EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012XC0419(02)

Richtsnoeren bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

OJ C 115, 19.4.2012, p. 1–28 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

19.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 115/1


Richtsnoeren bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

2012/C 115/01

INHOUDSOPGAVE

1.

DOELSTELLINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED

2.

DEFINITIES

3.

VASTSTELLING VAN REFERENTIEGEBOUWEN

4.

VASTSTELLING VAN ENERGIE-EFFICIËNTIEMAATREGELEN, MAATREGELEN OP BASIS VAN HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN OF PAKKETTEN/VARIANTEN VAN DERGELIJKE MAATREGELEN VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

4.1.

Mogelijke energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen (en pakketten en varianten daarvan) waarmee rekening moet worden gehouden

4.2.

Methoden voor het verlagen van het aantal combinaties en dus het aantal berekeningen

4.3.

Luchtkwaliteit binnenshuis en andere comfortgerelateerde zaken

5.

BEREKENING VAN DE BEHOEFTE AAN PRIMAIRE ENERGIE ALS GEVOLG VAN DE TOEPASSING VAN MAATREGELEN EN PAKKETTEN VAN MAATREGELEN OP EEN REFERENTIEGEBOUW

6.

BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN IN TERMEN VAN DE NETTO CONTANTE WAARDE VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

6.1.

Het begrip kostenoptimaliteit

6.2.

Kostenindeling

6.3.

Het verzamelen van kostengegevens

6.4.

De disconteringsvoet

6.5.

Basislijst van kostenelementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de initiële investeringskosten van gebouwen en onderdelen van gebouwen

6.6.

Berekening van de periodieke vervangingskosten

6.7.

Calculatieperiode versus geschatte levensduur

6.8.

Jaar van aanvang voor de berekening

6.9.

Berekening van de restwaarde

6.10.

Kostenontwikkeling in de loop van de tijd

6.11.

Berekening van de vervangingskosten

6.12.

Berekening van de energiekosten

6.13.

Behandeling van belastingen, subsidies en teruglevertarieven in de kostenberekening

6.14.

Opneming van de inkomsten uit energieopwekking

6.15.

Berekening van de verwijderingskosten

7.

AFLEIDING VAN EEN KOSTENOPTIMAAL ENERGIEPRESTATIENIVEAU VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

7.1.

Bepaling van de kostenoptimale marge

7.2.

Vergelijking met de huidige eisen op het niveau van de lidstaten

8.

GEVOELIGHEIDSANALYSE

9.

GERAAMDE ENERGIEPRIJSONTWIKKELINGEN OVER DE LANGE TERMIJN

1.   DOELSTELLINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED

Overeenkomstig artikel 5 en bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (1) wordt Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 (hierna „de verordening”) aangevuld middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen (2).

De methodologie specificeert hoe energie-efficiëntiemaatregelen, maatregelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen, en pakketten van dergelijke maatregelen moeten worden vergeleken op het punt van hun energieprestatie en de kosten die worden toegeschreven aan hun tenuitvoerlegging en de wijze waarop zij moeten worden toegepast op geselecteerde referentiegebouwen, om kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie vast te stellen. Overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU moet de Commissie richtsnoeren verstrekken ter begeleiding van het vergelijkend methodologisch kader, teneinde de lidstaten in staat te stellen de benodigde maatregelen te treffen.

Dit document bevat de richtsnoeren als bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU. Hoewel deze richtsnoeren niet juridisch verbindend zijn, verschaffen ze de lidstaten belangrijke aanvullende informatie en weerspiegelen ze geaccepteerde beginselen voor de in het kader van de verordening vereiste kostenberekeningen. De richtsnoeren zijn dus bedoeld om de toepassing van de verordening te vergemakkelijken. Het is de tekst van de verordening die juridisch verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten.

Ten behoeve van het gebruiksgemak voor de lidstaten volgt dit document nauw de structuur van het methodologisch kader als vastgelegd in bijlage I bij de verordening. De richtsnoeren zullen — anders dan de verordening zelf — periodiek worden herzien, wanneer zowel door de lidstaten als door de Commissie meer ervaring is opgedaan met de toepassing van het methodologisch kader.

2.   DEFINITIES

Enkele van de definities vervat in artikel 2 van de verordening behoeven wellicht verdere verduidelijking.

In de definitie van de totale kosten zijn grondkosten niet meegenomen. Als een lidstaat dat wenst, kunnen de kosten van het nuttig vloeroppervlak dat nodig is om een bepaalde maatregel te installeren, echter worden meegenomen in de initiële investeringskosten en daarmee ook in de totale kosten, waardoor een rangschikking van maatregelen ontstaat naar de ruimte die ze in beslag nemen.

Primaire energie voor een gebouw is de energie die wordt gebruikt om de energie op te wekken die aan het gebouw wordt geleverd. Deze wordt berekend uit de geleverde en de geëxporteerde hoeveelheden energiedragers, met behulp van conversiefactoren voor primaire energie. Primaire energie omvat zowel niet-hernieuwbare energie als hernieuwbare energie. Als beide in aanmerking worden genomen, kan zij „totale primaire energie” worden genoemd.

Een lidstaat kan ervoor kiezen om in de berekening van het macro-economische kostenoptimum, via de totale kosten, niet alleen rekening te houden met de koolstofkosten, maar ook met andere externe kosten (zoals milieu- of gezondheidskosten).

Voor het doel van de berekening van de jaarlijkse kosten, omvat de door de Commissie gepresenteerde methodologie geen specifieke categorie die de kosten van kapitaalverschaffing omvat, omdat deze kosten geacht worden al te worden bestreken door de disconteringsvoet. Als een lidstaat specifiek rekening wil houden met de betalingen die zich in de loop van de calculatieperiode voordoen, kan de lidstaat de kosten van kapitaalverschaffing bijvoorbeeld opnemen in de categorie van de jaarlijkse kosten, om te waarborgen dat ook deze kosten worden verdisconteerd.

De methode voor het berekenen van het nuttig vloeroppervlak moet op nationaal niveau worden vastgesteld. De methode moet duidelijk aan de Commissie worden gerapporteerd.

Voor de kostenoptimale evaluatie wordt rekening gehouden met het niet-hernieuwbare deel van de primaire energie. Er zij opgemerkt dat dit niet in strijd is met de in de richtlijn gegeven definitie van primaire energie — voor de totale prestatie van een gebouw moeten zowel het niet-hernieuwbare deel als de totale hoeveelheid primaire energie dat betrekking heeft op de exploitatie van het gebouw, worden gerapporteerd. De corresponderende (conversie)factoren voor primaire energie moeten op nationaal niveau worden vastgesteld, rekening houdend met bijlage II bij Richtlijn 2006/32/EG (3).

Energie-efficiëntiemaatregelen kunnen bestaan uit één enkele maatregel of een pakket van maatregelen. In zijn ultieme vorm zal een pakket van maatregelen een variant van een gebouw zijn (=dat wil zeggen, een volledige reeks maatregelen/pakketten die nodig is voor de energie-efficiënte energievoorziening van een gebouw en die maatregelen omvat met betrekking tot de bouwschil, passieve technieken, maatregelen met betrekking tot bouwsystemen en/of maatregelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen).

De energiekosten omvatten alle kosten voor energiegebruik zoals genoemd in Richtlijn 2010/31/EU die verband houden met alle typische vormen van gebruik in een gebouw. Energie die wordt gebruikt voor toestellen (en hun kosten) wordt dus niet meegerekend, alhoewel de lidstaten vrij zijn om ook deze kosten in hun nationale toepassing van de verordening op te nemen.

3.   VASTSTELLING VAN REFERENTIEGEBOUWEN

Overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU en bijlage I, punt 1, bij de verordening zijn de lidstaten verplicht om referentiegebouwen vast te stellen ten behoeve van de kostenoptimale methodologie.

Het belangrijkste doel van een referentiegebouw is het typische en gemiddelde gebouwenbestand in een bepaalde lidstaat te beschrijven, omdat het onmogelijk is om voor elk gebouw afzonderlijk de kostenoptimale situatie te berekenen. De vastgestelde referentiegebouwen moeten dus zo nauwkeurig mogelijk het werkelijke nationale gebouwenbestand representeren, zodat de methodologie representatieve berekeningsresultaten kan opleveren.

Er wordt aangeraden referentiegebouwen op een van de volgende twee wijzen vast te stellen:

(1)

selectie van een bestaand voorbeeld dat representatief is voor de meest kenmerkende gebouwen in een bepaalde categorie (type gebruik met referentie-bewoningspatroon, vloeroppervlak, compactheid van het gebouw, uitgedrukt als een verhouding tussen oppervlakte van de bouwschil en het volume, constructie van de bouwschil met bijbehorende k-waarde, technische servicesystemen en energiedragers met hun aandeel in het energieverbruik);

(2)

het creëren van een „virtueel gebouw” dat voor elke relevante parameter (zie (1)) de meest gebruikte materialen en systemen bevat.

De keuze tussen deze opties moet worden gemaakt op basis van onderzoek door deskundigen, de beschikbaarheid van statistische gegevens, enzovoort. Er kunnen voor verschillende gebouwencategorieën verschillende benaderingen worden gebruikt. De lidstaten dienen te rapporteren hoe de referentiegebouwen voor de gebouwencategorieën zijn gekozen (zie ook punt 1.4 van het rapporteringsmodel in bijlage III bij de verordening).

De lidstaten zijn vrij om reeds bestaande catalogi en databases van referentiegebouwen te gebruiken en aan te passen voor het doel van de kostenoptimaliteitsberekeningen. Bovendien kan werk dat is verricht in het kader van het programma „Intelligente energie voor Europa”, als input worden gebruikt, in het bijzonder:

—   TABULA— typologiebenadering voor de energiebeoordeling van een gebouwenbestand: http://www.building-typology.eu/tabula/download.html,

—   ASIEPI-project— een reeks referentiegebouwen voor studies over de berekening van energieprestaties: http://www.asiepi.eu/wp2-benchmarking/reports.html (4).

Overeenkomstig de verordening moeten de lidstaten voor elk van de volgende gebouwencategorieën minstens één referentiegebouw vaststellen voor nieuwe gebouwen en minstens twee voor bestaande gebouwen die in aanmerking komen voor een ingrijpende renovatie:

eengezinswoningen;

appartementencomplexen en meergezinswoningen;

kantoorgebouwen, en

andere niet-residentiële gebouwencategorieën als vermeld in bijlage I, punt 5, bij Richtlijn 2010/31/EU waarvoor specifieke minimumeisen inzake energieprestatie bestaan.

De verordening geeft de lidstaten de keus tussen:

voor elke categorie niet-residentiële gebouwen afzonderlijk referentiegebouwen vaststellen (één voor nieuwe gebouwen en twee voor bestaande gebouwen), ten minste voor de categorieën waarvoor minimumeisen inzake energieprestatie gelden, of

referentiegebouwen voor de andere niet-residentiële gebouwencategorieën op zodanige wijze vaststellen dat één referentiegebouw twee of meer categorieën representeert. Op deze wijze kan een vermindering van het benodigde aantal berekeningen en dus van de administratieve lasten worden bereikt. Het zou zelfs mogelijk kunnen zijn om alle referentiegebouwen voor de niet-residentiële sector af te leiden uit een basisreferentiegebouw voor kantoren.

Dit houdt in dat een lidstaat in totaal negen referentiegebouwen zou moeten vaststellen, als hij kantoorgebouwen zo definieert, dat deze referentiegebouwen van toepassing zouden kunnen zijn op alle andere niet-residentiële gebouwencategorieën. Anders is het aantal referentiegebouwen natuurlijk groter.

Voor verschillende gebouwenbestanden kunnen verschillende indelingen in categorieën nodig zijn. In het ene land is een onderscheid naar bouwmaterialen mogelijk het meest geschikt, terwijl dit in een ander land een onderscheid naar ouderdom van het gebouw kan zijn. Het is voor de rapportage aan de Commissie van belang duidelijk aan te geven waarom de gekozen criteria een realistisch beeld van het gebouwenbestand waarborgen. Met betrekking tot het bestaande gebouwenbestand wordt het belang van de gemiddelde kernmerken onderstreept.

De volgende opmerkingen kunnen worden gemaakt over criteria voor het onderverdelen van gebouwencategorieën in subcategorieën:

Ouderdom

Dit criterium kan zinvol zijn in een land waarin het bestaande gebouwenbestand tot nu toe geen renovatie heeft ondergaan en de oorspronkelijke ouderdom van een gebouw daardoor nog steeds een goede indicatie geeft van de energieprestatie van het gebouw. In landen waarin het gebouwenbestand al in vergaande mate is gerenoveerd, zijn de ouderdomsgroepen te divers geworden om alleen door ouderdom te worden beschreven.

Omvang

Categorieën op basis van omvang zijn interessant in zoverre dat zij subcategorieën voor zowel energie- als kostengerelateerde kenmerken kunnen representeren.

Klimatologische omstandigheden

In meerdere lidstaten maken de nationale eisen onderscheid tussen verschillende klimaatzones of regio's van het land.

Er wordt aangeraden om, als dit het geval is, referentiegebouwen vast te stellen die representatief zijn voor de specifieke klimaatzones of regio's, en het energieverbruik van de referentiegebouwen te berekenen voor elke klimaatzone.

