Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52003PC0828

Voorstel voor een Besluit van de Raad tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

/* COM/2003/0828 def. - CNS 2003/0324 */

52003PC0828

Voorstel voor een Besluit van de Raad tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg /* COM/2003/0828 def. - CNS 2003/0324 */


Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

(door de Commissie ingediend)

INHOUDSOPGAVE

TOELICHTING

1. Achtergrond

2. Het Gemeenschapsoctrooi

3. Rechtspraak van de Gemeenschap op het gebied van octrooizaken

4. Het Gemeenschapsoctrooigerecht

5. Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg

6. Overgangsperiode

7. Noodzaak van een communautair optreden

8. Voorgestelde bepalingen

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot instelling van het Gemeenschapsoctrooi-gerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

Hoofdstuk I Het Gemeenschapsoctrooigerecht

Artikel 1 Instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht

Artikel 2 Toepassing van de bepalingen van het EG-Verdrag

Artikel 3 Bepalingen in het statuut over rechterlijke kamers

Artikel 4 Bijlage bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie

Hoofdstuk II Beroepsprocedure bij het Gerecht van eerste aanleg

Artikel 5 Aantal rechters van het Gerecht van eerste aanleg

Artikel 6 Beroepsprocedure op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi

Hoofdstuk III Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7 Overgangsbepalingen

Artikel 8 Inwerkingtreding

FINANCIEEL MEMORANDUM

Benaming van de actie: Voorstel voor een besluit van de Raad tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

1. BEGROTINGSONDERDELEN EN OMSCHRIJVING

2. ALGEMENE CIJFERS

2.1. Totale toewijzing voor de actie (deel B): miljoenen euro's aan vastleggingskredieten

2.2. Duur

2.3. Meerjarenraming van de uitgaven

2.4. Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

2.5. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

3. BEGROTINGSKENMERKEN

4. RECHTSGRONDSLAG

5. OMSCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1. Doel van het communautaire optreden

5.1.1. Doelstellingen

5.1.2. Genomen maatregelen in verband met de evaluatie vooraf

5.2. Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting

5.3. Uitvoering

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1. Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

6.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

7. GEVOLGEN VOOR DE PERSONELE MIDDELEN EN DE HUISHOUDELIJKE UITGAVEN

7.1 Het jaar voor de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel wordt (2009)

7.1.1. Gevolgen voor de personele middelen

7.1.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.1.3. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2009 uit de actie voortvloeien

7.2. Eerste twee jaar dat de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel is (2010-2011)

7.2.1. Gevolgen voor de personele middelen

7.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.2.2.1. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2010

7.2.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2011

7.2.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

7.2.3.1. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2010 uit de actie voortvloeien

7.2.3.2. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2011 uit de actie voortvloeien

7.3. Derde en vierde jaar dat de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel is (2012 - 2013)

7.3.1. Gevolgen voor de personele middelen

7.3.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.3.2.1. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2012

7.3.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2013

7.3.3. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2012 resp. 2013 uit de actie voortvloeien

7.4. Eind van de eerste fase (2014)

7.4.1. Gevolgen voor de personele middelen

7.4.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.4.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

8. TOEZICHT EN EVALUATIE

8.1. Toezicht

8.2. Procedure en tijdschema van de voorgeschreven evaluatie

9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Benaming van het voorstel

Referentienummer van het document

Het voorstel

Effect op het bedrijfsleven

Raadpleging 74

TOELICHTING

1. ACHTERGROND

In de Gemeenschap worden octrooien al lange tijd op twee manieren beschermd, geen van beide op basis van een communautair instrument. Nationale octrooien worden verleend door nationale octrooibureaus op basis van de wetgeving van de respectieve lidstaat. De bescherming is beperkt tot het grondgebied van die lidstaat en bij een geschil moet het octrooirecht worden gehandhaafd voor de bevoegde nationale rechter. Europese octrooien worden verleend door het Europees Octrooibureau, dat is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag) van 5 oktober 1973, dat zowel materieel octrooirecht als de procedure voor het verlenen van octrooien omvat. Wanneer een Europees octrooi is verleend, biedt dit bescherming op het grondgebied van de overeenkomstsluitende staten die door de rechthebbende zijn aangewezen. Het geharmoniseerde octrooirecht van het Europees Octrooiverdrag is in wezen beperkt tot de eerste fase, namelijk tot het verlenen van het Europees octrooi; de effecten ervan worden bepaald door het nationale octrooirecht van iedere aangewezen overeenkomstsluitende staat. Geschillen moeten dan ook worden beslecht voor de bevoegde nationale rechter. In deze situatie, waarbij het octrooirecht alleen wordt verleend in of met gevolgen voor bepaalde lidstaten van de Europese Unie, loopt de rechthebbende het risico in een aantal lidstaten over dezelfde octrooikwestie te moeten procederen, waarbij de uitslag ook nog eens kan uiteenlopen. Deze situatie wordt al lange tijd bekritiseerd als ongeschikt voor de behoeften van de Europese industrie die binnen de interne markt werkzaam is. De lidstaten hebben in het verleden al veel gedaan om deze situatie in communautair verband te verbeteren. Het Gemeenschapsoctrooiverdrag, dat bedoeld was om een enkele titel voor het Gemeenschapsoctrooi te creëren, werd op 15 december 1975 in Luxemburg ondertekend. Op 15 december 1989 volgde de overeenkomst betreffende het Gemeenschapsoctrooi, dat een protocol inzake de beslechting van geschillen over inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien bevatte. Deze overeenkomsten traden evenwel nooit in werking.

2. HET GEMEENSCHAPSOCTROOI

De Europese Raad van Lissabon in maart 2000 gaf het startsein voor een algemeen programma ter verbetering van het concurrentievermogen van de economie in de Unie; hierbij werd de kwestie weer opgenomen. De Raad noemde als een van de concrete maatregelen voor verbetering de uitwerking van een communautair octrooisysteem om de bestaande tekortkomingen bij de wettelijke bescherming van octrooien het hoofd te bieden. Op die manier moest een stimulans worden gegeven aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling, wat zou bijdragen tot het concurrentievermogen van de gehele economie. In aansluiting op de Europese Raad van Lissabon kwam de Commissie op 1 augustus 2000 met een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het Gemeenschapsoctrooi [COM(2000) 412 def.]. Dit bevat de nodige bepalingen die van toepassing zijn op Gemeenschapsoctrooien, onder meer de invoering van een enkel Gemeenschapsoctrooi, de hieraan verbonden rechten, de mogelijkheden om deze rechten te handhaven, de redenen voor nietigheid en de mechanismen voor het beheer van verleende Gemeenschapsoctrooien, zoals de jaarlijkse vernieuwing. Het is de bedoeling dat het Europees Octrooibureau de Gemeenschapsoctrooien zal verlenen. Daartoe moet de Gemeenschap toetreden tot het Europees Octrooiverdrag en het Europees Octrooibureau belasten met het verlenen van Gemeenschapsoctrooien. Het Europees Octrooibureau zal dus volgens dezelfde normen van het Europees Octrooiverdrag Europese en Gemeenschapsoctrooien verlenen en op die manier zorgen voor uniformiteit en rechtszekerheid op het gebied van het octrooirecht in Europa. Tevens kan de grote expertise van het Europees Octrooibureau als onderzoekend octrooibureau worden benut voor het Gemeenschapsoctrooi.

3. BEVOEGDHEID VAN DE GEMEENSCHAP OP HET GEBIED VAN OCTROOIZAKEN

De bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van octrooizaken is een sleutelelement van het communautaire octrooisysteem. Op het Gemeenschapsoctrooi, dat voor het grondgebied van alle lidstaten geldt, zullen niet alleen de eenvormige, communautairrechtelijke bepalingen in de verordening van de Raad over het Gemeenschapsoctrooi van toepassing zijn. Uiterlijk in 2010 zal dit recht, na een overgangsperiode waarin de nationale rechter voor dit onderwerp bevoegd blijft, ook kunnen worden gehandhaafd voor een communautaire rechter wiens beslissingen in de gehele Gemeenschap van kracht zullen zijn.

De rechtsgrondslag voor de invoering van een communautaire bevoegdheid op het gebied van octrooizaken is in het EG-Verdrag opgenomen bij artikel 2, punten 26 e.v., van het op 1 februari 2003 in werking getreden Verdrag van Nice tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, waarbij de artikelen 229 A en 225 A in het Verdrag werden ingevoegd. Voorgesteld wordt de communautaire bevoegdheid op het gebied van octrooizaken in te voeren bij twee op deze artikelen gebaseerde besluiten van de Raad.

Het Hof van Justitie wordt alleen bevoegd ten aanzien van het Gemeenschapsoctrooi wanneer hem deze bevoegdheid wordt toegekend. Ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag kan de Raad bepalingen vaststellen, waarbij aan het Hof van Justitie, in een door hem te bepalen mate, de bevoegdheid wordt verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van op grond van het Verdrag vastgestelde besluiten waarbij communautaire industriële eigendomsrechten worden ingesteld. In verband daarmee dient de Commissie bij de Raad een afzonderlijk voorstel voor een besluit van de Raad in, waarbij het Hof deze bevoegdheid ten aanzien van het Gemeenschapsoctrooi wordt toegekend. Het Hof van Justitie moet de bevoegdheid krijgen uitspraak te doen in geschillen inzake inbreuken op of de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi en een communautair aanvullend beschermingscertificaat, het gebruik van de uitvinding na de publicatie van de Gemeenschapsoctrooiaanvrage, het op een vroeger gebruik van de uitvinding gebaseerde recht, voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal op de gebieden waarop het gerecht bevoegd is, schadevergoeding in bovenbedoelde situaties en het opleggen van een dwangsom in geval van niet-naleving van een beslissing of een beschikking die een verplichting tot handelen of tot nalaten inhoudt.

Het onderhavige voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad op basis van de artikelen 225 A en 245 van het EG-Verdrag betreft de oprichting van een rechterlijke kamer, het "Gemeenschapsoctrooigerecht", dat binnen het Hof van Justitie de bevoegdheid krijgt om in geschillen betreffende het Gemeenschapsoctrooi in eerste aanleg uitspraak te doen. Het besluit bevat ook bepalingen die nodig zijn in verband met de nieuwe functie van het Gerecht van eerste aanleg als beroepsinstantie overeenkomstig artikel 225, lid 2, van het EG-Verdrag tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

4. HET GEMEENSCHAPSOCTROOIGERECHT

Artikel 225 A van het EG-Verdrag biedt de mogelijkheid rechterlijke kamers in te stellen die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden. Voorgesteld wordt het Gemeenschapsoctrooigerecht in te stellen als rechterlijke kamer in de zin van artikel 225 A van het EG-Verdrag. Het wordt dan bevoegd voor de geschillen in eerste aanleg betreffende het Gemeenschapsoctrooi, waarvoor bij het besluit van de Raad op basis van artikel 229 A van het EG-Verdrag de bevoegdheid aan het Hof van Justitie is verleend.

Het EG-Verdrag bevat zelf al een aantal bepalingen betreffende rechterlijke kamers. Volgens artikel 220, tweede alinea, van het EG-Verdrag worden rechterlijke kamers toegevoegd aan het Gerecht van eerste aanleg Artikel 225 A, vierde alinea, noemt de kwalificaties waaraan de rechters in een rechterlijke kamer moeten voldoen en bevat de benoemingsprocedure. De rechters worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Anders dan de rechters van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg, die in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten worden benoemd, worden de rechters bij een rechterlijke kamer door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd. Ingevolge artikel 225 A, vijfde alinea, van het EG-Verdrag stellen de rechterlijke kamers zelf in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast; dit behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. Tenzij in het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer iets anders is bepaald, zijn de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie volgens artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag ook op de rechterlijke kamers van toepassing. Ingevolge artikel 225, lid 2, en artikel 225 A, derde alinea, van het EG-Verdrag neemt het Gerecht van eerste aanleg kennis van beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Tenzij in het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer iets anders is bepaald, is dat beroep beperkt tot rechtsvragen (hogere voorziening).

Wat de structuur van het Gemeenschapsoctrooigerecht betreft, bevat het wetsvoorstel een gecentraliseerde en gespecialiseerde communautaire rechtspraak die de rechtszekerheid ten aanzien van het unieke Gemeenschapsoctrooi het best waarborgt. De titel voor het Gemeenschapsoctrooi, die voor het grondgebied van alle EU-lidstaten geldt, moet niet alleen op basis van de uniforme normen van het Europese Octrooiverdrag worden verleend en nadien op grond van de uniforme bepalingen van het Gemeenschapsrecht in de verordening over het Gemeenschapsoctrooi worden beschermd, maar moet ook effectief kunnen worden gehandhaafd voor een communautaire rechter die in een snelle, goedkope en de uniforme procedure beslissingen van hoge kwaliteit garandeert. Het Gemeenschapsoctrooigerecht met zijn rechters met een verschillende juridische achtergrond in de Gemeenschap zal vanaf zijn oprichting een gemeenschappelijke communautaire jurisprudentie op octrooigebied ontwikkelen, wat in de gehele Gemeenschap rechtszekerheid garandeert. Na een lange, diepgaande discussie heeft de Raad in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 met eenparigheid van stemmen steun gegeven aan deze argumenten voor een volledig gecentraliseerde communautaire rechtspraak. De rechters van dit gespecialiseerde Gemeenschapsoctrooigerecht moeten voldoende ervaring op octrooigebied hebben. Dit werd door de Raad uitdrukkelijk erkend, toen hij er in zijn gemeenschappelijke politieke benadering mee instemde dat van kandidaten voor een benoeming moet zijn vastgesteld dat ze een hoog niveau van juridische expertise op het gebied van het octrooirecht hebben en dat rechters worden benoemd op basis van hun deskundigheid.

Volgens het voorstel bestaat het Gemeenschapsoctrooigerecht uit zeven rechters, waaronder de president. Bij een normale samenstelling van het gerecht met drie rechters zijn zes rechters voldoende om twee kamers bij het Gemeenschapsoctrooigerecht te vormen. Het zevende lid lijkt noodzakelijk voor het geval een kamer versterking nodig heeft, bijvoorbeeld bij ziekte van een rechter of wanneer de kamer wordt voorgezeten door de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht, die ook taken heeft met betrekking tot het beheer en de vertegenwoordiging van dit gerecht. In bijzondere omstandigheden, die worden genoemd in het reglement voor de procesvoering, kan het Gemeenschapsoctrooigerecht in uitgebreide samenstelling bijeenkomen, bijvoorbeeld wanneer fundamentele octrooirechtelijke vraagstukken aan de orde zijn, dan wel in een beperkte samenstelling, wat het geval zou kunnen zijn bij voorlopige maatregelen of bij eenvoudige zaken in een bodemprocedure.

De rechters moeten gedurende de gehele behandeling van de zaak worden bijgestaan door technische deskundigen, zoals door de Raad in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 werd overeengekomen. Te dien einde zal gebruik worden gemaakt van toegevoegde rapporteurs, zoals voorzien in artikel 13 van het protocol inzake het statuut van het Hof van Justitie. Deze toegevoegde rapporteurs zijn gespecialiseerd op uiteenlopende technische gebieden en moeten actief deelnemen aan de voorbereiding en behandeling van en de beraadslagingen over een zaak. Zij mogen evenwel niet aan stemmingen over de beslissing deelnemen. Hun inbreng is van belang omdat zij de rechters al bij het begin van de procedure kunnen aangeven wat de belangrijkste technische aspecten van de zaak zijn. Het is niet de bedoeling dat zij het beroep op deskundigen volledig overbodig maken, maar om het gerecht in staat te stellen de technische aspecten van een zaak snel en nauwkeurig te bevatten, wat van belang is voor een efficiënte behandeling van een zaak en voor een juridisch gedegen beslissing.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt weliswaar toegevoegd aan het Gerecht van eerste aanleg, maar moet wel een eigen griffier krijgen. Omdat het Gemeenschapsoctrooigerecht veel geschillen te behandelen krijgt die sterk afwijken van die bij het Gerecht van eerste aanleg, lijkt een eigen griffier noodzakelijk om een snelle, doelmatige procedure te waarborgen.

Ten aanzien van het proces in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt bij artikel 4 van het besluit een bijlage II bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie ingevoerd met een aantal bepalingen tot aanpassing van de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie, die overeenkomstig artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag van toepassing zijn op rechterlijke kamers. Gezien de speciale aard van de geschillen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, namelijk octrooigeschillen tussen particulieren, kunnen sommige bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie niet van toepassing zijn, zoals die betreffende de wettigheidstoetsing van communautaire handelingen, moeten andere worden gewijzigd, zoals die betreffende de procedure, de bewijsvoering of de herziening van een arrest, en zijn er ook nieuwe bepalingen nodig, zoals die betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht of de proceskosten.

Naargelang de omstandigheden kan elke officiële EU-taal bij het Gemeenschapsoctrooigerecht procestaal worden. Uitgangspunt bij de beslissing over de procestaal in een bepaalde zaak is de woonplaats van de verweerder in de Gemeenschap. De procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht vindt plaats in de officiële EU-taal van de lidstaat waar deze zijn woonplaats heeft, dan wel, wanneer een lidstaat twee of meer officiële talen heeft, naar keuze van de verweerder in een van deze talen. Op verzoek van de partijen kan evenwel met instemming van het Gemeenschapsoctrooigerecht iedere officiële EU-taal als procestaal worden gekozen. Wanneer de verweerder zijn woonplaats niet in een lidstaat heeft, vindt het geding plaats in de officiële EU-taal waarin het Gemeenschapsoctrooi was verleend.

Volgens het voorstel is de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht niet kosteloos. Het gerecht behandelt geschillen waarbij de partijen hun particuliere rechten tegen concurrenten trachten te handhaven; zij moeten daarom een passende bijdrage aan de proceskosten betalen. In dat opzicht geldt het in artikel 72 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en in artikel 90 van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg opgenomen beginsel dat het proces kosteloos is, niet voor geschillen over het Gemeenschapsoctrooi. Wel moeten er in het reglement voor de procesvoering van het Gemeenschapsoctrooigerecht bepalingen worden opgenomen over rechtsbijstand voor het geval een partij niet in staat is de proceskosten te dragen; dergelijke bepalingen zijn ook te vinden in het reglement voor de procesvoering van Hof van Justitie (artikel 76) en het Gerecht van eerste aanleg (artikelen 94 e.v.).

5. BEROEP BIJ HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

Na de instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht als rechterlijke kamer in de zin van artikel 225 A van het EG-Verdrag, die overeenkomstig artikel 220, lid 2, van het EG-Verdrag is toegevoegd aan het Gerecht van eerste aanleg, is dit ingevolge artikel 225, lid 2, bevoegd kennis te nemen van beroepen tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Voorgesteld wordt daartoe binnen het Gerecht van eerste aanleg een speciale beroepskamer voor octrooizaken in te stellen met drie rechters die een hoog niveau van juridische deskundigheid op het gebied van octrooizaken hebben, wat noodzakelijk is voor het zeer gespecialiseerde terrein van de octrooigeschillen. Dit lijkt niet alleen noodzakelijk te zijn bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, maar ook in beroepszaken, teneinde een snelle, efficiënte procedure te waarborgen, die resulteert in beslissingen van hoge kwaliteit die zodra het systeem van start gaat het vertrouwen van de gebruikers verdienen. Ook de rechters die het beroep behandelen, worden gedurende het gehele proces bijgestaan door technische deskundigen. Deze toegevoegde rapporteurs zullen moeten deelnemen aan de voorbereiding en behandeling van en de beraadslagingen over de zaak.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht bij de behandeling in eerste aanleg en de beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg bij de behandeling in beroep moeten als twee fases van een uniform proces dezelfde procedurevoorschriften hanteren. Daarom zijn de speciale bepalingen in het statuut van het Hof van Justitie, die in verband met het specifieke karakter van een octrooigeschil nodig zijn en afwijken van de bepalingen in het statuut die ingevolge artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag op het Gemeenschapsoctrooigerecht van toepassing zouden zijn, ook van toepassing op de beroepsprocedure voor het Gerecht van eerste aanleg.

In beginsel worden geschillen over Gemeenschapsoctrooien in tweede en laatste instantie behandeld door het Gerecht van eerste aanleg. Hoger beroep bij het Hof van Justitie is niet voorzien. In uitzonderlijke gevallen, wanneer er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast, kan de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg overeenkomstig artikel 225, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 62 van het statuut van het Hof van Justitie op verzoek van de eerste advocaat-generaal worden heroverwogen. Naar verwachting zal het Hof van Justitie een verzoek indienen zijn statuut te wijzigen om hierin nadere bepalingen inzake een dergelijke heroverwegingsprocedure op te nemen, zoals werd verlangd in verklaring nr. 13 die bij de conferentie in Nice werd goedgekeurd.

Ofschoon artikel 225, lid 3, van het EG-Verdrag toestaat dat het Gerecht van eerste aanleg statutair de bevoegdheid krijgt op specifieke gebieden kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van artikel 234, voorziet dit voorstel niet in een dergelijke bevoegdheid op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi. Hoewel deze kwestie is overwogen en wellicht belangrijke synergieën zou opleveren wat de beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg inzake vergelijkbare materiële zaken, hetzij als beroepsinstantie in geschillen over Gemeenschapsoctrooien, hetzij op verzoek van nationale rechters om een prejudiciële uitspraak te geven, was men toch van mening dat deze bevoegdheid voorlopig bij het Hof van Justitie moest blijven berusten. De instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht, dat op communautair niveau een nieuw type geschillen behandelt, is op zich al zo'n belangrijke innovatie voor de communautaire rechtsorde dat het zinvol lijkt om voordat verdere stappen worden gezet eerst voldoende praktijkervaring met de nieuwe gerechtelijke regelingen op te doen.

