Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013DC0490

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE Richtsnoeren over de indeling en de inhoud van ontwerpbegrotingsplannen en schuldemissierapporten

/* COM/2013/0490 final */

52013DC0490

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE Richtsnoeren over de indeling en de inhoud van ontwerpbegrotingsplannen en schuldemissierapporten /* COM/2013/0490 final */


1.         Inleiding

Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone (PB L 140 van 27.5.2013) is in werking getreden op 30 mei 2013. Zij bouwt voort en vormt een aanvulling, binnen de eurozone, op het stabiliteits- en groeipact (SGP), het Europese kader voor begrotingstoezicht. Met deze verordening wordt een concrete en beslissende stap gezet naar een verstrenging van de toezichtmechanismen voor alle lidstaten van de eurozone.

De nieuwe regels voor begrotingstoezicht voor de lidstaten van de eurozone waarin Verordening nr. 473/2013 voorziet, leiden tot grotere transparantie in het begrotingsbeleid en tot een betere beleidscoördinatie tussen de lidstaten met ingang van de begrotingscyclus van 2014.

De recente gemeenschappelijke begrotingsregels bevatten met name een nieuwe gecoördineerde procedure voor toezicht die elk jaar in het najaar zal plaatsvinden. Elk najaar vóór 15 oktober moeten alle lidstaten van de eurozone hun ontwerpbegrotingsplannen (obp’s) voor het komende jaar indienen. Voor elke lidstaat van de eurozone zal de Commissie dan een advies over het obp uitbrengen voordat de overeenstemmende nationale begroting wordt vastgesteld. Wanneer de Commissie in uitzonderlijke gevallen vaststelt dat een plan in bijzonder ernstige mate niet voldoet aan de in het SGP neergelegde verplichtingen inzake begrotingsbeleid, wordt na overleg met de betrokken lidstaat een herzien ontwerpplan gevraagd. Dit nieuwe gemeenschappelijke tijdpad voor de begroting zal de coördinatie van het beleid tussen de lidstaten van de eurozone bevorderen en ervoor zorgen dat in de begrotingsprocedure van de lidstaten op passende wijze rekening wordt gehouden met de aanbevelingen van de Raad en de Commissie.

Artikel 6, lid 5, van Verordening nr. 473/2013 bepaalt in dit verband dat "[d]e specificaties betreffende de inhoud van het ontwerpbegrotingsplan worden uiteengezet in een door de Commissie in samenwerking met de lidstaten vastgesteld geharmoniseerd kader”. In deze mededeling wordt een geharmoniseerd kader voor indiening van het obp door de lidstaten van de eurozone voorgesteld. In de bijlage is een reeks modellen opgenomen die, zoals voorgeschreven bij Verordening nr. 473/2013, de voornaamste budgettaire en macro-economische gegevens voor het komende jaar moeten bevatten.

Voorts bevordert Verordening nr. 473/2013 ook een betere coördinatie van de nationale schuldemissieplannen door de invoering van een rapportageverplichting voor alle lidstaten van de eurozone. Deze lidstaten moeten met name vooraf en tijdig verslag uitbrengen over hun nationale schuldemissieplannen. Met deze informatie zal het bovendien mogelijk worden passend toezicht te houden op de schuldontwikkelingen in de eurozone en zal de coördinatie van schuldemissiebesluiten worden verbeterd. Krachtens artikel 8 van deze verordening wordt de geharmoniseerde indeling en inhoud van deze verslagen “vastgesteld door de Commissie in samenwerking met de lidstaten”. In deze mededeling wordt derhalve de geharmoniseerde indeling en inhoud voorgesteld voor de verslagen die de lidstaten van de eurozone over hun schuldemissieplannen moeten uitbrengen.

2.         Nadere omschrijving van de indeling en inhoud van ontwerpbegrotingsplannen

De hieronder vermelde richtsnoeren dienen te worden beschouwd als een gedragscode en een controlelijst die lidstaten moeten gebruiken bij de voorbereiding van het obp. Van de lidstaten wordt verwacht dat zij deze richtsnoeren volgen en motiveren wanneer zij daarvan afwijken.

De obp’s moeten een aantal geüpdate gestandaardiseerde tabellenreeksen uit de stabiliteitsprogramma’s bevatten, aangevuld met gedetailleerde informatie over de in het obp voorgestelde maatregelen.

Volgens de bestaande richtsnoeren van de stabiliteits- en convergentieprogramma’s moeten de gebruikte concepten overeenstemmen met de op Europees niveau vastgestelde normen, met name in het kader van het Europees systeem van rekeningen (ESR).

De obp’s moeten het mogelijk maken bronnen van potentiële afwijking van de begrotingsstrategie in het meest recente stabiliteitsprogramma op te sporen. Om deze reden moeten naast de gevraagde gegevens voor het komende jaar, dit is het jaar waarvoor het ontwerp van begroting wordt opgesteld (jaar t+1 in de gestandaardiseerde tabellen in de bijlage), ook de overeenstemmende ramingen voor het lopende jaar (t in de gestandaardiseerde tabellen in de bijlage) worden vermeld, samen met de resultaten van het vorige jaar (t-1 in de gestandaardiseerde tabellen in de bijlage), in overeenstemming met de gegevens die in de buitensporigtekortprocedure zijn meegedeeld.

A. Onafhankelijke macro-economische prognosen en aannamen. Geraamde effecten van de geaggregeerde budgettaire maatregelen op de economische groei

Obp’s moeten op onafhankelijke macro-economische prognosen zijn gebaseerd, zoals voorgeschreven bij artikel 6, lid 3, van Verordening nr. 473/2013. Dienovereenkomstig bevatten de tabellen 1a, 1b, 1c en 1d van het obp, die in de bijlage zijn opgenomen, de voornaamste te verwachten economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die bij de voorbereiding van het obp zijn gebruikt.