Er wordt aangeraden om klimatologische omstandigheden te beschrijven en te gebruiken overeenkomstig norm EN ISO 15927, „Hygro-thermische eigenschappen van gebouwen — Berekening en weergave van klimatologische gegevens”, toegepast als een landelijk gemiddelde of per klimaatzone, als dit onderscheid in de nationale gebouwenverordening wordt gemaakt. Graaddagen voor verwarming zijn verkrijgbaar bij EUROSTAT. Er wordt aanbevolen om, wanneer van toepassing, ook graaddagen voor koeling op te nemen (met vermelding van de voor de berekening gebruikte basistemperatuur en tijdstap).

Oriëntatie en beschaduwing

Afhankelijk van de geometrie van het gebouw en de omvang en verdeling/oriëntatie van de raamvlakken kunnen de oriëntatie van een gebouw en zijn beschaduwing (door nabije gebouwen of bomen) een aanzienlijke invloed hebben op de energievraag. Het is echter moeilijk om hieruit een „gemiddelde” situatie af te leiden. Het zou zinvol kunnen zijn om een „waarschijnlijke” situatie voor een gebouw op het platteland en een waarschijnlijke situatie voor een gebouw in een verstedelijkte omgeving te definiëren, als dit criterium in de nationale minimumeisen in aanmerking wordt genomen.

De typische locatie van het (de) referentiegebouw(en) moet ook worden weerspiegeld in de gevolgen van oriëntatie, winsten door zoninstraling, beschaduwing, vraag naar kunstlicht, enzovoort.

Bouwmaterialen in dragende structuurdelen en overige constructies

Bouwmaterialen in de bouwschil dragen bij tot de thermische prestatie en zijn van invloed op de energievraag van een gebouw. Een hoge bouwmassa kan de energievraag voor koeling in de zomer bijvoorbeeld verlagen. Waarschijnlijk moet bij de vaststelling van referentiegebouwen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten gebouwen (bijvoorbeeld tussen massieve gebouwen en lichtgewicht constructies of tussen gebouwen met een volledig glazen gevel en gebouwen met een gedeeltelijk glazen gevel), wanneer in een bepaald land beide in redelijke mate voorkomen.

Officieel beschermde gebouwen

De lidstaten die officieel beschermde gebouwen niet hebben uitgesloten (artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU), kunnen overwegen subcategorieën vast te stellen die de kenmerken van typische beschermde gebouwen weerspiegelen.

Als algemene regel kan worden aangenomen dat het gebouwenbestand realistischer zal worden gerepresenteerd door een groter aantal referentiegebouwen (en subcategorieën), maar er is natuurlijk sprake van een inruil tussen de administratieve lasten in verband met de berekeningen en de representativiteit van het gebouwenbestand. Als het gebouwenbestand divers is, zullen waarschijnlijk meer referentiegebouwen nodig zijn.

De benadering die wordt toegepast voor het vaststellen van referentiegebouwen, is voor nieuwe en voor bestaande gebouwen in wezen dezelfde, behalve dat de beschrijving van het referentiegebouw voor bestaande gebouwen een volledig kwalitatieve beschrijving van het typische gebouw en van de typische geïnstalleerde bouwsystemen biedt. Voor nieuwe gebouwen stelt het referentiegebouw slechts de basisgeometrie van het gebouw vast, alsmede de typische functionaliteit en de typische kostenstructuur in de betreffende lidstaat, op de geografische locatie en bij de klimatologische omstandigheden binnen en buiten.

4.   VASTSTELLING VAN ENERGIE-EFFICIËNTIEMAATREGELEN, MAATREGELEN OP BASIS VAN HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN OF PAKKETTEN/VARIANTEN VAN DERGELIJKE MAATREGELEN VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

Overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU en bijlage I, punt 2, bij de verordening, moeten de lidstaten energie-efficiëntiemaatregelen vaststellen die moeten worden toegepast op de vastgestelde referentiegebouwen. De maatregelen die aan de berekening worden onderworpen, moeten de technologieën bestrijken die zijn genoemd in artikel 6 van Richtlijn 2010/31/EU en zijn herhaald in artikel 7 (laatste alinea), namelijk gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening, warmtekrachtkoppeling, stadsverwarming en -koeling en warmtepompen. Overeenkomstig bijlage I, punt 2, onder (3), van de verordening, moeten de lidstaten in de berekeningen ook maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen opnemen. Er zij opgemerkt dat op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde oplossingen niet uitsluitend gekoppeld hoeven te zijn aan het realiseren van het doel van een bijna energieneutraal gebouw.

Bovendien kunnen maatregelen die inwerken op één systeem, ook de energieprestatie van een ander systeem beïnvloeden. Het isolatieniveau van de schil is bijvoorbeeld van invloed op de capaciteit en de afmetingen van de bouwsystemen. Bij het vaststellen van pakketten/varianten moet rekening worden gehouden met deze interactie tussen verschillende maatregelen.

Er wordt daarom aanbevolen om maatregelen te combineren in pakketten van maatregelen en/of varianten, omdat zinvolle combinaties van maatregelen synergie-effecten teweeg kunnen brengen die (op het punt van de kosten en energieprestatie) tot betere resultaten leiden dan losse maatregelen. Een variant wordt voor het doel van de gedelegeerde handeling gedefinieerd als „het allesomvattende resultaat en de beschrijving van een volledige reeks maatregelen/pakketten toegepast op een gebouw, die kunnen bestaan uit een combinatie van maatregelen met betrekking tot de bouwschil, passieve technieken, maatregelen met betrekking tot bouwsystemen en/of maatregelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen”.

Hoewel het daardoor moeilijk kan zijn om een scherp onderscheid te maken tussen een pakket van maatregelen en een variant, is het duidelijk dat de variant een volledige reeks oplossingen betreft die nodig is om te voldoen aan de bestaande eisen die worden gesteld aan gebouwen met een hoog prestatieniveau, enzovoort. De te overwegen varianten kunnen afdoende bewezen concepten omvatten die worden gebruikt voor de bouw van bijvoorbeeld een gecertificeerd gebouw met milieukeur, een passiefhuis, een 3-liter-huis, of een andere reeks van maatregelen die is vastgesteld om een zeer hoge energie-efficiëntie te realiseren. Er moet echter worden opgemerkt dat de kostenoptimale methodologie ten doel heeft eerlijke concurrentie tussen verschillende technologieën te waarborgen en niet beperkt is tot het berekenen van de totale kosten van reeds vastgestelde en bewezen pakketten/varianten.

Binnen een pakket/variant van maatregelen kunnen efficiëntiemaatregelen die kosteneffectief zijn, het mogelijk maken om andere maatregelen op te nemen die nog niet kosteneffectief zijn, maar die wel aanzienlijk zouden kunnen bijdragen tot besparingen op het gebruik van primaire energie en de emissie van CO2 die samenhangen met het totale bouwconcept — mits het totale pakket tijdens de levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw nog altijd meer baten dan kosten heeft.

Hoe meer pakketten/varianten (en variaties op de maatregelen die deel uitmaken van de beoordeelde pakketten) worden gebruikt, hoe nauwkeuriger het berekende optimum van de haalbare prestatie zal zijn.

Het vaststellen van de uiteindelijk geselecteerde pakketten/varianten zal waarschijnlijk een iteratief proces zijn, waarin uit een eerste berekening van geselecteerde pakketten/varianten naar voren zal komen dat meer pakketten moeten worden toegevoegd om te kunnen achterhalen waar plotselinge „sprongen” in de totale kosten zich precies voordoen en waarom deze zich voordoen. Het kan dus nodig zijn om een aanvullend pakket vast te stellen om uit te zoeken welke technologie verantwoordelijk is voor de hogere totale kosten.

Voor het beschrijven van een pakket/variant is informatie over de energieprestatie nodig. Tabel 3 van het bij de verordening gevoegde rapporteringsmodel geeft een overzicht van de basisreeks technische parameters die nodig zijn om de energieprestatie te berekenen.

Het is wenselijk dat de volgorde waarin de vastgestelde maatregelen/pakketten/varianten worden toegepast wanneer de lidstaten hun nationale berekeningsmethode vaststellen, de uitkomst niet beïnvloedt. De lidstaten moeten dus proberen te vermijden dat zij regels vaststellen waarbij een maatregel met betrekking tot de bouwschil altijd als eerste wordt toegepast en pas daarna een maatregel met betrekking tot een bouwsysteem wordt toegestaan.

4.1.   Mogelijke energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen (en pakketten en varianten daarvan) waarmee rekening moet worden gehouden

Als uitgangspunt voor het vaststellen van maatregelen/pakketten/varianten voor de berekening komen veel maatregelen in aanmerking. De hieronder opgenomen lijst is niet uitputtend. Evenmin mag worden aangenomen dat alle maatregelen in alle verschillende nationale en klimatologische situaties even geschikt zullen zijn.

Tegen de achtergrond van artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU en zijn definitie van een bijna-energieneutraal gebouw, die zowel energie-efficiëntie als hernieuwbare energiebronnen bestrijkt, zal het nodig zijn om bij de berekening ook rekening te houden met maatregelen die zijn gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen. Deze maatregelen zullen in de toekomst extra nodig zijn om te voldoen aan de eisen voor een bijna-energieneutraal gebouw als vastgesteld in artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU, en zij kunnen ook eerder al kostenoptimale oplossingen zijn.

De onderstaande lijst heeft ten doel om een indicatie te geven van de mogelijke maatregelen waarmee rekening kan worden gehouden.

Constructie van gebouwen:

Totale constructie van de muren van nieuwe gebouwen of aanvullend isolatiesysteem van bestaande muren (5)

Totale dakconstructie van nieuwe gebouwen of aanvullend isolatiesysteem van bestaande daken

Alle delen van platen van nieuwe gebouwen waarop een isolatiesysteem wordt toegepast, of een aanvullend isolatiesysteem van bestaande platen

Alle delen van de constructie van de begane-grondvloer en de fundering (afwijkend van de constructie van het referentiegebouw) of aanvullend isolatiesysteem van bestaande vloerconstructie

Verhoogde thermische traagheid met toepassing van blootliggende massieve bouwmaterialen in de binnenruimte van gebouwen (uitsluitend voor sommige klimatologische omstandigheden)

Beter stijl- en regelwerk van deuren en ramen

Betere zonwering (vast of beweegbaar, handmatig of automatisch bediend en op ruiten aangebrachte films)

Betere luchtdichtheid (maximale luchtdichtheid overeenkomstig de stand van de technologie)

Oriëntatie van het gebouw en blootstelling aan de zon (kan uitsluitend een maatregel zijn voor nieuwe gebouwen)

Wijziging van de verhouding tussen transparante en opake oppervlakken (optimalisatie van de verhouding tussen het glasoppervlak en het geveloppervlak)

Openingen voor nachtventilatie (dwarsventilatie of volgens schoorsteenprincipe).

Systemen:

Installatie of verbetering van verwarmingssysteem (op basis van fossiele brandstoffen of hernieuwbare energie, met ketel met rookgascondensor, warmtepompen, enzovoort) op alle plaatsen

Monitoring- en meetapparaten voor regeling van ruimte- en watertemperatuur

Installatie of verbetering van systeem voor warmwatervoorziening (op basis van fossiele brandstoffen of hernieuwbare energie)

Installatie of verbetering van ventilatie (mechanische ventilatie met warmteterugwinning, natuurlijke ventilatie, mechanische balansventilatie, ventilatie door afzuiging)

Installatie of verbetering van actief of hybride koelsysteem (bijvoorbeeld grondwarmtewisselaar, koeler)

Verbetering van de daglichtbenutting

Actief verlichtingssysteem

Installatie of verbetering van drukvatsystemen

Wijziging van energiedrager voor een systeem

Wijziging van pompen of ventilatoren

Leidingisolatie

Directe warmwatertoestellen of indirecte wateropslag, verwarmd door verschillende dragers; kan worden gecombineerd met thermische zonne-energie

Installaties (van verschillende omvang) voor zonneverwarming (en koeling)

Intensieve nachtventilatie (uitsluitend voor niet-residentiële gebouwen met massieve constructies en voor enkele klimatologische omstandigheden)

Micro-warmtekrachtkoppeling met verschillende dragers

Belangrijk: Hernieuwbare energie die dichtbij wordt geproduceerd (bijvoorbeeld door warmtekrachtkoppeling, stadsverwarming of -koeling) mag uitsluitend in aanmerking worden genomen, wanneer de energieopwekking en het verbruik van een bepaald gebouw onderling krachtig gekoppeld zijn.

Alternatieve systemen zoals de systemen genoemd in artikel 6 van Richtlijn 2010/31/EU, met inbegrip van gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening, stadsverwarming en -koeling, warmtekrachtkoppeling, enzovoort.

Vastgestelde varianten:

Bestaande pakketten/varianten, zoals nationale milieukeurs en andere vastgestelde energiezuinige of bijna-energieneutrale gebouwen, zoals bijvoorbeeld passiefhuizen.

Het is belangrijk te onderstrepen dat bestaande varianten niet als vanzelfsprekend als de enige kostenoptimale oplossing mogen worden beschouwd, zelfs niet als zij tot nu toe kostenefficiënt of zelfs kostenoptimaal zijn geweest.

4.2.   Methoden voor het verlagen van het aantal combinaties en dus het aantal berekeningen

Een van de grootste uitdagingen voor de berekeningsmethodiek is te waarborgen dat enerzijds rekening wordt gehouden met alle maatregelen die een mogelijk effect hebben op het gebruik van primaire of finale energie van een gebouw, en anderzijds de berekening beheersbaar en evenredig blijft. Het toepassen van meerdere varianten op meerdere referentiegebouwen kan vlug leiden tot duizenden berekeningen. Uit tests die voor de Commissie zijn uitgevoerd, is echter gebleken dat het voor elk referentiegebouw aantal doorgerekende en toegepaste varianten zeker niet lager dan tien pakketten/varianten plus de referentiesituatie mag zijn.

