Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008DC0046

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Naar een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS) {SEK(2008) 111} {SEK(2008) 112}

/* COM/2008/0046 def. */

52008DC0046

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Naar een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS) {SEK(2008) 111} {SEK(2008) 112} /* COM/2008/0046 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 1.2.2008

COM(2008) 46 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Naar een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS) {SEK(2008) 111}{SEK(2008) 112}

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Naar een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS) (Voor de EER relevante tekst)

1. INLEIDING

In deze mededeling wordt een aanpak beschreven voor de modernisering en vereenvoudiging van het verzamelen, uitwisselen en gebruiken van de voor de vaststelling en uitvoering van het milieubeleid vereiste gegevens en informatie. Deze aanpak beoogt de geleidelijke vervanging van de huidige, veeleer gecentraliseerde rapportagesystemen door systemen die gebaseerd zijn op toegang, uitwisseling en interoperabiliteit. Het algemene doel is de kwaliteit en beschikbaarheid van de voor het milieubeleid vereiste informatie te handhaven en te verbeteren, in overeenstemming met het beginsel van betere regelgeving, en tegelijkertijd de daarmee verbonden administratieve lasten tot een minimum te beperken.

Eerst wordt een aantal beginselen voorgesteld op basis waarvan milieugegevens en -informatie in de toekomst moeten worden verzameld, uitgewisseld en gebruikt. Een belangrijke stap in deze aanpak is het moderniseren van de manier waarop de voor verschillende onderdelen van de milieuwetgeving vereiste informatie ter beschikking wordt gesteld, door middel van een rechtsinstrument dat in 2008 moet worden voorgesteld en dat waarschijnlijk de vorm zal aannemen van een herziening van de bestaande "gestandaardiseerde rapportagerichtlijn" (91/692/EG).

Een dergelijke herziening biedt ook rechtstreeks gelegenheid om een beperkt aantal achterhaalde rapportagevoorschriften in te trekken en zal om onderstaande redenen tot verdere vereenvoudiging en modernisering leiden:

- ze draagt bij aan de verdere rationalisering van de informatievereisten in de thematische milieuwetgeving door een coherent en actueel algemeen kader te verschaffen;

- ze kan overeenkomstige ontwikkelingen in internationale overeenkomsten bevorderen, waarin naar schatting rond 70% van de milieurapportagevoorschriften van de EU-lidstaten is vastgelegd;

- ze leidt tot het verbeteren van de manier waarop de verzameling en uitwisseling van gegevens in de lidstaten georganiseerd is.

Deze mededeling beschrijft ook andere begeleidende maatregelen die op Europees, nationaal en plaatselijk niveau moeten worden genomen om onderstaande beginselen ten uitvoer te kunnen leggen.

2. BASISBEGINSELEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MILIEU-INFORMATIESYSTEEM

De beginselen waarop het gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS) moet worden gebaseerd zijn:

- de informatie moet zo dicht mogelijk bij de bron worden beheerd;

- de informatie moet één keer worden verzameld en daarna voor verschillende doeleinden met anderen worden gedeeld;

- de informatie moet gemakkelijk toegankelijk zijn voor de overheidsdiensten zodat deze moeiteloos kunnen voldoen aan hun wettelijke rapportageverplichtingen;

- de informatie moet gemakkelijk toegankelijk zijn voor eindgebruikers, voornamelijk overheidsdiensten van lokaal tot Europees niveaus, zodat zij de toestand van het milieu en de doeltreffendheid van hun beleidsmaatregelen tijdig kunnen analyseren en nieuwe maatregelen kunnen vaststellen;

- de informatie moet ook toegankelijk zijn voor eindgebruikers, zowel overheidsdiensten als burgers, zodat zij op passend geografisch niveau (land, stad, stroomgebied) vergelijkingen kunnen maken en op zinvolle wijze kunnen deelnemen aan de ontwikkeling en uitvoering van het milieubeleid;

- de informatie moet op nationaal niveau in de nationale taal of talen volledig beschikbaar zijn voor het grote publiek, rekening houdend met het passende aggregatieniveau en de beperkingen in verband met de vertrouwelijkheid; en

- de uitwisseling en verwerking van de informatie moet met behulp van gemeenschappelijke gratis verkrijgbare open source software plaatsvinden.

