Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61968CJ0029

Arrest van het Hof van 24 juni 1969.
Milch-, Fett- und Eierkontor GmbH tegen Hauptzollamt Saarbrücken.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht des Saarlandes - Duitsland.
Zaak 29-68.

European Court Reports 1969 -00165

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1969:27

61968J0029

ARREST VAN HET HOF VAN 24 JUNI 1969. - MILCH -, FETT - UND EIERKONTOR GMBH TEGEN HAUPTZOLLAMT SAARBRUECKEN. - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET FINANZGERICHT DES SAARLANDES). - ZAAK NO. 29/68.

Jurisprudentie 1969 bladzijde 00165
Deense bijz. uitgave bladzijde 00033
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00049
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00051


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . PROCEDURE - PREJUDICIELE BESLISSING - DE NATIONALE RECHTER - GEBONDENHEID AAN DE UITLEGGING VAN HET HOF VAN JUSTITIE - HET RECHT HET HOF ANDERMAAL TE ADIEREN

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 177 )

2 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - VASTSTELLING DOOR EEN LID-STAAT - INHOUD DEZER BEVOEGDHEID

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

3 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - VASTSTELLING DOOR EEN LID-STAAT - BEVOEGDHEDEN VAN DE NATIONALE RECHTER, DE COMMISSIE EN DE OVERIGE LID-STATEN

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

4 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - BEGRIP

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

5 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - VASTSTELLING DOOR EEN LID-STAAT - VORM

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

6 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - PERCENTAGES VOOR EEN FASE ALS GEMIDDELD PERCENTAGE - TOELAATBAARHEID - SCHENDING VAN DE ARTT . 95 EN 97 - GEEN INVLOED OP DE HOEDANIGHEID VAN "GEMIDDELD PERCENTAGE"

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

7 . BELEID VAN DE E.E.G . - GEMEENSCHAPPELIJKE REGELEN - BELASTINGVOORSCHRIFTEN - BELASTINGHEFFING VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR INGEVOERDE PRODUKTEN OF GROEPEN VAN PRODUKTEN - SAMENSTELLING DER ONDER EEN GEMIDDELD PERCENTAGE VALLENDE GROEPEN - GEEN INVLOED OP DE HODANIGHEID VAN "GEMIDDELD PERCENTAGE"

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 97 )

Samenvatting


1 . EEN KRACHTENS ARTIKEL 177 DOOR HET HOF GEWEZEN ARREST IS VOOR ALLE VAN HET BODEMGESCHIL KENNIS NEMENDE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BINDEND . ZIJ HEBBEN ECHTER ZELVE TE BEOORDELEN OF 'S HOFS PREJUDICIELE UITSPRAAK HUN VOLDOENDE KLAARHEID HEEFT GEBRACHT DAN WEL OF HET NOODZAKELIJK IS HET HOF ANDERMAAL TE ADIEREN .

2 . DE IN ARTIKEL 97 VAN HET E.E.G.-VERDRAG VOORZIENE BEVOEGDHEID HOUDT IN, DAT AAN DE BETROKKEN STATEN WORDT TOEGESTAAN OP EEN BEPAALD INGEVOERD PRODUKT EEN UNIFORM PERCENTAGE TOE TE PASSEN, DAT GEACHT WORDT MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP DE NATIONALE PRODUKTEN OVEREEN TE STEMMEN .

3 . VOOR DE BESLISSING VAN DE NATIONALE RECHTER, OF ARTIKEL 97 IN HET HEM VOORGELEGDE GEVAL TOEPASSELIJK IS, IS HET NOODZAKELIJK - DOCH TEVENS VOLDOENDE - WANNEER HIJ KAN NAGAAN OF VAN EEN VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM GEHEVEN BELASTING SPRAKE IS EN VOORTS OF DE LID-STAAT OOK VAN DE HEM IN DIT ARTIKEL GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK GEMAAKT HEEFT . ZODRA DE NATIONALE RECHTER KAN VASTSTELLEN DAT BEIDE ELEMENTEN GEGEVEN ZIJN, LIGT HET ALLEEN OP DE WEG VAN DE COMMISSIE EN VAN DE ANDERE LID-STATEN OM MET GEBRUIKMAKING VAN DE HUN INGEVOLGE DE ARTIKELEN 97, ALINEA 2, 169, 170 EN 173 TEN DIENSTE STAANDE MIDDELEN DE WETTIGHEID DER GENOMEN MAATREGELEN NA TE GAAN C.Q . TE DOEN NAGAAN .

