Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016PC0723

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU

COM/2016/0723 final - 2016/0359 (COD)

No longer in force, Date of end of validity: 20/06/2019

Straatsburg, 22.11.2016

COM(2016) 723 final

2016/0359(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2016) 357 final}
{SWD(2016) 358 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De insolventieregels bestaan uit een brede waaier aan maatregelen, van vroegtijdige interventie vooraleer een bedrijf in ernstige moeilijkheden raakt, tijdige herstructurering om levensvatbare bedrijfsonderdelen te behouden, de vereffening van activa wanneer bedrijven niet op een andere manier kunnen worden gered, tot het geven van een tweede kans aan bonafide ondernemers via kwijting.

Een efficiënt functionerend insolventiekader dat al deze maatregelen omvat, is een essentieel onderdeel van een goed ondernemingsklimaat omdat het bijdraagt tot handel en investeringen 1 , tot het creëren en behouden van banen en tot het opvangen van economische schokken die het aantal oninbare leningen en de werkloosheid de hoogte in jagen. Dit zijn een voor een belangrijke prioriteiten van de Europese Commissie.

Insolventie is een aangelegenheid met een sterke uniale dimensie. In een steeds verder verweven eengemaakte markt met een almaar sterkere digitale dimensie kan slechts een zeer beperkt aantal bedrijven nog als puur nationaal worden beschouwd als het aankomt op klantenbestand, toeleveringsketen, bereik van hun activiteiten, beleggersbasis en kapitaalbasis (om maar enkele aspecten te noemen). Belangrijk is bovendien dat insolventie een afschrikkend effect kan hebben op marktdeelnemers die over de grenzen heen willen uitbreiden of willen investeren. Veel investeerders vermelden onzekerheid over insolventieregels of het risico van langdurige of complexe insolventieprocedures in een ander land als belangrijke redenen om niet te investeren of geen zakelijke betrekkingen aan te gaan buiten hun eigen land. Verdere harmonisatie van de insolventiewetgeving is dan ook essentieel voor een goed functionerende eengemaakte markt en voor een echte kapitaalmarktenunie. Om die reden kan deze kwestie op EU-niveau al geruime tijd op veel belangstelling rekenen.

Een grotere convergentie van insolventie- en herstructureringsprocedures vergroot de rechtszekerheid voor grensoverschrijdende investeerders en stimuleert een tijdige herstructurering van levensvatbare bedrijven die zich in financiële moeilijkheden bevinden. Inefficiënte en divergerende insolventiewetten maken het moeilijker voor investeerders om het kredietrisico te beoordelen, met name wanneer ze overwegen grensoverschrijdende investeringen te doen. Betere grensoverschrijdende risicodeling, sterkere en meer liquide kapitaalmarkten en gediversifieerde financieringsbronnen voor EU-ondernemingen zullen de financiële integratie versterken, de kosten voor het verkrijgen van leningen verlagen en het concurrentievermogen van de EU vergroten.

Herstructurering en insolventie

Tegenwoordig heeft de helft van de ondernemingen in Europa een levensduur van minder dan vijf jaar 2 . Het aantal insolvente ondernemingen is sinds de piek van de economische crisis in 2009 gestegen en blijft hoog, hoewel de trend inmiddels lijkt te keren. In verschillende lidstaten bestaat de tendens om levensvatbare ondernemingen met financiële moeilijkheden veeleer te vereffenen dan in een vroege fase te herstructureren. Naar schatting gaan in de EU jaarlijks 200 000 bedrijven failliet (600 per dag) en gaan als gevolg daarvan elk jaar 1,7 miljoen rechtstreekse banen verloren. In een op vier gevallen gaat het om grensoverschrijdende insolventie, waarbij dus crediteuren en debiteuren in meer dan één lidstaat betrokken zijn 3 . Een aanzienlijk percentage ondernemingen en bijgevolg ook banen zou kunnen worden gered indien er in alle lidstaten waar deze ondernemingen vestigingen, activa of crediteuren hebben, preventieve procedures voorhanden zouden zijn. Als procedures voor tijdige, preventieve herstructurering beschikbaar zouden zijn, kan bovendien worden ingegrepen voordat de ondernemingen hun leningen niet meer kunnen afbetalen. Hierdoor vermindert niet alleen het risico dat leningen bij een daling van de conjunctuur oninbaar worden, maar ook de negatieve impact van die oninbaarheid op de financiële sector. Er zijn echter nog veel bredere implicaties verbonden aan de grensoverschrijdende dimensie en de kosten van divergerende insolventiestelsels. Ten eerste: zelfs wanneer crediteuren leveranciers in hun toeleveringsketen hebben die enkel op de nationale markt actief zijn, kan een leverancier die in financiële moeilijkheden verkeert en niet kan worden gered, toch een negatieve impact hebben die kan leiden tot de insolventie van het grensoverschrijdende bedrijf. Grensoverschrijdende insolventie kan verstrekkende gevolgen hebben omdat eer vaak grote bedrijven bij betrokken zijn. Ten tweede: grensoverschrijdende crediteuren van bepaalde bedrijven (voornamelijk kmo’s) opteren er soms voor grensoverschrijdende vorderingen te laten vallen omdat het voor hen te duur is deze geldend te maken, bijvoorbeeld indien zij ter plaatse juridisch advies moeten inwinnen. Tot slot wordt verwacht dat als gevolg van de toekomstige ontwikkelingen op de eengemaakte markt het aantal bedrijven dat grensoverschrijdend zaken gaat doen, zal toenemen en het aantal insolventiegevallen met een grensoverschrijdende impact dus eveneens zal stijgen. Vooral innovatieve bedrijven hebben een grotere markt nodig om goed te gedijen en om insolventie te vermijden tijdens de eerste vijf jaar.

De kwaliteit van het herstructurerings- en insolventiekader van de lidstaten heeft een rechtstreekse invloed op het terugvorderingspercentage voor de crediteuren. Uit indicatoren van de Wereldbank blijkt dat het terugvorderingspercentage in de EU varieert tussen 30 % in Kroatië en Roemenië en 90 % 4 in België en Finland. Het terugvorderingspercentage ligt hoger in economieën waar herstructurering de meest gebruikelijke insolventieprocedure is. Crediteuren in deze economieën mogen ervan uitgaan dat zij gemiddeld 83% van hun vorderingen kunnen innen, tegenover gemiddeld 57 % voor vereffeningsprocedures 5 . Hoewel deze resultaten mede worden bepaald door andere economische factoren, zoals de globale gezondheid van de economie, tonen ze toch aan dat een omvattend, institutioneel en cultureel stevig verankerd insolventiekader baten oplevert voor de samenleving.

De elementen die bepalend zijn voor de doeltreffendheid van de preventieve herstructureringsprocedures en dus voor het aantal geredde ondernemingen en de levensvatbaarheid van die ondernemingen op lange termijn, verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat. Om doeltreffend te zijn, moeten de regels bijvoorbeeld eisen dat een bedrijf in moeilijkheden zo vroeg mogelijk toegang heeft tot preventieve herstructurering. In sommige lidstaten kunnen debiteuren hun schulden echter niet herstructureren met hun crediteuren zolang ze niet daadwerkelijk insolvent zijn of worden hun, als ze dat toch eerder doen, strenge of dure toegangsvoorwaarden opgelegd.

De voorwaarden om, ter bevordering van de herstructureringsonderhandelingen, individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te schorsen, verschillen eveneens sterk: in sommige landen is schorsing niet mogelijk, terwijl er in de andere uiteenlopende bepalingen bestaan wat betreft duur en uitzonderingen. Ook met betrekking tot het vaststellen van een herstructureringsplan door crediteuren gelden in de lidstaten zeer uiteenlopende regels inzake de vorming van categorieën, de mogelijkheid om alleen met bepaalde crediteuren te herstructureren waarbij de rechten van niet-betrokken crediteuren onverlet worden gelaten, de vereiste meerderheden en de voorwaarden voor de bekrachtiging van het herstructureringsplan door een gerechtelijke of administratieve instantie. De bescherming van nieuwe en tussentijdse financiering (essentiële voorwaarden voor het slagen van een herstructureringsplan) verschilt eveneens van lidstaat tot lidstaat, gaande van een minimale bescherming tegen vorderingen tot nietigverklaring tot een vorm van preferentie boven bestaande schuld in daaropvolgende insolventieprocedures. Ten slotte varieert de betrokkenheid van gerechtelijke of administratieve instanties en door die instanties aangewezen functionarissen van minimaal tot volledig.

Dergelijke verschillen maken het nagenoeg onmogelijk om een herstructureringsplan op te stellen voor een grensoverschrijdende groep ondernemingen met dochters in meer dan twee lidstaten 6 .

Tweede kans

In veel lidstaten duurt het meer dan drie jaar voordat failliete maar bonafide ondernemers schuldenvrij zijn en een nieuwe start kunnen nemen. Een ondoeltreffend tweedekansbeleid heeft tot gevolg dat ondernemers vast komen te zitten in een schuldenval, naar de zwarte economie worden gedreven of naar een ander rechtsgebied moeten verhuizen om daar toegang te krijgen tot gunstigere stelsels. Verplaatsing is een dure zaak voor crediteuren aangezien zij rekening moet houden met het extra risico dat in een ander rechtsgebied al na een kortere periode kwijting aan een ondernemer wordt verleend. De verplaatsing gaat ook gepaard met hoge economische en menselijke kosten voor de ondernemers vermits ze in het kader van Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures 7 wellicht een bepaalde tijd in een lidstaat gevestigd moeten zijn vooraleer ze in dat rechtsgebied kwijting kunnen aanvragen. Voorts is aangetoond dat zowel consumenten als investeerders gebaat zijn bij kortere kwijtingsperiodes aangezien ze dan sneller opnieuw kunnen deelnemen aan de consumptie- en investeringscyclus. Op zijn beurt stimuleert dit het ondernemerschap.

In sommige lidstaten volstaat het wellicht niet dat een ondernemer vrij is van schulden vooraleer hij met een nieuwe zakelijke activiteit mag starten, bijv. wanneer het faillissement gepaard is gegaan met een langdurig beroepsverbod dat is uitgevaardigd ongeacht of de ondernemer te goeder trouw heeft gehandeld. Om bonafide ondernemers daadwerkelijk een tweede kans te geven, moet een beroepsverbod dat gekoppeld is aan overmatige schuldenlast, ook beperkt worden in de tijd zodat het ten laatste vervalt wanneer de kwijtingsperiode eindigt. De persoonsgegevens die worden gebruikt in verband met de overmatige schuldenlast van de debiteur, moeten toereikend en ter zake dienend zijn en beperkt blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, en moeten worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer dan voor de doelen waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is, te identificeren. De algemene verordening gegevensbescherming 8 (die Richtlijn 95/46/EG zal vervangen en van toepassing zal zijn met ingang van 25 mei 2018) verduidelijkt het juridisch kader en de voorschriften voor de verwerking van persoonsgegevens.

De overmatige schuldenlast van natuurlijke personen is een groot economisch en sociaal probleem. 11,4% van de Europese burgers staat permanent achter met betalingen, vaak voor nutsvoorzieningen 9 . Deze achterstallen zijn voornamelijk terug te voeren op ongunstige macro-economische omstandigheden als gevolg van de financiële en economische crisis (bijv. werkloosheid) in combinatie met persoonlijke omstandigheden (bijv. scheiding, ziekte).

Niet alleen ondernemers worden getroffen. Consumenten worden doorgaans – maar niet in alle lidstaten – op dezelfde manier behandeld in het kader van de nationale insolventiewetgeving. Dat leidt tot hogere kosten voor de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten en tot economische gevolgen zoals verminderde consumptie, lagere arbeidsactiviteit en onbenutte groeikansen.

Algemene doeltreffendheid van herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid

De buitensporige duur van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures in verscheidene lidstaten is een belangrijke factor die lage terugvorderingspercentages veroorzaakt en investeerders afschrikt om zaken te doen in rechtsgebieden waar procedures erg lang kunnen aanslepen. In de helft van de lidstaten duurt een insolventieprocedure twee tot vier jaar 10 . Behalve in drie lidstaten zijn de procedures de afgelopen vier jaar niet ingekort; in twee lidstaten zijn ze in die periode zelfs langer geworden. Specifieke aspecten die een belangrijke rol spelen in de duur van procedures, zijn het niveau van specialisatie van de rechters en dus hun vermogen om snel een beslissing te nemen, het professionalisme van de functionarissen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid en de invoering van digitale communicatiemiddelen in deze procedures. De beschikbaarheid van in insolventie gespecialiseerde functionarissen en rechters en van digitale hulpmiddelen kan de procedures fors inkorten, de kosten verlagen en de kwaliteit van de bijstand of het toezicht verbeteren.

Ondanks een economische heropleving blijft het niveau oninbare leningen, dat in de meeste lidstaten naar aanleiding van de economische crisis snel is gestegen, hoog. Een hoog niveau oninbare leningen heeft directe gevolgen voor de groei ondersteunende capaciteit van banken 11 . In sommige lidstaten hebben doelgerichte hervormingen een positieve uitwerking gehad. Het feit dat het probleem van de oninbaarheid van leningen aanhoudt, toont echter aan dat verdere maatregelen moeten worden genomen om de vicieuze cirkel van kwalitatief slechte activa, aanslepende kredietverlening en lage groei te doorbreken. Maatregelen om de doeltreffendheid van de herstructurerings-, insolventie- en tweedekansstelsels te vergroten, zouden bijdragen tot een efficiënt beheer van leningen waarvoor van wanbetaling sprake is, en zouden de accumulatie van oninbare leningen op de balansen van de banken verminderen 12 . Door een vroegere en snellere herstructurering of afwikkeling mogelijk te maken voor debiteuren met financiële moeilijkheden, zouden de maatregelen ook bijdragen tot een hogere restwaarde voor de crediteuren. Tot slot kunnen de maatregelen helpen om een opeenstapeling van oninbare leningen in de toekomst te voorkomen, aangezien leningen die niet meer worden afbetaald, dan efficiënter kunnen worden opgeëist. Een verbetering van het juridisch kader voor de executieprocedures volstaat op zich echter niet om het probleem van bestaande oninbare leningen waarvoor de executieprocedure al is ingeleid, volledig op te lossen. Wel kan een versterking van dat kader de resterende fases van de procedure helpen versnellen. Op deze manier kan een hervorming van de insolventiewetgeving een aanvulling vormen op andere lopende hervormingen op EU-niveau met betrekking tot de banksector en de kapitaalmarkten.

Doel van het voorstel

Het voorstel is vooral gericht op een vermindering van de belangrijkste belemmeringen voor het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeien uit verschillen in de herstructurerings- en insolventiestelsels van de lidstaten. Doel is dat alle lidstaten zich houden aan een aantal kernbeginselen inzake doeltreffende preventieve herstructureringsstelsels en tweedekansstelsels, en over maatregelen beschikken om alle soorten insolventieprocedures doeltreffender te maken door de duur en de kosten ervan te verlagen en de kwaliteit te verbeteren. Meer bepaald dragen dergelijke stelsels bij tot het vergroten van investerings- en arbeidskansen in de eengemaakte markt, het beperken van onnodige vereffening van levensvatbare bedrijven, het voorkomen van onnodig banenverlies, het voorkomen van de opeenstapeling van oninbare leningen, het vergemakkelijken van grensoverschrijdende herstructureringen en het verlagen van de kosten en vergroten van de kansen voor bonafide ondernemers die een nieuwe zaak willen opstarten.

Naast kernbeginselen zijn meer doelgerichte regels nodig om de herstructureringsstelsels efficiënter te maken. Regels over de zorgvuldigheidsplicht die bedrijfsleiders bij dreigende insolventie in acht moeten nemen, spelen ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van een cultuur die gericht is op het redden in plaats van het vereffenen van bedrijven, aangezien dergelijke regels vroegtijdige herstructurering stimuleren, wangedrag voorkomen en vermijdbare verliezen voor de crediteuren voorkomen. Van even groot belang zijn regels inzake instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing.

Het voorstel beoogt geen harmonisering van belangrijke aspecten van insolventie zoals regels inzake de voorwaarden voor het inleiden van insolventieprocedures, een gemeenschappelijke definitie van insolventie, de rangindeling van vorderingen en vorderingen tot nietigverklaring in de ruime zin van het woord. Hoewel dergelijke regels nuttig zouden zijn om volledige grensoverschrijdende rechtszekerheid tot stand te brengen – zoals bevestigd door een groot aantal belanghebbenden tijdens de openbare raadpleging 13 – blijkt de huidige diversiteit in het rechtsbestel van de lidstaten op het gebied van insolventieprocedures te groot om te overbruggen, gezien de talrijke verbanden tussen de insolventiewetgeving en aanverwante gebieden van het nationaal recht, zoals belasting-, arbeids- en de socialezekerheidswetgeving. Een prescriptieve harmonisatie zou verregaande veranderingen kunnen vergen in het handelsrecht, het burgerlijk recht en het vennootschapsrecht, en flexibele bepalingen zouden onvoldoende kunnen zijn om de gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Bovendien zijn de regels voor het indienen en het controleren van de schuldvorderingen als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 12 december 2012 14 , weinig relevant gezien de verbeteringen die de insolventieverordening 15 met zich brengt.

In de plaats daarvan ligt de nadruk in dit voorstel op de belangrijkste problemen die op een haalbare manier via harmonisering kunnen worden aangepakt. De insolventieprocedures moeten worden aangepast om debiteuren in financiële moeilijkheden de kans te geven om vroegtijdig te herstructureren. Regels die aan deze behoefte tegemoetkomen, hebben onder meer betrekking op het opheffen van de verplichting om een insolventieprocedure in te leiden terwijl het herstructureringsproces nog gaande is – aangezien de inleiding van de procedure het doel van herstructurering in het gedrang kan brengen – en op het stelsel voor vorderingen tot nietigverklaring in insolventieprocedures om transacties die te goeder trouw zijn gesloten, te beschermen met het oog op de preventieve herstructurering van de debiteur. Het voorstel betreft bovendien maatregelen die gerelateerd zijn aan insolventie en die een directe invloed hebben op de duur van de procedures, zoals de specialisatie van de rechters en het professionalisme van de functionarissen, en maatregelen die nauw verbonden zijn met de regeling voor preventieve herstructurering, zoals het beschermen van nieuwe financiering tegen vorderingen tot nietigverklaring.

Om het ondernemerschap aan te moedigen, moet worden voorkomen dat ondernemers en bedrijfsleiders gestigmatiseerd worden wanneer hun bonafide zakelijke projecten mislukken. Mensen mogen niet worden afgeschrikt van ondernemingsactiviteiten en een tweede kans mag hen niet worden ontzegd. Naar schatting zou een echte tweede kans voor bonafide ondernemers om opnieuw een zakelijke activiteit op te starten, Europa 3 miljoen banen opleveren 16 .

Bij het opstellen van het voorstel heeft de Commissie gestreefd naar het juiste evenwicht tussen de belangen van crediteuren en debiteuren, en heeft zij voorzien in vrijwaringsmaatregelen voor gevallen waarin de voorgestelde maatregelen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de rechten van de partijen.

Bovenal is het voorstel echter bedoeld om de reddingscultuur in de EU te versterken. De regels inzake de herstructurering van ondernemingen en de rechten van aandeelhouders zullen vooral bijdragen tot "preventie", de regels inzake nietigverklaring, insolventiefunctionarissen en gerechtelijke of administratieve instanties tot "het terugkrijgen van waarde" en een tweedekansbeleid tot "kwijting". Naast economische voordelen zal het voorstel ook positieve sociale effecten opleveren.

In het voorstel worden gemeenschappelijke doelstellingen, in de vorm van beginselen, vastgelegd of, waar nodig, gerichte uitvoerige regels. Het voorstel heeft weliswaar tot doel de nodige coherentie tussen de regelgevingsstelsels van de EU-lidstaten tot stand te brengen, maar geeft de lidstaten tegelijkertijd de flexibiliteit om voor het bereiken van de doelstellingen de beginselen en gerichte regels toe te passen op een manier die aangepast is aan hun nationale context. Dit is met name van belang omdat in sommige lidstaten al bepaalde elementen van een goed functionerende regelgeving van kracht zijn. Het is de bedoeling om niet te raken aan wat goed werkt, en een gemeenschappelijk kader voor de hele EU vast te stellen dat borg staat voor doeltreffende en efficiënte procedures op het gebied van herstructurering en tweedekansbeleid op nationaal en grensoverschrijdend niveau.

Het stimuleren van werkgelegenheid en groei in Europa vereist een sterkere reddingscultuur die levensvatbare ondernemingen helpt te herstructureren en operationeel te blijven, die ondernemingen zonder overlevingskans begeleidt naar een snelle vereffening en die bonafide ondernemers in moeilijkheden een tweede kans geeft. Dit voorstel is een belangrijke stap in de richting van een dergelijke cultuuromslag.

Institutionele achtergrond

In 2011 keurde het Europese Parlement een resolutie over insolventieprocedures 17 goed met daarin aanbevelingen voor het harmoniseren van specifieke aspecten van de materiële insolventiewetgeving, waaronder herstructureringen, en van het vennootschapsrecht. Datzelfde jaar riep de Raad de lidstaten op om tegen 2013 de kwijting en schuldvereffening voor eerlijke ondernemers na een bankroet tot maximaal drie jaar te beperken 18 .

