Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document COM:2001:20:FIN

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen, waarbij met name wordt ingegaan op het welzijn van zeugen (mate van beperking van de bewegingsvrijheid, groepshuisvesting)
Voorstel voor een Richtlijn van de Raad houdende wijziging van Richtlijn 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens

/* COM/2001/0020 def. */ /* COM/2001/0020 def. - CNS 2001/0021 */

52001DC0020

/* COM/2001/0020 def. */ Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen, waarbij met name wordt ingegaan op het welzijn van zeugen (mate van beperking van de bewegingsvrijheid, groepshuisvesting)


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen, waarbij met name wordt ingegaan op het welzijn van zeugen (mate van beperking van de bewegingsvrijheid, groepshuisvesting)

TOELICHTING

De bescherming van varkens valt onder de bevoegdheid van de Gemeenschap; bij Richtlijn 91/630/EEG van de Raad zijn minimumnormen ter bescherming van varkens vastgesteld.

Krachtens artikel 6 van die richtlijn dient de Commissie uiterlijk op 1 oktober 1997 aan de Raad een op basis van een advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité opgesteld verslag voor te leggen over welke intensieve houderijsystemen voldoen aan de vereisten ten aanzien van het welzijn van varkens in pathologisch, zoötechnisch, fysiologisch en gedragswetenschappelijk opzicht, alsmede over de sociaal-economische implicaties van de verschillende systemen. In dat verslag dient met name te worden ingegaan op het welzijn van zeugen waarvan de bewegingsvrijheid in verschillende mate wordt beperkt en van zeugen die in groepen worden gehouden; het verslag gaat vergezeld van passende voorstellen die gebaseerd zijn op de conclusies van het verslag.

Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming heeft op 30 september 1997 een advies goedgekeurd betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen.

Uit dat advies blijkt dat maatregelen moeten worden getroffen om het welzijn van varkens te verbeteren en in het bijzonder om het gebruik van individuele boxen voor drachtige zeugen in de toekomst te vermijden.

De Commissie beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de afgelopen jaren vijf lidstaten wetgeving voor de bescherming van varkens hebben goedgekeurd die verder gaat dan Richtlijn 91/630/EEG van de Raad, met name door de vaststelling van een verbod op individuele boxen voor drachtige zeugen en van voorschriften inzake betere vloeroppervlakten en afzonderlijke ruimten voor de verschillende gedragingen van de dieren.

Op basis van de bovengenoemde elementen heeft de Commissie een verslag opgesteld dat, vergezeld van passende voorstellen, zal worden voorgelegd aan de Raad (zie artikel 6 van de richtlijn).

Het doel van het voorstel van de Commissie is de bestaande wetgeving aan te passen aan de nieuwe wetenschappelijke informatie en aan de door de lidstaten op dit gebied opgedane ervaring.

Met het op artikel 6 gebaseerde voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/630/EEG wordt beoogd:

* het gebruik van individuele boxen voor drachtige zeugen en gelten en het aanbinden van dieren te verbieden;

* de leefruimte voor zeugen en gelten te vergroten;

* zeugen en gelten permanent de beschikking te geven over materiaal om te wroeten;

* het opleidings- en bekwaamheidsniveau inzake welzijnsvraagstukken van varkenshouders en personeel dat voor de dieren verantwoordelijk is, te verhogen, en

* nieuw wetenschappelijk advies in te winnen over bepaalde aspecten van de varkenshouderij.

Deze voorstellen voorzien in een Europees kader van aanvaardbare welzijnsnormen voor varkens. Om de industrie de tijd te geven zich naar deze hogere normen te schikken, is voorzien in een getrapte invoering van de maatregelen. Zodra de maatregelen volledig zijn ingevoerd, kan de varkensvleessector ervoor zorgen dat de bij de productie en de afzet toegepaste methoden acceptabel zijn voor de meerderheid van het publiek, wat het imago ten goede moet komen. Zodra alle maatregelen volledig operationeel zijn kan ten gepasten tijde worden overwogen om een en ander onder de aandacht te brengen via nieuwe etiketteringsvoorschriften, die met name ook moeten voorzien in afdoende consumenteninformatie.

Dierbescherming is een centraal punt met betrekking tot de ontwikkeling van het toekomstige landbouwbeleid in de EU, dat erop gericht moet zijn een aanvaardbaar imago te verzoenen met efficiënte houderijsystemen. Aanpassingen op het gebied van bedrijfsgrootte, productiemiddelen en communicatiebeleid, alsmede de sterke impact van een hoge participatie op de voordelen van productieplannen, moeten dat proces stimuleren.

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen, waarbij met name wordt ingegaan op het welzijn van zeugen (mate van beperking van de bewegingsvrijheid, groepshuisvesting)

1. Achtergrond

In Richtlijn 91/630/EEG van de Raad [1] zijn minimumnormen ter bescherming van varkens vastgesteld.

[1] PB L 340, december 1991, blz. 33.

Krachtens artikel 6 van die richtlijn dient de Commissie uiterlijk op 1 oktober 1997 aan de Raad een op basis van een advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité opgesteld verslag voor te leggen over welke intensieve houderijsystemen voldoen aan de vereisten ten aanzien van het welzijn van varkens in pathologisch, zoötechnisch, fysiologisch en gedragswetenschappelijk opzicht, alsmede over de sociaal-economische implicaties van de verschillende systemen. In dat verslag dient met name te worden ingegaan op het welzijn van zeugen waarvan de bewegingsvrijheid in verschillende mate wordt beperkt en van zeugen die in groepen worden gehouden, en het verslag dient vergezeld te gaan van passende voorstellen van de Commissie.

Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming werd verzocht een gedetailleerd onderzoek te wijden aan het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen en aan de sociaal-economische implicaties van de verschillende systemen.

Het Comité heeft een werkgroep van deskundigen opgericht onder voorzitterschap van professor P. Jensen (Landbouwuniversiteit, Instituut voor de leefomgeving en de gezondheid van dieren, Skara, Zweden).