DE VRAAG OF IN EEN BEPAALD GEVAL VAN DE IN ARTIKEL 97 VOORZIENE MOGELIJKHEID GEBRUIK WERD GEMAAKT, IS NAAR GEMEENSCHAPSRECHT EEN VRAAG WELKE DOOR DE NATIONALE RECHTER IN HET KADER VAN HET NATIONALE RECHT MOET WORDEN BEANTWOORD .

4 . WANNEER EEN LID-STAAT VAN DE HEM IN ARTIKEL 97 GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK GEMAAKT HEEFT, VALLEN DE DOOR DIE STAAT VASTGESTELDE PERCENTAGES ONDER ARTIKEL 97, ZELFS AL MOCHT BLIJKEN DAT ZIJ NIET MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP HET NATIONALE PRODUKT OVEREENKOMEN .

IN DE STATEN WELKE VAN DE IN ARTIKEL 97 GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK HEBBEN GEMAAKT, IS ALS "GEMIDDELD PERCENTAGE" TE BESCHOUWEN ELK DOOR DEZE STATEN ALS ZODANIG VASTGESTELD PERCENTAGE, OOK AL HEEFT DIE VASTSTELLING VOOR DE INWERKINGTREDING VAN HET VERDRAG PLAATSGEVONDEN .

5 . TER VASTSTELLING VAN EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 IS HET VOLDOENDE DAT HET DAARTOE KRACHTENS DE RECHTSORDE VAN EEN LID-STAAT BEVOEGD ORGAAN VERKLAART DAT EEN BESTAAND BELASTINGPERCENTAGE EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IS .

6 . IN HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM IS HET NIET UITGESLOTEN, DAT EEN PERCENTAGE VOOR EEN ENKELE FASE EEN GEMIDDELD PERCENTAGE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 97 VAN HET E.E.G.-VERDRAG KAN OPLEVEREN . SCHENDING VAN DE ARTIKELEN 95 EN 97 ZOU, VAN HET STANDPUNT VAN DE NATIONALE RECHTER BEZIEN, AAN HET LITIGIEUZE PERCENTAGE NIET DE HOEDANIGHEID VAN "GEMIDDELD PERCENTAGE" ONTNEMEN, DOCH AANLEIDING GEVEN DAAROP DE MAATREGELEN, BEDOELD IN ARTIKEL 97, TWEEDE ALINEA , TOE TE PASSEN .

7 . WAAR IN HET VERDRAG AAN DE LID-STATEN WORDT TOEGESTAAN GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR GROEPEN VAN PRODUKTEN VAST TE STELLEN, BETEKENT ZULKS ALLEEN DAT BEDOELDE STATEN NIET VOOR IEDER PRODUKT AFZONDERLIJKE PERCENTAGES BEHOEVEN VAST TE STELLEN . ARTIKEL 97 WETTIGT GEENSZINS DE CONCLUSIE, DAT HET VAN DE SAMENSTELLING DER ONDER HET BETROKKEN PERCENTAGE GEBRACHTE GROEPEN AFHANGT OF VAN EEN "GEMIDDELD PERCENTAGE " KAN WORDEN GESPROKEN .

HET MOET DERHALVE OP GROND VAN ARTIKEL 97 NIET UITGESLOTEN WORDEN GEACHT DAT WAREN WAARVOOR GEEN VAN HET ALGEMEEN PERCENTAGE AFWIJKEND PERCENTAGE DER COMPENSERENDE OMZETHEFFING BESTAAT, EEN GROEP VAN PRODUKTEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 KUNNEN VORMEN .

