EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61999CJ0184

Samenvatting van het arrest

Arrest van het Hof van 20 september 2001.
Rudy Grzelczyk tegen Centre public d'aide sociale d'Ottignies-Louvain-la-Neuve.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal du travail de Nivelles - België.
Artikelen 6, 8 en 8 A EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 12 EG, 17 EG en 18 EG) - Richtlijn 93/96/EEG van de Raad - Verblijfsrecht voor studenten - Nationale wettelijke regeling die recht op bestaansminimum enkel toekent aan eigen onderdanen, aan personen die in aanmerking komen voor toepassing van verordening (EEG) nr. 1612/68, aan staatlozen en aan vluchtelingen - Buitenlandse student die gedurende eerste jaren van zijn studie zelf in zijn levensonderhoud voorzag.
Zaak C-184/99.

Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Burgerschap van de Europese Unie - Verdragsbepalingen - Personele werkingssfeer - Onderdaan van lidstaat die legaal op grondgebied van andere lidstaat verblijft - Daaronder begrepen - Werking - Genot van rechten verbonden aan status van burger van Europese Unie - Mogelijkheid voor burger van Unie die universitaire studie volgt in andere lidstaat dan die waarvan hij onderdaan is, zich te beroepen op verbod van discriminatie op grond van nationaliteit

[EG-Verdrag, art. 6, 8 en 8 A (thans, na wijziging, art. 12 EG, 17 EG en 18 EG)]

2. Vrij verkeer van personen - Recht van toegang en verblijf van onderdanen van lidstaten - Richtlijn 93/96 - Voorwaarden voor afgifte van verblijfstitel - Nationale regeling die van studenten-onderdanen van andere lidstaten bepaald bedrag aan bestaansmiddelen eist, dat door specifieke documenten moet worden aangetoond - Ontoelaatbaarheid - Mogelijkheid voor lidstaat van ontvangst om maatregelen te nemen ter beëindiging van verblijf van student die beroep heeft gedaan op bijstandsregeling - Grenzen

(Richtlijn 93/96 van de Raad)

3. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Gelijke behandeling - Discriminatie op grond van nationaliteit - Bestaansminimum - Nationale wettelijke regeling die alleen voor onderdanen van andere lidstaten recht op deze uitkering afhankelijk stelt van voorwaarde dat zij binnen werkingssfeer van verordening nr. 1612/68 vallen - Ontoelaatbaarheid

[EG-Verdrag, art. 6 en 8 (thans, na wijziging, art. 12 en 17 EG); verordening nr. 1612/68 van de Raad]

4. Prejudiciële vragen - Uitlegging - Werking in tijd van arresten houdende uitlegging - Retroactieve werking - Beperking door Hof - Voorwaarden - Belang voor betrokken lidstaat van financiële gevolgen van arrest - Niet-doorslaggevend criterium

[EG-Verdrag, art. 177 (thans art. 234 EG)]

Samenvatting

1. De hoedanigheid van burger van de Unie dient de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten te zijn en verleent degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, aanspraak op een gelijke behandeling rechtens.

Een burger van de Europese Unie die legaal op het grondgebied van de ontvangende lidstaat verblijft, kan zich op artikel 6 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) beroepen in alle binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallende situaties.

Tot deze situaties behoren met name die welke verband houden met het gebruik van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden en van de in artikel 8 A van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 18 EG) neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.

Het feit dat een burger van de Unie een universitaire studie volgt in een andere lidstaat dan die waarvan hij onderdaan is, betekent op zich niet dat hij zich niet kan beroepen op het in artikel 6 van het Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Bij het Verdrag betreffende de Europese Unie is immers het begrip burgerschap van de Unie" in het Verdrag ingevoerd en is in titel VIII van het derde deel van dit Verdrag een hoofdstuk 3 ingevoegd dat met name betrekking heeft op onderwijs en beroepsopleiding. Het aldus gewijzigde Verdrag bevat geen enkele bepaling waaruit kan worden afgeleid dat studenten die burgers zijn van de Unie, wanneer zij zich naar een andere lidstaat van de Unie begeven om daar te studeren, de door het Verdrag aan de burgers van de Unie verleende rechten verliezen. Verder heeft de Raad ook nog richtlijn 93/96 vastgesteld, volgens welke de lidstaten het verblijfsrecht toekennen aan iedere student die onderdaan is van een lidstaat en aan bepaalde voorwaarden voldoet.

( cf. punten 31-33, 35-36 )

2. Artikel 1 van richtlijn 93/96 inzake het verblijfsrecht voor studenten stelt niet als noodzakelijke voorwaarde voor het verlenen van verblijfsrecht dat de student over een bepaald bedrag aan bestaansmiddelen beschikt, en verlangt evenmin dat deze bestaansmiddelen aan de hand van specifieke documenten worden aangetoond. Er wordt enkel bepaald dat de student door middel van een verklaring of op enige andere ten minste gelijkwaardige wijze de betrokken nationale autoriteit moet verzekeren dat hij voor zichzelf en, in voorkomend geval, voor zijn echtgenoot en kinderen ten laste over de nodige bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van de ontvangende lidstaat komen.

Deze uitlegging sluit evenwel niet uit dat de ontvangende lidstaat van mening kan zijn dat een student die een beroep heeft gedaan op de sociale bijstand, niet meer voldoet aan de voor zijn verblijfsrecht gestelde voorwaarden, en binnen de ter zake door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen maatregelen neemt, hetzij om de verblijfsvergunning van de betrokkene in te trekken, hetzij om deze niet te verlengen. Dergelijke consequenties mogen evenwel geenszins automatisch worden verbonden aan het feit dat een onderdaan van een andere lidstaat een beroep doet op de sociale bijstand van de ontvangende lidstaat.

Richtlijn 93/96, zoals overigens ook de richtlijnen 90/364 betreffende het verblijfsrecht en 90/365 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd, aanvaardt immers dat er een zekere financiële solidariteit bestaat tussen de onderdanen van deze lidstaat en die van de andere lidstaten, met name wanneer de problemen van de verblijfsgerechtigde van tijdelijke aard zijn. Verder kan de financiële situatie van een student gaandeweg veranderen door omstandigheden waarop hij geen vat heeft. De juistheid van zijn verklaring kan dus enkel worden beoordeeld op het ogenblik waarop zij is afgelegd.

( cf. punten 40, 42-45 )

3. De artikelen 6 en 8 van het Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 12 EG en 17 EG) staan eraan in de weg dat het recht op een sociale uitkering in het kader van een niet op premiebetaling berustend stelsel, zoals een bestaansminimum, voor onderdanen van andere lidstaten dan de ontvangende lidstaat op het grondgebied waarvan deze onderdanen legaal verblijven, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat zij binnen de werkingssfeer vallen van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, wanneer een dergelijke voorwaarde niet geldt voor onderdanen van de ontvangende lidstaat.

( cf. punt 46 en dictum )

4. De uitlegging die het Hof aan een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft, blijft beperkt tot het verklaren en preciseren van de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding had moeten worden verstaan en toegepast. Het Hof kan slechts bij uitzondering, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen ter discussie te stellen. De mogelijke financiële gevolgen van een prejudicieel arrest voor een lidstaat vormen op zich geen rechtvaardiging voor een beperking van de werking van dit arrest in de tijd.

( cf. punten 50-52 )

Top