Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61974CJ0002

Arrest van het Hof van 21 juni 1974.
Jean Reyners tegen Belgische Staat.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Raad van State - België.
Zaak 2-74.

European Court Reports 1974 -00631

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1974:68

61974J0002

ARREST VAN HET HOF VAN 21 JUNI 1974. - J. REYNERS TEGEN BELGISCHE STAAT. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE BELGISCHE RAAD VAN STATE). - ZAAK NO. 2/74.

Jurisprudentie 1974 bladzijde 00631
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00317
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00325
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00293
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00309
Finse bijz. uitgave bladzijde 00311


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . VRIJHEID VAN VESTIGING - BEPERKINGEN - OPHEFFING - OVERGANGSPERIODE - EINDE - REGEL VAN GELIJKE BEHANDELING - RECHTSTREEKSE TOEPASSELIJKHEID

( EEG-VERDRAG, ART . 7, 8, LID 7, EN 52 )

2 . VRIJHEID VAN VESTIGING - AFWIJKING - TOEPASSINGSGEBIED - BEPERKING - OPENBAAR GEZAG - UITOEFENING - RECHTSTREEKSE EN SPECIFIEKE DEELNEMING - ADVOCAAT - KENMERKENDE NIET-UITGEZONDERDE WERKZAAMHEDEN

( EEG-VERDRAG, ART . 55 )

Samenvatting


1 . DE REGEL VAN DE GELIJKE BEHANDELING IS EEN VAN DE FUNDAMENTELE RECHTSVOORSCHRIFTEN VAN DE GEMEENSCHAP . WAAR HIJ VERWIJST NAAR EEN GEHEEL VAN WETTELIJKE BEPALINGEN DIE DOOR HET LAND VAN VESTIGING DAADWERKELIJK OP DE EIGEN ONDERDANEN WORDEN TOEGEPAST, IS DEZE REGEL NAAR ZIJN AARD GEEIGEND DOOR DE ONDERDANEN VAN ALLE ANDERE LID-STATEN RECHTSTREEKS TE WORDEN INGEROEPEN . DOOR DE VERWEZENLIJKING VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING OP HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE TE FIXEREN, LEGT ARTIKEL 52 EEN NAUWKEURIG OMSCHREVEN RESULTAATSVERPLICHTING OP, WELKER NAKOMING MOET WORDEN VERGEMAKKELIJKT, MAAR NIET GECONDITIONEERD, DOOR DE GELEIDELIJKE UITVOERING VAN EEN PROGRAMMA VAN MAATREGELEN . SEDERT HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE IS ARTIKEL 52 EEG-VERDRAG RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK NIETTEGENSTAANDE HET ONTBREKEN OP EEN BEPAALD TERREIN VAN DE RICHTLIJNEN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 54, LID 2, EN 57, LID 1, VAN HET VERDRAG .

2 . GELET OP HET FUNDAMENTELE KARAKTER, IN HET SYSTEEM VAN HET VERDRAG, VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN DE REGEL VAN GELIJKE BEHANDELING, MAG AAN DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, TOEGELATEN AFWIJKINGEN GEEN DRAAGWIJDTE WORDEN TOEGEKEND DIE VERDER GAAT DAN HET DOEL WAARVOOR DEZE UITZONDERING IS OPGENOMEN .

DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, EEG-VERDRAG VOORZIENE UITZONDERING OP DE VRIJHEID VAN VESTIGING MOET WORDEN BEPERKT TOT DIE DER IN ARTIKEL 52 BEDOELDE WERKZAAMHEDEN, DIE OP ZICHZELF EEN RECHTSTREEKSE EN SPECIFIEKE DEELNEMING AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG MEDEBRENGEN; IN HET KADER VAN EEN VRIJ BEROEP ALS DAT VAN ADVOCAAT KUNNEN IN GEEN GEVAL ALS ZODANIG WORDEN GEKWALIFICEERD WERKZAAMHEDEN ALS DE CONSULTATIE EN DE RECHTSBIJSTAND OF DE VERTEGENWOORDIGING EN VERDEDIGING VAN PARTIJEN IN RECHTE, OOK INDIEN HET VERRICHTEN VAN DIE WERKZAAMHEDEN EEN IN DE WET VASTGELEGD VERPLICHT OF EXCLUSIEF KARAKTER HEEFT .