6. OVERGANGSPERIODE

Zoals de Raad in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 is overeengekomen, vindt de instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht uiterlijk in 2010 plaats. Tot dan is de nationale rechter bevoegd. Dit is van belang voor Gemeenschapsoctrooien die van kracht worden voordat de communautaire octrooirechtspraak tot stand komt. De verordening inzake het Gemeenschapsoctrooi krijgt speciale bepalingen voor de overgangsperiode. Het is de bedoeling dat elke lidstaat voor dit doel een beperkt aantal nationale gerechten aanwijst, die de bevoegdheid uitoefenen totdat deze aan het eind van de overgangsperiode aan het Hof van Justitie wordt overgedragen. Tegen een beslissing van een nationale rechter in eerste aanleg kunnen de in de betrokken lidstaat toegestane wettelijke beroepsmogelijkheden worden aangewend. Tenzij de bevoegdheden van een nationaal gerecht gebaseerd zijn op de plaats waar een inbreuk gepleegd is, en daarom beperkt is tot handelingen die in die lidstaat plaatsvonden, zijn de nationale gerechten bevoegd voor de gehele Gemeenschap. Het Gemeenschapoctrooi geniet voor de nationale rechter een algemeen vermoeden van geldigheid, zodat de eenvoudige exceptie van ongeldigheid als verweer tegen een inbreukactie niet mogelijk is. Volgens artikel 2 van het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot het verlenen van bevoegdheden aan het Hof van Justitie op het gebied van het Gemeenschapoctrooi beslist de bevoegde nationale rechter over rechtsvorderingen die op het moment van de overdracht van de bevoegdheid aan het Hof van Justitie al aan hem waren voorgelegd.

7. NOODZAAK VAN EEN COMMUNAUTAIR OPTREDEN

Dit besluit betreffende de gerechtelijke aspecten van het communautaire octrooisysteem beoogt soelaas te bieden voor de tekortkomingen van de huidige situatie op het gebied van de octrooibescherming in de Unie. Het is de bedoeling een communautaire octrooibescherming in te voeren, die kan worden gehandhaafd voor een enkele rechter, die uniforme normen toepast. Deze doelstelling kan alleen op communautair niveau worden gehaald.

8. VOORGESTELDE BEPALINGEN

Dit besluit bestaat uit drie hoofdstukken: een over het Gemeenschapsoctrooigerecht (hoofdstuk I), een over het beroep tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht bij het Gerecht van eerste aanleg (hoofdstuk II) en een met slotbepalingen (hoofdstuk III).

Hoofdstuk I - Het Gemeenschapsoctrooigerecht

Hoofdstuk I over het Gemeenschapsoctrooigerecht bevat twee belangrijke elementen. De artikelen 1 tot en met 3 van het besluit bevatten bepalingen waarbij een Gemeenschapsoctrooigerecht wordt ingesteld, waarbij wordt vastgesteld welke bepalingen van het EG-Verdrag op het Gemeenschapsoctrooigerecht van toepassing zijn en waarbij een rechtsgrondslag wordt gegeven voor een bijlage bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie met de bepalingen uit het statuut die gelden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 4 bevat speciale bepalingen betreffende het Gemeenschapsoctrooigerecht, die aan het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie (hierna het "statuut") worden gehecht.

Artikel 1 - Instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht

Voor de behandeling van geschillen over het Gemeenschapsoctrooi in eerste aanleg stelt artikel 1 een rechterlijke kamer in, die "Gemeenschapsoctrooigerecht" wordt genoemd. De instelling van dit Gemeenschapsoctrooigerecht is gebaseerd op artikel 225 A van het EG-Verdrag, dat de mogelijkheid biedt rechterlijke kamers in te stellen die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden. Overeenkomstig artikel 220, tweede alinea, van het EG-Verdrag wordt het Gemeenschapsoctrooigerecht toegevoegd aan het Gerecht van eerste aanleg. De structuur van het Gemeenschapsoctrooigerecht, en met name de juiste mate van centralisatie, is in de Raad uitvoerig besproken. In zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 is de Raad met eenparigheid van stemmen overeengekomen dat de rechtspraak in eerste aanleg volledig gecentraliseerd moest zijn. Het voorstel voor de instelling van een Gemeenschapsoctrooigerecht stoelt op deze benadering. Bijgevolg moet het Gemeenschapsoctrooigerecht zijn zetel hebben bij het Gerecht van eerste aanleg, en is er geen sprake meer van de door de Raad besproken mogelijkheid in de lidstaten permanente regionale afdelingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht in te stellen.

Artikel 2 - Toepassing van de bepalingen van het EG-Verdrag

Ingevolge artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag zijn de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende het Hof van Justitie en die van het statuut van het Hof van Justitie ook op het Gemeenschapsoctrooigerecht van toepassing, tenzij in het besluit tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht anders is bepaald. Artikel 2 noemt de artikelen van het EG-Verdrag over het Hof van Justitie die, behoudens de aansluitende bepalingen in hoofdstuk I van dit besluit, ook van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht. Dezelfde aanpak werd gevolgd in artikel 4 van Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.

Niet alle bepalingen van het EG-Verdrag over het Hof van Justitie lijken in volle omvang geschikt voor de specifieke geschillen die door het Gemeenschapsoctrooigerecht worden behandeld. Uiteraard zijn de bepalingen over het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg zelf en over de speciale procedures voor deze gerechten, hier niet van toepassing. Van de algemenere bepalingen zijn een aantal artikelen over handelingen van de Gemeenschappen en met name over hun nietigverklaring, zoals de artikelen 231, 233 en 242, niet van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht, dat geschillen tussen particulieren behandelt waarbij vernietiging van handelingen van de Gemeenschap niet aan de orde is.

De artikelen 241, 243, 244 en 256 van het EG-Verdrag zijn wel van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 241 staat particulieren toe de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen om de in artikel 230, tweede alinea, genoemde redenen. Deze bepaling biedt bescherming tegen de toepassing van onwettige bepalingen in een verordening, een waarborg die ook in octrooigeschillen moet worden gegeven. Partijen moeten de mogelijkheid hebben indirect de geldigheid van de ter zake doende octrooibepalingen aan te vechten. Krachtens artikel 243 kan het Hof de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten. Een dergelijke bepaling is ook zinvol voor geschillen tussen particulieren en moet daarom ook van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht. Ingevolge de artikelen 244 en 256 geschiedt de tenuitvoerlegging van een arrest volgens de wetgeving van de lidstaat waar deze plaatsvindt. Deze bepaling moet ook gelden voor arresten van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Ten aanzien van voorlopige maatregelen (artikel 14 van bijlage II bij het statuut) en de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht (artikel 22 van bijlage II bij het statuut) wordt in het besluit vooral rekening gehouden met de speciale aard van de geschillen over Gemeenschapsoctrooien. Het gelasten van voorlopige maatregelen overeenkomstig artikel 243 van het EG-Verdrag mag niet alleen afhankelijk zijn van het feit dat de bodemprocedure al bij het Gemeenschapsoctrooigerecht aanhangig is gemaakt; ook kunnen voorlopige maatregelen die ongefundeerd zijn gebleken, aanleiding geven tot een vordering van een passende vergoeding voor de hierdoor aangerichte schade. Verder lijkt het handhavingsmechanisme van artikel 256 van het EG-Verdrag niet volledig geschikt voor de handhaving van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht, en met name van voorlopige maatregelen, omdat de formule van tenuitvoerlegging volgens dit artikel moet worden aangebracht door de nationale autoriteiten die daartoe zijn aangewezen door de lidstaat waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Hoewel deze alleen de authenticiteit van de ten uitvoer te leggen beslissing verifiëren, lijkt dit tot ongerechtvaardigde vertragingen te leiden. De formule van tenuitvoerlegging moet daarom direct door het Gemeenschapsoctrooigerecht worden aangebracht. Verder moeten beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht ook executoriale titel vormen tegen lidstaten, aangezien zij op dezelfde manier als andere partijen moeten worden behandeld wanneer zij een Gemeenschapsoctrooi bezitten of een inbreuk hierop plegen. Ten slotte moet het Gemeenschapsoctrooigerecht de bevoegdheid hebben om door het opleggen van een dwangsom de handhaving van bepaalde beslissingen te waarborgen.

Artikel 3 - Bepalingen in het statuut over rechterlijke kamers

Dit artikel bevat een bepaling waarbij een nieuwe titel VI, "Rechterlijke kamers", in het statuut van het Hof van Justitie wordt ingevoegd; deze behelst een nieuw artikel 65, waarbij een rechtsgrond wordt gegeven om in een bijlage bij het statuut van het Hof van Justitie bepalingen op te nemen over de rechterlijke kamers die ingevolge artikel 225 A van het EG-Verdrag zijn ingesteld. Dit is een algemene bepaling die ook van toepassing is op later in te stellen rechterlijke kamers. Volgens artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag zijn de bepalingen in het statuut van het Hof van Justitie ook van toepassing op de rechterlijke kamers, tenzij in het besluit tot instelling van een kamer iets anders is bepaald. Terwijl de meeste bepalingen in het statuut van het Hof van Justitie ook op rechterlijke kamers kunnen worden toegepast, zijn er enkele speciale bepalingen nodig om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk van de rechterlijke kamers, bijvoorbeeld waar het de organisatie en de samenstelling van de kamer en speciale elementen van de procesvoering betreft. Daarom zal er voor elke in de toekomst in te stellen rechterlijke kamer een speciale bijlage worden vastgesteld over de bepalingen in het statuut die op die rechterlijke kamer van toepassing zijn, en wordt in het nieuwe artikel 65 van het statuut van het Hof van Justitie bepaald dat de bepalingen over de bevoegdheden, de samenstelling en de organisatie van rechterlijke kamers en over de procesvoering bij deze kamers in de bijlage bij het statuut van het Hof van Justitie zijn opgenomen.

Artikel 4 - Bijlage bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie

Op de grondslag van het nieuwe artikel 65 van het statuut van het Hof van Justitie, dat, zoals hierboven is uiteengezet, zal worden ingevoegd ingevolge artikel 3 van dit besluit, wordt bij artikel 4 een bijlage II bij het statuut van het Hof van Justitie, getiteld "Het Gemeenschapsoctrooigerecht" vastgesteld met de volgende elementen:

Artikel 1 van bijlage II noemt de bevoegdheden van het Gemeenschapsoctrooigerecht. De artikelen 2 en 3 hebben betrekking op de benoeming van rechters en artikel 4 op de verkiezing van de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 5 van bijlage II zegt welke bepalingen uit de titels I en II van het statuut van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht, waarna speciale bepalingen betreffende de organisatie van het Gemeenschapsoctrooigerecht volgen (artikelen 6-9). Artikel 10 van bijlage II schrijft voor dat titel III van het statuut van toepassing is op de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, waarna een aantal bijzondere bepalingen volgen, die nodig zijn met het oog op het speciale type geschillen waarmee het te maken krijgt (artikelen 11-25). De artikelen 47 e.v. en 53 e.v. in titel IV van het statuut van het Hof van Justitie bevatten een parallelle structuur voor het Gerecht van eerste aanleg

Ten slotte bevat bijlage II speciale bepalingen over het beroep bij het Gemeenschapsoctrooigerecht (artikelen 26-28) en een rechtsgrondslag voor het opnemen in het reglement voor de procesvoering van bepalingen die nodig zijn om dit toe te passen en zo nodig aan te vullen.

Artikel 1 van bijlage II bij het statuut - Bevoegdheden

Ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag wordt het Hof van Justitie bij een afzonderlijk besluit van de Raad, waarbij het Hof bevoegdheden op dit gebied worden verleend, bij uitsluiting bevoegd verklaard voor Gemeenschapsoctrooizaken.

Dit artikel verleent binnen het Hof van Justitie het Gemeenschapsoctrooigerecht de uitsluitende bevoegdheid voor geschillen in eerste aanleg over de toepassing van Verordening (EG) nr. .../... van ... betreffende het Gemeenschapsoctrooi en Verordening (EG) nr. .../... van ... betreffende het communautair aanvullend beschermingscertificaat. De bevoegdheden van het Gemeenschapsoctrooigerecht worden bepaald door een verwijzing naar het besluit van de Raad tot verlening van bevoegdheden aan het Hof van Justitie op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi, waarvoor de Commissie een afzonderlijk voorstel voor een besluit van de Raad heeft ingediend. Het Gemeenschapsoctrooigerecht is dan bevoegd voor het onderwerp dat is neergelegd in artikel 1 van het voorstel van de Commissie voor een dergelijk besluit van de Raad, namelijk voor geschillen inzake inbreuken op of de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi en een communautair aanvullend beschermingscertificaat, het gebruik van de uitvinding na de publicatie van de Gemeenschapsoctrooiaanvrage, het op een vroeger gebruik van de uitvinding gebaseerde recht, voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal op de gebieden waarop het gerecht bevoegd is, schadevergoeding in bovenbedoelde situaties en het opleggen van een dwangsom in geval van niet-naleving van een beslissing of een beschikking die een verplichting tot handelen of tot nalaten inhoudt.

In een overgangsperiode, voordat de verlening van de bevoegdheden aan het Hof van Justitie van kracht wordt, zullen geschillen door de nationale rechter worden beslecht overeenkomstig de bepalingen van de verordening betreffende het Gemeenschapsoctrooi. Zoals bepaald in artikel 2 van het voorstel voor een besluit van de Raad tot verlening van rechtsmacht aan het Hof van Justitie op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi, wordt het Gemeenschapsoctrooigerecht niet bevoegd voor geschillen die gedurende de overgangsperiode al aan de nationale rechter waren voorgelegd aangezien de verlening van de rechtsmacht zich niet tot die geschillen uitstrekt.

Artikel 2 van bijlage II bij het statuut - Aantal rechters en benoeming en ambtstermijn van de rechters van het Gemeenschapsoctrooigerecht

Artikel 2 bevat bepalingen over de rechters van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

De eerste alinea noemt het aantal leden van het Gemeenschapsoctrooigerecht en legt hun ambtstermijn vast. Voorgesteld wordt dat het Gemeenschapsoctrooigerecht bestaat uit zeven rechters, waaronder de president. Overeenkomstig artikel 8 van bijlage II bij het statuut houdt het Gemeenschapsoctrooigerecht gewoonlijk zitting in kamers bestaande uit drie rechters. Zes rechters zijn voldoende om twee kamers te vormen. Een zevende lid lijkt zinvol om speciale ondersteuning te verlenen aan de kamer die wordt voorgezeten door de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht; deze heeft namelijk ook andere taken, bijvoorbeeld met betrekking tot het beheer en de vertegenwoordiging van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Bij een bezetting met zeven rechters is het bovendien mogelijk dat zij allen samen zitting houden en beslissingen nemen in overeenstemming met artikel 17, eerste alinea, van het statuut van het Hof van Justitie, dat bepaalt dat het gerecht alleen bij een oneven aantal rechters beslissingen kan nemen. Dit aantal garandeert ook een soepele werking van de rechtspraak in geval van ziekte of vakantie van rechters en lijkt in het algemeen een geschikt aantal te zijn voor de taken en de belasting die in de eerste fase van het bestaan van het Gemeenschapsoctrooigerecht te verwachten zijn. Ingevolge artikel 225 A, vijfde alinea, van het EG-Verdrag moeten de rechters het reglement voor de procesvoering vaststellen, waarna een gemeenschappelijke praktijk in het kader van dit reglement moet worden ontwikkeld en in het licht van de ervaring de nodige verbeteringen moeten worden aangebracht. Voor de eerste drie jaren wordt de belasting geraamd op resp. 50, 100 en 150 nieuwe zaken, wat neerkomt op 25, 50 en 75 zaken per jaar per kamer. Dit vermoeden is gebaseerd op een verwacht aantal van 100 000 door het Europees Octrooibureau verleende octrooien per jaar, waarvan er ongeveer 50 000 de Gemeenschap aanwijzen, alsmede een geschillenpercentage van een promille. Bij de vaststelling van het aantal zaken dat redelijkerwijs kan worden behandeld, mag niet worden vergeten dat het Gemeenschapsoctrooigerecht nog een gemeenschappelijke jurisprudentie moet ontwikkelen, wat met name in de beginfase betekent dat er een aantal fundamentele beslissingen moeten worden genomen, waarvoor intensief overleg noodzakelijk is.

Een ambtstermijn van zes jaar met de mogelijkheid van verlenging, zoals voor het Hof van Justitie (artikel 223, eerste en vierde alinea, van het EG-Verdrag) en het Gerecht van eerste aanleg (artikel 224, tweede alinea, van het EG-Verdrag) lijkt ook goed voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de leden plaats, zoals in artikel 224, tweede alinea, van het EG-Verdrag is voorzien voor het Gerecht van eerste aanleg. Door steeds een deel van de leden te vervangen kan de door het gerecht opgebouwde expertise door de ervaren rechters worden doorgegeven aan de nieuw benoemde rechters, wat bijdraagt tot een stabiele jurisprudentie en tot rechtszekerheid. Om in deze cyclus terecht te komen moeten sommige leden in de eerste fase een kortere ambtstermijn hebben. Dit besluit bevat hiertoe in artikel 7, tweede alinea, een overgangsbepaling die zegt dat de voorzitter van de Raad bij loting de rechters aanwijst van wie het mandaat aan het einde van de eerste periode van drie jaar afloopt.

De tweede alinea zegt dat de rechters worden gekozen uit de door de lidstaten voorgedragen kandidaten en noemt verder de bijzondere kwalificaties die leden van het Gemeenschapsoctrooigerecht moeten hebben. Volgens artikel 225 A, vierde alinea, van het EG-Verdrag komen als lid van de rechterlijke kamers in aanmerking "personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden". De tweede alinea specificeert deze algemene bepaling, die betrekking heeft op alle mogelijke kamers, en bevat specifieke eisen ten aanzien van het beroepsprofiel dat kandidaat-rechters voor het Gemeenschapsoctrooigerecht moeten hebben. Zoals de Raad in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 is overeengekomen, moeten de rechters op basis van hun deskundigheid worden benoemd; zij moeten een aangetoond hoog niveau van juridische deskundigheid op het gebied van octrooirecht bezitten. Dit is vooral van belang omdat door de speciale aard van het octrooirecht veel ervaring nodig is. De ervaring die de rechters op dit gebied hebben, is van wezenlijk belang voor de acceptatie van het systeem door de gebruikers, omdat dit efficiënte procedures en beslissingen van hoge kwaliteit garandeert. De rechters worden benoemd na raadpleging van een comité dat in overeenstemming met artikel 3 wordt ingesteld.

Artikel 3 van bijlage II bij het statuut - Raadgevend comité

In de eerste alinea wordt gezegd dat de rechters worden benoemd na raadpleging van een hiertoe ingesteld raadgevend comité, dat advies moet geven over de geschiktheid van het profiel van de kandidaten. De Raad wordt door het advies van het comité geholpen bij het vinden van de meest geschikte kandidaten voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. In het licht van de specifieke in aanmerking te nemen eisen kan het raadgevend comité ook een lijst verstrekken met de kandidaten die het meest geschikte hoge niveau van juridische ervaring bezitten. Deze lijst moet twee keer zoveel kandidaten bevatten als er rechters moeten worden benoemd om te vermijden dat het besluit van de Raad door het advies van de jury vooraf al vaststaat.

In de tweede alinea wordt bepaald dat het raadgevend comité bestaat uit zeven personen die worden gekozen uit vroegere leden van het Hof van Justitie, het Gerecht van eerste aanleg, het Gemeenschapsoctrooigerecht of juristen wier bekwaamheid wordt erkend. De benoeming van de leden van het comité en de vaststelling van zijn huishoudelijk reglement geschieden met gekwalificeerde meerderheid door de Raad op voorstel van de president van het Hof van Justitie.

Artikel 4 van bijlage II bij het statuut - President van het Gemeenschapsoctrooigerecht

Dit artikel heeft betrekking op de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht, die door de rechters uit hun midden wordt gekozen voor een periode van drie jaar; hij is herkiesbaar. Artikel 224, lid 3, van het EG-Verdrag bevat dezelfde beginselen voor het Gerecht van eerste aanleg. In de overgangsbepaling in artikel 7, eerste alinea, van dit besluit wordt evenwel bepaald dat de eerste president van het Gemeenschapsoctrooigerecht bij wijze van uitzondering op dezelfde manier als de rechters wordt benoemd, tenzij de Raad besluit dat ook de eerste president door de rechters wordt gekozen. Deze aanpak is ook gekozen voor het Gerecht van eerste aanleg (artikel 11, eerste alinea, van Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen).

Artikel 5 van bijlage II bij het statuut - Toepasselijkheid van bepalingen van de titels I en II van het statuut op het Gemeenschapsoctrooigerecht en zijn rechters

In de eerste zin verwijst dit artikel naar de bepalingen in de titels I en II van het statuut die ook van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 47, eerste alinea, bevat een soortgelijke bepaling voor het Gerecht van eerste aanleg.