Partijen


IN DE ZAAK 29-68,

BETREFFENDE EEN VERZOEK INGEVOLGE ARTIKEL 177 VAN HET E.E.G.-VERDRAG DOOR HET FINANZGERICHT VAN SAARLAND GEDAAN IN HET VOOR DIE RECHTERLIJKE INSTANTIE AANHANGIGE GEDING

FIRMA MILCH -, FETT - UND EIERKONTOR GMBH TE HAMBURG

TEGEN

HAUPTZOLLAMT SAARBRUECKEN

Onderwerp


EN STREKKENDE TOT HET BEKOMEN VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING INZAKE DE UITLEGGING VAN - MET NAME - DE ARTIKELEN 95 EN 97 VAN DAT VERDRAG, WIJST

Overwegingen van het arrest


1 OVERWEGENDE DAT HET FINANZGERICHT VAN SAARLAND BIJ OP 29 NOVEMBER 1968 TER GRIFFIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE INGEKOMEN BESCHIKKING VAN 4 OKTOBER 1968 KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET E.E.G.-VERDRAG HET HOF EEN AANTAL VRAGEN BETREFFENDE DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 97 VAN HET VERDRAG HEEFT VOORGELEGD;

I - TEN AANZIEN VAN 'S HOFS BEVOEGDHEID

2 1 . OVERWEGENDE DAT DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND DE ONTVANKELIJKHEID DER VRAGEN 1A, 1B, 2A, 2B, 2C EN 5 HEEFT BETWIST, STELLENDE :

DAT HET HOF DEZE VRAGEN HEEFT BEANTWOORD IN ZIJN PREJUDICIEEL ARREST VAN 4 APRIL 1968, IN DE ZAAK 25-67 GEWEZEN OP EEN DOOR DEZELFDE RECHTERLIJKE INSTANTIE IN HETZELFDE BODEMGESCHIL GEDAAN VERZOEK;

DAT EEN KRACHTENS ARTIKEL 177 DOOR HET HOF GEWEZEN ARREST VOOR ALLE VAN HET BODEMGESCHIL KENNIS NEMENDE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES BINDEND IS;

3 OVERWEGENDE DAT 'S HOFS UITLEGGING VOOR GENOEMDE INSTANTIES WELISWAAR BINDEND IS, DOCH DAT ZIJ ZELVE HEBBEN TE BEOORDELEN OF 'S HOFS PREJUDICIELE UITSPRAAK HUN VOLDOENDE KLAARHEID HEEFT VERSCHAFT DAN WEL OF HET NOODZAKELIJK IS HET HOF ANDERMAAL TE ADIEREN;

DAT VOORMELDE EXCEPTIE DERHALVE DIENT TE WORDEN VERWORPEN;

4 2 . OVERWEGENDE DAT DE DUITSE REGERING VOORTS HEEFT BETOOGD DAT SOMMIGE OPGEWORPEN VRAGEN SLECHTS DE TOEPASSING VAN HET VERDRAG DAN WEL DE UITLEGGING EN TOEPASSING VAN HET NATIONALE RECHT BETREFFEN;

DAT WAAR IN VOORMELD ARREST VOOR RECHT WERD VERKLAARD DAT "... IN LID-STATEN WELKE VAN DE IN ARTIKEL 97 GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK HEBBEN GEMAAKT VOLGENS DE THANS GELDENDE COMMUNAUTAIRE VOORSCHRIFTEN ALS "GEMIDDELD PERCENTAGE" IS TE BESCHOUWEN ELK ALS ZODANIG DOOR DE BETROKKEN LID-STATEN VASTGESTELD PERCENTAGE", ZULKS VOLGENS DE DUITSE REGERING WIL ZEGGEN DAT DE BETEKENIS VAN DE TERM "GEMIDDELD PERCENTAGE" EN DE VOORWAARDEN WAARONDER ZODANIGE GEMIDDELDE PERCENTAGES DIENEN TE WORDEN VASTGESTELD, NAAR NATIONAAL RECHT ZULLEN MOETEN WORDEN BEPAALD;

5 OVERWEGENDE DAT DE TERM "GEMIDDELD PERCENTAGE" IN ARTIKEL 97 VAN HET VERDRAG IN GEMEENSCHAPSRECHTELIJKE ZIN WORDT GEBEZIGD;