Partijen


IN DE ZAAK 2-74,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN DE BELGISCHE RAAD VAN STATE, IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

JEAN REYNERS, DOCTOR IN DE RECHTEN, BESTUURDER ENER VENNOOTSCHAP, WONENDE TE SINT-LAMBRECHTS-WOLUWE ( BRUSSEL ),

EN

BELGISCHE STAAT, VERTEGENWOORDIGD DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE,

INTERVENIERENDE PARTIJ : DE NATIONALE ORDE VAN ADVOCATEN VAN BELGIE,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 52 EN 55 EEG-VERDRAG, IN VERBAND MET HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 24 AUGUSTUS 1970 TOT UITVOERING VAN EEN AFWIJKING VAN DE VOORWAARDE VAN NATIONALITEIT GESTELD BIJ ARTIKEL 428 VAN HET GERECHTELIJK WETBOEK BETREFFENDE HET VOEREN VAN DE TITEL EN DE UITOEFENING VAN HET BEROEP VAN ADVOCAAT,

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT DE BELGISCHE RAAD VAN STATE BIJ ARREST VAN 21 DECEMBER 1973, INGEKOMEN TER GRIFFIE VAN HET HOF VAN 9 JANUARI 1974, KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG TWEE VRAGEN HEEFT GESTELD INZAKE DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 52 EN 55 EEG-VERDRAG BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING IN VERBAND MET DE UITOEFENING VAN HET BEROEP VAN ADVOCAAT;

2 DAT DEZE VRAGEN ZIJN GEREZEN IN HET KADER VAN EEN BEROEP, INGESTELD DOOR EEN NEDERLANDS ONDERDAAN, HOUDER VAN HET WETTELIJK DIPLOMA DAT IN BELGIE TOEGANG VERLEENT TOT DE ADVOCATUUR, WAARUIT HIJ ZICH OP GROND VAN ZIJN NATIONALITEIT ZIET GEWEERD INGEVOLGE HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 24 AUGUSTUS 1970 BETREFFENDE HET VOEREN VAN DE TITEL EN DE UITOEFENING VAN HET BEROEP VAN ADVOCAAT ( BELGISCH STAATSBLAD, 1970, BLZ . 9060 );

DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 52 EEG-VERDRAG

3 OVERWEGENDE DAT DE RAAD VAN STATE VRAAGT OF ARTIKEL 52 EEG-VERDRAG SEDERT HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE "RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK" IS, NIETTEGENSTAANDE HET ONTBREKEN VAN DE RICHTLIJNEN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 54, LID 2, EN 57, LID 1, VAN HET VERDRAG;

4 OVERWEGENDE DAT DE BELGISCHE EN DE IERSE REGERING OP GOEDDEELS GELIJKLUIDENDE GRONDEN HEBBEN BETOOGD DAT ZODANIGE WERKING AAN ARTIKEL 52 NIET KAN WORDEN TOEGEKEND;

5 DAT, GEZIEN IN DE CONTEXT VAN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING, WAARNAAR MET DE WOORDEN "IN HET KADER VAN DE VOLGENDE BEPALINGEN" UITDRUKKELIJK WORDT VERWEZEN, DIT ARTIKEL WEGENS DE INGEWIKKELDHEID VAN HET ONDERWERP NIET MEER ZOU INHOUDEN DAN EEN EENVOUDIG BEGINSEL, WAARVAN DE TOEPASSING NOODZAKELIJKERWIJS AFHANKELIJK ZOU ZIJN VAN EEN SAMENSTEL VAN AANVULLENDE, ZOWEL COMMUNAUTAIRE ALS NATIONALE, BEPALINGEN VOORZIEN BIJ DE ARTIKELEN 54 EN 57;

6 DAT DE DOOR HET VERDRAG GEKOZEN VORM VOOR DEZE UITVOERINGSHANDELINGEN - OPSTELLING VAN EEN "ALGEMEEN PROGRAMMA", OP ZIJN BEURT TEN UITVOER GELEGD DOOR EEN SAMENSTEL VAN RICHTLIJNEN - ZOU BEVESTIGEN DAT ARTIKEL 52 RECHTSTREEKSE WERKING ONTBEERT;

7 DAT HET DE RECHTER NIET ZOU TOEKOMEN EEN BEOORDELINGSBEVOEGDHEID UIT TE OEFENEN, WELKE IS VOORBEHOUDEN AAN DE WETGEVENDE INSTELLINGEN VAN DE GEMEENSCHAP EN VAN DE LID-STATEN;