Er kunnen verschillende technieken worden gebruikt om het aantal berekeningen te beperken. Een van deze technieken is de database van energie-efficiëntiemaatregelen op te zetten als een matrix van maatregelen die onverenigbare technologieën uitsluit, zodat het aantal berekeningen tot een minimum wordt beperkt. Een warmtepomp voor ruimteverwarming hoeft bijvoorbeeld niet te worden beoordeeld in combinatie met een hoogrendementsketel voor ruimteverwarming, aangezien de opties elkaar uitsluiten en elkaar niet aanvullen. De mogelijke energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen (en pakketten/varianten daarvan) kunnen in een matrix worden gepresenteerd, en onuitvoerbare combinaties kunnen worden geschrapt.

Doorgaans zullen de meest representatieve technologieën in een bepaald land voor een bepaald referentiegebouw het eerst worden vermeld. Bewezen varianten op het totale energieprestatieniveau moeten hier worden beschouwd als een oplossingenpakket dat aan het verwachte doel beantwoordt, uitgedrukt in een reeks van criteria waaraan moet worden voldaan, met inbegrip van primaire energie uit niet-hernieuwbare bronnen.

Stochastische methoden voor de berekening van de energieprestatie kunnen doeltreffend worden toegepast om de effecten van bepaalde maatregelen en combinaties van deze maatregelen te presenteren. Daaruit kan een beperkt aantal combinaties van de meest veelbelovende maatregelen worden afgeleid.

4.3.   Luchtkwaliteit binnenshuis en andere comfortgerelateerde zaken

Zoals bepaald in bijlage I, punt 2, onder (6), bij de verordening, dienen de maatregelen die in de berekening worden toegepast, in overeenstemming te zijn met de basiseisen voor bouwmaterialen (Verordening (EU) nr. 305/2011) en voor de luchtkwaliteit binnenshuis, overeenkomstig bestaande Europese en nationale voorschriften. Ook moet de kostenoptimale berekening zo worden opgezet, dat verschillen in luchtkwaliteit en comfort transparant worden gemaakt. In geval van een ernstige overtreding van de eisen voor de luchtkwaliteit binnenshuis of andere aspecten, kan een maatregel ook worden uitgesloten van de nationale berekeningen en de vaststelling van eisen.

Wat betreft de luchtkwaliteit binnenshuis, wordt doorgaans een minimale luchtuitwisselingssnelheid vastgesteld. De vastgestelde ventilatiesnelheid kan afhangen van en variëren met het type ventilatie (natuurlijke afzuiging of balansventilatie).

Wat betreft het comfortniveau in de zomer, kan het, met name voor een zuidelijk klimaat, raadzaam zijn om bewust rekening te houden met passieve koeling die kan worden verkregen door een goed ontwerp van gebouwen. De berekeningsmethodiek wordt dan zo opgezet, dat zij voor elke maatregel/elk pakket/elke variant rekening houdt met het risico van oververhitting en de behoefte aan een actief koelsysteem.

5.   BEREKENING VAN DE BEHOEFTE AAN PRIMAIRE ENERGIE ALS GEVOLG VAN DE TOEPASSING VAN MAATREGELEN EN PAKKETTEN VAN MAATREGELEN OP EEN REFERENTIEGEBOUW

Het doel van de berekeningsprocedure is het jaarlijkse totale energieverbruik te bepalen in termen van primaire energie, dat het energieverbruik voor verwarming, koeling, ventilatie, warm water en verlichting omvat. Het belangrijkste referentiemateriaal hiervoor is bijlage I bij Richtlijn 2010/31/EU, die ook volledig van toepassing is op de kostenoptimale kadermethodologie.

Volgens de definities in Richtlijn 2010/31/EU mag elektriciteit voor huishoudelijke apparaten en aansluitvermogens van wandcontactdozen worden meegerekend, maar dit is niet verplicht.

Lidstaten wordt aangeraden om voor hun berekeningen van de energieprestaties CEN-normen te gebruiken. Het overkoepelende technisch rapport CEN/TR 15615 geeft de algemene relatie tussen de Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (EPBD-richtlijn) en de Europese energienormen. Norm EN 15603:2008 biedt bovendien het algemene schema voor energieberekening en de volgende definities:

Definities met betrekking tot energieprestaties zoals gebruikt in EN 15603:2008:

—   Energiebron: bron waaruit nuttige energie kan worden onttrokken of teruggewonnen, direct of door middel van omzetting of transformatie.

—   Energiedrager: een stof of verschijnsel dat gebruikt kan worden om een mechanische kracht of warmte te produceren of om chemische of fysische processen teweeg te brengen.

—   Systeemgrens: grens waarbinnen zich alle gebieden bevinden die zijn verbonden met het gebouw (zowel binnen als buiten het gebouw) en waar energie wordt verbruikt of geproduceerd.

—   Energiebehoefte voor verwarming en koeling: warmte te leveren aan of te winnen uit een geconditioneerde ruimte om de bedoelde temperatuuromstandigheden tijdens een bepaalde periode te behouden.

—   Energiebehoefte voor huishoudelijk warm water: warmte die moet worden geleverd aan de nodige hoeveelheid huishoudelijk warm water om de temperatuur ervan te doen stijgen van de koude waterleidingtemperatuur naar de vooraf vastgestelde leveringstemperatuur op het leveringspunt.

—   Energiegebruik voor ruimteverwarming of koeling of huishoudelijk warm water: energie-input naar het verwarmings-, koel- of warmwatersysteem om te voldoen aan de energiebehoefte voor respectievelijk verwarming, koeling of warm water.

—   Energiegebruik voor ventilatie: elektrische energie-input naar het ventilatiesysteem voor luchtverplaatsing en warmteterugwinning (de energie-input voor het voorverwarmen van de lucht is niet inbegrepen).

—   Energiegebruik voor verlichting: elektrische energie-input naar het verlichtingssysteem.

—   Hernieuwbare energie: energie uit bronnen die niet worden uitgeput door winning, zoals zonne-energie (thermisch en fotovoltaïsch), wind, waterkracht, hernieuwde biomassa. (Dit is een andere definitie dan die in Richtlijn 2010/31/EU.)

—   Geleverde energie: energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd aan het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen, om te voorzien in de bedoelde toepassingen (verwarming, koeling, ventilatie, warm water voor het huishouden, verlichting, apparaten enzovoort).

—   Geëxporteerde energie: energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd door het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen en gebruikt buiten de systeemgrens.

—   Primaire energie: energie die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan.

Overeenkomstig bijlage I, punt 3, bij de verordening, wordt voor het berekenen van de energieprestaties eerst de finale behoefte van energie voor verwarming en koeling berekend, vervolgens de finale behoefte van energie voor alle vormen van energiegebruik, en op de derde plaats het primaire-energieverbruik. Dit betekent dat de berekening plaatsvindt in de „richting” van de behoeften naar de bron (dat wil zeggen, van de energiebehoeften van het gebouw naar de primaire energie). Met elektrische systemen (zoals verlichting, ventilatie, aanvullende systemen) en thermische systemen (verwarming, koeling, huishoudelijk warm water) binnen de grenzen van het gebouw wordt apart rekening gehouden.

Voor het doel van de kostenoptimale methodologie, wordt energieopwekking ter plaatse met behulp van ter plaatse beschikbare hernieuwbare energiebronnen niet beschouwd als deel uitmakend van de geleverde energie, hetgeen betekent dat de in EN 15603:2008 voorgestelde systeemgrens moet worden aangepast.

Bij gebruikmaking van de kostenoptimale methodologie maakt de aangepaste systeemgrens het mogelijk alle vormen van energiegebruik uit te drukken door middel van één enkele primaire-energie-indicator. Als gevolg daarvan kunnen de op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde actieve technologieën de directe concurrentie aangaan met oplossingen aan de vraagzijde, wat in lijn ligt met het doel en de intentie van de kostenoptimale berekening om de oplossing te bepalen die de laagste totale kosten met zich meebrengt, zonder een bepaalde technologie te discrimineren of te begunstigen.

Dit kan leiden tot een situatie waarin sommige op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde maatregelen een grotere kostenefficiëntie laten zien dan sommige maatregelen om de energiebehoefte te verlagen, terwijl het algemene beeld nog steeds zo zou moeten zijn, dat maatregelen die de energiebehoefte verlagen, kosteneffectiever zijn dan maatregelen die de toevoer van hernieuwbare energiebronnen vergroten, zodat de algemene geest van de EPBD-richtlijn (eerst het energiegebruik verlagen) niet in het gedrang wordt gebracht en wordt voldaan aan de definitie van bijna-energieneutrale gebouwen (een gebouw met een zeer hoge energieprestatie, waarvoor de dichtbij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist, in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen).

Als een lidstaat duidelijk het risico wil vermijden dat actieve installaties op basis van hernieuwbare energiebronnen maatregelen om de energiebehoefte te verlagen verdringen, kan de berekening van de kostenoptimaliteit in stappen worden uitgevoerd, waarbij de systeemgrens geleidelijk wordt verruimd naar de vier niveaus die zijn weergegeven in onderstaande figuur 1: energiebehoefte, energiegebruik, geleverde energie en primaire energie. Daarmee zal duidelijk worden hoe elke maatregel/elk pakket van maatregelen op het punt van kosten en energie bijdraagt aan de energievoorziening van gebouwen.

Geleverde energie omvat bijvoorbeeld elektrische energie die wordt onttrokken aan het elektriciteitsnet, gas onttrokken aan het gasnet, en olie of pellets (allemaal met hun eigen primaire-energie-omzettingsfactor) die naar het gebouw wordt vervoerd om te worden doorgegeven aan het technische systeem van het gebouw.

Er wordt aanbevolen de berekening van de energieprestaties als volgt uit te voeren:

Berekening van de energieprestaties van netto energiebehoeften naar gebruik van primaire energie:

(1)

bereken de netto thermische energiebehoefte van het gebouw om te voorzien in de behoeften van de gebruiker. De energiebehoefte in de winter wordt berekend als de energieverliezen via de schil en door ventilatie, minus de interne winsten (van toestellen, verlichtingssystemen en bewoning) alsook „natuurlijke” energiewinsten (passieve zonneverwarming, passieve koeling, natuurlijke ventilatie, enzovoort);

(2)

trek van (1) af de thermische energie uit hernieuwbare energiebronnen die ter plaatse wordt opgewekt en gebruikt (bijvoorbeeld van zonnecollectoren); (6)

(3)

bereken het energiegebruik voor elk eindgebruik (ruimteverwarming en -koeling, warm water, verlichting, ventilatie) en voor elke energiedrager (elektriciteit, brandstof), rekening houdend met de kenmerken (seizoensgebonden efficiëntie) van de opwekkings-, distributie-, emissie- en regelsystemen;

(4)

trek van het elektriciteitsgebruik af het gebruik aan elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, ter plaatse opgewekt en gebruikt (bijvoorbeeld uit zonnepanelen);

(5)

bereken de geleverde energie voor elke energiedrager als de som van de energieverbruiken (niet vallend onder hernieuwbare energiebronnen);

(6)

bereken de primaire energie die overeenkomt met de geleverde energie, met behulp van nationale omzettingsfactoren;

(7)

bereken de primaire energie die overeenkomt met de naar de markt geëxporteerde energie (bijvoorbeeld ter plaatse opgewekt door hernieuwbare energiebronnen of generatoren);

(8)

bereken de primaire energie als het verschil tussen de twee eerder berekende hoeveelheden: (6) - (7).

Figuur 1

Schematische weergave van de berekeningswijze

Image

Om betrouwbare resultaten te krijgen, wordt aanbevolen:

duidelijk de berekeningsmethodiek te beschrijven, ook in verhouding tot nationale wetten en voorschriften;

duidelijk de grenzen te bepalen voor het systeem dat is vastgesteld voor de beoordeling van de energieprestaties;

de berekeningen uit te voeren door het jaar op te delen in een aantal calculatiestappen (bijvoorbeeld maanden, uren, enzovoort): voer de berekeningen voor elke stap uit met stapafhankelijke waarden en tel vervolgens het energieverbruik voor alle stappen in het jaar bij elkaar op;

de energiebehoefte voor warm water in te schatten volgens de benadering die is vervat in norm EN 15316-3-1:2007;

het energiegebruik voor verlichting in te schatten met de snelle methode die is voorgesteld door norm EN 15193:2007, of met nauwkeurigere berekeningsmethoden;

standaard EN 15241:2007 te gebruiken als referentie voor het berekenen van het energiegebruik voor ventilatie;

voor zover van toepassing rekening te houden met het effect van geïntegreerde regeleenheden, waarbij de besturing van meerdere systemen wordt geïntegreerd, overeenkomstig norm EN 15232.

Wat betreft de energiebehoeften voor verwarming en koeling, vormt de energiebalans van het gebouw en zijn systemen de basis van de procedure. Volgens norm EN ISO 13790 bestaat de belangrijkste berekeningsprocedure uit de volgende stappen:

keuze van het type berekeningsmethode;

vaststelling van de grenzen en thermische zones van het gebouw;

vaststelling van omstandigheden binnenhuis en bepaling van externe inputgegevens (weer);

berekening van de energiebehoefte voor elke tijdstap en elke zone;

in mindering brengen van teruggewonnen systeemverliezen op de energiebehoeften;

verrekening van interacties tussen zones en/of systemen.