Voor het Gemeenschapsoctrooigerecht worden uit titel I van het statuut van toepassing verklaard artikel 2 (eed), artikel 3 (immuniteit), artikel 4 (andere functie), artikel 5 (ontslag), artikel 6 (ontheffing uit functie) en artikel 7 (duur van het mandaat bij vervanging). Dit artikel bevat geen verwijzing naar artikel 8 van het statuut over de advocaat-generaal, aangezien het niet de bedoeling is dat deze optreedt voor het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Van titel II zijn van toepassing verklaard artikel 13 (toegevoegd rapporteur), artikel 14 (verplicht verblijf), artikel 15 (rechterlijke vakanties), de eerste, tweede en vijfde alinea van artikel 17 (samenstelling en vereiste aantal leden) en artikel 18 (wraking wegens partijdigheid). Er wordt niet verwezen naar artikel 9 (aantal te vervangen rechters), artikel 12 (personeel van het Hof van Justitie), artikel 16 (kamers van het Hof van Justitie) en de derde en vierde alinea van artikel 17 (vereiste aantal leden voor grote kamer en Hof in voltallige zitting). Deze bepalingen hebben betrekking op specifieke kenmerken van het Hof van Justitie en moeten niet worden toegepast op het Gemeenschapsoctrooigerecht.

In de tweede zin van dit artikel wordt gepreciseerd dat ook voor het Gemeenschapsoctrooigerecht de eed wordt afgelegd voor het Hof van Justitie, dat ook bevoegd is om beslissingen te nemen over de immuniteit en de andere functies van rechters, alsmede over de ontheffing uit hun ambt.

Artikel 6 van bijlage II bij het statuut - Griffier

De eerste zin zegt dat het Gemeenschapsoctrooigerecht een griffier moet krijgen. Hoewel het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt toegevoegd aan het Gerecht van eerste aanleg, lijkt een eigen griffier zinvol omdat het Gemeenschapsoctrooigerecht een volledig ander type geschillen te behandelen krijgt, terwijl ook de te verwachten belasting een dergelijke maatregel rechtvaardigt. Het lijkt nodig in het statuut een rechtsgrond op te nemen voor de benoeming van de griffier en voor de regels die van toepassing zijn op diens positie. Anders dan voor het Hof van Justitie (artikel 223, vijfde alinea, van het EG-Verdrag) en het Gerecht van eerste aanleg (artikel 224, vierde alinea) is er voor de overeenkomstig artikel 225 A in te stellen kamers niet een dergelijke bepaling in het EG-Verdrag opgenomen.

In de tweede zin wordt gezegd dat de bepalingen in het statuut over de griffier van het Hof van Justitie ook van toepassing zijn op de griffier van het Gemeenschapsoctrooigerecht; dit komt overeen met artikel 47, tweede alinea, van het statuut over de griffier van het Gerecht van eerste aanleg. Het gaat hierbij om artikel 3, vierde alinea (immuniteit), artikel 10 (eed en functies van de griffier), artikel 11 (vervanging van de griffier) en artikel 14 (verplicht verblijf).

Artikel 7 van bijlage II bij het statuut - Toegevoegde rapporteurs

Dit artikel betreft de kwestie hoe het Gemeenschapsoctrooigerecht aan de nodige technische expertise komt. Voldoende technische expertise lijkt bijzonder belangrijk voor de efficiëntie en kwaliteit van de procesvoering voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. De rechters van dit gerecht worden geconfronteerd met zeer gecompliceerde technologieën op allerlei technische gebieden. In dit verband kan technische expertise van essentieel belang worden geacht omdat de rechters hierdoor al bij het begin van de procedure hun aandacht kunnen richten op de belangrijkste technische aspecten van de zaak. Het is niet de bedoeling dat het beroep op deskundigen volledig overbodig wordt, maar veeleer om het gerecht in staat te stellen de technische aspecten van een zaak snel en nauwkeurig te bevatten, wat van belang is voor een efficiënte behandeling van een zaak en voor een juridisch gedegen beslissing. De kwestie is uitvoerig besproken in de Raad, die in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 is overeengekomen dat technische deskundigen de rechters bij de behandeling van de zaak moeten assisteren. Deze benadering is in dit artikel als uitgangspunt genomen.

De eerste alinea voorziet in technische deskundigen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht en specificeert het kader waarin zij hun functie uitoefenen. Zij staan de rechters bij de behandeling van de zaak bij als toegevoegd rapporteur. Artikel 13 van het statuut is van toepassing op de toegepaste rapporteurs van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Op voorstel van het Hof van Justitie worden zij met eenparigheid van stemmen door de Raad benoemd. Zij worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en de nodige bewijzen van juridische bekwaamheid bezitten. In dit verband lijkt een grondige ervaring op het gebied van octrooirecht noodzakelijk, want de toegevoegd rapporteur moet een goed inzicht hebben in de technische aspecten die van belang zijn voor een juridisch gedegen beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Toegevoegde rapporteurs moeten voor het Hof van Justitie een eed afleggen dat zij hun ambt onpartijdig en overeenkomstig hun geweten zullen uitvoeren en dat zij niets van het geheim van de raadkamer openbaar zullen maken.

In de tweede alinea wordt hieraan nog toegevoegd dat toegevoegde rapporteurs zeer deskundig moeten zijn op het desbetreffende technische gebied. Er wordt in het voorstel geen vast aantal toegevoegde rapporteurs genoemd; het is beter dat het aantal in het licht van de opgedane ervaring wordt vastgesteld. Voor het bereiken van bovenstaande doelstelling, namelijk het gerecht algemene technische expertise te geven, lijkt een klein aantal toegevoegde rapporteurs die de technologische kerngebieden bestrijken, voldoende. Er zou er een kunnen komen voor de volgende zeven gebieden: anorganische chemie en materiaalkunde, organische en polymeerchemie, biochemie en biotechnologie, algemene fysica, werktuigbouwkunde, informatie- en communicatietechnologie, elektrotechniek. Toegevoegde rapporteurs worden evenals de rechters benoemd voor zes jaar, met de mogelijkheid van herbenoeming.

In de derde alinea worden de functies van de toegevoegde rapporteurs bij het Gemeenschapsoctrooigerecht gespecificeerd. Omdat zij de rechters bijstaan tijdens de gehele behandeling van de zaak, is hun deelname aan de voorbereiding en de behandeling van en de beraadslagingen over de zaken voorzien. Deze wordt nader geregeld in het reglement voor de procesvoering. Toegevoegde rapporteurs krijgen het recht vragen aan de partijen te stellen om technische vraagstukken te verduidelijken. Zij nemen weliswaar deel aan de beraadslagingen van de rechters, maar hebben geen stemrecht.

Artikel 8 van bijlage II bij het statuut - Samenstelling van de kamers en toewijzing van zaken

De eerste alinea bepaalt dat het Gemeenschapsoctrooigerecht in de regel zitting houdt in kamers bestaande uit drie rechters. Dit aantal, dat ook is opgenomen in de gemeenschappelijke politieke benadering van de Raad van 3 maart 2003, lijkt het meest geschikt voor de behandeling van geschillen, en voor het merendeel der zaken biedt het een goed evenwicht tussen gedegenheid en een efficiënte behandeling van een zaak.

In de tweede alinea gaat het om gevallen waarin moet worden afgeweken van de standaardsamenstelling van een kamer met drie rechters. Wanneer in een zaak bijvoorbeeld fundamentele rechtsvragen aan de orde komen of wanneer een kamer over een rechtsvraag een standpunt heeft dat afwijkt van dat van een andere kamer, kan een uitgebreide samenstelling zinvol zijn. Voor voorlopige maatregelen of eenvoudige zaken kan een beperkte samenstelling worden overwogen. De vereisten voor zo'n speciale samenstelling komen met het oog op de noodzakelijke flexibiliteit in het reglement voor de procesvoering; dit betreft onder meer bepalingen over het quorum, daar de standaardbepalingen van artikel 17, derde (grote kamer) en vierde alinea (voltallige zitting), van het statuut niet gelden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht.

De derde alinea bepaalt dat de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht ambtshalve ook president is van een van zijn kamers. Ook is hij president wanneer het Gemeenschapsoctrooigerecht in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering zitting houdt in uitgebreide samenstelling. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van de overige kamers; zij zijn herkiesbaar.

Ingevolge de vierde alinea worden de samenstelling van de kamers en de toewijzing van zaken aan de kamers geregeld in het reglement voor de procesvoering. Ook al worden de samenstelling van de kamers en de toewijzing van zaken dus vooraf geregeld in het reglement voor de procesvoering, de regeling blijft toch flexibel genoeg om de regels met het oog op een efficiënte behandeling van de zaken te kunnen aanpassen. Zo kunnen zaken bijvoorbeeld grotendeels op basis van het betrokken technologisch gebied aan de kamers worden toegewezen, waardoor de deskundigheid van de kamers toeneemt omdat ze op de betreffende gebieden steeds meer ervaring opdoen.

Artikel 9 van bijlage II bij het statuut - Overeenstemming over diensten van ondersteunend personeel

Ingevolge artikel 12 van het statuut zijn ambtenaren en andere personeelsleden verbonden aan het Hof van Justitie. Zij ressorteren onder de griffier, onder het gezag van de president van het Hof. De wijze waarop zij hun diensten aan het Gerecht van eerste aanleg verlenen, wordt overeenkomstig artikel 52 van het statuut in onderlinge overeenstemming bepaald door de president van het Hof van Justitie en de president van het Gerecht van eerste aanleg.

Dit artikel bepaalt het kader waarbinnen ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof van Justitie hun diensten aan het Gemeenschapsoctrooigerecht verlenen, zodat dit kan functioneren. Het wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de president van het Hof van Justitie of, in voorkomend geval, de president van het Gerecht van eerste aanleg en de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Als regel worden de afspraken gemaakt tussen de president van het Hof van Justitie en de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht Er kunnen evenwel ook situaties zijn waarbij in het overleg tussen deze presidenten al rekening is gehouden met de behoeften van het Gemeenschapsoctrooigerecht, zodat de president van het Gerecht van eerste aanleg en de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht in staat zijn goede voorwaarden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht overeen te komen. Ten slotte wordt gezegd dat bepaalde ambtenaren en andere personeelsleden die direct werkzaam zijn voor de president, de rechters of de griffier, zoals referendarissen of griffie-ambtenaren, onder de griffier van het Gemeenschapsoctrooigerecht ressorteren, onder het gezag van de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 52 van het statuut bevat een soortgelijke bepaling voor het Gerecht van eerste aanleg.

Artikel 10 van bijlage II bij het statuut - Toepasselijkheid van bepalingen van titel III van het statuut op de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht

De eerste alinea van dit artikel zegt dat titel III van het statuut van toepassing is op de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht; dit komt overeen met artikel 47 van het statuut voor het Gerecht van eerste aanleg. De meeste procedurele bepalingen in titel III van het statuut over de basisbeginselen van de procedure voor het Hof van Justitie kunnen ook van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht. Ze kunnen worden beschouwd als de gemeenschappelijke beginselen van de procesvoering bij een communautair gerecht. Wanneer het met het oog op de specifieke aard van de geschillen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht nodig is, moeten er evenwel wijzigingen worden aangebracht. Het Gemeenschapsoctrooigerecht neemt kennis van geschillen tussen particulieren over het Gemeenschapsoctrooi. Het is niet de bedoeling de wettigheid van communautaire handelingen te toetsen, maar om geschillen tussen particulieren te beslechten. Bijgevolg kunnen niet alle bepalingen in titel III van het statuut in hun huidige vorm worden toegepast. Vandaar worden sommige bepalingen van titel III van het statuut, die niet van belang zijn voor de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, niet toegepast (artikel 21, tweede alinea, de artikelen 22 en 23, artikel 40, eerste en derde alinea, en de artikelen 42 en 43 van het statuut). Wanneer de bestaande bepalingen van titel III van het statuut in verband met de speciale aard van geschillen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht moesten worden aangepast, zijn deze wijzigingen opgenomen in de artikelen 11-25 van bijlage II bij het statuut.

De bepalingen in titel III van het statuut zijn als volgt van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 19 van het statuut over de wettelijke vertegenwoordiging is van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht met de in artikel 11 van bijlage II bij het statuut voorgestelde wijzigingen in verband met de rol van de Europese octrooigemachtigde, die spreekrecht voor het Gemeenschapsoctrooigerecht moet krijgen.

Artikel 20 van het statuut, dat de procedure in twee delen splitst, de schriftelijke en de mondelinge behandeling, en bepalingen over de mededeling van stukken aan de partijen en de inhoud van de mondelinge behandeling bevat, is van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht, maar met de in artikel 12 van bijlage II bij het statuut voorgestelde wijzigingen, waardoor bijvoorbeeld in uitzonderlijke gevallen de mondelinge behandeling kan worden vervangen door een procedure langs elektronische weg.

Artikel 21, eerste alinea, van het statuut noemt de noodzakelijke elementen van een verzoekschrift. Artikel 21, tweede alinea, van het statuut betreft de nietigverklaring van handelingen van een instelling van de Gemeenschap. Het Gemeenschapsoctrooigerecht hoeft evenwel niet de wettigheid van handelingen van de Gemeenschap te beoordelen, zodat het niet nodig is dat het deze bevoegdheid krijgt.

De artikelen 22 en 23 van het statuut hebben betrekking op beroepen tegen beslissingen van de arbitragecommissie uit het EGA-Verdrag en tegen prejudiciële beslissingen. Aangezien deze situaties bij het Gemeenschapsoctrooigerecht niet kunnen voorkomen, behoeven deze bepalingen niet van toepassing te zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht.

De eerste alinea van artikel 1 van het statuut verplicht de partijen de stukken over te leggen en de inlichtingen te verstrekken die het Hof wenselijk acht. Deze verplichting lijkt te ruim voor geschillen tussen particulieren en moet derhalve in een engere zin, overeenkomstig artikel 13 van bijlage II bij het statuut, worden toegepast op het Gemeenschapsoctrooigerecht. De tweede alinea van artikel 24 bevat een algemene verplichting voor de lidstaten en de instellingen de nodige inlichtingen te verschaffen.

De artikelen 25-30 van het statuut hebben betrekking op de bewijsvoering door middel van getuigen en deskundigen; zij moeten ook gelden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht: artikel 25 (Hof kiest deskundigen), artikel 26 (horen van getuigen), artikel 27 (bevoegdheden ten aanzien van gebrekige getuigen), artikel 28 (eed van getuigen en deskundigen), artikel 29 (horen van een getuige of deskundige door de rechterlijke autoriteiten van zijn woonplaats), artikel 30 (schending van eed).

De elementen van de procedure die zijn opgenomen in de artikelen 31-38 van het statuut kunnen ook worden toegepast op het Gemeenschapsoctrooigerecht: artikel 31 (openbare zittingen), artikel 32 (horen van deskundigen, getuigen en partijen), artikel 33 (proces-verbaal), artikel 34 (rol der terechtzitting), artikel 35 (geheime beraadslagingen), artikel 36 (inhoud van arresten), artikel 37 (ondertekening van de arresten en uitspraak in openbare zitting) en artikel 38 (beslissing over proceskosten).

Artikel 39 van het statuut betreft het gelasten van voorlopige maatregelen in een speciale summiere procedure. Dit artikel moet ook gelden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, maar met de aanpassingen opgenomen in artikel 15 van bijlage II bij het statuut, waarin wordt voorgesteld artikel 39 uit te breiden tot maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal en in het reglement voor de procesvoering te bepalen wie bevoegd is deze maatregelen te gelasten.

Artikel 40 van het statuut zegt dat derden zich in een procedure kunnen voegen door de conclusies van een der partijen te ondersteunen. Voeging moet ook mogelijk zijn voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 40, eerste en derde alinea, van het statuut geeft de instellingen van de Gemeenschap, de lidstaten, andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA evenwel een speciaal recht om zich in een rechtsgeding te voegen zonder dat zij voldoen aan de in de tweede alinea van artikel 40 neergelegde algemene eis dat de betrokkene belang moet hebben bij de uitslag van de zaak. Dit onvoorwaardelijke recht op voeging is te ruim voor geschillen bij het Gemeenschapsoctrooigerecht, waar het gaat om normale geschillen over de rechten van particulieren.

Artikel 41 van het statuut bevat bepalingen over bij verstek gewezen arresten; met nadere specificaties, in artikel 16 van bijlage II bij het statuut, moet dit artikel ook van toepassing zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 42 van het statuut biedt derden de mogelijkheid derdenverzet in te stellen tegen een arrest waardoor zij in hun rechten worden geschaad, terwijl zij niet zijn gehoord. Een dergelijke bepaling is niet verenigbaar met het beginsel van rechtszekerheid in gedingen tussen particulieren, en moet dus niet gelden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Wanneer een arrest van dit gerecht in kracht van gewijsde is gegaan en er dus geen beroep meer mogelijk is, mag het ook niet meer mogelijk zijn de zaak te heropenen, behalve in het zeer zeldzame geval van een herziening krachtens artikel 44 van het statuut en artikel 17 van bijlage II bij het statuut in het geval van een fundamentele procedurele fout of een misdrijf. In alle andere gevallen moeten de partijen kunnen bouwen op een in kracht van gewijsde gegaan arrest. Bovendien komt een situatie als beschreven in artikel 42 maar zelden voor omdat de arresten van het Gemeenschapsoctrooigerecht alleen gevolgen hebben voor de bij de zaak betrokken partijen, die gebonden zijn door het arrest. Derden zouden alleen indirect kunnen worden getroffen wanneer het gaat om rechten in verband met een octrooi dat nietig is verklaard. Voor deze gevallen moet het reglement voor de procesvoering passende bepalingen bevatten om ervoor te zorgen dat waar nodig al voordat een arrest wordt gewezen, rekening wordt gehouden met de belangen van derden. Zo zouden bijvoorbeeld in het geval van een licentie van rechtswege de rechthebbende en de licentiehouder samen moeten worden gedagvaard, terwijl men in het geval van een eenvoudige dwanglicentie de gevolgen van een nietigverklaring in een procedure tegen de rechthebbende kan laten afhangen van de juridische band tussen de rechthebbende en de licentiehouder.

Artikel 43 van het statuut, dat betrekking heeft op een speciale procedure waarbij de betekenis of de strekking van een arrest kan worden uitgelegd, lijkt niet geschikt voor geschillen tussen particulieren en moet derhalve bij het Gemeenschapsoctrooigerecht niet worden toegepast. De door het Gemeenschapsoctrooigerecht gehonoreerde vorderingen moeten duidelijk zijn en zodanig dat ze direct uitvoerbaar zijn zonder dat dit gerecht ze nog eens moet uitleggen. Bovendien zou de bepaling ten onrechte kunnen leiden tot de opvatting dat het Gemeenschapsoctrooigerecht zich het recht voorbehoudt zijn arresten nog eens te kunnen uitleggen. Bij de tenuitvoerlegging, die volgens de artikelen 244 en 256 van het EG-Verdrag overeenkomstig het nationale recht geschiedt, zal de bevoegde autoriteit de bepalingen van het arrest evenwel moeten toepassen en daarbij bijvoorbeeld een beslissing moeten nemen over de vraag of het gelasten een inbreuk op een octrooi stop te zetten zich ook uitstrekt tot een product waarin de uitvinding verwerkt is. Wanneer de verweerder deze bepalingen bij de tenuitvoerlegging van het arrest systematisch zou toepassen, zou hierdoor een verlamming van het Gemeenschapsoctrooigerecht dreigen.

Artikel 44 van het statuut, waarbij herziening van een arrest mogelijk wordt gemaakt op grond van een nieuw feit dat voor de uitspraak van het arrest onbekend was, lijkt onverenigbaar met het beginsel van de rechtszekerheid in geschillen tussen particulieren. Bijgevolg worden in artikel 17 van bijlage II bij het statuut wijzigingen voorgesteld, waarbij herziening wordt beperkt tot gevallen waarin een fundamentele procedurele fout of een misdrijf tijdens de procedure tot het arrest leidde.

Ten slotte zijn de artikelen 45 (termijnen) en 46 (verjaring van de aansprakelijkheid tegen de Gemeenschappen) van het statuut ook van toepassing voor het Gemeenschapsoctrooigerecht.

In de eerste zin van de tweede alinea van dit artikel wordt bepaald dat nadere bepalingen over de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht zullen worden neergelegd in het reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 225 A, vijfde alinea, van het EG-Verdrag door het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt vastgesteld in overleg met het Hof van Justitie en met goedkeuring van de Raad. Ingevolge de tweede zin kan het reglement voor de procesvoering afwijken van artikel 40 (voeging) wanneer dat wegens de bijzonderheden van de geschillen tussen particulieren over Gemeenschapsoctrooien noodzakelijk is. Artikel 53, tweede alinea, van het statuut bevat een soortgelijke bepaling voor het Gerecht van eerste aanleg.

Artikel 11 van bijlage II bij het statuut - Europees octrooigemachtigde

Dit artikel bevat aanpassingen van artikel 19 van het statuut over de vertegenwoordiging voor het Hof met betrekking tot de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Bij octrooigeschillen is inzicht in technologische vraagstukken van belang voor een juridisch deugdelijke beslissing. Technische expertise is niet alleen vereist bij het Gemeenschapsoctrooigerecht, dat hiervoor de toegevoegde rapporteurs heeft, maar ook bij de partijen.

De eerste en tweede alinea erkennen de belangrijke rol van de technische deskundigen voor de partijen door de Europees octrooigemachtigde pleitrecht voor het Gemeenschapsoctrooigerecht te verlenen. Een verwijzing naar de lijst die het Europees Octrooibureau met het oog op de juridische vertegenwoordiging voor dit bureau bijhoudt, zorgt voor goede, uniforme normen waaraan gekwalificeerde personen met het oog op een efficiënte procesvoering moeten voldoen.