8 DAT DIT BETOOG IN HOOFDZAAK WORDT GESTEUND DOOR DE BRITSE EN DE LUXEMBURGSE REGERING EN DOOR DE NATIONALE ORDE VAN ADVOCATEN VAN BELGIE, INTERVENIENTE IN HET HOOFDGEDING;

9 OVERWEGENDE DAT VERZOEKER IN HET HOOFDGEDING ZIJNERZIJDS OPMERKT DAT IN ZIJN GEVAL ALLEEN EEN DISCRIMINATIE OP GROND VAN NATIONALITEIT IN GEDING IS, AANGEZIEN AAN ZIJN TOELATING TOT DE ADVOCATUUR VOORWAARDEN WORDEN GESTELD WELKE NIET GELDEN VOOR BELGISCHE ONDERDANEN;

10 DAT ARTIKEL 52 IN DIT OPZICHT EEN DUIDELIJKE EN VOLLEDIGE BEPALING ZOU ZIJN, WELKE GEEIGEND IS RECHTSTREEKS TE WERKEN;

11 DAT DE DUITSE REGERING, IN HOOFDZAAK GESTEUND DOOR DE NEDERLANDSE, ONDER VERWIJZING NAAR 'S HOFS ARREST VAN 16 JUNI 1966 IN DE ZAAK 57-65 ( LUETTICKE, JURISPRUDENTIE 1966, BLZ . 346 ) MEENT DAT DE BEPALINGEN DIE AAN DE LID-STATEN EEN VERPLICHTING OPLEGGEN WAARAAN ZIJ BINNEN EEN BEPAALDE TERMIJN MOETEN VOLDOEN, RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK WORDEN WANNEER NA AFLOOP VAN DIE TERMIJN NIET AAN DE VERPLICHTING IS VOLDAAN;

12 DAT DE LID-STATEN BIJ HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE DERHALVE DE MOGELIJKHEID ZOUDEN HEBBEN VERLOREN OM BEPERKINGEN OP DE VRIJHEID VAN VESTIGING TE HANDHAVEN, DAAR ARTIKEL 52 VANAF DAT TIJDSTIP HET KARAKTER VAN EEN OP ZICHZELF VOLLEDIGE EN JURIDISCH PERFECTE BEPALING ZOU HEBBEN;

13 DAT DERHALVE HET "ALGEMEEN PROGRAMMA" EN DE IN ARTIKEL 54 BEDOELDE RICHTLIJNEN SLECHTS VAN BELANG ZOUDEN ZIJN GEWEEST VOOR DE OVERGANGSPERIODE, AANGEZIEN DE VRIJHEID VAN VESTIGING AAN HET EINDE DAARVAN VOLLEDIG ZOU ZIJN VERWEZENLIJKT;

14 DAT DE COMMISSIE, ONDANKS HAAR TWIJFEL AAN DE RECHTSTREEKSE WERKING VAN DE UIT TE LEGGEN BEPALING - ZOWEL VANWEGE DE VERWIJZING IN HET VERDRAG NAAR HET "ALGEMEEN PROGRAMMA" EN NAAR DE UITVOERINGSRICHTLIJNEN, ALS VANWEGE DE STREKKING VAN BEPAALDE REEDS VASTGESTELDE LIBERALISATIERICHTLIJNEN, DIE NIET OP ALLE PUNTEN EEN VOLSTREKT GELIJKE BEHANDELING ZOUDEN BEREIKEN -, NIETTEMIN VAN MENING IS DAT ARTIKEL 52 OP ZIJN MINST GEDEELTELIJK RECHTSTREEKSE WERKING HEEFT, VOOR ZOVER HET INZONDERHEID DISCRIMINATIES OP GROND VAN NATIONALITEIT VERBIEDT;

15 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 7 VAN HET VERDRAG, WAARIN EEN DER "BEGINSELEN" VAN DE GEMEENSCHAP IS VERVAT, BEPAALT DAT BINNEN DE WERKINGSSFEER VAN DIT VERDRAG EN ONVERMINDERD DE BIJZONDERE BEPALINGEN DAARIN GESTELD, "ELKE DISCRIMINATIE OP GROND VAN NATIONALITEIT VERBODEN" IS;

16 DAT ARTIKEL 52 DE TOEPASSING VAN DEZE ALGEMENE BEPALING OP HET BIJZONDERE TERREIN VAN HET RECHT VAN VESTIGING VERZEKERT;