Tegen deze achtergrond en gezien de aanzienlijke verschillen tussen de nationale insolventiestelsels heeft de Europese Commissie in december 2012 een mededeling 19 uitgebracht waarin wordt gewezen op de noodzaak van een stapsgewijze aanpak op een aantal gebieden waar verschillen tussen de nationale insolventiewetten een belemmering kunnen vormen voor de werking van een doeltreffende interne markt 20 . De eerste maatregel in het kader van deze aanpak was het wijzigen van Verordening (EG) nr. 1346/2000 21 . Deze wijziging heeft haar beslag gekregen bij de vaststelling van Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures 22 . De verordening in kwestie is gericht op het oplossen van rechtsbevoegdheids- en wetsconflicten in grensoverschrijdende insolventieprocedures en staat borg voor de EU-wijde erkenning van beslissingen op het gebied van insolventie. Ze voorziet niet in harmonisatie van de materiële insolventiewetgeving van de lidstaten.

Als volgende stap keurde de Commissie in 2014 een aanbeveling inzake herstructurering goed waarin ook het tweedekansbeleid aan de orde wordt gesteld 23 . De keuze voor herstructurering en tweedekansbeleid als centrale thema's in de aanbeveling berust op de aanname dat een optreden op EU-niveau op deze twee gebieden de grootste toegevoegde waarde oplevert 24 . De aanbeveling nodigt lidstaten uit (i) doeltreffende pre-insolventieprocedures in te voeren om levensvatbare debiteuren te helpen bij het herstructureren en dus insolventie te vermijden en (ii) een tweedekansbeleid voor ondernemers in te voeren zodat hun uiterlijk drie jaar na insolventie kwijting wordt verleend.

Na de vaststelling is de tenuitvoerlegging twee keer geëvalueerd: in 2015 en 2016 25 . Uit de evaluaties bleek dat de aanbeveling weliswaar een nuttig richtsnoer was voor lidstaten die hervormingen op het gebied van insolventie aan het doorvoeren waren, maar niet de gewenste consistente veranderingen in alle lidstaten had teweeggebracht die het makkelijker zouden maken ondernemingen in financiële moeilijkheden te redden en ondernemers een tweede kans te geven. De reden hiervoor was dat een groot aantal lidstaten, waaronder landen die hervormingen hadden ingeleid, de aanbeveling slechts gedeeltelijk ten uitvoer hadden gelegd.

Er zijn nog steeds lidstaten waar een bedrijf niet kan worden geherstructureerd alvorens insolvent te zijn. Hoewel andere lidstaten nieuwe preventieve herstructureringsprocedures hebben ingevoerd, wijken deze regels op verschillende punten af van de aanbeveling. Wat het tweedekansbeleid betreft, hebben verschillende lidstaten sinds de goedkeuring van de aanbeveling voor het eerst een kwijtingsregeling ingesteld voor natuurlijke personen. Wat de duur van de kwijtingstermijn betreft, blijven de verschillen echter groot. Als gevolg van deze verschillen tussen de wettelijke stelsels van de lidstaten houdt de rechtsonzekerheid aan, hebben investeerders extra kosten voor het beoordelen van hun risico’s, ontwikkelen de kapitaalmarkten zich minder goed en blijven belemmeringen voor een efficiënte herstructurering van levensvatbare bedrijven in de EU overeind, ook voor grensoverschrijdende groepen ondernemingen.

In het zogenoemde "verslag van de vijf voorzitters" van 22 juni 2015 over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie wordt de insolventiewetgeving aangemerkt als een van de belangrijkste knelpunten voor de integratie van de kapitaalmarkten in de eurozone en daarbuiten 26 .

In dit verband wordt in het uit 2015 daterende actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie 27 een wetgevingsinitiatief inzake insolventie van bedrijven aangekondigd, onder meer op het gebied van vroege herstructurering en tweedekansbeleid. Dit initiatief moet de voornaamste belemmeringen voor het vrije verkeer van kapitaal aanpakken en voortbouwen op goed werkende nationale stelsels. In de strategie voor de eengemaakte markt staat bovendien dat de Commissie bonafide ondernemers zou steunen en wetgeving zou voorstellen om ervoor te zorgen dat de lidstaten voorzien in een regelgevingsklimaat dat in staat is om met faillissementen om te gaan zonder ondernemers ervan te weerhouden nieuwe ideeën uit te proberen 28 .

In zijn conclusies van juli 2016 over een routekaart voor de voltooiing van de bankenunie onderstreept de Raad het belang van de werkzaamheden van de Commissie om te komen met een wetgevingsvoorstel voor de minimumharmonisatie op het gebied van het insolventierecht in het kader van de kapitaalmarktenunie (KMU), en merkt hij op dat dit tevens kan dienen ter ondersteuning van inspanningen om toekomstige niveaus van oninbare leningen te verlagen 29 .

Recenter nog herhaalde de Commissie in haar mededeling "Kapitaalmarktenunie — Versnellen van de hervorming" dat inefficiënties en verschillen in de nationale insolventiekaders niet alleen rechtsonzekerheid genereren, maar ook hinderpalen voor het terugkrijgen van waarde door crediteuren en barrières voor de efficiënte herstructurering van levensvatbare ondernemingen in de EU, inclusief voor grensoverschrijdende groepen 30 .

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Verordening betreffende grensoverschrijdende insolventieprocedures

Met ingang van 26 juni 2017 zal Verordening (EG) 1346/2000 van de Raad worden vervangen door Verordening (EU) 2015/848 31 . Verordening 2015/848 gaat over kwesties op het gebied van rechterlijke bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over insolventie, en coördinatie van grensoverschrijdende insolventieprocedures. De verordening bepaalt welk recht van toepassing is, namelijk herstructurerings- en insolventieprocedures die reeds bestaan in de lidstaten, en waarborgt de erkenning van die procedures in de hele EU. De verordening betreft een groot aantal insolventieprocedures, waaronder preventieve/pre-insolventieprocedures en bepaalde procedures betreffende persoonlijke insolventie, op voorwaarde dat aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan (zo moeten de pre-insolventieprocedures zo vroeg mogelijk beschikbaar zijn wanneer er kans bestaat op insolventie, en moeten de procedures alle of een aanzienlijk deel van de crediteuren van de debiteur omvatten en openbaar zijn).

Verordening 2015/848 verplicht de lidstaten evenwel niet om specifieke soorten procedures in te voeren of te waarborgen dat hun procedures effectief zorgen voor preventieve herstructurering en tweede kansen.

Het voorstel zou dan ook een aanvulling vormen op Verordening 2015/848, in de zin dat het de lidstaten ertoe verplicht hun nationale preventieve herstructureringsprocedures in overeenstemming te brengen met bepaalde minimumbeginselen op het gebied van doeltreffendheid.

Aanbeveling over een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie

De aanbeveling, die gericht is tot de lidstaten, heeft tot doel minimumnormen vast te stellen voor: (i) preventieve herstructureringsprocedures die debiteuren in financiële moeilijkheden in staat stellen om in een vroeg stadium te herstructureren en zo insolventie te vermijden en (ii) kwijting, binnen een vastgestelde termijn, voor bonafide failliete ondernemers, als één van de noodzakelijke stappen om hun een tweede kans te geven. Het voorstel versterkt de aanbeveling uit 2014 en gaat verder dan de werkingssfeer van de aanbeveling, door ook specifieke regels op te leggen om alle soorten procedures, met inbegrip van vereffeningsprocedures, doeltreffender te maken.

Wettelijk kader inzake financiële diensten

Er gelden speciale regelingen voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 13, punten 1 en 4, van Richtlijn 2009/138/EG 32 , kredietinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EG) nr. 575/2013 33 , beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve belegging zoals gedefinieerd artikel 4, lid 1, punten 2 en 7, van Verordening (EG) nr. 575/2013, centrale tegenpartijen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 34 , centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 35 en andere financiële instellingen en entiteiten die zijn vermeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU 36 . Aangezien de nationale toezichthoudende autoriteiten ten aanzien van de hierboven genoemde instellingen en ondernemingen reeds over ruime interventiebevoegdheden beschikken, is het passend dergelijke debiteuren uit te sluiten van de in dit voorstel bedoelde preventieve herstructureringsprocedures.

Het voorstel doet evenmin afbreuk aan Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen 37 , Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten 38 en Verordening (EU) nr. 648/2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters 39 . Dit is belangrijk om overlappingen tussen deze instrumenten en het huidige voorstel te vermijden die gevolgen zouden hebben voor de mogelijkheid van preferente crediteuren om de betaling van door een vennootschapsrechtelijke entiteit gestelde financiële zekerheid af te dwingen, tevens wanneer sprake is van margestortingen aan centrale tegenpartijen of centrale banken/de ECB of financiëlezekerheidsovereenkomsten tussen een niet-financiële vennootschap en een financiële instelling. Indien dergelijke transacties niet worden uitgesloten van de schorsingsbepalingen, kan de stabiliteit van de financiële markt in het gedrang komen.

Richtlijnen inzake de bescherming van werknemers

De doeltreffendheid van een herstructureringsproces wordt versterkt wanneer de werknemers adequaat en tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd. Een aantal richtlijnen garandeert het recht op informatie en overleg voordat tot herstructurering en/of collectief ontslag wordt overgegaan. Dit voorstel doet geen afbreuk aan de rechten die worden gewaarborgd door de richtlijnen 98/59/EG 40 , 2001/23/EG 41 , 2002/14/EG 42 , 2008/94/EG 43 en 2009/38/EG 44 en geeft de betrokken arbeiders bovendien het recht om te stemmen over de herstructureringsplannen.

Krachtens Richtlijn 2008/94/EG moeten de lidstaten waarborgfondsen instellen om te garanderen dat onvervulde aanspraken van werknemers die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, worden gehonoreerd in gevallen waarin de werkgever betrokken is bij een formele insolventieprocedures. De lidstaten kunnen de dekking van deze waarborgfondsen uitbreiden naar andere soorten procedures en het huidige voorstel kan de lidstaten ertoe stimuleren, maar niet verplichten, om de dekking uit te breiden naar herstructureringsprocedures. Het voorstel moet ervoor zorgen dat in elke lidstaat preventieve procedures voorhanden zijn om debiteuren te helpen insolventie te vermijden. Indien de herstructureringsinspanningen mislukken en de debiteur op grond van het nationaal recht als insolvent wordt beschouwd, is Richtlijn 2008/94 van overeenkomstige toepassing.

In het kader van het voorstel zijn onvervulde aanspraken van werknemers als bedoeld in Richtlijn 2008/94/EG in beginsel uitgezonderd van schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen, die ertoe zou leiden dat de werknemers hun onvervulde afspraken tijdelijk niet zouden kunnen afdwingen, ongeacht of die aanspraken voor of na de verlening van de schorsing zijn ontstaan. Voor dergelijke aanspraken zou een schorsing alleen mogen worden toegestaan voor zover en zolang de lidstaten de betaling ervan op andere wijze garanderen.

Richtlijn 2001/23/EG moet de rechten van de werknemers beschermen bij overgang van ondernemingen. In het kader van het voorstel kan herstructurering gepaard gaan met de overgang van een onderdeel van een onderneming of vestiging. In dat geval is Richtlijn 2001/23/EG en het niveau van bescherming van de werknemers dat daarin wordt gegarandeerd, volledig van toepassing en laat het onderhavige voorstel de richtlijn onverlet. Indien een herstructurering gepaard gaat met de overgang van een onderdeel van een onderneming of vestiging, moeten de rechten van de werknemers worden beschermd overeenkomstig Richtlijn 2001/23/EG, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheden als bedoeld in artikel 5, lid 2, van die richtlijn. Wanneer een insolventieprocedure onder toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie, kan de lidstaat krachtens artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2001/23/EG bepalen dat eerdere schulden niet overgaan op de verkrijger, mits de werknemers een vergoeding krijgen die ten minste gelijkwaardig is aan die welke zij zouden krijgen uit het bestaande waarborgfonds voor werknemers. Bovendien kunnen de arbeidsomstandigheden gewijzigd worden in overeenstemming met de werknemers.

Richtlijn 2002/14/EG betreft het recht van werknemersvertegenwoordigers op permanente informatie en raadpleging , onder meer "over beslissingen die ingrijpende veranderingen voor de arbeidsorganisatie of de arbeidsovereenkomsten kunnen meebrengen". De raadpleging moet plaatsvinden met het doel een akkoord te bereiken over dergelijke beslissingen. Het voorstel doet geen afbreuk aan de rechten die worden beschermd bij Richtlijn 2002/14/EG. Bovendien geeft het voorstel, onverminderd het recht van werknemers op informatie en raadpleging uit hoofde van Richtlijn 2002/14/EG, de betrokken werknemers het recht te stemmen over een herstructureringsplan. Met het oog op de stemming over een herstructureringsplan kunnen de lidstaten beslissen om de werknemers in een afzonderlijke categorie op te nemen, apart van de andere categorieën crediteuren.

Richtlijn 2012/30/EU inzake vennootschapsrecht

Artikel 19, lid 1, de artikelen 29, 34 en 35, artikel 40, lid 1, onder b), artikel 41, lid 1, en artikel 42 van Richtlijn 2012/30/EU 45 hebben betrekking op de vereiste een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen. Bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld moeten de aandelen krachtens artikel 33 van de richtlijn eerst worden aangeboden aan de aandeelhouders. Zowel de vereiste inzake een algemene aandeelhoudersvergadering als die inzake het voorkeurrecht kan de doeltreffende goedkeuring en tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan in gevaar brengen. Krachtens het voorstel moeten de lidstaten van deze vennootschapsrechtelijke bepalingen afwijken voor zover en zolang dat nodig is om te voorkomen dat de aandeelhouders de herstructureringsinspanningen hinderen door misbruik te maken van hun rechten op grond van Richtlijn 2012/30/EU. De lidstaten hoeven echter niet van de vennootschapsrechtelijke bepalingen af te wijken indien ze waarborgen dat de bovengenoemde vennootschapsrechtelijke vereisten de doeltreffendheid van het herstructureringsproces niet in gevaar brengen of indien ze andere, even doeltreffende instrumenten hebben om te waarborgen dat aandeelhouders de goedkeuring of tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan dat de onderneming weer levensvatbaar zou maken, niet op onredelijke wijze kunnen verhinderen.

Staatssteunregels

Het voorstel heeft geen invloed op de regels voor staatssteun. Openbare crediteuren staan vorderingen niet af en louter hun deelname aan het herstructureringsplan kan derhalve niet worden beschouwd als verlening van onverenigbare staatssteun aan debiteuren, mits de herstructureringsmaatregelen dezelfde gevolgen voor de openbare crediteuren hebben als voor de particuliere crediteuren en mits zij zich gedragen als particuliere marktdeelnemers in een markteconomie in de meest vergelijkbare situatie. Dit voorstel doet evenmin afbreuk aan de regels met betrekking tot de volledige terugvordering van onwettige staatssteun, overeenkomstig zaak C-454/09 New Interline (punt 36) en zaak C-610/10 Magefesa (punt 104).

Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

In het actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie 46 van 30 september 2015 werd als een van de maatregelen aangekondigd dat Commissie een wetgevingsinitiatief aangaande inzake insolventie van bedrijven zou voorstellen, onder meer over vroegtijdige herstructurering en een tweedekansbeleid, uitgaande van de ervaring met de aanbeveling van 2014. Het initiatief zou uitgaan van goed functionerende nationale regelingen

In de strategie voor de eengemaakte markt 47 heeft de Commissie aangekondigd bonafide ondernemers te steunen en wetgeving voor te stellen om ervoor te zorgen dat de lidstaten voorzien in een regelgevingsklimaat dat in staat is om met faillissementen om te gaan zonder ondernemers ervan te weerhouden nieuwe ideeën uit te proberen.

Het economische belang van goed functionerende insolventiekaders is bijzonder relevant in de financiële sector bij het omgaan met een hoog niveau particuliere schulden en oninbare leningen, zoals in bepaalde lidstaten het geval is. In haar integrale beoordeling 2015 constateerde de Europese Centrale Bank 980 miljard EUR aan niet-renderende blootstellingen in het banksysteem 48 . Deze leningen wegen zwaar op het vermogen van de banken om de reële economie in meerdere lidstaten te financieren. Banken vormen de voornaamste bron van leningen voor bedrijven en gezinnen en zijn dan ook bijzonder gevoelig voor inefficiënties in insolventiestelsels. Goede insolventiestelsels kunnen helpen, maar volstaan op zich niet om alle uitdagingen aan te pakken waarmee banken worden geconfronteerd bij het beheren van balansen met probleemactiva. Problemen als de overmatige schuldenlast en de oninbaarheid van leningen vereisen aanvullende beleidslijnen en algemene voorwaarden. Insolventiekaders die er op papier goed uitzien, presteren niet naar behoren als ze niet worden geflankeerd door een adequate juridische infrastructuur of een passend belastingbeleid om de financiële stabiliteit te waarborgen. Bovendien kunnen specifieke beleidsmaatregelen vereist zijn om de overmatige schuldenlast te verlagen. Wat crediteuren betreft, gaat het dan met name om maatregelen inzake de waardering van de activa, de door de toezichthouder bepaalde streefdoelen voor de afwikkeling en de fiscale behandeling van afschrijvingen. Wat debiteuren betreft, zou de beschikbaarheid van een sociaal vangnet helpen bij het opvangen van de impact van de krachtigere afwikkelings- en terugvorderingsstrategieën die noodzakelijk worden geacht door de crediteuren.

Het voorstel zal de opeenstapeling van oninbare leningen helpen vermijden. De cruciale aanvullende elementen in dit verband zijn: ten eerste, dat bedrijven makkelijker moeten kunnen herstructureren zodat ze weer financieel levensvatbaar worden en hun schulden kunnen afbetalen, en ten tweede, dat banken activa moeten kunnen terugvorderen van debiteuren zonder overlevingskans.

Een succesvol herstructureringsplan zet oninbare leningen om in leningen die een onderneming daadwerkelijk kan terugbetalen. Bij vereffening moeten de bevoorrechte crediteuren de mogelijkheid overwegen om de waarde van hun vorderingen substantieel te reduceren. Bij herstructurering daarentegen wordt insolventie voorkomen, worden de contractuele vorderingen doorgaans betaald en gaan de onderhandelingen meestal alleen over de financiële schuld. Uit de gegevens blijkt dat de hoogste terugvorderingspercentages voor crediteuren worden genoteerd in economieën waar herstructurering de meest gebruikelijke insolventieprocedure 49 is en dat in 45 % van de OESO-economieën herstructurering het meest gebruikte instrument is om levensvatbare ondernemingen te redden. Het gemiddelde terugvorderingsniveau bedraagt er 83 cent per dollar versus 57 cent per dollar in landen waar vereffening de meest voorkomende methode is 50 . Voorts kan een snelle behandeling van herstructurerings- en insolventiezaken de algemene terugvorderingspercentages en dus ook de restwaarde van eventuele oninbare leningen de hoogte in duwen 51 .

Door de schuld van ondernemers en eventueel van particulieren te kwijten, kunnen leningen die toch niet kunnen worden afbetaald, worden verwijderd uit de balansen van de kredietinstellingen. Het aantal verwijzingen kan ook verminderd worden door succesvolle regelingen voor het herstructureren van schuld tussen debiteuren en crediteuren uit te werken waarin gerechtelijke of administratieve instanties of gerechtelijke procedures slechts een beperkte of helemaal geen rol in spelen.

Dit voorstel is evenwel niet gericht op – en zal evenmin resulteren in – een afdoende oplossing voor de problemen van de banken om de betaling van leningen op een doeltreffende manier af te dwingen en, als gevolg daarvan, om de reële economie te financieren. Zoals vermeld in de mededeling van de Commissie "Naar de voltooiing van de bankenunie" 52 van 24 november 2015, is het zaak zowel de herstructurerings- als de insolventieprocedures doeltreffender te maken. De Commissie heeft de nationale insolventiestelsels ook onderzocht in het kader van het Europees Semester – het raamwerk voor economische governance van de EU. De langdurige, inefficiënte en dure insolventieprocedures in sommige lidstaten bleken bij te dragen aan de ontoereikende schuldafbouw in de particuliere sector na de crisis en aan de overmatige schuldenlast. Een efficiënt en transparant overheidsapparaat en een doeltreffend rechtssysteem zijn noodzakelijk om de economische groei te ondersteunen en kwaliteitsdiensten te verlenen voor bedrijven en burgers, ook wat betreft de insolventiestelsels. Met het oog hierop zal de Commissie in het kader van het Europese Semester met de lidstaten blijven samenwerken aan de verbetering van hun rechtssysteem.

Omdat gezamenlijk overeengekomen praktijken op het gebied van gegevensverzameling ontbreken en de gegevens van de verschillende landen slechts in beperkte mate met elkaar vergelijkbaar zijn, is het niet mogelijk een volledig beeld te krijgen van de situatie in de lidstaten, met name wat betreft het effect op de financiële instellingen. Daarom is de Commissie, zoals aangekondigd in de mededeling over "Kapitaalmarktenunie — Versnellen van de hervorming", bezig met een vergelijkend onderzoek van de stelsels voor afdwinging van de naleving van leningcontracten (inclusief de insolventiestelsels) om een gedetailleerd en betrouwbaar beeld te krijgen van de resultaten die banken in termen van vertragingen, kosten en terugkrijgen van waarde behalen bij de behandeling van oninbare leningen. Dit vergelijkend onderzoek zal nuttig zijn voor lidstaten die hun stelsels efficiënter en transparanter willen maken. De Commissie zal daarom ook aandacht blijven besteden aan kwesties die niet rechtstreeks aan de orde zijn in dit voorstel.