In het bijzonder bevat tabel 1a gegevens over het reële wijzigingspercentage van het bbp dat in jaar t-1 is opgetekend, en het reële wijzigingspercentage van het bbp dat voor de jaren t en t+1 wordt verwacht. De geraamde effecten op de economische groei van de geaggregeerde budgettaire maatregelen die in het obp worden voorgesteld, moeten in de voorspelde groeipercentages voor de jaren t en t+1 worden opgenomen. Daarom wordt aanbevolen deze geraamde effecten op de economische groei overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder g), van Verordening nr. 473/2013 in tabel 1a nader te omschrijven of anders in de methodologische bijlage te beschrijven.

De basisaannamen waarop de macro-economische ramingen zijn gebaseerd, moeten in tabel 0.i) van de bijlage worden vermeld. Andere belangrijke aannamen die in het algemeen relevant zijn voor het opstellen van macro-economische prognosen, worden in tabel 0.ii) voorgesteld. De lidstaten kunnen het nuttig achten deze gegevens te controleren wanneer zij de aannamen waarop de onafhankelijke macro-economische prognosen zijn gebaseerd, willen resumeren.

De lidstaten moeten ook expliciet vermelden of de onafhankelijke macro-economische en budgettaire prognosen door de onafhankelijke instantie zijn opgesteld of bekrachtigd.

B. Begrotingsdoelstellingen

De begrotingsdoelstellingen voor het overheidssaldo, uitgesplitst naar subsector van de overheid (centrale overheid, deelstaatoverheid of regionale overheid voor lidstaten met federale of sterk gedecentraliseerde instellingen, lagere overheden en sociale verzekering), moeten worden vermeld in de overeenkomstige tabellen die ook in de bijlage zijn opgenomen. Zoals bepaald in artikel 7, lid 2, van Verordening nr. 473/2013 moet de Commissie beoordelen of het obp voldoet aan in het SGP vastgestelde verplichtingen inzake begrotingsbeleid. Om deze beoordeling mogelijk te maken moeten de structurele begrotingsdoelstellingen en de eenmalige en tijdelijke maatregelen bij de in dit onderdeel gevraagde informatie worden vermeld. De naleving van de schuldbenchmark wordt beoordeeld op basis van de gegevens over de schuldontwikkeling, die moeten overeenstemmen met de hierboven omschreven begrotingsdoelstellingen en macro-economische prognosen. Deze informatie, die in de tabellen 2.a, 2.b en 2.c van de bijlage moet worden gegeven, kan worden aangevuld met gegevens over voorwaardelijke verplichtingen die de schuldpositie van de overheid op middellange termijn kunnen beïnvloeden.

Om het overheidssaldo en de begrotingsstrategie in het algemeen begrijpelijk te maken moet de informatie betrekking hebben op de doelstellingen inzake uitgaven en inkomsten en op de voornaamste onderdelen daarvan. Deze informatie wordt opgenomen in tabel 4.a van de bijlage. Rekening houdend met de voorwaarden en criteria voor de bepaling van de uitgavengroei, te beoordelen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening nr. 1466/97, die een uitgavenbenchmark vastlegt, vermeldt het obp ook de geplande groei van de overheidsuitgaven waarvoor in de wijze van berekening van de uitgavenbenchmark een speciale regeling bestaat.

Een uitsplitsing van de overheidsuitgaven naar functie wordt opgenomen in de overeenstemmende tabellen in de bijlage. Wanneer mogelijk wordt van de lidstaten gevraagd deze informatie in uitgesplitste vorm te leveren volgens de categorieën zoals vermeld in de classificatie van overheidsfuncties (COFOG). In elk geval moeten krachtens artikel 6, lid 3, onder d), van Verordening nr. 473/2013 relevante gegevens over de overheidsuitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid worden verstrekt, hetzij in de voorgestelde tabel hetzij op een andere wijze in het obp.

C. Overheidsuitgaven en -inkomsten in het scenario van ongewijzigd beleid en discretionaire begrotingsmaatregelen

Elke lidstaat moet op passende wijze een scenario voor uitgaven en inkomsten bij ongewijzigd beleid definiëren voor het komende jaar (d.w.z. vóór de opmaak van de begroting, met uitsluiting van de nieuwe maatregelen die in het kader van het begrotingsproces zijn voorgesteld) en moet de onderliggende aannamen, methoden en relevante parameters bekendmaken. De aanname van “ongewijzigd beleid” betekent dat de trends in inkomsten en uitgaven worden geëxtrapoleerd voordat de effecten van de in het kader van het begrotingsproces voor het komende jaar te nemen discretionaire maatregelen worden toegevoegd. De resultaten van de projecties van inkomsten en uitgaven op basis van de aanname van ongewijzigd beleid worden in tabel 3 van de bijlage gepresenteerd, terwijl de reeks tabellen 5.a, 5.b en 5.c een omschrijving en een beknopt overzicht geven van de discretionaire maatregelen die de verschillende subsectoren zullen nemen om de begrotingsdoelstellingen te halen.

Deze drie tabellen moeten een exhaustieve technische beschrijving bevatten van de door de verschillende subsectoren te nemen maatregelen, samen met een toelichting over de motivering, de opzet en de tenuitvoerlegging van de maatregelen. Het streefdoel van de begrotingsmaatregel moet ook worden toegelicht volgens de voorschriften van het Europees systeem van rekeningen (ESR), met vermelding of het om een discretionaire inkomsten- dan wel uitgavenmaatregel gaat. Voorts moet het precieze onderdeel van de inkomsten en uitgaven dat met de discretionaire maatregel beoogd wordt, duidelijk worden vermeld. Zo wordt het mogelijk de streefdoelen en de resultaten in geval van ongewijzigd beleid met elkaar te vergelijken. Met andere woorden moet:

-  aan de inkomstenzijde worden vermeld of de maatregel betrekking heeft op:

o  belastingen op productie en invoer (ESR-code: D.2)

o  belastingen op inkomen, vermogen enz. (ESR-code: D.5)

o  vermogensheffingen (ESR-code: D.91)

o  sociale premies (ESR-code: D.61)

o  inkomen uit vermogen (ESR-code: D.4)

o  andere (ESR-code: P.11+P.12+P.131+D.39+D.7+D.9 {andere dan D.91})