In de derde alinea wordt bepaald dat artikel 19, vijfde en zesde alinea, van het statuut van toepassing is op de Europees octrooigemachtigde. Wanneer deze voor het Gemeenschapsoctrooigerecht verschijnt, geniet hij de nodige rechten en waarborgen, en bezit het Gemeenschapsoctrooigerecht overeenkomstig het reglement voor de procesvoering de bevoegdheden die ter zake gewoonlijk aan gerechtshoven en rechtbanken worden toegekend.

Artikel 12 van bijlage II bij het statuut - Mondelinge en schriftelijke behandeling

In dit artikel wordt artikel 20 van het statuut over de mondelinge en schriftelijke behandeling aangepast voor de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Voorgesteld wordt artikel 20, vierde alinea, over de mondelinge behandeling anders te formuleren. De verplichting het rapport van de rechter-rapporteur voor te lezen lijkt te weinig flexibel voor een normale procedure voor een onderzoeksrechter, en moet worden vervangen door een "presentatie van de belangrijkste kenmerken van de zaak". Aangezien de bewoordingen van artikel 20, vierde alinea, van het statuut niet toestaan dat het Gemeenschapsoctrooigerecht een Europees octrooigemachtigde hoort, zoals wordt voorgesteld in artikel 11 van bijlage II bij het statuut, moet deze tekst worden vervangen door het algemenere "het horen van de partijen". Degenen die het woord tot het gerecht mogen richten, hoeven niet, zoals in artikel 20, vierde alinea, van het statuut gebeurt, te worden opgesomd; een goede juridische vertegenwoordiging moet hierbij het uitgangspunt zijn. Ten slotte wordt het horen van getuigen en deskundigen vervangen door het meer algemene "onderzoek van het bewijsmateriaal".

Omdat de advocaat-generaal niet deelneemt aan de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht, is artikel 20, vijfde alinea, van het statuut voor dit gerecht overbodig. In plaats daarvan wordt een bepaling voorgesteld die het mogelijk maakt om in geschikte gevallen over te stappen op een schriftelijke behandeling. Artikel 20, eerste alinea, van het statuut bevat het belangrijke beginsel dat zaken pas worden beslist na een mondelinge behandeling. Bij sommige zaken lijkt een mondelinge behandeling niet zinvol, bijvoorbeeld bij eenvoudige zaken waarin de feiten niet worden aangevochten of waarin de verweerder de vorderingen van de eiser aanvaardt. Bij dergelijke zaken moet het mogelijk zijn van het beginsel van een mondelinge behandeling af te wijken en bij wijze van uitzondering een zaak in een schriftelijke behandeling af te doen. Daarom moet het Gemeenschapsoctrooigerecht de mogelijkheid hebben om, nadat de partijen zijn gehoord en in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering, af te zien van de mondelinge behandeling.

Ten slotte is er een machtigingsclausule nodig om het gebruik van technische hulpmiddelen bij de schriftelijke en mondelinge behandeling voor het Gemeenschapsoctrooigerecht mogelijk te maken. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de indiening van documenten tijdens de schriftelijke behandeling of een videoconferentie bij de mondelinge behandeling. De delen van de procedure die langs elektronische weg kunnen worden afgehandeld en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is, moeten worden gespecificeerd in het reglement voor de procesvoering. De praktijk zal uitwijzen wanneer, in welke mate en onder welke voorwaarden elektronische hulpmiddelen mogen worden gebruikt. Bovendien ontwikkelt de technologie zich voortdurend, waardoor het reglement voor de procesvoering het meest geschikt is om, door de procedure waar nodig te wijzigen, de ontwikkeling van de technologische mogelijkheden bij te houden.

Artikel 13 van bijlage II bij het statuut - Bewijsvoering

De eerste alinea van artikel 24 van het statuut bevat de verplichting voor de partijen de stukken over te leggen en de inlichtingen te verstrekken die het Hof wenselijk acht. Deze verplichting lijkt te ruim voor geschillen tussen particulieren en moet derhalve voor het Gemeenschapsoctrooigerecht in een engere zin worden toegepast. In beginsel moet elke partij in een geschil tussen particulieren het nodige bewijs aanvoeren om zijn aangevochten aanspraak te staven. Onder speciale omstandigheden lijkt het evenwel gerechtvaardigd de wederpartij te verplichten bewijsmateriaal aan de andere partij over te leggen. Een redelijk evenwicht tussen de belangen van de partijen lijkt te vinden te zijn in artikel 43, eerste alinea, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIP's-Overeenkomst) van 15 april 1994, waar het gaat om het geval dat een partij ter onderbouwing van haar vorderingen redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd en voor de staving van haar vorderingen bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in handen van de wederpartij bevindt. In een dergelijk geval kan het Gemeenschapsoctrooigerecht gelasten dat de wederpartij dat bewijsmateriaal overlegt, behoudens de bescherming van vertrouwelijke gegevens.

Artikel 14 van bijlage II bij het statuut - Voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

Dit artikel bevat speciale bepalingen over voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal.

De eerste alinea heeft betrekking op de voorlopige maatregelen die het Hof ingevolge artikel 243 van het EG-Verdrag in zaken die bij dit college aanhangig zijn, kan gelasten. Deze bepaling, die ook op het Gemeenschapsoctrooigerecht van toepassing is (zie artikel 5 van dit besluit), voorziet niet in het gelasten van voorlopige maatregelen voordat de procedure ten gronde aanhangig is gemaakt. Bij octrooigeschillen bestaat echter behoefte aan een dergelijke mogelijkheid, bijvoorbeeld wanneer het al voor het begin van de procedure ten gronde nodig lijkt staking van een inbreuk te gelasten. Ook artikel 50, lid 6, van de TRIP's-Overeenkomst gaat uit van de mogelijkheid om al voor het verzoek om de procedure ten gronde voorlopige maatregelen te gelasten. Dit artikel maakt daarom gebruik van de mogelijkheid die artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag biedt om voor rechterlijke kamers van de bepalingen van het EG-Verdrag over het Hof van Justitie af te wijken. Voorgesteld wordt het gelasten van voorlopige maatregelen niet afhankelijk te stellen van de vraag of de bodemprocedure al bij het Gemeenschapsoctrooigerecht aanhangig is gemaakt.

De tweede alinea heeft betrekking op maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal, waarbij het mogelijk is om ingeval van een feitelijke of dreigende inbreuk machtiging te verlenen voor hetzij een gedetailleerde beschrijving, hetzij de inbeslagname van de inbreuk makende goederen en de hierop betrekking hebbende documenten. De maatregel die in het octrooirecht bekend staat als Anton Piller Order of procédure de saisie-contrefaçon (beslag namaakproducten) is een aanvulling op de in artikel 13 van bijlage II bij het statuut neergelegde verplichting van de partijen om bewijsmateriaal over te leggen. Het is een waardevol instrument gebleken voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en is daarom opgenomen in artikel 8 van het voorstel van de Commissie van 30 januari 2003 voor een richtlijn betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen [COM (2003) 46 def.].

In de derde alinea wordt bepaald dat de verweerder een passende vergoeding moet krijgen wanneer een voorlopige maatregel of een maatregel ter bescherming van bewijsmateriaal wordt ingetrokken. Voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal kunnen grote economische gevolgen hebben voor de partij tegen wie ze zijn gericht. Men mag voorts niet uit het oog verliezen dat dergelijke beschikkingen gegeven worden in een summiere procedure uit hoofde van artikel 39 van het statuut en artikel 15 van bijlage II bij het statuut en in een fase waarin de rechter nog geen kennis heeft van alle feiten en bewijzen die hij nodig heeft om een eindbeslissing te kunnen geven. Met het oog op een goed evenwicht tussen de legitieme belangen van de partijen is het daarom nodig dat degene die om een voorlopige maatregel of een maatregel ter bescherming van bewijsmateriaal heeft verzocht, verplicht wordt de wederpartij een vergoeding voor de door de maatregel toegebrachte schade te geven wanneer een maatregel in de hierboven genoemde situaties geen stand houdt. Een dergelijke vordering is ook te vinden in artikel 50, lid 7, van de TRIP's-Overeenkomst voor voorlopige maatregelen en, voor beide maatregelen, in de artikelen 8, lid 3, en 10, lid 5, van het voorstel van de Commissie van 30 januari 2003 voor een richtlijn betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.

Artikel 15 van bijlage II bij het statuut - Speciale beschikkingen

Dit artikel bevat wijzigingen van artikel 39 van het statuut over voorlopige maatregelen en maatregelen tot schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging. Op grond van dit artikel kan in het reglement voor de procesvoering worden voorzien in een summiere procedure voor deze gevallen, die kan afwijken van de bepalingen in het statuut. In deze bepaling wordt rekening gehouden met de bijzondere situatie en de urgentie van de desbetreffende maatregelen, waardoor het in voorkomend geval gerechtvaardigd is van de regels ten aanzien van de bodemprocedure af te wijken. Wat de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht betreft, moeten maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen (artikel 14 van bijlage II bij het statuut) gezien hun aard en, meer nog, hun urgentie, ook in aanmerking komen om als speciale maatregelen in een summiere procedure te worden gelast.

Een tweede wijziging in de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht betreft degene die bevoegd is deze beschikkingen te geven. Artikel 39 van het statuut geeft deze bevoegdheid aan de president van het Hof. Deze aanpak lijkt onvoldoende flexibel voor octrooigeschillen. De vraag of de gedwongen tenuitvoerlegging van een arrest moet worden opgeschort, is van geval tot geval verschillend en kan bijgevolg efficiënter worden behandeld door de kamer die het arrest wees of door een van haar rechters. Voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal zullen bij octrooigeschillen ook vaak voorkomen, zodat ze beter kunnen worden behandeld door de kamer waar de bodemprocedure plaatsvindt of door een van haar rechters. Door de bevoegdheid voor het geven van beschikkingen in een summiere procedure in het reglement voor de procesvoering te regelen behoudt men de nodige flexibiliteit voor het vinden van de meest geschikte oplossing.

Artikel 16 van bijlage II bij het statuut - Bij verstek gewezen arresten

Dit artikel brengt wijzigingen aan in artikel 41 van het statuut over bij verstek gewezen arresten.

Artikel 41 van het statuut voorziet in de mogelijkheid van een bij verstek gewezen arrest wanneer een verwerende partij, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, nalaat schriftelijke conclusies in te dienen. Voor geschillen tussen particulieren mag dit niet de enige situatie zijn waarin het Gemeenschapsoctrooigerecht een zaak door een bij verstek gewezen arrest kan beslissen. Een bij verstek gewezen arrest moet ook mogelijk zijn wanneer de verweerder bij de schriftelijke behandeling weliswaar conclusies indient, maar later, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, bij de mondelinge behandeling niet verschijnt om zich te verdedigen. In deze situatie moet het Gemeenschapsoctrooigerecht een zaak door middel van een arrest bij verstek kunnen afdoen, tenzij de verweerder overeenkomstig artikel 41, tweede zin, van het statuut binnen een mand na betekening van het vonnis, verzet aantekent. Ten slotte moet een bij verstek gewezen arrest ook mogelijk zijn tegen de eiser wanneer deze, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, bij de mondelinge behandeling niet verschijnt.

Artikel 17 van bijlage II bij het statuut - Herziening van een arrest

Artikel 44, eerste alinea, van het statuut bevat een bepaling over de herziening van een arrest die niet geschikt is voor een geschil tussen particulieren voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Artikel 44 biedt de mogelijkheid een in kracht van gewijsde gegaan arrest te herzien op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed zou zijn geweest als het op het moment van het arrest bekend was geweest. Met het oog op de rechtszekerheid zijn dergelijke gronden ontoereikend voor een heropening van een zaak die een geschil tussen particulieren betreft. De partijen moeten op een arrest van het Gemeenschapsoctrooigerecht kunnen bouwen wanneer tegen dat arrest geen beroep meer mogelijk is, zelfs wanneer ten tijde van het arrest een feit dat van beslissende invloed zou zijn geweest, nog onbekend was. Zaken mogen alleen bij zeer hoge uitzondering worden heropend; dit moet beperkt blijven tot gevallen waarin een feit wordt ontdekt dat van beslissende invloed zou zijn geweest en dat aan de partij die herziening vraagt, onbekend was, en dan nog alleen als er sprake was van een fundamentele procedurele fout of van een handeling die in een in kracht van gewijsde gegaan arrest als strafbare inbreuk werd aangemerkt. Alleen in deze zeer uitzonderlijke gevallen is het gerechtvaardigd dat een in kracht van gewijsde gegaan arrest kan worden aangevochten.

Artikel 18 van bijlage II bij het statuut - Schikking

Een geschil tussen de partijen kan niet alleen door een arrest van het Gemeenschapsoctrooigerecht worden beslecht, maar ook door een schikking tussen de partijen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Dit artikel bevat de rechtsgrond voor een gerechtelijke schikking, die de partijen op elk tijdstip in de loop van de procedure kunnen sluiten. Een schikking die door het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt bevestigd, heeft twee belangrijke gevolgen: zij beëindigt de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht en vormt een executoriale titel overeenkomstig de artikelen 244 en 256 van het EG-Verdrag wanneer een van de partijen zich niet aan de bepalingen van de schikking houdt. De tweede zin verduidelijkt dat een schikking de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi niet kan aantasten: hierop is alleen de wet van toepassing en er is geen sprake van partijautonomie. Natuurlijk staat het de partijen steeds vrij een schikking te treffen die een overeenkomst inhoudt waarbij afstand van het octrooi wordt gedaan of waarbij dit vrijwillig wordt beperkt.

Artikel 19 van bijlage II bij het statuut - Aan het verkeerde communautaire gerecht gerichte documenten

Artikel 54, eerste alinea, van het statuut betreft de verplichting van de griffiers van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg om aan een van hen gerichte documenten die bij vergissing bij de ander zijn neergelegd, door te zenden. De tweede alinea betreft het geval dat een zaak bij het Hof van Justitie of het Gerecht van eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt terwijl het andere gerecht bevoegd is. In dat geval kan het gerecht waar de zaak aanhangig werd gemaakt, de zaak verwijzen naar het andere gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren. Beide bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 54, derde alinea, van het statuut, dat de mogelijkheid biedt de behandeling van een zaak te schorsen totdat het Hof van Justitie arrest heeft gewezen, behoeft enige wijzigingen en wordt afzonderlijk behandeld in artikel 20 van bijlage II bij het statuut.

Artikel 20 van bijlage II bij het statuut - Schorsing van de procedure

Dit artikel bevat voorschriften voor de schorsing van de procedure.

De eerste alinea heeft, evenals artikel 54, derde alinea, van het statuut voor het Gerecht van eerste aanleg, betrekking op situaties waarin het Gemeenschapsoctrooigerecht, de partijen gehoord, de procedure kan schorsen om te wachten tot een ander communautair gerecht arrest heeft gewezen. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet de mogelijkheid hebben de procedure te schorsen wanneer de relatie tussen de vragen die het zelf moet oplossen en die welke in een zaak voor het Hof van Justitie of het Gerecht van eerste aanleg aan de orde komen, groot genoeg is. Een schorsing van de procedure kan worden overwogen wanneer bij het Hof van Justitie een zaak aanhangig is die dezelfde vraag van uitlegging betreft, hetzij in de vorm van een prejudiciële vraag hetzij in het kader van een heroverweging overeenkomstig artikel 225, lid 2, van het EG-Verdrag. Verder kan een schorsing van de procedure worden overwogen wanneer het Gerecht van eerste aanleg een beslissing moet nemen over de geldigheid van hetzelfde Gemeenschapsoctrooi als dat waarop de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht betrekking heeft. Onder deze omstandigheden moet een schorsing van de procedure worden overwogen met het oog op de uniformiteit van de rechtspraak en een efficiënte behandeling van de zaak.

In de tweede alinea wordt bepaald dat het Gemeenschapsoctrooigerecht de procedure kan schorsen wanneer een verzoek tot nietigverklaring bij hem aanhangig wordt gemaakt, terwijl bij het Europees Octrooibureau een verzetprocedure loopt. Het is niet de bedoeling dat de procedure automatisch wordt geschorst. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet hierover beslissen in het licht van de omstandigheden van de specifieke zaak. Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan, de partijen gehoord, de procedure schorsen totdat een eindbeslissing over het verzet is gegeven. Zo'n eindbeslissing, waarvoor geen rechtsmiddel bij het Europees Octrooibureau meer openstaat, kan worden genomen door de oppositiekamer of, in geval van een beroep, door de kamer van beroep van het Europees Octrooibureau.

Artikel 21 van bijlage II bij het statuut - Mededeling van beslissingen

Dit artikel verklaart artikel 55 van het statuut, waarin wordt vastgesteld van welke beslissingen kennis moet worden gegeven en aan wie, met kleine wijzigingen van toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht. De griffier moet alle partijen kennis geven van eindbeslissingen en beslissingen die de bodemprocedure slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan het procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid. Lidstaten en instellingen van de Gemeenschappen die niet in de zaak zijn tussengekomen en er ook geen partij bij waren, wordt de eindbeslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht ter informatie alleen informeel toegezonden. Een volledige kennisgeving van alle beslissingen lijkt niet zinvol.

Artikel 22 van bijlage II bij het statuut - Tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Dit artikel betreft de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

De eerste alinea bevat twee beginselen betreffende de uitvoerbaarheid van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Beslissingen van dit gerecht vormen altijd executoriale titel indien er geen beroep meer mogelijk is. De gedwongen tenuitvoerlegging kan beginnen wanneer de beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht in kracht van gewijsde is gegaan. Bijgevolg moet een beroep tegen zo'n beslissing, die daardoor niet in kracht van gewijsde gaat, een schorsende werking hebben voor de uitvoerbaarheid ervan. Een partij die een zaak in eerste aanleg heeft gewonnen, kan er evenwel een legitiem belang bij hebben om te beginnen met de tenuitvoerlegging van een beslissing, ook al gaat de wederpartij ertegen in beroep. Uitstel van iedere vorm van tenuitvoerlegging tot na de beslissing in hoger beroep kan de waarde van de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht sterk verminderen, aangezien een effectieve remedie dan wellicht pas mogelijk is wanneer de betrokken partij niet meer het economisch voordeel kan halen dat de procedure moest veiligstellen. Bovendien mag niet worden vergeten dat het Gemeenschapsoctrooigerecht de zaak pas na een grondig onderzoek zal hebben beslist. Anderzijds zijn er, wanneer de tenuitvoerlegging wordt toegestaan voordat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, waarborgen nodig om de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gericht, goed tegen schade te beschermen als de beslissing in hoger beroep geen stand houdt. Dit artikel biedt een evenwicht tussen deze belangen van de betrokken partijen, want het biedt het Gemeenschapsoctrooigerecht de mogelijkheid zijn beslissingen uitvoerbaar te verklaren op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld. Wanneer het Gemeenschapsoctrooigerecht de tenuitvoerlegging afhankelijk maakt van het stellen van een zekerheid, kan de verweerder die succesvol in beroep gaat tegen een beslissing in eerste instantie die te zijnen nadele ten uitvoer is gelegd, zo nodig bijvoorbeeld een betaald bedrag uit de zekerheid terughalen wanneer de wederpartij intussen insolvent is geworden. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet in de praktijk vaststellen in welke gevallen geen zekerheid hoeft te worden gesteld. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij een bij verstek gewezen arrest, wanneer de partij tegen wie de beslissing gericht is, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, niet verschenen is of wanneer een partij een vordering heeft geaccepteerd.

In de tweede alinea wordt het mechanisme voor de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht vereenvoudigd. Krachtens artikel 225 A, zesde alinea, van het EG-Verdrag zijn op de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht de artikelen 244 en 256 van het EG-Verdrag van toepassing tenzij in het besluit tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht iets anders is bepaald. Ingevolge artikel 256 van het EG-Verdrag geschiedt de tenuitvoerlegging volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. Om de tenuitvoerleggingsprocedure te kunnen beginnen moet de hiertoe door de lidstaat aangewezen nationale autoriteit een formule van tenuitvoerlegging aanbrengen. Hiertoe mag zij alleen de authenticiteit van de beslissing verifiëren. Ook al is de rol van de nationale autoriteit in dit verband al beperkt tot een formele controle van de authenticiteit van de ten uitvoer te leggen beslissing, toch lijkt dit nodig noch passend voor de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Dit is zelf de eerstaangewezene om de authenticiteit van de ten uitvoer te leggen beslissing te certificeren. Een speciale procedure om van een nationale autoriteit een formule van tenuitvoerlegging te krijgen zou de tenuitvoerlegging onnodig vertragen en met name problematisch zijn voor de tenuitvoerlegging van voorlopige maatregelen die gezien hun aard een snelle actie vereisen, soms zelfs binnen uren. Daarom wordt voorgesteld dat het Gemeenschapsoctrooigerecht zelf de formule van tenuitvoerlegging aanbrengt, waarna een partij de beslissing direct volgens de nationale bepalingen van burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer kan leggen. Volgens de tweede alinea zijn beslissingen ook direct uitvoerbaar tegen lidstaten. Lidstaten kunnen evenals om het even welke andere persoon of rechtspersoon partij zijn bij een geding voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Zij kunnen een Gemeenschapsoctrooi krijgen en ook kunnen andere rechthebbenden een inbreukprocedure tegen hen beginnen. Bijgevolg moeten beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht tegen hen ten uitvoer kunnen worden gelegd.