Versterking en convergentie in de werking van de nationale regelingen voor schuldherstructurering van schuld, het afdwingen van leningen, insolventie en kwijting zullen ook bijdragen tot de werking van de eengemaakte markt, en in het bijzonder de kapitaalmarktenunie. Convergentie van beginselen en vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze beginselen in de lidstaten zal cruciaal zijn voor het scheppen van de voorwaarden voor crediteuren om leningen aan debiteuren in andere lidstaten te verstrekken. Crediteuren zullen afzien van het verstrekken van grensoverschrijdende leningen indien ze onvoldoende vertrouwen hebben in hun vermogen om zo nodig zichzelf te beschermen tegen wanbetaling en waarde of zekerheden terug te vorderen. Door gemeenschappelijke principes vast te stellen om de onderlinge afstemming van nationale herstructurerings- en insolventiestelsels te ondersteunen, levert dit voorstel een verdere bijdrage aan de schuldherstructurering.

Persoonlijke en zakelijke schulden van individuele ondernemers zijn vaak onderling met elkaar vervlochten: ondernemers gaan een persoonlijke lening aan om hun bedrijf op te starten en draaiende te houden, bijvoorbeeld door persoonlijke activa, zoals een auto, als zekerheid te stellen voor hun zakelijke lening, terwijl ze als natuurlijke persoon consumentenkredieten gebruiken om activa te kopen voor hun beroepsactiviteit. In het kader van het voorstel kunnen beide soorten schulden in voorkomend geval worden geconsolideerd, wanneer ze zijn aangegaan door natuurlijke personen in het kader van hun activiteit als ondernemer.

Tegelijkertijd nodigt het voorstel de lidstaten uit om de toepassing van de kwijtingsbeginselen uit te breiden tot natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, dus consumenten. Een groot aantal lidstaten heeft de afgelopen jaren nationale wetten inzake insolventie van consumenten goedgekeurd of hervormd, en erkend hoe belangrijk het is dat consumenten kwijting en een tweede kans kunnen krijgen. Niet alle lidstaten hebben echter zulke wetten en de kwijtingsperiodes voor consumenten met een te grote schuldenlast blijven erg lang. Consumenten helpen bij hun terugkeer naar de economische uitgavencyclus is een belangrijke voorwaarde voor goed functionerende markten en financiële retaildiensten. De Commissie zal blijven nagaan hoe de lidstaten hun nationale regelingen hebben hervormd en zal monitoren hoe ze de voorgestelde tweedekansbepaling ten uitvoer zullen leggen, om de situatie van de overmatige schuldenlast van consumenten te beoordelen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op de artikelen 53 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Het voorstel bevat een omvattend samenstel van beginselen en, waar nodig, gerichte regels voor een doeltreffend preventief herstructureringsstelsel en tweedekansbeleid. Het voorziet ook in maatregelen om de procedures efficiënter te maken, ook voor formele insolventie (vereffeningsprocedures), met als doel de duur ervan in te korten. Een echte tweede kans impliceert ook dat de duur van beroepsverboden voor bonafide ondernemers met een overmatige schuldenlast wordt beperkt zodat deze mensen na een redelijke termijn weer actief kunnen worden als ondernemer.

Dit voorstel is gericht op het verwijderen van belemmeringen die het uitoefenen van fundamentele vrijheden zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging in de weg staan, en die voortvloeien uit verschillen tussen nationale regelingen en procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid. Met name verdwijnen met dit voorstel voorafgaande extra kosten die investeerders nu nog moeten maken voor het beoordelen van de kans dat debiteuren financiële moeilijkheden krijgen in een of meerdere lidstaten, en tevens kosten achteraf voor het herstructureren van bedrijven met vestigingen, crediteuren of activa in andere lidstaten, wat kenmerkend is voor de herstructurering van internationale groepen ondernemingen. Het voorstel maakt ook een einde aan extra kosten van een risicobeoordeling en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging voor crediteuren van ondernemers met een overmatige schuldenlast die naar een andere lidstaat verhuizen om daar op veel kortere termijn een tweede kans te krijgen. Ook extra kosten van de ondernemers zelf die voor een tweede kans naar een andere lidstaat verhuizen, vallen weg met dit voorstel.

De problemen van de eengemaakte markt zijn niet beperkt tot louter grensoverschrijdende situaties. Zelfs zuiver nationale insolventiezaken kunnen een domino-effect hebben op de werking van de eengemaakte markt. Bedrijven die grensoverschrijdend werken, hebben in hun toeleveringsketen doorgaans een aantal leveranciers die louter en alleen op de binnenlandse markt actief zijn. Wanneer zo een leverancier financiële moeilijkheden ondervindt en niet gered kan worden, kan dit een negatieve impact hebben en de insolventie van het grensoverschrijdend bedrijf veroorzaken.

Een instrument dat beperkt blijft tot grensoverschrijdende insolventie, zou de problemen van de eengemaakte markt niet oplossen, noch zou het haalbaar zijn voor investeerders om vooraf te bepalen of de toekomstige potentiële financiële moeilijkheden van de debiteur grensoverschrijdend dan wel binnenlands van aard zijn. Het voorstel bestrijkt meer dan justitiële samenwerking en stelt materiële minimumnormen vast. Daarom zou het niet passend zijn om artikel 81 als rechtsgrondslag te gebruiken.

Bepaalde lidstaten hebben al op eigen houtje maatregelen genomen en hebben recent voorbereidend werkzaamheden uitgevoerd of opgestart om nieuwe regels goed te keuren ter verbetering van het preventieve herstructureringsstelsel en het tweedekansbeleid. Deze nationale regels verschillen inhoudelijk echter erg van elkaar en bieden dan ook een ongelijk niveau aan transparantie en bescherming voor investeerders. Investeerders kunnen weigerachtig staan tegenover grensoverschrijdende investeringen omdat de kosten daarvan zoveel hoger zijn dan strikt noodzakelijk is. Indien de EU geen stappen onderneemt, is het zeer waarschijnlijk dat andere lidstaten die de bestaande preventieve herstructureringsstelsels en tweedekansstelsels aan het hervormen zijn of dergelijke stelsels voor het eerst invoeren, deze door divergentie gekenmerkte trend zullen volgen. Dit voorstel heeft tot doel dergelijke divergerende wetgevingsontwikkelingen en de daaruit volgende belemmeringen in de toekomst te voorkomen.

Subsidiariteit

Gezien de grote verschillen tussen de nationale herstructurerings- en tweedekansstelsels in de EU en het gezien het ontbreken van convergerende trends in de recente wetswijzigingen op nationaal niveau is het hoogst onwaarschijnlijk dat de lidstaten individueel kunnen zorgen voor de algehele samenhang van hun wetgeving met de insolventiewetgeving van andere lidstaten.

Wat het tweedekansbeleid betreft, moet voor de beoordeling van de subsidiariteit een onderscheid worden gemaakt tussen natuurlijke personen die ondernemer zijn en die consument zijn. Anders dan ondernemers, die voortdurend op zoek zijn naar investeringsbronnen (vaak grensoverschrijdend), krijgen consumenten in dit stadium doorgaans lokale financiering (leningen van lokale banken) 53 . Daarom moet het probleem van de overmatige schuldenlast van consumenten eerst worden aangepakt op nationaal niveau. Er zij echter op gewezen dat in de reacties op het groenboek over financiële retaildiensten 54 de respondenten uit de industrie de divergerende nationale wetgeving inzake insolventie van consumenten vaak aanmerkten als een belemmering voor grensoverschrijdende verkoop van financiële retailproducten. De lidstaten kunnen dan ook overwegen om dezelfde kwijtingsbeginselen toe te passen voor alle natuurlijke personen, met inbegrip van consumenten.

Aangezien interactie tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen steeds gebruikelijker is geworden, is voor een goede werking van de eengemaakte EU-markt een coherent herstructurerings- en tweedekansstelsel nodig dat rekening houdt met de grensoverschrijdende dimensie van ondernemingen. Het optreden van de EU zal dan ook waarde toevoegen, door grensoverschrijdende investeringen in de EU te bevorderen en door levensvatbare bedrijven in financiële moeilijkheden, ongeacht hun vestigingsplaats in de eengemaakte markt, toegang te geven tot een groter aantal instrumenten om insolventie te voorkomen. Tegelijkertijd zullen ondernemers baat hebben bij redelijke kwijtingsperiodes in hun lidstaten. Realistisch gezien is dit niet haalbaar voor de lidstaten afzonderlijk. Voorts zullen maatregelen die ervoor zorgen dat de bij een herstructureringsproces betrokken grensoverschrijdende crediteuren en investeerders over adequate waarborgen beschikken, positieve economische effecten hebben. De voorgestelde regels zullen rechtszekerheid bieden aan crediteuren en investeerders die krediet willen verlenen in andere lidstaten; de hiertoe vereiste informatie zal beschikbaar zijn zodat zij met kennis van zaken beslissingen kunnen nemen.

Aangezien uitsluitend maatregelen worden voorgesteld waar en voor zover de lidstaten de doelstellingen niet zelf kunnen verwezenlijken, is het voorstel in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

Evenredigheid

Het voorstel is zo opgesteld dat het in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. De middelen die erin gebruikt worden, worden afgestemd op het beoogde doel, meer bepaald het waarborgen van de goede werking van de eengemaakte markt. Het toekomstige EU-instrument moet gemeenschappelijke doelstellingen en algemene regels vastleggen, maar de lidstaten voldoende ruimte laten om te bepalen hoe deze doelstellingen moeten worden bereikt.

Keuze van het instrument en mate van harmonisering

Een bindend instrument in de vorm van een richtlijn tot vaststelling van een geharmoniseerde minimumregeling lijkt noodzakelijk voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen inzake herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid. De aanbeveling van de Commissie uit 2014 heeft er niet voor kunnen zorgen dat de lidstaten coherent en krachtig konden reageren op de geconstateerde problemen. Bovendien is de Commissie in het actieplan voor de kapitaalmarktenunie en de strategie voor de eengemaakte markt nader ingegaan op de tekortkomingen in de werking van de eengemaakte markt als gevolg van divergerende insolventiestelsels. Een richtlijn zou de lidstaten de mogelijkheid bieden om flexibel te bepalen welke instrumenten het geschiktst zijn om beginselen zoals de beschikbaarheid van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing of de verplichtingen van bestuurders bij dreigende insolventie, om te zetten in nationaal recht. Bovendien kunnen ze meer gedetailleerde regels vaststellen die nodig zijn om de doelstellingen van het voorstel te verwezenlijken, onder meer inzake maximumperioden voor schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen of meerderheden voor de goedkeuring van herstructureringsplannen.

Herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid zijn sterk gereglementeerd op nationaal niveau en staan in verband met andere wetgevingsterreinen zoals vennootschapsrecht, arbeidsrecht en staatssteunrecht. Verder worden herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid verschillend behandeld in de lidstaten, niet alleen vanwege verschillende historische en economische ontwikkelingen maar ook vanwege verschillende benaderingen ten aanzien van de bescherming van sociale waarden, zoals de rechten van de werknemers of het recht op eigendom. Minimumnormen zijn daarom het meest geschikte instrument om te zorgen voor een coherent kader in alle lidstaten en bieden de lidstaten de gelegenheid om verder te gaan dan de bepalingen van de richtlijn. Zo zouden lidstaten nieuwe en tussentijdse financiering in herstructureringsprocedures kunnen stimuleren door deze in daaropvolgende vereffeningsprocedures preferent te behandelen boven vorderingen die vóór de herstructurering zijn ontstaan. Een andere mogelijkheid is dat zij het tweedekansbeleid versterken door de persoonsgebonden werkingssfeer daarvan uit te breiden tot alle natuurlijke personen, met inbegrip van consumenten. De lidstaten kunnen ook de behandeling van werknemers in het stadium van de goedkeuring van herstructureringsplannen verbeteren door te eisen dat werknemers in een afzonderlijke categorie worden ondergebracht, apart van de andere crediteuren.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

Het voorstel bouwt voort op de aanbeveling van 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie 55 . De Commissie komt in een evaluatie tot de slotsom dat de aanbeveling slechts gedeeltelijk is overgenomen, onder meer in lidstaten waarvoor in het kader van Europees Semester aanbevelingen op het gebied van insolventie zijn vastgesteld. Zelfs de lidstaten die de aanbeveling ten uitvoer hebben gelegd, hebben dat op een selectieve manier gedaan zodat er significante verschillen blijven bestaan 56 . De aanbeveling op zich volstond dus niet om regels die vroege schuldherstructurering en een tweede kans mogelijk maken, coherenter te maken en de inefficiënties erin te reduceren.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft een uitgebreide raadpleging van betrokkenen georganiseerd. In het kader van de online publieke raadpleging, die liep 23 maart 2016 tot 14 juni 2016, zijn meer dan 260 bijdragen uit 27 lidstaten binnengekomen (in het bijzonder uit Duitsland gevolgd door het Verenigd Koninkrijk, België en Litouwen). Er zijn over deze problematiek vergaderingen met overheidsdeskundigen van de lidstaten belegd en er is een informele groep opgericht bestaande uit geselecteerde belanghebbende partijen op het gebied van schuldherstructurering en tweedekansbeleid. Deze groep is in 2016 drie keer samengekomen 57 . Tot slot is op 11 juli 2016 onder het Slowaakse voorzitterschap een conferentie georganiseerd over de convergentie van insolventiestelsels in de Europese Unie.

De meeste lidstaten steunden de doelstellingen van de Commissie om het stelsel voor vroege herstructurering en tweedekansbeleid te verbeteren, maar benadrukten dat gezien de complexe verbanden met andere rechtsgebieden, zoals het vennootschapsrecht, de harmonisatie beperkt moet blijven tot de beginselen. Wat de belanghebbenden betreft, waren de brancheorganisaties, beroepsorganisaties, financiële instellingen, consumentenorganisaties, vakbonden en wetenschappers over het algemeen voorstander van geharmoniseerde minimumregels inzake vroege herstructurering en tweedekansbeleid en stonden zij positief tegenover het idee van een efficiënt en (kosten-)effectief EU-insolventiekader voor het redden van levensvatbare ondernemingen. Ze onderstreepten dat een evenwichtige benadering moet vooropstaan waarbij de belangen van alle betrokkenen worden beschermd en moreel risico wordt voorkomen. De bankensector en sommige andere belanghebbenden waren van mening dat eventuele EU-regels inzake kwijting voor consumenten in een apart instrument moeten worden ondergebracht. Het Europees Parlement steunde de harmonisatie van bepaalde elementen van de herstructureringsregelingen en benadrukte dat alle natuurlijke personen een tweede kans moeten krijgen.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

De deskundigengroep inzake herstructurerings- en insolventiewetgeving heeft tussen januari en juli 2016 zes keer vergaderd. Er werd een uitgebreide, vergelijkende studie van het materiële insolventierecht in alle lidstaten verricht om te inventariseren waar verschillen in nationale wetgeving de werking van de eengemaakte markt kunnen belemmeren 58 . Voorts is een economische studie uitgevoerd naar de impact van minimumnormen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid 59 .

Effectbeoordeling

De volgende voorkeursopties werden in overweging genomen:

Optie 1: status quo (basisscenario)

Optie 2: volledig geharmoniseerde procedure voor preventieve herstructurering en tweedekansbeleid

Optie 3: alternatieve, facultatieve EU-regeling voor preventieve herstructurering en tweedekansbeleid

Optie 4: geharmoniseerd wettelijk minimumkader op het gebied van herstructurering en tweedekansbeleid voor ondernemers

De effectbeoordeling leverde optie 4 als voorkeur op: het opzetten van een geharmoniseerd wettelijk minimumkader op het gebied van herstructurering en tweedekansbeleid voor ondernemers, met een niet-bindende bepaling inzake tweedekansbeleid voor consumenten, en het verbeteren van de efficiëntie van de procedures. De voordelen van de voorkeursoptie zijn dat deze:

i) efficiënte mogelijkheden biedt voor vroege herstructurering;

ii) de onderhandelingskansen verbetert omdat de debiteur "ademruimte" krijgt via schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen (moratorium);

iii) de mogelijkheden voor voortzetting van bedrijfsactiviteiten van de debiteur tijdens de herstructurering verbetert;

iv) voorkomt dat niet-instemmende minderheidscrediteuren en -aandeelhouders de herstructureringsinspanningen in gevaar brengen – met dien verstande dat hun belangen moeten worden gevrijwaard;

v) de slaagkansen voor de herstructureringsplannen vergroot;

vi) de kosten en de duur van de herstructureringsprocedures reduceert;

(vii) de mogelijkheid biedt om binnen een redelijke termijn (drie jaar) kwijting aan ondernemers met een overmatige schuldenlast te verlenen;

(viii) de algemene doeltreffendheid van de herstructurerings-, insolventie- en tweedekansprocedures vergroot.

De voorkeursoptie draagt bij tot het verminderen van de belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen. Op die manier zouden er meer levensvatbare bedrijven kunnen worden gered aangezien de minderheidscrediteuren het onderhandelingsproces niet meer kunnen destabiliseren in de hoop daar commercieel voordeel uit te halen bijv. door een vroege invordering van hun schuld af te dwingen. Doeltreffende preventieve maatregelen kunnen het probleem van de oninbaarheid van leningen in tijden van laagconjunctuur helpen beperken en tegelijkertijd zorgen voor een hoog terugvorderingspercentage voor leningen die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan. De voorkeursoptie moet ook leiden tot een hoger terugvorderingspercentage en, bijgevolg, tot lagere financieringskosten. De voorkeursoptie zal de kosten van een tweede start voor natuurlijke personen (ondernemers) verminderen en hun kansen op een tweede start vergroten. De voorafgaande kosten voor de beoordeling van investeringsrisico's zullen vervallen en de terugvorderingspercentages in insolventieprocedures zullen verbeteren. Hoe verder de onderlinge afstemming van de herstructureringsstelsels gaat, des te minder moet worden gespendeerd aan het juridisch advies dat momenteel wordt ingewonnen om de toepassing van meerdere nationale herstructurerings- en insolventiestelsels te vermijden. De voorkeursoptie zal ook het aantal zelfstandigen doen stijgen vermits het verkorten van de kwijtingstermijnen het opnemen van een zelfstandige activiteit zal stimuleren. De voorkeursoptie zal ook bevorderlijk zijn voor consumptie en groei.

De voorkeursoptie zal voor sommige lidstaten kosten met zich meebrengen bij het wijzigen van hun herstructurerings- en tweedekansstelsels. Een aantal lidstaten zal een preventieve procedure moeten invoeren of een procedure moeten aanpassen die al is aangemeld in het kader van bijlage A bij de insolventieverordening. Het is mogelijk dat het vennootschapsrecht op sommige punten moet worden gewijzigd om uitvoering te geven aan de bepalingen over de positie van de aandeelhouders bij de herstructurering.

Geschiktheid en vereenvoudiging van de regelgeving

De voorkeursoptie zal de belemmeringen voor het verlenen van grensoverschrijdende leningen aan kmo's verminderen: een efficiënte herstructurering zou kmo's die crediteur zijn, in staat stellen om meer terug te vorderen dan wanneer de debiteur in staat van insolventie treedt. De reden daarvoor is dat terugvorderingspercentages doorgaans hoger zijn wanneer het insolventie- en herstructureringsstelsel de mogelijkheid biedt levensvatbare bedrijven vroeg en efficiënt te herstructureren en niet-levensvatbare bedrijven snel af te wikkelen. Als debiteuren krijgen de kmo's toegang tot instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing die het aantal vroegtijdig aangevraagde herstructureringen moeten doen stijgen. Kmo's zullen met name ook gebaat zijn bij model-herstructureringsplannen die op nationaal niveau worden ontwikkeld, aangezien deze het makkelijker maken voor debiteuren om herstructureringsplannen op te stellen met de juiste bekendmakingen. Een flexibeler netwerk voor herstructurering en betere voorwaarden voor een nieuwe start na een faillissement, zullen het faillissementspercentage reduceren, net als de negatieve impact van insolventiegevallen in de toeleveringsketen als gevolg van de insolventie van de afnemer. Soepelere voorwaarden voor de verlening van kwijting aan ondernemers dragen ook bij tot de oprichting van meer bedrijven.

Door de herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures doeltreffender te maken en met name alle insolventieprocedures te digitaliseren zal de duur van procedures kunnen worden ingekort en de efficiënte ervan worden vergroot, wat zou leiden tot lagere kosten voor herstructurering en hogere terugvorderingspercentage voor crediteuren.

Grondrechten

De vrijheid van ondernemerschap en het recht te werken (artikelen 16 en 15 van het Handvest van de grondrechten): deze rechten worden gewaarborgd. Debiteuren in financiële moeilijkheden kunnen operationeel blijven tijdens de onderhandelingen over de herstructurering en hebben volledige of ten minste gedeeltelijke controle over hun goederen. Ondernemers met een overmatige schuldenlast zouden een tweede start krijgen na volledige kwijting van schuld.

Recht op eigendom en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikelen 17 en 47 van het Handvest): hoewel bepaalde delen van de procedure een invloed kunnen hebben op deze rechten, zijn ze noodzakelijk en evenredig voor een snelle tenuitvoerlegging van herstructureringsplannen die de debiteuren weer levensvatbaar kunnen maken. Er zijn passende waarborgen opgenomen om de rechtmatige belangen van de partijen te beschermen tegen misbruik.