De CEN-normen stellen diverse methoden voor de eerste en de laatste stap voor, namelijk:

drie verschillende berekeningsmethoden:

een volledig voorgeschreven quasi-stationaire berekeningsmethode per maand;

een volledig voorgeschreven eenvoudige dynamische berekeningsmethode per uur;

berekeningsprocedures voor gedetailleerde (bijvoorbeeld per uur), dynamische simulatiemethoden;

twee verschillende manieren om om te gaan met interacties tussen een gebouw en zijn systemen:

holistische benadering (in de berekening van de energiebehoeften voor verwarming en koeling wordt het effect van alle warmtewinsten verbonden aan een gebouw en zijn technische bouwsystemen in aanmerking genomen);

vereenvoudigde benadering (teruggewonnen warmteverliezen van systemen, verkregen door de terug te winnen thermische systeemverliezen te vermenigvuldigen met een vaste conventionele terugwinningsfactor, worden direct in mindering gebracht op het thermische verlies van elk technisch bouwsysteem waarmee rekening wordt gehouden).

Om voor de kostenoptimale berekening betrouwbare resultaten te krijgen, wordt aanbevolen:

de berekeningen uit te voeren met een dynamische methode;

randvoorwaarden en referentiegebruikspatronen te bepalen overeenkomstig de berekeningsprocedures en uniform voor alle reeksen berekeningen voor een bepaald referentiegebouw;

de bron van de gebruikte weersgegevens te verstrekken;

thermisch comfort te definiëren in termen van de operatieve binnentemperatuur (bijvoorbeeld 20 °C in de winter en 26 °C in de zomer) en doelen, geformuleerd voor alle reeksen berekeningen voor een bepaald referentiegebouw.

Bovendien wordt voorgesteld:

rekening te houden met de interacties tussen een gebouw en zijn systemen door toepassing van de holistische benadering;

met dynamische simulaties het effect van daglichtstrategieën na te gaan (met behulp van natuurlijk licht);

het stroomverbruik van apparaten aan te geven.

Voor het berekenen van het energiegebruik voor ruimteverwarming, warm water en ruimtekoeling en het berekenen van de energieopwekking (thermisch en elektrisch) uit hernieuwbare energiebronnen is het nodig de seizoensgebonden efficiëntie van systemen te kenschetsen of gebruik te maken van dynamische simulatie. De volgende CEN-normen kunnen als referentie worden gebruikt:

ruimteverwarming: EN 15316-1, EN 15316-2-1, EN 15316-4-1, EN 15316-4-2;

warm water: EN 15316-3-2, EN 15316-3-3;

conditioneringssystemen: EN 15243;

thermische energie uit hernieuwbare energiebronnen: EN 15316-4-3;

elektrische energie uit hernieuwbare energiebronnen: EN 15316-4-6;

warmtekrachtkoppelingssystemen: EN 15316-4-4;

stadsverwarming en groot volumesystemen: EN 15316-4-5;

biomassaverbrandingssystemen: EN 15316-4-7.

Stadsverwarming en -koeling en gedecentraliseerde energievoorziening kunnen op dezelfde wijze worden behandeld als elektriciteit die van buiten de systeemgrens wordt aangevoerd, en waaraan dus een specifieke primaire-energiefactor wordt toegekend. De vaststelling van deze primaire-energiefactoren valt buiten het bestek van dit document over kostenoptimaliteitsrichtsnoeren en moet apart worden behandeld.

Voor het berekenen van de primaire energie moeten de meest recente nationale omzettingsfactoren worden gebruikt, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met bijlage II bij Richtlijn 2006/32/EG (7). De factoren moeten aan de Commissie worden gerapporteerd in het kader van de in artikel van 5 van Richtlijn 2010/31/EU en artikel 6 van de verordening genoemde rapportage.

Voorbeeldberekening:

Neem een kantoorgebouw in Brussel met de volgende jaarlijkse energiebehoeften:

20 kWh/(m2 j) voor ruimteverwarming;

5 kWh/(m2 j) voor warm water;

35 kWh/(m2 j) voor ruimtekoeling;

en met het volgende jaarlijkse energiegebruik:

7 kWh/(m2 j) elektriciteit voor ventilatie;

10 kWh/(m2 j) elektriciteit voor verlichting.

Het gebouw heeft een gasgestookte ketel voor verwarming (ruimteverwarming en warm water) met een totale seizoensgebonden efficiëntie van 80 %. In de zomer wordt een mechanisch koelsysteem gebruikt: de seizoensgebonden efficiëntie van het hele koelsysteem (opwekking, distributie, emissie, regeling) is 175 %. Geïnstalleerde zonnecollectoren leveren 3 kWh/(m2 j) aan thermische energie voor warm water, en een fotovoltaïsch energiesysteem levert 15 kWh/(m2 j), waarvan 6 kWh/(m2 j) in het gebouw wordt gebruikt en 9 kWh/(m2 j) naar het net wordt geëxporteerd. Voor elektriciteit wordt uitgegaan van een omzettingsfactor geleverd/primair van 0,4 (primair/geleverd = 2,5).

De energieberekeningen leveren de volgende resultaten op:

het gebruik van energie uit brandstoffen voor ruimteverwarming is 25 kWh/(m2 j): 20/0,80;

het gebruik van energie uit brandstoffen voor warm water is 2,5 kWh/(m2 j): (5 – 3)/0,80;

het elektriciteitsverbruik voor ruimtekoeling is 20 kWh/(m2 j): 35/1,75;

de geleverde energie uit brandstoffen is 27,5 kWh/(m2 j): 25 + 2,5;

de geleverde elektrische energie is 31 kWh/(m2 j): 7 + 10 + 20 – 6;

de primaire energie is 105 kWh/(m2 j): 27,5 + (31/0,4);

de primaire energie overeenkomend met de energie die wordt geëxporteerd naar de markt, is 22,5 kWh/(m2 j): 9/0,4;

de netto primaire energie is 82,5 kWh/(m2 j): 105 – 22,5.

6.   BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN IN TERMEN VAN DE NETTO CONTANTE WAARDE VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

Overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU en bijlage I, punt 4, bij de verordening, is de kostenoptimale kadermethodologie gebaseerd op de methode van de netto contante waarde (totale kosten).

In de berekening van de totale kosten wordt rekening gehouden met de initiële investering, het totaal van de jaarlijkse kosten voor elk jaar en de finale waarde, alsook met de verwijderingskosten, wanneer van toepassing, alle met betrekking tot het aanvangsjaar. Voor de berekening van het macro-economische kostenoptimum, moet de categorie van de totale kosten worden uitgebreid met een nieuwe categorie, de kosten van broeikasgasemissies, die zijn gedefinieerd als de geldwaarde van schade aan het milieu veroorzaakt door CO2-emissies die betrekking hebben op het energieverbruik in een gebouw.

De berekeningen van de totale kosten leiden tot een netto contante waarde van kosten die in een bepaalde calculatieperiode worden gemaakt, rekening houdend met de restwaarde van apparatuur met een langere levensduur. De ramingen voor de energiekosten en de interestpercentages mogen worden beperkt tot de calculatieperiode.

Het voordeel van de methode van de totale kosten is dat deze het mogelijk maakt om een uniforme calculatieperiode te gebruiken (waarbij via de restwaarde rekening wordt gehouden met duurzame apparatuur) — in tegenstelling tot de lineaire afschrijvingsmethode — en dat deze methode gebruik kan maken van kostenberekeningen op basis van de levenscyclus (life cycle costing, LCC), die ook gebaseerd is op berekeningen van de netto contante waarde.

De term „totale kosten” is ontleend aan norm EN 15459 en komt overeen met wat in de literatuur algemeen wordt aangeduid als „levenscyclusanalyse” (lifecycle cost analysis, LCA).

Er zij opgemerkt dat de in de verordening voorgeschreven methodologie voor de berekening van de totale kosten uitsluitend de kosten van energie omvat (bijvoorbeeld de kosten van water), aangezien de methodologie het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/31/EU volgt. Het begrip „totale kosten” komt ook niet volledig overeen met een volledige levenscyclusanalyse, die rekening zou houden met alle milieueffecten gedurende de hele levenscyclus, met inbegrip van zogenoemde „grijze” energie. De lidstaten zijn echter vrij om de methodologie uit te breiden tot een volledige kostenberekening op basis van de levenscyclus en zij kunnen daarbij ook rekening houden met de normen EN ISO 14040, 14044 en 14025.

6.1.   Het begrip kostenoptimaliteit

Overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU zijn de lidstaten verplicht om kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie vast te stellen. De methodologie is bestemd voor nationale autoriteiten (niet voor investeerders), en het kostenoptimale niveau wordt niet voor elk geval apart berekend, maar voor het ontwikkelen van algemeen toepasselijke voorschriften op nationaal niveau. In feite zal er een groot aantal kostenoptimale niveaus voor verschillende investeerders zijn, afhankelijk van het individuele gebouw en het eigen perspectief van de investeerder en zijn verwachtingen van wat aanvaardbare investeringsvoorwaarden zijn. Het is daarom van belang te onderstrepen dat de vastgestelde kostenoptimale niveaus niet noodzakelijkerwijs voor elke afzonderlijke combinatie van gebouw en investeerder kostenoptimaal zullen zijn. Met een gedegen aanpak voor het vaststellen van de referentiegebouwen kunnen de lidstaten er echter voor zorgen dat de geldende eisen voor het merendeel van de gebouwen passend zijn.

Hoewel de bijzondere situatie van verhuurde gebouwen niet mag worden vergeten, bijvoorbeeld met betrekking tot het probleem van de „split incentives” of situaties waarin de huur wordt vastgesteld en een bepaalde drempel niet mag worden overschreden (bijvoorbeeld om redenen van sociaal beleid), is het niet wenselijk om voor gebouwen verschillende eisen te hebben, afhankelijk van de vraag of ze worden verhuurd of niet, aangezien de status van de bewoner losstaat van het gebouw, dat het eigenlijke voorwerp van de berekening is.

Er kunnen echter bepaalde groepen investeerders zijn die niet volledig zullen kunnen profiteren van een volledige kostenoptimale investering. Dit probleem, dat vaak wordt aangeduid als het „eigenaar-huurder-dilemma”, zal door de lidstaten moeten worden aangepakt in het kader van bredere doelstellingen met betrekking tot energie-efficiëntie en sociaal beleid, en niet binnen de kostenoptimale methodologie. De berekeningen kunnen de autoriteiten van de lidstaten echter informatie verstrekken over het financiële verschil dat er voor bepaalde groepen investeerders bestaat, en kunnen dus als invoer voor het beleid dienen. Het verschil tussen het kostenoptimum op macro-economisch niveau en het kostenoptimum op financieel niveau kan bijvoorbeeld aanwijzingen opleveren over de noodzakelijke financiering en de financiële steun die mogelijk nog nodig is om investeringen in energie-efficiëntie voor de investeerder economisch interessant te maken.

Behalve het feit dat er meerdere, en mogelijk zelfs talrijke, individuele perspectieven en investeringsverwachtingen bestaan, is er ook de kwestie van het bereik van de kosten en baten waarmee rekening wordt gehouden. Kijkt men alleen naar de onmiddellijke kosten en baten van het investeringsbesluit (dat wil zeggen, het financiële perspectief), of kijkt men ook naar andere indirecte kosten en baten (vaak „externe effecten” genoemd) die volgen uit een investering in energie-efficiëntie en die gelden voor andere marktdeelnemers dan de investeerder (het macro-economische perspectief)? Beide perspectieven hebben een specifieke grondgedachte en geven informatie over verschillende zaken.

Het doel van de berekeningen op macro-economisch niveau is voorbereidingen te treffen en informatie te verstrekken voor de vaststelling van algemeen toepasselijke minimumeisen inzake energieprestatie en een breder perspectief van algemeen belang te bieden, waarbij de investering in energie-efficiëntie en de daaraan verbonden kosten en baten worden beoordeeld in het licht van beleidsalternatieven, en waarbij rekening wordt gehouden met externe effecten. De investering in energie-efficiëntie in gebouwen wordt dus vergeleken met andere beleidsmaatregelen die het energiegebruik, de energieafhankelijkheid en de CO2-emissies verlagen. Een dergelijk breder investeringsperspectief sluit ook redelijk goed aan bij primaire energie als de „valuta” voor energieprestaties, terwijl een zuiver particulier-investeringsperspectief kan aansluiten bij hetzij primaire energie of geleverde energie.

In de praktijk zal het echter niet mogelijk zijn om rekening te houden met alle directe en indirecte baten voor de samenleving, aangezien sommige immaterieel of niet kwantificeerbaar zijn of niet in geld kunnen worden uitgedrukt. Toch zijn er voor sommige externe baten en kosten erkende methoden voor hun kwantificering en berekening, zodat er toch rekening mee kan worden gehouden.

Het micro-economische perspectief zal de investeerder daarentegen de beperkingen laten zien, wanneer bijvoorbeeld vanuit maatschappelijk oogpunt strengere eisen inzake energie-efficiëntie wenselijk zijn die niet kosteneffectief zijn voor de investeerder.

Krachtens de verordening dienen de lidstaten de kostenoptimaliteit één keer op macro-economisch niveau te berekenen (exclusief alle toepasselijke belastingen (zoals btw) en alle toepasselijke subsidies en stimulansen, maar inclusief de koolstofkosten) en één keer op financieel niveau (waarbij de prijzen worden gebruikt als betaald door de eindgebruiker, inclusief toepasselijke belastingen en, wanneer van toepassing, subsidies, maar zonder daar bovenop rekening te houden met de kosten voor vermindering van de broeikasgasemissies).