17 DAT HET MET DE WOORDEN "IN HET KADER VAN DE VOLGENDE BEPALINGEN" VERWIJST NAAR HET GEHELE HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING EN MITSDIEN IN DIT ALGEMENE KADER BEHOORT TE WORDEN GEINTERPRETEERD;

18 DAT ARTIKEL 52, NA TE HEBBEN BEPAALD DAT "DE BEPERKINGEN VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING VOOR ONDERDANEN VAN EEN LID-STAAT OP HET GRONDGEBIED VAN EEN ANDERE LID-STAAT TIJDENS DE OVERGANGSPERIODE GELEIDELIJK ( WORDEN ) OPGEHEVEN", HET LEIDENDE BEGINSEL TE DIER ZAKE AANGEEFT, MET DE BEPALING DAT DE VRIJHEID VAN VESTIGING DE TOEGANG OMVAT TOT WERKZAAMHEDEN ANDERS DAN IN LOONDIENST EN DE UITOEFENING DAARVAN "OVEREENKOMSTIG DE BEPALINGEN WELKE DOOR DE WETGEVING VAN HET LAND VAN VESTIGING VOOR DE EIGEN ONDERDANEN ZIJN VASTGESTELD";

19 DAT ARTIKEL 54, MET HET OOG OP DE GELEIDELIJKE VERWEZENLIJKING VAN DIT DOEL IN DE LOOP VAN DE OVERGANGSPERIODE, VOORSCHRIJFT DAT DE RAAD EEN "ALGEMEEN PROGRAMMA" EN RICHTLIJNEN VOOR DE UITVOERING DAARVAN ZAL VASTSTELLEN TER VERWEZENLIJKING VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING VOOR DE VERSCHILLENDE BETROKKEN WERKZAAMHEDEN;

20 DAT ARTIKEL 57 NAAST DEZE LIBERALISATIEMAATREGELEN VOORZIET IN RICHTLIJNEN TER VERZEKERING VAN DE ONDERLINGE ERKENNING VAN DIPLOMA'S, CERTIFICATEN EN ANDERE TITELS EN, IN HET ALGEMEEN, VAN DE COORDINATIE VAN DE WETTELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VESTIGING EN UITOEFENING VAN WERKZAAMHEDEN, ANDERS DAN IN LOONDIENST;

21 DAT, BLIJKENS HET VOORGAANDE, IN HET SYSTEEM VAN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING HET "ALGEMEEN PROGRAMMA" EN DE RICHTLIJNEN, BEDOELD IN HET VERDRAG, TWEE FUNCTIES MOETEN VERVULLEN : TEN EERSTE DIE OM IN DE LOOP VAN DE OVERGANGSPERIODE DE BELEMMERINGEN VOOR DE VERWEZENLIJKING VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING WEG TE NEMEN, TEN TWEEDE DIE OM IN DE WETGEVING VAN DE LID-STATEN EEN SAMENSTEL VAN BEPALINGEN TER VERGEMAKKELIJKING VAN HET DAADWERKELIJK GEBRUIK DIER VRIJHEID IN TE VOEREN, TEN EINDE DE ECONOMISCHE EN SOCIALE VERVLECHTING IN DE GEMEENSCHAP OP HET TERREIN VAN DE NIET IN LOONDIENST VERRICHTE WERKZAAMHEDEN TE BEVORDEREN;

22 DAT DEZE TWEEDE DOELSTELLING WORDT BEOOGD ENERZIJDS IN SOMMIGE BEPALINGEN VAN ARTIKEL 54, LID 3, MET NAME BETREFFENDE DE SAMENWERKING TUSSEN DE BEVOEGDE NATIONALE BESTUURSINSTELLINGEN EN DE AANPASSING VAN BESTUURSRECHTELIJKE PROCEDURES EN HANDELWIJZEN, EN ANDERZIJDS IN HET GEHEEL DER BEPALINGEN VAN ARTIKEL 57;

23 DAT DE WERKING VAN DE BEPALINGEN VAN ARTIKEL 52 IN HET KADER VAN DIT SYSTEEM MOET WORDEN VASTGESTELD;

24 OVERWEGENDE DAT DE REGEL VAN DE GELIJKE BEHANDELING EEN VAN DE FUNDAMENTELE RECHTSVOORSCHRIFTEN DER GEMEENSCHAP IS;

25 DAT DEZE REGEL, WAAR HIJ VERWIJST NAAR EEN GEHEEL VAN WETTELIJKE BEPALINGEN DIE DOOR HET LAND VAN VESTIGING DAADWERKELIJK OP DE EIGEN ONDERDANEN WORDEN TOEGEPAST, NAAR ZIJN AARD GEEIGEND IS DOOR DE ONDERDANEN VAN ALLE ANDERE LID-STATEN RECHTSTREEKS TE WORDEN INGEROEPEN;