Op 30 september 1997 heeft het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren een advies goedgekeurd betreffende het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen. Uit dit advies blijkt dat de Commissie maatregelen moet treffen om het welzijn van varkens verder te verbeteren.

Voorts is de Commissie zich ervan bewust dat de systemen voor de huisvesting van varkens in de Europese Unie de laatste jaren voortdurend zijn gewijzigd. Met name zijn de houderijsystemen in vele lidstaten aangepast op basis van nationale wetgeving inzake het welzijn van dieren die verder gaat dan Richtlijn 91/630/EEG aangezien extra eisen worden gesteld aan de verbetering van de leefomstandigheden van varkens in intensieve houderijsystemen, b.v. het houden van drachtige zeugen in groepen. In een aantal lidstaten moeten ook uit milieuoverwegingen de houderijsystemen voor varkens worden gewijzigd, onder andere door de verlaging van de bezettingsgraad.

Op basis van de conclusies van het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren en rekening houdend met de recente ontwikkelingen betreffende de ter zake geldende wetgeving in de EU, heeft de Commissie besloten passende voorstellen te doen tot wijziging van Richtlijn 91/630/EEG van de Raad.

Er zijn met name een voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 91/630/EEG en een door de Commissie goed te keuren voorstel op basis van het advies van het Permanent Veterinair Comité opgesteld.

Met het bij dit verslag gevoegde voorstel van de Commissie wordt beoogd de intensieve varkenshouderij te verbeteren met betrekking tot het welzijn van de dieren, b.v. het houden van drachtige zeugen in individuele boxen, de kwaliteit van de leefomgeving van de dieren en de kwaliteit van de momenteel gebruikte vloeren.

Een tweede, door de Commissie na advies van het Permanent Veterinair Comité goed te keuren voorstel strekt tot wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 91/630/EEG met het oog op de verbetering van de technische elementen van de huidige wetgeving. Het voorstel bevat hoofdzakelijk nieuwe voorschriften voor het houden van varkens in groepen, een minimumleeftijd voor het spenen, extra details inzake het vloeroppervlak en een verbod op routinematige verminkingen.

2. Belangrijkste productiesystemen in de Europese Unie - algemeen overzicht

In Europa wordt het ontwerp van de huisvesting beïnvloed door een aantal factoren waaronder het klimaat, de wetgeving, economische aspecten, de bedrijfsstructuur, de eigenaar, onderzoek en tradities.

De laatste tijd heeft de wetgeving inzake de bescherming van dieren en het milieu en inzake sociaal-economische kwesties een grote invloed gehad op de varkenshouderijsystemen in bepaalde lidstaten.

Bovengenoemde factoren hebben ertoe geleid dat de huisvesting van varkens in de Europese Unie aanzienlijk kan verschillen naar land en naar regio.

In dit hoofdstuk worden de huidige commerciële varkenshouderijbedrijven in de Unie, en in het bijzonder de intensieve houderijsystemen, kort beschreven.

2.1 Belangrijkste categorieën stalsystemen

De stalsystemen kunnen worden verdeeld in 3 categorieën op basis van de wijze van mestafvoer: diepstrooiselsystemen, mechanische mestafvoersystemen en roostersystemen.

Diepstrooiselsystemen

Bij deze systemen moet de volledige oppervlakte die de dieren tot hun beschikking hebben, schoon en droog worden gehouden door absorberend strooisel op de grond dat regelmatig wordt vervangen. Bij dergelijke systemen zullen de dieren de stalruimte vaak verdelen in gescheiden lig- en mestgedeelten door te gaan liggen in het rustigste gedeelte met de meest comfortable temperatuur en hun mest en gier te deponeren in de delen van de stal die koud, vochtig of tochtig zijn.

Hoewel stro het meest gebruikte materiaal voor dergelijke systemen is, wordt recentelijk ook zaagsel gebruikt, waarbij de anaërobe afbraak van afvalstoffen in sommige gevallen wordt gestimuleerd door de regelmatige toepassing van een enzymen/microbenmengsel.

Mechanische mestafvoersystemen

Bij deze systemen worden de lig- en mestruimte structureel gescheiden en wordt de mest met regelmatige tussenpozen, vaak dagelijks, verwijderd uit de mestruimte. Dergelijke systemen hebben het voordeel dat er weinig of geen strooisel nodig is en dat ze goed functioneren bij een kleinere oppervlakte per dier.

Roostersystemen

In de hele EU wordt het roostersysteem het meest gebruikt.

Bij deze systemen wordt de hygiëne gewaarborgd, meestal zonder enig strooisel, door de plaatsing van roostervloeren waar de mest doorheen kan vallen om vervolgens te worden opgeslagen in een ruimte die materieel gescheiden is van de ruimte voor de varkens. Doordat strooisel overbodig is, kan een dergelijk systeem worden toegepast op plaatsen waar geen graan wordt verbouwd, en is het over het algemeen minder arbeidsintensief.

De stallen bij dit systeem hebben een roostervloer over de volledige oppervlakte, dan wel een dichte vloer in de ligruimte en een roostervloer in de mestruimte. Onlangs zijn speciale roostersystemen ontwikkeld om de uitstoot van ammoniak te beperken.

2.2 Huisvestingssystemen voor verschillende categorieën varkens

a. Beren

Geslachtsrijpe beren worden normaliter individueel gehuisvest om de veiligheid van het personeel te bevorderen en het dekken te vergemakkelijken. Op KI-stations worden beren meestal in individuele boxen gehouden.

Vervangende fokberen worden normaliter op de leeftijd van 5 à 6 maanden bij een gespecialiseerde fokker gekocht. Zij worden ingezet zodra ze 6 à 7 maanden oud zijn en op de meeste bedrijven worden ze na 2 tot 3 jaar verkocht.

B. Droogstaande zeugen en vervangende gelten

Vervangende gelten worden, zoals slachtvarkens, normaliter in groepen gehouden totdat zij naar het fokbeslag worden overgebracht. Gewoonlijk worden deze gelten tot na hun eerste lactatie gescheiden gehouden van oudere zeugen.