De derde alinea bevat nog een specifiek aspect van de tenuitvoerlegging van beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Beslissingen waarbij de verweerder wordt gelast op een bepaalde manier te handelen of zich van bepaalde handelingen te onthouden, kunnen ten uitvoer worden gelegd door het opleggen van een dwangsom in geval van niet-naleving van de bepalingen van de beslissing. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet zelf een dwangsom kunnen opleggen wanneer zijn beslissingen of beschikkingen niet worden nageleefd. Indien het Gemeenschapsoctrooigerecht een verweerder bijvoorbeeld gelast een inbreuk stop te zetten, moet het tezelfdertijd kunnen gelasten dat niet-naleving wordt bestraft met de verplichting tot betaling van een bepaald geldbedrag. Indien men zich hiervoor tot de nationale rechter moet wenden, kan kostbare tijd verloren gaan om ervoor te zorgen dat de beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt nageleefd. Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan gelasten dat eenmalig een bedrag moet worden betaald wanneer geen gevolg wordt gegeven aan de beslissing van het gerecht. Maar het kan ook een periodieke boete opleggen waarbij de boetes afhankelijk zijn van door het gerecht te specificeren omstandigheden, bijvoorbeeld elke keer dat de beslissing van het gerecht niet wordt nagekomen, of niet-nakoming binnen een bepaalde periode. De boete moet evenredig zijn met het belang van de na te leven beschikking en mag in geen geval een bedrag van EUR 50 000 overschrijden.

Artikel 23 van bijlage II bij het statuut - Proceskosten

Bij dit artikel worden proceskosten voor procedures voor het Gemeenschapsoctrooigerecht ingevoerd.

De eerste alinea bevat het beginsel dat voor procedures voor het Gemeenschapsoctrooigerecht passende proceskosten in rekening worden gebracht. Terwijl procedures voor het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg gratis zijn, lijkt het passend om voor gedingen over het Gemeenschapsoctrooi een passende bijdrage aan de kosten van het Gemeenschapsoctrooigerecht te verlangen. Voor dit gerecht maken partijen hun geschillen over hun subjectieve particuliere rechten aanhangig. De kosten van zo'n geschil tussen particulieren mogen niet worden afgewenteld op het publiek.

De tweede alinea betreft de vaststelling van een tarief; dit omvat zowel de verschillende soorten kosten als het in rekening te brengen bedrag. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie het tarief vast. Bij het in rekening te brengen bedrag moet een goed evenwicht worden gevonden tussen het beginsel van een eerlijke rechtsbedeling en een passende bijdrage van de partijen voor de diensten die de communautaire octrooirechter verleent. Enerzijds betekent dit dat de kosten niet zo hoog mogen zijn dat ze een afschrikwekkende werking hebben en de handhaving van Gemeenschapsoctrooien buitensporig duur zou worden. Ook voor de verweerder, en met name voor het MKB, mag het gevaar voor het Gemeenschapsoctrooigerecht te worden gedaagd geen financiële dreiging zijn die hem ertoe brengt liever toe te geven dan een oplossing voor een geschil te zoeken. Anderzijds moeten de partijen een redelijk deel van de kosten die hun geschil veroorzaakt, zelf dragen. Naast een evenwichtig tarief moet in het reglement voor de procesvoering worden voorzien in rechtsbijstand voor partijen die de kosten niet kunnen dragen; deze bepaling komt ook voor in artikel 76 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie en artikel 94 e.v. van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg.

In de derde alinea wordt gezegd dat de proceskosten vooraf moeten worden betaald en dat een partij die de voorgeschreven proceskosten niet betaalt, van verdere deelname aan de procedure kan worden uitgesloten. De partijen betalen het volgens het tarief verschuldigde bedrag voordat het Gemeenschapsoctrooigerecht actie onderneemt. Hierdoor wordt gewaarborgd dat het Gemeenschapsoctrooigerecht de proceskosten ontvangt zonder dat het onnodig middelen moet besteden aan de inning ervan, eventueel ook bij partijen buiten de EU. Het Gemeenschapsoctrooigerecht geeft een beslissing ten aanzien van de proceskosten in overeenstemming met artikel 38 van het statuut en de bepalingen ter zake in het reglement voor de procesvoering, dat uitvoerige bepalingen zal bevatten over de partij die uiteindelijk de proceskosten zal moeten betalen (vgl. voor het Hof van Justitie artikel 69 e.v. en voor het Gerecht van eerste aanleg artikel 87 e.v. van hun respectieve reglement voor de procesvoering). Een partij die een zaak wint en die de proceskosten vooruitbetaald had, kan deze dan van de verliezende partij terugvorderen. Ten slotte zij opgemerkt dat het Gemeenschapsoctrooigerecht partijen van verdere deelname aan de procedure "kan" uitsluiten. Dit biedt het gerecht de mogelijkheid een praktijk te ontwikkelen waarbij de proceskosten onder bepaalde voorwaarden en bij wijze van uitzondering niet hoeven te worden vooruitbetaald, zoals bij urgente voorlopige maatregelen waardoor er geen tijd genoeg is om de proceskosten vooruit te betalen.

Artikel 24 van bijlage II bij het statuut - Terechtzittingen in de lidstaten

Dit artikel verduidelijkt dat het Gemeenschapsoctrooigerecht terechtzittingen kan houden in een andere lidstaat dan die waar het is gevestigd, zoals de Raad in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 is overeengekomen. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet van geval tot geval een beslissing nemen over de zin van zo'n terechtzitting.

Artikel 25 van bijlage II bij het statuut - Procestaal

Dit artikel bevat de beginselen betreffende de procestaal voor het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Ingevolge de eerste alinea vinden procedures voor het Gemeenschapsoctrooigerecht plaats in de officiële EU-taal van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, dan wel, wanneer een lidstaat twee of meer officiële EU-talen heeft, naar keuze van de verweerder in een van deze talen. Dit beginsel, dat ook voorkomt in de gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003, moet ervoor zorgen dat een in de EU woonachtige verweerder die met de vorderingen van een eiser wordt geconfronteerd, zich kan verdedigen in een taal die hij kent of die hij geacht wordt te kennen. Aangezien de woonplaats van de verweerder gewoonlijk zonder grote problemen kan worden vastgesteld, draagt deze regel zeker bij aan de rechtszekerheid van de eiser. Wanneer de verweerder evenwel niet in een lidstaat woonachtig is, vindt de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht plaats in de officiële EU-taal waarin het octrooi was verleend. Deze bepaling bevat een duidelijke regel voor alle andere mogelijke situaties waarbij de verweerder in een derde staat woonachtig is.

De tweede alinea bepaalt, overeenkomstig de gemeenschappelijke politieke benadering van de Raad van 3 maart 2003, dat op verzoek van de partijen en met instemming van het Gemeenschapsoctrooigerecht iedere officiële EU-taal als procestaal kan worden gekozen, zodat rekening kan worden gehouden met hun respectieve situatie. Een overeenkomst van de partijen ter zake is bijvoorbeeld waarschijnlijk wanneer de verweerder weliswaar niet in dezelfde lidstaat woont als de eiser, maar hieruit wel afkomstig is, of wanneer bedrijven in dezelfde internationale handelstaal communiceren en de verweerder liever deze taal gebruikt dan de taal van het land waar hij woonachtig is. Normaliter zal het Gemeenschapsoctrooigerecht instemmen met een gezamenlijk verzoek van de partijen van procestaal te veranderen. In uitzonderlijke gevallen moet het Gemeenschapsoctrooigerecht evenwel de bevoegdheid hebben om het verzoek af te wijzen, bijvoorbeeld wanneer dit op een ongelegen moment komt en het Gemeenschapsoctrooigerecht moeilijkheden bereidt, zoals bij een verzoek vlak voor of tijdens een mondelinge behandeling waarvoor geen tolken beschikbaar zijn.

De derde alinea maakt duidelijk dat het Gemeenschapsoctrooigerecht, in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering, de partijen in persoon, de getuigen en de deskundigen in elke taal kan horen. Het Gemeenschapsoctrooigerecht moet, wanneer het dit nodig acht, elk van deze personen kunnen ondervragen, ook al spreekt de betrokkene geen officiële EU-taal. In dat geval zorgt de griffier voor vertolking naar de procestaal en op verzoek van een partij ook naar de taal die door die partij in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering bij de mondelinge behandeling wordt gebruikt.

Ten slotte biedt de vierde alinea het Gemeenschapsoctrooigerecht de mogelijkheid de indiening van in een andere taal dan de procestaal gestelde begeleidende documenten toe te staan, waardoor het niet nodig is een onnodige, dure vertaling te maken. Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan evenwel op elk tijdstip gelasten toch een vertaling van het stuk te verschaffen.

Artikel 26 van bijlage II bij het statuut - Hogere voorziening en beroep tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Dit artikel bevat bepalingen over de mogelijkheid beroep, hogere voorziening daaronder begrepen, in te stellen tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

In de eerste alinea wordt bepaald dat binnen twee maanden na betekening van de beslissing beroep tegen eindbeslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht kan worden aangetekend. Deze bepaling komt overeen met artikel 56, eerste alinea, van het statuut, dat betrekking heeft op het verzoek om hogere voorziening tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg. De rest van dat artikel inzake hogere voorziening tegen beslissingen "die de bodemprocedure slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan het procesincident terzake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid" is niet overgenomen. Een beslissing die de bodemprocedure slechts gedeeltelijk beslecht, is al een arrest van het Gemeenschapsoctrooigerecht, zodat hogere voorziening openstaat. Hetzelfde kan worden gezegd van een beslissing waarbij het Gemeenschapsoctrooigerecht zich onbevoegd verklaard of een handeling niet ontvankelijk acht.

De tweede alinea bevat een speciale bepaling over de mogelijkheid van hogere voorziening tegen voorlopige maatregelen ingevolge artikel 243 van het EG-Verdrag, het schorsen van de tenuitvoerlegging ingevolge artikel 256, vierde alinea, van het EG-Verdrag en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal (artikel 14 van bijlage II bij het statuut). Hogere voorziening tegen dergelijke beschikkingen is mogelijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening. Artikel 57, tweede alinea, van het statuut bevat een soortgelijke bepaling voor het Gerecht van eerste aanleg. Wanneer in de in artikel 50, lid 2, van de TRIP's-Overeenkomst bedoelde situaties een dergelijke beschikking is genomen zonder dat eerst de hierdoor benadeelde partij gehoord is, is een rechtstreeks verzoek om hogere voorziening niet mogelijk. In plaats daarvan kan die partij binnen twee maanden na de betekening verzet aantekenen bij het Gemeenschapsoctrooigerecht, dat dan, na afweging van de argumenten van de door de maatregelen benadeelde partij, de maatregelen kan herzien en wijzigen, herroepen of bevestigen. Tegen die beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht staat dan hogere voorziening open. Deze procedure garandeert dat hogere voorziening alleen bestemd is als rechtsmiddel tegen een weloverwogen beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht nadat dit beide partijen heeft gehoord.

De derde alinea betreft hogere voorziening tegen een beslissing een verzoek tot tussenkomst af te wijzen; dit dient te geschieden binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing (zie voor het Gerecht van eerste aanleg ook artikel 57, eerste alinea, van het statuut).

De vierde alinea betreft de mogelijkheid van hogere voorziening tegen andere beslissingen die het Gemeenschapsoctrooigerecht in de loop van de procedure neemt. De mogelijkheid om hogere voorziening te vragen voor iedere beslissing die een einde maakt aan een procesincident lijkt te ruim en dreigt een verlammende werking op de procedure te hebben. In dergelijke gevallen mag hogere voorziening alleen mogelijk zijn wanneer dit in het reglement voor de procesvoering uitdrukkelijk wordt toegestaan. Tenzij in het reglement voor de procesvoering iets anders wordt bepaald, moet iedere fout in de procedure in het kader van het beroep tegen het arrest zelf worden behandeld, wat een snelle procedure in eerste aanleg garandeert, terwijl de partijen nog voldoende waarborgen behouden. Een op zichzelf staande hogere voorziening tegen beslissingen van procedurele aard valt te overwegen in gevallen waarin een onmiddellijke hogere voorziening wegens het belang van de bestreden beslissing gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld wanneer een beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt gewraakt wegens partijdigheid.

De vijfde alinea verduidelijkt dat een beroep, hogere voorziening daaronder begrepen, uit hoofde van de eerste tot en met de vierde alinea van dit artikel alleen openstaat voor de partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld (zie voor het Gerecht van eerste aanleg artikel 56, tweede alinea, van het statuut). Bij de in de tweede en derde alinea genoemde procedure gaat het om de in artikel 39 van het statuut bedoelde summiere procedure (zie voor het Gerecht van eerste aanleg artikel 57, derde alinea, van het statuut).

Artikel 27 van bijlage II bij het statuut - Gronden voor een verzoek om hogere voorziening of een beroep

Dit artikel bevat de gronden die tot een beroep of een verzoek om hogere voorziening kunnen leiden. Artikel 225 A, derde alinea, van het EG-Verdrag beperkt de hogere voorziening tegen een beslissing van een in het kader van dat artikel ingestelde rechterlijke kamer tot rechtsvragen, tenzij in het besluit tot instelling van de rechterlijke kamer iets anders is bepaald.

In de eerste alinea wordt bepaald dat in geval van het Gemeenschapsoctrooigerecht een beroep gebaseerd moet zijn op feitelijke vragen en een verzoek om hogere voorziening op rechtsvragen.

In de tweede alinea wordt gespecificeerd op welke gronden een verzoek om hogere voorziening gebaseerd kan zijn. Mogelijke gronden zijn onbevoegdheid van het Gemeenschapsoctrooigerecht, onregelmatigheden in de procedure waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk wordt gedaan, en schending van het Gemeenschapsrecht door het Gemeenschapsoctrooigerecht. Dezelfde lijst staat in artikel 58, eerste alinea, van het statuut betreffende hogere voorziening tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg bij het Hof van Justitie.

In de derde alinea wordt gespecificeerd op welke gronden een beroep gebaseerd moet zijn. Hoewel de partijen de mogelijkheid moeten hebben om in een beroepszaak feitelijke vragen aan de orde te stellen, moet een volledig nieuw gerechtelijk onderzoek in de hogere instantie worden uitgesloten. Een volledig nieuw gerechtelijk onderzoek zou de waarde van de procedure in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht verminderen, waardoor het onderzoek naar de beroepsfase voor het Gerecht van eerste aanleg dreigt te worden verlegd. Hierdoor ontstaat dan weer het gevaar dat dit gerecht zijn functie als beroepsinstantie niet goed kan vervullen: zich concentreren op specifieke door de partijen aangedragen punten die op een hoger niveau nader moeten worden onderzocht. Daarom moet een beroep gebaseerd zijn op een herbeoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal die aan het Gemeenschapsoctrooigerecht zijn voorgelegd. In de beroepsfase is het Gerecht van eerste aanleg dan vrij om zijn eigen beoordeling te maken van de door de partijen in eerste aanleg bij het Gemeenschapsoctrooigerecht aangevoerde feiten. Ook wanneer de feiten betwist worden, kan het Gerecht van eerste aanleg het in eerste aanleg aangedragen bewijs zelf beoordelen. Daarentegen is de mogelijkheid voor de partijen om tijdens de beroepsprocedure nog nieuwe feiten of nieuw bewijs in te dienen beperkt tot situaties waarin van de betrokken partij redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij ze al tijdens de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht had ingediend. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een feit bij een van de partijen nog niet bekend was en ook bij een zorgvuldig onderzoek niet bekend had kunnen zijn, of wanneer het Gemeenschapsoctrooigerecht een zodanige kijk op de zaak had dat bekende feiten irrelevant werden geacht. Het Gerecht van eerste aanleg moet in zijn jurisprudentie zelf vaststellen onder welke omstandigheden men redelijkerwijs niet kan verlangen dat feiten of bewijsmateriaal al in de procedure in eerste aanleg hadden moet zijn ingediend, waardoor de nodige flexibiliteit blijft bestaan om met alle mogelijke situaties rekening te houden.

De vierde alinea bepaalt dat een verzoek om hogere voorziening niet uitsluitend betrekking mag hebben op de verwijzing in of het bedrag van de proceskosten, zoals artikel 58, tweede alinea, van het statuut ook zegt voor verzoeken om hogere voorziening tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg.

Artikel 28 van bijlage II bij het statuut - Beslissing door het Gerecht van eerste aanleg en verwijzing naar het Gemeenschapsoctrooigerecht

Dit artikel betreft de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg en een mogelijke verwijzing van de zaak naar het Gemeenschapsoctrooigerecht.

De eerste alinea bepaalt dat wanneer het beroep of de hogere voorziening gegrond is, het Gerecht van eerste aanleg de beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht moet vernietigen en de zaak zelf moet afdoen. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan het Gerecht van eerste aanleg de zaak voor afdoening naar het Gemeenschapsoctrooigerecht verwijzen. Voor een efficiënte, snelle octrooiprocedure lijkt het van wezenlijk belang onnodige verwijzingen tussen de verschillende instanties te vermijden. Anders dan artikel 61 van het statuut, dat betrekking heeft op het verzoek om hogere voorziening tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg bij het Hof van Justitie en waarin wordt gezegd dat het Hof van Justitie de zaak zelf kan afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar kan verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg, bevat dit artikel de regel dat het Gerecht van eerste aanleg bij hogere voorziening in een octrooigeding de zaak zelf afdoet. Dit vloeit voort uit de aard van het beroep, waarbij ook feitelijke elementen in overweging kunnen worden genomen. Het Gerecht van eerste aanleg kan de feiten die zijns inziens ontbreken, vaststellen en de zaak dan afdoen, terwijl het Hof van Justitie alleen de in eerste aanleg vastgestelde feiten kan gebruiken, waardoor het een zaak wel moet verwijzen wanneer nadere feiten moeten worden vastgesteld.

In sommige gevallen kan een verwijzing naar het Gemeenschapsoctrooigerecht evenwel zinvol zijn, zoals wanneer de zaak niet ten gronde door het Gemeenschapsoctrooigerecht was behandeld, waardoor afdoening door het Gerecht van eerste aanleg zou betekenen dat de partijen geen geding in eerste aanleg hebben gehad. Zo is een verwijzing naar het Gemeenschapsoctrooigerecht zinvol wanneer verzocht werd om hogere voorziening tegen een arrest waarbij het Gemeenschapsoctrooigerecht zich onbevoegd verklaarde of tegen een arrest waarbij alleen over de aansprakelijkheid als zodanig werd beslist, maar niet over de hoogte van de schade. Een verwijzing kan verder nog worden overwogen wanneer het Gemeenschapsoctrooigerecht een ernstige procedurefout heeft gemaakt die van invloed was op het arrest, bijvoorbeeld bij een inbreuk op het recht te worden gehoord. In een dergelijk geval kan het geding in eerste aanleg niet als een effectief rechtsmiddel worden beschouwd.

De tweede alinea bepaalt dat bij verwijzing van de zaak het Gemeenschapsoctrooigerecht gebonden is aan de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg over rechtsvragen (zie artikel 61, tweede alinea, van het statuut voor het Gerecht van eerste aanleg).

Artikel 29 van bijlage II bij het statuut - Reglement voor de procesvoering

Dit artikel bepaalt dat het reglement voor de procesvoering van het Gemeenschapsoctrooigerecht alle bepalingen moet bevatten die nodig zijn om bijlage II bij het statuut toe te passen en zo nodig aan te vullen. Artikel 63 van het statuut bevat een soortgelijke bepaling voor het Hof van Justitie en Gerecht van eerste aanleg.

Hoofdstuk II - Beroepsprocedure bij het Gerecht van eerste aanleg

Hoofdstuk II bevat wijzigingen van het statuut van het Hof van Justitie met betrekking tot de functie van het Gerecht van eerste aanleg als gerecht van beroep voor het Gemeenschapsoctrooi; bij het Gerecht van eerste aanleg wordt een gespecialiseerde beroepskamer voor octrooizaken met een eigen procedure ingevoerd.

Artikel 5 - Aantal rechters bij het Gerecht van eerste aanleg

In dit artikel wordt voorgesteld het aantal rechters bij het Gerecht van eerste aanleg te verhogen van 15 tot 18. Zaken betreffende het Gemeenschapsoctrooi worden behandeld door een gespecialiseerde beroepskamer die in overeenstemming met artikel 61 bis van het bij artikel 6 van dit besluit gewijzigde statuut binnen het Gerecht van eerste aanleg wordt ingesteld. Voor de beroepskamer voor octrooizaken zijn drie rechters extra nodig gezien het vereiste beroepsprofiel van de kandidaten en de grotere belasting van het Gerecht van eerste aanleg wegens zijn functie als beroepsinstantie voor Gemeenschapsoctrooizaken.

Artikel 6 - Beroepsprocedure op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi

Bij dit artikel wordt een artikel 61 bis in het statuut van het Hof van Justitie ingevoegd, dat speciale bepalingen over de beroepsprocedure voor Gemeenschapsoctrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg bevat.

