EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61962CJ0026

Arrest van het Hof van 5 februari 1963.
NV Algemene Transport- en Expeditie Onderneming van Gend & Loos tegen Nederlandse administratie der belastingen.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tariefcommissie - Nederland.
Zaak 26-62.

Engelse bijz. uitgave 1963 00003

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1963:1

61962J0026

ARREST VAN HET HOF VAN 5 FEBRUARI 1963. - (VERZOEK TOT HET GEVEN VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 VAN HET E. E. G. - VERDRAG, VERVAT IN DE BESCHIKKING VAN DE TARIEFCOMMISSIE TE AMSTERDAM VAN 14 AUGUSTUS 1962 IN HET RECHTSGEDING N. V. ALGEMENE TRANSPORT - EN EXPEDITIE - ONDERNEMING VAN GEND & LOOS TEGEN NEDERLANDSE ADMINISTRATIE DER BELASTINGEN). - ZAAK NO. 26/62.

Jurisprudentie
Franse uitgave bladzijde 00003
Nederlandse uitgave bladzijde 00003
Duitse uitgave bladzijde 00003
Italiaanse uitgave bladzijde 00003
Engelse bijz. uitgave bladzijde 00001
Deense bijz. uitgave bladzijde 00375
Griekse bijz. uitgave bladzijde 00863
Portugese bijz. uitgave bladzijde 00205
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00333
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00161
Finse bijz. uitgave bladzijde 00161


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . PROCEDURE - PREJUDICIELE BESLISSING - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - GRONDSLAG - UITLEGGING VAN HET VERDRAG

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 177, LID 1, SUB A )

2 . PROCEDURE - PREJUDICIELE BESLISSING - VRAGEN

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 177, LID 1, SUB A )

3 . EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RECHTSKARAKTER - DRAGERS VAN RECHTEN EN VERPLICHTINGEN - PARTICULIEREN

4 . LID-STATEN VAN DE E.E.G . - VERPLICHTINGEN - NIET-NAKOMING - NATIONALE RECHTERS - RECHTEN DER PARTICULIEREN

( E.E.G.-VERDRAG, ARTT . 169, 170 )

5 . IN - EN UITVOERRECHTEN - VERHOGING - VERBOD - DIRECTE WERKING - RECHTEN - HANDHAVING

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 12 )

6 . IN - EN UITVOERRECHTEN - VERHOGING - VASTSTELLING - TOEGEPASTE RECHTEN - BEGRIP

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 12 )

7 . IN - EN UITVOERRECHTEN - VERHOGING - BEGRIP

( E.E.G.-VERDRAG, ART . 12 )

Samenvatting


1 . VOOR DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF TOT HET GEVEN VAN EEN PREJUDICIELE BESLISSING IS HET SLECHTS NODIG, DAT DE GESTELDE VRAAG KLAARBLIJKELIJK EEN UITLEGGING VAN HET VERDRAG BETREFT .

2 . DE OVERWEGINGEN WELKE DE NATIONALE RECHTER TOT HET STELLEN VAN ZIJN VRAGEN HEBBEN KUNNEN LEIDEN, EVENALS HET GEWICHT HETWELK DEZE DAARAAN VOOR DE BESLISSING VAN HET HANGENDE GESCHIL WENST TOE TE KENNEN, ZIJN IN EEN PREJUDICIEEL GESCHIL AAN EEN BEOORDELING VAN HET HOF ONTTROKKEN ( 1 ).

3 . DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP VORMT IN HET VOLKENRECHT EEN NIEUWE RECHTSORDE TEN BATE WAARVAN DE STATEN, ZIJ HET OP EEN BEPERKT TERREIN, HUN SOEVEREINITEIT HEBBEN BEGRENSD EN WAARBINNEN NIET SLECHTS DEZE LID-STATEN, MAAR OOK HUN ONDERDANEN GERECHTIGD ZIJN .

( 1 ) VGL . SAMENVATTING NO . 4 VAN HET ARREST 13-61, NO . 4, JUR . VIII .