Deze beginselen zijn het resultaat van verschillende studies en overwegingen van deskundigen die moeten waarborgen dat milieu-informatie zo doeltreffend mogelijk georganiseerd wordt en in het bijzonder dat de actuele investeringen in monitoringsprocessen en andere systemen voor gegevensverzameling met het oog op het gebruik van de resulterende gegevens een zo groot mogelijk voordeel opleveren. Deze beginselen houden rekening met het feit dat de overheidsdiensten in de hele EU (op lokaal, regionaal of Europees niveau) weliswaar een groot aantal gegevens verzamelen, maar dat deze gegevens niet altijd efficiënt gebruikt worden, hetzij omdat het bestaan ervan niet op grote schaal bekend is, hetzij omdat er een serie hindernissen bestaat van juridische, technische en procedurele aard.

3. WAAROM EEN GEMEENSCHAPPELIJK MILIEU-INFORMATIESYSTEEM?

Het zesde milieuactieprogramma (6e MAP) heeft bevestigd dat betrouwbare informatie over de toestand van het milieu en over de belangrijkste trends, invloeden en oorzaken van milieuveranderingen onontbeerlijk is voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een doeltreffend beleid en, meer in het algemeen, voor de participatie van de burgers. Aangezien het milieu een openbaar goed is dat ons allen toebehoort, is het net zo belangrijk dat deze informatie op zo groot mogelijke schaal wordt uitgewisseld en ter beschikking wordt gesteld.

Uitwisseling van milieu-informatie is niets nieuws in Europa. Milieu-informatiesystemen worden al lange tijd met goed gevolg gebruikt voor de rapportage van de lidstaten over de uitvoering van de communautaire milieuwetgeving. De laatste tijd worden ze ook gebruikt om verschillende beleidsgestuurde indicatorsystemen te ondersteunen die door de EU in de lidstaten geïnstalleerd zijn. Wat de prioriteiten van het 6e MAP betreft, staan we nu echter voor nieuwe uitdagingen, zoals met name de aanpassing aan de klimaatverandering, het inperken van het verlies aan biodiversiteit en het beheer van natuurlijke hulpbronnen, die een nog doeltreffender gebruik van de bestaande informatie vereisen. Uit de recente bosbranden, overstromingen en droogtes blijkt wel hoe belangrijk het is om snel en gemakkelijk over nauwkeurige milieu-informatie te beschikken.

De nieuwe uitdagingen bieden ook nieuwe mogelijkheden. Met name de technologie maakt het nu mogelijk over real-timegegevens te beschikken, waarmee onmiddellijke beslissingen kunnen worden getroffen en in bepaalde gevallen ook levens kunnen worden gered. Voor zover aan bepaalde technische eisen is voldaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de harmonisatie van formaten en de interoperabiliteit van datasystemen, kunnen gegevens steeds vaker zodanig gecombineerd worden dat geïntegreerde analyses kunnen worden verricht, waarvan een goed beleid afhankelijk is.

4. OZONE WEB: EEN VOORBEELD VAN WAT ER MOGELIJK IS

In 2006 hebben 22 landen het Europees Milieuagentschap (EMA) regelmatig en nagenoeg onvertraagd hun ozonwaarden meegedeeld en vijf andere landen waren bij de opzet van het project betrokken. Ozone web heeft in juli 2006 zijn eerste resultaat geboekt met de publicatie van een proefpagina op de EMA-website. Geleidelijk kwamen er steeds meer gegevens vrij en aan het eind van de zomer waren er al rond 700 meetstations in heel Europa die nagenoeg onvertraagd gegevens doorstuurden naar de EMA-website.