26 DAT ARTIKEL 52, DOOR DE VERWEZENLIJKING VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING OP HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE TE FIXEREN, ALDUS EEN NAUWKEURIG OMSCHREVEN RESULTAATSVERPLICHTING OPLEGT, WELKER NAKOMING MOEST WORDEN VERGEMAKKELIJKT, MAAR NIET GECONDITIONEERD, DOOR DE GELEIDELIJKE UITVOERING VAN EEN PROGRAMME VAN MAATREGELEN;

27 DAT HET FEIT DAT DIE GELEIDELIJKHEID NIET IN ACHT IS GENOMEN, DE VERPLICHTING ZELF NA HET VERSTRIJKEN VAN DE VOOR HAAR NAKOMING BEPAALDE TERMIJN INTACT LAAT;

28 DAT DEZE UITLEGGING IN OVEREENSTEMMING IS MET ARTIKEL 8, LID 7, VAN HET VERDRAG, LUIDENS HETWELK HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE HET UITERSTE TIJDSTIP VORMT WAAROP ALLE BIJ HET VERDRAG GESTELDE REGELS IN WERKING MOETEN TREDEN EN ALLE MAATREGELEN WELKE HET TOT STAND BRENGEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT MEDEBRENGT, MOETEN ZIJN VERWEZENLIJKT;

29 OVERWEGENDE DAT TEGEN ZODANIGE WERKING GEEN BEROEP KAN WORDEN GEDAAN OP DE OMSTANDIGHEID DAT DE RAAD HEEFT VERZUIMD DE IN DE ARTIKELEN 54 EN 57 VOORZIENE RICHTLIJNEN VAST TE STELLEN OF OOK DAT SOMMIGE VAN DE WEL VASTGESTELDE RICHTLIJNEN DE IN ARTIKEL 52 GENOEMDE DOELSTELLING VAN NON-DISCRIMINATIE NIET VOLLEDIG ZOUDEN HEBBEN VERWEZENLIJKT;

30 DAT VOOR DE TOEPASSING VAN DE REGEL VAN GELIJKE BEHANDELING DE IN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING BEDOELDE RICHTLIJNEN IMMERS SEDERT HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE OVERBODIG ZIJN GEWORDEN, DAAR DEZE REGEL SINDSDIEN KRACHTENS HET VERDRAG ZELF VOLLEDIG, MET RECHTSTREEKSE WERKING, GELDT;

31 DAT DIE RICHTLIJNEN DAARMEDE EVENWEL NIET ALLE BETEKENIS HEBBEN VERLOREN, AANGEZIEN ZIJ NOG EEN BELANGRIJK TOEPASSINGSGEBIED VINDEN IN DE MAATREGELEN TER BEVORDERING VAN DE DAADWERKELIJKE UITOEFENING VAN HET RECHT VAN VRIJE VESTIGING;

32 OVERWEGENDE DAT DE GESTELDE VRAAG DERHALVE ALDUS MOET WORDEN BEANTWOORD, DAT ARTIKEL 52 VAN HET VERDRAG SEDERT HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK IS, NIETTEGENSTAANDE HET EVENTUEEL ONTBREKEN OP EEN BEPAALD TERREIN VAN DE RICHTLIJNEN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 54, LID 2, EN 57, LID 1, VAN HET VERDRAG;

DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, EEG-VERDRAG

33 OVERWEGENDE DAT DE RAAD VAN STATE VOORTS VRAAGT WAT IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, MOET WORDEN VERSTAAN ONDER DE "WERKZAAMHEDEN TER UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG IN EEN STAAT, ZELFS INDIEN DEZE SLECHTS VOOR EEN BEPAALDE GELEGENHEID GESCHIEDEN";

34 DAT MEER BEPAALD WORDT GEVRAAGD OF, BIJ EEN BEROEP ALS DAT VAN ADVOCAAT, VAN DE TOEPASSING VAN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING ALLEEN ZIJN UITGEZONDERD DE BEROEPSWERKZAAMHEDEN TER UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG, DAN WEL OF DIT BEROEP IN ZIJN GEHEEL IS UITGEZONDERD OP GROND DAT HET MEDE WERKZAAMHEDEN TER UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG OMVAT;