EVENZEER ALS HET GEMEENSCHAPSRECHT, ONAFHANKELIJK VAN DE WETGEVING DER LID-STATEN, TEN LASTE VAN PARTICULIEREN VERPLICHTINGEN IN HET LEVEN ROEPT, IS HET OOK GEEIGEND RECHTEN TE SCHEPPEN WELKE ZIJ UIT EIGEN HOOFDE KUNNEN GELDIG MAKEN . DEZE RECHTEN ONTSTAAN NIET SLECHTS DOOR UITDRUKKELIJKE TOEKENNING VANWEGE HET VERDRAG, MAAR EVENZEER ALS WEERSLAG VAN DE DUIDELIJKE VERPLICHTINGEN WELKE HET VERDRAG ZOWEL AAN PARTICULIEREN ALS AAN DE LID-STATEN EN DE GEMEENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN OPLEGT .

4 . DE OMSTANDIGHEID, DAT HET E.E.G.-VERDRAG IN DE ARTIKELEN 169 EN 170 DE COMMISSIE EN DE LID-STATEN HET RECHT GEEFT OM EEN STAAT, WELKE ZIJN VERPLICHTINGEN NIET IS NAGEKOMEN, VOOR HET HOF TE DAGEN, ONTNEEMT PARTICULIEREN IN VOORKOMENDE GEVALLEN NIET HET RECHT, DEZE VERPLICHTINGEN VOOR DE NATIONALE RECHTER IN TE ROEPEN .

5 . NAAR DE GEEST, DE INHOUD EN DE BEWOORDINGEN VAN HET E.E.G.-VERDRAG MOET ARTIKEL 12 IN DIE ZIN WORDEN UITGELEGD, DAT HET DIRECTE WERKING HEEFT EN RECHTEN SCHEPT WELKER HANDHAVING AAN DE NATIONALE RECHTERS KAN WORDEN GEVRAAGD .

6 . UIT DE BEWOORDINGEN EN INHOUD VAN ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG BLIJKT DAT, TENEINDE VAST TE STELLEN OF IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING IN STRIJD MET HET IN DIT ARTIKEL VERVATTE VERBOD ZIJN VERHOOGD, DIENT TE WORDEN UITGEGAAN VAN DE IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN WELKE BIJ HET IN WERKING TREDEN VAN HET VERDRAG DAADWERKELIJK WERDEN TOEGEPAST ( 1 ).

7 . INDIEN EENZELFDE PRODUKT SINDS DE INWERKINGTREDING VAN HET E.E.G.-VERDRAG HOGER IS BELAST, VORMT DIT EEN ONGEOORLOOFDE VERMEERDERING IN DE ZIN VAN ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG, ONVERSCHILLIG OF DEZE VERMEERDERING UIT EEN EIGENLIJK GEZEGDE VERHOGING VAN HET TARIEF VOORTKOMT OF UIT EEN NIEUWE OPSTELLING VAN HET TARIEF, WELKE DE INDELING VAN BEPAALDE PRODUKTEN IN EEN HOGER BELASTE TARIEFPOST MEEBRENGT .

( 1 ) VGL . SAMENVATTING NO . 1 VAN HET ARREST 10-61, NO . 1, JUR . VIII .

Partijen


IN DE ZAAK 26-62 :

BETREFFENDE EEN VERZOEK WAARMEDE DE TARIEFCOMMISSIE - IN HOOGSTE INSTANTIE OORDELEND ADMINISTRATIEF RECHTERLIJK COLLEGE VOOR BELASTINGZAKEN - ZICH OP GROND VAN ARTIKEL 177 , LID 1, SUB A, EN LID 3 VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP TOT HET HOF VAN JUSTITIE HEEFT GEWEND, TENEINDE IN HET VOOR HAAR AANHANGIGE GEDING :