DAT HET EEN ANDERE VRAAG IS OF DIT ARTIKEL GEHEEL OF TEN DELE NAAR HET NATIONALE RECHT DER LID-STATEN VERWIJST;

DAT WANNEER HET HOF VAN JUSTITIE MOCHT VASTSTELLEN DAT DIT HET GEVAL IS, ZODANIGE VASTSTELLING NIETTEMIN UIT EEN UITLEGGING VAN HET VERDRAG ZOU VOORTVLOEIEN EN DERHALVE BINNEN HET RAAM VAN ARTIKEL 177 ZOU BLIJVEN;

6 DAT DE EXCEPTIE DERHALVE MOET WORDEN VERWORPEN;

II - TEN AANZIEN VAN DE HOOFDZAAK

7 OVERWEGENDE DAT ARTIKEL 95 WELISWAAR AAN PARTICULIEREN DOOR DE NATIONALE RECHTER TE WAARBORGEN RECHTEN VERLEENT, DOCH DAT ZULKS MET ARTIKEL 97 NIET HET GEVAL IS;

8 DAT DE NATIONALE RECHTER DERHALVE, WANNEER HIJ ZICH GESTELD ZIET VOOR DE VRAAG OF ER AL DAN NIET SPRAKE IS VAN EEN BINNENLANDSE BELASTING TEN AANZIEN WAARVAN MOET WORDEN NAGEGAAN OF ZIJ MET HET VERDRAG IN OVEREENSTEMMING IS, IN STAAT DIENT TE ZIJN TE ONDERKENNEN, OF DE BETROKKEN LID-STAAT AL DAN NIET ARTIKEL 97 HEEFT TOEGEPAST;

DAT DE GESTELDE VRAGEN DAN OOK UITSLUITEND IN VERBAND MET DEZE NOODZAAK MOETEN WORDEN BEOORDEELD;

TEN AANZIEN VAN VRAAG 1A

9 OVERWEGENDE DAT DE VERWIJZENDE RECHTER IN VRAAG 1A HET HOF VAN JUSTITIE HEEFT VERZOCHT UIT TE SPREKEN HOE DE BEWOORDINGEN VAN ARTIKEL 97, EERSTE ALINEA, VAN HET VERDRAG - VOLGENS HETWELK DE LID-STATEN GEMIDDELDE PERCENTAGES MOGEN VASTSTELLEN, ZONDER EVENWEL INBREUK TE MAKEN OP DE IN ARTIKEL 95 GENOEMDE BEGINSELEN - MOETEN WORDEN UITGELEGD;

10 OVERWEGENDE DAT VOORMELDE BEVOEGDHEID - TOEGEKEND ALS ZIJ IS AAN LID-STATEN WELKE OMZETBELASTING HEFFEN VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM - DIENT TE WORDEN GEZIEN IN VERBAND MET DE MOEILIJKHEDEN WAARTOE TOEPASSING VAN DE BEPALINGEN VAN ARTIKEL 95 IN HET KADER VAN ZODANIG STELSEL HAD GELEID;

11 DAT IMMERS IN ZULK EEN SYSTEEM HET GECUMULEERD BEDRAG DER ACHTEREENVOLGENS AL DAN NIET RECHTSTREEKS OP NATIONALE PRODUKTEN GEHEVEN OMZETBELASTING, DAT DE MAXIMAAL TOELAATBARE BELASTING OP HET INGEVOERDE PRODUKT VORMT, VAN GEVAL TOT GEVAL KAN VERSCHILLEN, MET NAME IN VERBAND MET HET AANTAL VERKOOPHANDELINGEN WELKE VAN HET ENE OF HET ANDERE PRODUKT VAN EEN ZELFDE SOORT PLAATSVINDEN TOT HET MOMENT VAN AFLEVERING AAN DE UITEINDELIJKE VERBRUIKER;

DAT IN VERBAND HIERMEDE DE IN ARTIKEL 97 VOORZIENE BEVOEGDHEID INHOUDT, DAT AAN DE BETROKKEN STATEN WORDT TOEGESTAAN OP EEN BEPAALD INGEVOERD PRODUKT EEN UNIFORM PERCENTAGE TOE TE PASSEN, DAT GEACHT WORDT MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP DE NATIONALE PRODUKTEN OVEREEN TE STEMMEN;

