Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62024CJ0843

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 21 mei 2026.
Orbán Viktor tegen 24.hu Szerkesztősége.
Verzoek van de Fővárosi Törvényszék om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) 2024/1083 – Artikel 3 – Werkingssfeer ratione temporis – Artikel 29 – Overgangsbepalingen – Publicatie in een lidstaat van een bericht waarin de inhoud van een ander bericht uit een andere lidstaat is overgenomen – Vermeend onjuiste feiten – Verzoek tot rectificatie – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 2 VEU.
Zaak C-843/24.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2026:426

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

21 mei 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) 2024/1083 – Artikel 3 – Werkingssfeer ratione temporis – Artikel 29 – Overgangsbepalingen – Publicatie in een lidstaat van een bericht waarin de inhoud van een ander bericht uit een andere lidstaat is overgenomen – Vermeend onjuiste feiten – Verzoek tot rectificatie – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 2 VEU ”

In zaak C‑843/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 2 december 2024, ingekomen bij het Hof op 9 december 2024, in de procedure

Viktor Orbán

tegen

24.hu Szerkesztősége,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        V. Orbán, vertegenwoordigd door Gy. Turi, ügyvéd,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en M. Z. Fehér als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, O. Gariazzo en A. Tokár als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid) (PB L, 2024/1083) en artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Viktor Orbán en 24.hu Szerkesztősége, een onlinenieuwsportaal, betreffende een verzoek tot rectificatie in de pers van een in Hongarije gepubliceerd bericht waarin de inhoud van een in een andere lidstaat verschenen bericht wordt overgenomen en dat een vermeend onjuist feit bevat.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 3 („Recht van ontvangers van mediadiensten”) van verordening 2024/1083 bepaalt het volgende:

„De lidstaten eerbiedigen het recht van ontvangers van mediadiensten om toegang te hebben tot een verscheidenheid aan redactioneel onafhankelijke media-inhoud en zorgen ervoor dat er in overeenstemming met deze verordening randvoorwaarden aanwezig zijn om dat recht te beschermen ten behoeve van een vrij en democratisch debat.”

4        Artikel 29 („Inwerkingtreding en toepassing”) van deze verordening bepaalt:

„Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 8 augustus 2025. Het volgende is evenwel van toepassing:

a)      artikel 3 is van toepassing met ingang van 8 november 2024;

[...]”

 Hongaars recht

5        § 12 van de sajtószabadságról és a médiatartalmak alapvető szabályairól szóló 2010. évi CIV. törvény (wet CIV van 2010 betreffende de mediavrijheid en de fundamentele regels inzake media-inhoud) (Magyar Közlöny 2010/170), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt in lid 1:

„Als een persoon het voorwerp is van onware feitelijke beweringen, geruchten of een verkeerde voorstelling van zaken in een mediabericht, kan hij publicatie eisen van een rectificatie waaruit blijkt welke feiten in het bericht onwaar of ongefundeerd zijn, welke feiten verkeerd zijn weergegeven en welke feiten daarentegen waar zijn.”

6        § 496 van de polgári perrendtartásról szóló 2016. évi CXXX. törvény (wet CXXX van 2016 betreffende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (Magyar Közlöny 2016/190), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt in lid 1:

„Als het persorgaan niet voldoet aan zijn verplichting om binnen de termijn een rectificatie te publiceren of de rectificatie niet in overeenstemming is met het verzoek, kan de persoon die om rectificatie verzoekt tegen het persorgaan een vordering tot publicatie van de rectificatie instellen. [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        Op 17 maart 2024 heeft het onlinenieuwsportaal 24.hu Szerkesztősége een bericht gepubliceerd met de titel „Spar is begonnen haar activa uit Hongarije terug te trekken” (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnd bericht”). Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht bevatte met name een verklaring van de algemeen directeur (CEO) van Spar Austria – de Oostenrijkse dochteronderneming van de Spar-groep – in een Oostenrijks tijdschrift, volgens welke de Hongaarse premier, Orbán, deze groep had gevraagd om een familielid toe te staan te investeren in de Hongaarse dochteronderneming van die groep (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde verklaring”).

8        Op 3 april 2024 heeft Orbán 24.hu Szerkesztősége op grond van de Hongaarse wettelijke regeling verzocht om de inhoud van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht in de pers te rectificeren. 24.hu Szerkesztősége heeft dat verzoek niet ingewilligd, maar heeft op 10 april 2024 aan het einde van dat bericht een stuk tekst toegevoegd met de titel „Laatste ontwikkelingen – Klachten”, waarin met name is vermeld dat Orbán een verzoek tot rectificatie heeft ingediend waarin hij stelt dat 24.hu Szerkesztősége een onjuist feit heeft overgenomen door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verklaring openbaar te maken, terwijl deze verklaring onjuist is.