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ALGEMENE TRANSPORT - EN EXPEDITIE ONDERNEMING VAN GEND EN LOOS,

GEVESTIGD TE UTRECHT,

VERTEGENWOORDIGD DOOR MR . H . G . STIBBE EN MR . L . F . D . TER KUILE, ADVOCATEN TE AMSTERDAM,

TEN DEZE DOMICILIE KIEZENDE BIJ HET CONSULAAT-GENERAAL DER NEDERLANDEN TE LUXEMBURG,

TEGEN

NEDERLANDSE ADMINISTRATIE DER BELASTINGEN,

VERTEGENWOORDIGD DOOR DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN TE ZAANDAM,

TEN DEZE DOMICILIE KIEZENDE BIJ DE AMBASSADE DER NEDERLANDEN TE LUXEMBURG,

Onderwerp


EEN PREJUDICIELE BESLISSING TE VERKRIJGEN OMTRENT DE VOLGENDE VRAGEN :

1 . OF ARTIKEL 12 VAN HET E.E.G.-VERDRAG DE DOOR DE APPELLANTE BEDOELDE INTERNE WERKING HEEFT, MET ANDERE WOORDEN DE BURGERS AAN DIT ARTIKEL ONMIDDELLIJK KUNNEN ONTLENEN DOOR DE RECHTER TE HANDHAVEN RECHTEN;

2 . INGEVAL DEZE VRAAG BEVESTIGEND WORDT BEANTWOORD, OF DE TOEPASSING VAN EEN RECHT VAN 8 PERCENT OP DE INVOER UIT DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND IN NEDERLAND, DOOR APPELLANTE IN DE HOOFDZAAK, VAN UREUMFORMALDEHYDE EEN ONGEOORLOOFDE VERHOGING VORMT IN DE ZIN VAN ARTIKEL 12 VAN HET E.E.G.-VERDRAG, DAN WEL OF MEN HIER TE DOEN HEEFT MET EEN IN DE REDE LIGGENDE AFWIJKING VAN HET V}}R 1 MAART 1960 GELDENDE INVOERRECHT, WELKE AFWIJKING, HOEWEL IN REKENKUNDIGE ZIN EEN VERHOGING BETEKENEND, NIET HET KARAKTER DRAAGT VAN EEN VERHOGING ALS GEWRAAKT IN ARTIKEL 12,

Overwegingen van het arrest


I . - TEN AANZIEN VAN DE PROCEDURE

OVERWEGENDE DAT TEN AANZIEN VAN DE REGELMATIGHEID VAN DE BEHANDELING VAN HET VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING , HETWELK DE TARIEFCOMMISSIE, RECHTERLIJKE INSTANTIE IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 VAN HET E.E.G.-VERDRAG, OP GROND VAN DIT ARTIKEL TOT HET HOF HEEFT GERICHT, GEEN BEZWAREN ZIJN OPGEWORPEN;

DAT HET VERZOEK OOK OVERIGENS GEEN AANLEIDING GEEFT TOT BEZWAREN AMBTSHALVE;

II - TEN AANZIEN VAN DE EERSTE VRAAG

A - DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF

OVERWEGENDE DAT DE NEDERLANDSE REGERING EN DE BELGISCHE REGERING DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF BETWISTEN, AANVOERENDE DAT HET ONDERHAVIGE VERZOEK NIET DE UITLEGGING VAN HET VERDRAG BETREFT, MAAR EEN VRAAG VAN DESZELFS TOEPASSELIJKHEID BINNEN HET KADER VAN HET NEDERLANDSE STAATSRECHT;

DAT HET HOF MET NAME NIET BEVOEGD ZOU ZIJN ZICH UIT TE SPREKEN OVER DE EVENTUEEL AAN DE BEPALINGEN VAN HET E.E.G.-VERDRAG TOE TE KENNEN VOORRANG HETZIJ TEN OPZICHTE VAN DE NEDERLANDSE INTERNE WETGEVING, HETZIJ TEN AANZIEN VAN ANDERE DOOR NEDERLAND AANGEGANE EN VAN HET INTERNE RECHT DEEL UITMAKENDE OVEREENKOMSTEN; DAT DE BEANTWOORDING VAN DEZE VRAAG TER UITSLUITENDE BEVOEGDHEID VAN DE NATIONALE RECHTER ZOU STAAN BEHOUDENS DE MOGELIJKHEID VAN EEN BEROEP OVEREENKOMSTIG HET BEPAALDE IN DE ARTIKELEN 169 EN 170 VAN HET VERDRAG;