12 OVERWEGENDE DAT HET DERHALVE VOOR DE BESLISSING VAN DE NATIONALE RECHTER, OF ARTIKEL 97 IN HET HEM VOORGELEGDE GEVAL TOEPASSELIJK IS, NOODZAKELIJK - DOCH TEVENS VOLDOENDE - IS WANNEER HIJ ENERZIJDS KAN NAGAAN OF VAN EEN VOLGENS HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM GEHEVEN BELASTING SPRAKE IS EN ANDERZIJDS OF DE LID-STAAT OOK VAN DE HEM IN DIT ARTIKEL GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK GEMAAKT HEEFT;

DAT, ZODRA DE NATIONALE RECHTER KAN VASTSTELLEN DAT BEIDE ELEMENTEN GEGEVEN ZIJN, HET ALLEEN OP DE WEG VAN DE COMMISSIE EN VAN DE ANDERE LID-STATEN LIGT OM MET GEBRUIKMAKING VAN DE HUN INGEVOLGE DE ARTIKELEN 97, ALINEA 2, 169, 170 EN 173 TEN DIENSTE STAANDE MIDDELEN DE WETTIGHEID DER GENOMEN MAATREGELEN NA TE GAAN C.Q . TE DOEN NAGAAN;

13 DAT WANNEER IN EEN BEPAALD GEVAL GEGRONDE VREES VOOR SCHENDING VAN ARTIKEL 97 BLIJKT TE BESTAAN, HET KRACHTENS HET STELSEL VAN HET VERDRAG TOT DE VERANTWOORDELIJKHEID DER COMMISSIE BEHOORT DE RECHTSBESCHERMING DER JUSTITIABELEN TE VERZEKEREN EN DAARBIJ TE MEER WAAKZAAMHEID TE BETRACHTEN NU DE BEVOEGDHEID TOT ZODANIGE CONTROLE AAN DE NATIONALE RECHTER IS ONTZEGD;

14 DAT DE BEPALINGEN VAN GENOEMD ARTIKEL DERHALVE SLECHTS DIENEN TE WORDEN UITGELEGD TEN EINDE HET DE NATIONALE RECHTER MOGELIJK TE MAKEN OM VAST TE STELLEN OF DE BETROKKEN LID-STAAT VAN BEDOELDE MOGELIJKHEID GEBRUIK HEEFT GEMAAKT, BIJ WELKE UITLEGGING DIENT TE WORDEN GELET OP DIE BEPALINGEN, WELKE VOOR DIT ONDERZOEK NOODZAKELIJK EN VOLDOENDE ZIJN;

15 DAT DE VRAAG OF IN EEN BEPAALD GEVAL VAN DE IN ARTIKEL 97 VOORZIENE MOGELIJKHEID GEBRUIK WERD GEMAAKT, NAAR GEMEENSCHAPSRECHT EEN VRAAG IS WELKE DOOR DE NATIONALE RECHTER IN HET KADER VAN HET NATIONALE RECHT MOET WORDEN BEANTWOORD;

16 OVERWEGENDE DAT WANNEER EEN LID-STAAT VAN DE HEM IN ARTIKEL 97 VERLEENDE MOGELIJKHEID GEBRUIK GEMAAKT HEEFT, DE DOOR DIE STAAT VASTGESTELDE PERCENTAGES ONDER GENOEMDE BEPALING VALLEN, ZELFS ALS MOCHT BLIJKEN DAT ZIJ NIET MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP NATIONALE PRODUKTEN OVEREENKOMEN;

DAT ZULKS VOLGT UIT DE TWEEDE ALINEA VAN ARTIKEL 97, WAARIN SPRAKE IS VAN HET GEVAL DAT "DE ... GEMIDDELDE PERCENTAGES NIET IN OVEREENSTEMMING ZIJN MET BOVENGENOEMDE BEGINSELEN";