Fokzeugen kunnen individueel worden gehuisvest, in stabiele groepen (die bij het spenen of het dekken worden samengesteld en niet meer worden gewijzigd tot het werpen) of in grote, zich voortdurend wijzigende groepen (waaruit regelmatig zeugen worden verwijderd om te werpen, en worden vervangen door pas gedekte zeugen). Individuele huisvesting vindt plaats in volledig gesloten ligboxen of in boxen waarin de zeug wordt aangebonden door middel van een hals- of een schoftriem (na 2005 is aanbinden in de EU verboden krachtens Richtlijn 91/630/EEG van de Raad).

B.1 Individuele huisvesting in ligboxen

In individuele ligboxen beschikt de zeug normaliter over een oppervlakte van 0,6-0,7 x 2,0-2,1 m, zodat zij zich niet kan omdraaien en de mest steeds op dezelfde plaats terechtkomt. Er zijn vele verschillende boxontwerpen: bij goede ontwerpen is de breedte van de box aangepast aan het lijf van de zeug, bestaan de scheidingen uit stangen of gaas zodat visueel contact mogelijk is maar agressie wordt voorkomen, en zijn de hoogte en het bevestigingspunt van het vloeranker zodanig dat verwondingen worden vermeden. De vloer is gewoonlijk een halfroostervloer, al komen ook volledigroostervloeren en strooiselvloeren voor. Gewoonlijk beschikken de zeugen over een trog die individueel is, dan wel gemeenschappelijk voor 4 tot 6 zeugen (waardoor zeugen van dezelfde grootte of gesteldheid in aanpalende boxen kunnen worden gehouden). De dieren kunnen manueel of automatisch worden gevoederd (1 tot 3 maal per dag) met droogvoer of brij.

B.2 Groepshuisvesting

Het ontwerp van groepshuisvestingssystemen wordt in hoge mate bepaald door de beperkingen van de huidige praktijken voor het voederen van zeugen. Om te garanderen dat elk dier precies krijgt wat het nodig heeft, zonder dat bij de zeugen agressie wordt opgewekt, moeten de dieren tijdens het voederen in aparte boxen worden opgesloten.

Droogstaande zeugen krijgen normaliter een- of tweemaal per dag een betrekkelijk kleine hoeveelheid krachtvoer.

De belangrijkste beschikbare voedersystemen voor dieren in groepshuisvesting zijn: individuele voederboxen, individuele voederboxen met een automatisch verdeelde vaste hoeveelheid, geautomatiseerde individuele identificatie en rantsoenverstrekking (aan voederstations) en onbeperkte voederverstrekking.

B.3 Werpen en zogen

Zeugen worden normaliter 3 tot 7 dagen voor de uitgerekende werpdatum (115 dagen na het dekken) van de afdeling voor drachtige zeugen verplaatst naar de kraamvoorzieningen.

Bij systemen met vrije uitloop worden hoogdrachtige en zogende zeugen ondergebracht in individuele of gemeenschappelijke paddocks met toegang tot individuele kraamhokken. Bij overdekte systemen worden voor deze periode overwegend zeugenboxen gebruikt. Deze boxen, die gewoonlijk 2,0-2,4 x 0,6 m groot zijn, zijn zo ontworpen dat de zeug in haar bewegingen word beperkt, en worden centraal of schuin in het kraamopfokhok geplaatst, dat ook van een speciale biggenruimte is voorzien.

Het aanbinden van zeugen in niet-gesloten boxen is een alternatief, maar zal worden verboden krachtens Richtlijn 91/630/EEG. In bepaalde lidstaten is het gebruik van zeugenboxen al beperkt tot de periode onmiddellijk voor en na het werpen.

In het algemeen worden in de EU gedurende de hele zoogperiode echter nog overwegend zeugenboxen gebruikt.

Recentelijk zijn ook voor stallen systemen ontwikkeld met individuele kraamnesten en een gemeenschappelijke ruimte. Het gaat hierbij onder andere om systemen met eenvoudige nestboxen, kleine vierkante nesthokken met een verwarmd biggennest. Deze systemen spelen vooralsnog geen rol van betekenis in de commerciële varkenshouderij.

De meeste zeugen blijven de gehele zoogperiode in de individuele zeugenbox of in het kraamopfokhok. Soms worden zeugen en tomen echter samengevoegd in een 'multisuckling'-systeem zodra de biggen daarvoor sterk genoeg zijn. De leeftijd waarop dit gebeurt, kan variëren van 2-3 dagen tot 2 weken.

C. Spenen en gespeende biggen

Normaliter worden de biggen abrupt gespeend tussen de 3de en de 5de week, al wordt op sommige bedrijven pas in de achtste levensweek gespeend. Op dat moment wordt de zeug teruggebracht naar de dekafdeling; de biggen blijven nog enige tijd in het kraamopfokhok of worden onmiddellijk naar de afdeling voor gespeende biggen overgeplaatst.

Voor gespeende biggen bestaan verscheidene huisvestingssystemen. In etagekooien worden kleine groepen varkens gehuisvest op volledigroostervloeren, normaliter in goed geïsoleerde ruimten met aanvullende verwarming. Zogenaamde "flat decks" ("vlakke batterij") hebben ook een volledigroostervloer maar zijn aan de bovenzijde open om de toegankelijkheid te bevorderen.

Bij intensieve huisvesting worden de dieren van de afdeling voor gespeende biggen van de eerste fase, na een periode van 2 tot 4 weken overgebracht naar de afdeling van de tweede fase. Bij extensievere huisvesting blijven de gespeende biggen soms in hetzelfde hok tot zij 30-40 kg wegen en in enkele gevallen zelfs tot zij worden geslacht.