OVERWEGENDE ECHTER DAT HET HOF IN DE ONDERHAVIGE ZAAK NIET IS BEROEPEN OM TE BESLISSEN OVER DE TOEPASSELIJKHEID VAN HET VERDRAG NAAR DE BEGINSELEN VAN NEDERLANDS NATIONAAL RECHT, WELKE BESLISSING AAN DE NATIONALE RECHTER IS GEBLEVEN, MAAR DAT UITSLUITEND IS VERZOCHT OM EEN INTERPRETATIE, OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 177 A ) VAN HET VERDRAG, VAN DE STREKKING VAN ARTIKEL 12 DAARVAN, BEZIEN BINNEN HET GEHEEL VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT EN UIT EEN OOGPUNT VAN ZIJN GELDING TEN AANZIEN VAN PARTICULIEREN;

DAT DIT MIDDEL DERHALVE RECHTSGROND ONTBEERT;

OVERWEGENDE DAT DE BELGISCHE REGERING NOG 'S HOFS ONBEVOEGDHEID HEEFT INGEROEPEN, OP GROND DAT DE BEANTWOORDING VAN HET EERSTE VRAAGPUNT DER TARIEFCOMMISSIE VAN GEEN BELANG KAN ZIJN VOOR DE BESLISSING VAN HET DOOR DEZE INSTANTIE TE BERECHTEN GESCHIL;

OVERWEGENDE ECHTER DAT HET VOOR DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF IN DEZE ZAAK SLECHTS NODIG IS, DAT DE GESTELDE VRAAG KLAARBLIJKELIJK EEN UITLEGGING VAN HET VERDRAG BETREFT;

DAT DE OVERWEGINGEN WELKE DE NATIONALE RECHTER TOT HET STELLEN VAN ZIJN VRAGEN HEBBEN KUNNEN LEIDEN, EVENALS HET GEWICHT HETWELK DEZE DAARAAN VOOR DE BESLISSING VAN HET HANGENDE GESCHIL WENST TOE TE KENNEN, AAN EEN BEOORDELING VAN HET HOF ZIJN ONTTROKKEN;

OVERWEGENDE DAT DE BEWOORDING DER GESTELDE VRAGEN DOET BLIJKEN DAT ZIJ EEN UITLEGGING VAN HET VERDRAG BETREFFEN;

DAT HUN BEANTWOORDING DUS TOT DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF BEHOORT;

DAT DIT MIDDEL DERHALVE EVENMIN GEGROND IS;

B - TEN AANZIEN VAN DE HOOFDZAAK

OVERWEGENDE DAT DE TARIEFCOMMISSIE IN DE EERSTE PLAATS DE VRAAG STELT OF ARTIKEL 12 ONMIDDELLIJKE WERKING ALS INTERN RECHT HEEFT IN DIE ZIN, DAT DE BURGERS DER LID-STATEN AAN DIT ARTIKEL DOOR DE RECHTER TE HANDHAVEN RECHTEN KUNNEN ONTLENEN;

OVERWEGENDE DAT TER VASTSTELLING OF DE BEPALINGEN VAN EEN INTERNATIONAAL VERDRAG ZODANIGE STREKKING HEBBEN MOET WORDEN GELET OP DE GEEST, DE INHOUD EN DE BEWOORDINGEN DAARVAN;

OVERWEGENDE DAT HET OOGMERK VAN HET E.E.G.-VERDRAG, NAMELIJK DE INSTELLING VAN EEN GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT WIER WERKZAAMHEID DE INGEZETENEN DER GEMEENSCHAP RECHTSTREEKS BETREFT, MEEBRENGT DAT DIT VERDRAG MEER IS DAN EEN OVEREENKOMST WELKE SLECHTS WEDERZIJDSE VERPLICHTINGEN TUSSEN DE VERDRAGSLUITENDE MOGENDHEDEN SCHEPT;