-  aan de uitgavenzijde worden vermeld of de maatregel betrekking heeft op:

o  beloning van werknemers (ESR-code: D.1)

o  intermediair verbruik (ESR-code: P.2)

o  sociale premies (sociale uitkeringen en sociale overdrachten in natura aan huishoudens via marktprocedures; ESR-code: D.62, D.6311, D.63121, D.63131), waarvan, indien van toepassing, werkloosheidsuitkeringen met inbegrip van uitkeringen in geld (D.621 en D.624) en in natura (D.6311, D.63121, D.631) ook moeten worden vermeld.

o  rente-uitgaven (ESR-code: D.41)

o  subsidies (ESR-code: D.3)

o  investeringen in vaste activa (bruto) (ESR-code: P.51)

o  kapitaaloverdrachten (ESR-code: D.9)

o  andere (ESR-code: D.29+D.4 {andere dan D.41} +D.5+D.7+P.52+P.53+K.2+D.8)

Het tijdsprofiel van de maatregelen moet worden vermeld om een onderscheid te maken tussen maatregelen met een tijdelijk effect op de begroting, dat in het verloop van de tijd geen duurzame verandering in de begrotingssituatie teweegbrengt (d.w.z een permanent niveau van inkomsten of uitgaven), en maatregelen die een permanent effect op de begroting hebben met een duurzame verandering voor de begrotingssituatie in het verloop van de tijd (namelijk een permanent niveau van inkomsten of uitgaven). Volgens Verordening (EU) nr. 473/2013 moeten maatregelen waarvan het effect op de begroting op meer dan 0,1 % van het bbp wordt geraamd, gedetailleerd worden beschreven terwijl maatregelen onder deze drempel moeten worden vermeld en de geaggregeerde begrotingsimpact ervan moet worden bekendgemaakt. Voor zover mogelijk kunnen kleinere maatregelen die betrekking hebben op dezelfde categorie van inkomsten/uitgaven, oordeelkundig worden gegroepeerd. In het kader van het Economisch en Financieel Comité hebben de lidstaten echter afgesproken de kwaliteit van de rapportage van discretionaire belastingmaatregelen (discretionary tax measures, DTM) verder te verbeteren en hebben zij zich ertoe verbonden alle DTM met een minimaal begrotingseffect van 0,05 % van het bbp nader te omschrijven. In het kader van de obp’s en om de consistentie in de rapportageverplichtingen te verbeteren worden de lidstaten dus ertoe aangezet gedetailleerde informatie te verstrekken over alle discretionaire begrotingsmaatregelen met een geraamde budgettaire impact van meer dan 0,05 van het bbp.

Obp’s moeten ook informatie bevatten over de geraamde budgettaire impact van discretionaire maatregelen op het niveau van elke subsector, die in de tabellen 5.a, 5.b en 5.c van de bijlage worden opgenomen. De budgettaire impact van alle maatregelen moet worden geregistreerd met betrekking tot hun incrementele impact – in tegenstelling tot een registratie van de budgettaire impact in de vorm van niveaus – in vergelijking met de basisprojectie van het voorgaande jaar. Dit betekent dat gewone permanente maatregelen moeten worden geregistreerd als maatregelen met een effect van +/- X in het jaar/de jaren waarin zij worden ingevoerd dan wel met een nuleffect, d.w.z. de algemene impact op het niveau van inkomsten of uitgaven moet niet worden gecompenseerd. Indien de impact van een maatregel in de tijd varieert, moet alleen de incrementele impact in de tabel worden geregistreerd[1]. Van nature moeten eenmalige maatregelen altijd worden geregistreerd als maatregelen met een effect van -/+X in het jaar van de eerste budgettaire impact en van -/+ X in het volgende jaar, d.w.z. de algemene impact op het niveau van inkomsten of uitgaven moet in twee opeenvolgende jaren nul zijn[2].

Naargelang van elke specifieke maatregel moeten de lidstaten de omvang van deze drie tabellen dienovereenkomstig aanpassen zodat zij zoveel kolommen als nodig bevatten om de volledige budgettaire impact in de loop van de tijd weer te geven. De onderliggende aannamen die gebruikt zijn om de budgettaire impact van elke maatregel te ramen (bv. de elasticiteit of de ontwikkeling van de belastinggrondslag), moeten ook in het obp worden omschreven. Ten slotte moeten de obp’s ook de boekhoudbeginselen vermelden op basis waarvan de gegevens worden gerapporteerd: tenzij anders bepaald moeten zij op transactiebasis worden gerapporteerd maar indien dat niet mogelijk is, moet uitdrukkelijk worden vermeld dat de gerapporteerde waarde op kasstroomrapportage is gebaseerd.

D. Doelstellingen van de strategie voor groei en werkgelegenheid van de Unie en landenspecifieke aanbevelingen

In de tabellen 6.a en 6.b van de bijlage wordt nader toegelicht hoe de vastgestelde maatregelen voldoen aan de landenspecifieke aanbevelingen of de nationale doelstellingen in overeenstemming met de strategie voor groei en werkgelegenheid van de Unie

E. Vermelding van de te verwachten verdelingseffecten van de belangrijkste maatregelen op het gebied van uitgaven en inkomsten

Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder d), van Verordening nr. 473/2013 moet in de obp’s ook informatie worden gegeven over de te verwachten verdelingseffecten van de belangrijkste uitgave- en ontvangstenmaatregelen.

Terwijl de meeste lidstaten in hun begroting reeds kwalitatieve beschouwingen opnemen over de verdelingseffecten van de begrotingsmaatregelen, zijn kwantitatieve ramingen veel minder gebruikelijk. Het is natuurlijk een moeilijke taak de verdelingseffecten van begrotingsmaatregelen te becijferen. Om deze reden is in de bijlage geen gestandaardiseerde tabel over dit onderdeel van obp’s opgenomen; voor zover mogelijk moeten de lidstaten echter kwalitatieve informatie en kwantitatieve ramingen over de verdelingseffecten van begrotingsmaatregelen verstrekken en deze worden met specifieke maatregelen en beschikbare analysekaders door de lidstaten gepresenteerd zoals het hun best past.

