktober 2011.
Football Association Premier League Ltd en anderen tegen QC Leisure en anderen (C-403/08) en Karen Murphy tegen Media Protection Services Ltd (C-429/08).
Verzoeken om een prejudiciële beslissing: High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division (C-403/08), High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) (C-429/08) - Verenigd Koninkrijk.
Satellietuitzending - Uitzending van voetbalwedstrijden - Ontvangst van uitzending via satellietdecoderkaarten - Satellietdecoderkaarten die in lidstaat rechtmatig in verkeer zijn gebracht en in andere lidstaat worden gebruikt - Verbod op handel en gebruik in lidstaat - Weergave van uitzendingen in strijd met exclusief toegekende rechten - Auteursrecht - Recht van televisie-uitzending - Exclusieve licenties om op grondgebied van één enkele lidstaat uit te zenden - Vrij verrichten van diensten - Artikel 56 VWEU - Mededinging - Artikel 101 VWEU - Restrictie met mededingingsbeperkende strekking - Bescherming van diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang - Illegale uitrusting - Richtlijn 98/84/EG - Richtlijn 2001/29/EG - Reproductie van werken in geheugen van satellietdecoder en op televisiescherm - Uitzondering op reproductierecht - Mededeling van werken aan publiek in horecagelegenheden - Richtlijn 93/83/EEG.
Gevoegde zaken C-403/08 en C-429/08.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Vrij verrichten van diensten – Rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang – Richtlijn 98/84 – Illegale uitrusting – Begrip – Decodeerapparatuur die in lidstaat rechtmatig in verkeer is gebracht en in andere lidstaat wordt gebruikt – Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 98/84 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, sub e)

2. Vrij verrichten van diensten – Rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang – Richtlijn 98/84 – Werkingssfeer – Nationale regeling die gebruik van buitenlandse decodeerapparatuur verbiedt – Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 98/84 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 2)

3. Vrij verrichten van diensten – Vrij verkeer van goederen – Nationale regeling die verband houdt met deze twee fundamentele vrijheden – Toetsing aan belangrijkste van deze vrijheden

(Art. 56 VWEU)

4. Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Decodeerapparatuur die in lidstaat rechtmatig in verkeer is gebracht en in andere lidstaat wordt gebruikt om sportwedstrijden uit te zenden

(Art. 56 VWEU)

5. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Aantasting van mededinging – Exclusieve licentieovereenkomst tussen houder van intellectuele-eigendomsrechten en omroeporganisatie – Verbod om apparatuur voor decoderen van die uitzendingen aan te bieden buiten door licentieovereenkomst bestreken grondgebied – Ontoelaatbaarheid

(Art. 101 VWEU)

6. Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29 – Harmonisatie van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Reproductierecht – Gedeeltelijke reproductie – Omvang

(Richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, sub a)

7. Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29 – Harmonisatie van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Reproductierecht – Uitzonderingen en beperkingen

(Richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, lid 1)

8. Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29 – Harmonisatie van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij – Mededeling aan publiek – Begrip

(Richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1)

9. Harmonisatie van wetgevingen – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 93/83 – Gevolgen – Rechtmatigheid van in geheugen van satellietdecoder en op televisiescherm verrichte reproductiehandelingen – Geen

(Richtlijn 93/83 van de Raad)

Samenvatting

1. Het begrip „illegale uitrusting” in de zin van artikel 2, sub e, van richtlijn 98/84 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op buitenlandse decodeerapparatuur – die toegang verschaft tot satellietomroepdiensten van een omroeporganisatie, met de toestemming van die omroeporganisatie wordt geproduceerd en verkocht, maar tegen de wil van deze laatste wordt gebruikt buiten het geografische gebied waarvoor zij werd verstrekt –, noch op die welke door verstrekking van een valse naam en een vals adres is verkregen of geactiveerd, noch op die welke is gebruikt in strijd met een contractuele beperking volgens welke de apparatuur uitsluitend voor privédoeleinden mag worden gebruikt.