D. Mestvarkens

Mestvarkens kunnen worden gehouden op volledigroostervloeren, halfroostervloeren, dunstrooiselvloeren met een mechanisch mestafvoersysteem of diepstrooiselvloeren met stro of zaagsel. Ofschoon de situatie per land verschilt, worden mestvarkens in de EU overwegend op volledig- of halfroostervloeren gehuisvest. Het voeder kan zowel droogvoer als brij zijn. Droogvoer wordt vaak ad libitum verstrekt uit een of meer silo's, al kan het voer later gerantsoeneerd worden om excessieve vetvorming bij niet op genotype geselecteerde varkens of een zeer hoog slachtgewicht te voorkomen. Bij huisvesting met klimaatregeling worden de dieren tijdens het mesten/afmesten gewoonlijk twee of drie keer overgeplaatst naar ruimere hokken om de ruimte optimaal te gebruiken.

3. Belangrijkste sociaal-economische aspecten van de varkensproductie in de EU

De varkenspopulatie in de EU is in de jaren negentig betrekkelijk stabiel gebleven. In 1998 evenwel is het totale aantal varkens met meer dan 5% gestegen ten opzichte van het voorafgaande jaar, namelijk tot 125 miljoen miljoen stuks (Eurostat). In 1999 en 2000 is de totale varkenspopulatie weer enigszins gedaald.

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

De totale populatie fokzeugen in de EU bedraagt ongeveer 12,6 miljoen zeugen [2] (zie grafiek).

[2] EUROSTAT 1997.

Wat de verdeling van de zeugen per land betreft (zie onderstaande tabel), blijkt uit de gegevens voor 1999 dat 72% van de totale populatie in de EU wordt gehouden in vijf landen.

Tabel 1: Aantal zeugen in de lidstaten van de EU (x 1000 en als % van het totaal (EUROSTAT 1999)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Hierbij moet worden opgemerkt dat de zeugenbestanden relatief groot zijn in Denemarken, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk in vergelijking met de overige landen waar minder bedrijven zijn met meer dan 200 zeugen. In Nederland heeft bijna 90% van de varkenshouderijen meer dan 100 zeugen. De beslagen zijn relatief klein in Duitsland waar meer dan 40% van de zeugenhouderijen minder dan 10 zeugen telt. In Italië heeft 80% van de bedrijven minder dan 10 zeugen terwijl 2% van de bedrijven 60% van de zeugenpopulatie beheert [3].

[3] H.J.M. Hendriks, B.K. Pedersen, H.M. Vermeer and M. Wittman: "Pig housing systems in Europe: current trends" 49th Annual Meeting of the European Association for animal production (Warsaw - Poland. August 1998).

Hoewel de zeugenpopulatie in Duitsland in de jaren negentig kleiner is geworden, blijft zij de grootste in Europa met 21,68% (EU-12) van alle zeugen; voor het totale aantal varkens is de kloof tussen Duitsland en Spanje, de op een na grootste producent in de EU, evenwel kleiner geworden.

In de EU wordt bijna 65 % van alle drachtige zeugen individueel gehuisvest en meer dan 60 % daarvan krijgt geen stro. In landen als Denemarken, Finland, Zweden, Nederland en het Verenigd Koninkrijk neemt het gebruik van groepshuisvestingssystemen voortdurend toe aangezien vrijheidsbeperkende systemen zoals boxen en aanbindsystemen, waarbij de zeugen zich niet of nauwelijks kunnen keren, bij de wet verboden zijn.

De jaarlijkse productie van varkensvlees in de EU bedraagt ongeveer 18 miljoen ton (1999). De EU is zelfvoorzienend in varkensvlees en is bovendien de grootste exporteur ter wereld.

In de EU is de consumptie van varkensvlees per hoofd van de bevolking gestaag toegenomen en voorspeld wordt dat deze ontwikkeling zich zal voortzetten.

De varkenshouderij is een zeer gespecialiseerde bedrijfstak geworden, vaak niet grondgebonden en gericht op het aankopen, mesten en verkopen van gestandaardiseerde dieren waarbij moet worden voldaan aan gedetailleerde specificaties en strenge leveringstermijnen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de structuur van de sector is beïnvloed door het feit dat de desbetreffende EU-marktordening voor varkens marktgericht is en niet voorziet in rechtstreekse steunmaatregelen zoals directe steun.

Momenteel is de productie in de Europese Unie erg geconcentreerd: van de varkenspopulatie wordt 72% gehouden in vijf lidstaten, en 21% alleen al in Duitsland.

In deze lidstaten zijn door de regionale concentratie van bedrijven grote aantallen varkens dicht bij elkaar gehuisvest. Zo wordt een derde van de totale varkenspopulatie in Spanje gehouden op bedrijven in Catalonië, 95% van de Belgische varkenspopulatie in het Vlaams Gewest, 90% van de Nederlandse varkens in het oosten en zuiden van het land en 65% van de Duitse varkenspopulatie in Beieren, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. Uit de gegevens waar de Commissie over beschikt, blijkt dat voor al deze gebieden, met uitzondering van Catalonië, de bezettingsgraad hoger is dan wat algemeen als ecologisch verantwoord wordt beschouwd (1,4 grootvee-eenheden per hectare) [4].

[4] Bron: CONCENTRATION OF LIVESTOCK PRODUCTION (Martin BOSCHMA, Alain JOARIS, Claude VIDAL - Eurostat) De volledige versie van het rapport is beschikbaar op de website van DG Landbouw op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/dg06/envir/report/en/live_en/report.htm

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Doordat de varkenshouderij als gevolg van de steeds kleinere marges -- door binnenlandse en buitenlandse concurrentie -- alleen nog maar rendabel kan worden gehouden door voortdurende schaalvergroting, is het gemiddelde aantal dieren per bedrijf en het percentage grote bedrijven aanzienlijk toegenomen. Zo is in de periode 1990-1995 in België het gemiddelde aantal dieren per bedrijf met 68% toegenomen, in Spanje met 59% en in Nederland met 36%. In Duitsland was de toename in dezelfde periode minder groot (19%) door de herstructurering die plaatsvond na de eenwording.