9        Daar Orbán van mening was dat 24.hu Szerkesztősége niet aan de verplichting tot publicatie van de gevraagde rectificatie had voldaan, heeft hij beroep ingesteld bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter. Die rechter wijst erop dat de procedure moet worden heropend, aangezien het door hem op 17 mei 2024 gewezen vonnis wegens procedurele fouten is vernietigd.

10      Zonder te betwisten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verklaring getrouw is weergegeven in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht, verzoekt Orbán om 24.hu Szerkesztősége overeenkomstig de Hongaarse regeling te verplichten tot publicatie van een rectificatie waarin staat dat 24.hu Szerkesztősége bij de publicatie van deze verklaring een onjuist feit heeft overgenomen en dat hij in werkelijkheid noch de CEO van Spar Austria, noch een andere aandeelhouder, vertegenwoordiger of werknemer van de Spar-groep heeft gevraagd om een familielid van hem toe te staan te investeren in haar Hongaarse dochteronderneming.

11      In zijn verweerschrift betoogt 24.hu Szerkesztősége dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verklaring geen mededeling van een feit vormt, maar de uitdrukking is van de mening en het waardeoordeel van een van de journalisten van 24.hu Szerkesztősége, die wettelijke bescherming geniet. Voorts voert 24.hu Szerkesztősége aan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht, na de toevoeging van 10 april 2024, die in punt 8 van het onderhavige arrest is genoemd, zowel melding maakte van het verzoek tot rectificatie van Orbán als van de door hem gewenste weergave van de feiten teneinde de lezer een volledig beeld te geven.

12      De verwijzende rechter merkt op dat rectificatie in het Hongaarse rechtssysteem een instrument is van burgerlijk recht ter bescherming van persoonlijkheidsrechten waarmee in het openbaar begane schendingen van rechten effectief kunnen worden verholpen. Een verzoek tot rectificatie kan binnen een korte termijn worden ingediend door een persoon ten aanzien van wie in de media een feit waarvan de waarheid niet is aangetoond wordt vermeld of overgenomen, of ten aanzien van wie feiten onjuist zijn voorgesteld. Wanneer het betrokken persorgaan zijn verplichting tot rectificatie niet nakomt, kan die persoon zijn recht op rectificatie doen gelden in een gerechtelijke procedure.

13      Die rechter preciseert dat de beoordelingselementen die bij de toepassing van de regels inzake procedures voor rectificatie in de pers in aanmerking moeten worden genomen, wat de voor het hoofdgeding relevante bewijsvragen betreft, zijn vermeld in advies nr. 14 PK van de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije), dat sinds 1 juni 1984 van toepassing is. Volgens de verwijzende rechter blijkt uit dit advies dat het op zijn minst zeer moeilijk is om een negatief feit aan te tonen, zodat het aan het betrokken persorgaan staat om de juistheid van de betwiste feitelijke bewering in het betrokken bericht te bewijzen. Dit geldt in het algemeen ook wanneer in dat bericht een feitelijke bewering of verklaring van een persoon is weergegeven of wanneer daarin een bericht van een ander persorgaan is overgenomen. Dergelijke beginselen zijn overgenomen in de voor de Hongaarse rechterlijke instanties bindende rechtspraak die de Kúria naar aanleiding van haar advies nr. 14 PK heeft ontwikkeld.

14      In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of het feit dat aan de media in de regel de verplichting is opgelegd om het waarheidsgehalte van de verslaggeving aan te tonen – zoals in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling – in het geval van de overname van in een andere lidstaat onder redactionele verantwoordelijkheid gepubliceerde media-inhoud, of in het geval van de loutere mededeling daarvan, in overeenstemming is met het Unierecht, met name met artikel 3 van verordening 2024/1083, dat de lidstaten met name verplicht om het recht van de ontvangers van mediadiensten om toegang te hebben tot een verscheidenheid van redactionele onafhankelijke media-inhoud te eerbiedigen, en artikel 11 van het Handvest, dat waarborgt dat de vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.