In die bepaling wordt het begrip illegale uitrusting immers omschreven als elke uitrusting of programmatuur die is „ontworpen” of „aangepast” om zonder toestemming van de dienstverrichter in een begrijpelijke vorm toegang te verschaffen tot een beschermde dienst. Daaronder valt dus alleen apparatuur waarop vóór de ingebruikname ervan handmatige of automatische handelingen zijn verricht en waarmee zonder toestemming van de dienstverrichters beschermde diensten kunnen worden ontvangen. Die definitie ziet dus uitsluitend op apparatuur die zonder toestemming van de dienstverrichter is geproduceerd, behandeld of aangepast dan wel opnieuw is aangepast, en niet op het gebruik van buitenlandse decodeerapparatuur.

Die apparatuur wordt wel met toestemming van de dienstverrichter geproduceerd en op de markt gebracht, biedt geen gratis toegang tot beschermde diensten en maakt het niet mogelijk of gemakkelijk om een ter verzekering van de betaling van die diensten genomen technische maatregel te omzeilen, aangezien een vergoeding werd betaald in de lidstaat waar zij op de markt is gebracht.

(cf. punten 63‑64, 66‑67, dictum 1)

2. Artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/84 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang verzet zich niet tegen een nationale regeling houdende verbod op het gebruik van buitenlandse decodeerapparatuur, daaronder begrepen die welke door verstrekking van een valse naam en een vals adres is verkregen of geactiveerd, en die welke is gebruikt in strijd met een contractuele beperking volgens welke de apparatuur uitsluitend voor privédoeleinden mag worden gebruikt, aangezien een dergelijke regeling niet onder het gecoördineerde gebied van die richtlijn valt.

(cf. punt 74, dictum 2)

3. Het Hof toetst een nationale maatregel die zowel verband houdt met het vrije verkeer van goederen als met het vrij verrichten van diensten, in beginsel slechts aan één van deze twee fundamentele vrijheden indien blijkt dat een van de fundamentele vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden. Hoewel op het gebied van telecommunicatie beide aspecten vaak nauw met elkaar zijn verbonden zonder dat het ene als volledig ondergeschikt aan het andere kan worden beschouwd, is dat niet het geval wanneer een nationale regeling niet strekt tot vaststelling van de vereisten waaraan decodeerapparatuur moet voldoen, of tot vaststelling van de voorwaarden waaronder die apparatuur op de markt mag worden gebracht, maar decodeerapparatuur daarin slechts aan de orde is als een instrument waarmee abonnees gebruik kunnen maken van gecodeerde omroepdiensten.

(cf. punten 78‑79, 82)

4. Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de invoer, de verkoop en het gebruik in die staat verbiedt van buitenlandse decodeerapparatuur waarmee toegang kan worden verkregen tot een gecodeerde satellietomroepdienst uit een andere lidstaat die door de regeling van eerstgenoemde staat beschermd materiaal bevat. Aan die conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de buitenlandse decodeerapparatuur is verkregen of geactiveerd door verstrekking van een valse identiteit en een vals adres, met het opzet om de betrokken territoriale beperking te omzeilen, en evenmin door de omstandigheid dat die apparatuur voor commerciële doeleinden is gebruikt hoewel zij alleen voor privégebruik was bestemd.

Die beperking kan niet worden gerechtvaardigd door het doel om intellectuele-eigendomsrechten te beschermen.

Het is juist dat sportwedstrijden op zich uniek en in dat opzicht oorspronkelijk zijn, zodat zij materiaal kunnen worden dat in aanmerking komt voor een vergelijkbare bescherming als die van werken. Aangezien de bescherming van de rechten die het specifieke voorwerp van de betrokken intellectuele eigendom vormen, de betrokken rechthebbenden slechts een passende beloning, en niet de hoogst mogelijke vergoeding, voor de commerciële exploitatie van het beschermde materiaal garandeert, wordt deze bescherming evenwel reeds geboden wanneer de betrokken rechthebbenden een vergoeding ontvangen voor de uitzending van het beschermde materiaal vanuit de lidstaat van uitzending, waar de uitzendingshandeling wordt geacht plaats te vinden overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 93/83 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel en waar dus de passende beloning is verschuldigd, en wanneer die rechthebbenden in die lidstaat een bedrag kunnen vragen dat rekening houdt met het daadwerkelijke en het potentiële aantal kijkers zowel in de lidstaat van uitzending als in enige andere lidstaat waar de uitzendingen met het beschermde materiaal eveneens worden ontvangen.