35 OVERWEGENDE DAT DE LUXEMBURGSE REGERING EN DE NATIONALE ORDE VAN ADVOCATEN VAN BELGIE MENEN DAT HET BEROEP VAN ADVOCAAT IN ZIJN GEHEEL IS ONTTROKKEN AAN DE REGELS VAN HET VERDRAG BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING, OP GROND DAT HET ORGANISCH GEINTEGREERD IS IN DE OPENBARE DIENST DER JUSTITIE;

36 DAT DIT ZOU VOLGEN ZOWEL UIT DE WETTELIJKE INRICHTING VAN DE BALIE, WELKE EEN STRENGE TOELATINGS - EN TUCHTREGELING OMVAT, ALS UIT DE FUNCTIES VAN DE ADVOCAAT IN HET KADER VAN DE GERECHTELIJKE PROCEDURE, WAARAAN HIJ IN BELANGRIJKE MATE VERPLICHT DEELNEEMT;

37 DAT DEZE WERKZAAMHEDEN, DIE DE ADVOCAAT TOT EEN ONMISBAAR HULPORGAAN DER JUSTITIE ZOUDEN MAKEN, EEN SAMENHANGEND GEHEEL ZOUDEN VORMEN, WAARVAN DE ONDERDELEN NIET VAN ELKAAR KUNNEN WORDEN GESCHEIDEN;

38 OVERWEGENDE DAT VERZOEKER IN HET HOOFDGEDING ZIJNERZIJDS BETOOGT DAT HOOGSTENS ZEKERE WERKZAAMHEDEN VAN DE ADVOCATUUR STREKKEN TER UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG EN DAT MITSDIEN ALLEEN DEZE VALLEN ONDER DE IN ARTIKEL 55 GEMAAKTE UITZONDERING OP HET BEGINSEL VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING;

39 DAT VOLGENS DE DUITSE, DE BELGISCHE, DE BRITSE, DE IERSE EN DE NEDERLANDSE REGERING EN VOLGENS DE COMMISSIE DE UITZONDERING VAN ARTIKEL 55 BEPERKT IS TOT DIE WERKZAAMHEDEN BINNEN DE VERSCHILLENDE BETROKKEN BEROEPEN, WELKE DAADWERKELIJK STREKKEN TOT UITOEFENING VAN OPENBAAR GEZAG, MITS DEZE ZIJN LOS TE MAKEN VAN DE NORMALE BEROEPSUITOEFENING;

40 DAT ER TUSSEN DE GENOEMDE REGERINGEN EVENWEL VERSCHIL VAN OPVATTING BESTAAT OVER DE AARD VAN DE WERKZAAMHEDEN WELKE ALDUS BUITEN DE VRIJHEID VAN VESTIGING VALLEN, MEDE GEZIEN DE VAN STAAT TOT STAAT VERSCHILLENDE INRICHTING VAN DE ADVOCATUUR;

41 DAT IN HET BIJZONDER DE DUITSE REGERING MEENT DAT WEGENS DE VERPLICHTE DEELNEMING VAN DE ADVOCAAT AAN ZEKERE GERECHTELIJKE PROCEDURES - MET NAME OP STRAF - OF PUBLIEKRECHTELIJK GEBIED - EEN ZO NAUW VERBAND BESTAAT TUSSEN HET BEROEP VAN ADVOCAAT EN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG, DAT OP ZIJN MINST BREDE SECTOREN VAN DAT BEROEP VAN DE LIBERALISATIE ZOUDEN MOETEN WORDEN UITGEZONDERD;

42 OVERWEGENDE DAT LUIDENS ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, DE BEPALINGEN VAN HET HOOFDSTUK BETREFFENDE HET RECHT VAN VESTIGING NIET VAN TOEPASSING ZIJN "WAT DE BETROKKEN LID-STAAT BETREFT ,... OP DE WERKZAAMHEDEN TER UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG IN DEZE STAAT, ZELFS INDIEN DEZE SLECHTS VOOR EEN BEPAALDE GELEGENHEID GESCHIEDEN";