Wat betreft de berekening van het kostenoptimum op macro-economisch niveau, schrijft de verordening voor dat de kosten van broeikasgasemissies moeten worden berekend door uit te gaan van de som van de jaarlijkse broeikasgasemissies vermenigvuldigd met de verwachte tarieven voor een ton CO2-equivalent in het kader van elk jaar uitgereikte broeikasgasemissierechten, waarbij initieel een benedengrens wordt gehanteerd van minimaal 20 EUR per ton CO2-equivalent in het tijdvak tot en met 2025, 35 EUR in het tijdvak tot en met 2030 en 50 EUR na 2030, dit overeenkomstig de huidige door de Commissie verwachte koolstoftariefscenario's in het emissiehandelssysteem (gemeten in reële en constante prijzen voor 2008, aan te passen aan de gekozen berekeningsdatums en -methodologie).

Telkens wanneer een herziening van de kostenoptimaliteitsberekeningen wordt uitgevoerd, moeten geactualiseerde scenario's worden gehanteerd. De lidstaten zijn vrij om uit te gaan van hogere koolstofkosten dan deze minimumniveaus, zoals het tarief van 0,03-0,04 EUR per kg dat is genoemd in Richtlijn 2009/33/EG (8), bijlage, tabel 2.

Tot slot zijn de lidstaten vrij om de categorie van de kosten van broeikasgasemissies uit te breiden van uitsluitend CO2-emissies tot een breder scala van milieuverontreinigende stoffen, opnieuw overeenkomstig Richtlijn 2009/33/EG, bijlage, tabel 2, als hieronder weergegeven:

De contante waarde van de minimummilieukosten per eenheid emissie die in de berekeningen van de milieukosten moet worden gebruikt, is:

NOx

NMHC

Fijne stofdeeltjes

0,0044 EUR/g

0,001 EUR/g

0,087 EUR/g

Er zij opgemerkt dat het voor de berekening van het financiële perspectief doorgaans noodzakelijk zal zijn om beschikbare steunregelingen (tezamen met belastingen en alle beschikbare subsidies) in de berekening te betrekken om de reële financiële situatie weer te geven. Aangezien dergelijke regelingen echter vaak snel veranderen, kan een lidstaat voor het particuliere-investeerdersperspectief de berekeningen ook uitvoeren zonder rekening te houden met subsidies.

Op financieel niveau kan de berekening bovendien worden vereenvoudigd door in alle kostencategorieën voor de berekening van de totale kosten de btw volledig buiten beschouwing te laten als er in de desbetreffende lidstaat geen op btw gebaseerde subsidies en steunmaatregelen bestaan. Een lidstaat die al op de btw gebaseerde steunmaatregelen heeft of voornemens is deze in te voeren, moet die btw wel als element in alle kostencategorieën opnemen, om de steunmaatregelen in de berekening op te kunnen nemen.

6.2.   Kostenindeling

Overeenkomstig bijlage I, punt 4, bij de verordening moeten de lidstaten de volgende elementaire basiskostencategorieën hanteren: initiële investeringskosten, lopende kosten (met inbegrip van energiekosten en de kosten van periodieke vervangingen) en, wanneer van toepassing, verwijderingskosten. Voor de berekening op macro-economisch niveau worden daarnaast de kosten van broeikasgasemissies vastgesteld.

Gezien hun belang in de gegeven context, worden energiekosten als aparte kostencategorie genoemd, hoewel zij doorgaans worden beschouwd als een deel van de operationele kosten. Voorts worden vervangingskosten niet beschouwd als een deel van de onderhoudskosten (zoals in andere kostenstructuren soms wel het geval is), maar als een aparte kostencategorie.

Deze indeling van kosten in categorieën ten behoeve van de berekening van kostenoptimale niveaus van minimumeisen is gebaseerd op norm EN 15459. Zij wijkt enigszins af van de kostenindelingssystemen die doorgaans worden gebruikt voor levenscyclusanalyses (vergelijk norm ISO 15686-5:2008, „Gebouwen en constructies – Planning van de levensduur — Deel 5: Onderhoud en levenscyclus”). De volgende figuur vat de te hanteren kostencategorieën samen.

Figuur 2

Kostenindeling volgens de kadermethodologie

Image

Er moet worden benadrukt dat de opsomming van kostencategorieën in de verordening uitputtend is. Als in het kader van de berekening van kostenoptimale niveaus van minimumeisen andere kostencategorieën belangrijk worden gevonden (zoals kosten die verband houden met andere milieuverontreinigende stoffen), mag echter ook met deze categorieën rekening worden gehouden (zie hoofdstuk 6, paragraaf 1, voor meer details).

Voorts zijn de kosten van het kapitaal dat nodig is om investeringen in energie-efficiëntie te financieren, niet als een aparte categorie in de verordening opgenomen. De lidstaten mogen deze kosten echter opnemen, bijvoorbeeld binnen de categorie van de jaarlijkse kosten, om ervoor te zorgen dat ook deze kosten worden verdisconteerd.

De energiekosten zijn gebaseerd op het verbruik, de omvang van het gebouw, de actuele tarieven en de prijsverwachtingen, en zij zijn direct gekoppeld aan het resultaat van de energieprestatieberekening. Dit betekent dat de energiekosten afhangen van de systeemkenmerken van het gebouw. De meeste andere kostenposten, zoals de investeringskosten, onderhoudskosten, vervangingskosten enzovoort, worden grotendeels toegerekend aan specifieke onderdelen van een gebouw. Bij het berekenen van de totale kosten moeten gebouwen daarom voldoende worden uitgesplitst in aparte onderdelen van het gebouw, zodat verschillen tussen maatregelen/pakketten/varianten worden weerspiegeld in het resultaat van de berekening van de totale kosten.

Operationele en onderhoudskosten die geen verband houden met brandstoffen, zijn vaak moeilijker te schatten dan andere uitgaven, doordat de programmering van gebouw tot gebouw verschilt. Er zijn zelfs grote verschillen tussen gebouwen in dezelfde categorie. Het kan daardoor nodig zijn om wat gegevens te verzamelen en te screenen om voor bepaalde categorieën en subcategorieën een redelijk gemiddelde voor de kosten per vierkante meter vast te stellen.

De verordening schrijft in beginsel voor zowel nieuwbouw als ingrijpende renovaties een benadering die uitgaat van de volledige kosten voor. Dit betekent dat voor elke beoordeelde maatregel/pakket/variant die op een referentiegebouw wordt toegepast, de volledige kosten van de bouw (of ingrijpende renovatie) en het daaropvolgende gebruik van het gebouw moeten worden berekend. Aangezien de exercitie echter gericht is op het vergelijken van maatregelen/pakketten/varianten (en niet op de beoordeling van de totale kosten voor de investeerder of de gebruiker van het gebouw), kunnen de volgende kosten buiten beschouwing worden gelaten:

kosten in verband met onderdelen van gebouwen die geen invloed hebben op de energieprestatie van een gebouw, bijvoorbeeld: de kosten van vloerbedekking, de kosten van wandbekleding, enzovoort (als de berekening van de energieprestaties op dit punt geen verschillen aan het licht brengt);

kosten die gelijk zijn voor alle maatregelen/pakketten/varianten die voor een bepaald referentiegebouw worden beoordeeld (zelfs als de daarmee verbonden onderdelen van een gebouw invloed hebben of zouden kunnen hebben op de energieprestatie van een gebouw). Aangezien deze kosten geen verschil uitmaken in de vergelijking van de maatregelen/pakketten/varianten, hoeft er geen rekening mee te worden gehouden. Voorbeelden zouden kunnen zijn:

voor nieuwbouw: grondverzet en fundering, kosten van trappen, kosten van liften, enzovoort — indien deze kostenelementen voor alle beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten gelijk zijn;

voor ingrijpende renovatie: kosten van steigerbouw, sloopkosten, enzovoort — opnieuw onder de voorwaarde dat er voor de beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten geen verschillen in deze kosten te verwachten zijn.

Er zij opgemerkt dat de verordening niet toestaat de benadering die uitgaat van zogenoemde „aanvullende kosten” te hanteren (9). Een berekeningswijze die uitgaat van de aanvullende kosten, is om de volgende redenen niet geschikt voor de berekening van de kostenoptimaliteit van de minimumeisen inzake energieprestatie:

de kenmerken van het standaardgebouw zijn van invloed op de resultaten van de beoordeling van de kostenoptimaliteit;

de berekeningswijze die uitgaat van de aanvullende kosten, kan de reikwijdte van de beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten niet volledig weergeven: veel energie-efficiëntiemaatregelen moeten worden gezien als een integraal onderdeel van het ontwerp van een gebouw. Dit geldt in het bijzonder voor maatregelen in verband met „passieve koelingsbenaderingen”, zoals de keuze van het percentage raamoppervlak en de plaatsing van raamoppervlakken overeenkomstig de oriëntatie van het gebouw, de activering van thermische massa, het pakket van maatregelen in verband met nachtkoeling, enzovoort. Een berekeningswijze die uitgaat van de aanvullende kosten, maakt het moeilijk om onderlinge verbanden tussen bepaalde kenmerken van een gebouw aan te tonen; de keuze voor een bepaald type gevel vereist bijvoorbeeld dat is voldaan aan bepaalde statische randvoorwaarden; thermo-actieve bouwsystemen voor verwarming en koeling vragen om een bepaalde omvang van de netto energievraag, enzovoort. De berekening zou verwarrend en niet-transparant worden, wanneer zou worden getracht om met al deze mogelijke onderlinge verbanden rekening te houden in een berekeningswijze die uitgaat van de aanvullende kosten;

een berekeningswijze die uitgaat van de aanvullende kosten, vereist een gedetailleerde kostentoerekening aan kosten voor de standaardrenovatie en kosten in verband met de aanvullende energie-efficiëntiemaatregelen. Het is niet altijd gemakkelijk om dit onderscheid te maken.

6.3.   Het verzamelen van kostengegevens

Overeenkomstig de verordening moeten de kostengegevens marktgerelateerd zijn (bijvoorbeeld zijn verkregen door een marktanalyse) en moeten zij wat plaats en tijd betreft coherent zijn voor de investeringskosten, lopende kosten, energiekosten en, wanneer van toepassing, verwijderingskosten. Dit betekent dat kostengegevens moeten worden gehaald uit een of meer van de volgende bronnen:

evaluaties van recente bouwprojecten;

analyses van standaardoffertes van bouwmaatschappijen (niet noodzakelijkerwijs verband houdend met uitgevoerde bouwprojecten);

gebruik van bestaande kostendatabases die zijn verkregen door het verzamelen van op de markt gebaseerde gegevens.

Het is belangrijk dat de bronnen van de kostengegevens het uitsplitsingsniveau weerspiegelen dat nodig is om verschillende maatregelen/pakketten/varianten voor een gegeven referentiegebouw te vergelijken. Zogenoemde „top-down”-benchmarkdatabases zoals BKI (10) of OSCAR (11), die veel gebruikt worden voor ruwe schattingen van de investerings- en operationele kosten van gebouwen, kunnen dus niet worden gebruikt voor het doel van kostenoptimale berekeningen, omdat hun gegevens onvoldoende gerelateerd zijn aan de energieprestatie van het gebouw. Hun uitsplitsingsniveau is te laag om kostendifferentiaties van verschillende maatregelen/pakketten/varianten te kunnen afleiden.

6.4.   De disconteringsvoet

De disconteringsvoet wordt uitgedrukt in reële termen, dus exclusief inflatie.

De lidstaten bepalen zelf de in de macro-economische en financiële berekeningen te gebruiken disconteringsvoet na een gevoeligheidsanalyse te hebben uitgevoerd voor ten minste twee verschillende interestpercentages voor elk berekening. De gevoeligheidsanalyse voor de macro-economische berekening dient gebruik te maken van een percentage van 4 % uitgedrukt in reële termen. Dit is in overeenstemming met de geldende richtsnoeren van de Commissie van 2009 inzake effectbeoordelingen, die 4 % voorstellen als een disconteringsvoet die recht doet aan het maatschappelijk perspectief (12).

Een hogere disconteringsvoet — doorgaans hoger dan 4 % exclusief inflatie en mogelijk gedifferentieerd voor niet-residentiële en residentiële gebouwen — zal een zuiver commerciële, kortetermijnbenadering van de waardering van investeringen weerspiegelen. Een lagere voet — doorgaans tussen de 2 % en 4 % exclusief inflatie — zal de baten die investeringen in energie-efficiëntie de bewoners van een gebouw tijdens de hele levensduur van de investering brengen, doorgaans nauwer weergeven. De disconteringsvoet zal verschillen van lidstaat tot lidstaat, aangezien de voet tot op zekere hoogte niet alleen beleidsprioriteiten (voor de macro-economische berekening) weergeeft, maar ook andere financieringsomgevingen en hypotheekvoorwaarden.

Om de disconteringsvoet toepasselijk te maken, zal doorgaans een disconteringsfactor moeten worden afgeleid die in de berekening van de totale kosten kan worden gebruikt. Rd(i), de disconteringsfactor voor jaar i gebaseerd op disconteringsvoet r, wordt als volgt berekend:

Formula

waarin:

p

het aantal jaren vanaf de beginperiode is, en

r

de werkelijke disconteringsvoet is.