Het recht van werknemers op informatie en raadpleging (artikel 27 van het Handvest): deze rechten worden positief beïnvloed door de voorgestelde maatregelen aangezien het voorstel geen afbreuk doet aan de bestaande wetgeving van de Unie op dit gebied en bovendien de betrokken werknemers het recht geeft te stemmen over de herstructureringsplannen.

Recht op collectieve onderhandelingen en op collectieve actie (artikel 28 van het handvest): het voorstel doet geen afbreuk aan de rechten van werknemers en werkgevers of hun respectieve organisaties om te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten op de gepaste niveaus, en om in geval van belangenconflicten collectieve actie te ondernemen om hun belangen te verdedigen, met inbegrip van staking overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU. De kosten van de tenuitvoerlegging en omzetting van de richtlijn zullen volledig worden gedekt door de begrotingstoewijzing voor het programma "Justitie". De kosten voor het opstellen van een uitvoeringsverslag vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en daarna om de zeven jaar zullen worden gedekt door de begrotingstoewijzing voor de instrumenten van het beleidsterrein "Justitie en consumentenzaken" voor de jaren in kwestie.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie zal de uitvoering van de richtlijn in de lidstaten bevorderen door:

bijstand bij de omzetting te verlenen;

twee omzettingsworkshops en tussentijdse inventarisaties te organiseren;

bilaterale vergaderingen te organiseren, tevens op verzoek van de lidstaten;

modellen voor het melden van nationale omzettingsmaatregelen ter beschikking van de lidstaten te stellen.

De lidstaten worden ook uitgenodigd om bepaalde uitvoeringsmaatregelen te treffen, zoals melding van een specifiek contactpunt en van alle nationale omzettingsmaatregelen, en bewustmaking.

Met het oog op de monitoring en tenuitvoerlegging van de regels moeten de lidstaten aan de hand van een standaardmethode gegevens verzamelen over indicatoren zoals het aantal aanmeldingen voor elke soortprocedure (herstructurering, insolventie en tweede kans), duur en resultaat van de procedures, administratieve kosten van de procedures, terugvorderingspercentages en het slaagpercentage voor dergelijke procedures. De data worden opgesplitst volgens de omvang van de debiteuren en de soort debiteuren zodat de doeltreffendheid van de procedures van de lidstaten objectief kan worden beoordeeld. De lidstaten moeten jaarlijks gegevens verstrekken aan de Commissie.

De werking van de richtlijn wordt vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening opnieuw bekeken en vervolgens om de zeven jaar.

Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

De richtlijn bestaat uit drie delen: preventieve herstructureringsstelsels (titel II) en tweedekansbeleid voor ondernemers (titel III) en maatregelen om herstructurering, insolventie en tweedekansbeleid efficiënter te maken (titel IV). De titels I, IV, V en VI hebben een horizontale werkingssfeer.

Titel I Algemene bepalingen: bepalingen over het toepassingsgebied, zowel rationae materiae als rationae personae, verschillende definities en een bepaling over de beschikbaarheid van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing voor debiteuren – zowel rechtspersonen als natuurlijke personen – die een handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit (ondernemers) uitoefenen.

Hoewel de bepalingen in titel III beperkt zijn tot ondernemers, wordt expliciet aangegeven dat de lidstaten deze bepalingen kunnen uitbreiden tot alle natuurlijke personen, om te zorgen voor de consistente behandeling van persoonlijke schulden. Verschillende lidstaten maken namelijk geen onderscheid tussen persoonlijke schulden die zijn ontstaan naar aanleiding van een zakelijke activiteit en schulden die daarbuiten zijn ontstaan. Niets in deze richtlijn wijst erop dat dit onderscheid gemaakt moet worden of gepast is. De richtlijn nodigt de lidstaten uit om dezelfde beginselen inzake tweede kans toe te passen op alle natuurlijke personen.

Titel II Preventieve herstructureringsstelsels: gemeenschappelijke kernelementen voor de preventieve herstructureringsstelsels teneinde debiteuren in financiële moeilijkheden, ongeacht of ze rechtspersonen of natuurlijke personen zijn, effectief toegang te verschaffen tot procedures die zowel vroegtijdige onderhandelingen over herstructureringsplannen als de vaststelling van deze plannen door crediteuren en de eventuele bekrachtiging ervan door een gerechtelijke of administratieve instantie mogelijk maken.

Artikel 4: preventieve herstructureringsstelsels kunnen bestaan uit één of meerdere procedures of maatregelen op voorwaarde dat een debiteur alle elementen die erin vermeld worden, kan combineren om op doeltreffende wijze te onderhandelen over een herstructureringsplan en dit vast te stellen.

Artikel 5: de debiteur moet in het bezit blijven van zijn goederen. Bemiddelaars of toezichthouders (functionarissen op het gebied van herstructurering) kunnen een rol spelen maar deze functionarissen dienen niet in elke zaak door een gerechtelijke of administratieve instantie te worden aangesteld.

Artikelen 6 en 7: om onderhandelingen mogelijk maken en vasthoudende crediteuren ("hold-out creditors") af te houden, moet de mogelijkheid bestaan om individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen ten aanzien van de debiteur te schorsen. De bezorgdheid dat crediteuren nadelen zouden ondervinden van de schorsing, wordt ondervangen door bepalingen over de duur van de schorsing en voorwaarden voor het verlengen en het opheffen ervan. Onvervulde aanspraken van werknemers worden uitgezonderd van schorsing voor zover de lidstaten deze niet op een andere adequate manier beschermen. Tijdens de periode van de schorsing mag de debiteur niet worden verplicht of onder druk worden gezet om andere soorten insolventieprocedures, in het bijzonder vereffeningsprocedures, in te leiden, zodat hij zijn zakelijke activiteiten kan voortzetten. De debiteur moet ook kunnen rekenen op de verdere nakoming van overeenkomsten met leveranciers en andere schuldeisers, mits hij zijn verplichtingen in het kader van dergelijke overeenkomsten nakomt.

Artikel 8: informatie die als minimum in de herstructureringsplannen moet worden opgenomen. De lidstaten kunnen aanvullende verplichte informatie eisen, mits dit geen onevenredige last voor de debiteuren veroorzaakt. De lidstaten moeten online modellen voor herstructureringsplannen ontwikkelen evenals praktische informatie over hoe een indiener deze modellen kan gebruiken.

Artikel 9: goedkeuring van herstructureringsplannen door de betrokken crediteuren of categorieën crediteuren. Crediteuren met verschillende belangen moeten in verschillende categorieën worden ondergebracht. Op zijn minst moeten preferente crediteuren altijd afzonderlijk worden behandeld ten opzichte van niet-preferente crediteuren. De lidstaten kunnen ook bepalen dat werknemers in een afzonderlijke categorie worden ondergebracht.

Artikel 10: gevallen waarin een herstructureringsplan moet worden bekrachtigd door een gerechtelijke of administratieve instantie om het bindend te maken, en de voorwaarden voor deze bekrachtiging.

Artikel 11: de voorwaarden om te waarborgen dat een herstructureringsplan dat niet door alle categorieën crediteuren wordt gesteund, toch wordt bekrachtigd door een gerechtelijke of administratieve instantie.

Artikel 12: het beginsel dat aandeelhouders en houders van andere eigenvermogensinstrumenten de goedkeuring van het herstructureringsplan voor een rendabele onderneming niet mogen dwarsbomen, mits hun legitieme belangen worden beschermd.

Artikel 13: regels inzake waardebepaling, over wanneer en hoe de waarde moet worden bepaald, om een billijke bescherming van niet-instemmende partijen te waarborgen.

Artikel 14: de gevolgen van herstructureringsplannen voor betrokken en niet-betrokken partijen.

Artikel 15: minimumregels inzake beroepsprocedures, om de bescherming van de legitieme belangen van de partijen te waarborgen en tegelijkertijd te voorkomen dat deze waarborgen de bekrachtiging of uitvoering van de herstructureringsplannen vertragen.

Artikelen 16 en 17: minimumbescherming voor nieuwe financiering die nodig is om het herstructureringsplan uit te voeren, voor tussentijdse financiering om de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten tijdens de herstructureringsonderhandelingen te waarborgen, en voor andere transacties die worden aangegaan in nauw verband met een herstructureringsplan.

Artikel 18: verplichting voor de lidstaten om bestuurders bij een dreigende insolventie specifieke plichten op te leggen die hen ertoe moeten stimuleren in te zetten op vroege herstructurering wanneer de onderneming levensvatbaar is.

Titel III Tweede kans voor ondernemers: minimumbepalingen inzake kwijting voor ondernemers met een overmatige schuldenlast, met het oog op een tweede kans. De lidstaten kunnen verder gaan dan deze minimumbescherming, door te zorgen voor een nog vriendelijkere behandeling van ondernemers, bijv. via regels inzake de toegang tot financiering voor "herstarters".

Artikel 19: het beginsel dat aan ondernemers met een overmatige schuldenlast volledige kwijting moet kunnen worden verleend zonder dat zij een minimumbedrag of -percentage van de schuld moeten terugbetalen.

Artikel 20: ondernemers moeten na uiterlijk drie jaar in aanmerking komen voor volledige kwijting zonder opnieuw een aanvraag te moeten indienen bij een gerechtelijke of administratieve instantie. Het moment waarop de periode van drie jaar ingaat, verschilt afhankelijk van de procedure: hetzij een terugbetalingsplan hetzij tegeldemaking van activa. Beperkingen ten aanzien van een korte kwijtingsperiode zijn opgenomen in artikel 22.

Artikel 21: om ondernemers wie vanwege overmatige schulden een beroepsverbod is opgelegd, een tweede kans te geven, moet de duur van dit beroepsverbod kort zijn. De beperkingen in artikel 22 moeten van toepassing zijn.

Artikel 22: geeft de lidstaten een ruime beoordelingsmarge bij het vaststellen van beperkingen op de bepalingen inzake toegang tot kwijting en de kwijtingstermijnen, op voorwaarde dat deze beperkingen duidelijk worden gespecificeerd en noodzakelijk zijn om een algemeen belang te beschermen.

Artikel 23: aangezien persoonlijke schulden van professionele en niet-professionele aard vaak verweven zijn, moeten de lidstaten proberen om in voorkomend geval de afzonderlijke procedures te consolideren, om ondernemers daadwerkelijk een tweede kans te geven.

Titel IV Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures: is niet alleen van toepassing op procedures voor preventieve herstructurering en kwijting maar ook voor insolventie.

Artikel 24: de lidstaten moeten ervoor zorgen dat leden van de gerechtelijke en andere bevoegde instanties adequaat zijn opgeleid en gespecialiseerd zijn op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans.

Artikel 25: met betrekking tot deskundigen die zich bezighouden met herstructurering, insolventie en tweede kans, moeten lidstaten de basis- en vervolgopleiding aanmoedigen, evenals het opstellen van gedragscodes.

Artikel 26: minimumnormen voor het aanwijzen, controleren en vergoeden van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans.

Artikel 27: het gebruik van elektronische communicatiemiddelen in het kader van herstructurering, insolventie en tweede kans.

Titel V Monitoring van herstructurerings-, insolventie- en tweedekansprocedures: minimumregels over het verzamelen van gegevens door de lidstaten en over het doorgeven van die gegevens aan de Commissie aan de hand van een model voor het meedelen van gegevens.

Titel VI Slotbepalingen: bepalingen inzake de manier waarop deze richtlijn zich verhoudt tot andere instrumenten van de Unie, de evaluatie van de toepassing van de richtlijn, de vaststelling van modelformulieren, de inwerkingtreding en de toepassing.



2016/0359 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 53 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale Parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 60 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 61 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Deze richtlijn heeft als doel de belemmeringen voor het uitoefenen van fundamentele vrijheden zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, die voortvloeien uit verschillen tussen nationale regelingen en procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie en een tweede kans uit de weg te ruimen. De richtlijn wil deze belemmeringen uit de weg ruimen door ervoor te zorgen dat levensvatbare ondernemingen in financiële moeilijkheden toegang hebben tot doeltreffende nationale preventieve herstructureringsstelsels die hen in staat stellen hun activiteiten voort te zetten; dat eerlijke ondernemers met een overmatige schuldenlast na een redelijke termijn een tweede kans krijgen na een volledige kwijting van schulden; en dat de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures wordt verhoogd, in het bijzonder om de duur ervan te verkorten.

(2)De herstructurering moet ondernemingen in financiële moeilijkheden in staat stellen hun activiteiten geheel of gedeeltelijk voort te zetten, door de samenstelling, de voorwaarden of de structuur van hun activa en passiva of van hun kapitaalstructuur te wijzigen, met inbegrip van de verkoop van activa of bedrijfsonderdelen. Preventieve herstructureringsstelsels moeten de ondernemingen vooral in staat stellen om in een vroeg stadium te herstructureren en insolventie te vermijden. Deze stelsels moeten de totale waarde voor crediteuren, eigenaars en de economie in haar geheel maximaliseren en moeten voorkomen dat onnodig banen, kennis en vaardigheden verloren gaan. Zij moeten ook voorkomen dat het aantal oninbare leningen stijgt. In het herstructureringsproces moeten de rechten van alle betrokken partijen worden beschermd. Tegelijkertijd moeten niet-levensvatbare ondernemingen zonder overlevingskansen zo snel mogelijk worden vereffend.

(3)Er bestaan verschillen tussen de lidstaten wat betreft de procedures die beschikbaar zijn voor debiteuren in financiële moeilijkheden om hun onderneming te herstructureren. Bepaalde lidstaten hebben een beperkte reeks procedures, hetgeen betekent dat bedrijven alleen in staat zijn om in een relatief laat stadium te herstructureren, in het kader van insolventieprocedures. In andere lidstaten is herstructurering in een vroeger stadium mogelijk, maar zijn de beschikbare procedures niet zo doeltreffend als zij zouden kunnen zijn of zijn zij erg formeel, waardoor met name het gebruik van buitengerechtelijke procedures wordt beperkt. Zo ook variëren de nationale regels die ondernemers een tweede kans geven, door met name de schulden te kwijten die zij zijn aangegaan tijdens hun bedrijfsactiviteit, tussen de lidstaten met betrekking tot de kwijtingstermijn en de voorwaarden voor een dergelijke kwijting.

(4)In veel lidstaten duurt het meer dan drie jaar voordat failliete maar eerlijke ondernemers schuldenvrij zijn en een nieuwe start kunnen nemen. Ondoeltreffende regelingen inzake een tweede kans zorgen ervoor dat ondernemers naar een ander rechtsgebied moeten verhuizen om binnen een redelijke termijn een nieuwe start te kunnen nemen, met aanzienlijke extra kosten voor zowel de crediteuren als de debiteuren zelf. Langdurige beroepsverboden, waarmee een tot kwijting leidende procedure vaak gepaard gaat, zorgen voor belemmeringen voor de vrijheid van toegang tot en uitoefening van een zelfstandige ondernemersactiviteit.

(5)De buitensporige duur van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures in verscheidene lidstaten is een belangrijke factor die lage terugvorderingspercentages veroorzaakt en investeerders afschrikt om zaken te doen in rechtsgebieden waar procedures erg lang kunnen aanslepen.

(6)Al deze verschillen geven aanleiding tot extra kosten voor investeerders wanneer zij nagaan wat de kans is dat debiteuren financiële moeilijkheden krijgen in een of meerdere lidstaten en wat de kosten zijn van het herstructureren van bedrijven met vestigingen, crediteuren of activa in andere lidstaten, hetgeen zeer duidelijk het geval is bij de herstructurering van internationale groepen van bedrijven. Veel investeerders vermelden onzekerheid over insolventieregels of het risico van langdurige of complexe insolventieprocedures in een ander land als een belangrijke reden om niet te investeren of geen zakelijke betrekkingen aan te gaan buiten hun eigen land.

(7)Deze verschillen leiden tot ongelijke voorwaarden voor de toegang tot krediet en tot ongelijke terugvorderingspercentages in de lidstaten. Verdere harmonisatie op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans is dan ook onontbeerlijk voor een goed functionerende eengemaakte markt in het algemeen en voor een werkende kapitaalmarktenunie in het bijzonder.

(8)Ook de extra kosten van een risicobeoordeling en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging voor crediteuren van ondernemers met een overmatige schuldenlast die naar een andere lidstaat verhuizen om op veel kortere termijn een tweede kans te krijgen, moeten worden weggewerkt. De extra kosten voor ondernemers die voortvloeien uit de noodzaak om te verhuizen naar een andere lidstaat om een tweede kans te krijgen, moeten ook worden beperkt. Voorts onderdrukken de belemmeringen die voortvloeien uit langdurige beroepsverboden die gekoppeld zijn aan de overmatige schuldenlast van een ondernemer het ondernemerschap.

(9)De belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele vrijheden zijn niet beperkt tot louter grensoverschrijdende situaties. In een steeds verder verweven eengemaakte markt - waarop goederen, diensten, kapitaal en werknemers vrij circuleren — met een almaar sterkere digitale dimensie kan slechts een zeer beperkt aantal bedrijven als puur nationaal worden beschouwd als het aankomt op alle relevante elementen, zoals klantenbestand, toeleveringsketen, bereik van hun activiteiten, beleggersbasis en kapitaalbasis. Zelfs een zuiver nationale insolventie kan een impact hebben op de werking van de eengemaakte markt via het zogenaamde domino-effect waarbij de insolventie van de ene onderneming de insolventie van andere ondernemingen binnen de toeleveringsketen kan veroorzaken.

(10)Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en van de Raad 62 heeft betrekking op kwesties als rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, toepasselijk recht en samenwerking in grensoverschrijdende insolventieprocedures, en op de onderlinge koppeling van insolventieregisters. Het toepassingsgebied omvat preventieve procedures die de redding van een economisch levensvatbare debiteur bevorderen en procedures die ondernemers een tweede kans geven. Verordening (EU) 2015/848 pakt echter niet de verschillen aan tussen deze procedures in het nationale recht. Voorts zou een instrument dat louter beperkt blijft tot grensoverschrijdende insolventie, niet alle belemmeringen voor vrij verkeer wegnemen, en het zou voor investeerders ook niet haalbaar zijn om op voorhand te bepalen of de toekomstige potentiële financiële moeilijkheden van de debiteur grensoverschrijdend dan wel binnenlands van aard zijn. Het is daarom nodig verder te gaan dan aangelegenheden van justitiële samenwerking en materiële minimumnormen vast te stellen.

(11)Het is noodzakelijk om de kosten van herstructurering voor zowel debiteuren als crediteuren te verlagen. De verschillen die een belemmering vormen voor de vroegtijdige herstructurering van levensvatbare bedrijven in financiële moeilijkheden en voor de mogelijkheid van een tweede kans voor eerlijke ondernemers, moeten derhalve worden beperkt. Dat moet leiden tot grotere transparantie, rechtszekerheid en voorspelbaarheid in de Unie. Dit moet ook het rendement maximaliseren voor alle typen van crediteuren en investeerders en grensoverschrijdende investeringen aanmoedigen. Een grotere coherentie moet ook de herstructurering van groepen van ondernemingen vergemakkelijken, ongeacht waar in de Unie de leden van de groep zijn gevestigd.

(12)Het wegnemen van de belemmeringen voor een doeltreffende herstructurering van levensvatbare ondernemingen in financiële moeilijkheden draagt bij tot het minimaliseren van banenverlies en van verliezen voor crediteuren in de toeleveringsketen, zorgt voor het behoud van knowhow en vaardigheden en komt dus de economie in ruimere zin ten goede. Het vergemakkelijken van een tweede kans voor ondernemers vermijdt dat zij van de arbeidsmarkt worden uitgesloten en stelt hen in staat om opnieuw een ondernemersactiviteit uit te oefenen en daarbij lessen te trekken uit het verleden. Ten slotte zou het verkorten van de herstructureringsprocedures leiden tot hogere terugvorderingspercentages voor crediteuren aangezien het verstrijken van de tijd normaal enkel zou leiden tot een verder waardeverlies voor de onderneming. Bovendien zouden efficiënte insolventiestelsels zorgen voor een betere beoordeling van de risico’s die gepaard gaan met beslissingen over lenen en ontlenen en voor een soepele aanpassing voor ondernemingen met een overmatige schuldenlast, door de economische en sociale kosten van hun schuldafbouwproces tot een minimum te beperken.

(13)Vooral kleine en middelgrote ondernemingen moeten profiteren van een meer coherente aanpak op het niveau van de Unie vermits zij niet over de nodige middelen beschikken om de hoge herstructureringskosten te dragen en om voordeel te halen uit de efficiëntere herstructureringsprocedures in bepaalde lidstaten. Dikwijls hebben kleine en middelgrote ondernemingen, vooral wanneer zij financiële moeilijkheden hebben, niet de middelen om een beroep te doen op professioneel advies, en daarom moet worden voorzien in instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing om debiteuren te wijzen op de urgentie om op te treden. Om dergelijke ondernemingen te helpen tegen lage prijs te herstructureren, moeten ook op nationaal niveau modelplannen worden ontwikkeld en online beschikbaar worden gesteld. Debiteuren moeten deze kunnen gebruiken en aanpassen aan hun eigen behoeften en aan de specifieke kenmerken van hun onderneming.