17 DAT ZULKS ECHTER NIET WIL ZEGGEN DAT DE LID-STATEN AAN ARTIKEL 97 HET RECHT ONTLENEN OM TOT EEN WILLEKEURIGE SCHATTING VAN DE BELASTINGDRUK OP NATIONALE PRODUKTEN OVER TE GAAN;

DAT HET DERHALVE MET NAME AAN DE COMMISSIE STAAT DE JUISTHEID VAN BEDOELDE SCHATTING NA TE GAAN EN, ZO NODIG, DE IN DE TWEEDE ALINEA VAN ARTIKEL 97 BEDOELDE MAATREGELEN TE NEMEN, WAAROP DAN DOOR HET HOF VAN JUSTITIE CONTROLE KAN WORDEN UITGEOEFEND;

TEN AANZIEN VAN VRAAG 1B

18 OVERWEGENDE DAT HET ER IN DEZE VRAAG OM GAAT OF HET IN HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM MOGELIJK IS EEN V}}R INWERKINGTREDING VAN HET E.E.G.-VERDRAG VASTGESTELD BELASTINGPERCENTAGE, DAT OP EEN ENKELE HANDELSFASE VAN TOEPASSING IS, TOT EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 VAN HET E.E.G.-VERDRAG TE VERKLAREN;

19 OVERWEGENDE DAT IN DE STATEN WELKE VAN DE IN ARTIKEL 97 GEBODEN MOGELIJKHEID GEBRUIK HEBBEN GEMAAKT, ALS "GEMIDDELD PERCENTAGE" IS TE BESCHOUWEN ELK DOOR DEZE STATEN ALS ZODANIG VASTGESTELD PERCENTAGE, OOK AL HEEFT DIE VASTSTELLING V}}R DE INWERKINGTREDING VAN HET VERDRAG PLAATSGEVONDEN;

DAT MEN IMMERS ANDERS DE UITOEFENING VAN BEDOELDE BEVOEGDHEID VAN NIEUWE MAATREGELEN AFHANKELIJK ZOU STELLEN, }}K VOOR GEVALLEN WAARIN EERDER VASTGESTELDE PERCENTAGES MET DE BEGINSELEN VAN ARTIKEL 95 VERENIGBAAR ZIJN;

20 OVERWEGENDE VOOR WAT HET TWEEDE GEDEELTE DER VRAAG BETREFT, DAT HET BLIJKENS VOORMELDE OVERWEGINGEN NIET UITGESLOTEN MOET WORDEN GEACHT DAT - DOCH VAN GEVAL TOT GEVAL MOET WORDEN BEOORDEELD OF - EEN PERCENTAGE VOOR EEN ENKELE HANDELSFASE EEN "GEMIDDELD PERCENTAGE" IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 KAN OPLEVEREN;

DAT SCHENDING VAN DE ARTIKELEN 95 EN 97, VAN HET STANDPUNT VAN DE NATIONALE RECHTER BEZIEN, AAN HET LITIGIEUZE PERCENTAGE NIET DE HOEDANIGHEID VAN "GEMIDDELD PERCENTAGE" ZOU ONTNEMEN, DOCH AANLEIDING ZOU GEVEN DAAROP DE MAATREGELEN BEDOELD IN ARTIKEL 97, TWEEDE ALINEA, TOE TE PASSEN;

21 OVERWEGENDE DAT OP GROND VAN AL DEZE OVERWEGINGEN VRAAG 1B BEVESTIGEND MOET WORDEN BEANTWOORD;

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 2A, 2B EN 2C

22 OVERWEGENDE DAT HET FINANZGERICHT WENST TE WETEN ( VRAAG 2A ) OF HET TER VASTSTELLING VAN EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 VAN HET E.E.G.-VERDRAG VOLDOENDE IS DAT HET DAARTOE KRACHTENS DE RECHTSORDE VAN EEN LID-STAAT BEVOEGD ORGAAN VERKLAART DAT EEN BESTAAND BELASTINGPERCENTAGE EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IS;

23 OVERWEGENDE DAT ZODANIGE VERKLARING, NAAR GEMEENSCHAPSRECHT, GENOEGZAAM ZOU DOEN VASTSTAAN DAT DE LID-STAAT VAN BEDOELDE BEVOEGDHEID GEBRUIK HEEFT WILLEN MAKEN;