Er zij opgemerkt dat de totale kosten, als gevolg van het financiële berekeningsbeginsel, hoger zijn, wanneer lagere disconteringsvoeten worden toegepast, doordat toekomstige kosten (hoofdzakelijk energiekosten) tegen een lagere voet worden verdisconteerd, wat leidt tot een hogere contante waarde van de totale kosten.

6.5.   Basislijst van kostenelementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de initiële investeringskosten van gebouwen en onderdelen van gebouwen

De onderstaande lijst is niet noodzakelijkerwijs uitputtend of actueel en is uitsluitend bedoeld als een indicatie van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden:

Voor de bouwschil

Isolatie van de bouwschil:

Isolatieproducten

Aanvullende producten voor toepassing van de isolatie op de bouwschil (mechanische bevestigingen, hechtmiddelen, enzovoort)

Ontwerpkosten

Installatiekosten van isolatie (met inbegrip van waterdampwerende lagen, beschermende membranen tegen weersinvloeden, maatregelen om luchtdichtheid te waarborgen, en maatregelen om de effecten van koudebruggen te verminderen)

Energiegerelateerde kosten van andere bouwmaterialen, wanneer van toepassing

Andere bouwgerelateerde maatregelen die invloed hebben op de thermische prestaties. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn buitenzonweringen, systemen voor zonneklimatisering, en passieve systemen die niet in een andere categorie vallen.

De technische producten en systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 88 — Thermal Insulating materials and products en CEN/TC 89 — Thermal performance of buildings and building elements.

Ramen en deuren:

Beglazing en/of glasveredeling

Kozijn

Pakkingen en dichtingsmiddelen

Installatiekosten

De technische systemen, producten en onderdelen van gebouwen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 33 — Doors, windows, shutters, building hardware and curtain walling en CEN/TC 89 (zie hierboven).

Voor bouwsystemen

Ruimteverwarming:

Apparatuur voor opwekking en opslag (ketel, opslagtank, regeleenheden voor warmteopwekking)

Distributie (circulatiepomp, ventielen, distributieregeleenheden)

Emitters (radiatoren, plafond- of vloerverwarming, ventilator-convectoren, emissieregeleenheden)

Ontwerpkosten

Installatiekosten

De technische systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 228 — Heating systems in buildings en CEN/TC 57 — Central heating boilers, bijvoorbeeld EN 15316-2-1 CEN/TC 247, EN 12098, EN 15500, EN 215, EN 15232.

Voor referentievoorwaarden inzake comfort, moet rekening worden gehouden met EN15251 „Binnenmilieu-gerelateerde input parameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek” of gelijkwaardige normen.

Huishoudelijk warm water:

Opwekking en opslag (met inbegrip van systemen voor zonne-energie, boiler, opslagtank, regeleenheden voor warmteopwekking)

Distributie (circulatiepomp, ventielen/mengafsluiters, distributieregeleenheden)

Emitters (tapkranen, vloerverwarming, emissieregeleenheden)

Ontwerpkosten

Installatie (met inbegrip van isolatie van het systeem en de leidingen)

De technische systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 228 — Heating systems in buildings, CEN/TC 57 — Central heating boilers, en CEN/TC 48 — Domestic gas-fired water heaters.

Ventilatiesystemen:

Wat betreft investeringen, moeten de kosten van mechanische ventilatiesystemen worden beoordeeld. De mogelijkheden voor natuurlijke ventilatie worden bestreken bij de vaststelling van referentiegebouwen.

De investeringskosten moeten omvatten:

Apparatuur voor de opwekking en terugwinning van warmte (warmtewisselaar, voorverwarmer, warmteterugwinningseenheid, regeleenheden voor warmteopwekking)

Distributie (ventilatoren, circulatiepompen, kleppen, filters, distributieregeleenheden)

Emitters (leidingen, uitlaatvoorzieningen, emissieregeleenheden)

Ontwerpkosten

Installatiekosten

De technische systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 156 — Ventilation for buildings. Voor referentievoorwaarden inzake comfort en ventilatie-eisen moet rekening worden gehouden met EN15251 of een gelijkwaardige standaard.

Koeling:

Omdat er moet worden gezorgd voor een comfortabele binnentemperatuur, moet rekening worden gehouden met maatregelen voor passieve of actieve koeling of een combinatie van beide (om te voorzien in de resterende koelingsbehoefte), afhankelijk van de specifieke klimatologische omstandigheden. In deze categorie gaat het om de kosten van systemen voor actieve koeling. Maatregelen voor passieve koeling worden bestreken bij de keuze van de referentiegebouwen (bijvoorbeeld bouwmassa) of zij vallen in de categorie „thermische isolatie” (bijvoorbeeld isolatie van daken om de koelingsbehoefte te verkleinen) of de categorie „overige bouwgerelateerde maatregelen met gevolgen voor de thermische prestatie” (bijvoorbeeld buitenzonwering). De investeringskosten van actieve koelsystemen omvatten:

Apparaten voor de opwekking en opslag (generator, warmtepomp, opslagtank, regeleenheden voor warmteopwekking)

Distributie (circulatiepompen, ventielen, distributieregeleenheden)

Emitters (plafond/vloer/balken; ventilator-convectoren, emissieregeleenheden)

Ontwerpkosten

Installatie

De technische systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 113 — Heat pumps and air conditioning units. Voor referentievoorwaarden inzake comfort moet rekening worden gehouden met EN15251.

Verlichting:

Wat betreft investeringen, moeten actieve systemen voor kunstmatige verlichting of toepassingen om de benutting van daglicht te vergroten, worden beoordeeld. Maatregelen betreffende het ontwerp en de geometrie van de bouwschil (grootte en positie van de ramen) worden bestreken bij de keuze van de referentiegebouwen. De investeringskosten moeten omvatten:

Type lichtbronnen en verlichtingsarmaturen

Gerelateerde regelsystemen

Toepassingen om de benutting van daglicht te vergroten

Installatie

Voor referentievoorwaarden inzake comfort en niveaus voor de vereisten moet rekening worden gehouden met EN 12464 „Licht en verlichting — Werkplekverlichting — Deel 1: Werkplekken binnen”. De energie-eisen voor verlichtingssystemen zijn beschreven in EN 15193.

Gebouwautomatisering en controle:

De investeringskosten moeten omvatten:

Gebouwbeheersystemen die toezichthoudende taken invoeren (binnen het specifieke systeem worden regeleenheden van aparte systemen geïntegreerd)

Technische intelligentie, centrale regulateur

Regeleenheden (opwekking, distributie, emitters, circulatiepompen)

Actuatoren (opwekking, distributie, emitters)

Communicatie (bedrading, transmitters)

Ontwerpkosten

Installatie en programmeringskosten

De technische systemen zijn beschreven in bijvoorbeeld verschillende normen onder CEN/TC 247 — Building Automation, Controls and Building Management.

Aansluiting op energievoorzieningen (net of opslag):

De investeringskosten moeten omvatten:

Kosten voor eerste aansluiting op het energienet (bijvoorbeeld stadsverwarming, fotovoltaïsch zonnesysteem)

Opslagtanks voor brandstoffen

Benodigde gerelateerde installaties

Systemen voor gedecentraliseerde energievoorziening op basis van energie uit hernieuwbare bronnen:

De investeringskosten moeten omvatten:

Opwekking

Distributie

Bedieningsapparaten

Installatie

6.6.   Berekening van de periodieke vervangingskosten

Naast de initiële investeringskosten en de lopende kosten zijn de periodieke vervangingskosten de derde kostenveroorzaker. Terwijl kleinere herstelwerkzaamheden en verbruiksgoederen doorgaans worden ondergebracht onder de onderhoudskosten, betreft periodieke vervanging de noodzakelijke vervanging van een heel onderdeel van een gebouw vanwege veroudering en worden de kosten ervan daarom als een aparte categorie behandeld.

Het tijdstip van periodieke vervanging hangt af van de levensduur van het onderdeel van het gebouw. In de berekening van de totale kosten moet worden voorzien in een vervangend onderdeel aan het einde van deze levensduur.

Het is aan de lidstaten om de geschatte economische levensduur van onderdelen van gebouwen en van het hele gebouw te bepalen, maar zij kunnen, indien gewenst, gebruikmaken van de richtsnoer die wordt gegeven in norm EN 15459 (voor energiesystemen in gebouwen) en andere normen. De levensduur van de onderdelen van gebouwen die in de berekening wordt gehanteerd, moet in elk geval aannemelijk zijn. Over het algemeen zullen de vervangingskosten gelijk zijn aan de initiële investeringskosten (in reële termen!). Wanneer in de komende tien tot vijftien jaar grote prijsontwikkelingen worden verwacht, staat de verordening echter toe, en moedigt zij ook aan, om de hoogte van de vervangingskosten aan te passen, teneinde rekening te houden met de verwachte prijsontwikkelingen wanneer technologieën zich ontwikkelen.

6.7.   Calculatieperiode versus geschatte levensduur

Het gebruik van een calculatieperiode in een „netto contante waarde”-benadering laat onverlet het recht van de lidstaten om de geschatte economische levensduur van gebouwen en onderdelen van gebouwen te bepalen. De geschatte levensduur kan zowel langer als korter zijn dan de calculatieperiode.

Als een categorie referentiegebouwen voor bestaande gebouwen op een zodanige wijze zou worden vastgesteld, dat de resterende levensduur van het referentiegebouw korter is dan de calculatieperiode, kan de maximale resterende levensduur in dit geval de calculatieperiode worden.

De technische levensduur van onderdelen van gebouwen heeft eigenlijk slechts een beperkte invloed op de calculatieperiode. De calculatieperiode wordt eerder bepaald door de zogenoemde renovatiecyclus van een gebouw, dat wil zeggen, de tijdsperiode waarna een gebouw een ingrijpende renovatie ondergaat, met inbegrip van de verbetering van het gebouw als geheel en de aanpassing aan gewijzigde gebruikerseisen (in tegenstelling tot een eenvoudige vervanging). De redenen voor een ingrijpende renovatie lopen doorgaans uiteen, en veroudering van belangrijke onderdelen van het gebouw (bijvoorbeeld de gevel) is er slechts één van. De renovatiecycli verschillen sterk voor de verschillende typen gebouwen (en dit is de reden waarom in de gedelegeerde handeling verschillende calculatieperioden worden vastgesteld voor residentiële/openbare en niet-residentiële/commerciële gebouwen) en voor de lidstaten, maar beslaan vrijwel nooit minder dan twintig jaar.

Figuur 3 toont de benadering voor een onderdeel van een gebouw dat een langere levensduur heeft dan de calculatieperiode (bijvoorbeeld de gevel of de draagconstructie van het gebouw). Met een veronderstelde levensduur van veertig jaar en een lineaire afschrijving is de restwaarde na dertig jaar (aan het einde van de calculatieperiode) 25 % van de initiële investeringskosten. Deze waarde moet worden verdisconteerd ten opzichte van het begin van de calculatieperiode.

Figuur 3

Berekening van de restwaarde van een onderdeel van een gebouw dat een langere levensduur heeft dan de calculatieperiode

Image

Figuur 4 laat zien hoe de restwaarde moet worden berekend voor een onderdeel van een gebouw dat een kortere levensduur dan de calculatieperiode heeft (bijvoorbeeld een verwarmingsketel). Bij een veronderstelde levensduur van twintig jaar moet het onderdeel na die tijd worden vervangen. Zodra het onderdeel is vernieuwd, begint een nieuwe afschrijvingsperiode. In dit geval is de restwaarde van het onderdeel na dertig jaar (aan het einde van de calculatieperiode) 50 % van de vervangingskosten. Deze waarde moet weer worden verdisconteerd ten opzichte van het begin van de calculatieperiode.

Figuur 4

Berekening van de restwaarde van een onderdeel van een gebouw dat een kortere levensduur heeft dan de calculatieperiode

Image

6.8.   Jaar van aanvang voor de berekening

De verordening schrijft voor dat de lidstaten als jaar van aanvang voor de berekening het jaar gebruiken waarin de berekening wordt uitgevoerd. Het hoofddoel hiervan is te waarborgen dat de huidige prijs- en kostenniveaus worden gehanteerd, wanneer de kostenoptimaliteit van verschillende maatregelen/pakketten/varianten wordt vastgesteld (voor zover dergelijke gegevens al beschikbaar zijn). Lidstaten kunnen de berekening echter baseren op het jaar van aanvang (jaar van berekening, bijv. 2012, voor de eerste exercitie), maar als referentie voor de minimumeisen inzake energieprestatie eisen gebruiken die al zijn vastgesteld en voor de nabije toekomst zijn voorzien, bijvoorbeeld eisen die in 2013 toepasselijk worden.

6.9.   Berekening van de restwaarde

De verordening schrijft voor dat in de berekening van de totale kosten rekening wordt gehouden met de restwaarde. De restwaarde van een gebouw aan het einde van de calculatieperiode is het totaal van de restwaarden van alle onderdelen van het gebouw. De restwaarde van een bepaald onderdeel van een gebouw is afhankelijk van de initiële investeringskosten, de afschrijvingsperiode (die de levensduur van dit onderdeel van het gebouw weerspiegelt) en, wanneer van toepassing, alle kosten voor verwijdering van het onderdeel van het gebouw.