Als gevolg van de specialisatie is in bepaalde lidstaten, bijvoorbeeld Nederland, het verplaatsen van varkens tussen bedrijven heel gewoon, terwijl in gesloten systemen, b.v. het in Denemarken gangbare systeem, het aantal verplaatsingen en daarmee het risico van de verspreiding van ziekten wordt beperkt.

4. Overzicht van de belangrijkste bestaande wetgeving in de lidstaten ter bescherming van varkens in intensieve houderijsystemen

In tabel 2 wordt, op basis van de informatie die de bevoegde instanties in de eerste helft van 2000 hebben verstrekt, een overzicht gegeven van de huidige situatie in de lidstaten van de Unie op wetgevend gebied.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat om redenen van dierenwelzijn en milieubescherming in een aantal lidstaten verandering is gekomen in de wijze waarop varkens worden gehouden. In verschillende regio's van de Gemeenschap moeten varkenshouders voldoen aan strengere eisen met betrekking tot de huisvesting en het beheer van dieren.

In verscheidene lidstaten is in de wetgeving bepaald dat drachtige zeugen in groepen moeten worden gehouden en in twee landen (het VK en Zweden) zijn deze bepalingen al in werking getreden. In het VK wordt momenteel 85% van de zeugen in groepen gehuisvest en het aandeel neemt nog steeds toe.

Hoofdzakelijk in Noord-Europa is de wetgeving voor het houden van varkens afgestemd op de nieuwe eisen inzake voor de bescherming van dieren die worden beschreven in het advies van het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren, zoals de technische voorschriften betreffende het vloeroppervlak, de minimumafmetingen voor individuele boxen om ervoor te zorgen dat elk dier zich gemakkelijk kan omdraaien, materiaal ter verrijking van de leefomgeving, gedetailleerde voorwaarden voor de verdere toepassing van bepaalde verminkingen bij varkens en een verbod op bepaalde verminkingen.

Momenteel worden de varkenshouderijmethoden in de hele EU herzien op grond van milieu-overwegingen en overeenkomstige wetgeving. De EU-wetgeving voorziet in specifieke voorschriften voor de verlaging van de bezettingsgraad, en in specificaties inzake de vloeren en de mestafvoer om de ammoniakuitstoot te beperken.

De belangrijkste communautaire wetgeving ter vermindering van de milieuschade als gevolg van intensieve veehouderij is Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen [5]. Deze richtlijn is in de meeste lidstaten nog niet volledig ten uitvoer gelegd hoewel de termijnen voor het treffen van de meeste maatregelen al zijn verstreken [6].

[5] PB L 375, 31.12.1991, blz. 1.

[6] Zie voor nadere bijzonderheden: COM(1997) 473 en COM (1998) 16 definitief.

Onder druk van de milieuzorg en nieuwe normen inzake het welzijn van dieren zijn de varkenshouders genoodzaakt hun productiesystemen bij te stellen en de huisvesting van de dieren grondig te herzien.

Deze veranderingen worden vooral ingegeven door de eisen van de consument en de nieuwe, door de belangrijke winkelketens uitgewerkte normen voor het in de handel brengen van producten.

Tabel 2 : In de lidstaten bestaande wetgeving inzake de bescherming van varkens

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(*) Als veehouders "contrats territoriaux d'exploitation" sluiten, moeten zij strengere maatregelen inzake dierenwelzijn treffen.

(**) Daadwerkelijk van kracht.

(ñ) Heeft de Commissie geen informatie verstrekt.

5. Sociaal-economische aspecten met betrekking tot de verbetering van bepaalde welzijnsvoorschriften voor varkens, vervat in het voorstel van de Commissie

Een beter welzijn voor de dieren heeft uiteraard een prijs en deze maatregelen vormen daarop geen uitzondering. In een zo concurrentiële tak van de industrie als de varkensvleessector, waar de winstmarges uitzonderlijk klein zijn, kunnen de geringste prijsverschuivingen aanzienlijke gevolgen hebben op het vlak van de concurrentie. Ook zijn er consequenties voor de consument die uiteindelijk opdraait voor de kosten van de betere welzijnsnormen.

De varkensvleesproductie in de EU zal steeds sterker worden beïnvloed door de wereldhandel en de veranderende eisen en voorkeuren van de consument.

Vooral het welzijn van dieren wordt in de meeste landen steeds belangrijker en de wetgeving op dit gebied breidt zich uit. Tegenwoordig houden de voorschriften inzake welzijn sterk verband met het imago van de productie. Consumenten en producenten zijn zich steeds meer bewust van de gevolgen die fokkerij- en houderijmethoden kunnen hebben voor de dieren, voor hun gezondheid en welzijn en, niet het minst, voor het milieu.

In hoofdstuk 6.3 van zijn rapport heeft het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren een evaluatie gemaakt van welzijnsverbeterende maatregelen. In verschillende berekeningsmodellen, gebaseerd op de in Nederland geldende prijssituatie, worden welzijnsverbeterende maatregelen vergeleken met een basissituatie als aangegeven in Richtlijn 91/630/EEG van de Raad. De evaluatie omvat:

- een vergelijking tussen individuele huisvesting en groepshuisvesting voor droogstaande zeugen;

- de economische gevolgen van wijzigingen in het huisvestingssysteem voor lacterende zeugen;

- de economische gevolgen van wijzigingen inzake de leeftijd waarop biggen worden gespeend;

- de mogelijke gevolgen van een vergroting van de vloeroppervlakte voor mestvarkens en van het gebruik van stro;

- een raming van het mogelijke effect van hogere productiekosten als gevolg van welzijnsverbeterende maatregelen op de consumptie van varkensvlees en enkele overwegingen inzake houding en gedrag van de consument.

De voornaamste conclusies van de evaluatie worden samengevat in de volgende vijf punten:

1. Sommige nieuwe technieken en huisvestingssystemen die erop gericht zijn het welzijn van de dieren te verbeteren, verhogen de kostprijs van varkensvlees en drukken daardoor het inkomen van veehouders, terwijl andere maatregelen niets kosten of zelfs meer inkomsten opleveren. Aangezien de marges zeer klein zijn, kunnen zelfs geringe wijzigingen in de kosten de situatie grondig verstoren.