15      De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat door middel van de procedures voor rectificatie in de pers artikel 3 van verordening 2024/1083 ten uitvoer is gebracht, zodat overeenkomstig artikel 51, lid 1, ervan ook het Handvest toepassing vindt. Met name de beginselen en doelstellingen van deze verordening moeten gelden voor deze procedures. Deze vormen een belangrijk element in het waarborgen van de mediavrijheid en mogen niet worden gebruikt om de verscheidenheid van de media te beperken.

16      Die rechter merkt evenwel op dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht op 17 maart 2024 is gepubliceerd, terwijl artikel 3 van verordening 2024/1083 overeenkomstig artikel 29 van die verordening pas sinds 8 november 2024 van toepassing is. Derhalve rijst de vraag of de toepassing van artikel 3 van die verordening in het kader van het hoofdgeding erop neerkomt dat aan dit artikel een verboden terugwerkende kracht wordt toegekend.

17      Bovendien vloeit uit artikel 2 VEU voort dat de Europese Unie berust op waarden, zoals de rechtsstaat, die de lidstaten gemeen hebben in een samenleving die met name wordt gekenmerkt door rechtvaardigheid. Aangezien uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een lidstaat zijn wetgeving niet zodanig mag wijzigen dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, moet in het kader van het hoofdgeding worden onderzocht of een van de mogelijke uitleggingen van de betrokken nationale regeling tot een dergelijke achteruitgang zou leiden doordat het recht van burgers op toegang tot een verscheidenheid aan onafhankelijke mediaproducten wordt ondermijnd. Aldus kan de bevoegdheid van de rechter in dit geval ook onafhankelijk van de toepasselijkheid van artikel 3 van verordening 2024/1083 worden vastgesteld en rechtstreeks op de bepalingen van het Handvest berusten.

18      Tegen deze achtergrond heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet [een] nationale rechter na 8 november 2024 het vanaf die datum toepasselijke artikel 3 van [verordening 2024/1083] toepassen, rekening houdend met het feit dat het bericht dat het voorwerp van het geschil vormt op 17 maart 2024 is gepubliceerd?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 3 van [verordening 2024/1083], gelezen in samenhang met het door artikel 11 van het [Handvest] gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, dan aldus worden uitgelegd dat in geval van een publicatie waarin media-inhoud wordt overgenomen die in een andere lidstaat onder redactionele verantwoordelijkheid is gepubliceerd, de ‚in het algemeen’ op het betrokken persorgaan rustende bewijslast met betrekking tot de in de overgenomen media-inhoud genoemde feiten niet in overeenstemming is met de vereisten van artikel 3?

3)      Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is dan de praktijk van een lidstaat volgens welke een persorgaan uitsluitend gerechtigd is om in een andere lidstaat gepubliceerde media-inhoud weer te geven indien het de waarheid van de overgenomen inhoud kan bewijzen, ook al blijkt uit het bericht ondubbelzinnig dat het om overgenomen media-inhoud gaat, in overeenstemming met het Unierecht en met name met artikel 11 van het Handvest?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

19      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 van verordening 2024/1083 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een geding betreffende een krachtens de regeling van een lidstaat ingediend verzoek tot rectificatie in de pers met betrekking tot een bericht waarin een vermeend onjuist feit uit een in een andere lidstaat verschenen publicatie is overgenomen, wanneer dit bericht is gepubliceerd op een datum vóór de datum waarop artikel 3 overeenkomstig artikel 29 van die verordening van toepassing is geworden.

20      In herinnering moet worden gebracht dat een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij wordt ingevoerd en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn geworden onder het oude recht, maar wel op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties. Dat is slechts anders – onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben – wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die de voorwaarden voor toepassing ratione temporis ervan specifiek vastleggen. In dit verband moeten regels van materieel Unierecht, anders dan procedureregels – die doorgaans worden geacht van toepassing te zijn vanaf de datum waarop zij in werking treden – om te verzekeren dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen worden geëerbiedigd, aldus worden uitgelegd dat zij ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities slechts van toepassing zijn voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan blijkt dat er een dergelijke werking aan dient te worden toegekend (zie arresten van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80–217/80, EU:C:1981:270, punten 9 en 10, en 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C‑645/19, EU:C:2021:483, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21      In de eerste plaats moet in het licht van de voorgaande overwegingen worden vastgesteld, ten eerste, dat artikel 3 van verordening 2024/1083 een regel van materieel recht is, aangezien daarin is bepaald dat de lidstaten het recht eerbiedigen van ontvangers van mediadiensten om toegang te hebben tot een verscheidenheid aan redactioneel onafhankelijke media-inhoud en ervoor zorgen dat er in overeenstemming met deze verordening randvoorwaarden aanwezig zijn om dat recht te beschermen ten behoeve van een vrij en democratisch debat.