Bij de eerste alinea van het voorgestelde artikel 61 bis van het gewijzigde statuut wordt bij het Gerecht van eerste aanleg een speciale kamer bestaande uit drie rechters ingesteld voor de behandeling van beroepen en verzoeken om hogere voorziening tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Een dergelijke gespecialiseerde kamer lijkt zinvol gezien de speciale aard van de geschillen die zij moet behandelen. Bij de geschillen over het Gemeenschapsoctrooi gaat het om geschillen tussen particulieren op een gebied waarvoor specifieke ervaring nodig is. Het zou moeilijk zijn de nodige ervaring te verzamelen en te behouden wanneer de beroepen en verzoeken om hogere voorziening door verschillende kamers zouden worden behandeld. Deze procedures moeten juist door een enkele kamer worden behandeld, zodat binnen het Gerecht van eerste aanleg de ervaring wordt geconcentreerd.

In de tweede alinea van artikel 61 bis van het gewijzigde statuut wordt voorgesteld dat de rechters van de beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg een hoog niveau van juridische deskundigheid op het gebied van octrooirecht moeten bezitten. Deze bepaling is in overeenstemming met de algemene aanpak die bij de invoering van de communautaire rechtspraak op het gebied van octrooizaken is gevolgd, namelijk de instelling van een gespecialiseerd rechterlijk systeem voor de beslechting van geschillen over het Gemeenschapsoctrooi. Centraal bij de invoering van een communautair octrooisysteem staat onder meer de zorg voor meer rechtszekerheid in de Unie door een gecentraliseerde en gespecialiseerde rechtspraak met ervaren rechters. Omdat dit voor het welslagen van het systeem van essentieel belang lijkt, moeten niet alleen de rechters die de zaken in eerste aanleg behandelen, maar ook de rechters die beroepszaken behandelen ervaren zijn op het gebied van het octrooirecht. Deze bepaling houdt geen wijziging van artikel 224 van het EG-Verdrag over de benoeming van de rechters bij het Gerecht van eerste aanleg in. Dat artikel is uiteraard ook van toepassing op de benoeming van de rechters voor de beroepskamer voor octrooizaken. Met deze bepaling stemt de Raad er alleen mee in kandidaten te presenteren en rechters te benoemen die aan een bijzonder beroepsprofiel beantwoorden.

De verwijzing naar artikel 17, vijfde alinea, en artikel 50 van het statuut maakt duidelijk dat de instelling van een beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg niet betekent dat deze kamer wordt afgescheiden van de rest van het gerecht. Er moet alleen voor worden gezorgd dat beroepszaken en verzoeken om hogere voorziening over Gemeenschapsoctrooien normaliter worden behandeld door gespecialiseerde rechters die een bijzondere ervaring op het gebied van de desbetreffende wetgeving hebben. Ieder lid van het Gerecht van eerste aanleg kan evenwel zitting hebben in de beroepskamer voor octrooizaken als daarin een extra rechter zitting moet hebben. Dit is het geval wanneer de beroepskamer voor octrooizaken in overeenstemming met artikel 50 van het statuut zitting houdt met meer dan drie rechters, bijvoorbeeld bij zaken die verder gaan dan alleen het octrooirecht en waarbij de eenheid en samenhang van het Gemeenschapsrecht in het geding zijn. Ook kan, wanneer een van de rechters van de beroepskamer voor octrooizaken verhinderd is, in overeenstemming met artikel 17, vijfde alinea, van het statuut een rechter van een andere kamer worden gevraagd zitting te nemen. Ten slotte kunnen, wanneer de belasting het toelaat, aan de beroepskamer voor octrooizaken in overeenstemming met artikel 50, tweede alinea, van het statuut uiteraard ook andere zaken dan Gemeenschapsoctrooizaken worden toegewezen, bijvoorbeeld zaken in verband met het Gemeenschapsmerk of -model.

De derde alinea van artikel 61 bis van het gewijzigde statuut betreft de beroepsprocedure bij de octrooikamer van het Gerecht van eerste aanleg. Met dit artikel wordt beoogd ervoor te zorgen dat de statutaire bepalingen betreffende de procedure voor geschillen over het Gemeenschapsoctrooi voor de gehele gerechtelijke behandeling in eerste en tweede instantie gelijk is. Wanneer er in verband met het speciale karakter van geschillen over het Gemeenschapsoctrooi (geschillen tussen particulieren) speciale procedurele bepalingen nodig zijn, moeten deze voor het Gemeenschapsoctrooigerecht en het Gerecht van eerste aanleg voor beroepszaken op dezelfde wijze worden toegepast. Artikel 53 van het statuut bepaalt dat de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg wordt geregeld in titel III van het statuut. Hetzelfde geldt volgens artikel 10 van bijlage II bij het statuut voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. De speciale bepalingen tot wijziging van titel III van het statuut over de procedure in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht gelden ook voor de procedure voor de beroepskamer voor octrooizaken van het Gerecht van eerste aanleg. Het gaat hierbij om de volgende bepalingen van bijlage II bij het statuut: de toegevoegde rapporteur (artikel 7), bepalingen uit titel III van het statuut die niet van toepassing zijn op octrooigeschillen (artikel 10), de rol van Europees octrooigemachtigden bij de vertegenwoordiging van partijen (artikel 11), de mondelinge en schriftelijke behandeling (artikel 12), de bewijsvoering (artikel 13), voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal (artikel 14), speciale beschikkingen in een summiere procedure (artikel 15), bij verstek gewezen arresten (artikel 16), herziening van een arrest (artikel 17), schikking (artikel 18), de verplichting voor alle communautaire gerechten om verkeerd geadresseerde documenten door te zenden en handelingen naar het bevoegde gerecht te verwijzen (artikel 19), schorsing van de procedure (artikel 20), mededeling van beslissingen (artikel 21), de tenuitvoerlegging van beslissingen (artikel 22) en de proceskosten (artikel 23). Zie voor nadere informatie de bepalingen waarnaar hier wordt verwezen.

In de tweede zin van de derde alinea wordt bepaald dat de lidstaten en de instellingen van de Europese Gemeenschap het recht hebben zich in overeenstemming met artikel 40, eerste alinea, van het statuut, in zaken over het Gemeenschapsoctrooi voor het Gerecht van eerste aanleg te voegen. Deze mogelijkheid is ingevolge artikel 10 van bijlage II bij het statuut uitgesloten voor de behandeling in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Terwijl voeging bij het proces in eerste aanleg te ruim lijkt voor alle in eerste instantie behandelde zaken, lijkt deze mogelijkheid voor het proces in beroep wel zinvol, omdat het de lidstaten en de instellingen van de Europese Gemeenschap de mogelijkheid biedt een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van rechtsvragen over het Gemeenschapsoctrooirecht.

In de vierde alinea van artikel 61 bis van het gewijzigde statuut wordt bepaald dat de procestaal bij de beroepsprocedure gelijk is aan die bij de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht. Hierdoor wordt een uniforme behandeling van de gehele zaak, in eerste aanleg en bij het beroep, verzekerd. Verzoeken, beslissingen, schriftelijke bijdragen, getuigenverklaringen, standpunten van deskundigen enz. kunnen zonder dat er nog een vertaling nodig is, in de beroepszaak worden gebruikt. Ook kunnen de partijen hun vertegenwoordiging in eerste aanleg hebben geregeld met het oog op de procestaal en willen ze wellicht dat hun vertegenwoordiger, die met de zaak vertrouwd is, hen ook voor het Gerecht van eerste aanleg vertegenwoordigt. Een verwijzing naar artikel 25, eerste alinea, van het gewijzigde statuut, waarin wordt bepaald dat de taal van de lidstaat waar de verweerder woonachtig is, de procestaal voor het Gemeenschapsoctrooigerecht is, is niet mogelijk aangezien de eiser bij het proces in eerste aanleg in de beroepszaak de verweerder kan zijn geworden. De beginselen van artikel 25, tweede, derde en vierde alinea, van het gewijzigde statuut betreffende een overeenkomst tussen de partijen over de procestaal, het horen van de partijen in persoon, getuigen en deskundigen in een andere taal dan de procestaal en de mogelijkheid begeleidende documenten in een andere taal dan de procestaal in te dienen, zijn wel van toepassing op de beroepsprocedure.

Hoofdstuk III - Slotbepalingen

Hoofdstuk III bevat slotbepalingen over overgangsbepalingen en de inwerkingtreding van het besluit.

Artikel 7 - Overgangsbepalingen

De eerste alinea van dit artikel heeft betrekking op de benoeming van de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht; bepaald wordt dat de eerste president van het Gemeenschapsoctrooigerecht op dezelfde manier als de rechters wordt benoemd, tenzij de Raad besluit dat ook de eerste president door de rechters overeenkomstig artikel 4 van bijlage II bij het statuut wordt gekozen. Een soortgelijke aanpak is ook gekozen voor het Gerecht van eerste aanleg (artikel 11, eerste alinea, van Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen).

De tweede alinea betreft de nieuw benoemde eerste rechters van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Om terecht te komen in een cyclus waarbij het Gemeenschapsoctrooigerecht telkens slechts gedeeltelijk opnieuw wordt bezet, zoals bepaald in artikel 2 van bijlage II bij het statuut, moeten sommige rechters in de eerste fase een kortere ambtstermijn hebben. De voorzitter van de Raad wijst bij loting de rechters aan van wie de ambtstermijn aan het einde van de eerste periode van drie jaar afloopt, zoals voor het Gerecht van eerste aanleg is voorzien in artikel 12 van Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 8 - Inwerkingtreding

Dit artikel bevat bepalingen over de inwerkingtreding van dit besluit. De inwerkingtreding hangt af van de goedkeuring van het besluit van de Raad ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag, waarbij het Hof van Justitie de bevoegdheid betreffende het Gemeenschapsoctrooi wordt verleend, en de aanvaarding hiermee van alle lidstaten overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen. Nadat de lidstaten kennis hebben gegeven van hun instemming, kan een begin worden gemaakt met de noodzakelijke voorbereidingen voor de instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en van de beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg.

Artikel 1 van bijlage II bij dit besluit, waarbij wordt bepaald dat de rechtsmacht binnen het Hof van Justitie aan het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt toegekend, kan pas in werking treden wanneer het besluit van de Raad tot verlening van rechtsmacht aan het Hof van Justitie in werking treedt, wat weer afhangt van de bekendmaking door de president van het Hof van Justitie van een mededeling dat het Gemeenschapsoctrooigerecht en de beroepskamer bij het Gerecht van eerste aanleg regelmatig zijn ingesteld. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat de verlening van de bevoegdheid aan het Hof van Justitie en die aan het Gemeenschapsoctrooigerecht op hetzelfde tijdstip van kracht worden, waarmee een eind komt aan de overgangsperiode en de communautaire bevoegdheid een aanvang neemt.

2003/0324 (CNS)

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 225 A en 245,

Gezien het voorstel van de Commissie, [1]

[1] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Europees Parlement, [2]

[2] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Hof van Justitie, [3]

[3] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, [4]

[4] PB C [...] van [...], blz. [...].

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Raad van maart 2000 in Lissabon heeft zich uitgesproken voor maatregelen om het concurrentievermogen van de Unie te verhogen in een moderne kenniseconomie en hierbij werd gewezen op het belang van een effectieve octrooibescherming in de Gemeenschap.

(2) In het huidige octrooibeschermingssysteem worden octrooien verleend door een nationaal octrooibureau in een lidstaat, of door het Europees Octrooibureau met werking voor een lidstaat en worden zij gehandhaafd voor de nationale rechter in de betrokken lidstaat.

(3) De innovatieve Europese industrie vertrouwt op een effectieve wettelijke bescherming van haar uitvindingen in de gehele Gemeenschap. De invoering van een communautair octrooisysteem met een enkel Gemeenschapsoctrooi en de mogelijkheid dit recht te handhaven voor een communautaire rechterlijke instantie, die uiterlijk in 2010 moet zijn ingesteld na een overgangsperiode waarin de nationale rechter bevoegd blijft, levert de nu nog ontbrekende elementen van het octrooibeschermingssysteem in de Unie.

(4) Bij verordening (EG) nr.../... van de Raad van [...] [5] wordt een Gemeenschapsoctrooi ingesteld. Houders van een dergelijk recht genieten in de gehele Gemeenschap bescherming voor een uitvinding overeenkomstig de eenvormige normen van die verordening.

[5] PB L [...] van [...], blz. [...].

(5) Bij besluit 2003/.../EG [6] heeft de Raad het Hof van Justitie de bevoegdheid toegekend uitspraak te doen in geschillen betreffende het Gemeenschapsoctrooi en beveelt hij de lidstaten aan deze bepalingen in overeenstemming met hun respectieve grondwettelijke bepalingen aan te nemen.

[6] PB L [...] van [...], blz. [...].

(6) Artikel 220, tweede alinea, van het Verdrag bepaalt dat, op de wijze die in artikel 225 A van het Verdrag is bepaald, aan het Gerecht van eerste aanleg rechterlijke kamers kunnen worden toegevoegd om op sommige specifieke gebieden rechterlijke bevoegdheden uit te oefenen waarin het Verdrag voorziet.

(7) De ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag aan het Hof van Justitie toegekende bevoegdheid uitspraak te doen in geschillen betreffende het Gemeenschapsoctrooi dient in eerste aanleg te worden uitgeoefend door een rechterlijke kamer die op grond van artikel 225 A van het Verdrag wordt ingesteld en "Gemeenschapsoctrooigerecht" wordt genoemd.

(8) Artikel 225, lid 2, van het Verdrag bepaalt dat het Gerecht van eerste aanleg bevoegd is kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de krachtens artikel 225 A van het Verdrag ingestelde rechterlijke kamers. Te dien einde moet een gespecialiseerde beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg worden ingesteld voor de behandeling van beroepen tegen de beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Overeenkomstig artikel 225, lid 2, van het Verdrag kunnen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg in beroepszaken tegen de beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast.

(9) Om rekening te houden met het speciale karakter van geschillen tussen particulieren over het Gemeenschapsoctrooi en om een eenvormige procedure in beide instanties te waarborgen, zijn wijzigingen van de in het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap opgenomen procedureregels noodzakelijk, zowel voor de procedure in eerste aanleg voor het Gemeenschapsoctrooigerecht als voor beroepszaken voor het Gerecht van eerste aanleg.

(10) Een gecentraliseerde en gespecialiseerde communautaire rechter, die uitsluitend bevoegd is inzake geschillen over het Gemeenschapsoctrooi en bestaat uit het Gemeenschapsoctrooigerecht voor de behandeling in eerste aanleg en een gerecht voor beroepszaken binnen het Gerecht van eerste aanleg, dienen deskundigheid en beslissingen van de hoogste kwaliteit te waarborgen. Een dergelijk systeem moet de doelmatige octrooiprocedure voor de gehele Gemeenschap garanderen alsmede de ontwikkeling van een gemeenschappelijke rechtspraak, en de eenvormige toepassing van het Gemeenschapsoctrooirecht,

BESLUIT:

Hoofdstuk I Het Gemeenschapsoctrooigerecht

Artikel 1 Instelling

Aan het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen wordt een rechterlijke kamer toegevoegd, "Gemeenschapsoctrooigerecht" genoemd.

Het gemeenschapsoctrooigerecht heeft zijn zetel bij het Gerecht van eerste aanleg.

Artikel 2 Toepassing van de bepalingen van het Verdrag

Behoudens bepalingen van dit hoofdstuk zijn de artikelen 241, 243, 244 en 256 van het Verdrag op het Gemeenschapsoctrooigerecht van toepassing.

Artikel 3 Bepalingen in het statuut over rechterlijke kamers

De volgende Titel VI wordt aan het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie toegevoegd:

"Titel VI

RECHTERLIJKE KAMERS

Artikel 65

De bepalingen over de bevoegdheden, de samenstelling en de organisatie van ingevolge artikel 225 A van het Verdrag ingestelde rechterlijke kamers alsmede de procesvoering voor deze kamers zijn opgenomen in de bijlagen bij dit statuut."

Artikel 4 Bijlage bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie

De volgende bijlage [II] wordt aan het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie toegevoegd:

"Bijlage [II]

Het Gemeenschapsoctrooigerecht

Artikel 1

Het Gemeenschapsoctrooigerecht is bij uitsluiting bevoegd, in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen betreffende de toepassing van Verordening (EG) nr. .../... van ... [betreffende het Gemeenschapsoctrooi] en Verordening (EG) nr. .../... van ... [betreffende het communautaire aanvullende beschermingscertificaat], voorzover het Hof van Justitie ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag bevoegd is verklaard.

Artikel 2

Het Gemeenschapsoctrooigerecht bestaat uit zeven rechters die voor zes jaar worden benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats, die beurtelings betrekking heeft op vier en drie rachters. De aftredende rechters zijn herbenoembaar.

De rechters worden gekozen uit de door de lidstaten voorgedragen kandidaten, die een aangetoond hoog niveau van juridische deskundigheid op het gebied van het octrooirecht bezitten. Zij worden door de Raad op grond van hun deskundigheid benoemd na raadpleging van een overeenkomstig artikel 3 in te stellen comité.

Artikel 3

Een hiertoe ingesteld raadgevend comité geeft, voordat de Raad tot benoeming besluit, een advies over de geschiktheid van het profiel van de kandidaten voor het ambt van rechter in het Gemeenschapsoctrooigerecht. Het kan zijn advies vergezeld doen gaan van een lijst van de kandidaten die het meest geschikte hoge niveau van juridische ervaring bezitten. Deze lijst bevat twee keer zoveel kandidaten als er rechters door de Raad moeten worden benoemd.

Het raadgevend comité bestaat uit zeven leden, die worden gekozen uit vroegere leden van het Hof van Justitie, het Gerecht van eerste aanleg, het Gemeenschapsoctrooigerecht of uit juristen met erkende bekwaamheid. De benoeming van de leden van het raadgevend comité en de vaststelling van zijn huishoudelijk reglement geschieden met gekwalificeerde meerderheid door de Raad op voorstel van de president van het Hof van Justitie.

Artikel 4

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Hij is herkiesbaar.

Artikel 5

De artikelen 2 tot en met 7 en 13, 14 en 15, artikel 17, eerste, tweede en vijfde alinea, en artikel 18 van het statuut zijn op het Gemeenschapsoctrooigerecht en op zijn leden van toepassing.

De in artikel 2 van het statuut bedoelde eed wordt afgelegd voor het Hof van Justitie en de in de artikelen 3, 4 en 6 van het statuut bedoelde beslissingen worden door het Hof genomen, het Gerecht van eerste aanleg en het Gemeenschapsoctrooigerecht gehoord.

Artikel 6

Het Gemeenschapsoctrooigerecht benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie. Artikel 3, vierde alinea, en de artikelen 10, 11 en 14 van het statuut zijn op de griffier van het Gemeenschapsoctrooigerecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

Bij de behandeling van de zaak worden de rechters bijgestaan door technische deskundigen als toegevoegd rapporteur. Artikel 3, vierde alinea, en artikel 13 van het statuut zijn van toepassing.

De toegevoegde rapporteurs moeten een zeer grote deskundigheid op het desbetreffende technische gebied bezitten. Op voorstel van het Hof van Justitie worden zij voor zes jaar benoemd. Aftredende toegevoegde rapporteurs zijn herbenoembaar.

De toegevoegde rapporteurs moeten onder de in het het reglement voor de procesvoering neergelegde voorwaarden deelnemen aan de voorbereiding en de behandeling van de zaken en aan de beraadslagingen. Zij hebben het recht de partijen vragen te stellen. Zij hebben geen stemrecht.

Artikel 8

Het Gemeenschapsoctrooigerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie rechters.

In bepaalde door het reglement voor de procesvoering te bepalen zaken kan het Gemeenschapsoctrooigerecht in een uitgebreide samenstelling zitting houden of uit een rechter bestaan. Het reglement van de procesvoering bevat bepalingen over het quorum.

De president van het Gemeenschapsoctrooigerecht is president van een van de kamers bestaande uit drie rechters. Bovendien is hij president van het Gemeenschapsoctrooigerecht in uitgebreide samenstelling. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de presidenten van de andere kamers. Zij zijn herkiesbaar.

De samenstelling van de kamers en toewijzing van zaken aan de kamers worden geregeld in het reglement voor de procesvoering.

Artikel 9

De president van het Hof van Justitie of, in voorkomend geval, de president van het Gerecht van eerste aanleg bepaalt, in onderlinge overeenstemming met de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht, de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden van het Hof van Justitie of van het Gerecht van eerste aanleg, in het belang van de dienst hun diensten aan het Gemeenschapsoctrooigerecht verlenen. Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gemeenschapsoctrooigerecht, onder het gezag van de president van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 10

Op de procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht is titel III van het statuut van toepassing, met uitzondering van artikel 21, tweede alinea, de artikelen 22 en 23, artikel 40, eerste en derde alinea, en de artikelen 42 en 43, en behoudens de artikelen 11 tot en met 25 van deze bijlage.

De procedure voor het Gemeenschapsoctrooigerecht wordt, voor zover nodig, gepreciseerd en aangevuld door zijn reglement voor de procesvoering. Het reglement voor de procesvoering kan afwijken van artikel 40 van het statuut wanneer dat wegens de bijzonderheden van de geschillen op het gebied van Gemeenschapsoctrooien noodzakelijk is.

Artikel 11

De in artikel 19 van het statuut bedoelde advocaat kan worden bijgestaan door een Europees octrooigemachtigde die is ingeschreven op de door het Europees Octrooibureau met het oog op de juridische vertegenwoordiging voor het bureau aangehouden lijst en die onderdaan is van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

De Europees octrooigemachtigde heeft spreekrecht ter terechtzitting onder de voorwaarden die in het reglement voor de procesvoering zijn neergelegd.