F. Vergelijking tussen obp’s en het meest recente stabiliteitsprogramma

In tabel 7 van de bijlage worden de begrotingsdoelstellingen en -projecties bij ongewijzigd beleid in de obp’s vergeleken met die van het meest recente stabiliteitsprogramma. Mogelijke verschillen in voorbije en verwachte gegevens ten opzichte van de gegevens in de stabiliteitsprogramma’s moeten nader worden toegelicht.

G. Methodologische bijlage

Ten slotte bevat tabel 8 in de bijlage de methodologische aspecten die in de obp’s moeten worden opgenomen. Hierin moet informatie worden vermeld over de verschillende ramingstechnieken die in de loop van het begrotingsproces worden toegepast, samen met de desbetreffende kenmerken en de gebruikte aannamen. Ingeval de geraamde effecten van de geaggregeerde begrotingsmaatregelen op de economische groei niet in tabel 1.a zijn opgenomen, moeten zij in deze bijlage worden vermeld.

3.         Richtsnoeren over de indeling en de inhoud van schuldemissierapporten

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening nr. 473/2013 omschrijft dit onderdeel de geharmoniseerde indeling en inhoud van het verslag dat de lidstaten van de eurozone moeten uitbrengen over hun nationale schuldemissieplannen.

Willen de nationale schuldemissieplannen in het begrotingstoezicht passen, dan moeten zij vergezeld gaan van algemene informatie over de algemene financieringsbehoeften van de centrale begroting. Daartoe moeten twee verslagen worden ingediend: een jaarverslag en een kwartaalverslag.

Gelet op de behoefte aan flexibiliteit in veranderende marktomstandigheden moet de toekomstgerichte informatie in deze verslagen indicatief worden geacht en afhankelijk van de marktomstandigheden. De verslagen mogen gelet op de potentiële gevoeligheid van deze informatie in principe niet aan het publiek worden bekendgemaakt.

1.         Het jaarverslag bevat de volgende elementen:

- algemene informatie over de algemene financieringsbehoeften van de centrale begroting, zoals (i) aflossing van effecten met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of meer; (ii) voorraad van effecten met een oorspronkelijke looptijd van minder dan een jaar; (iii) nettokasfinanciering; (iv) kastekort en (v) mutaties in financiële activa, met uitsluiting van nettokasfinanciering,

- de emissieplannen voor het volgende jaar, met inbegrip van de uitsplitsing in effecten op korte en middellange tot lange termijn volgens het hieronder vermelde model.

Tabel III – Model dat in de jaarlijkse schuldemissierapporten moet worden opgenomen[3]

Totale financieringsbehoefte (miljoen EUR) || Financieringsplan (miljoen EUR)

Aflossingen van effecten met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of meer (1) || Voorraad schatkistpapier en commercial paper op het einde van voorgaande jaar (2) || Nettokasfinanciering (3) || Totale herfinancieringsbehoeften (4 = 1+2 +3) || Kastekort/ -overschot (5) || Mutaties in financiële activa, met uitsluiting van nettokasfinanciering (6) || Ander (7) || Totaal (8 = 4+5 +6+7) || Verandering in de voorraad van kortlopende effecten (schatkistpapier en commercial paper) (9) || Middellange tot lange termijn (10) || Ander (11) || Totaal (12 = 2+9+ 10+11)

|| || || || || || || || || || ||

Het verslag moet uiterlijk één week voor het einde van het kalenderjaar bij de Commissie worden ingediend.

2.         Het kwartaalverslag moet de emissieplannen per kwartaal (niet-cumulatief) bevatten, met inbegrip van een uitsplitsing in effecten op korte en op middellange tot lange termijn. Emissieplannen voor de komende kwartalen moeten vergezeld gaan van een verslag over de daadwerkelijke uitgifte in het voorgaande kwartaal alsmede een raming van uitgiften voor het volgende kwartaal, volgens het hieronder vermelde formulier. Hoewel de voorziene emissieplannen in beginsel en onder normale marktomstandigheden verschillende kwartalen vooruit moeten worden gerapporteerd, kan dit in de huidige omstandigheden moeilijk zijn of de informatiewaarde daarvan kan beperkt zijn. Daarom wordt voorgesteld dat alleen over het onmiddellijk volgende kwartaal moet worden gerapporteerd.

Tabel IV – Model dat in de kwartaalschuldemissierapporten moet worden opgenomen[4] [5]

Financieringsplan (miljoen EUR)

|| Korte termijn (schatkistpapier en commercial paper)* (1) || Middellange tot lange termijn (2) || Ander (3) || Totaal (4=1+2+3)

q-1 (voorgaande kwartaal, feitelijke gegevens) || feitelijke gegevens || feitelijke gegevens || feitelijke gegevens || feitelijke gegevens

q (huidige kwartaal, raming) || raming || raming || raming || raming

q+1 (volgende kwartaal, plan) || plan || plan || plan || plan

* Vermeld hier de feitelijke emissies, d.w.z. met inbegrip van de meervoudige telling van de rollover van papier met looptijd van 1 maand

Het verslag moet uiterlijk één week voor het einde van het begin van het volgende kwartaal bij de Commissie worden ingediend.

De kwartaalregelmaat in de rapportage van de emissieplannen wordt geacht een juist evenwicht op te leveren tussen de behoefte aan meer transparantie en voorspelbaarheid van de financieringsplannen en de noodzaak genoeg flexibiliteit te laten voor het emissiebeleid en de emissieprocedures.

Alle bedragen moeten in miljoen euro worden uitgedrukt.

Wanneer dergelijke gegevens beschikbaar zijn, worden de lidstaten verzocht voor soortgelijke informatie betreffende nationale agentschappen en regionale of lokale besturen vergelijkbare formulieren te gebruiken.

BIJLAGE. MODELSTRUCTUUR EN TABELLEN IN DE ONTWERPBEGROTINGSPLANNEN[6]

A. MODELSTRUCTUUR VOOR ONTWERPBEGROTINGSPLANNEN

1. Macro-economische prognosen.

2. Begrotingsdoelstellingen.

3. Projecties van inkomsten en uitgaven in een scenario van ongewijzigd beleid.

4. Doelstellingen inzake inkomsten en uitgaven. Overheidsuitgaven naar functie.

5. Discretionaire maatregelen in de ontwerpbegroting.

6. Mogelijke verbanden tussen het ontwerpbegrotingsplan en de in de strategie voor groei en werkgelegenheid en de landenspecifieke aanbevelingen vastgestelde streefdoelen.