DAT DEZE OPVATTING WORDT BEVESTIGD DOOR DE PREAMBULE VAN HET VERDRAG, DIE ZICH OVER DE REGERINGEN HEEN RICHT TOT DE VOLKEN EN WEL ZEER DUIDELIJK DOOR HET IN LEVEN ROEPEN VAN ORGANEN, BEKLEED MET SOEVEREINE RECHTEN WELKER UITOEFENING ZOWEL DE LID-STATEN ALS HUN BURGERS RAAKT;

DAT HET OVERIGENS DE AANDACHT VERDIENT DAT DE INGEZETENEN DER IN DE GEMEENSCHAP VERENIGDE STATEN DOOR MIDDEL VAN HET EUROPESE PARLEMENT EN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE GEROEPEN ZIJN MEDE TE WERKEN AAN DE ARBEID DEZER GEMEENSCHAP;

DAT BOVENDIEN DE OPDRACHT AAN HET HOF VAN JUSTITIE, OM DOOR MIDDEL VAN ARTIKEL 177 DE EENHEID IN DE UITLEGGING VAN HET VERDRAG DOOR DE NATIONALE GERECHTEN TE VERZEKEREN, BEWIJST DAT DE STATEN ERVAN UIT ZIJN GEGAAN, DAT DE GELDING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT DOOR HUN INGEZETENEN VOOR DEZE GERECHTEN KAN WORDEN INGEROEPEN;

DAT UIT DEZE OMSTANDIGHEDEN MOET WORDEN AFGELEID, DAT DE GEMEENSCHAP IN HET VOLKENRECHT EEN NIEUWE RECHTSORDE VORMT TEN BATE WAARVAN DE STATEN, ZIJ HET OP EEN BEPERKT TERREIN, HUN SOEVEREINITEIT HEBBEN BEGRENSD EN WAARBINNEN NIET SLECHTS DEZE LID-STATEN, MAAR OOK HUN ONDERDANEN GERECHTIGD ZIJN;

DAT HET GEMEENSCHAPSRECHT DERHALVE, EVENZEER ALS HET, ONAFHANKELIJK VAN DE WETGEVING DER LID-STATEN, TEN LASTE VAN PARTICULIEREN VERPLICHTINGEN IN HET LEVEN ROEPT, OOK GEEIGEND IS RECHTEN TE SCHEPPEN WELKE ZIJ UIT EIGEN HOOFDE KUNNEN GELDIG MAKEN;

DAT DEZE LAATSTE NIET SLECHTS ONTSTAAN DOOR UITDRUKKELIJKE TOEKENNING VANWEGE HET VERDRAG, MAAR EVENZEER ALS WEERSLAG VAN DE DUIDELIJKE VERPLICHTINGEN WELKE HET VERDRAG ZOWEL AAN PARTICULIEREN, ALS AAN DE LID-STATEN EN DE GEMEENSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN OPLEGT;

OVERWEGENDE DAT, TEN AANZIEN VAN DE INHOUD VAN HET VERDRAG OMTRENT IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING, OP DE VOORGROND MOET WORDEN GEPLAATST DAT ARTIKEL 9, HETWELK DE GEMEENSCHAP GRONDVEST OP EEN DOUANE-UNIE, EEN ALGEHEEL VERBOD DAARVAN BEHELST ALS EEN VAN DE WEZENLIJKE GRONDREGELS VAN ZULK EEN UNIE;

DAT DEZE BEPALING, WELKE HET GEDEELTE VAN HET VERDRAG TER OMSCHRIJVING VAN DE GRONDSLAGEN DER GEMEENSCHAP INLEIDT, NADER WORDT UITGEWERKT EN TOEGEPAST DOOR ARTIKEL 12;

OVERWEGENDE DAT DE TEKST VAN ARTIKEL 12 EEN DUIDELIJK EN ONVOORWAARDELIJK VERBOD BEVAT, DERHALVE EEN VERPLICHTING NIET OM IETS TE DOEN, DOCH OM IETS NA TE LATEN;