2. Wat de investeringen per zeug betreft, is de goedkoopste vorm van groepshuisvesting voor drachtige zeugen goedkoper dan elke vorm van individuele huisvesting. Dit voordeel zou echter gedeeltelijk of zelfs helemaal tenietgedaan worden door een lagere productiviteit van de zeugen (b.v. een daling van het aantal levendgeboren biggen per worp of een toename van de jaarlijkse uitval van zeugen).

3. De meeste consumenten zijn waarschijnlijk niet bereid om een hogere prijs te betalen voor varkensvlees dat is geproduceerd onder omstandigheden die uit een oogpunt van dierenwelzijn als beter worden ingeschat. Daarom zullen zowel het inkomen als de werkgelegenheid in de varkenssector in de EU ernstig worden bedreigd door een verminderd concurrentievermogen bij uitvoer naar derde landen enerzijds en door de mogelijke invoer van varkensvlees uit derde landen met lagere dierenwelzijnsnormen anderzijds.

4. Indien de comsument niet bereid is meer te betalen voor een beter dierenwelzijn en indien de invoer uit landen met lagere normen inzake het welzijn van dieren niet kan worden beperkt, dan kan de varkenssector alleen maar trachten de hogere kosten te compenseren, b.v. door grotere beslagen en door een betere economische efficiency.

5. Met de mogelijkheid dat de consument geen varkensvlees meer koopt indien hij van oordeel is dat het welzijn van de varkens beneden alle peil is, moet rekening worden gehouden, ook al zijn hierover nog geen concrete gegevens beschikbaar.

Hierbij mag evenwel niet worden vergeten dat, wanneer de bestaande huisvestingssystemen voor zeugen zouden worden aangepast aan dit voorstel, de kostprijs daarvan moeilijk zou kunnen worden geraamd aangezien de bestaande situatie sterk kan verschillen naargelang van de lidstaat. Uiteraard zouden de extra kosten het hoogst liggen voor recent gebouwde stallen, aangezien deze investeringen nog niet konden worden afgeschreven.

In het verslag van het Wetenschappelijk Comité staat verder ook dat, wanneer de huisvestingssystemen pas na een redelijk lange periode worden aangepast, de kostenberekening veel voordeliger uitvalt. De extra kosten die samengaan met het afschaffen van individuele zeugenboxen, leiden naar schatting tot een stijging van de kostprijs per kilogram geslacht gewicht met 0,006 EUR (bouwkosten + arbeidskosten in nieuw gebouw met roostervloer). Alle gegevens waarover de Commissie beschikt bevestigen dat de kosten hoger liggen wanneer de omschakeling moet plaatsvinden binnen een termijn van tien jaar; de verhoging wordt hier op 0,02 EUR per kilogram geslacht gewicht geraamd.

De kosten voor het bouwen van stallen met groepshuisvesting liggen lager dan die voor individuele boxensystemen: in het rapport van het Permanent Veterinair Comité (punt 6.3.3) staat dat de belangrijkste reden voor de daling van de investeringskosten moet worden gezocht in het overbodig worden van de dure boxen. De normale exploitatiekosten worden beïnvloed door twee belangrijke factoren: het gebruik van stro (de kostprijs hiervan is moeilijk kwantificeerbaar) en het systeem voor het voederen van de dieren (zie tabel 3).

In tabel 3 wordt een vergelijking gemaakt tussen de kosten en de opbrengsten voor bedrijven in Nederland, namelijk enerzijds bedrijven die voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 91/630/EEG van de Raad en waar zeugen worden gehouden in individuele boxen zonder toediening van stro, en anderzijds bedrijven met groepshuisvesting voor de zeugen. Uit de tabel blijkt dat de productiekosten voor groepshuisvestingssystemen met gebruikmaking van een elektronisch voedersysteem, lager liggen dan voor het individueleboxensysteem. De productiekosten stijgen wanneer stro wordt toegediend (hoofdzakelijk wegens de hoge kosten voor stro in Nederland) en wanneer de beschikbare oppervlakte aanzienlijk wordt verhoogd (namelijk sterker dan in het voorstel van de Commissie wordt voorgesteld).

Tabel 3 bevat een overzicht van de gegevens die zijn vervat in de tabellen in deel 6.3 van het verslag van het Wetenschappelijk Veterinair Comité, waar overigens meer gedetailleerde informatie beschikbaar is.

Tabel 3: Wijzigingen inzake kosten en opbrengsten van groepshuisvesting met EVS, in vergelijking met bedrijven met individuele huisvesting van zeugen op een typisch(**) Nederlands zeugenbedrijf (165 zeugen)

(Verslag PVC

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(*) EVS: Elektronisch voedersysteem

(**) Typisch: in overeenstemming met Richtlijn 91/630/EEG van de Raad

Er dient nogmaals op te worden gewezen dat voor deze tabel is uitgegaan van twee soorten installaties, een op basis van groepshuisvesting, een tweede op basis van de huidige individuele zeugenboxen. De tabel houdt zich niet bezig met het probleem van de extra investeringskosten voor producenten TTTABLEdie, zonder de voorgestelde wijzigingen van de richtlijn, niet zouden hebben moeten investeren in nieuwe installaties.

Met betrekking tot de financiële steun aan varkenshouders voor investeringen in gebouwen en installaties ter verbetering van het welzijn van varkens, moet worden opgemerkt dat Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) voorziet in steun voor investeringen in landbouwbedrijven, die ten doel hebben de dierenwelzijnsnormen te handhaven en te verbeteren. De steunmaatregelen moeten worden opgenomen in door de lidstaten op te stellen en door de Commissie goed te keuren programma's voor de ontwikkeling van het platteland. Zij komen in aanmerking voor co-financiering door het EOGFL en de betrokken lidstaat.