7. Vergelijking met het meest recente stabiliteitsprogramma.

8. Verdelingseffecten van de belangrijkste maatregelen op het gebied van inkomsten en uitgaven

Bijlage: Methodologische aspecten, met inbegrip van de geraamde effecten van geaggregeerde begrotingsmaatregelen op de economische groei.

B. TABELLEN IN DE ONTWERPBEGROTINGSPLANNEN

1. Macro-economische prognosen

Tabel 0.i) Basisaannamen

|| Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

Kortetermijnrente1 (jaarlijks gemiddelde) || || ||

Langetermijnrente1 (jaarlijks gemiddelde) || || ||

USD/EUR-wisselkoers (jaarlijks gemiddelde) || || ||

Nominale effectieve wisselkoers || || ||

Wereld, exclusief EU, bbp-groei || || ||

Bbp-groei in EU || || ||

Groei van desbetreffende buitenlandse markten || || ||

Wereldinvoervolumes, exclusief EU || || ||

Olieprijzen (Brent, USD/vat) || || ||

1Indien noodzakelijk, zuiver technische aannamen. || ||

Tabel 0.ii) Voornaamste aannamen. Niet-exhaustieve controlelijst (Soortgelijke informatie kan in verschillende formaten worden geleverd)

|| Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

1. Externe context ||

a. Prijzen van grondstoffen || || ||

b. Spreads ten aanzien van Duitse obligaties || || ||

|| || ||

2. Begrotingsbeleid ||

a.  Financieringsoverschot/-tekort van de overheid || || ||

b. Bruto overheidsschuld || || ||

|| || ||

3. Monetair beleid/ Financiële sector/aannamen betreffende rentevoeten ||

a. Rente: || || ||

i. Euribor || || ||

ii. Depositorente || || ||

iii. Rente op leningen || || ||

iv. Vervalrendement van overheidsobligaties van 10 jaar || || ||

b. Evolutie van deposito’s || || ||

c.  Evolutie van leningen || || ||

d. Trends in oninbare leningen (NPL) || || ||

|| || ||

4. Demografische trends ||

a.  Evolutie van actieve bevolking || || ||

b.  Afhankelijkheidsgraad || || ||

|| || ||

5. Structuurbeleid ||

|| || ||

Tabel 1.a Macro-economische vooruitzichten

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

|| || niveau || variatie || variatie verandering || variatie verandering

1. Reëel bbp || B1*g || || || ||

waarvan ||

1.1. toe te schrijven aan het geraamde effect van  geaggregeerde begrotingsmaatregelen  op economische groei1 || || --- || --- || ||

2. Potentieel bbp || || || || ||

bijdragen: || || || || ||

- arbeid || || || || ||

- kapitaal || || || || ||

- totale factorproductiviteit || || || || ||

3. Nominaal bbp || B1*g || || || ||

Componenten van reëel bbp ||

4. Consumptieve bestedingen || P.3 || || || ||

5. Consumptieve bestedingen van de overheid || P.3 || || || ||

6. Bruto-investeringen in vaste activa || P.51 || || || ||

7. Veranderingen in voorraden en saldo aan- en verkopen van kostbaarheden ( % van bbp) || P.52 + P.53 || || || ||

8. Uitvoer van goederen en diensten || P.6 || || || ||

9. Invoer van goederen en diensten || P.7 || || || ||

Bijdragen tot groei van reëel bbp ||

10. Finale binnenlandse vraag || || || - || ||

11. Veranderingen in voorraden en saldo aan- en verkopen van kostbaarheden || P.52 + P.53 || || - || ||

12. Saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland || B0,11 || || - || ||

1/ Vermeld hier het geraamde effect dat de geaggregeerde begrotingsmaatregelen in het obp hebben op de groei van het reële bbp.

Tabel 1.b. Prijsontwikkelingen                                                                                                                          

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

|| || niveau || variatie || variatie || variatie

1. Bbp-deflator || || || || ||

2. Deflator van de particuliere consumptie. || || || || ||

3. Geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP) || || || || ||

4. Deflator van de particuliere consumptie. || || || || ||

5. Investeringsdeflator || || || || ||

6. Uitvoerprijsdeflator (goederen en diensten) || || || || ||

7. Invoerprijsdeflator (goederen en diensten) || || || || ||

                                                                                                                                                                                

Tabel 1.c Arbeidsmarktontwikkelingen

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

|| || Niveau || variatie || variatie verandering || variatie verandering

1. Werkgelegenheid, personen1 || || || || ||

2. Werkgelegenheid: gewerkte uren2 || || || || ||

3. Werkloosheidscijfer (%)3 || || || || ||

4. Arbeidsproductiviteit, personen4 || || || || ||

5. Arbeidsproductiviteit, gewerkte uren || || || || ||

6. Beloning van werknemers || D.1 || || || ||

7. Beloning per werknemer || || || || ||

|| || || || ||

|| || || || ||

|| || || || ||

|| || || - || ||

|| || || - || ||

1/ Beroepsbevolking, volgens intern begrip van definitie nationale rekeningen

2/ Definitie nationale rekeningen

3/ Geharmoniseerde definitie, Eurostat; niveaus.

4/ Reëel bbp per werknemer

5/ Reëel bbp per gewerkt uur.  