De website geeft gegevensverstrekkers, deskundigen op het gebied van luchtkwaliteit en de Europese burgers een overzicht van de situatie in Europa, maakt het mogelijk de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in een bepaalde regio te volgen en bevat links naar nationale en regionale ozon-websites met informatie over de plaatselijke luchtkwaliteit. Zo kan de luchtkwaliteit over de lands- en regiogrenzen heen gemakkelijker vergeleken worden.

Voor het grote publiek publiceert de EMA-website nagenoeg onvertraagd de gemeten ozonwaarden op een kaart en wordt achtergrondinformatie verschaft over de gevolgen van de luchtkwaliteit in het algemeen. De informatie op de EMA-website wordt in vele gevallen om de twee uur geactualiseerd. Met een volledige dekking op EU-niveau zou het systeem gebruikt kunnen worden voor de mededeling van zomerozonwaarden aan de Commissie. Het EMA is voornemens Ozone web tot andere schadelijke stoffen uit te breiden maar het systeem kan alleen naar behoren functioneren als alle lidstaten deelnemen. Een volledig ontwikkeld systeem zou bijgevolg kunnen worden gebruikt om de burgers te informeren, onderzoekers de nodige gegevens te verstrekken, het EMA op de hoogte te stellen van de toestand van het milieu en de Commissie te informeren over de naleving van de milieuvoorschriften.

Ozone web is een actueel en concreet voorbeeld van het soort diensten dat een open, gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem kan bieden en valideert bijgevolg het concept van het SEIS. Het is echter beperkt tot één schadelijke stof. Dit soort systemen moet veel breder worden opgezet en een veel groter scala aan relevante milieu-informatie omvatten om te kunnen worden gebruikt voor de geïntegreerde analyses die vereist zijn om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden.

5. WAT ZIJN DE VOORDELEN VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MILIEU-INFORMATIESYSTEEM?

5.1. Vereenvoudiging en doeltreffendheid

Hoewel de voordelen van een politieke verbintenis op basis van de genoemde beginselen verder gaan dan de vereenvoudiging op zich, vormen ze toch het conceptueel kader dat vereist is om de momentele rapportage- en toezichtverplichtingen te vereenvoudigen.

Zoals reeds vermeld in de inleiding, is de modernisering van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de manier waarop de voor de communautaire milieuwetgeving vereiste informatie ter beschikking wordt gesteld een belangrijke stap bij de implementatie van het SEIS. De afschaffing van de rapportage op papier maakt de informatie-overdracht eenvoudiger, flexibeler en doeltreffender.

Zoals ook in de inleiding vermeld en op voorwaarde dat een dergelijk voorstel vergezeld gaat van een politieke verbintenis op basis van de SEIS-beginselen, zal het systeem ook voordelen op het stuk van vereenvoudiging opleveren met betrekking tot i) de inhoud van de informatievereisten in de thematische milieuwetgeving, ii) de inhoud en de procedure voor rapportage op internationaal niveau en iii) een effifciëntere gegevensverzameling in de lidstaten.

Door een efficiënter gebruik van de beschikbare gegevens vergemakkelijkt het SEIS de verdere rationalisering en prioriteitsstelling van de informatievereisten die momenteel zijn opgenomen in de thematische milieuwetgeving. Dit zou een dominoeffect kunnen hebben op internationale overeenkomsten die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de momentele rapportagebelasting van de nationale overheden en waarvan het geografisch bereik vaak net zo groot is als de EU. Wat de kosten betreft, blijkt uit de analyse dat de verbetering van de efficiency bij de gegevensverzameling in de lidstaten een van de posten is waarop het meest kan worden bespaard. Een versterkte harmonisatie en prioriteitstelling van de toezichtactiviteiten op nationaal en regionaal niveau kan bijzonder doeltreffend zijn bij het verbeteren van de kostenefficiency van de huidige investeringen.