De internationale dimensie van dierenwelzijn en de betrekkingen met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vormen onmiskenbaar een complex vraagstuk waarin economie, ethiek, diergezondheid, volksgezondheid, voedselproductie en juridische kwesties samen een rol spelen. Daarom is dit verslag niet rechtstreeks aan dit vraagstuk gewijd, maar verwijst het naar de verschillende initiatieven waarmee de EG het dierenwelzijn in het kader van de WTO-onderhandelingen aan de orde wil stellen en ten einde te garanderen dat de inspanningen van de Gemeenschap voor een betere bescherming van landbouwhuisdieren niet door de handel worden ondermijnd.

In dit verband heeft de Gemeenschap in juni 2000 tijdens een bijeenkomst van de WTO een document ingediend dat specifiek is gewijd aan dierenwelzijn en handel in de landbouwsector. In dat document wordt toegelicht wat de EG nastreeft bij de besprekingen inzake het dierenwelzijn in het kader van de WTO. De Gemeenschap wil vooral garanderen dat de handel de inspanningen van de Gemeenschap voor een betere bescherming van het dierenwelzijn niet ondermijnt. De EG stelt een combinatie voor van een aantal maatregelen om dit te bereiken: 1) de ontwikkeling van multilaterale overeenkomsten, 2) adequate etiketteringsvoorschriften, 3) de compensering voor extra kosten om aan de dierenwelzijnsnormen te voldoen, niet koppelen aan verbintenissen inzake productievermindering.

Tabel 4: Marktprijzen voor varkensvlees(1)

Bron: Europese Commissie, directoraat-generaal Landbouw.

(1) Representatieve markten.

(2) Slachtgewicht - Klasse U; na 1 juli 1995 Klasse E.

(3) Berekend op basis van prijzen in nationale valuta.

(4) Gewogen gemiddelde in euro/100 kg.

6. Belangrijkste gebieden waarop maatregelen nodig zijn om het welzijn van varkens in intensieve houderijsystemen te verbeteren

Varkens hebben behoeften waaraan moet worden voldaan om hun welzijn te waarborgen.

Deze behoeften zijn onder andere bepaalde soortspecifieke gedragingen, voldoende lichaamsbeweging en passende bewegingen en houdingen om misvormingen van spieren, botten en gewrichten te voorkomen, het vermijden van verwondingen, ziekte en parasieten, en een passende sociale omgeving.

Gedrag, gezondheid en productiviteit van de varkens worden sterk beïnvloed door de specifieke vormgeving van hun huisvesting, klimaatfactoren en de houderijmethoden.

De deskundigen van het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren zijn tot bepaalde conclusies gekomen en hebben op grond daarvan aanbevelingen gedaan ter verbetering van het welzijn van de verschillende categorieën varkens in de intensieve varkenshouderij.

Op basis van deze conclusies en in het licht van de huidige ontwikkelingen in Europese varkenshouderijtechnieken heeft de Commissie een voorstel uitgewerkt voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van de huidige EU-wetgeving met betrekking tot de volgende vraagstukken.

6.1 Het houden van varkens in sociaal isolement en vooral het gebruik van individuele zeugenboxen veroorzaken ernstige welzijnsproblemen bij de dieren

Met uitzondering van volwassen beren en van zeugen in de kraamtijd zijn varkens sociale dieren.

Beren en gelten mogen niet in sociaal isolement worden gehouden. Het is wel aanvaardbaar om beren individueel te huisvesten, maar zij mogen niet permanent visueel en olfactorisch van andere varkens worden geïsoleerd.

Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren concludeert dat zeugen zelfs in de beste ligboxensystemen nog met ernstige welzijnsproblemen te kampen hebben. De voordelen van groepshuisvesting ten opzichte van individuele opsluiting in boxen voor het welzijn van de zeugen zijn met name dat zij normaal sociaal gedrag kunnen ontplooien en dat er meer mogelijkheden kunnen worden geboden om te wroeten of te spelen. De grootste problemen die zich voordoen bij aanbindsystemen doen zich ook voor bij huisvesting in boxen. Bijgevolg vertonen in groepen gehuisveste zeugen minder afwijkingen in de ontwikkeling van botten en spieren, veel minder abnormaal gedrag, minder kans op extreme fysiologische reacties, minder aandoeningen van de urinewegen als gevolg van inactiviteit en een betere cardiovasculaire conditie.

Individuele boxen waarin de zeug zich niet gemakkelijk kan omdraaien, mogen niet worden gebruikt.

Het voorstel van de Commissie beoogt een verbod op het gebruik van individuele boxen voor zeugen vanaf vier weken na het dekken tot zeven dagen voor de uitgerekende werpdatum. Het aanbinden van zeugen en gelten wordt definitief verboden. Er worden minimumafmetingen voor zeugenboxen vastgesteld zodat zeugen zich gemakkelijk kunnen omdraaien.

6.2 Het houden van varkens op kunstmatige vloeren, vooral het gebruik van volledigroostervloeren, is schadelijk voor het welzijn van de dieren

Het gebruik van kunstmatige vloeren is vooral nadelig voor de volgende behoeften van varkens: comfort bij het liggen, vermijden van verwondingen, beperking van de kans op ziekten, adequate regeling van de lichaamstemperatuur bij hoge en lage temperaturen. Bij het gebruik van roostervloeren (met gaten of spleten) in plaats van dichte vloeren kan de hygiëne worden verbeterd doordat het contact tussen het varken en de faeces/urine wordt beperkt. Het risico op verwondingen aan de poten is bij een dichte vloer kleiner dan bij een roostervloer. Poten kunnen gekneld raken in de gaten of spleten van roostervloeren en de vaste delen tussen de gaten of spleten kunnen te smal zijn om de poten gelijkmatig te ondersteunen.

Varkens geven de voorkeur aan geïsoleerde vloeren of strooiselvloeren omdat die fysiek en thermisch comfort bieden. Bij hoge temperaturen kan de afkoeling die een vloer kan bieden, voor de varkens belangrijker zijn dan het fysieke comfort of de isolatie van een strooiselvloer. Bij een hoge omgevingstemperatuur kunnen diepstrooisel- of compostsystemen derhalve de temperatuursregeling bij de varkens verstoren.