43 DAT, GELET OP HET FUNDAMENTELE KARAKTER, IN HET SYSTEEM VAN HET VERDRAG, VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN DE REGEL VAN GELIJKE BEHANDELING, AAN DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, TOEGELATEN AFWIJKINGEN GEEN DRAAGWIJDTE MAG WORDEN TOEGEKEND DIE VERDER GAAT DAN HET DOEL WAARVOOR DEZE UITZONDERING IS OPGENOMEN;

44 DAT ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, DE LID-STATEN DE MOGELIJKHEID MOET BIEDEN OM, IN GEVAL BEPAALDE FUNCTIES WELKE DE UITOEFENING VAN OPENBAAR GEZAG MEEBRENGEN, ZIJN VERBONDEN AAN EEN VAN DE IN ARTIKEL 52 BEDOELDE, NIET IN LOONDIENST VERRICHTE WERKZAAMHEDEN, VREEMDELINGEN VAN DE TOEGANG TOT ZODANIGE FUNCTIES UIT TE SLUITEN;

45 DAT IN DIE BEHOEFTE VOLLEDIG WORDT VOORZIEN DOOR DE UITSLUITING VAN VREEMDELINGEN TE BEPERKEN TOT DIE WERKZAAMHEDEN WELKE, OP ZICH BESCHOUWD, EEN RECHTSTREEKSE EN SPECIFIEKE DEELNEMING AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG VORMEN;

46 DAT EEN UITBREIDING VAN DE BIJ ARTIKEL 55 TOEGELATEN UITZONDERING TOT EEN GEHEEL BEROEP SLECHTS DAN GEOORLOOFD IS, WANNEER DE ALDUS GEKARAKTERISEERDE DAARMEDE ZODANIG ZOUDEN ZIJN VERBONDEN, DAT DE BETROKKEN LID-STAAT ZICH ALS GEVOLG VAN DE LIBERALISATIE VAN DE VESTIGING GENOOPT ZOU ZIEN DE UITOEFENING DOOR VREEMDELINGEN - ZELFS INDIEN SLECHTS VOOR EEN BEPAALDE GELEGENHEID - VAN FUNCTIES WELKE MET HET OPENBAAR GEZAG VERBAND HOUDEN, TOE TE STAAN;

47 DAT DEZE UITBREIDING DAARENTEGEN NIET VALT TE AANVAARDEN, WANNEER BIJ EEN ONAFHANKELIJK BEROEP DE WERKZAAMHEDEN WAARDOOR MEN EVENTUEEL AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG DEELHEEFT, EEN AFZONDERLIJK ONDERDEEL VORMEN VAN DE BETROKKEN BEROEPSWERKZAAMHEDEN;

48 OVERWEGENDE DAT BIJ ONTBREKEN VAN ENIGE KRACHTENS ARTIKEL 57 VASTGESTELDE RICHTLIJN TER HARMONISATIE VAN DE NATIONALE BEPALINGEN BETREFFENDE MET NAME DE ADVOCATUUR, DE UITOEFENING HIERVAN ONDERWORPEN BLIJFT AAN HET RECHT VAN DE VERSCHILLENDE LID-STATEN;

49 DAT DE EVENTUELE TOEPASSING VAN DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, VOORZIENE BEPERKINGEN VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING MITSDIEN VOOR ELKE LID-STAAT AFZONDERLIJK MOET WORDEN BEOORDEELD AAN DE HAND VAN DE NATIONALE BEPALINGEN BETREFFENDE DE INRICHTING EN UITOEFENING VAN DAT BEROEP;

50 DAT BIJ DIE BEOORDELING EVENWEL REKENING MOET WORDEN GEHOUDEN MET HET COMMUNAUTAIRE KARAKTER VAN DE BIJ ARTIKEL 55 GESTELDE GRENZEN AAN DE OP HET BEGINSEL VAN DE VRIJHEID VAN VESTIGING TOEGELATEN UITZONDERINGEN, TEN EINDE TE VOORKOMEN DAT HET NUTTIG EFFECT VAN HET VERDRAG DOOR EENZIJDIGE VOORSCHRIFTEN VAN DE LID-STATEN WORDT VERIJDELD ;

51 DAT BEROEPSVERRICHTINGEN WELKE - EVENTUEEL REGELMATIGE EN ORGANISCHE - CONTACTEN MET DE RECHTERLIJKE INSTANTIES EN ZELFS VERPLICHTE MEDEWERKING AAN HET FUNCTIONEREN ERVAN MEEBRENGEN, DAAROM NOG GEEN DEELHEBBEN AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG OPLEVEREN;