DAT DEZE VERPLICHTING DOOR DE STATEN MET GEEN ENKEL VOORBEHOUD IS VOORZIEN, WAARDOOR ZIJN WERKING AFHANKELIJK ZOU WORDEN GESTELD VAN NADERE BEPALINGEN VAN NATIONAAL RECHT;

DAT DIT VERBOD ER ZICH KRACHTENS ZIJN AARD GEHEEL TOE LEENT ONMIDDELLIJK EFFECT TE VERLANGEN IN DE RECHTSBETREKKINGEN TUSSEN DE LID-STATEN EN HUN JUSTITIABELEN;

OVERWEGENDE DAT DE NALEVING VAN ARTIKEL 12 GEEN WETTELIJKE TUSSENKOMST DER STATEN BEHOEFT;

DAT DE OMSTANDIGHEID DAT DEZE BEPALING DE LID-STATEN AANDUIDT ALS ONDERWERP VAN DE VERPLICHTING ZICH TE ONTHOUDEN, NIET MEEBRENGT DAT HUN INGEZETENEN DAARAAN GEEN RECHTEN ZOUDEN KUNNEN ONTLENEN;

OVERWEGENDE DAT VOORTS HET ARGUMENT, DAT DE DRIE REGERINGEN WELKE HET HOF IN HUN MEMORIES MET OPMERKINGEN HEBBEN GEDIEND, AAN DE ARTIKELEN 169 EN 170 VAN HET VERDRAG ONTLENEN, ONJUIST IS;

DAT IMMERS DE OMSTANDIGHEID, DAT HET VERDRAG BIJ BOVENGENOEMDE BEPALINGEN DE COMMISSIE EN DE LID-STATEN HET RECHT GEEFT OM EEN STAAT, WELKE ZIJN VERPLICHTINGEN NIET IS NAGEKOMEN, VOOR HET HOF TE DAGEN, GEENSZINS MEEBRENGT DAT PARTICULIEREN IN VOORKOMENDE GEVALLEN DEZE ZELFDE VERPLICHTINGEN NIET VOOR DE NATIONALE RECHTER ZOUDEN KUNNEN INROEPEN, EVENMIN ALS HET FEIT, DAT HET VERDRAG AAN DE COMMISSIE MIDDELEN IN DE HAND GEEFT OM DE NAKOMING VAN AAN HET BEDRIJFSLEVEN OPGELEGDE VERPLICHTINGEN TE VERZEKEREN, DE MOGELIJKHEID UITSLUIT DAT IN GEDINGEN TUSSEN PARTICULIEREN VOOR DE NATIONALE RECHTER OVER DE SCHENDING VAN DEZE VERPLICHTINGEN WORDT GEKLAAGD;

DAT EEN BEPERKING DER WAARBORGEN TEGEN SCHENDING VAN ARTIKEL 12 ENKEL TOT DE PROCEDURES DER ARTIKELEN 169 EN 170 ELKE ONMIDDELLIJKE RECHTSBESCHERMING VAN DE EIGEN AANSPRAKEN DER INGEZETENEN ZOU UITSLUITEN;

DAT EEN BEROEP OP DEZE ARTIKELEN, WANNEER HET PLAATS HEEFT NA DE TENUITVOERLEGGING VAN NATIONALE BESLISSINGEN GEDAAN IN STRIJD MET DE VOORSCHRIFTEN VAN HET VERDRAG, WELLICHT DE GEWENSTE UITWERKING ZOU MISSEN;

DAT DE WAAKZAAMHEID DER BELANGHEBBENDEN OP DE VERZEKERING VAN HUN RECHTEN EEN DOELMATIGE CONTROLE VERSCHAFT, DIE ZICH PAART AAN HET TOEZICHT DAT DE ARTIKELEN 169 EN 170 AAN DE COMMISSIE EN DE LID-STATEN OPDRAGEN;