(14)Het is aangewezen om van het toepassingsgebied van deze richtlijn de debiteuren uit te sluiten, die verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 13, punten 1 en 4, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad 63 , kredietinstellingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EG) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 64 , beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve belegging zijn zoals gedefinieerd artikel 4, lid 1, punten 2 en 7 van Verordening (EG) nr. 575/2013, centrale tegenpartijen zijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad 65 , centrale effectenbewaarinstellingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad 66 en andere financiële instellingen en entiteiten zijn die zijn vermeld in de artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad 67 . Deze zijn aan specifieke regelingen onderworpen, waarbij de nationale toezichthoudende autoriteiten over ruime bevoegdheden beschikken om in te grijpen.

(15)Consumenten met een overmatige schuldenlast vormen een groot economisch en sociaal probleem dat nauw samenhangt met de verlaging van de overmatige schuldenlast. Het is bovendien vaak niet mogelijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen de consumentenschulden en de bedrijfsschulden van een ondernemer. Een tweedekansregeling voor ondernemers zou niet doeltreffend zijn indien de ondernemer afzonderlijke procedures zou moeten doorlopen, met verschillende toegangsvoorwaarden en kwijtingstermijnen, om zijn zakelijke persoonlijke schulden en zijn niet-zakelijke persoonlijke schulden te kwijten. Om deze redenen moeten de lidstaten, hoewel deze richtlijn geen bindende regels inzake overmatige schuldenlast van consumenten bevat, de kwijtingsbepalingen ook op consumenten kunnen toepassen.

(16)Hoe vroeger de debiteur zijn financiële moeilijkheden op het spoor kan komen en de nodige maatregelen kan nemen, hoe groter de kans is dat een nakende insolventie kan worden afgewend of, in het geval van een onderneming waarvan de levensvatbaarheid permanent onder druk staat, hoe ordentelijker en efficiënter het vereffeningsproces. Daarom moeten duidelijke informatie over de beschikbare preventieve herstructureringsprocedures en instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing voorhanden zijn om debiteuren een stimulans te geven om snel stappen te ondernemen wanneer zij financiële problemen beginnen te ondervinden. Mogelijke mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing moeten verplichtingen op het gebied van boekhouding en controle inhouden voor de debiteur of het management van de debiteur evenals meldingsplichten in het kader van leningsovereenkomsten. Daarnaast zouden ook derden met relevante informatie zoals boekhouders, belastings- en socialezekerheidsinstanties krachtens het nationale recht kunnen worden aangemoedigd of verplicht om een negatieve ontwikkeling te signaleren.

(17)Er moet een herstructureringsstelsel beschikbaar zijn voor debiteuren waarmee zij hun financiële moeilijkheden in een vroeg stadium kunnen aanpakken, wanneer het erop lijkt dat hun insolventie nog kan worden voorkomen en de voortzetting van hun activiteiten kan worden verzekerd. Er moet een herstructureringsstelsel beschikbaar zijn voordat een debiteur insolvent wordt op grond van het nationale recht, dat wil zeggen voordat de debiteur de voorwaarden vervult om een collectieve insolventieprocedures aan te gaan, hetgeen normaal gepaard gaat met het gehele of gedeeltelijke verlies van zijn vermogen en de aanwijzing van een vereffenaar. Daarom moet een test van de levensvatbaarheid geen noodzakelijke voorwaarde zijn voor het aanknopen van onderhandelingen en het toekennen van een schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen. De levensvatbaarheid van een onderneming moet meestal eerder een beoordeling zijn door de betrokken crediteuren waarvan de meerderheid instemt met bepaalde aanpassingen van hun vorderingen. Om te vermijden dat de procedures worden misbruikt, moet uit de financiële moeilijkheden van de debiteur echter een kans op insolventie blijken en moet het herstructureringsplan de insolventie van de debiteur kunnen voorkomen en de levensvatbaarheid van de onderneming kunnen waarborgen.

(18)Om de doeltreffendheid te bevorderen en om vertragingen en kosten te beperken, moeten nationale preventieve herstructureringsstelsels flexibele procedures omvatten die de betrokkenheid van gerechtelijke of administratieve instanties beperken tot situaties waarin dat noodzakelijk en evenredig is om de belangen van crediteuren en andere betrokken partijen die kunnen worden geraakt, te waarborgen. Om onnodige kosten te vermijden en de vroegtijdige aard van de procedure tot uiting te doen komen, moeten de debiteuren in principe de controle over hun activa en de dagelijkse werking van hun onderneming behouden. Het aanstellen van een deskundige op het gebied van herstructurering, of dit nu een bemiddelaar is die de onderhandelingen over een herstructureringsplan ondersteunt dan wel een insolventiedeskundige die toezicht houdt op de handelingen van de debiteur, moet niet altijd verplicht zijn, maar daarvoor moet per geval kunnen worden gekozen, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak of van de specifieke behoeften van de debiteur. Voorts is niet noodzakelijk een gerechtelijk bevel nodig voor de opening van de herstructureringsprocedure, die informeel kan zijn zolang de rechten van derden niet worden aangetast. Niettemin moet er sprake zijn van een zekere mate van toezicht wanneer dat noodzakelijk is om de legitieme belangen van een of meerdere crediteuren of een andere belanghebbende partij te beschermen. Dit kan met name het geval zijn wanneer een algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt toegekend door de gerechtelijke of administratieve instantie of wanneer het noodzakelijk blijkt om een herstructureringsplan op te leggen aan niet-instemmende categorieën van crediteuren.

(19)Een debiteur moet de gerechtelijke of administratieve instantie om een tijdelijke schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen kunnen verzoeken, hetgeen ook de verplichting moet opschorten om de inleiding van een insolventieprocedure aan te vragen, indien deze handelingen een negatieve invloed kunnen hebben op onderhandelingen en de vooruitzichten van de herstructurering van de onderneming van de debiteur kunnen belemmeren. De schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen zou algemeen kunnen zijn, in welk geval zij dus voor alle crediteuren geldt, of gericht kunnen zijn op afzonderlijke crediteuren. Met het oog op een goed evenwicht tussen de rechten van de debiteur en die van de crediteuren, mag de schorsing voor maximaal vier maanden worden toegekend. Complexe herstructureringen kunnen echter meer tijd vergen. De lidstaten kunnen besluiten dat de gerechtelijke of administratieve instantie in dergelijke gevallen een termijnverlenging kan toestaan, op voorwaarde dat er bewijs is dat de onderhandelingen over het herstructureringsplan goed vorderen en dat de crediteuren niet op oneerlijke wijze worden benadeeld. Indien verdere verlengingen worden toegekend, moet de gerechtelijke of administratieve instantie van oordeel zijn dat er een grote kans bestaat dat het herstructureringsplan zal worden goedgekeurd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een verzoek om de initiële schorsingstermijn te verlengen, binnen een redelijke termijn wordt ingediend zodat de gerechtelijke of administratieve instanties tijdig een beslissing kunnen nemen. Wanneer een gerechtelijke of administratieve instantie geen beslissing neemt over de verlenging van de schorsing van tenuitvoerlegging voor het verstrijken van de termijn, mag de schorsing geen gevolgen meer hebben vanaf de dag waarop de schorsingstermijn verstrijkt. In het belang van de rechtszekerheid moet de totale termijn tot twaalf maanden worden beperkt.

(20)Om ervoor te zorgen dat de crediteuren geen nadeel ondervinden, mag de schorsing niet worden toegekend, of als dat wel het geval is, niet worden verlengd of moet zij worden ingetrokken wanneer crediteuren op oneerlijke wijze worden benadeeld door de schorsing van tenuitvoerlegging. Om te bepalen of er sprake is van oneerlijke benadeling van crediteuren, kunnen de gerechtelijke of administratieve instanties rekening houden met de vraag of de schorsing de totale waarde van de boedel zou behouden, of de debiteur te kwader trouw handelt of met de intentie nadeel te berokkenen, of in het algemeen ingaat tegen de legitieme verwachtingen van de gezamenlijke crediteuren. Een afzonderlijke crediteur of categorie van crediteuren zou oneerlijk worden benadeeld door de schorsing wanneer hun vorderingen bijvoorbeeld aanzienlijk slechter af zouden zijn als gevolg van de schorsing dan wanneer de schorsing niet was toegekend, of wanneer de crediteur een groter nadeel ondervindt dan andere crediteuren in een gelijkaardige positie.

(21)Crediteuren op wie de schorsing van toepassing is, mogen ook niet over de mogelijkheid beschikken nog uit te voeren overeenkomsten te beëindigen, te versnellen of anderszins te wijzigen, of de nakoming ervan op te schorten tijdens de schorsingstermijn, mits de debiteur zijn bestaande verplichtingen in het kader van dergelijke overeenkomsten blijft nakomen. Een vroegtijdige beëindiging zou de capaciteit van de onderneming om de activiteiten voort te zetten tijdens de onderhandelingen over een herstructurering in het gedrang brengen, vooral wanneer het gaat om overeenkomsten voor essentiële voorzieningen zoals gas, elektriciteit, water, telecommunicatie en diensten voor betalingen met kaarten. Om de legitieme belangen van de crediteuren te beschermen en om de activiteiten van de crediteuren in de toeleveringsketen zo weinig mogelijk te verstoren, mag de schorsing echter alleen van toepassing zijn op de vorderingen die vóór de toekenning van de schorsing zijn ontstaan. Om een succesvolle herstructurering te bereiken, moet de debiteur in het kader van de normale bedrijfsuitoefening vorderingen van of verschuldigd aan niet bij de schorsing betrokken crediteuren voldoen, alsook de vorderingen van wel bij de schorsing betrokken crediteuren, die na de toekenning van de schorsing zijn ontstaan.

(22)Wanneer een debiteur een insolventieprocedure opstart, is het mogelijk dat bepaalde leveranciers contractuele rechten hebben die hun het recht geven om de leveringsovereenkomst te beëindigen louter vanwege de insolventie (ook bekend als ipso facto-bedingen). Hetzelfde kan gelden wanneer een debiteur preventieve herstructureringsmaatregelen aanvraagt. Wanneer dergelijke bedingen worden ingeroepen wanneer de debiteur alleen maar onderhandelt over een herstructureringsplan of om een schorsing van tenuitvoerlegging verzoekt, of in het kader van een gebeurtenis die verband houdt met de schorsing, kan vroegtijdige beëindiging negatieve gevolgen hebben voor de onderneming van de debiteur en de succesvolle redding van de onderneming. Daarom is het, wanneer de schorsing door een gerechtelijke of administratieve instantie wordt toegekend, noodzakelijk dat crediteuren op wie de schorsing van toepassing is, geen ipso facto-bedingen mogen inroepen die verwijzen naar onderhandelingen over een herstructureringsplan of een schorsing, of een gelijkaardige gebeurtenis die verband houdt met de schorsing.

(23)Crediteuren moeten het recht hebben om de schorsing aan te vechten, zodra zij door een gerechtelijke of administratieve instantie is toegekend. Wanneer de schorsing niet langer noodzakelijk is om de goedkeuring van een herstructureringsplan te bevorderen, bijvoorbeeld omdat het duidelijk is dat de herstructurering niet voldoende steun krijgt van een meerderheid van crediteuren, zoals vereist krachtens het nationale recht, moeten crediteuren ook de opheffing van de schorsing kunnen vragen.

(24)Alle crediteuren die bij het herstructureringsplan zijn betrokken en, wanneer dat krachtens het nationale recht is toegestaan, houders van eigenvermogensinstrumenten, moeten het recht hebben om te stemmen over de goedkeuring van een herstructureringsplan. Partijen die niet bij het herstructureringsplan zijn betrokken, mogen geen stemrecht hebben over het plan en evenmin mag hun steun worden vereist voor de goedkeuring van een plan. De stemming kan de vorm aannemen van een formele stemprocedure of van een overleg en overeenstemming met de vereiste meerderheid van de betrokken partijen. Wanneer de stemming echter de vorm aanneemt van een overleg en overeenstemming, moeten de betrokken partijen wier instemming niet noodzakelijk was, toch de mogelijkheid krijgen om zich bij het herstructureringsplan aan te sluiten.

(25)Om ervoor te zorgen dat rechten die substantieel gelijkaardig zijn, ook op dezelfde manier worden behandeld en dat herstructureringsplannen kunnen worden goedgekeurd zonder op oneerlijke wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokken partijen, moeten de betrokken partijen behandeld worden in afzonderlijke categorieën die de criteria voor het vormen van categorieën krachtens het nationale recht weerspiegelen. Minimaal moeten crediteuren met zekerheid en crediteuren zonder zekerheid steeds als afzonderlijke categorieën worden behandeld. In het nationale recht kan worden bepaald dat door een zekerheid gedekte vorderingen kunnen worden onderverdeeld in door een zekerheid gedekte en niet door een zekerheid gedekte vorderingen op basis van de waardering van de zekerheid. In het nationale recht kunnen ook specifieke regels worden vastgesteld ter ondersteuning van de vorming van categorieën, waarbij niet-gediversifieerde of op andere wijze kwetsbare crediteuren, zoals werknemers of kleine leveranciers, zouden profiteren van deze vorming van categorieën. In elk geval moet het nationale recht ervoor zorgen dat aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de vorming van categorieën, zoals vorderingen van verbonden partijen, adequaat worden behandeld, en moet het regels bevatten over voorwaardelijke vorderingen en betwiste vorderingen. De gerechtelijke of administratieve instantie moet de vorming van categorieën onderzoeken wanneer een herstructureringsplan ter bevestiging wordt ingediend, maar de lidstaten zouden kunnen bepalen dat deze instanties ook de vorming van categorieën in een vroeg stadium kunnen onderzoeken, ingeval de voorsteller van het plan op voorhand geldigverklaring of advies vraagt.

(26)De vereiste meerderheden moeten in het nationale recht worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat een minderheid van betrokken partijen in elke categorie de goedkeuring van het herstructureringsplan niet kan verhinderen, wanneer dat niet op oneerlijke wijze hun rechten en belangen aantast. Zonder een meerderheidsregel die niet-instemmende, door een zekerheid gedekte crediteuren bindt, zou een vroege herstructurering in veel gevallen niet mogelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer een financiële herstructurering nodig is, maar de onderneming verder wel levensvatbaar is. Om ervoor te zorgen dat partijen inspraak hebben in de goedkeuring van herstructureringsplannen die in verhouding staat tot de belangen die zij in de onderneming hebben, moet de vereiste meerderheid gebaseerd moeten zijn op het bedrag van de vorderingen van de crediteuren of van de belangen van houders van eigenvermogensinstrumenten in een specifieke categorie.

(27)De toets van het "belang van de crediteuren" maakt het mogelijk ervoor te zorgen dat geen niet-instemmende crediteur slechter af is in het kader van het herstructureringsplan dan hij zou zijn in het geval van een vereffening, of deze nu stapsgewijs gebeurt dan wel als een verkoop in going concern. Die toets moet in elk geval plaatsvinden wanneer een plan moet worden bevestigd om bindend te zijn voor niet-instemmende crediteuren of, naargelang van het geval, niet-instemmende categorieën crediteuren.

(28)Terwijl een herstructureringsplan altijd als goedgekeurd moet worden beschouwd indien de vereiste meerderheid in elke betrokken categorie het plan steunt, kan een herstructureringsplan dat niet de steun heeft van de vereiste meerderheid in elke betrokken categorie, toch nog door een gerechtelijke of administratieve instantie worden bevestigd, op voorwaarde dat het de steun krijgt van ten minste één betrokken categorie van crediteuren en dat niet-instemmende categorieën niet op oneerlijke wijze worden benadeeld op grond van het voorgestelde plan (het mechanisme van de categorie-overschrijdende cram-down). Het plan moet met name in overeenstemming zijn met de regel van absolute voorrang, die ervoor zorgt dat een niet-instemmende categorie van crediteuren volledig wordt betaald voordat meer ondergeschikte categorieën iets krijgen of een belang kunnen laten gelden in het kader van het herstructureringsplan. De regel van absolute voorrang geldt als basis voor de waarde die in het kader van de herstructurering onder de crediteuren wordt verdeeld. De regel van absolute voorrang impliceert ook dat geen enkele categorie van crediteuren in het kader van het herstructureringsplan economische waarden of voordelen kan ontvangen of houden die groter zijn dan het volledige bedrag van de vorderingen of belangen in de betrokken categorie. De regel van absolute voorrang maakt het mogelijk om, in vergelijking met de kapitaalstructuur van de onderneming in herstructurering, te bepalen welke waarde de partijen in het kader van het herstructureringsplan moeten ontvangen op basis van de waarde van het bedrijf als going concern.

(29)De legitieme belangen van aandeelhouders of houders van andere eigenvermogensinstrumenten moeten weliswaar worden beschermd, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat aandeelhouders niet op onredelijke wijze de goedkeuring kunnen blokkeren van herstructureringsplannen die de debiteur opnieuw levensvatbaar zouden maken. Zo mag de goedkeuring van een herstructureringsplan niet afhangen van de instemming van de out-of-the-money-houders van eigenvermogensinstrumenten, namelijk houders van eigenvermogensinstrumenten die bij een waardering van de onderneming geen betaling of andere vergoeding zouden krijgen bij toepassing van de normale rangorde van voorrang bij vereffening. De lidstaten kunnen verschillende middelen inzetten om dit doel te bereiken, bijvoorbeeld door houders van eigenvermogensinstrumenten niet het recht te geven om te stemmen over een herstructureringsplan. Wanneer houders van eigenvermogensinstrumenten het recht hebben om over een herstructureringsplan te stemmen, moet echter een gerechtelijke of administratieve instantie het plan kunnen bevestigen, niettegenstaande de niet-instemming een of meerdere categorieën van houders van eigenvermogensinstrumenten, via een categorie-overschrijdende cram-down-mechanisme. Het is mogelijk dat meerdere categorieën houders van eigenvermogensinstrumenten nodig zijn wanneer verschillende categorieën aandeelhouders met verschillende rechten bestaan. Houders van eigenvermogensinstrumenten van kleine en middelgrote ondernemingen die niet louter investeerder, maar ook eigenaar van de zaak zijn en daaraan op andere manieren bijdragen, zoals met managementexpertise, hebben misschien geen stimulans om in die omstandigheden te herstructureren. Om die reden moet het categorie-overschrijdende cram-down-mechanisme optioneel blijven voor de voorsteller van het plan.

(30)De bevestiging van een herstructureringsplan door een gerechtelijke of administratieve instantie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de beperking van de rechten van crediteuren of belangen van houders van eigenvermogensinstrumenten in verhouding staat tot de voordelen van de herstructurering, en dat zij toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte. Daarom moet de gerechtelijke of administratieve instantie een plan verwerpen wanneer is aangetoond dat de poging tot herstructurering de rechten van niet-instemmende crediteuren of houders van eigenvermogensinstrumenten beperkt tot onder hetgeen zij redelijkerwijze zouden kunnen verwachten in het geval van de vereffening van de onderneming van de debiteur, of deze nu stapsgewijs gebeurt dan wel als een verkoop in going concern, afhankelijk van de specifieke omstandigheden waarin elke debiteur zich bevindt. Wanneer het plan echter door een categorie-overschrijdende cram-down-mechanisme wordt bevestigd, moet de regel van absolute voorrang worden toegepast met verwijzing naar de waardering van de onderneming, waarbij, anders dan bij de vereffeningswaarde van de onderneming als going concern, wordt gekeken naar de waarde van de onderneming van de debiteur op lange termijn. De waardering van de onderneming ligt in de regel hoger dan de vereffeningswaarde als going concern, omdat daarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de onderneming haar activiteiten en overeenkomsten met minimale verstoring voortzet, het vertrouwen heeft van financiële crediteuren, aandeelhouders en klanten, inkomsten blijft genereren en de gevolgen voor werknemers beperkt.

(31)Het succes van een herstructureringsplan kan dikwijls afhangen van de vraag of er financiële middelen voorhanden zijn om eerst de werking van de onderneming te ondersteunen tijdens de onderhandelingen over de herstructurering en vervolgens ook de uitvoering van het herstructureringsplan na de bevestiging ervan. Nieuwe of tussentijdse financiering moet dan ook gevrijwaard worden van vorderingen tot nietigverklaring die als doel hebben deze financiering als een voor de gezamenlijke crediteuren nadelige rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar te laten verklaren in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures. Nationaal insolventierecht dat in vorderingen tot nietigverklaring voorziet als en wanneer de debiteur uiteindelijk insolvent wordt of bepaalt dat nieuwe kredietverstrekkers burgerlijke, administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen oplopen voor het verlenen van krediet aan debiteuren in financiële moeilijkheden, bedreigt de beschikbaarheid van de financiering die nodig is voor de succesvolle onderhandelingen over en uitvoering van een herstructureringsplan. Anders dan bij nieuwe financiering die door een gerechtelijke of administratieve instantie moet worden bevestigd in het kader van een herstructureringsplan, weten de partijen, wanneer tussentijdse financiering wordt verleend, niet of het plan uiteindelijk zal worden bevestigd. Het beperken van de bescherming van tussentijdse financiering tot gevallen waar het plan door crediteuren wordt goedgekeurd of door een gerechtelijke of administratieve instantie wordt bevestigd, zou het verstrekken van dit soort financiering ontmoedigen. Om eventueel misbruik te vermijden mag alleen financiering die redelijkerwijs en onmiddellijk noodzakelijk is voor de verdere werking of het overleven van de onderneming van de debiteur of voor het behoud of het vergroten van de waarde van die onderneming, worden beschermd, in afwachting van de bevestiging van dat plan. Bescherming tegen vorderingen tot nietigverklaring en bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid zijn minimale waarborgen die aan tussentijdse en nieuwe financiering worden toegekend. Om nieuwe kredietverstrekkers aan te moedigen om het verhoogde risico te nemen in een levensvatbare debiteur in financiële moeilijkheden te investeren, zijn wellicht verdere stimulansen nodig, bijvoorbeeld door aan deze financiering ten minste voorrang te geven tegenover niet door een zekerheid gedekte vorderingen in daaropvolgende insolventieprocedures.