5.2. Betere regelgeving, beter beleid

Hoewel vereenvoudiging een wezenlijk onderdeel is van de agenda voor betere regelgeving mogen we ook niet vergeten dat betere regelgeving, en beter beleid in het algemeen, afhankelijk is van kwalitatief hoogwaardige informatie die relevant moet zijn en op tijd moet worden verstrekt. Uiteraard moet de administratieve last op zodanige wijze verminderd worden dat de kwaliteit van het overheidsbeleid en van de regelgeving daardoor beter wordt en niet slechter.

Een politieke verbintenis op basis van bovengenoemde beginselen kan tot de verwezenlijking van dit doel bijdragen door de beschikbare gegevens op doeltreffende wijze te benutten. Aangezien milieugegevens en –informatie voor een groot aantal partijen en voor vele doeleinden van potentieel belang is, kan worden verwacht dat een verbetering van de mechanismen voor het verzamelen, uitwisselen en gebruiken van de gegevens ertoe leidt dat er steeds meer gebruik van wordt gemaakt en dat de kosten voor de gebruikers aanzienlijk zullen dalen. Dit komt de doeltreffendheid van milieumaatregelen op alle beleidsgebieden ten goede, bijvoorbeeld bij de aanpassing aan de klimaatverandering, de bescherming van biodiversiteit, het waterbeheer alsmede de preventie en het beheer van milieurampen zoals overstromingen en bosbranden.

5.3. Inspraak voor de burger

Afgezien van de voordelen van administratieve vereenvoudiging en betere regelgeving, zorgt de navolging van de genoemde beginselen er ook voor dat de Europese burgers mondiger worden: doordat zij tijdig toegang krijgen tot relevante informatie kunnen zij met kennis van zaken beslissingen nemen over hun milieu en met name in noodgevallen passende actie ondernemen, en invloed uitoefenen op het overheidsbeleid. De toegang van het publiek tot nuttige informatie in hun eigen taal kan ook de interesse voor het Europese project bij de burgers helpen aanzwengelen.

6. WAT GAAT HET SEIS KOSTEN?

Bij de evaluatie van de kosten voor de uitvoering van de SEIS-beginselen moet rekening worden gehouden met het feit dat veel relevante werkzaamheden al aan de gang zijn en dat de grootste uitdaging – maar ook de reden waarom een formele politieke verbintenis voor deze beginselen vereist is – het doeltreffender op elkaar afstemmen van deze activiteiten is. Enkele van de belangrijkste activiteiten op Europees en nationaal niveau zijn in deel 7 samengevat.

Waarschijnlijk moeten er echter nog verdere investeringen worden gedaan om de in deel 2 genoemde SEIS-beginselen volledig te kunnen uitvoeren. Deze investeringen zijn als volgt onder te verdelen:

- De lopende werkzaamheden voor de implementatie van de INSPIRE-richtlijn moeten zowel op Europees als op nationaal niveau meer politieke en administratieve aandacht krijgen en van voldoende middelen worden voorzien.

- Overheids- en andere instanties die zich met het verzamelen en verwerken van milieugegevens bezighouden, moeten hun organisatie- en bedrijfsmodellen herzien en in sommige gevallen aanpassen om hun bestaande systemen interoperabel te maken en te koppelen met een geïntegreerd "systeem van systemen".

- De EU-instellingen en -organen moeten hun inspanningen voor het actualiseren en rationaliseren van de rechtsvoorschriften voortzetten of versterken en er daarbij op toezien dat de bestaande rapportagesystemen, waarvan de meeste momenteel gecentraliseerd werken, zodanig ontworpen of aangepast worden dat ze compatibel zijn met een meer en meer interoperabel gedistribueerd netwerk.

- Verdere investeringen zullen nodig zijn om nieuwe gegevens te genereren die nu niet worden verzameld maar die als wezenlijk worden beschouwd om beleidsmaatregelen te ondersteunen of eventueel om toezicht- en gegevenssystemen te harmoniseren. Dergelijke investeringen worden echter gecompenseerd door een betere prioriteitsstelling van de informatievereisten en de intrekking van achterhaalde voorschriften.