6.10.   Kostenontwikkeling in de loop van de tijd

Behalve voor energiekosten en vervangingskosten bevat de verordening geen kostenstijgingen of -dalingen in reële cijfers. Dit betekent dat wordt aangenomen dat de prijsontwikkeling voor de overige kostencategorieën (dat wil zeggen, de operationele kosten en onderhoudskosten) gelijk is aan het algemene inflatiepercentage.

De ervaring heeft geleerd dat prijzen van nieuwe technologieën snel kunnen dalen, wanneer de markt ze oppakt, zoals het geval was voor nieuwe en efficiëntere ketels of dubbele beglazing. Aangezien de meeste investeringen uitsluitend in het eerste jaar worden gedaan, zullen toekomstige dalingen in de prijs van technologieën geen grote gevolgen hebben voor de kostenberekeningen. Toch is het heel belangrijk om bij een herziening en bijwerking van de invoergegevens voor een volgende berekening rekening te houden met dergelijke prijsdalingen. De lidstaten kunnen in hun berekening ook een innovatie- of aanpassingsfactor opnemen die waarborgt dat rekening wordt gehouden met de dynamische ontwikkeling van de kosten in de loop van de tijd.

Wat betreft de ontwikkeling van kosten voor energiedragers en koolstofkosten in de loop van de tijd, verschaft bijlage II bij de verordening informatie die de lidstaten voor hun berekeningen kunnen gebruiken, hoewel de lidstaten vrij zijn om andere prognoses te gebruiken. Op basis van deze en andere informatiebronnen moeten de lidstaten hun eigen scenario's voor de kostenontwikkelingen in de loop van de tijd opstellen. Er moeten energieprijsontwikkelingen worden verondersteld voor alle energiedragers die in een lidstaat in belangrijke mate worden gebruikt, en daartoe en kunnen bijvoorbeeld bio-energie in al haar aggregaties, LPG en stadsverwarming en -koeling behoren.

Het is van belang op te merken dat de scenario's voor de verschillende brandstofbronnen een aannemelijke onderlinge samenhang moeten hebben. Ook moeten de prijstrends voor elektriciteit voor een lidstaat op geloofwaardige wijze samenhangen met de algemene trends, dat wil zeggen, met de trends voor de belangrijkste onderliggende brandstoffen die op nationaal niveau voor de elektriciteitsproductie worden gebruikt. Ook voor piekbelastingstarieven kunnen, wanneer van toepassing, prijsontwikkelingen worden verondersteld.

6.11.   Berekening van de vervangingskosten

Voor vervangingskosten bestaat de mogelijkheid de initiële investeringskosten (op basis waarvan de vervangingskosten worden vastgesteld) voor geselecteerde onderdelen van een gebouw aan te passen, als in de komende jaren een grote technologische ontwikkeling wordt verwacht.

6.12.   Berekening van de energiekosten

De energiekosten moeten zowel de kosten van de benodigde capaciteit als de kosten van de benodigde energie weergeven. Indien mogelijk, moeten de energiekosten bovendien worden gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de basistarieven (variabele kosten) en piekbelastingstarieven (doorgaans vaste kosten) die door de eindgebruiker worden betaald, met inbegrip van alle kosten, belastingen en winstmarges van de leverancier. Er moet rekening worden gehouden met alle vormen van energiegebruik die worden genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2010/31/EU.

6.13.   Behandeling van belastingen, subsidies en teruglevertarieven in de kostenberekening

Voor de berekening van het kostenoptimum op financieel niveau moet rekening worden gehouden met alle toepasselijke belastingen en heffingen (btw en overige), steunregelingen en stimulansen, maar hiermee wordt geen rekening gehouden in de berekening op macro-economisch niveau. Het betreft in het bijzonder, maar niet uitsluitend:

energieheffing en/of CO2-heffing op energiedragers;

investeringssubsidies voor (of afhankelijk van) het gebruik van energie-efficiënte technologieën en van hernieuwbare energiebronnen;

gereguleerde minimumteruglevertarieven voor energie die wordt gegenereerd uit hernieuwbare energiebronnen.

Terwijl de verordening de lidstaten verplicht om in de berekening van de kosten op financieel niveau rekening te houden met de door klanten betaalde belastingen en heffingen, staat zij toe dat de lidstaten subsidies en stimulansen buiten beschouwing laten, omdat deze heel snel kunnen wijzigen. Er kan daarom geen rekening worden gehouden met de toepasselijke stimulansen en subsidies gedurende de hele periode waarin de kostenoptimale berekening geacht wordt de nationale benchmark te zijn. Het zal evenmin mogelijk zijn om de benchmarks te herzien telkens wanneer zich een wijziging in de subsidies of stimulansen voordoet. Om een bestendiging van de op dit moment van kracht zijnde subsidieregeling te voorkomen, kan een lidstaat het dienstig vinden om ook de werkelijke particuliere kosten zonder subsidies te berekenen, teneinde het verschil te bepalen en zo het toekomstige subsidiebeleid te sturen.

Wanneer lidstaten subsidies uit de berekening op financieel niveau weglaten, moeten zij ervoor zorgen dat niet alleen subsidies en steunregelingen voor technologieën, maar ook mogelijke bestaande subsidies voor energieprijzen worden weggelaten.

6.14.   Opneming van de inkomsten uit energieopwekking

Als een lidstaat, „waar van toepassing” (volgens bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU), in de berekening de inkomsten uit geproduceerde hernieuwbare energie wil opnemen, moet hij proberen alle beschikbare subsidies en steunregelingen op te nemen (zowel voor elektriciteit, als voor thermische energie en voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie). Als bijvoorbeeld in de berekening uitsluitend rekening zou worden gehouden met een teruglevertarief voor geproduceerde elektriciteit, zouden andere subsidies en steunregelingen, en de technologieën die daarvan profiteren, worden benadeeld en zouden de resultaten een inherente voorkeur met zich meebrengen voor de subsidies die in aanmerking zijn genomen. Met name moet een voorkeur voor elektriciteitsopwekking ten koste van een verminderde behoefte aan warmte en koeling worden vermeden.

De inkomsten uit geproduceerde energie kunnen in mindering worden gebracht op de categorie van de jaarlijkse kosten. Een besluit om de inkomsten uit geproduceerde energie op te nemen moet uiteraard ook leiden tot opneming van alle andere belastingen en heffingen, tarieven en subsidies, om het financiële beeld, waarvoor het het geschiktst is, compleet te maken.

6.15.   Berekening van de verwijderingskosten

Volgens de verordening is opneming van de verwijderingskosten in de berekening van de totale kosten niet verplicht. De lidstaten mogen de verwijderingskosten echter wel in de berekening betrekken, als zij denken dat deze kosten relevant zijn en als zij aannemelijke ramingen van de hoogte van deze kosten kunnen maken. De verwijderingskosten moeten worden verdisconteerd ten opzichte van het einde van de calculatieperiode. In beginsel zijn er twee plaatsen in de berekening van de totale kosten waar rekening kan worden gehouden met de verwijderingskosten:

op de eerste plaats, en het meest gebruikelijk, via de kosten aan het einde van de levensduur van het gebouw, dat wil zeggen, de kosten voor sloop en voor de verwijdering van materialen, met inbegrip van de ontmantelingskosten (zie norm ISO 15686 voor een preciezere definitie van zaken die verband houden met de kosten aan het einde van de levensduur). De invloed van de kosten aan het einde van de levensduur hangt af van twee factoren: de absolute hoogte van de kosten en — wat nog belangrijker is — het tijdstip waarop deze kosten worden verondersteld op te treden. In dit verband is het belangrijk op te merken dat de kosten aan het einde van de levensduur niet optreden aan het einde van de calculatieperiode, maar aan het einde van de levensduur van het gebouw. Er is dus een schatting nodig van de levensduur van het gebouw als geheel (en niet van afzonderlijke onderdelen van het gebouw). Deze schatting kan afhangen van enerzijds het type bouw (bijvoorbeeld een geprefabriceerd huis of massieve bouw) en anderzijds het type gebruik (winkelpanden hebben bijvoorbeeld doorgaans een kortere levensduur dan residentiële gebouwen). De lidstaten zijn vrij om de levensduur van gebouwen te kiezen, maar de gebruikte levensduren moeten onderling wel een aannemelijk verband hebben, wanneer verschillende categorieën gebouwen worden vergeleken;

op de tweede plaats kunnen verwijderingskosten worden opgevoerd in verband met vervangingskosten, aangezien de ontmanteling of sloop van een oud onderdeel van een gebouw kosten met zich meebrengt. Deze kosten worden doorgaans niet in de berekeningen betrokken, wanneer de vervangingskosten worden vastgesteld als zijnde gelijk aan de initiële investeringskosten (geen kostenstijging of -daling in reële termen). In de berekening van de totale kosten kunnen dus enige extra verwijderingskosten in verband met vervangingsactiviteiten worden opgenomen.

De grote uitdaging voor de verrekening van verwijderingskosten is het verkrijgen van betrouwbare en op de markt gebaseerde kostengegevens. Doorgaans wordt in de bouwsector alleen rekening gehouden met verwijderingskosten door een schatting op basis van het volume van het gebouw, (in sommige gevallen) gedifferentieerd naar type bouw.

7.   AFLEIDING VAN EEN KOSTENOPTIMAAL ENERGIEPRESTATIENIVEAU VOOR ELK REFERENTIĘGEBOUW

7.1.   Bepaling van de kostenoptimale marge

Op basis van de berekeningen van het gebruik van primaire energie (stap 3) en de totale kosten (stap 4) verbonden aan de verschillende maatregelen/pakketten/varianten (stap 2) die voor de vastgestelde referentiegebouwen (stap 1) worden beoordeeld, kunnen per referentiegebouw grafieken worden opgesteld waarin het gebruik van primaire energie (x-as: kWh primaire energie/(m2 nuttig vloeroppervlak en jaar)) en de totale kosten (y-as: euro/m2 nuttig vloeroppervlak) van de verschillende oplossingen worden weergegeven. Op basis van de beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten kan een specifieke kostencurve (= onderrand van het gebied dat wordt begrensd door de gegevenspunten van de verschillende varianten) worden opgesteld.

Figuur 5

Verschillende varianten binnen de grafiek en de plaats van de kostenoptimale marge  (13)

Image

De combinatie van pakketten met de laagste kosten is het laagste punt van de curve (in de bovenstaande afbeelding is dit pakket „3”). Het bijbehorende punt op de x-as verschaft automatisch het kostenoptimale niveau van minimumeisen inzake energieprestatie. Als pakketten dezelfde of sterk vergelijkbare kosten hebben, moet, conform sub (2) van bijlage I, punt 6, bij de verordening, als basis voor de vaststelling van het kostenoptimale niveau worden uitgegaan van het pakket met het laagste gebruik van primaire energie (= linkergrens van de kostenoptimale marge).

Voor onderdelen van gebouwen worden kostenoptimale niveaus bepaald door alle parameters vast te stellen (optie 1: te beginnen bij de variant die is geïdentificeerd als kostenoptimaal; optie 2: te beginnen bij andere varianten en gebruikmakend van een gemiddelde van de resulterende waarden) en de prestatie van een specifiek onderdeel van het gebouw te variëren. Vervolgens kunnen grafieken worden opgesteld waarin de totale kosten (y-as, in EUR/m2 nuttig vloeroppervlak) worden weergegeven als functie van de prestaties (x-as, bijvoorbeeld in W/(m2K) voor onderdelen van gebouwen zoals het dak van een gebouw). De eigenschappen van een onderdeel van een gebouw met de laagste kosten geven het kostenoptimale niveau. Als verschillende eigenschappen van een onderdeel van een gebouw dezelfde of sterk vergelijkbare kosten met zich meebrengen, moet worden uitgegaan van de eigenschap van het onderdeel van het gebouw met het laagste gebruik van primaire energie (= linkergrens van de kostenoptimale marge) als basis voor de vaststelling van het kostenoptimale niveau (er dient rekening te worden gehouden met het feit dat vooraf hogere investeringen nodig zijn).

Het is belangrijk op te merken dat minimumprestatie-eisen voor boilers en andere geïnstalleerde toestellen en apparatuur worden vastgesteld in het kader van de richtlijn Eco-design (14).

7.2.   Vergelijking met de huidige eisen op het niveau van de lidstaten

De huidige eisen op het niveau van de lidstaten moeten worden vergeleken met het berekende kostenoptimale niveau. De huidige voorschriften moeten daartoe worden toegepast op het referentiegebouw, wat leidt tot een berekening van het gebruik van primaire energie van het gebouw volgens de regels die zijn uiteengezet in stap 3.

In een tweede stap wordt het verschil tussen het huidige niveau en het vastgestelde kostenoptimale niveau berekend volgens de vergelijking in het onderstaande kader.

Vaststelling van het verschil:

Verschil% (op niveau van referentiegebouw) = (kostenoptimale niveau [kWh/m2 j] — huidige minimumprestatie-eisen [kWh/m2 j]) / kostenoptimale niveau [kWh/m2 j] × 100 %

Voor onderdelen van gebouwen wordt het verschil berekend volgens de volgende vergelijking:

Verschil% (voor onderdelen van gebouwen) = (kostenoptimale niveau [eenheid van prestatie-indicator (15)] — huidige minimumprestatie-eisen [eenheid van prestatie-indicator]) / kostenoptimale niveau [eenheid van prestatie-indicator] × 100 %

Het verschil tussen de berekende kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie en die welke van kracht zijn, moet worden berekend als het verschil tussen het gemiddelde van alle geldende minimumeisen inzake energieprestatie en het gemiddelde van alle berekende kostenoptimale niveaus van de varianten die zijn toegepast op alle vergelijkbare referentiegebouwen en gebruikte gebouwtypes. Het is aan de lidstaat om een weegfactor in te voeren die het relatieve belang van een bepaald referentiegebouw (en zijn eisen) in een lidstaat ten opzichte van een ander referentiegebouw weergeeft. De benadering moet echter wel transparant worden gemaakt in de rapportage aan de Commissie.