(32)De belanghebbende betrokken partijen moeten tegen een besluit of beslissing over de bevestiging van een herstructureringsplan beroep of hoger beroep kunnen instellen. Om de doeltreffendheid van het plan te waarborgen, de onzekerheid te beperken en ongerechtvaardigde termijnen te vermijden, mogen die beroepen geen schorsende werking hebben op de uitvoering van een plan. Wanneer is aangetoond dat minderheidscrediteuren een niet te rechtvaardigen nadeel hebben geleden in het kader van het plan, moeten de lidstaten overwegen om, als alternatief voor de nietigverklaring van het plan, te voorzien in financiële compensatie voor de respectieve niet-instemmende crediteuren, die moet worden betaald door de debiteur of de crediteuren die voor het plan stemden.

(33)Teneinde een cultuur te bevorderen waarbij vroegtijdig gebruik wordt gemaakt van preventieve herstructureringen, is het wenselijk dat transacties die te goeder trouw worden verricht en nauw verbonden zijn met de goedkeuring of uitvoering van een herstructureringsplan, ook bescherming krijgen tegen vorderingen tot nietigverklaring in daaropvolgende insolventieprocedures. Een voorbeeld van een transacties die wordt verricht met het oog op en nauw verbonden is met onderhandelingen over een herstructureringsplan is bijvoorbeeld de verkoop van een filiaal om geldmiddelen op te halen die de onderneming in financiële moeilijkheden nodig heeft om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten tijdens de onderhandelingen over de herstructurering. Transacties ter bevordering van of die nauw verbonden zijn met de voorwaarden van het herstructureringsplan, zouden kunnen plaatsvinden wanneer de debiteur de aandelen in een filiaal gebruikt als onderpand voor een nieuwe lening waarin het plan voorziet of wanneer hij een schuldconversie uitvoert zoals beoogd in het plan. Deze bescherming moet de zekerheid vergroten met betrekking tot transacties met ondernemingen waarvan bekend is dat zij in moeilijkheden verkeren en moet bij crediteuren en investeerders de angst wegnemen dat al deze transacties zouden kunnen worden nietig verklaard indien de herstructurering mislukt.

(34)Tijdens de preventieve herstructureringsprocedures moeten werknemers van de volledige arbeidsrechtelijke bescherming kunnen genieten. Deze richtlijn doet met name geen afbreuk aan de rechten van werknemers die zijn gewaarborgd door Richtlijn 98/59/EG van de Raad 68 , Richtlijn 2001/23/EG van de Raad 69 , Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad 70 , Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad 71 en Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad 72 . De verplichtingen betreffende het informeren en raadplegen van werknemers in het kader van het nationale recht tot omzetting van de bovengenoemde richtlijnen, blijven volledig gelden. Het gaat onder meer om verplichtingen om werknemersvertegenwoordigers te informeren en te raadplegen over het besluit om gebruik te maken van een preventief herstructureringsstelsel overeenkomstig Richtlijn 2002/14/EG. Gelet op de noodzaak om te zorgen voor een passend niveau van bescherming van werknemers, moeten de lidstaten in beginsel de onvervulde aanspraken van werknemers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2008/94/EG, uitsluiten van elke schorsing van tenuitvoerlegging, ongeacht of deze vorderingen voor of na de toekenning van de schorsing zijn ontstaan. Een dergelijke schorsing mag alleen worden toegestaan voor de bedragen en voor de termijn waarvoor de betaling van deze vorderingen daadwerkelijk door andere middelen krachtens het nationaal recht wordt gewaarborgd. Wanneer lidstaten de dekking van de waarborg van betaling van onvervulde aanspraken van werknemers waarin Richtlijn 2008/94/EG voorziet, uitbreiden tot de preventieve herstructureringsprocedures waarin deze richtlijn voorziet, is de vrijstelling van vorderingen van werknemers van de schorsing van tenuitvoerlegging niet langer gerechtvaardigd voor zover deze gedekt worden door die waarborg. Indien er krachtens het nationale recht beperkingen bestaan op de aansprakelijkheid van de waarborgfondsen, hetzij wat betreft de duur van de waarborg, hetzij wat betreft het aan werknemers betaalde bedrag, moeten de werknemers in het geval van niet-nakoming door de werkgever hun vorderingen ook tijdens de schorsingstermijn kunnen afdwingen.

(35)Wanneer een herstructureringsplan de overdracht inhoudt van een deel van de onderneming of de bedrijfsactiviteiten, moeten de rechten van werknemers die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met name het recht op loon,  worden gewaarborgd in overeenstemming met de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2001/23/EG, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de specifieke regels die gelden in het geval van insolventieprocedures zoals bedoeld in artikel 5 van die richtlijn en in het bijzonder de mogelijkheden waarin artikel 5, lid 2, van die richtlijn voorziet. Voorts moeten werknemers die door het herstructureringsplan worden getroffen, in het kader van deze richtlijn het recht hebben om over dat plan te stemmen, onverminderd hun recht op informatie en raadpleging, onder meer over beslissingen die ingrijpende veranderingen voor de arbeidsorganisatie of de arbeidsovereenkomsten kunnen meebrengen, met het doel een akkoord te bereiken over dergelijke beslissingen, dat door Richtlijn 2002/14/EG wordt gewaarborgd. Met het oog op de stemming over het herstructureringsplan, kunnen de lidstaten besluiten werknemers in een afzonderlijke categorie onder te brengen, naast andere categorieën debiteuren.

(36)Om preventieve herstructurering verder te bevorderen, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat bestuurders er niet van worden weerhouden hun redelijke zakelijke inzichten aan te wenden of redelijke commerciële risico’s te nemen, in het bijzonder wanneer dit de kansen op herstructurering van een potentieel levensvatbare onderneming zou verbeteren. Wanneer de onderneming financiële moeilijkheden kent, moeten de bestuurders de nodige stappen ondernemen, zoals het inroepen van professioneel advies, onder meer over herstructurering en insolventie, bijvoorbeeld door in voorkomend geval gebruik te maken van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing; de activa van de onderneming te beschermen om de waarde te maximaliseren en het verlies van essentiële activa tegen te gaan; de structuur en de functies van de onderneming te onderzoeken om de levensvatbaarheid na te gaan en de uitgaven te beperken; de onderneming niet te verbinden tot types transacties die onderworpen kunnen zijn aan nietigverklaring, tenzij daarvoor een passende zakelijke rechtvaardiging bestaat; verder zaken te blijven doen in omstandigheden waarin dat gepast is om de waarde van de onderneming als going concern te maximaliseren; te onderhandelen met crediteuren en preventieve herstructureringsprocedures in te leiden. Wanneer de insolventie van de debiteur nakend is, is het ook belangrijk om de legitieme belangen van de crediteuren te beschermen tegen beslissingen van de bestuurders die gevolgen kunnen hebben voor de samenstelling van de boedel van de debiteur, in het bijzonder wanneer deze beslissingen kunnen leiden tot een verdere daling van de waarde van de boedel die beschikbaar is voor herstructureringsinspanningen of verdeling onder crediteuren. Het is dan ook noodzakelijk dat bestuurders in dergelijke omstandigheden opzettelijke handelingen of grove nalatigheid die leiden tot persoonlijke winst ten nadele van de belanghebbenden, vermijden, niet instemmen met transacties onder hun waarde en geen handelingen stellen die leiden tot een oneerlijke voorkeursbehandeling van een of meerdere belanghebbenden ten koste van anderen. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder bestuurders verstaan: de personen die verantwoordelijk zijn voor het nemen van beslissingen over het management van het bedrijf.

(37)De verschillende mogelijkheden voor een tweede kans in de lidstaten kunnen ondernemers met een overmatige schuldenlast ertoe aanzetten om te verhuizen naar lidstaten om zo te genieten van kortere kwijtingstermijnen of aantrekkelijkere voorwaarden voor kwijting, wat leidt tot extra rechtsonzekerheid en kosten voor de crediteuren om hun vorderingen te innen. Verder vormen de gevolgen van een faillissement, met name het sociale stigma, de juridische gevolgen, zoals een beroepsverbod voor ondernemers om nieuwe ondernemersactiviteiten op te nemen en het blijvende onvermogen om schulden af te betalen, belangrijke negatieve prikkels voor ondernemers die een bedrijf willen oprichten of een tweede kans willen grijpen, ook al is aangetoond dat ondernemers die failliet zijn gegaan, meer kans maken om een tweede keer wel succesvol te zijn. Derhalve moeten stappen worden ondernomen om de negatieve gevolgen van een overmatige schuldenlast en een faillissement voor ondernemers te beperken, met name door een volledige kwijting van schulden mogelijk te maken na een bepaalde termijn en door de duur van een beroepsverbod naar aanleiding van de overmatige schuldenlast van de debiteur te beperken.

(38)Een volledige kwijting of het einde van het beroepsverbod na een korte termijn is niet in alle omstandigheden aangewezen, bijvoorbeeld in gevallen waarin de debiteur oneerlijk is of te kwader trouw heeft gehandeld. De lidstaten moeten de gerechtelijke of administratieve instanties duidelijke richtlijnen geven over de wijze waarop kan worden nagegaan of de ondernemer eerlijk is. Om te bepalen of de debiteur oneerlijk is geweest, kunnen de gerechtelijke of administratieve instanties bijvoorbeeld rekening houden met omstandigheden zoals de aard en de omvang van de schulden, het moment waarop deze werden aangegaan, de inspanningen van de debiteur om de schulden af te betalen en te voldoen aan de wettelijke verplichtingen, onder meer op het gebied van vergunningsvereisten en correcte boekhouding, en de handelingen die hij heeft gesteld om het verhaal van de crediteuren te bemoeilijken. Een beroepsverbod mag langer of voor onbepaalde tijd gelden in situaties waarin de ondernemer bepaalde beroepen uitoefent die in de lidstaten als gevoelig worden beschouwd of wanneer hij voor criminele activiteiten is veroordeeld. In dergelijke gevallen zou het voor ondernemers mogelijk zijn om van een kwijting van schulden te genieten, terwijl voor hen wel het verbod blijft gelden om voor langere of onbepaalde tijd een bepaald beroep uit te oefenen.

(39)Het is noodzakelijk om de transparantie en voorspelbaarheid te handhaven van de procedures die leiden tot resultaten die gunstig zijn voor het behoud van ondernemingen en voor het gunnen van een tweede kans aan ondernemers of die de efficiënte vereffening van niet-levensvatbare ondernemingen mogelijk maken. Het is eveneens noodzakelijk te zorgen voor een verkorting van de buitensporige duur van insolventieprocedures in veel lidstaten, die leidt tot rechtsonzekerheid voor crediteuren en investeerders en lage recuperatiepercentages. Ten slotte moet, gelet op de mechanismen voor verbeterde samenwerking tussen rechtbanken en deskundigen in grensoverschrijdende zaken, waarin Verordening (EU) 2015/848 voorziet, de professionaliteit van alle betrokken actoren in de hele Unie op een vergelijkbaar hoog niveau komen te staan. Om deze doelstellingen te bereiken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de leden van de gerechtelijke en administratieve instanties adequaat zijn opgeleid en gespecialiseerde kennis en ervaring hebben op het gebied van insolventie. Deze specialisatie van de leden van de rechterlijke macht moet het mogelijk maken dat op korte termijn beslissingen worden gegeven met potentieel significante economische en sociale gevolgen en mag niet betekenen dat deze leden uitsluitend zaken in verband met herstructurering, insolventie en tweede kans moeten behandelen. Het oprichten van gespecialiseerde rechtbanken of kamers overeenkomstig het nationale recht betreffende de organisatie van het gerechtelijke systeem kan bijvoorbeeld een doeltreffende manier zijn om deze doelstellingen te bereiken.

(40)De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans die door gerechtelijke of administratieve instanties worden aangesteld, adequaat zijn opgeleid en worden gecontroleerd bij de uitvoering van hun taken, dat zij op een transparante wijze worden aangesteld, rekening houdend met de noodzaak om te zorgen voor efficiënte procedures, en dat zij hun taken op integere wijze uitvoeren. De deskundigen moeten ook vrijwillige gedragscodes onderschrijven die als doel hebben te zorgen voor een geschikt niveau van kwalificatie en opleiding, transparantie op het gebied van de taken van die deskundigen en van de regels voor het bepalen van hun vergoeding, het afsluiten van een professionele aansprakelijkheidsverzekering, en het vaststellen van een toezicht- en regelgevingsmechanisme met onder meer een aangepaste en doeltreffende regeling inzake sancties voor deskundigen die hun verplichtingen niet nakomen. Deze normen kunnen worden bereikt zonder dat in beginsel nieuwe beroepen of kwalificaties in het leven moeten worden geroepen.

(41)Om de duur van procedures verder te verkorten en tegelijkertijd te zorgen voor een betere deelname van crediteuren aan procedures voor herstructurering, insolventie en kwijting, en om te zorgen voor gelijkaardige voorwaarden voor crediteuren, ongeacht waar in de Unie zij zijn gevestigd, moeten de lidstaten voorzien in middelen voor communicatie op afstand in gerechtelijke procedures. Daarom moet het mogelijk zijn dat procedurele stappen, zoals het indienen van vorderingen door crediteuren, het verzenden van kennisgevingen door de debiteur of door deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans, het stemmen over een herstructureringsplan of het instellen van beroep, elektronisch gebeuren. De grensoverschrijdende erkenning van dergelijke communicatie moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad 73 .

(42)Het is belangrijk betrouwbare informatie te verzamelen over de uitvoering van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures om te kunnen toezien op de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. De lidstaten moeten daarom gegevens verzamelen en aggregeren die voldoende gedetailleerd zijn om een accurate beoordeling mogelijk te maken van de werking van de richtlijn in de praktijk.

(43)De stabiliteit van de financiële markten hangt in grote mate af van de financiëlezekerheidsovereenkomsten, in het bijzonder wanneer een zekerheid wordt gesteld in verband met deelnemingen in aangewezen systemen of in centralebanktransacties en wanneer marges worden gestort aan centrale tegenpartijen (CTP’s). Aangezien de waarde van financiële instrumenten die als zekerheid worden gesteld, sterk kan schommelen, is het van cruciaal belang om de waarde ervan snel te realiseren voordat die daalt. Deze richtlijn mag derhalve geen afbreuk doen aan Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 74 , Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad 75 en Verordening (EU) nr. 648/2012 76 .

(44)De doeltreffendheid van het proces voor de goedkeuring en uitvoering van het herstructureringsplan mag niet in gevaar worden gebracht door vennootschapsrechtelijke bepalingen. De lidstaten moeten derhalve afwijken van de vereisten die zijn vastgelegd in Richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad 77 en betrekking hebben op de verplichtingen om een algemene vergadering bijeen te roepen en aandelen eerst aan de bestaande aandeelhouders aan te bieden, voor zover en zolang dat nodig is om te voorkomen dat de aandeelhouders de herstructureringsinspanningen hinderen door misbruik te maken van hun rechten op grond van Richtlijn 2012/30/EU. De lidstaten mogen niet verplicht worden om volledig of voor een beperkte tijd af te wijken van de vennootschapsrechtelijke bepalingen indien zij waarborgen dat de vennootschapsrechtelijke vereisten de doeltreffendheid van het herstructureringsproces niet in gevaar brengen of indien zij andere, even doeltreffende instrumenten hebben om ervoor te zorgen dat aandeelhouders niet op onredelijke wijze de goedkeuring of uitvoering verhinderen van een herstructureringsplan dat de levensvatbaarheid van de onderneming zou herstellen. In deze context moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de doeltreffendheid van de bepalingen in verband met de schorsing van tenuitvoerleggingsmaatregelen en de bevestiging van het herstructureringsplan die niet mogen belemmerd worden door de oproep tot of de resultaten van algemene vergaderingen van aandeelhouders. Richtlijn 2012/30/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(45)Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken 78 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(46)Om het formulier voor mededeling van gegevens vast te stellen en daarna eventueel te wijzigen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 79 .

(47)Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet in voldoende mate door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt, omdat verschillen tussen nationale herstructurerings- en insolventiestelsels belemmeringen zouden blijven vormen voor het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld betreffende:

(a)preventieve herstructureringsprocedures die beschikbaar zijn voor debiteuren in financiële moeilijkheden wanneer er kans op insolventie bestaat;

(b)procedures die leiden tot een kwijting van schulden van ondernemers met een overmatige schuldenlast waardoor zij een nieuwe activiteit kunnen opnemen;

(c)maatregelen om de efficiëntie van de onder a) en b) bedoelde procedures en van insolventieprocedures te verhogen.

2.Deze richtlijn is niet van toepassing op in lid 1 bedoelde procedures die betrekking hebben op debiteuren die:

(a)verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 13, punten 1 en 4, van Richtlijn 2009/138/EG;

(b)kredietinstellingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Verordening (EG) nr. 575/2013;

(c)beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve belegging zijn zoals gedefinieerd artikel 4, lid 1, punten 2 en 7 van Verordening (EG) nr. 575/2013;

(d)centrale tegenpartijen zijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

(e)centrale effectenbewaarinstellingen zijn zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014;

(f)andere financiële instellingen en entiteiten zijn die zijn vermeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU;

(g)natuurlijke personen, maar geen ondernemers zijn.

3.De lidstaten kunnen de toepassing van de in lid 1, onder b), bedoelde procedures uitbreiden tot natuurlijke personen met overmatige schuldenlast die geen ondernemers zijn.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1)"insolventieprocedure": een collectieve insolventieprocedure die ertoe leidt dat de debiteur het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verliest en dat een vereffenaar wordt aangewezen;

(2)"herstructurering": het wijzigen van de samenstelling, de voorwaarden of de structuur van de activa en passiva van een debiteur of van een ander deel van de kapitaalstructuur van de debiteur, met inbegrip van aandelenkapitaal, of een combinatie van deze elementen, met inbegrip van de verkoop van activa of bedrijfsonderdelen, met het doel de onderneming in staat te stellen haar activiteiten geheel of gedeeltelijk voor te zetten;

(3)"betrokken partijen": crediteuren of categorieën van crediteuren en, indien van toepassing krachtens het nationale recht, houders van eigenvermogensinstrumenten wier vorderingen of belangen in het kader van een herstructureringsplan worden geraakt;

(4)"schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen": een door een gerechtelijke of administratieve instantie bevolen schorsing van het recht van een crediteur een vordering tegen een debiteur ten uitvoer te leggen;

(5)"nog uit te voeren overeenkomsten": overeenkomsten tussen de debiteur en een of meer crediteuren krachtens welke beide partijen nog verbintenissen moeten nakomen op het ogenblik dat de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt bevolen;

(6)"vorming van categorieën": het zodanig groeperen van betrokken crediteuren en houders van eigenvermogensinstrumenten in een herstructureringsplan dat daaruit de rechten en rangorde van de betrokken vorderingen en belangen blijkt, rekening houdend met mogelijke reeds bestaande rechten, zekerheidsrechten of overeenkomsten tussen crediteuren, en de behandeling ervan in het kader van het herstructureringsplan; 

(7)"cram-down van niet-instemmende crediteuren": de bevestiging door een gerechtelijke of administratieve instantie van een herstructureringsplan dat de steun heeft van een meerderheid in waarde van crediteuren of een meerderheid in waarde in elke categorie van crediteuren tegenover een niet-instemmende minderheid van crediteuren of een niet-instemmende minderheid van crediteuren in elke categorie;

(8)"categorie-overschrijdende cram-down": de bevestiging door een gerechtelijke of administratieve instantie van een herstructureringsplan waarmee een of meerdere betrokken categorieën crediteuren niet instemmen;

(9)"toets van het belang van de crediteuren": toets om te bevestigen dat geen niet-instemmende crediteur slechter af zou zijn onder het herstructureringsplan dan in het geval van een vereffening, of deze nu stapsgewijs gebeurt dan wel als een verkoop als going concern;

(10)"regel van absolute voorrang": regel op grond waarvan een niet-instemmende categorie crediteuren volledig moet worden voldaan voordat een ondergeschikte categorie recht heeft op enige verdeling of aanspraak kan maken op enig belang in het kader van het herstructureringsplan;

(11)"nieuwe financiering": alle nieuwe middelen, ongeacht of deze door een bestaande dan wel door een nieuwe crediteur worden verstrekt, die noodzakelijk zijn om een herstructureringsplan uit te voeren, die in dat herstructureringsplan zijn overeengekomen en vervolgens door een gerechtelijke of administratieve instantie zijn bevestigd;

(12)"tussentijdse financiering": alle middelen, ongeacht of deze door een bestaande dan wel door een nieuwe crediteur worden verstrekt, die redelijkerwijze en onmiddellijk noodzakelijk zijn om de bedrijfsactiviteiten van de debiteur voort te zetten of te doen overleven of om de waarde ervan te behouden of te verhogen in afwachting van de bevestiging van een herstructureringsplan; 

(13)"ondernemer met een overmatige schuldenlast": een natuurlijke persoon die een handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit uitoefent en die anders dan tijdelijk niet in staat is om op de vervaldatum zijn schulden te betalen;

(14)"volledige kwijting van schulden": de bevrijding van uitstaande schulden na een procedure die een tegeldemaking van activa en/of een terugbetalings-/saneringsplan inhoudt;

(15)"deskundige op het gebied van herstructurering": elke persoon of instantie die door een gerechtelijke of administratieve instantie is aangesteld om een of meerdere van de volgende taken uit te voeren:

(a)de debiteur of de crediteuren bijstaan bij het opstellen van of het onderhandelen over een herstructureringsplan;

(b)toezicht houden over de activiteiten van de debiteur tijdens de onderhandelingen over een herstructureringsplan en verslag uitbrengen aan een gerechtelijke of administratieve instantie;

(c)de gedeeltelijke controle verwerven over de activa of zaken van de debiteur tijdens de onderhandelingen.