OVERWEGENDE DAT UIT HET VOORGAANDE VOLGT, DAT NAAR DE GEEST, DE INHOUD EN DE BEWOORDINGEN VAN HET VERDRAG ARTIKEL 12 IN DIE ZIN MOET WORDEN UITGELEGD, DAT HET DIRECTE WERKING HEEFT EN RECHTEN SCHEPT WELKER HANDHAVING AAN DE NATIONALE RECHTERS KAN WORDEN GEVRAAGD;

III - TEN AANZIEN VAN DE TWEEDE VRAAG

A - DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF

OVERWEGENDE DAT DE BELGISCHE EN NEDERLANDSE REGERING HEBBEN OPGEMERKT DAT DE BEWOORDINGEN VAN DEZE VRAAG ZOUDEN VEREISEN DAT HET HOF TER BEANTWOORDING DAARVAN IN EEN ONDERZOEK TREEDT VAN DE INDELING VOLGENS HET TARIEFBESLUIT 1947 VAN IN NEDERLAND INGEVOERDE UREUMFORMALDEHYDE, OVER WELKE INDELING VAN GEND EN LOOS EN DE INSPECTEUR VAN DE INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN TE ZAANDAM VERSCHILLENDE OPVATTINGEN VERDEDIGEN;

DAT DEZE VRAAG STELLIG NIET EEN UITLEGGING VAN HET VERDRAG MEEBRENGT, DOCH EEN VRAAG BETREFT VAN TOEPASSING DER NEDERLANDSE DOUANEWETGEVING OP DE INDELING VAN AMINOPLASTEN, WELKE VRAAG BUITEN DE BEVOEGDHEID VALT WELKE ARTIKEL 177 A ) AAN DE GEMEENSCHAPSRECHTSPRAAK TOEKENT;

DAT DERHALVE HET VERZOEK VAN DE TARIEFCOMMISSIE DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF OVERSCHRIJDT;

OVERWEGENDE ECHTER DAT DE DUIDELIJKE STREKKING VAN DE VRAAG, GESTELD DOOR DE TARIEFCOMMISSIE, HIEROP NEERKOMT OF EEN DAADWERKELIJKE VERHOGING VAN DE INVOERRECHTEN OP EEN BEPAALD PRODUKT TENGEVOLGE NIET VAN EEN VERHOGING VAN HET TARIEF, MAAR VAN EEN NIEUWE INDELING VAN DIT PRODUKT TEN GEVOLGE VAN EEN WIJZIGING DER TARIEFRECHTELIJKE OMSCHRIJVING RECHTENS IN STRIJD IS MET HET VERBOD VAN ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG;

OVERWEGENDE DAT DE GESTELDE VRAAG ALDUS BEZIEN EEN INTERPRETATIE VERLANGT VAN DEZE BEPALING VAN HET VERDRAG EN MET NAME VAN DE BETEKENIS, WELKE MOET WORDEN TOEGEKEND AAN HET BEGRIP : RECHTEN TOEGEPAST VOOR HET IN WERKING TREDEN VAN HET VERDRAG;

DAT DERHALVE DE BEANTWOORDING VAN DEZE VRAAG TOT DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF BEHOORT;

B - TEN AANZIEN VAN DE HOOFDZAAK

OVERWEGENDE DAT UIT DE BEWOORDINGEN EN INHOUD VAN ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG BLIJKT DAT, TENEINDE VAST TE STELLEN OF IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING IN STRIJD MET HET IN DIT ARTIKEL VERVATTE VERBOD ZIJN VERHOOGD , DIENT TE WORDEN UITGEGAAN VAN DE IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN WELKE BIJ HET IN WERKING TREDEN VAN HET VERDRAG DAADWERKELIJK WERDEN TOEGEPAST;

OVERWEGENDE OVERIGENS DAT, WAT HET VERBOD VAN ARTIKEL 12 BETREFT, EEN DERGELIJKE ONGEOORLOOFDE VERMEERDERING EVENZEER KAN VOORTKOMEN UIT EEN NIEUWE OPSTELLING VAN HET TARIEF, WELKE DE INDELING VAN BEPAALDE PRODUKTEN IN EEN HOGER BELASTE TARIEFPOST MEEBRENGT, ALS UIT EEN EIGENLIJK GEZEGDE VERHOGING VAN HET TARIEF;