Artikel 19, vijfde en zesde alinea, van het statuut zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

In afwijking van artikel 20, vierde, vijfde en zesde alinea, van het statuut gelden de volgende bepalingen:

De mondelinge behandeling omvat de presentatie van de belangrijkste kenmerken van de zaak door de rechter-rapporteur, het horen van de partijen door het Gemeenschapsoctrooigerecht en het onderzoek van het bewijsmateriaal.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan overeenkomstig het reglement voor de procesvoering, de partijen gehoord, afzien van de mondelinge behandeling.

Het reglement voor de procesvoering kan bepalen dat de procedure geheel of gedeeltelijk langs elektronische weg kan geschieden en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Artikel 13

In afwijking van artikel 24, eerste alinea, eerste volzin, van het statuut gelden de volgende bepalingen:

Ingeval een partij redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd dat voldoende is om haar vorderingen te ondersteunen en zij tot staving van haar vorderingen van belang zijnd bewijsmateriaal heeft genoemd dat zich in de macht van de wederpartij bevindt, kan het Gemeenschapsoctrooigerecht overlegging van dit bewijsmateriaal door de wederpartij gelasten, onder voorbehoud dat de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

Artikel 14

Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan de nodige voorlopige maatregelen gelasten ongeacht of de procedure ten gronde reeds bij hem aanhangig is gemaakt.

Wanneer reeds voordat een procedure ten gronde is ingesteld, een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd, kan het Gemeenschapsoctrooigerecht in geval van een inbreuk of dreigende inbreuk op een gemeenschapsoctrooi toestemming verlenen voor, op elke plaats, hetzij de gedetailleerde beschrijving, met of zonder het nemen van monsters, hetzij de werkelijke inbeslagneming van de litigieuze goederen en van, in daartoe passende gevallen, de desbetreffende documenten.

In de gevallen waarin voorlopige maatregelen of maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal zijn herroepen, gelast het Gemeenschapsoctrooigerecht de verzoeker aan de verweerder, op verzoek van deze laatste, een passende vergoeding voor de door deze maatregelen veroorzaakte schade te verlenen.

Artikel 15

Artikel 39 van het statuut betreffende speciale beschikkingen in een summiere procedure is ook van toepassing op maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal. Het reglement voor de procesvoering bepaalt wie bevoegd is de beschikkingen te geven.

Artikel 16

Onverminderd artikel 41 van het statuut is een bij verstek gewezen arrest mogelijk tegen de partij die, ofschoon regelmatig in het geding geroepen, bij de mondelinge behandeling niet verschijnt.

Artikel 17

In afwijking van artikel 44, eerste alinea, van het statuut geldt de volgende bepaling:

"Een verzoek tot herziening van een arrest mag bij uitzondering bij het Gemeenschapsoctrooigerecht worden ingediend wanneer een feit wordt ontdekt dat van beslissende invloed zou zijn geweest en dat toen het arrest werd gewezen, de partij die om herziening verzoekt, onbekend was, doch alleen op grond van een fundamentele procedurefout of van een handeling die door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing als strafrechtelijke inbreuk is aangemerkt."

Artikel 18

De partijen kunnen op elk tijdstip tijdens de procedure hun zaak door een bij een beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht bevestigde schikking beëindigen. De schikking kan de geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi niet aantasten.

Artikel 19

Artikel 54, eerste en tweede alinea, van het statuut is van overeenkomstige toepassing op het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Artikel 20

Wanneer bij het Hof van Justitie een zaak aanhangig wordt gemaakt die dezelfde vraag van uitlegging betreft of wanneer bij het Gerecht van eerste aanleg een zaak aanhangig wordt gemaakt waarin de geldigheid van hetzelfde Gemeenschapsoctrooi in geding is, kan het Gemeenschapsoctrooigerecht, de partijen gehoord, de behandeling van de bij hem aanhangige zaak schorsen, totdat het Hof van Justitie of het Gerecht van eerste aanleg arrest heeft gewezen.

Wanneer bij het Europees Octrooibureau verzet wordt ingesteld tegen de verlening van een Europees octrooi waarbij de Gemeenschap is aangewezen, kan het Gemeenschapsoctrooigerecht, wanneer bij hem een vordering tot nietigverklaring aanhangig is, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat een eindbeslissing over het verzet is gegeven.

Artikel 21

Artikel 55 van het statuut is van toepassing, onder voorbehoud dat aan de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap die geen partij bij de zaak zijn en ook niet in de zaak zijn tussengekomen, alleen de eindbeslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht ontvangen.

Artikel 22

Eindbeslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht vormen een executoriale titel wanneer geen beroep meer mogelijk is. Het beroep heeft schorsende werking. Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan haar beslissingen echter direct uitvoerbaar verklaren en aan de tenuitvoerlegging eventueel de voorwaarde verbinden dat zekerheid wordt gesteld.

De formule van tenuitvoerlegging wordt door het Gemeenschapsoctrooigerecht aangebracht. Beslissingen zijn ook direct uitvoerbaar tegen lidstaten.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan een dwangsom opleggen in geval van niet-nakoming van zijn beslissingen of beschikkingen die een verplichting tot handelen of tot nalaten inhouden. De dwangsom kan bestaan uit een eenmalige of een periodieke boete. De boete moet evenredig zijn aan het belang van de zaak en mag een bedrag van EUR 50 000 niet overschrijden.

Artikel 23

Voor gedingen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht worden passende proceskosten in rekening gebracht.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, een tarief vast.

De proceskosten moeten vooraf worden betaald. Een partij die de voorgeschreven proceskosten niet heeft betaald, kan van verdere deelname aan de procedure worden uitgesloten.

Artikel 24

Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan terechtzittingen houden in een andere lidstaat dan die waar het is gevestigd.

Artikel 25

De procedures voor het Gemeenschapsoctrooigerecht worden gevoerd in de officiële EU-taal van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, dan wel, wanneer een lidstaat twee of meer officiële EU-talen heeft, naar keuze van de verweerder in een van deze talen. Wanneer de verweerder zijn woonplaats niet in een lidstaat heeft, wordt het geding voor het Gemeenschapsoctrooigerecht gevoerd in de officiële EU-taal waarin het Gemeenschapsoctrooi is verleend.

Op verzoek van de partijen kan met instemming van het Gemeenschapsoctrooigerecht iedere officiële EU-taal als procestaal worden gekozen.

In overeenstemming met het reglement voor de procesvoering kan het Gemeenschapsoctrooigerecht de partijen in persoon, de getuigen en de deskundigen horen in een andere taal dan de procestaal. De griffier laat in dat geval alles wat gedurende de mondelinge behandeling wordt gezegd, vertalen in de procestaal en op verzoek van een partij in de taal die door die partij in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering wordt gebruikt.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht kan in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering de overlegging van in een andere taal dan de procestaal gestelde begeleidende documenten toestaan. Het kan de betrokken partij op elk tijdstip gelasten een vertaling van dergelijke documenten in de procestaal te verschaffen.

Artikel 26

Tegen een eindbeslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht kan binnen twee maanden, te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing, bij het Gerecht van eerste aanleg beroep, hogere voorziening daaronder begrepen, worden ingesteld.

Tegen een beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht uit hoofde van artikel 243 of artikel 256, vierde alinea, van het Verdrag, dan wel van artikel 14, tweede alinea, van deze bijlage kan uiterlijk binnen twee maanden, te rekenen vanaf de betekening van die beslissing, bij het Gerecht van eerste aanleg hogere voorziening worden ingesteld. Indien de beschikking evenwel is gegeven zonder dat eerst de in het ongelijk gestelde partij is gehoord, kan deze verzet instellen bij het Gemeenschapsoctrooigerecht, tegen welks beslissing hogere voorziening bij het Gerecht van eerste aanleg openstaat.

Tegen een beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht om een verzoek tot tussenkomst af te wijzen, staat binnen twee weken, te rekenen vanaf de betekening ervan, bij het Gerecht van eerste aanleg hogere voorziening open.

In het reglement voor de procesvoering kan worden bepaald in welke situaties en onder welke voorwaarden hogere voorziening openstaat tegen procedurele beslissingen die het Gemeenschapsoctrooigerecht in de loop van de procedure neemt.

Beroep of hogere voorziening uit hoofde van de eerste tot en met vierde alinea, staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Van de in de tweede en derde alinea bedoelde hogere voorziening wordt kennis genomen en er wordt over beslist volgens de in artikel 39 van het statuut bedoelde procedure.

Artikel 27

Hogere voorziening of een beroep kan op respectievelijk rechtsvragen en feitelijke gronden zijn gebaseerd.

Hogere voorziening betreffende rechtsvragen moet gegrond zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gemeenschapsoctrooigerecht, onregelmatigheden in de procedure voor deze kamer waardoor de belangen van de verzoeker afbreuk is gedaan, dan wel schending van het Gemeenschapsrecht door het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Een beroep betreffende de feiten moet strekken tot herbeoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal die aan het Gemeenschapsoctrooigerecht zijn voorgelegd. Nieuwe feiten en nieuw bewijs kunnen alleen worden aangevoerd indien indiening ervan gedurende de procedure in eerste aanleg redelijkerwijs niet van de betrokken partij had kunnen worden verwacht.

Een hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de verwijzing in of het bedrag van de proceskosten.

Artikel 28

In geval van gegrondheid van het beroep of van de hogere voorziening verklaart het Gerecht van eerste aanleg de beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht nietig en doet het de zaak zelf af. Het Gerecht van eerste aanleg kan in uitzonderlijke omstandigheden en in overeenstemming met het reglement voor de procesvoering de zaak voor afdoening verwijzen naar het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Indien de zaak wordt terug verwezen, is het Gemeenschapsoctrooigerecht gebonden aan de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg over de rechtsvragen.

Artikel 29

Het reglement voor de procesvoering van het Gemeenschapsoctrooigerecht bevat alle bepalingen die nodig zijn om deze bijlage toe te passen en zo nodig aan te vullen."

Hoofdstuk II Beroepsprocedure bij het Gerecht van eerste aanleg

Artikel 5 Aantal rechters van het Gerecht van eerste aanleg

Artikel 48 van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie komt als volgt te luiden:

"Artikel 48

Het Gerecht bestaat uit 18 rechters."

Artikel 6 Beroepsprocedure op het gebied van het Gemeenschapsoctrooi

Het volgende artikel 61 bis wordt in het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie ingevoegd:

"Artikel 61 bis

Een gespecialiseerde octrooikamer van het Gerecht van eerste aanleg met drie rechters neemt kennis van beroepen, hogere voorziening daaronder begrepen, tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

Onverminderd artikel 17, vijfde alinea, en artikel 50 worden de rechters van de beroepskamer voor octrooizaken gekozen uit kandidaten die een aangetoond hoog niveau van juridische deskundigheid op het gebied van het octrooirecht bezitten. Zij worden benoemd op grond van hun deskundigheid.

Artikel 7 en de artikelen 10 tot en met 23 van bijlage [II] bij het statuut zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure bij de octrooikamer van het Gerecht van eerste aanleg. De lidstaten en de Instellingen van de Europese Gemeenschap hebben het recht zich in overeenstemming met artikel 40, eerste alinea, in het geding te voegen.

De procestaal in beroepszaken is de taal waarin de zaak voor het Gemeenschapsoctrooigerecht is behandeld. De in artikel 25, tweede, derde en vierde alinea, van bijlage [II] bij het statuut zijn van toepassing."

Hoofdstuk III Slotbepalingen

Artikel 7 Overgangsbepalingen

De eerste president wordt op dezelfde wijze als de leden van het Gemeenschapsoctrooigerecht voor drie jaar benoemd. De Raad kan evenwel besluiten dat de procedure van artikel 4 van bijlage [II] bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van toepassing is.

Onmiddellijk nadat alle leden van het Gemeenschapsoctrooigerecht de eed hebben afgelegd, gaat de voorzitter van de Raad over tot aanwijzing, bij loting, van de rechters wier ambtstermijn aan het einde van de eerste periode van drie jaar afloopt.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie treedt dit besluit, in werking op de dag volgende op de kennisgeving door de laatste lidstaat van zijn aanvaarding van de ingevolge artikel 229 A van het EG-Verdrag vastgestelde bepalingen van Besluit 2003/.../... houdende toekenning aan het Hof van Justitie van de bevoegdheid uitspraak te doen in geschillen betreffende het Gemeenschapsoctrooi.

Artikel 1 van bijlage [II] bij het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie is van toepassing op de dag van inwerkingtreding van Besluit 2003/.../... houdende toekenning aan het Hof van Justitie van de bevoegdheid uitspraak te doen in geschillen betreffende het Gemeenschapsoctrooi.

Gedaan te Brussel, op [...]

Voor de Raad

De Voorzitter

[...]

FINANCIEEL MEMORANDUM

Beleidsterrein: industriële eigendom

Activiteit: Instelling van de rechtsmacht van de Gemeenschap in octrooizaken

Benaming van de actie: Voorstel voor een besluit van de Raad tot instelling van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

1. BEGROTINGSONDERDELEN EN OMSCHRIJVING

Sectie IV - Hof van Justitie

2. ALGEMENE CIJFERS

Invoering van de communautaire rechtspraak voor octrooizaken heeft financiële gevolgen voor deel A van de begroting (personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven). Met de geschillen over het Gemeenschapsoctrooi worden de bevoegdheden van het Hof van Justitie uitgebreid tot een nieuw type geschillen. Ook betekent dit dat het Hof zich geplaatst zal zien voor een aanzienlijke hoeveelheid nieuwe zaken op een gespecialiseerd terrein, waardoor er nieuw personeel moet worden aangetrokken om deze zaken te behandelen. Omdat er steeds meer Gemeenschapsoctrooien worden verleend, zal het aantal nieuwe zaken voor het Gemeenschapsoctrooigerecht ook sterk stijgen. Het Europees Octrooibureau zal naar verwachting 50 000 nieuwe Gemeenschapsoctrooien per jaar verlenen; wanneer ongeveer 1 op de 1000 van kracht zijnde octrooien tot een geschil leidt, neemt het aantal nieuwe zaken in eerste aanleg toe met ongeveer 50 per jaar. In ongeveer 25% van deze door het Gemeenschapsoctrooigerecht behandelde zaken zal waarschijnlijk beroep worden aangetekend bij het Gerecht van eerste aanleg. Het voor de beginfase van de rechtspraak inzake Gemeenschapsoctrooien, tot 2014, noodzakelijk geachte personeel kan geleidelijk, afhankelijk van de aard en de omvang van de taken, worden aangetrokken. Wanneer nieuw personeel wordt aangetrokken, wordt bij de berekening van de financiële gevolgen van de personele middelen de gangbare praktijk gevolgd, m.a.w. de nieuwe ambten worden in het jaar van hun creatie voor zes maanden in aanmerking genomen.

- Noodzakelijke middelen in de eerste vijf jaar van functioneren (2010-2014)

Voor de beginfase worden voor het Gemeenschapsoctrooigerecht zeven rechters (inclusief de president) voldoende geacht. Nog voor het gerecht zijn bevoegdheden kan opnemen, zullen de rechters ingevolge artikel 225 A van het EG-Verdrag het eerste communautaire wetboek van burgerlijke rechtsvordering moeten vaststellen, wat op zich al een omvangrijke taak is. In de beginfase zullen een aantal belangrijke beslissingen over fundamentele kwesties moeten worden genomen door het gerecht in uitgebreide samenstelling. Iedere rechter moet worden bijgestaan door een referendaris en een secretariaatsmedewerker.

De zeer technische rechtspraak over Gemeenschapsoctrooien zal ook gevolgen hebben voor het Gerecht van eerste aanleg, dat beroepszaken behandeld. Met het oog op het zeer gespecialiseerde en technische onderwerp moet een beroepskamer voor octrooizaken worden ingesteld, waarvoorbij het Gerecht van eerste aanleg drie nieuwe gespecialiseerde rechters nodig zijn. Iedere rechter moet worden bijgestaan door een referendaris en een secretariaatsmedewerker.

In verband met het speciale karakter van octrooigeschillen, waarbij het gaat om de laatste technologische ontwikkelingen, moet het gerecht behalve uit rechters ook uit technische deskundigen bestaan. In zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 besloot de Raad dat de rechters tijdens de gehele behandeling van een zaak worden bijgestaan door technische deskundigen. Om de meer dan 70 technologiegebieden te bestrijken is het de bedoeling dat zeven technische deskundigen (toegevoegde rapporteurs) het Gemeenschapsoctrooigerecht bij de behandeling van zaken in eerste aanleg bijstaan op de volgende gebieden: (1) anorganische chemie en materiaalkunde, (2) organische en polymeerchemie, (3) biochemie en biotechnologie, (4) algemene fysica, (5) werktuigbouwkunde, (6) informatie- en communicatietechnologie en (7) elektrotechniek. Omdat de technische vragen in verband met een zaak al bij de behandeling in eerste aanleg zijn bekeken, zijn er voor de beroepsprocedure voor het Gerecht van eerste aanleg maar drie technisch deskundigen nodig, en wel voor de algemenere categorieën chemie, fysica en werktuigbouwkunde.

Het Gemeenschapsoctrooigerecht heeft ook een griffier nodig, die moet worden ondersteund door zes medewerkers. De griffie moet zijn werk doen in een bijzonder ingewikkeld kader. De griffie van het Gemeenschapsoctrooigerecht is niet alleen verantwoordelijk voor de rol, maar ook voor de correspondentie met de partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers uit de hele wereld, aangezien het ook mogelijk is dat beide partijen van buiten de EU komen. De griffie moet inkomende stukken betreffende geschillen tussen particulieren in alle officiële talen van de Gemeenschap verwerken. Ook moet zij mondeling en schriftelijk antwoorden op verzoeken van de partijen (bv. stand van zaken, zittingsrooster enz.) en de rechters (bv. verzoek om aanvullende informatie, ontbrekende documenten enz.). Om een goede werking van het gerecht te waarborgen kan men voor dergelijke dagelijkse contacten tussen de partijen en het gerecht niet rekenen op de normale vertaal- en tolkendiensten, maar moet de griffie hier zelf actief zijn. Bovendien is de griffie verantwoordelijk voor de samenwerking met de nationale autoriteiten die de beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht ingevolge de artikelen 244 en 256 van het EG-Verdrag ten uitvoer moeten leggen. Het Gemeenschapsoctrooigerecht geeft alleen het arrest; de bepalingen van het arrest moeten door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten ten uitvoer worden gelegd. De griffie moet zorgdragen voor communicatie in de officiële taal van de lidstaat waar de beslissing van het Gemeenschapsoctrooigerecht ten uitvoer wordt gelegd.

Een arrestenlezer lijkt noodzakelijk om te verifiëren of het arrest, dat de rechters opstellen in een taal die niet hun moedertal behoeft te zijn, taalkundig in orde is. Dit is de gangbare praktijk bij het Hof om de kwaliteitsnormen te waarborgen, en moet ook worden voorzien voor beslissingen van het nieuwe Gemeenschapsoctrooigerecht en de octrooikamer van het Gerecht van eerste aanleg. Verder lijkt een onderzoeker nodig, die de wetgeving en de jurisprudentie in de lidstaten onderzoekt, zodat het gerecht kan beschikken over de gegevens die nodig zijn om communautaire jurisprudentie op dit gebied te creëren. Omdat de rechtspraak in octrooigeschillen tussen particulieren een volledig nieuw aspect van de communautaire rechtsorde is, is dergelijk onderzoek naar in de lidstaten bestaande concepten absoluut noodzakelijk, zodat het gerecht er in zijn beoordeling van nieuwe zaken voldoende rekening mee kan houden. Een extra referendaris voor de advocaat-generaal lijkt noodzakelijk met het oog op de heroverwegingsprocedure van artikel 225, lid 2, van het EG-Verdrag voor het Hof van Justitie tegen beslissingen van het Gerecht van eerste aanleg. Alle octrooibeslissingen van het Gerecht van eerste aanleg moeten worden beoordeeld op hun uniformiteit en overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. Wanneer het gevaar groot is dat het Gemeenschapsrecht wordt overtreden, moet deze referendaris de advocaat-generaal steun geven bij de noodzakelijke procedure voor het Hof van Justitie. Afgezien van het personeel dat bij het Gemeenschapsoctrooigerecht zelf komt te werken, moeten ook voorzieningen worden getroffen voor de noodzakelijke versterking van de vertaaldienst. Ten slotte is de oprichting van een bibliotheek over industriële eigendom van essentieel belang voor het nieuwe gerecht. De relevante publicaties (uit alle lidstaten), zoals handboeken, tijdschriften en collecties van arresten, en ook publicaties over alle terreinen van de technologie moeten worden aangeschaft, terwijl ook toegang moet worden gekregen tot juridische en technische gegevensbanken.

- Aantrekken van personele middelen.

In de eerste fase van de nieuwe rechtspraak zal naar gelang van de aard en de omvang van de taken personeel worden aangetrokken.

In het jaar vóór de vermoedelijke start van de communautaire rechtspraak, in 2010, is met het oog op de noodzakelijke voorbereiding een beperkte personeelsomvang voldoende. Alleen de rechters en de referendarissen zullen moeten worden benoemd. Het is wel van belang dat alle rechters dan aanwezig zijn. Zij moeten het reglement voor de procesvoering voor octrooizaken opstellen, dat ingevolge artikel 224, vijfde alinea, en artikel 225 A, vijfde alinea, van het EG-Verdrag door de rechters zelf moet worden vastgesteld. Verder is in deze fase een bibliothecaris nodig om een begin te maken met de voorbereidingen voor het opzetten van de bibliotheek over industriële eigendom. Daarom zijn in tabel 2.3, onder c, en tabel 7.1 voor 2009 slechts 14 personeelsleden opgevoerd.