Artikel 3

Vroegtijdige waarschuwing

1.De lidstaten zorgen ervoor dat debiteuren en ondernemers toegang hebben tot instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing waarmee een verslechterende bedrijfsontwikkeling kan worden opgespoord en aan de debiteur of ondernemer wordt gesignaleerd dat dringend actie moet worden ondernemen.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat debiteuren en ondernemers toegang hebben tot relevante, actuele, duidelijke, beknopte en gebruikersvriendelijke informatie over de beschikbaarheid van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing en alle middelen die hun ter beschikking staan om in een vroeg stadium te herstructureren of om een kwijting van persoonlijke schulden te verkrijgen.

3.De lidstaten kunnen de in de leden 1 en 2 bedoelde toegang beperken tot kleine en middelgrote ondernemingen of tot ondernemers.

TITEL II

Preventieve herstructureringsstelsels

Hoofdstuk 1

Beschikbaarheid van preventieve herstructureringsstelsels

Artikel 4

Beschikbaarheid van preventieve herstructureringsstelsels

1.De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer er kans bestaat op insolventie, debiteuren in financiële moeilijkheden toegang hebben tot een doeltreffend preventief herstructureringsstelsel dat hen in staat stelt om hun schulden of bedrijf te herstructureren, hun bedrijf opnieuw levensvatbaar te maken en insolventie te vermijden.

2.Preventieve herstructureringsstelsels kunnen bestaan uit één of meerdere procedures of maatregelen.

3.De lidstaten stellen bepalingen vast die de betrokkenheid van een gerechtelijke of administratieve instantie beperken tot situaties waarin dat noodzakelijk en evenredig is om de rechten van de betrokken partijen te waarborgen.

4.Preventieve herstructureringsstelsels zijn beschikbaar op verzoek van debiteuren, of op verzoek van crediteuren met instemming van debiteuren.

Hoofdstuk 2

Vergemakkelijken van onderhandelingen over preventieve herstructureringsplannen

Artikel 5

Debiteur-in-bezit

1.De lidstaten zorgen ervoor dat debiteuren die toegang hebben tot preventieve herstructureringsprocedures, volledig of toch minstens gedeeltelijk de controle behouden over hun activa en over de dagelijkse werking van de onderneming.

2.De aanstelling door een gerechtelijke of administratieve instantie van een deskundige op het gebied van herstructurering is niet in elk geval verplicht.

3.De lidstaten kunnen de aanstelling van een deskundige op het gebied van herstructurering vereisen in de volgende gevallen:

(a)wanneer aan de debiteur een algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt toegekend overeenkomstig artikel 6;

(b)wanneer het herstructureringsplan door een gerechtelijke of administratieve instantie moet worden bevestigd door middel van een categorie-overschrijdende cram-down overeenkomstig artikel 11.

Artikel 6

Schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat debiteuren die met crediteuren over een herstructureringsplan onderhandelen, kunnen profiteren van een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen indien en voor zover deze schorsing noodzakelijk is om de onderhandelingen over een herstructureringsplan te ondersteunen.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen ten aanzien van alle soorten crediteuren kan worden bevolen, met inbegrip van crediteuren met een zekerheidsrecht en preferente crediteuren. De schorsing kan algemeen zijn, ten aanzien van alle crediteuren, of beperkt, ten aanzien van een of meerdere individuele crediteuren, in overeenstemming met het nationale recht.

3.Lid 2 is niet van toepassing op onvervulde aanspraken van werknemers, behalve indien en voor zover de lidstaten via andere middelen ervoor zorgen dat de betaling van dergelijke aanspraken wordt gewaarborgd met een beschermingsniveau dat minstens gelijkwaardig is aan dat waarin het relevante nationale recht tot omzetting van Richtlijn 2008/94/EG voorziet.

4.De lidstaten beperken de termijn van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen tot maximaal vier maanden.

5.De lidstaten kunnen evenwel gerechtelijke of administratieve instanties toestaan om op verzoek van de debiteur of van crediteuren, de initiële termijn van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te verlengen of een nieuwe schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen toe te kennen. Een dergelijke termijnverlenging of nieuwe termijn van schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt alleen toegekend indien is aangetoond dat:

(a)relevante vooruitgang werd geboekt in de onderhandelingen over het herstructureringsplan; en

(b)de voortzetting van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen de rechten of belangen van betrokken partijen niet op onbillijke wijze in het gedrang brengt.

6.Verdere verlengingen worden alleen toegekend indien de in lid 5, onder a) en b), bedoelde voorwaarden zijn vervuld en uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de vaststelling van een herstructureringsplan zeer waarschijnlijk is.

7.De termijn van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, met inbegrip van verlengingen en hernieuwingen, mag in totaal niet langer zijn dan twaalf maanden.

8.De lidstaten zorgen ervoor dat de gerechtelijke of administratieve instanties de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen geheel of gedeeltelijk kunnen opheffen:

(a)indien duidelijk wordt dat een deel van de crediteuren die krachtens het nationale recht de vaststelling van het herstructureringsplan zouden kunnen tegenhouden, de voortzetting van de onderhandelingen niet ondersteunt; of

(b)op verzoek van de debiteur of de deskundige op het gebied van herstructurering.

9.De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een individuele crediteur of een enkele categorie crediteuren door een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen op oneerlijke wijze zou worden benadeeld, de gerechtelijke of administratieve instantie kan besluiten geen schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen toe te kennen of een reeds toegekende schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen op te heffen ten aanzien van die crediteur of die categorie crediteuren, op verzoek van de betrokken crediteuren.

Artikel 7

Gevolgen van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen

1.Wanneer de verplichting van de debiteur om een insolventieprocedure in te leiden krachtens het nationale recht, ontstaat tijdens de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, wordt die verplichting voor de duur van de schorsing opgeschort.

2.Een algemene schorsing ten aanzien van alle crediteuren verhindert het inleiden van insolventieprocedures op verzoek van een of meerdere crediteuren.

3.De lidstaten mogen van lid 1 afwijken wanneer de debiteur illiquide wordt en dus niet in staat is zijn schulden die tijdens de schorsing vervallen, te betalen. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de herstructureringsprocedures niet automatisch worden beëindigd en dat een gerechtelijke of administratieve instantie, na onderzoek van de vooruitzichten om binnen de schorsingstermijn een overeenkomst te bereiken over een succesvol herstructureringsplan, kan besluiten om de inleiding van insolventieprocedure uit te stellen en het voordeel van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te handhaven.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat de crediteuren op wie de schorsing van toepassing is, tijdens de schorsing nog uit te voeren overeenkomsten niet kunnen beëindigen, versnellen of anderszins wijzigen, of de nakoming ervan opschorten in het nadeel van de debiteur, voor schulden die zijn ontstaan vóór de schorsing. De lidstaten kunnen de toepassing van deze bepaling beperken tot essentiële overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de dagelijkse werking van de onderneming.

5.De lidstaten zorgen ervoor dat de crediteuren nog uit te voeren overeenkomsten niet kunnen beëindigen, versnellen of anderszins wijzigen, of de nakoming ervan opschorten in het nadeel van de debiteur, door middel van een beding in de overeenkomst  dat in dergelijke stappen voorziet, om de enkele reden dat de debiteur onderhandelingen aanknoopt over herstructurering, dat om een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt verzocht, dat een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt bevolen of dat een gelijkaardige gebeurtenis in verband met de schorsing plaatsvindt.

6.De lidstaten zorgen ervoor dat niets de debiteur verhindert om in het kader van de normale bedrijfsuitoefening vorderingen van of verschuldigd aan niet-betrokken crediteuren te voldoen, alsook de vorderingen van de betrokken crediteuren die zijn ontstaan nadat de schorsing is toegekend en de vorderingen die zijn ontstaan tijdens het verdere verloop van de schorsing.

7.De lidstaten mogen niet van debiteuren verlangen dat zij insolventieprocedures inleiden wanneer de schorsingstermijn afloopt zonder dat er een overeenkomst over een herstructureringsplan is bereikt, tenzij de andere voorwaarden voor het inleiden van een dergelijke procedure waarin het nationale recht voorziet, zijn vervuld.

Hoofdstuk 3

Herstructureringsplannen

Artikel 8

Inhoud van herstructureringsplannen

1.De lidstaten vereisen dat de ter bevestiging bij een gerechtelijke of administratieve instantie ingediende herstructureringsplannen ten minste de volgende gegevens bevatten:

(a)de identiteit van de debiteur of van de onderneming van de debiteur waarvoor het herstructureringsplan wordt voorgesteld;

(b)een actuele waardebepaling van de debiteur of van de onderneming van de debiteur, en een met redenen omklede verklaring over de oorzaken en de omvang van de financiële moeilijkheden van de debiteur;

(c)de identiteit van de betrokken partijen, hetzij door individuele namen te geven, hetzij door een beschrijving onder verwijzing naar een of meer categorieën schulden, en hun vorderingen of belangen die onder het herstructureringsplan vallen;

(d)de categorieën waarin de betrokken partijen werden gegroepeerd met het oog op de vaststelling van het plan, samen met de redenen daarvoor en informatie over de respectieve waarden van crediteuren en leden van elke categorie;

(e)de identiteit van de niet-betrokken partijen, hetzij door individuele namen te geven, hetzij door een beschrijving onder verwijzing naar een of meer categorieën schulden, samen met de redenen waarom niet wordt voorgesteld om hen bij het plan te betrekken;

(f)de voorwaarden van het plan, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

i)de voorgestelde duur;

ii)elk voorstel waarmee schulden worden herschikt, kwijtgescholden of omgezet in andere vormen van verplichtingen;

iii)alle nieuwe financiering die verwacht wordt als onderdeel van het herstructureringsplan;

(g)een advies of met redenen omklede verklaring van de persoon die verantwoordelijk is voor het voorstellen van het herstructureringsplan waarin wordt uitgelegd waarom het bedrijf levensvatbaar is en hoe de uitvoering van het plan ervoor kan zorgen dat de debiteur insolventie vermijdt en zijn levensvatbaarheid op lange termijn herstelt, en wordt aangegeven welke de verwachte noodzakelijke voorwaarden zijn voor het welslagen ervan.

2.De lidstaten stellen een model voor herstructureringsplannen online beschikbaar. Dat model bevat ten minste de gegevens die krachtens het nationale recht zijn vereist en bevat algemene maar praktische informatie over de wijze waarop het model moet worden gebruikt. Het model wordt beschikbaar gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat. De lidstaten trachten het model in andere talen beschikbaar te maken, in het bijzonder in talen die in internationale zakelijke betrekkingen worden gebruikt. Het wordt zodanig opgesteld dat het kan worden aangepast aan de behoeften en omstandigheden van elke zaak.

3.De partijen kunnen kiezen of zij het model voor een herstructureringsplan al dan niet gebruiken.

Artikel 9

Goedkeuring van herstructureringsplannen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat alle betrokken crediteuren het recht hebben om te stemmen over de goedkeuring van een herstructureringsplan. De lidstaten kunnen dergelijke stemrechten ook toekennen aan de betrokken houders van eigenvermogensinstrumenten, overeenkomstig artikel 12, lid 2.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken partijen in afzonderlijke categorieën worden behandeld die de criteria voor het vormen van categorieën weerspiegelen. Categorieën worden op zodanige manier gevormd dat elke categorie vorderingen of belangen omvat met rechten die voldoende gelijkaardig zijn om de leden van de categorie als een homogene groep met gedeelde belangen te beschouwen. Minimaal worden door een zekerheid gedekte vorderingen en niet door een zekerheidsrecht gedekte vorderingen in afzonderlijke categorieën behandeld met het oog op de goedkeuring van een herstructureringsplan. De lidstaten kunnen ook bepalen dat werknemers als een afzonderlijke categorie worden behandeld.

3.De vorming van categorieën wordt door de gerechtelijke of administratieve instantie beoordeeld wanneer een verzoek tot bevestiging van het herstructureringsplan wordt ingediend.

4.Een herstructureringsplan wordt geacht door de betrokken partijen te zijn goedgekeurd wanneer daarvoor in elke categorie een meerderheid in het bedrag van hun vorderingen of belangen bestaat. De lidstaten stellen de vereiste meerderheid vast voor de goedkeuring van een herstructureringsplan, die in geen geval hoger mag zijn dan 75% van het bedrag van de vorderingen of belangen in elke categorie.

5.De lidstaten kunnen bepalen dat een stemming over de goedkeuring van een herstructureringsplan de vorm aanneemt van overleg en overeenstemming van een vereiste meerderheid van betrokken partijen in elke categorie.

6.Wanneer de noodzakelijke meerderheid in een of meerdere niet-instemmende stemmende categorieën niet wordt bereikt, kan het plan toch nog worden bevestigd wanneer het voldoet aan de in artikel 11 vastgestelde vereisten voor een categorie-overschrijdende cram-down.

Artikel 10

Bevestiging van herstructureringsplannen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende herstructureringsplannen alleen bindend kunnen worden voor de partijen indien zij door een gerechtelijke of administratieve instantie worden bevestigd:

(a)herstructureringsplannen die een invloed hebben op de belangen van de niet-instemmende betrokken partijen;

(b)herstructureringsplannen die voorzien in nieuwe financiering.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarden waaronder een herstructureringsplan door een gerechtelijke of administratieve instantie kan worden bevestigd, duidelijk gespecificeerd zijn en minstens het volgende omvatten:

(a)het herstructureringsplan werd goedgekeurd overeenkomstig artikel 9 en werd ter kennis gebracht van alle gekende crediteuren die erdoor kunnen worden geraakt;

(b)het herstructureringsplan doorstaat de toets van het belang van de crediteuren;

(c)alle nieuwe financiering is noodzakelijk om het herstructureringsplan uit te voeren en benadeelt de belangen van de crediteuren niet op oneerlijke wijze.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat gerechtelijke of administratieve instanties kunnen weigeren een herstructureringsplan te bevestigen wanneer dat plan geen redelijk vooruitzicht biedt op het afwenden van de insolventie van de debiteur en het waarborgen van de levensvatbaarheid van het bedrijf.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een gerechtelijke of administratieve instantie een herstructureringsplan moet bevestigen voordat het bindend wordt, onverwijld een besluit wordt genomen nadat het verzoek om bevestiging werd ingediend en in geen geval later dan 30 dagen na indiening van het verzoek.

Artikel 11

Categorie-overschrijdende cram-down

1.De lidstaten zorgen ervoor dat een herstructureringsplan dat niet door elke categorie van de betrokken partijen wordt goedgekeurd, door een gerechtelijke of administratieve instantie kan worden bevestigd op voorstel van een debiteur of van een crediteur met de instemming van de debiteur en bindend kan worden voor een of meerdere niet-instemmende categorieën, indien het herstructureringsplan:

(a)voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, lid 2;

(b)werd goedgekeurd door minstens één categorie van betrokken crediteuren die niet een categorie van houders van eigenvermogensinstrumenten is, en een andere categorie die bij de waardebepaling van de onderneming geen betaling of andere vergoeding zou ontvangen, mocht de normale rangorde van voorrang bij vereffening worden toegepast;

(c)voldoet aan de regel van absolute voorrang.

2.De lidstaten kunnen het minimumaantal betrokken categorieën wijzigen dat vereist is om het plan goed te keuren, zoals bedoeld in lid 1, onder b).

Artikel 12

Houders van eigenvermogensinstrumenten

1.De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer er een kans op insolventie bestaat, de aandeelhouders en andere houders van eigenvermogensinstrumenten met belangen in een debiteur niet op onredelijke wijze de goedkeuring of uitvoering verhinderen van een herstructureringsplan dat de levensvatbaarheid van de onderneming zou herstellen.

2.Om de doelstelling van lid 1 te bereiken, kunnen de lidstaten bepalen dat houders van eigenvermogensinstrumenten zelf één of meer afzonderlijke categorieën moeten vormen en stemrecht krijgen bij de goedkeuring van herstructureringsplannen. In dat geval is de goedkeuring en bevestiging van herstructureringsplannen onderworpen aan het in artikel 11 bedoelde mechanisme van de categorie-overschrijdende cram-down.

Artikel 13

Waardebepaling door de gerechtelijke of administratieve instantie

1.De gerechtelijke of administratieve instantie bepaalt een vereffeningswaarde wanneer een herstructureringsplan wordt betwist op grond van een vermeende schending van de toets van het belang van de crediteuren.

2.De waarde van de onderneming wordt door de gerechtelijke of administratieve instantie bepaald op basis van de waarde van de onderneming going concern in de volgende gevallen:

(a)wanneer de toepassing van een categorie-overschrijdende cram-down noodzakelijk is voor de goedkeuring van het herstructureringsplan;

(b)wanneer een herstructureringsplan wordt betwist op grond van een vermeende schending van de regel van absolute voorrang.

3.De lidstaten zorgen ervoor dat voldoende gekwalificeerde deskundigen worden aangesteld om de gerechtelijke of administratieve instantie bij te staan, wanneer dat noodzakelijk en passend is, voor de waardebepaling, ook wanneer een crediteur de waarde van de zekerheid betwist.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde betwistingen kunnen worden ingeleid bij de gerechtelijke of administratieve instantie die zich moet uitspreken over de bevestiging van het herstructureringsplan of in het kader van een beroep tegen een besluit over de bevestiging van een herstructureringsplan.

Artikel 14

Gevolgen van herstructureringsplannen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat herstructureringsplannen die door een gerechtelijke of administratieve instantie worden bevestigd, bindend zijn voor elke partij die in het plan wordt geïdentificeerd.

2.Crediteuren die niet betrokken zijn bij de goedkeuring van een herstructureringsplan, mogen niet door het plan worden geraakt.

Artikel 15

Beroep

1.De lidstaten zorgen ervoor dat tegen een door een gerechtelijke instantie gegeven beslissing over de bevestiging van een herstructureringsplan, hoger beroep kan worden ingesteld bij een hogere gerechtelijke instantie, en dat tegen een door een administratieve instantie genomen besluit over de bevestiging van een herstructureringsplan beroep kan worden ingesteld bij een gerechtelijke instantie.

2.Een beroep of hoger beroep wordt zo snel mogelijk afgehandeld.

3.Een beroep of hoger beroep tegen een besluit of beslissing tot bevestiging van een herstructureringsplan heeft geen schorsende werking op de uitvoering van dat plan.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een in lid 3 bedoeld beroep of hoger beroep wordt toegewezen, de gerechtelijke instantie:

(a)hetzij het herstructureringsplan kan nietig verklaren;

(b)hetzij het plan kan bevestigen en de niet-instemmende crediteuren een financiële vergoeding kan toekennen, te betalen door de debiteur of de crediteuren die voor het plan stemden.

Hoofdstuk 4

Bescherming voor nieuwe financiering, tussentijdse financiering en andere transacties in verband met herstructurering

Artikel 16

Bescherming voor nieuwe en tussentijdse financiering

1.De lidstaten zorgen ervoor dat nieuwe en tussentijdse financiering voldoende worden aangemoedigd en beschermd. Nieuwe en tussentijdse financiering mogen met name niet als een voor de gezamenlijke crediteuren nadelige rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar worden verklaard in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures, tenzij die transacties frauduleus of te kwader trouw werden uitgevoerd.

2.De lidstaten kunnen verstrekkers van nieuwe of tussentijdse financiering het recht geven om met voorrang terugbetaald te worden in het kader van daaropvolgende vereffeningsprocedures ten opzichte van andere crediteuren die anders bevoorrechte of gelijkwaardige vorderingen zouden hebben op geld of activa. In die gevallen rangschikken de lidstaten nieuwe en tussentijdse financiering minstens als bevoorrecht ten opzichte van de vorderingen van gewone crediteuren zonder zekerheidsrecht.

3.De verstrekkers van nieuwe en tussentijdse financiering in een herstructureringsproces worden vrijgesteld van burgerlijke, administratieve en strafrechtelijke aansprakelijkheid in het kader van de daaropvolgende insolventie van de debiteur, tenzij die financiering frauduleus of te kwader trouw werd verstrekt.

 

Artikel 17

Bescherming voor andere transacties in verband met herstructurering

1.De lidstaten zorgen ervoor dat transacties die zijn uitgevoerd ter bevordering van de onderhandelingen over een door een gerechtelijke of administratieve instantie bevestigd herstructureringsplan, of die nauw met deze onderhandelingen zijn verbonden, niet als een voor de gezamenlijke crediteuren nadelige rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar worden verklaard in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures, tenzij die transacties frauduleus of te kwader trouw werden uitgevoerd.