Het feit dat omroeporganisaties extra betalen voor de toekenning van territoriale exclusiviteit, kan tot kunstmatige prijsverschillen tussen de afgeschermde nationale markten leiden, waarbij de compartimentering en de kunstmatige prijsverschillen in strijd zijn met het fundamentele doel van het Verdrag, namelijk de totstandbrenging van de interne markt. In die omstandigheden kan hetgeen extra wordt betaald, niet worden beschouwd als een deel van de passende beloning die aan de betrokken rechthebbenden moet worden gegarandeerd, zodat de extra betaling verder gaat dan noodzakelijk is om die rechthebbenden een passende beloning te garanderen.

(cf. punten 100, 106‑108, 113‑117, 125, 131, dictum 3)

5. De bedingen van een tussen een houder van intellectuele-eigendomsrechten en een omroeporganisatie gesloten exclusieve licentieovereenkomst vormen een door artikel 101 VWEU verboden beperking van de mededinging wanneer zij de omroeporganisatie verplichten geen decodeerapparatuur die toegang verschaft tot het beschermde materiaal van die rechthebbende, aan te bieden voor gebruik buiten het door die licentieovereenkomst bestreken grondgebied.

(cf. punt 146, dictum 4)

6. Artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het reproductierecht ook geldt voor fragmenten van voorbijgaande aard van de werken in het geheugen van een satellietdecoder en op een televisiescherm, op voorwaarde dat die fragmenten elementen bevatten die de uitdrukking vormen van de eigen intellectuele schepping van de betrokken auteurs, zodat het samengestelde geheel van de gelijktijdig gereproduceerde fragmenten moet worden onderzocht om na te gaan of het dergelijke elementen bevat.

(cf. punt 159, dictum 5)

7. Reproductiehandelingen die in het geheugen van een satellietdecoder en op een televisiescherm worden verricht, voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij en mogen derhalve zonder toestemming van de betrokken auteursrechthebbenden worden verricht.

(cf. punt 182, dictum 6)

8. Het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op het vertonen van de uitgezonden werken, door middel van een televisiescherm en luidsprekers, aan de in een horecagelegenheid aanwezige klanten.

Wanneer een uitgezonden werk op een voor het publiek toegankelijke plaats wordt vertoond ten behoeve van een groter publiek dan de bezitters van televisietoestellen die, individueel of in hun privé‑ of gezinssfeer, het signaal ontvangen en de uitzendingen volgen, welk groter publiek door de bezitter van het televisietoestel wordt toegelaten om het werk te horen of te zien, moet een dergelijke bewuste tussenkomst immers worden beschouwd als een handeling waarmee het betrokken werk aan een nieuw publiek wordt meegedeeld. Dat is het geval wanneer de eigenaar van een horecagelegenheid de uitgezonden werken aan de in die horecagelegenheid aanwezige klanten vertoont, aangezien die klanten een groter publiek vormen waarmee de auteurs geen rekening hielden toen zij in de uitzending van hun werken toestemden.

Daarenboven heeft richtlijn 2001/29, wat betreft het vertonen van het uitgezonden werk aan een „niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek” in de zin van punt 23 van de considerans van die richtlijn, net als de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, geen betrekking op „rechtstreekse afbeelding of uitvoering”, met andere woorden, op de vertolking van werken voor publiek dat rechtstreeks fysiek contact heeft met de persoon die het werk opvoert of uitvoert. Van een dergelijk rechtstreeks fysiek contact is er echter juist geen sprake wanneer op een plaats als een horecagelegenheid een uitgezonden werk door middel van een televisietoestel en luidsprekers wordt vertoond aan het publiek dat aanwezig is op de plaats van die vertoning, maar niet op de plaats van oorsprong van de mededeling in de zin van punt 23 van de considerans van de richtlijn auteursrecht, dat wil zeggen op de plaats van de uitgezonden opvoering.

(cf. punten 198‑203, 207, dictum 7)

9. Richtlijn 93/83 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel moet aldus worden uitgelegd dat zij geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de in het geheugen van een satellietdecoder en op een televisiescherm verrichte reproductiehandelingen.

(cf. punt 210, dictum 8)

Top