Overeenkomstig overweging 14 van Richtlijn 2010/31/EU is er sprake van een significant verschil tussen het resultaat van de kostenoptimale kostenberekening en de minimumeisen die in een lidstaat van toepassing zijn, als laatstgenoemde meer dan 15 % lager zijn dan het kostenoptimum.

8.   GEVOELIGHEIDSANALYSE

Een gevoeligheidsanalyse is een standaardpraktijk bij voorafgaandelijke beoordelingen waarbij de resultaten afhangen van veronderstellingen met betrekking tot belangrijke parameters waarvan de toekomstige ontwikkeling een groot effect kan hebben op het eindresultaat.

Krachtens de verordening moeten de lidstaten daarom enkele gevoeligheidsanalyses uitvoeren. De lidstaten moeten minimaal een gevoeligheidsanalyse uitvoeren op de scenario's voor de energieprijsontwikkelingen voor alle energiedragers die in belangrijke mate worden gebruikt in de eigen nationale context, plus een gevoeligheidsanalyse voor ten minste twee verschillende scenario's voor de gebruikte disconteringsvoeten voor de macro-economische kostenoptimale berekening, alsook twee voor de financiële kostenoptimale berekening.

Voor de gevoeligheidsanalyse op de disconteringsvoet voor de macro-economische berekening moet een van de disconteringsvoeten 3 % bedragen, uitgedrukt in reële termen (16). De lidstaten moeten de meest passende disconteringsvoet voor elke berekening vaststellen, wanneer de gevoeligheidsbeoordeling is uitgevoerd. Dit is de disconteringsvoet die voor de kostenoptimale berekening moet worden gebruikt.

De lidstaten worden aangemoedigd om een dergelijke analyse ook uit te voeren op andere inputfactoren, zoals op de geprojecteerde trends in toekomstige investeringskosten voor bouwtechnologieën en onderdelen van gebouwen of op andere inputfactoren die geacht worden een aanzienlijke invloed te hebben op het resultaat (bijvoorbeeld factoren met betrekking tot primaire energie, enzovoort).

Hoewel het waar is dat een toekomstige prijsontwikkeling geen invloed zal hebben op de investeringskosten die optreden aan het begin van de calculatieperiode, is de beoordeling van de wijze waarop de marktacceptatie van technologieën het prijsniveau daarvan kan beïnvloeden, zeer nuttige informatie voor beleidsmakers. Zulke prijsontwikkelingen voor technologie zijn in elk geval cruciale informatie voor de herziening van de kostenoptimale berekeningen.

De lidstaten moeten een gevoeligheidsanalyse voor deze twee belangrijke parameters uitvoeren, maar zijn verder vrij om aanvullende gevoeligheidsanalyses uit te voeren, in het bijzonder voor de belangrijkste kostenveroorzakers als geïdentificeerd in de berekening, zoals de initiële investeringskosten van grote onderdelen van gebouwen of de kosten in verband met het onderhoud en de vervanging van energiesystemen in gebouwen.

9.   GERAAMDE ENERGIEPRIJSONTWIKKELINGEN OVER DE LANGE TERMIJN

De trends in de energieprijsontwikkelingen die zijn opgenomen in bijlage II bij de verordening, geven informatie over de geraamde prijsontwikkelingen over de lange termijn voor olie, gas en kolen, alsmede elektriciteit. Wanneer zij voor hun kostenoptimale berekeningen de kosten voor energiedragers vaststellen, moeten de lidstaten met deze informatie rekening houden.

De in bijlage II bij de verordening verstrekte informatie is afkomstig van energietrendscenario's die zijn ontwikkeld met het model Primes (een modelleringssysteem dat een marktevenwichtsoplossing voor de vraag naar en het aanbod aan energie in de EU-27 en haar lidstaten simuleert). De Europese Commissie publiceert tweejaarlijkse actualiseringen van deze trends, en de meest recente versie is te vinden op: http://ec.europa.eu/energy/observatory/trends_2030/index_en.htm.

De meest recente actualisering (17) duidt op een jaarlijkse stijging van de gasprijzen met 2,8 %, een jaarlijkse stijging van de olieprijzen met 2,8 % en een jaarlijkse stijging van de kolenprijzen met 2 %. Deze trends kunnen worden geëxtrapoleerd tot na 2030, totdat meer langetermijnprognoses beschikbaar komen.

Deze prognoses zijn gebaseerd op een relatief hoge olieprijs in vergelijking met eerdere prognoses en zijn vergelijkbaar met referentieprognoses uit andere bronnen. De basisprijsaannames voor de EU-27 zijn het resultaat van wereldenergiemodellering (met behulp van het stochastische wereldenergiemodel Prometheus), die prijsverlopen voor olie, gas en kolen afleidt volgens een „conventional wisdom”-scenario voor de ontwikkeling van het wereldenergiesysteem.

Volgens de ramingen zullen de internationale brandstofprijzen in de loop van de ramingsperiode stijgen, waarbij de olieprijzen naar verwacht een niveau zullen bereiken van 88 USD'08/vat (73 EUR'08/vat) in 2020 en 106 USD'08/vat (91 EUR'08/vat) in 2030. De gasprijzen hebben een vergelijkbaar verloop als de olieprijzen en zullen naar verwacht een niveau bereiken van 62 USD'08/boe (51 EUR'08/boe) in 2020 en 77 USD'08/boe (66 EUR'08/boe) in 2030, terwijl de kolenprijzen in de economische herstelperiode een niveau van bijna 26 USD'08/boe (21 EUR'08/boe) in 2020 zullen bereiken en daarna zullen stabiliseren op 29 USD'08/boe (25 EUR'08/boe) in 2030.

Wat betreft elektriciteit, zullen de verwachte veranderingen in de elektriciteitssector in de EU-27 grote gevolgen hebben voor de energiekosten en elektriciteitsprijzen. De totale cumulatieve investeringsuitgaven voor elektriciteitsopwekking in de periode 2006-2030 zullen naar verwacht een niveau van 1,1 triljoen EUR'08 bereiken, waarbij de elektriciteitsprijzen aanzienlijk zullen stijgen, zowel ten opzichte van het huidige prijsniveau als in vergelijking met de basislijn van 2007. Betalingen op veilingen, stijgende brandstofprijzen en hogere kosten van kapitaalverschaffing (voor hernieuwbare energie en afvang en opslag van kooldioxide (CCS)) zijn enkele van de factoren die de stijging van de elektriciteitsprijzen verklaren.

De gemiddelde prijs van elektriciteit, zonder betalingen op veilingen, stijgt tot 108,4 EUR/MWh in 2020 en 112,1 EUR/MWh in 2030 (in reële termen, dat wil zeggen, in geld van 2005), een consistente stijging in vergelijking met de huidige waarden, als gevolg van hogere kosten van kapitaalverschaffing, operationele kosten en onderhoudskosten, alsmede hogere brandstofprijzen en variabele kosten. De betalingen op veilingen zijn verantwoordelijk voor 9,4 % van de gemiddelde elektriciteitsprijs vóór belastingen.

Tabel 1

Geraamde langetermijnontwikkelingen voor de elektriciteitsprijs na belastingen in euro/MWh (referentie 2009)

 

2000

2005

2010

2015

2020

2025

2030

Gemiddeld

96

104

110

127

140

146

144

Industrie

59

71

77

92

101

104

98

Diensten

123

124

124

139

152

159

159

Huishoudens

127

133

144

164

180

191

192

Er wordt aangeraden voor residentiële gebouwen de prognoses voor de prijs voor huishoudens te gebruiken, terwijl voor niet-residentiële gebouwen de commerciële prijzen passender kunnen zijn.

De lidstaten kunnen de veronderstelde energieprijzen voor de calculatieperiode ook ramen op basis van de huidige kostenniveaus, zoals bijvoorbeeld verstrekt door EUROSTAT. De informatie van EUROSTAT maakt een onderscheid tussen prijzen voor huishoudelijk en voor industrieel gebruik, afhankelijk van het geleverde volume. Dientengevolge moet rekening worden gehouden met verschillende prijsniveaus voor de in hoofdstuk 3 beschreven referentiegebouwen.

De prijzen van andere energiedragers kunnen worden gekoppeld aan deze veronderstelde ontwikkelingen (de prijs van aardgas kan bijvoorbeeld worden gekoppeld aan die van olie) of kunnen worden afgeleid van andere nationale of internationale prognoses. Aangezien de prijzen van veel energiedragers sterk afhankelijk zijn van nationale, regionale of zelfs lokale invloeden, zoals biomassa, stadsverwarming en aardwarmte, moet in deze prognoses rekening worden gehouden met verwachte politieke en economische ontwikkelingen over de langere termijn. Voor stadsverwarming moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met mogelijke effecten van noodzakelijke wijzigingen in de infrastructuur (omvang van de stadsverwarmingssystemen, geleverde energie per meter van het net, enzovoort).

Stookolie:

Stookolie is een ontvlambare vloeistof met een lage viscositeit die wordt gebruikt in verwarmingsketels en boilers in gebouwen. Aangezien stookolie een destillaat van ruwe olie is, is de prijs van stookolie intrinsiek gekoppeld aan die van ruwe olie. Bovendien hebben andere factoren, zoals vraag en aanbod, seizoensinvloeden, de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar en logistieke kosten invloed op de prijs van stookolie.

De efficiëntie van elektriciteitsproductie hangt af van de types primaire brandstoffen en de specifieke apparaten die worden gebruikt. Deze kenmerken zijn uniek voor specifieke elektriciteitscentrales en zij verschillen tussen de lidstaten. Sommige landen hebben bijvoorbeeld een groter percentage hydro-elektrische energie, terwijl andere landen grotere hoeveelheden kolen of aanzienlijke hoeveelheden nucleaire energie gebruiken. De lidstaten zullen omzettingsfactoren moeten vaststellen om de in hun referentiegebouwen gebruikte elektriciteit om te zetten in primaire energie.


(1)  PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.

(2)  PB L 81 van 21.3.2012, blz. 18.

(3)  Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64).

(4)  Het ASIEPI-project definieert alleen de geometrie van gebouwen en is onvoldoende voor de doeleinden van de berekening.

(5)  Doorgaans wordt de dikte van de isolatie stapsgewijs en geleidelijk gevarieerd. Doorgaans is er een maximale toepasbare dikte per bouwelement. Er moet rekening worden gehouden met de bijbehorende k-waarde die wordt geëist en aanbevolen in de nationale wetgeving/nationale technische normen. Isolatie kan binnen of buiten of aan beide zijden op verschillende plaatsen binnen de muren worden toegepast (er moet rekening worden gehouden met de kans op inwendige of oppervlaktecondensatie).

(6)  Er zij opgemerkt dat de Commissie binnenkort in het kader van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16) een methodiek voor het in aanmerking nemen van energie van warmtepompen beschikbaar zal stellen.

(7)  Een voorstel voor een herziene richtlijn betreffende energiediensten is door de Commissie ingediend op 22 juni 2011 is een voorstel gepresenteerd (COM(2011) 370 definitief). De omzettingsfactoren zijn te vinden in bijlage IV van dit voorstel.

(8)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).

(9)  De benadering die uitgaat van de „aanvullende kosten”, gaat uit van een standaardgebouw (bijvoorbeeld een gebouw dat overeenkomt met de bestaande minimumeisen) waaraan aanvullende maatregelen worden toegevoegd (bijvoorbeeld betere isolatie, zonwering, een ventilatiesysteem met warmteterugwinning, enzovoort). De kostenvergelijking wordt gebaseerd op de aanvullende investeringskosten en verschillen in de lopende kosten.

(10)  Baukosteninformationszentrum Deutscher Architekten (BKI): Statistische Kostenkennwerte für Gebäude, 2010, www.baukosten.de

(11)  Jones Lang LaSalle: Büronebenkostenanalyse OSCAR 2008, Berlin, 2009. Kan worden besteld op www.joneslanglasalle.de

(12)  http://ec.europa.eu/governance/impact/commission_guidelines/docs/ia_guidelines_annexes_en.pdf. Het in 2010 voor het United States Department of Energy Federal Energy Management Program opgestelde overzicht van energieprijsindices en disconteringsfactoren voor het verrichten van levenskostenanalyses stelt 3 % voor. http://www1.eere.energy.gov/femp/pdfs/ashb10.pdf

(13)  

Bron: Boermans, Bettgenhäuser et al., 2011: Cost-optimal building performance requirements — Calculation methodology for reporting on national energy performance requirements on the basis of cost optimality within the framework of the EPBD, ECEEE.

(14)  Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(15)  Bijvoorbeeld k-waarde van een dak [W/m2K].

(16)  Deze voet wordt gebruikt in de richtsnoeren van de Commissie van 2009 inzake effectbeoordelingen en komt ruwweg overeen met het gemiddelde reële rendement op langlopende overheidsschulden in de EU over de periode vanaf het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

(17)  

Bron: EU Energy Trends to 2030; update 2009. Europese Unie, 2010. Zie: http://ec.europa.eu/energy/observatory/trends_2030/doc/trends_to_2030_update_2009.pdf

(18)  Zie http://heating-oil.blogs-uk.co.uk/


Top