2.Transacties die onder de in lid 1 bedoelde bescherming vallen, zijn onder meer:

(a)de betaling van redelijke vergoedingen en kosten voor het onderhandelen over, of het goedkeuren, bevestigen of uitvoeren van een herstructureringsplan;

(b)de betaling van redelijke vergoedingen en kosten om een beroep te doen op professioneel advies in verband met een aspect van een herstructureringsplan;

(c)de betaling van loon voor werk dat al werd uitgevoerd;

(d)alle overige noodzakelijke en redelijke betalingen en uitgaven die tijdens de normale bedrijfsuitoefening worden gedaan;

(e)transacties zoals nieuw krediet, financiële bijdragen of gedeeltelijke overdrachten van activa buiten de normale bedrijfsuitoefening, die zijn verricht met het oog op en in nauw verband met onderhandelingen over een herstructureringsplan.

3.De lidstaten kunnen eisen dat de in lid 2, onder e), bedoelde transacties door een deskundige op het gebied van herstructurering of een gerechtelijke of administratieve instantie worden goedgekeurd om onder de in lid 1 bedoelde bescherming te vallen.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat geen transactie, betaling, schuldconversie, garantie of zekerheid, die is uitgevoerd ter bevordering van een door een gerechtelijke of administratieve instantie bevestigd herstructureringsplan, of die nauw verbonden is met die uitvoering, als een voor de gezamenlijke crediteuren nadelige rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar wordt verklaard in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures, tenzij die transacties frauduleus of te kwader trouw werden uitgevoerd, ongeacht de vraag of deze transacties geacht werden tot de normale bedrijfsuitoefening te behoren.

Hoofdstuk 5

De verplichtingen van bestuurders in het kader van onderhandelingen over een preventief herstructureringsplan

Artikel 18

Verplichtingen van bestuurders

De lidstaten stellen regels vast om ervoor te zorgen dat bestuurders, wanneer er kans op insolventie bestaat, de volgende verplichtingen hebben:

(a)onmiddellijk maatregelen nemen om het verlies voor crediteuren, werknemers, aandeelhouders en andere belanghebbenden te beperken;

(b)terdege rekening houden met de belangen van crediteuren en andere belanghebbenden;

(c)redelijke stappen ondernemen om insolventie te vermijden;

(d)opzettelijke handelingen of grove nalatigheid vermijden die de levensvatbaarheid van de onderneming bedreigen.

TITEL III

TWEEDE KANS VOOR ONDERNEMERS

Artikel 19

Toegang tot kwijting

1.De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemers met een overmatige schuldenlast volledige kwijting van hun schulden kunnen krijgen overeenkomstig deze richtlijn.

2.De lidstaten waar een volledige kwijting van schulden afhangt van een gedeeltelijke terugbetaling van schulden door de ondernemer, zorgen ervoor dat de betrokken terugbetalingsverplichting gebaseerd is op de individuele situatie van de ondernemer en met name in verhouding staat tot zijn of haar beschikbaar inkomen tijdens de kwijtingstermijn.

Artikel 20

Kwijtingstermijn

1.De termijn waarna ondernemers met een overmatige schuldenlast volledige kwijting van schulden kunnen verkrijgen, mag niet langer zijn dan drie jaar, te rekenen vanaf:

(a)    de datum waarop de gerechtelijke of administratieve instantie uitspraak heeft gedaan over een verzoek om een dergelijke procedure in te leiden, in het geval van een procedure die eindigt met de vereffening van de activa van een ondernemer met een overmatige schuldenlast; of

(b)de datum waarop de uitvoering van het terugbetalingsplan van start is gegaan, in het geval van een procedure die een terugbetalingsplan inhoudt.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat bij het verstrijken van de kwijtingstermijn ondernemers met een overmatige schuldenlast kwijting van hun schulden verkrijgen, zonder dat zij daartoe opnieuw een verzoek moeten richten aan een gerechtelijke of administratieve instantie.

Artikel 21

Duur van beroepsverboden

De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een ondernemer met een overmatige schuldenlast overeenkomstig deze richtlijn kwijting van schulden verkrijgt, elk verbod om een handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit op te starten of uit te oefenen, dat verband houdt met de overmatige schuldenlast van de ondernemer, uiterlijk bij het verstrijken van de kwijtingstermijn vervalt, zonder dat daartoe opnieuw een verzoek moet worden gericht aan een gerechtelijke of administratieve instantie.

Artikel 22

Beperkingen

1.In afwijking van de artikelen 19, 20 en 21 kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of invoeren die de toegang tot kwijting beperken of voorzien in langere termijnen om volledige kwijting te verkrijgen of in langere beroepsverboden, in bepaalde, welomschreven omstandigheden en wanneer deze beperkingen gerechtvaardigd zijn door een algemeen belang, met name wanneer:

(a)de ondernemer met een overmatige schuldenlast oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld tegenover de crediteuren bij het aangaan van de schulden of wanneer de schulden werden geïnd;

(b)de ondernemer met een overmatige schuldenlast zich niet houdt aan een terugbetalingsplan of aan een andere wettelijke verplichting die als doel heeft de belangen van crediteuren te waarborgen;

(c)er sprake is van ongerechtvaardigde toegang tot kwijtingsprocedures;

(d)er sprake is van herhaalde toegang tot kwijtingsprocedures binnen een bepaalde termijn.

2.De lidstaten kunnen voorzien in langere kwijtingstermijnen in gevallen waarin de hoofdverblijfplaats van een ondernemer met een overmatige schuldenlast is vrijgesteld van de mogelijkheid om de activa te realiseren, om de bestaansmiddelen van de ondernemer met een overmatige schuldenlast en zijn gezin te beschermen.

3.De lidstaten kunnen specifieke schuldcategorieën van kwijting uitsluiten, zoals door een zekerheid gedekte schulden of schulden die ontstaan uit strafrechtelijke boetes of aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, of de kwijtingstermijn verlengen, wanneer een dergelijke uitsluiting of verlening door een algemeen belang is gerechtvaardigd.

4.In afwijking van artikel 21 kunnen de lidstaten bepalen dat het verbod om een bepaalde activiteit uit te oefenen, langer of voor onbepaalde tijd geldt, wanneer de ondernemer met een overmatige schuldenlast lid is van een beroepsgroep waarop specifieke gedragsregels van toepassing zijn of wanneer het verbod door een rechtbank in een strafrechtelijke procedure is uitgesproken.

Artikel 23

Consolidatie van procedures betreffende professionele en persoonlijke schuld

1.De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een ondernemer met een overmatige schuldenlast professionele schulden is aangegaan tijdens zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en persoonlijke schulden is aangegaan buiten deze activiteiten, alle schulden in één procedure worden behandeld met het oog op het verkrijgen van kwijting.

2.De lidstaten kunnen van lid 1 afwijken en bepalen dat professionele en persoonlijke schulden in afzonderlijke procedures worden behandeld, op voorwaarde dat deze procedures kunnen worden gecoördineerd met het oog op het verkrijgen van kwijting overeenkomstig deze richtlijn.

TITEL IV

Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurering, insolventie en een tweede kans

Artikel 24

Gerechtelijke en administratieve instanties

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de gerechtelijke en administratieve instanties die zaken in verband met herstructurering, insolventie en een tweede kans behandelen, een basis- en vervolgopleiding krijgen op een niveau dat aangepast is aan hun verantwoordelijkheden.

2.Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verschillen tussen rechtsstelsels in de Unie zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer zaken in verband met herstructurering, insolventie en een tweede kans door gerechtelijke instanties worden behandeld, dit op een efficiënte wijze gebeurt die zorgt voor snelle afhandeling van de procedures, en dat de bevoegde leden van de rechterlijke macht over de nodige expertise en specialisatie beschikken.

Artikel 25

Deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans

1.De lidstaten zorgen ervoor dat bemiddelaars, deskundigen op het gebied van insolventie en andere deskundigen die zijn aangesteld in zaken in verband met herstructurering, insolventie en een tweede kans, de nodige basis- en vervolgopleiding krijgen om ervoor te zorgen dat hun diensten ten aanzien van de partijen op een doeltreffende, onpartijdige, onafhankelijke en competente wijze worden verstrekt.

2.De lidstaten bevorderen met alle door hen passend geachte middelen de opstelling van vrijwillige gedragscodes en de naleving ervan door deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en tweede kans, alsmede de ontwikkeling van andere doeltreffende toezichtsmechanismen betreffende het verlenen van dergelijke diensten.

Artikel 26

Aanstelling van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de procedure voor de aanstelling, en het gedwongen of vrijwillig ontslag van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans duidelijk, voorspelbaar en billijk is, en met name voldoet aan de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde vereisten.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarden om voor aanstelling in aanmerking te komen en de eventuele gronden waarop een deskundige op het gebied van insolventie niet voor aanstelling in aanmerking komt, duidelijk en transparant zijn.

3.Wanneer deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans door de gerechtelijke of administratieve instantie worden aangesteld, zorgen de lidstaten ervoor dat de criteria waarmee de gerechtelijke of administratieve instantie een dergelijke deskundige selecteert, duidelijk en transparant zijn. Bij de selectie van een deskundige op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans voor een specifieke zaak, moet voldoende rekening worden gehouden met de ervaring en de deskundigheid van de deskundigen. In voorkomend geval worden de debiteuren en crediteuren geraadpleegd bij de selectie van de deskundige.

4.In herstructurerings- en insolventieprocedures met grensoverschrijdende elementen moet voldoende rekening worden gehouden met de bekwaamheid van de deskundige om te communiceren en samen te werken met buitenlandse deskundigen op het gebied van insolventie en gerechtelijke of administratieve instanties, en met de personele en administratieve middelen waarover hij beschikt.

Artikel 27

Toezicht op en vergoeding van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans

1.De lidstaten voorzien in gepaste toezichts- en regelgevingsstructuren om ervoor te zorgen dat adequaat toezicht wordt uitgeoefend op het werk van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans. Dit toezicht en deze regelgeving omvatten ook een passende en doeltreffende regeling voor sancties tegen deskundigen die hun verplichtingen niet nakomen.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de vergoedingen die deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans aanrekenen, aan regels zijn onderworpen die een tijdige en efficiënte oplossing van procedures stimuleren, rekening houdend met de complexiteit van de zaak. De lidstaten zorgen ervoor dat passende procedures met ingebouwde waarborgen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat geschillen over vergoeding tijdig kunnen worden opgelost.

Artikel 28

Gebruik van elektronische communicatiemiddelen

1.De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende handelingen elektronisch kunnen worden gesteld, ook in grensoverschrijdende situaties:

(a)indienen van vorderingen;

(b)indienen van herstructurerings- of terugbetalingsplannen bij de bevoegde gerechtelijke of administratieve instanties;

(c)kennisgeving aan crediteuren;

(d)stemmen over herstructureringsplannen;

(e)beroep instellen.

TITEL V

Monitoring van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures

Artikel 29

Verzamelen van gegevens

1.Met het oog op het opstellen van betrouwbare jaarstatistieken, verzamelen en aggregeren de lidstaten op het niveau van de lidstaat gegevens over:

(a)het aantal ingeleide, lopende en beëindigde procedures, uitgesplitst naar:

i)preventieve herstructureringsprocedures,

ii)insolventieprocedures zoals vereffeningsprocedures,

iii)procedures die leiden tot volledige kwijting van schuld voor natuurlijke personen;

(b)de duur van de procedure vanaf de inleiding tot de uitbetaling, uitgesplitst naar type procedure (preventieve herstructureringsprocedure, insolventieprocedure, kwijtingsprocedure);

(c)het aandeel van elk type resultaat binnen elke herstructurerings- of insolventieprocedure, met inbegrip van het aantal procedures dat werd aangevraagd maar niet werd ingeleid wegens onvoldoende middelen in de boedel van de debiteur.

(d)de gemiddelde kosten van elke procedure, toegewezen door de gerechtelijke of administratieve instantie, in euro;

(e)de terugvorderingspercentages, uitgesplitst naar door een zekerheid gedekte crediteuren en niet door een zekerheid gedekte debiteuren, evenals het aantal procedures met een totaal terugvorderingspercentage dat nul of maximaal twee bedraagt, voor elk van de onder a) bedoelde types procedures;

(f)het aantal aan de onder a), punt i), bedoelde procedures onderworpen debiteuren dat binnen drie jaar na het afsluiten van die procedures onderworpen is aan een van de onder a), punten i) en ii), bedoelde procedures;

(g)het aantal debiteuren dat, na een in onder a), punt iii), van dit lid bedoelde procedure te hebben doorlopen, nogmaals aan een dergelijke procedure of aan een andere onder a) van dit lid bedoelde procedure is onderworpen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder e), wordt uitgegaan van de terugvorderingspercentages na kosten en uit de geanonimiseerde gegevensvelden moet zowel het terugvorderingspercentage blijken als het terugvorderingspercentage, aangegeven volgens de tijd tot terugvordering.

2.De lidstaten delen de in lid 1 bedoelde statistieken in volgens:

(a)de omvang van de betrokken debiteuren, het aantal werknemers;

(b)de vraag of de debiteuren natuurlijke personen of rechtspersonen zijn;

(c)wat de kwijting betreft, en wanneer dat onderscheid krachtens het nationale recht wordt gemaakt,    de vraag of de procedures alleen betrekking hebben op ondernemers, of op alle natuurlijke personen.

3.De lidstaten stellen aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde geaggregeerde gegevens statistieken op voor volledige kalenderjaren eindigend op 31 december van elk jaar, te beginnen met de gegevens die zijn verzameld voor het eerste volledige kalenderjaar na [de datum waarop de uitvoeringsmaatregelen van toepassing worden]. Deze statistieken worden jaarlijks, uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar waarvoor de gegevens zijn verzameld, aan de Commissie meegedeeld door middel van een gestandaardiseerd mededelingenformulier.

4.De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het in lid 3 bedoelde  mededelingenformulier vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Artikel 30

Comité

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

TITEL VI

Slotbepalingen

Artikel 31

Verhouding tot andere besluiten

1.Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de volgende besluiten:

(a)Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen 80 ;

(b)Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten 81 ; en

(c)Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters 82 .

2.Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de rechten van werknemers die worden gewaarborgd door Richtlijnen 98/59/EG, 2001/23/EG, 2002/14EG, 2008/94/EG en 2009/38/EG.

Artikel 32

Wijziging van Richtlijn 2012/30/EU

Aan artikel 45 van Richtlijn 2012/30/EU wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

"4. De lidstaten wijken af van artikel 19, lid 1, de artikelen 29, 33, 34 en 35, artikel 40, lid 1, onder b), artikel 41, lid 1, en artikel 42 voor zover en zolang die afwijkingen nodig zijn voor de vaststelling van het preventieve herstructureringsstelsel bedoeld in Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende preventieve herstructureringsstelsels en een tweede kans]*

*Richtlijn (…) van het Europees Parlement en de Raad betreffende stelsels voor preventieve herstructurering en een tweede kans (PB …).”.

Artikel 33

Herziening

Uiterlijk [vijf jaar na de datum waarop de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen begint] en vervolgens om de zeven jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing van deze richtlijn in, onder meer over de vraag of aanvullende maatregelen moeten worden overwogen om het rechtskader over herstructurering, insolventie en een tweede kans te consolideren en te versterken.

Artikel 34

Uitvoering

1.De lidstaten dienen uiterlijk op [twee jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf [twee jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], met uitzondering van de bepalingen ter uitvoering van Titel IV, die van toepassing zijn vanaf [drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 35

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 36

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) In de jaarlijkse groeianalyse 2016 van de Commissie (COM(2015) 690 final, 26.11.2015) wordt uitdrukkelijk gewezen op het cruciale belang van "goed functionerende insolventiekaders" voor investeringsbeslissingen.
(2) Volgens de Flash-Eurobarometer 354 (2012), waaruit ook bleek dat 43% van de Europeanen geen eigen zaak wil beginnen uit angst voor een faillissement (blz. 72).
(3) Werkdocument van de diensten van de Commissie met de effectbeoordeling bij de aanbeveling van de Commissie inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, SWD (2014) 61 final, 12.3.2014, blz. 2.
(4) Doing Business-index Wereldbank 2016.
(5) Doing Business-index Wereldbank 2016.
(6) Robert van Galen, Stephan Madaus, Corporate Rescue, 2013, blz. 52.
(7) Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (OJ L 141 van 5.6.2015, blz. 19).
(8) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(9) http://ec.europa.eu/consumers/financial_services/reference_studies_documents/docs/part_1_synthesis_
of_findings_en.pdf.
(10) EU-scorebord voor justitie 2016.
(11) Volgens de artikel IV-evaluatie van de eurozone door het IMF heeft een hoog niveau oninbare leningen en schulden een rem gezet op de bankleningen en -investeringen en zodoende de verlening van soepelere financiële voorwaarden beperkt;  IMF: Euro Area Policies – Selected Issues, IMF Country Report No. 15/205, juli 2015, Euro Area Policies, IMF Country Report No. 15/2014, juli 2015, blz. 61.
(12) "Naar de voltooiing van de bankenunie", Europese Commissie (COM (2015) 587 final van 24.11.2015).
(13) http://ec.europa.eu/justice/newsroom/civil/opinion/160321_en.htm
(14) Europese Commissie: Mededeling "Een nieuwe Europese aanpak van faillissementen en insolventie" (COM(2012) 742).
(15) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19.
(16) Jaarverslag Europese kmo’s 2015/2016, blz. 54.
(17) Rapport met aanbevelingen aan de Commissie over insolventieprocedures in het kader van het EU-vennootschapsrecht, 2011/2006(INI), 17 oktober 2011.
(18) Conclusies van de Raad over de evaluatie van de ‘Small Business Act’ voor Europa, goedgekeurd op 30 mei 2011, 10975/2011, beschikbaar op http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=EN&f=ST%2010975%202011%20INIT.
(19) Europese Commissie: "Een nieuwe Europese aanpak van faillissementen en insolventie" (COM(2012) 742), 12 december 2012).
(20) Tweede kans voor ondernemers, kwijtingsperiodes, inleiden van insolventie- en herstructureringsprocedures, indienen en controleren van vorderingen, stimuleren van herstructureringsplannen.
(21) PB L 160 van 30.6.2000, blz. 1
(22) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19
(23) C(2014) 1500 final, 12 maart 2014.
(24) Effectbeoordeling bij de aanbeveling van de Commissie inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, SWD(2014) 61 final, 12 maart 2014.
(25) Evaluatie van de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie van 12.3.2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, 30.9.2015 (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/justice/civil/commercial/insolvency/index_en.htm )
(26) "Voltooiing van Europa's economische en monetaire unie", verslag van Jean-Claude Juncker in nauwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz, 22 juni 2015, blz. 10.
(27) Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie, COM(2015) 468 final, blz. 25.
(28) De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen, Europese Commissie, COM(2015) 550 final, blz. 6.
(29) Conclusies van de Raad van 17 juni 2016 http://www.consilium.europa.eu/press-releases-pdf/2016/6/47244642837_nl.pdf  
(30) COM(2016) 601 final http://ec.europa.eu/finance/capital-markets-union/docs/20160913-cmu-accelerating-reform_nl.pdf  
(31) Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (OJ L 141 van 5.6.2015, blz. 19).
(32) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(33) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(34) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(35) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(36) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EU, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(37) Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).
(38) Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).
(39) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(40) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16).
(41)

   Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16).

(42)

   Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(43)

   Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36).

(44)

   Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).

(45) Richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 74).
(46) Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie, COM(2015) 468 final, 30.9.2015.
(47) COM (2015) 550 final, 28.10.2015.
(48) Europese Centrale Bank, Statistieken, 23 juni 2016, https://www.bankingsupervision.europa.eu/banking/statistics/html/index.en.html
(49) Resolving Insolvency, Wereldbank, http://www.doingbusiness.org/reports/globalreports/~/media/GIAWB/Doing%20Business/Documents/Annual-Reports/English/DB14-Chapters/DB14-Resolving-insolvency.pdf
(50) Doing Business Project Encourages Economies to Reform Insolvency Frameworks, Wereldbank, januari 2013.
(51) Resolving Insolvency, Wereldbank.
(52) COM(2015) 587 final, 24.11.2015.
(53) Grensoverschrijdende leningen aan gezinnen zijn inmiddels goed voor ca. 5% van de totale leningen aan gezinnen.
(54) http://ec.europa.eu/finance/consultations/2015/retail-financial-services/docs/green-paper_en.pdf
(55) C(2014) 1500 final, 12.3.2014.
(56) Voor nadere informatie zie de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, 30 september 2015; http://ec.europa.eu/justice/civil/files/evaluation_recommendation_final.pdf .
(57) De belangrijkste deelnemers waren BusinessEurope, AFME, EBF, ACCA, UEAPME, ESBA, Independent Retail Europe, EuroChambers, ETUC, EFIN, FEE, INSOL Europe, FDC, de Raad van de balies van de Europese Unie en het Instituut voor Europees recht.
(58) Aanbesteding nr. JUST/2014/JCOO/PR/CIVI/0075, beschikbaar op http://ec.europa.eu/justice/civil/files/insolvency/insolvency_study_2016_final_nl.pdf.
(59) Aanbesteding JUST /2015/JCOO/FWCIVI0103, nog niet verschenen.
(60) PB C , blz. .
(61) PB C , blz. .
(62) Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (OJ L 141 van 5.6.2015, blz. 19).
(63) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(64) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(65) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1)
(66) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(67) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EU, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(68) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16).
(69)

   Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16).

(70)

   Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(71)

   Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36).

(72)    Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).
(73) Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(74) Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998).
(75) Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168/43 van 27.6.2002).
(76) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201/1 van 27.7.2012, blz. 1).
(77) Richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 74).
(78) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(79) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(80) Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166/45 van 11.6.1998).
(81) Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168/43 van 27.6.2002).
(82) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201/1 van 27.7.2012).
Top