Strooiselvloeren beïnvloeden niet alleen het comfort, maar bieden ook gelegenheid tot wroeten en spelen, leveren, in het geval van stro, voedingsvezels, en geven varkens de mogelijkheid hun eetgedrag te ontplooien. Deze aspecten kunnen niet los van elkaar geanalyseerd worden.

Bij huisvestingssystemen voor het opfokken en afmesten van varkens moeten de ruimten gemakkelijk kunnen worden gescheiden naar functie (voeder-, lig- en mestruimten) of moet rechtstreeks contact met faeces in de ligruimten worden vermeden.

Grond om in te wroeten en voorwerpen of materiaal om mee te spelen zijn verrijkend voor de omgeving bij een kale huisvesting. Vooral vervormbaar materiaal, zoals hout met bast of dik touw, is aantrekkelijk voor varkens. Wanneer de dieren artificieel materiaal krijgen, neemt de belangstelling ervoor af naarmate de nieuwheid ervan verdwijnt. Alle varkens moeten permanent kunnen beschikken over grond om in te wroeten of over los materiaal.

Het voorstel van de Commissie bevat specifieke voorschriften voor betonnen roostervloeren. De voorschriften zijn bedoeld om beknelling van varkenspoten te voorkomen en ongemak bij het staan of lopen te vermijden. Varkens krijgen toegang tot verschillende passende, naar functie gescheiden ruimten en beschikken voortdurend over materiaal voor onderzoek en spel. Volgens het voorstel van de Commissie moeten de dieren permanent kunnen beschikken over vezelrijk voedsel.

6.3 Gebrek aan voederruimte is een mogelijke bron van agressie en van een slechte voedselconversie; het houden van hongerige dieren bevordert agressief gedrag

Sommige welzijnsproblemen van droogstaande zeugen kunnen zich voordoen bij verschillende houderijsystemen. De hoeveelheid voedsel die droogstaande zeugen krijgen, is gewoonlijk kleiner dan wat de zeugen zouden willen consumeren, zodat de dieren het grootste deel van hun leven honger lijden.

Alle zeugen moeten voldoende voedsel krijgen om zichzelf te onderhouden, te groeien en biggen te produceren. Alle zeugen moeten naast energierijk voer ook ruwvoer en vezelrijk voer krijgen om hun honger te stillen en in hun kauwbehoefte te voorzien.

Het voedersysteem voor zeugen in groepshuisvesting moet waarborgen dat ieder dier voldoende voedsel tot zich kan nemen zonder te worden aangevallen, zelfs in aanwezigheid van concurrenten.

Het voorstel van de Commissie beoogt het gebruik van voedersystemen die ervoor zorgen dat elk dier voldoende voedsel tot zich kan nemen zonder te worden aangevallen.

6.4 Varkenshouders met onvoldoende kennis van houderijtechnieken en welzijnsvereisten kunnen problemen veroorzaken bij toepassing van een overigens goed systeem

De kwaliteit van het veehouderschap is van grote invloed op het welzijn van de varkens, ongeacht het houderijsysteem. Een bekwame varkenshouder kan vele nadelige effecten van bepaalde houderijsystemen compenseren.

Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren beveelt aan dat eenieder die verantwoordelijk is voor de verzorging van varkens, over de daartoe vereiste vergunning zou moeten beschikken. Dergelijke vergunningen zouden pas na voldoende opleiding en certificering mogen worden afgegeven.

Met name het houden van zeugen in groepen vereist bijzondere kennis van de passende beheerspraktijken en inzicht in het belang van de toepassing van specifieke procedures.

Het voorstel van de Commissie bepaalt dat al wie varkens verzorgt, kennis moet hebben van de bepalingen inzake het welzijn van de dieren en deze bepalingen adequaat moet kunnen toepassen.

7. Belangrijkste gebieden waarop nader onderzoek nodig is om de bescherming van varkens verder te verbeteren

Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren concludeert dat extra onderzoek nodig is op gebieden waar de gevolgen van houderijpraktijken voor het welzijn van de varkens nog niet zijn onderzocht.

In het voorstel van de Commissie wordt bepaald op welke wijze deze problemen moeten worden aangepakt.

Bepaalde voorschriften van de richtlijn moeten in de toekomst waarschijnlijk worden herzien in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschap en van nieuwe varkenshouderijtechnieken.

De Commissie beoogt met haar voorstel te voorzien in de behoefte aan meer kennis op de volgende gebieden: de beoordeling van de gevolgen van groeibevorderaars voor het welzijn, het gebruik van antibiotica in voer en antibioticaresistentie, de gevolgen van bepaalde houderijpraktijken met betrekking tot de beschikbare ruimte per dier, het stalontwerp en de vloer voor mestvarkens, de gevolgen van individuele opsluiting van zogende zeugen en de ontwikkeling van systemen waarbij zeiugen en biggen in die periode vrij kunnen rondlopen zonder dat de biggensterfte toeneemt, voederpraktijken en het verband tussen deze praktijken en de beschikbaarheid van materiaal om te wroeten en te spelen.

Uit het advies van het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren blijkt dat, aangezien infectieziekten een groot welzijnsprobleem zijn, vooral aandacht moeten worden besteed aan de risicofactoren voor de meest voorkomende enzoötische ziekten. Ook moet bijzondere aandacht worden besteed aan de genetische veranderingen als gevolg van genetische manipulatie. Vooralsnog bestaat er weinig wetenschappelijke literatuur over het welzijn van transgene varkens en van varkens die zijn behandeld met stoffen die zijn geproduceerd met recombinant-DNA-technologie. Naar verwachting zullen ten aanzien van deze ontwikkelingen op het gebied van foktechnieken in de toekomst meer maatregelen nodig zijn in het kader van de communautaire wetgeving.

Top