Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007CJ0377

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 januari 2009.
Finanzamt Speyer-Germersheim tegen STEKO Industriemontage GmbH.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesfinanzhof - Duitsland.
Vennootschapsbelasting - Overgangsbepalingen - Aftrek van waardevermindering van participaties in niet-ingezeten vennootschappen.
Zaak C-377/07.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

Vrij verkeer van kapitaal – Beperkingen – Belastingwetgeving – Vennootschapsbelasting

(Art. 56 EG)

Samenvatting

In omstandigheden waarin een ingezeten kapitaalvennootschap een participatie van minder dan 10 % heeft in een andere kapitaalvennootschap en als gevolg van een gedeeltelijke afschrijving van haar participatie in deze vennootschap een winstdaling boekt, moet artikel 56 EG aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een verbod van aftrek van winstdalingen in verband met een dergelijke participatie eerder van kracht wordt voor een participatie in een niet-ingezeten vennootschap dan voor een participatie in een ingezeten vennootschap.

Een dergelijk verschil in behandeling op grond van de plaats van investering van het kapitaal kan een aandeelhouder namelijk ervan weerhouden om zijn kapitaal te investeren in een vennootschap met zetel in een andere lidstaat, en kan ook een beperkende werking hebben voor in andere staten gevestigde vennootschappen, doordat het voor hen een belemmering bij het bijeenbrengen van kapitaal in de betrokken lidstaat vormt. Voorts kan de wetenschap dat de mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van de belastbare winst door gedeeltelijke afschrijvingen van kortere duur is voor een deelneming in een niet-ingezeten vennootschap dan voor een deelneming in een ingezeten vennootschap, de betrokken vennootschap ervan doen afzien deelnemingen in niet-ingezeten vennootschappen aan te houden en deze ertoe aanzetten die deelnemingen sneller te verkopen dan zij voor deelnemingen in ingezeten vennootschappen zou hebben gedaan. Daarbij is niet van belang dat het verschil in behandeling gedurende slechts beperkte tijd heeft bestaan, aangezien dat feit alleen immers niet wegneemt dat het verschil in behandeling aanzienlijke gevolgen heeft, en dat de beperking van het vrije verkeer van kapitaal bijgevolg reëel is.

Wat de mogelijkheid voor een ingezeten vennootschap betreft om winstdalingen als gevolg van een gedeeltelijke afschrijving van haar participaties af te trekken van haar belastbare inkomsten, naargelang zij die participaties houdt in ingezeten dan wel niet-ingezeten vennootschappen, berust het verschil in behandeling niet op objectief verschillende situaties.

Een dergelijk verschil in behandeling wordt niet gerechtvaardigd door de speelruimte waarover de lidstaten beschikken bij de invoering van een overgangsregeling teneinde de regeling van de nationale vennootschapsbelasting in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht en eventuele discriminaties af te schaffen. Deze speelruimte wordt immers altijd beperkt door de verplichting om de fundamentele vrijheden en met name het beginsel van vrij verkeer van kapitaal te eerbiedigen. Ook al kan een dergelijke overgangsregeling worden begrepen vanuit een rechtmatige bedoeling om een naadloze overgang tussen de vroegere en de nieuwe regeling te verzekeren, en hoewel er argumenten zijn die kunnen verklaren waarom de nieuwe regeling voor vennootschappen die participaties houden in ingezeten vennootschappen, later is ingevoerd, kunnen die argumenten die ongelijke behandeling ten nadele van vennootschappen die participaties houden in niet-ingezeten vennootschappen, niet rechtvaardigen.

Dit verschil in behandeling wordt evenmin gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te waarborgen, aangezien de omstandigheid dat de winst uit de verkoop van die deelnemingen later kan worden vrijgesteld – mits althans voldoende winst is gemaakt – geen overweging in verband met de samenhang van het belastingstelsel vormt die een weigering van onmiddellijke aftrek van het verlies van vennootschappen met deelnemingen in niet-ingezeten vennootschappen kan rechtvaardigen.

Wat de noodzaak betreft om de doeltreffendheid van de belastingcontroles te waarborgen, zij vastgesteld dat een dergelijke dwingende reden van algemeen belang hoe dan ook irrelevant is wanneer de waardevermindering van de participaties in niet-ingezeten vennootschappen het gevolg is van koersdalingen op de beurs.

(cf. punten 27‑29, 35, 49-50, 54-56 en dictum)

Top