22      Ten tweede bepaalt artikel 29 van verordening 2024/1083 dat deze verordening in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Aangezien deze verordening op 17 april 2024 is bekendgemaakt, is zij dus op 8 mei daaropvolgend in werking getreden. Dat artikel bepaalt echter ook de voorwaarden voor de toepassing van deze verordening in de tijd: het bepaalt dat de verordening van toepassing is met ingang van 8 augustus 2025, maar voorziet in een afzonderlijke toepassingsdatum voor sommige bepalingen ervan, waaronder artikel 3, dat van toepassing is met ingang van 8 november 2024.

23      In de tweede plaats blijkt, wat het hoofdgeding betreft, uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat het recht op rectificatie in de pers volgens de Hongaarse regeling tot doel heeft om in het openbaar begane schendingen van persoonlijkheidsrechten te verhelpen en dat dit recht rechtstreeks verband houdt met de mededeling van een feit over de betrokken persoon, al dan niet overgenomen uit een andere publicatie, waarvan de waarheid niet is aangetoond, of van feiten die in media-inhoud onjuist zijn weergegeven.

24      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie is dus sinds 17 maart 2024, de datum van publicatie van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bericht, definitief afgesloten, en aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het beroep dat in het hoofdgeding is ingesteld om dit recht op rectificatie in de pers te doen gelden (zie in die zin arrest van 27 oktober 2022, Stadt Mainz, C‑544/21, EU:C:2022:843, punt 23).

25      Hieruit volgt dat artikel 3 van verordening 2024/1083 ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding, aangezien deze situatie definitief is geworden vóór de datum waarop dat artikel van toepassing werd.

26      Teneinde de verwijzende rechter, die verwijst naar de eventuele toepassing van artikel 11 van het Handvest, een antwoord te geven dat in alle opzichten nuttig is, moet er bovendien aan worden herinnerd dat de bepalingen van het Handvest krachtens artikel 51, lid 1, ervan uitsluitend tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen.

27      De in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten kunnen dus toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [zie arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 19, en 26 februari 2026, Commissie/Hongarije (Recht om op een bepaalde radiofrequentie mediadiensten aan te bieden), C‑92/23, EU:C:2026:108, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28      Overigens dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof volgens zijn rechtspraak niet bevoegd is om uitspraak te doen over een juridische situatie wanneer die situatie niet binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt, en dat de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag kunnen vormen voor die bevoegdheid (zie arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 22, en 6 oktober 2015, Delvigne, C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Zoals in punt 25 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is artikel 3 van verordening 2024/1083 ratione temporis niet van toepassing op het hoofdgeding.

30      Daarnaast kan de toepassing van artikel 11 van het Handvest op dit geding niet gebaseerd zijn op het enkele feit dat de verwijzende rechter de in artikel 2 VEU verankerde waarden inroept. Dit artikel kan de grenzen die aan de werkingssfeer van de andere bepalingen van het Unierecht zijn gesteld namelijk niet ondoeltreffend maken, en in het bijzonder de bepalingen van het Handvest, die enkel tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, ervan [zie in die zin arrest van 21 april 2026, Commissie/Hongarije (Waarden van de Unie), C‑769/22, EU:C:2026:326, punt 550].

31      Nu uit de verwijzingsbeslissing geen verband met andere bepalingen van het Unierecht naar voren komt, moet worden geoordeeld dat artikel 11 van het Handvest niet van toepassing is op het hoofdgeding.

32      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3 van verordening 2024/1083 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een geding betreffende een verzoek tot rectificatie in de pers krachtens de regeling van een lidstaat met betrekking tot een bericht waarin een vermeend onjuist feit uit een in een andere lidstaat verschenen publicatie is overgenomen, wanneer dit bericht is gepubliceerd vóór de datum waarop artikel 3 overeenkomstig artikel 29 van die verordening van toepassing is geworden.

 Tweede en derde vraag

33      Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3 van verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid)

moet aldus worden uitgelegd dat

het niet van toepassing is op een geding betreffende een verzoek tot rectificatie in de pers krachtens de regeling van een lidstaat met betrekking tot een bericht een vermeend onjuist feit uit een in een andere lidstaat verschenen publicatie is overgenomen, wanneer dit bericht is gepubliceerd vóór de datum waarop artikel 3 overeenkomstig artikel 29 van die verordening van toepassing is geworden.

ondertekeningen


*      Procestaal: Hongaars.

Top