                                                                                                                                                              

Tabel 1.d Sectorale saldi                                                                                                                   

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

1. Vorderingenoverschot/ ‑tekort t.a.v. het buitenland || B.9 || % bbp || % bbp || % bbp

waarvan: ||

- Saldo goederen en diensten || || || ||

- Saldo primaire inkomsten en overdrachten || || || ||

- Kapitaalrekening || || || ||

2. Vorderingenoverschot/-tekort van de particuliere sector || B.9 || || ||

3. Vorderingenoverschot/-tekort van de overheid || B.9 || || ||

4. Statistische verschillen || || || ||

2. Begrotingsdoelstellingen

Tabel 2.a Begrotingsdoelstellingen van de overheid uitgesplitst naar subsector

|| ESR-code || Jaar t || Jaar t+1

|| || % bbp || % bbp

Vorderingenoverschot/-tekort naar subsector || || ||

1. Overheid || S.13 || ||

2. Centrale overheid || S.1311 || ||

 3. Deelstaatoverheid || S.1312 || ||

4. Lagere overheid || S.1313 || ||

5. Wettelijke socialeverzekeringsinstellingen || S.1314 || ||

6. Rente-uitgaven || D.41 || ||

7. Primair saldo2 || || ||

8. Eenmalige en andere tijdelijke maatregelen3 || || ||

9. Groei van het reële bbp (%) (= 1 in tabel 1.a) || || ||

10. Groei van het potentiële bbp (%) (= 2 in tabel 1.a) || || ||

bijdragen: ||

- arbeid || || ||

- kapitaal || || ||

- totale factorproductiviteit || || ||

11. Output gap (% van het potentiële bbp) || || ||

12. Cyclisch begrotingsonderdeel (% van het potentiële bbp) || || ||

13. Conjunctuurgezuiverd saldo (1-12) (% van het potentiële bbp) || || ||

14. Conjunctuurgezuiverd saldo (13+6) (% van het potentiële bbp) || || ||

15. Structureel saldo (13-8) (% van het potentiële bbp) || || ||

1/ TR-TE= B.9.

2/ Het primaire saldo wordt berekend als (B.9, post 8) plus (D.41, post 9).

3/ Een plusteken betekent eenmalige tekortverlagende maatregelen.

Tabel 2.b. Ontwikkelingen in de overheidsschuld

|| ESR-code || Jaar t || Jaar t+1

|| || % bbp || % bbp

1. Brutoschuld1 || || ||

2. Variatie in brutoschuld || || ||

Bijdragen tot variatie in brutoschuld ||

3. Primair saldo (=post 10 in tabel 2.a.i) || || ||

4. Rente-uitgave (=post 9 in tabel 2.a.i) || D.41 || ||

5. Stock-flow adjustment || || ||

waarvan: ||

- Verschillen tussen liquide middelen en transitorische posten2 || || ||

- Nettoaccumulatie van financiële activa3 || || ||

waarvan: ||

- opbrengsten van privatiseringen || || ||

- waarderingseffecten en andere4 || || ||

p.m.: impliciete rente op schuld5 || || ||

Andere relevante variabelen ||

6. Liquide financiële activa6 || || ||

7. Netto financiële schuld (7=1-6) || || ||

8. Schulddelging (bestaande obligaties) sinds het einde van het voorgaande jaar || || ||

9. Percentage van de schuld in vreemde valuta || || ||

10. Gemiddelde looptijd || || ||

1/ Zoals gedefinieerd in Verordening 479/2009.

2/ Aangezien de verschillen rente-uitgaven betreffen, kunnen andere uitgaven en inkomsten worden onderscheiden indien nodig of ingeval de schuldquote boven de referentiewaarde ligt.

3/ Tussen liquide activa (valuta), overheidseffecten, activa op derde landen, door de overheid gecontroleerde ondernemingen en tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde activa kan onderscheid worden gemaakt indien nodig of wanneer de schuldquote boven de referentiewaarde ligt.

4/ Variaties ten gevolge van wisselkoersbewegingen en transacties in secundaire markten kunnen worden onderscheiden indien nodig of ingeval de schuldquote boven de referentiewaarde ligt.

5/ Zoals indirect uitgedrukt door de rente-uitgaven gedeeld door het schuldniveau van het voorgaande jaar.

6/ Liquide activa worden hier gedefinieerd als AF.1, AF.2, AF.3 (geconsolideerd voor de overheid, d.w.z. met weglating van financiële posities tussen overheidsinstanties), AF.511, AF 52 (alleen indien beursgenoteerd).

Tabel 2.c Voorwaardelijke verplichtingen

|| Jaar t || Jaar t+1

|| % bbp || % bbp

Overheidsgaranties || ||

waaronder: verbonden met de financiële sector || ||

3. Projecties van inkomsten en uitgaven bij een scenario van ongewijzigd beleid[7]

Tabel 3. Projecties van overheidsuitgaven en -inkomsten in een scenario van ongewijzigd beleid, uitgesplitst naar belangrijkste onderdelen.

|| ESR-code || Jaar t || Jaar t+1

Overheid (S.13) || || % bbp || % bbp

1. Totaal inkomsten in ongewijzigd beleid || TR || ||

waarvan ||

1.1. Belastingen op productie en invoer || D.2 || ||

1.2. Belastingen op inkomen, vermogen enz. || D.5 || ||

1.3. Vermogensheffingen || D.91 || ||

1.4. Sociale premies || D.61 || ||

1.5. Inkomen uit vermogen || D.4 || ||

1.6. Andere1 || || ||

p.m.: Belastingdruk (D.2+D.5+D.61+D.91-D.995)2 || || ||

2. Totaal uitgaven in ongewijzigd beleid || TE3 || ||

waarvan ||

2.1. Beloning van werknemers || D.1 || ||

2.2. Intermediair verbruik || P.2 || ||

2.3. Sociale uitkeringen || D.621, D.632 || ||

 waarvan werkloosheidsuitkeringen4 ||

2.4. Rente-uitgaven || D.41 || ||

2.5. Subsidies || D.3 || ||

2.6. Bruto-investeringen in vaste activa || P.51 || ||

2.7. Kapitaaloverdrachten || D.9 || ||

2.8. Andere5 || || ||

1 Volgens ESR 95: D6311_D63121_D63131pay; in ESA2010 D632pay.

4. Doelstellingen inzake inkomsten en uitgaven

Tabel 4.a Doelstellingen inzake overheidsuitgaven en -inkomsten, uitgesplitst naar belangrijkste onderdelen