Aanzienlijk meer personeelsleden, maar nog niet de volledige personeelsstaf, zijn pas nodig wanneer het Gemeenschapsoctrooigerecht in 2010 gaat functioneren (de uitgaven nemen dienovereenkomstig toe, zie tabel 2.3, onder c, en tabel 7.1). Om zijn taken naar behoren te vervullen lijkt een aantal van 70 personeelsleden bij het opnemen van de werkzaamheden door het Gemeenschapsoctrooigerecht toereikend. Hiertoe behoren om te beginnen de zeven rechters van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Met name in de beginfase moet het gerecht een aantal uiterst belangrijke beslissingen nemen over fundamentele vragen, waardoor zij belangrijke jurisprudentie vaststelt. Deze beslissingen moeten door het gerecht in uitgebreide samenstelling worden genomen en niet door een uit drie rechters bestaande kamer. Dit aantal rechters is ook nodig om een soepel werkend gerecht in geval van ziekte of vakantie van een rechter te garanderen. Wat de drie rechters van de beroepskamer voor octrooizaken bij het Gerecht van eerste aanleg betreft, moet erop worden gewezen dat beroepen mogelijk zijn vanaf het tijdstip waarop het systeem operationeel wordt, met name voor voorlopige maatregelen en maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal. Verder moeten alle technische deskundigen, zeven voor het Gemeenschapsoctrooigerecht en drie voor het Gerecht van eerste aanleg vanaf het begin aanwezig zijn. De zaken kunnen op elk van de bestaande technologische terreinen betrekking hebben, zodat het aantal ook in de beginfase niet kan worden verminderd. De president van het Gemeenschapsoctrooigerecht, die afgezien van zijn rechterlijke functies ook te maken krijgt met administratieve taken en die het eerste Gemeenschapsgerecht voor geschillen tussen particulieren vertegenwoordigt, moet vanaf het begin worden bijgestaan door een kabinetschef. Zowel voor het Gemeenschapsoctrooigerecht als voor het Gerecht van eerste aanleg is vanaf het eerste jaar waarin zij functioneren, een arrestenlezer nodig, omdat beide gerechten vanaf het allereerste begin beslissingen zullen geven.

In de beginperiode van deze rechtspraak over het Gemeenschapsoctrooi zijn er evenwel nog maar vijf referendarissen voor het Gemeenschapsoctrooigerecht en twee voor het Gerecht van eerste aanleg nodig, alsmede 10 secretariaatsmedewerkers en één onderzoeker. Gezien de hoeveelheid zaken in deze eerste fase is ook een eerste (bescheiden) versterking van de vertaal- en tolkendienst van het Hof van Justitie nodig; tien vertalers en tien tolken lijken voldoende.

Sommige ambten kunnen later worden bezet naarmate het aantal zaken toeneemt (zie de toename van de uitgaven in tabel 2.3, onder c, en de tabellen 7.3 en 7.4). Dit betreft secretariële ondersteuning; hiervoor zijn voor 2012 elf nieuwe personeelsleden voorzien. Voor 2014 zijn nog eens 3 referendarissen voor de rechters van het Gemeenschapsoctrooigerecht en het Gerecht van eerste aanleg voorzien, zodat iedere rechter uiteindelijk door een referendaris zal worden bijgestaan. Dat jaar lijkt ook een extra referendaris voor de advocaat-generaal nodig voor de heroverweging van processen, aangezien het Gerecht van eerste aanleg dan al zo veel arresten in beroep zal hebben gegeven dat voor een zorgvuldig onderzoek met het oog op een eventuele heroverwegingsprocedure een extra ambt nodig is. Een tweede onderzoeker zal ook pas in 2014, wanneer het aantal zaken toeneemt, nodig zijn. Ten slotte kan de vertaal- en tolkencapaciteit van het Hof van Justitie naar rato van de toename van het aantal zaken geleidelijk worden uitgebreid, met tien man in 2012 en nog eens 18 in 2014. De totale personeelssterkte voor de communautaire octrooirechtspraak bedraagt dan in 2014 114 personen.

2.1. Totale toewijzing voor de actie (deel B): miljoenen euro's aan vastleggingskredieten

Geen

2.2. Duur

Begin: 2009.

Beëindiging: onbepaalde duur.

2.3. Meerjarenraming van de uitgaven

a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiering uit de begroting) (zie punt 6.1.1)

Niet van toepassing.

b) Technische en administratieve bijstand en ondersteuningsuitgaven (zie punt 6.1.2)

Niet van toepassing.

c) Financiële gevolgen in verband met de personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven (zie punt 7)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.4. Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

Niet van toepassing.

2.5. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

[...] Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de uitvoering van een maatregel).

OF

[X] Financiële gevolgen - Het effect op de ontvangsten is als volgt:

In het voorstel staat dat de partijen passende proceskosten in rekening worden gebracht voor gedingen inzake Gemeenschapsoctrooien in eerste en tweede aanleg (art. 23 van bijlage II bij het statuut). Het bedrag van de inkomsten kan nu evenwel nog niet worden geraamd. Bij het in rekening gebrachte bedrag moet een goed evenwicht worden gevonden tussen het beginsel van een eerlijke rechtsbedeling en een passende bijdrage van de partijen voor de diensten die de communautaire octrooirechter verleent om hun particuliere geschillen op te lossen. In ieder geval zullen de inkomsten uit de proceskosten slechts op bescheiden wijze bijdragen aan de totale kosten en in geen geval betekenen dat het systeem zelffinancierend wordt. De Raad zal met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie een tarief met de exacte bedragen vaststellen.

3. BEGROTINGSKENMERKEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. RECHTSGRONDSLAG

Artikelen 225 A en 245 van het EG-Verdrag

5. OMSCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1. Doel van het communautaire optreden

5.1.1. Doelstellingen

Het voorgestelde besluit van de Raad maakt deel uit van het algemene project een communautair octrooisysteem in te stellen. Via een herziening van het Europese Octrooiverdrag en de toetreding van de Gemeenschap tot dat verdrag wordt het Europees Octrooibureau gemachtigd Gemeenschapsoctrooien te verlenen die de houders rechten geven overeenkomstig de verordening van de Raad betreffende het Gemeenschapoctrooi. Na afloop van een overgangsperiode zullen geschillen over met name inbreuken op en de geldigheid van deze rechten aan een communautaire rechter worden voorgelegd. Deze maatregelen betekenen een hervorming van het octrooibeschermingssysteem in Europa, dat wordt gekenmerkt door nationale octrooititels die kunnen worden gehandhaafd voor de nationale rechter. Ook brengen ze de noodzakelijke aanpassingen ten behoeve van de Europese industrie, die steeds vaker in diverse lidstaten werkzaam is. De maatregelen moeten het concurrentievermogen van de innovatieve industrieën in de Unie vergroten door de invoering van een uniforme octrooibescherming voor de gehele Gemeenschap, die kan worden gehandhaafd voor een enkele communautaire rechter wiens beslissingen geldigheid hebben voor de gehele Gemeenschap.

Binnen dit algemene project beoogt dit voorstel de instelling van een Gemeenschapsoctrooigerecht voor de beslechting van geschillen inzake Gemeenschapsoctrooien en een regeling voor de nieuwe functie van het Gerecht van eerste aanleg als beroepsinstantie tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht.

5.1.2. Genomen maatregelen in verband met de evaluatie vooraf

Al decennia lang ziet men in dat er een octrooisysteem voor de gehele Gemeenschap moet komen. Eerste initiatieven resulteerden in het Europees Octrooiverdrag van 5 oktober 1973, dat het verlenen van het Europees octrooi door het Europees Octrooibureau harmoniseerde, maar geen bepalingen bevatte over de rechten die aan het Europees octrooi konden worden ontleend en evenmin voorzag in een enkele rechtspleging voor de beslechting van geschillen. Deze is nog steeds voorbehouden aan de nationale wetgever en de nationale rechter van de overeenkomstsluitende partijen. Bij een tweede initiatief probeerden de lidstaten van de EG een Gemeenschapsoctrooi te creëren op basis van een internationale overeenkomst waarin de rechtspraak was geïntegreerd. Het Gemeenschapsoctrooiverdrag werd op 15 december 1975 in Luxemburg ondertekend. Dit werd op 15 december 1989 gevolgd door een overeenkomst betreffende het Gemeenschapsoctrooi, dat een protocol over geschillenbeslechting inzake inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien bevatte. Dit verdrag trad echter nooit in werking. In het kader van de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997 (actieprogramma voor de interne markt) publiceerde de Commissie een groenboek over de bevordering van innovatie door octrooien. Bij de raadpleging over dit groenboek, en ook in het commentaar tijdens de hoorzitting van 25 en 26 november 1997, werd duidelijk blijk gegeven van steun voor de instelling van een Gemeenschapsoctrooisysteem. Ten slotte sprak de Europese Raad van Lissabon in maart 2000 zich uit voor de instelling van een Gemeenschapsoctrooisysteem. In zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 bereikte de Raad overeenstemming over een aantal belangrijke onderdelen van zo'n systeem, waaronder de instelling van een Gemeenschapsoctrooigerecht op basis van artikel 225 A van het EG-Verdrag.

5.2. Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting

Het voorstel is een belangrijk element van het beoogde Gemeenschapsoctrooisysteem. Het bevat de noodzakelijke wettelijke bepalingen voor de oprichting van een Gemeenschapsoctrooigerecht dat geschillen in verband met het Gemeenschapoctrooi zal behandelen; het Hof van Justitie krijgt hiervoor de nodige bevoegdheden. Voorts bevat het voorstel bepalingen die nodig zijn in verband met de nieuwe functie van het Gerecht van eerste aanleg als beroepsinstantie tegen beslissingen van het Gemeenschapsoctrooigerecht. Voor een efficiënt werkende rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi zijn passende middelen nodig. Er moet gezorgd worden voor het noodzakelijke personeel (rechters, griffier, toegevoegde rapporteurs, referendarissen, arrestenlezers, onderzoekers, secretariaatspersoneel, vertalers, tolken, een bibliothecaris) en voor rechtszalen en de nodige uitrusting (kantoormiddelen, ICT-faciliteiten, bibliotheek).

5.3. Uitvoering

Bij het onder 5.2 genoemde personeel gaat het om statutair personeel dat in dienst is bij het Hof van Justitie.

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1. Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

Niet van toepassing.

6.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

Niet van toepassing.

7. GEVOLGEN VOOR DE PERSONELE MIDDELEN EN DE HUISHOUDELIJKE UITGAVEN

7.1 Het jaar voor de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel wordt (2009)

Onderstaande tabellen geven een beeld van de gevolgen voor de personele middelen en de huishoudelijke uitgaven in 2009, het jaar voor de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel wordt.

7.1.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.1.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.1.3. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2009 uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.2. Eerste twee jaar dat de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel is (2010-2011)

Onderstaande tabellen geven een beeld van de gevolgen voor de personele middelen en de huishoudelijke uitgaven in 2010-2011, de eerste twee jaar na het operationeel worden van de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi.

7.2.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.2.2.1. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2010

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden. Nieuwe, in 2010 gecreëerde ambten worden berekend voor zes maanden.

7.2.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2011

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.2.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

7.2.3.1. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2010 uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.

7.2.3.2. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2011 uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.3. Derde en vierde jaar dat de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi operationeel is (2012 - 2013)

Onderstaande tabellen geven een beeld van de gevolgen voor de personele middelen en de huishoudelijke uitgaven in 2012 en 2013, het derde en vierde na het operationeel worden van de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi.

7.3.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.3.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

7.3.2.1. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2012

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden. Nieuwe, in 2012 gecreëerde ambten worden berekend voor zes maanden.

7.3.2.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen in 2013

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.3.3. Andere huishoudelijke uitgaven die in 2012 resp. 2013 uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.4. Eind van de eerste fase (2014)

Onderstaande tabellen geven een beeld van de gevolgen voor de personele middelen en de huishoudelijke uitgaven in 2014, het eind van de eerste fase, wanneer al het personeel voor de rechtspraak met betrekking tot het Gemeenschapsoctrooi aangetrokken is.

7.4.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.4.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden. Nieuwe, in 2014 gecreëerde ambten worden berekend voor zes maanden.

7.4.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité, alsmede de groep waarvan het comité deel uitmaakt, vermelden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. TOEZICHT EN EVALUATIE

8.1. Toezicht

De Raad spreekt in zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 (punt 5) over een evaluatie van het Gemeenschapsoctrooisysteem en de rechterlijke bevoegdheid. De organisatie van het Gemeenschapsoctrooigerecht en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie betreffende het werk van het Gemeenschapsoctrooigerecht voor de procedure in eerste aanleg en het Gerecht van eerste aanleg voor beroepszaken moeten ten aanzien van de inhoud van dit besluit in het licht van de opgedane ervaring worden herzien. De Commissie zal het Hof van Justitie en de betrokkenen moeten raadplegen om gegevens te verzamelen over de werking van de communautaire rechtspraak in octrooizaken. Zij moet de verzamelde informatie analyseren en zo nodig wijzigingen in het onderhavige besluit voorstellen.

8.2. Procedure en tijdschema van de voorgeschreven evaluatie

Op basis van de gemeenschappelijke politieke benadering van de Raad van 3 maart 2003 zal de Commissie vijf jaar na de verlening van het eerste Gemeenschapoctrooi een verslag over de werking van alle aspecten van het Gemeenschapoctrooi met inbegrip van de rechterlijke bevoegdheid indienen. Periodiek zal de situatie daarna ook nog worden geëvalueerd.

9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Niet van toepassing. Het voorstel behelst de instelling van een Gemeenschapsoctrooigerecht en de beroepsprocedure voor het Gerecht van eerste aanleg. Het betreft geen fraudegevoelig beleidsterrein.

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Benaming van het voorstel

Voorstel voor een besluit van de Raad tot oprichting van het Gemeenschapsoctrooigerecht en betreffende beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg

Referentienummer van het document

Het voorstel

1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen?

Met het Gemeenschapsoctrooisysteem wordt beoogd te zorgen voor een bescherming van het Gemeenschapsoctrooi voor een enkel gerecht, dat uniforme normen toepast en beslissingen geeft die in de gehele Gemeenschap van kracht zijn. Deze doelstelling kan alleen op communautair niveau worden gehaald.

Effect op het bedrijfsleven

2. Waarop is het voorstel van invloed?

- welke bedrijfstakken?

Alle sectoren die te maken hebben met technische uitvindingen waarvoor octrooibescherming mogelijk is, hebben belang bij een Gemeenschapsoctrooisysteem. Bij een geschil kunnen zij partij zijn bij een proces voor de communautaire rechter.

- welke bedrijfsomvang (met welk aandeel van kleine en middelgrote bedrijven)?

Alle bedrijven ongeacht hun omvang kunnen partij zijn bij een geschil inzake een Gemeenschapoctrooi voor de communautaire octrooirechter. De houder van een Gemeenschapoctrooi wil wellicht als eiser zijn rechten uit hoofde van dat octrooi voor het Gemeenschapsoctrooigerecht handhaven. Een derde kan ook als eiser optreden, wanneer hij de geldigheid van een Gemeenschapoctrooi, dat de houder exclusieve rechten verleent, wil aanvechten omdat het zijns inziens ongeldig is. Als verweerder kan de rechthebbende de geldigheid van zijn octrooi willen verdedigen, terwijl een derde zich tegen een vermeende inbreuk op een Gemeenschapoctrooi kan verweren.

Het Gemeenschapsoctrooisysteem beoogt de octrooiering van uitvindingen met name voor KMO's aantrekkelijker te maken, waardoor het belang van octrooiering met name voor deze groep ondernemingen zal toenemen. Tot dusverre worden octrooien voor afzonderlijke lidstaten aangevraagd en vindt de handhaving ook plaats voor de nationale rechter van de betrokken lidstaat op grond van het octrooirecht en volgens het procesrecht van die lidstaat, wat voor KMO's buitengewoon lastig is. Wanneer de Gemeenschap bevoegd is voor octrooizaken, is het mogelijk een enkel octrooirecht dat in de gehele Gemeenschap geldig is, in een enkele rechterlijke procedure met gemeenschappelijke normen te handhaven.

3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen?

De gevolgen voor het bedrijfsleven zijn alleen merkbaar bij geschillen over een Gemeenschapsoctrooi. Zij moeten zich dan vertrouwd maken met de procedure voor de Gemeenschapsoctrooirechter.

4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben?

Het voorstel heeft alleen economische gevolgen in combinatie met de andere wetgeving tot invoering van een Gemeenschapsoctrooisysteem. In zijn geheel bezien zal dit systeem positieve economische gevolgen hebben. In het bijzonder:

- voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven

Het Gemeenschapsoctrooi zal een positief effect op de investeringen hebben omdat de rechtsbescherming voor octrooien in de gehele Gemeenschap wordt verbeterd. De kans dat investeringen in innovatieve technologieën winst opleveren, is groter, waardoor verdere investeringen worden gestimuleerd. Omdat de betere rechtsbescherming bovendien goedkoper is, zal het bedrijfsleven een efficiënter gebruik van zijn bestaande budget voor onderzoek en ontwikkeling kunnen maken, waardoor er meer uitvindingen mogelijk zijn, wat weer een stimulans zal zijn voor investeringen om deze uitvindingen economisch te exploiteren. Aangezien een effectieve octrooibescherming vaak dient als rechtsgrond voor een economisch succesvol werkzaam bedrijf, zal een uitgebreidere, gemakkelijker en goedkopere octrooibescherming de oprichting van nieuwe bedrijven bevorderen.

- voor het concurrentievermogen van de bedrijven

Het Gemeenschapsoctrooi maakt de octrooibescherming effectiever, gemakkelijker en goedkoper, niet alleen voor bedrijven die al gebruik maken van octrooibescherming, maar ook voor andere bedrijven en met name voor het MKB zal octrooiering eenvoudiger worden. Wanneer het mogelijk is een uitvinding en de daarmee gepaard gaande investeringen in de gehele Gemeenschap te beschermen, kunnen alle bedrijven die van die mogelijkheid gebruik maken, beter concurreren op de interne markt. Bovendien neemt het concurrentievermogen van de Europese industrie ten opzichte van de belangrijkste handelspartners en concurrenten toe. Momenteel is octrooibescherming in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Japan veel goedkoper dan in Europa met zijn nationale en Europese octrooisystemen. Amerikaanse en Japanse bedrijven kunnen dan ook tegen veel lagere kosten geoctrooieerde producten ontwikkelen, die later wereldwijd worden verhandeld. Het is de bedoeling van het Gemeenschapsoctrooisysteem dit obstakel voor het concurrentievermogen van de Europese industrie uit de weg te ruimen.

- voor de werkgelegenheid

Meer investeringen in innovatieve technologieën en een groter concurrentievermogen van de Europese industrie zijn stimulansen voor de werkgelegenheid. Op alle technische terreinen en in verwante bedrijfstakken kan worden gerekend op nieuwe banen. Met name de moderne, innovatieve technologieën die een steeds grotere rol in de mondiale kenniseconomie spelen, zullen hiervan profiteren.

5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen enz.)?

Niet van toepassing. In het statuut van het Gemeenschapsoctrooigerecht en het Gerecht van eerste aanleg, voor beroepszaken, kan bij de instelling, de organisatie en de procedure geen onderscheid naar omvang van de ondernemingen worden gemaakt.

Raadpleging

6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen.

Al decennia lang ziet men in dat er een octrooisysteem voor de gehele Gemeenschap moet komen. Eerste initiatieven resulteerden in het Europees Octrooiverdrag van 5 oktober 1973, dat het verlenen van het Europees octrooi door het Europees Octrooibureau harmoniseerde, maar geen bepalingen bevatte over de rechten die aan het Europees octrooi konden worden ontleend en evenmin voorzag in een enkele rechtspleging voor de beslechting van geschillen. Deze was nog steeds voorbehouden aan de nationale wetgever en de nationale rechter van de overeenkomstsluitende partijen. Bij een tweede initiatief probeerden de lidstaten van de EG een Gemeenschapsoctrooi te creëren op basis van een internationale overeenkomst waarin de rechtspraak was geïntegreerd. Het Gemeenschapsoctrooiverdrag werd op 15 december 1975 in Luxemburg ondertekend. Dit werd op 15 december 1989 gevolgd door een overeenkomst betreffende het Gemeenschapsoctrooi, dat een protocol over geschillenbeslechting inzake inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien bevatte. Dit verdrag trad echter nooit in werking. In het kader van de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997 (actieprogramma voor de interne markt) publiceerde de Commissie een groenboek over de bevordering van innovatie door octrooien. Bij de raadpleging over dit groenboek, en ook in het commentaar tijdens de hoorzitting van 25 en 26 november 1997, werd duidelijk blijk gegeven van steun voor de instelling van een Gemeenschapsoctrooisysteem. Ten slotte sprak de Europese Raad van Lissabon in maart 2000 zich uit voor de instelling van een Gemeenschapsoctrooisysteem. In zijn gemeenschappelijke politieke benadering van 3 maart 2003 bereikte de Raad overeenstemming over een aantal belangrijke onderdelen van zo'n systeem, waaronder de instelling van een Gemeenschapsoctrooigerecht op basis van artikel 225 A van het EG-Verdrag.

Top