24 OVERWEGENDE DAT HET ANTWOORD OP VRAAG 2A DERHALVE BEVESTIGEND MOET LUIDEN, ZODAT OP DE ALTERNATIEF GESTELDE VRAGEN 2B EN 2C NIET BEHOEFT TE WORDEN INGEGAAN;

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN 3 EN 4

25 OVERWEGENDE DAT HET FINANZGERICHT MET DE DERDE VRAAG VERLANGT TE WETEN WAT ONDER "GROEPEN VAN PRODUKTEN" IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 VAN HET VERDRAG IS TE VERSTAAN;

DAT HET VOORTS MET DE VIERDE VRAAG HET HOF VERZOEKT UIT TE SPREKEN OF ALLE WAREN WAARTEGENOVER IDENTIEKE OF VERGELIJKBARE NATIONALE WAREN STAAN EN WAARVOOR NIET EEN VAN HET ALGEMEEN PERCENTAGE AFWIJKEND U AST-PERCENTAGE BESTAAT, EEN GROEP VAN PRODUKTEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 KUNNEN VORMEN;

26 OVERWEGENDE DAT WAAR IN HET VERDRAG AAN DE LID-STATEN WORDT TOEGESTAAN GEMIDDELDE PERCENTAGES VOOR GROEPEN VAN PRODUKTEN VAST TE STELLEN, ZULKS ALLEEN BETEKENT DAT BEDOELDE STATEN NIET VOOR IEDER PRODUKT AFZONDERLIJKE PERCENTAGES BEHOEVEN VAST TE STELLEN;

DAT ARTIKEL 97 GEENSZINS DE CONCLUSIE WETTIGT, DAT HET VAN DE SAMENSTELLING DER ONDER HET BETROKKEN PERCENTAGE GEBRACHTE GROEPEN AFHANGT OF VAN EEN "GEMIDDELD PERCENTAGE" KAN WORDEN GESPROKEN;

27 DAT HET DERHALVE OP GROND VAN ARTIKEL 97 NIET UITGESLOTEN MOET WORDEN GEACHT DAT WAREN WAARVOOR GEEN VAN HET ALGEMEEN PERCENTAGE AFWIJKEND U AST-PERCENTAGE BESTAAT, EEN GROEP VAN PRODUKTEN IN DE ZIN VAN DAT ARTIKEL 97 KUNNEN VORMEN;

TEN AANZIEN VAN VRAAG 5

28 OVERWEGENDE DAT DE VIJFDE VRAAG, WAARIN SOMMIGE DOOR DEZELFDE RECHTERLIJKE INSTANTIE IN HAAR VORIG VERZOEK OPGEWORPEN VRAGEN WORDEN HERHAALD, SLECHTS WERD GESTELD VOOR HET GEVAL DAT HET HOF HETZIJ VRAAG 2A HETZIJ VRAAG 4 ONTKENNEND ZOU BEANTWOORDEN;

29 DAT NU ZULKS NIET IS GESCHIED, BEDOELDE VRAGEN GEEN BEANTWOORDING MEER BEHOEVEN;

TEN AANZIEN VAN DE VRAGEN BETREFFENDE ARTIKELEN 7 EN 40 VAN HET VERDRAG

30 OVERWEGENDE DAT HET FINANZGERICHT VOOR HET GEVAL DAT HET HOF MOCHT OORDELEN DAT DE DUITSE WETGEVER DOOR VASTSTELLING VAN HET LITIGIEUZE PERCENTAGE DE ARTIKELEN 7 EN 40 VAN HET VERDRAG HEEFT GESCHONDEN, BEPAALDE VRAGEN BETREFFENDE DE UITLEGGING DEZER ARTIKELEN HEEFT GESTELD;

31 OVERWEGENDE DAT HET HOF TER BEOORDELING VAN DE VRAAG OF TERMEN AANWEZIG ZIJN DEZE VRAGEN TE BEANTWOORDEN, ZICH EERST ZOU HEBBEN UIT TE SPREKEN OVER DE OVEREENSTEMMING VAN EEN BINNENLANDSE RECHTSMAATREGEL MET HET VERDRAG, WAARTOE HET EVENWEL IN HET KADER VAN ARTIKEL 177 NIET BEVOEGD IS;