OVERWEGENDE DAT HET ER WEINIG OP AANKOMT UIT WELKEN HOOFDE DEZE VERHOGING HEEFT PLAATSGEVONDEN, WANNEER EENMAAL KOMT VAST TE STAAN, DAT BINNEN EEN LID-STAAT EENZELFDE PRODUKT SINDS DE INWERKINGTREDING VAN HET VERDRAG HOGER IS BELAST;

DAT DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 12 OVEREENKOMSTIG DE HIERBOVEN GEGEVEN INTERPRETATIE TOT DE BEVOEGDHEID VAN DE NATIONALE RECHTER BEHOORT, DIE ZAL HEBBEN TE ONDERZOEKEN OF HET BELASTE PRODUKT, TE WETEN UREUMFORMALDEHYDE AFKOMSTIG UIT DE DUITSE BONDSREPUBLIEK, DOOR DE DOUANEVOORSCHRIFTEN WELKE IN NEDERLAND ZIJN INGEVOERD WORDT GETROFFEN DOOR EEN HOGER INVOERRECHT DAN DAT, HETWELK OP DE 1E JANUARI 1958 GOLD;

DAT HET HOF NIET BEVOEGD IS ZICH IN EEN ONDERZOEK VAN DE OP DIT PUNT TEGENSTRIJDIGE GEGEVENS, WELKE IN DE LOOP VAN DE BEHANDELING ZIJN VOORGEDRAGEN, TE BEGEVEN, MAAR DEZE TER BEOORDELING VAN DE NATIONALE RECHTER MOET LATEN;

Beslissing inzake de kosten


OVERWEGENDE, DAT DE KOSTEN, GEMAAKT DOOR DE COMMISSIE DER E.E.G . EN DE REGERINGEN DER LID-STATEN WELKE TER ZAKE HUN OPMERKINGEN AAN HET HOF HEBBEN DOEN TOEKOMEN, NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN;

DAT DE ONDERHAVIGE PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE BETROKKEN PARTIJEN HET KARAKTER DRAAGT VAN EEN INCIDENT IN HET TUSSEN HEN AANHANGIGE GEDING VOOR DE TARIEFCOMMISSIE, ZODAT DE BESLISSING OVER DE GEMAAKTE KOSTEN BIJ DE TARIEFCOMMISSIE MOET VERBLIJVEN;

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE

UITSPRAAK DOENDE OP HET VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, GEDAAN DOOR DE TARIEFCOMMISSIE BIJ BESCHIKKING VAN 16 AUGUSTUS 1962,

1 . ARTIKEL 12 VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP HEEFT DIRECTE WERKING EN SCHEPT RECHTEN TEN BATE DER JUSTITIABELEN, WELKER HANDHAVING AAN DE NATIONALE RECHTERS KAN WORDEN GEVRAAGD;

2 . TENEINDE VAST TE STELLEN OF IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN VAN GELIJKE WERKING IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 12 VERVATTE VERBOD ZIJN VERHOOGD, DIENT TE WORDEN UITGEGAAN VAN DE IN - EN UITVOERRECHTEN EN HEFFINGEN WELKE DE LID-STAAT BIJ HET IN WERKING TREDEN VAN HET VERDRAG DAADWERKELIJK HEEFT TOEGEPAST;

ZULK EEN VERHOGING KAN EVENZEER VOORTVLOEIEN UIT EEN NIEUWE OPSTELLING VAN HET TARIEF, WELKE DE INDELING VAN HET PRODUKT IN EEN HOGER BELASTE TARIEFPOST TENGEVOLGE HEEFT, ALS UIT EEN VERHOGING VAN HET TOEGEPASTE DOUANETARIEF;

3 . DE UITSPRAAK TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN BLIJFT AAN DE TARIEFCOMMISSIE VOORBEHOUDEN .

Top