|| ESR-code || Jaar t || Jaar t+1

Overheid (S.13) || || % bbp || % bbp

1. Doelstelling totaal inkomsten || TR || ||

waarvan ||

1.1. Belastingen op productie en invoer || D.2 || ||

1.2. Belastingen op inkomen, vermogen enz. || D.5 || ||

1.3. Vermogensheffingen || D.91 || ||

1.4. Sociale premies || D.61 || ||

1.5. Inkomen uit vermogen || D.4 || ||

1.6. andere1 || || ||

p.m.: Belastingdruk (D.2+D.5+D.61+D.91-D.995)2 || || ||

2. Doelstelling uitgaventotaal || TE3 || ||

waarvan ||

2.1. Beloning van werknemers || D.1 || ||

2.2. Intermediair verbruik || P.2 || ||

2.3. Sociale uitkeringen || D.626, D.632 || ||

 waarvan werkloosheidsuitkeringen4 ||

2.4. =tabel 2.a.9. Rente-uitgaven || D.41 || ||

2.5. Subsidies || D.3 || ||

2.6. Bruto-investeringen in vaste activa || P.51 || ||

2.7. Kapitaaloverdrachten || D.9 || ||

2.8. Andere5 || || ||

1/ P.11+P.12+P.131+D.39rec+D.7rec+D.9rec (andere dan D.91rec).

2/ Met inbegrip van de door de EU geïnde belastingen en met inbegrip van een aanpassing voor niet-geïnde belastingen en sociale premies (D.995) indien passend.

3/ TR-TE= B.9.

4/ Omvat uitkeringen in geld (D.621 en D.624) en in natura (D.631, volgens ESR2010 D.632) met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen.

5/ D.29pay + D.4pay (andere dan D.41pay) +D.5pay +D.7pay +P.52+P.53+K.2+D.8.

6 Volgens ESR 95: D6311_D63121_D63131pay; in ESA2010 D632pay.

Tabel 4.b Bedragen die van de uitgavenbenchmark moeten worden uitgesloten

|| || ||

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1 ||

|| || Niveau || % bbp || % bbp || % bbp ||

1. Uitgaven voor EU-programma’s die volledig door inkomsten van EU-fondsen worden gedekt || || || || || ||

2. Cyclische uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen1 || || || || || ||

3. Effect van discretionaire uitgaven || || || || || ||

4. Bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen || || || || || ||

1/ Vermeld de gebruikte methodologie om de cyclische component van de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen te verkrijgen. Deze moet voortbouwen op de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen zoals omschreven in de classificatie van overheidsfuncties (COFOG) onder code 10.5.

2/ Bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen hoeven niet te worden opgenomen in het effect van discretionaire inkomstenmaatregelen: de in de rijen 3 en 4 vermelde gegevens moeten elkaar uitsluiten.

Tabel 4.c Overheidsuitgaven naar functie

4.c.i) Overheidsuitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid

|| Jaar t || Jaar t+1

|| % bbp || % overheidsuitgaven || % bbp || % overheidsuitgaven

Onderwijs1 || || || ||

Gezondheidszorg1 || || || ||

Werkgelegenheid2 || || || ||

1/ Deze uitgavencategorieën moeten overeenstemmen met respectievelijk post 9 en 7 in tabel 4.c.ii).

2) Deze uitgavencategorie moet onder meer overheidsuitgaven met betrekking tot het actief arbeidsmarktbeleid (AAMB), met inbegrip van openbare arbeidsdiensten, bevatten. Posten zoals beloning van ambtenaren of beroepsopleidingsprogramma’s daarentegen moeten hier niet worden opgenomen.

4.C.ii) Classificatie van overheidsfuncties

Overheidsfuncties || COFOG-code || Jaar t || Jaar t-1

|| || % bbp || % bbp

1. Algemene overheidsbestuur || 1 || ||

2. Defensie || 2 || ||

3. Openbare orde en veiligheid || 3 || ||

4. Economische zaken || 4 || ||

4. Milieubescherming || 5 || ||

6. Huisvesting en gemeenschappelijke voorzieningen || 6 || ||

7. Gezondheid || 7 || ||

8. Recreatie, cultuur en godsdienst || 8 || ||

9. Onderwijs || 9 || ||

10. Sociale bescherming || 10 || ||

11. Totale uitgave (=post 2 in tabel 2.c.i) || TE || ||

5. Beschrijving van discretionaire maatregelen in de ontwerpbegroting

Tabel 5.a Discretionaire maatregelen van de overheid

Lijst van maatregelen || Gedetailleerde omschrijving1 || Doelstelling (Uitgaven/ Inkomsten component) ESR-code || Boekhoudbeginsel || Stand van zaken betreffende invoering || Gevolgen voor begroting

|| Jaar t || Jaar t+1 || Jaar t+2 || Jaar t+…

|| % bbp || % bbp || % bbp || % bbp

(1) || || || || || || || ||

(2) || || || || || || ||

… || || || || || || || ||

|| TOTAAL || || || ||

1/ Geef een nadere omschrijving in geval van plannen voor grote hervormingen van het begrotingsbeleid met potentiële spill-overeffecten in andere lidstaten van de eurozone.

Tabel 5.b Discretionaire maatregelen van de centrale overheid

Lijst van maatregelen || Gedetailleerde omschrijving1 || Doelstelling (Uitgaven/ Inkomsten component ESR-code || Boekhoudbeginsel || Stand van zaken betreffende de invoering || Gevolgen voor begroting

|| Jaar t || Jaar t-1 || Jaar t+2 || Jaar t+…

|| % bbp || % bbp || % bbp || % bbp

(1) || || || || || || || ||

(2) || || || || || || ||

… || || || || || || || ||

|| TOTAAL || || || ||

1/ Geef een nadere omschrijving in geval van plannen voor grote hervormingen van het begrotingsbeleid met potentiële spill-overeffecten in andere lidstaten van de eurozone.

Tabel 5.c Discretionaire maatregelen van de subsectoren van de overheid1

Lijst van maatregelen || Gedetailleerde omschrijving2 || Doelstelling (Uitgaven/ Inkomsten component ESR-code || Boekhoudbeginsel || Stand van zaken betreffende de invoering || Gevolgen voor begroting

|| Jaar t || Jaar t-1 || Jaar t+2 || Jaar t+…

|| % bbp || % bbp || % bbp || % bbp

(1) || || || || || || || ||

(2) || || || || || || ||

… || || || || || || || ||

|| TOTAAL || || || ||

1/ Vermeld duidelijk of het om deelstaatoverheid, lagere overheid en/of wettelijke socialeverzekeringsinstellingen gaat.