32 DAT VAN DEZE VRAGEN DERHALVE GEEN KENNIS KAN WORDEN GENOMEN;

Beslissing inzake de kosten


33 OVERWEGENDE DAT TER ZAKE VAN DE KOSTEN, DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN DOOR DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN AAN HET HOF VAN JUSTITIE GEMAAKT, GEEN LAST TOT TERUGBETALING KAN WORDEN GEGEVEN;

DAT DE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN PARTIJEN ALS EEN IN DE LOOP VAN HET GEDING VOOR HET FINANZGERICHT VAN SAARLAND GEREZEN INCIDENT MOET WORDEN BESCHOUWD, ZODAT DEZE LAATSTE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN VAN HET GEDING ZAL HEBBEN TE BESLISSEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE BIJ BESCHIKKING VAN HET FINANZGERICHT VAN SAARLAND VAN 4 OKTOBER 1968 GESTELDE VRAGEN, VERKLAART VOOR RECHT :

IN ANTWOORD OP VRAAG 1 A :

A ) DE IN ARTIKEL 97 VAN HET E.E.G.-VERDRAG VOORZIENE MOGELIJKHEID HOUDT IN, DAT HET AAN DE BETROKKEN LID-STATEN IS TOEGESTAAN OP EEN INGEVOERD PRODUKT EEN UNIFORM PERCENTAGE TOE TE PASSEN, DAT GEACHT WORDT MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP NATIONALE PRODUKTEN OVEREEN TE STEMMEN;

B ) DE VRAAG OF IN EEN BEPAALD GEVAL VAN DEZE MOGELIJKHEID INDERDAAD GEBRUIK GEMAAKT WERD IS, NAAR GEMEENSCHAPSRECHT, EEN DOOR DE NATIONALE RECHTER IN HET KADER VAN ZIJN NATIONALE RECHT TE BEANTWOORDEN VRAAG;

C ) WANNEER EEN LID-STAAT VAN DEZE MOGELIJKHEID GEBRUIK GEMAAKT HEEFT, VALLEN DE DOOR DIE STAAT VASTGESTELDE PERCENTAGES ONDER ARTIKEL 97, ZELFS AL MOCHT BLIJKEN DAT ZIJ NIET MET DE GECUMULEERDE BELASTINGDRUK OP HET NATIONALE PRODUKT OVEREENKOMEN;

IN ANTWOORD OP VRAAG 1 B :

IN HET CUMULATIEVE CASCADESYSTEEM IS HET MOGELIJK DAT EEN VOOR DE INWERKINGTREDING VAN HET E.E.G.-VERDRAG VASTGESTELD BELASTINGPERCENTAGE EEN "GEMIDDELD PERCENTAGE" IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 OPLEVERT EN IS HET NIET UITGESLOTEN, DAT EEN PERCENTAGE VOOR EEN ENKELE HANDELSFASE EEN "GEMIDDELD PERCENTAGE" ALS IN DAT ARTIKEL BEDOELD KAN OPLEVEREN;

IN ANTWOORD OP VRAAG 2 A :

TER VASTSTELLING VAN EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 97 IS HET VOLDOENDE, DAT HET DAARTOE KRACHTENS DE RECHTSORDE VAN EEN LID-STAAT BEVOEGD ORGAAN VERKLAART DAT EEN BESTAAND BELASTINGPERCENTAGE ZULK EEN GEMIDDELD PERCENTAGE IS;

IN ANTWOORDT OP DE VRAGEN 3 EN 4 :

HET IS OP GROND VAN ARTIKEL 97 NIET UITGESLOTEN, DAT DE WAREN WAARVOOR GEEN VAN HET ALGEMEEN PERCENTAGE AFWIJKEND U AST-PERCENTAGE BESTAAT, EEN GROEP VAN PRODUKTEN IN DE ZIN VAN VOORMELD ARTIKEL 97 KUNNEN VORMEN .

Top