52 DAT INZONDERHEID NIET ALS DEELHEBBEN AAN DAT GEZAG KUNNEN WORDEN BESCHOUWD DE MEEST TYPISCHE WERKZAAMHEDEN VAN DE ADVOCAAT, ZOALS CONSULTATIE EN RECHTSBIJSTAND EVENALS DE VERTEGENWOORDIGING EN DE VERDEDIGING VAN PARTIJEN IN RECHTE, ZELFS WANNEER DE TUSSENKOMST OF DE BIJSTAND VAN DE ADVOCAAT VERPLICHT IS OF IN DE WET BIJ UITSLUITING AAN DE ADVOCAAT IS OPGEDRAGEN;

53 DAT IMMERS DE UITOEFENING VAN DIE WERKZAAMHEDEN DE BEOORDELING DOOR DE RECHTER EN DE VRIJE UITOEFENING VAN DE RECHTSPRAAK ONAANGETAST LAAT;

54 OVERWEGENDE DAT DERHALVE OP DE GESTELDE VRAAG MOET WORDEN GEANTWOORD DAT DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, VOORZIENE UITZONDERING OP DE VRIJHEID VAN VESTIGING MOET WORDEN BEPERKT TOT DIE DER IN ARTIKEL 52 BEDOELDE WERKZAAMHEDEN, DIE OP ZICHZELF EEN RECHTSTREEKSE EN SPECIFIEKE DEELNEMING AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG MEEBRENGEN;

55 DAT, IN HET KADER VAN EEN VRIJ BEROEP ALS DAT VAN ADVOCAAT, IN GEEN GEVAL ALS ZODANIG KUNNEN WORDEN GEKWALIFICEERD WERKZAAMHEDEN ALS DE CONSULTATIE EN DE RECHTSBIJSTAND OF DE VERTEGENWOORDIGING EN VERDEDIGING VAN PARTIJEN IN RECHTE, OOK INDIEN HET VERRICHTEN VAN DIE WERKZAAMHEDEN EEN IN DE WET VASTGELEGD VERPLICHT OF EXCLUSIEF KARAKTER HEEFT;

Beslissing inzake de kosten


TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN

56 OVERWEGENDE DAT DE KOSTEN, DOOR DE REGERING VAN HET KONINKRIJK BELGIE, DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE REGERING VAN IERLAND, DE REGERING VAN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG, DE REGERING VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN, DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND EN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT, NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KUNNEN KOMEN;

57 DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT IS TE BESCHOUWEN, ZODAT DE BELGISCHE RAAD VAN STATE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR DE BELGISCHE RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE, IIIE KAMER, BIJ ARREST VAN 21 DECEMBER 1973 GESTELDE VRAGEN, VERKLAART VOOR RECHT :

1 . ARTIKEL 52 EEG-VERDRAG IS SEDERT HET EINDE VAN DE OVERGANGSPERIODE RECHTSTREEKS TOEPASSELIJK NIETTEGENSTAANDE HET EVENTUEEL ONTBREKEN, OP EEN BEPAALD TERREIN, VAN DE RICHTLIJNEN BEDOELD IN DE ARTIKELEN 54, LID 2, EN 57, LID 1, VAN HET VERDRAG .

2 . DE IN ARTIKEL 55, EERSTE ALINEA, EEG-VERDRAG VOORZIENE UITZONDERING OP DE VRIJHEID VAN VESTIGING MOET WORDEN BEPERKT TOT DIE DER IN ARTIKEL 52 BEDOELDE WERKZAAMHEDEN, DIE OP ZICHZELF EEN RECHTSTREEKSE EN SPECIFIEKE DEELNEMING AAN DE UITOEFENING VAN HET OPENBAAR GEZAG MEEBRENGEN;IN HET KADER VAN EEN VRIJ BEROEP ALS DAT VAN ADVOCAAT KUNNEN IN GEEN GEVAL ALS ZODANIG WORDEN GEKWALIFICEERD WERKZAAMHEDEN ALS DE CONSULTATIE EN DE RECHTSBIJSTAND OF DE VERTEGENWOORDIGING EN VERDEDIGING VAN PARTIJEN IN RECHTE, OOK INDIEN HET VERRICHTEN VAN DIE WERKZAAMHEDEN EEN IN DE WET VASTGELEGD VERPLICHT OF EXCLUSIEF KARAKTER HEEFT .

Top