2/ Geef een nadere omschrijving in geval van plannen voor grote hervormingen van het begrotingsbeleid met potentiële spill-overeffecten in andere lidstaten van de eurozone.

6. Doelgerichtheid van in de obp vastgestelde maatregelen ten aanzien van de landenspecifieke aanbevelingen en de streefdoelen van de Unie-strategie voor groei en werkgelegenheid

Tabel 6.a Landenspecifieke aanbevelingen (LSA)

LSA-nummer || Lijst van maatregelen || Beschrijving van direct belang

|| ||

|| ||

|| ||

Tabel 6.b Streefdoelen van de Unie-strategie voor groei en werkgelegenheid

Nationale 2020-hoofddoelen || Lijst van maatregelen || Beschrijving van direct belang ten aanzien van streefdoel

Nationale 2020-doelstelling werkgelegenheid || ||

Nationale 2020-doelstelling O&O || ||

Doelstelling vermindering uitstoot van broeikasgassen || ||

Doelstelling hernieuwbare energie […] || ||

Nationale doelstelling energie-efficiëntie […] || ||

Nationale doelstelling vroegtijdige schoolverlating […] || ||

Nationale doelstelling hoger onderwijs […] || ||

Nationale doelstelling armoede […] || ||

7. Verschil ten aanzien van meest recente stabiliteitsprogramma

Tabel 7. Verschil ten aanzien van meest recente stabiliteitsprogramma

|| ESR-code || Jaar t-1 || Jaar t || Jaar t+1

|| || % bbp || % bbp || % bbp

Financieringsoverschot/-tekort van de overheid || B.9 ||

Stabiliteitsprogramma || || || ||

Ontwerpbegrotingsplan || || || ||

Verschil || || || ||

Projectie van financieringsoverschot overheid bij ongewijzigd beleid || B.9 ||

Stabiliteitsprogramma || || || ||

Ontwerpbegrotingsplan || || || ||

Verschil1 || || || ||

1/ Dit verschil kan betrekking hebben op afwijkingen ten gevolge van veranderingen in het macro-economische scenario maar ook op afwijkingen die het effect zijn van beleidsmaatregelen vastgesteld tussen de indiening van het stabiliteitsprogramma en de indiening van het obp. Deze verschillen zijn te verwachten omdat het scenario van ongewijzigd beleid voor de toepassing van deze gedragscode anders is gedefinieerd dan voor het stabiliteitsprogramma.

8. Verdelingseffecten van de belangrijkste maatregelen op het gebied van inkomsten en uitgaven

Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder d), van Verordening (EU) nr. 473/2013 moeten de lidstaten voor zover mogelijk kwalitatieve informatie en kwantitatieve ramingen over de verdelingseffecten van begrotingsmaatregelen verstrekken. Deze worden met specifieke maatregelen en beschikbare analysekaders gepresenteerd zoals het de lidstaten best past.

Het becijferen van de verdelingseffecten van begrotingsmaatregelen is een moeilijke taak. Om deze reden is in deze bijlage geen gestandaardiseerde tabel over dit onderdeel van obp’s opgenomen. Kwantitatieve ramingen van verdelingseffecten van begrotingsmaatregelen kunnen worden beoordeeld door berekening van de verwachte veranderingen in de Gini-index, de S80/S20-indicator of de armoedecijfers die daaruit volgen. Deze methodologie is een van de mogelijke benaderingswijzen.

Bijlage bij het obp: Methodologie, economische modellen en aannamen die aan de basis liggen van de informatie in het obp

Tabel 8. Methodologische aspecten.

Technische raming || Stap in het begrotingsproces waarvoor het gebruikt is1 || Belangrijke kenmerken van gebruikt model/ techniek || Aannamen

Instrument nr. 1 || || ||

Instrument nr. 2 || || ||

… || || ||

1/ Instrumenten voor modellering zijn gebruikt:

- bij het opstellen van macro-prognosen

- bij het ramen van inkomsten en uitgaven bij een scenario van ongewijzigd beleid

- bij het ramen van de verdelingseffecten van de belangrijkste maatregelen op het gebied van inkomsten en uitgaven

- bij het kwantificeren van de in de ontwerpbegroting op te nemen maatregelen inzake inkomsten en uitgaven

- bij het onderzoek naar de doelgerichtheid van de hervormingen in het obp ten aanzien van de streefdoelen van de Unie-strategie voor groei en werkgelegenheid en de landenspecifieke aanbevelingen.

[1] Bijvoorbeeld, een maatregel die van kracht wordt in juli van het jaar t, kan in het eerste jaar een totaal effect van 100 en in de jaren nadien een effect van 200 hebben. In de rapportagetabellen moet dit worden opgetekend als +100 in jaar t en opnieuw als +100 (het increment) in jaar t+1. Het totale effect van een maatregel in een bepaald jaar kan worden afgeleid als het cumulatieve effect van de incrementen vanaf de invoering.

[2] Eenmalige maatregelen die meer dan één jaar dekken (bv. een fiscale amnestie die in twee opeenvolgende jaren inkomsten oplevert) moet worden opgetekend als twee afzonderlijke maatregelen, waarvan de ene het eerste effect in jaar t heeft en de andere het eerste effect in jaar t+1 heeft.

[3] Gegevens over vetgedrukte variabelen zijn verplicht.

Gegevens over andere variabelen zijn vrij maar zeer wenselijk.

[4] Gegevens over vetgedrukte variabelen zijn verplicht.

Gegevens over andere variabelen zijn vrij maar zeer wenselijk.

[5] De rapportagehorizon zal worden herbekeken naargelang de omstandigheden op de Europese markten voor overheidsobligaties zich stabiliseren.

[6] Gegevens over vetgedrukte variabelen zijn verplicht.

Gegevens over andere variabelen zijn vrij maar zeer wenselijk.

[7] Het scenario van ongewijzigd beleid houdt in dat trends in inkomsten en uitgaven worden geëxtrapoleerd voordat de effecten van de in de begroting van het komende jaar genomen maatregelen worden toegevoegd.

Top