EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62008CO0519

Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 24 april 2009.
Archontia Koukou tegen Elliniko Dimosio.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Monomeles Protodikeio Athinon - Griekenland.
Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Clausules 5 en 8 van raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overheidssector - Opeenvolgende overeenkomsten - Verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers - Maatregelen ter voorkoming van misbruik - Sancties - Absoluut verbod in overheidssector om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd - Gevolgen van onjuiste uitvoering van richtlijn - Richtlijnconforme uitlegging.
Zaak C-519/08.

European Court Reports 2009 I-00065*

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2009:269





Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 24 april 2009 – Koukou / Elliniko Dimosio

(Zaak C‑519/08)

„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering − Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Clausules 5 en 8 van raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overheidssector – Opeenvolgende overeenkomsten – Verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers – Maatregelen ter voorkoming van misbruik – Sancties – Absoluut verbod in overheidssector om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd – Gevolgen van onjuiste uitvoering van richtlijn – Richtlijnconforme uitlegging”

1.                     Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausules 5, punt 1, sub a, en 8, punt 3) (punten 48, 59, 72, 81, 91, 102, 133, dictum 1-6, 8)

2.                     Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Verbod van verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers op door die raamovereenkomst bestreken gebied (Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausules 5, punt 1, en 8, punt 3) (punt 124, dictum 7)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing – Monomeles Protodikeio Athinon – Uitlegging van de clausules 5 en 3 van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) – Objectieve redenen die onbeperkte vernieuwing van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigen – In nationale regeling opgenomen verplichting om dergelijke overeenkomsten te sluiten – Verbod om uitvoeringsregeling vast te stellen die de bescherming van werknemers verlaagt – Begrip „verlaging”

Dictum

1)

Clausule 5, punt 1, sub a, van de op18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is gevoegd, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd dat slechts wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het is voorzien in een algemene wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat. Het begrip „objectieve redenen” in de zin van genoemde clausule vereist daarentegen dat het gebruik van dit specifieke type arbeidsverhouding zoals bedoeld in de nationale regeling, zijn rechtvaardiging vindt in concrete elementen die met name verband houden met de betrokken activiteit en de uitoefeningsvoorwaarden ervan.

2)

Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die weliswaar als preventieve maatregel tegen misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd de verplichting oplegt om een maximale totale duur van dergelijke arbeidsovereenkomsten na te leven, doch voorziet in uitzonderingen op deze beperking voor bepaalde categorieën werknemers, indien voor hen ten minste een van de in die clausule genoemde preventieve maatregelen tegen misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gelden.

3)

Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die als maatregel tegen misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voorziet in betaling van het salaris en van een vergoeding alsook in strafrechtelijke en disciplinaire sancties, voor zover deze regeling, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan, door de toepassingsvoorwaarden en de daadwerkelijke toepassing van de relevante bepalingen van het interne recht een adequate maatregel vormt om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector te bestraffen.

4)

Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich, voor zover de interne rechtsorde van betrokken lidstaat in de overheidssector geen andere doeltreffende maatregelen kent om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en in voorkomend geval te bestraffen, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan, verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, wanneer deze ratione temporis niet van toepassing is op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn gesloten of vernieuwd na het verstrijken van de in richtlijn 1999/70 bepaalde periode voor uitvoering, indien zij niet meer liepen op de datum van inwerkingtreding van deze regeling of op enig moment in het tijdvak van drie maanden voorafgaand aan deze datum.

5)

Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat zij, indien de interne rechtsorde van de betrokken lidstaat in de betrokken sector andere doeltreffende maatregelen kent om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de zin van dit punt 1 te voorkomen en in voorkomend geval te bestraffen, geen belemmering vormt voor de toepassing van een regel van nationaal recht die, uitsluitend in de overheidssector, voorziet in een absoluut verbod om opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die, aangezien zij tot doel hadden te voorzien in permanente en blijvende behoeften van de werkgever, moeten worden geacht misbruik op te leveren, om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Door de verwijzende rechter dient echter te worden getoetst in hoeverre de toepassingsvoorwaarden en de daadwerkelijke toepassing van de relevante bepalingen van het interne recht een adequate maatregel vormen om in de overheidssector misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en in voorkomend geval te bestraffen.

6)

Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich in beginsel niet ertegen verzet dat de bestuursrechter exclusief bevoegd is voor gedingen met betrekking tot misbruik als gevolg van het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector. De verwijzende rechter dient er echter op toe te zien dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming wordt gewaarborgd onder naleving van de beginselen van effectiviteit en gelijkwaardigheid.

7)

Clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarin, voor de vaststelling of er sprake is van misbruik als gevolg van het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, extra voorwaarden zijn vastgesteld naast die welke in het eerdere interne recht waren vastgesteld, zoals met name artikel 8, lid 3, van wet 2112/1920 inzake de verplichte ontbinding van arbeidsovereenkomsten van werknemers in de privésector, indien dergelijke voorwaarden, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan, betrekking hebben op een beperkte categorie werknemers die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten, of worden gecompenseerd door de vaststelling van preventieve maatregelen tegen misbruik als gevolg van het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de zin van clausule 5, punt 1, van genoemde raamovereenkomst.

8)

Het is aan de verwijzende rechter om de relevante bepalingen van intern recht zoveel mogelijk conform de clausules 5, punt 1, en 8, punt 3, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd uit te leggen en in dit verband te bepalen of een bepaling van intern recht, zoals artikel 8, lid 3, van wet 2112/1920, in plaats van bepaalde andere bepalingen van dit recht op het hoofdgeding dient te worden toegepast.

Top