7. ACTUELE MAATREGELEN VOOR DE OPBOUW VAN HET SEIS

Voor de tenuitvoerlegging van de SEIS-beginselen zijn met medewerking van de lidstaten op Europees niveau verschillende initiatieven genomen om deze uitdagingen aan te gaan en gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door de zich ontwikkelende informatietechnologie. Het betreft met name de volgende initiatieven:

- In de laatste jaren heeft de Commissie verschillende maatregelen voorgesteld of genomen die een aanzienlijke rationalisering van de wettelijke rapportageverplichtingen beogen. Een van de reeds voorgestelde maatregelen betreft de thematische strategie inzake luchtverontreiniging (CAFE). De herziening van de IPPC-richtlijn (96/61/EG) heeft onder andere betrekking op de coherentie van de bepalingen in die richtlijn (inclusief de rapportagevoorschriften) met die van de richtlijnen inzake grote stookinstallaties en afvalverbranding. Verder is onlangs een project van start gegaan om uit te zoeken welke links kunnen worden gelegd tussen de toezicht- en rapportageverplichtingen in verschillende onderdelen van de wetgeving op het gebied van luchtverontreiniging en klimaatverandering en concrete rationaliseringsvoorstellen te doen.

- Bij de lopende ontwikkelingen in de context van de thematische milieuwetgeving wordt meer en meer duidelijk dat er een moderne aanpak vereist is voor het genereren, uitwisselen en gebruiken van gegevens en informatie. Een goed voorbeeld hiervan is het waterinformatiesysteem voor Europa (WISE) dat oorspronkelijk ontworpen was als een rapportage-instrument in de context van de kaderrichtlijn water en dat tussen nu en 2010 wordt uitgebreid met rapportagegegevens overeenkomstig een aantal bestaande en toekomstige watergerelateerde richtlijnen en statistische gegevens.

- Richtlijn 2007/2/EG inzake de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in Europa (INSPIRE). Deze richtlijn is in maart 2007 vastgesteld en beoogt de verbetering van de toegankelijkheid en interoperabiliteit van ruimtelijke gegevens. INSPIRE is op overeenkomstige beginselen als het SEIS gebaseerd en een geslaagde tenuitvoerlegging van deze richtlijn zal in belangrijke mate bijdragen aan het verhelpen van de bestaande inefficiëntie met betrekking tot het gebruik en de bruikbaarheid van door overheidsdiensten opgeslagen ruimtelijke gegevens. Er zij wel op gewezen dat INSPIRE niet-geografische of niet-numerieke gegevens niet rechtstreeks verwerkt, dat INSPIRE zelf geen organisatorische herstructurering in de lidstaten waarborgt en niet rechtstreeks tot een verbetering van de kwaliteit en van de vergelijkbaarheid van gegevens leidt.

- Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (de Aarhus-richtlijn) geeft burgers recht op milieu-informatie die in het bezit is van of voortgebracht is door overheidsinstanties, zoals informatie over de toestand van het milieu, maar ook over beleid of genomen maatregelen of over de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid indien deze kan worden beïnvloed door de toestand van het milieu. Belangstellenden kunnen deze informatie op verzoek en zonder opgave van redenen binnen een maand verkrijgen. Bovendien zijn de overheidsdiensten verplicht de milieu-informatie waarover zij beschikken actief te verspreiden.

- Het GMES-initiatief (Wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid) heeft tot doel op basis van aardobservatiegegevens van satellieten en in-situ-observaties in water, lucht en bodem operationele informatiediensten ter beschikking te stellen. Deze diensten kunnen met name tegemoetkomen aan de behoeften van beleidsmakers op alle niveaus, van Europees tot lokaal. Het GMES-initiatief concentreert zich vooreerst op de ontwikkeling van drie fast track-diensten (landmonitoring, mariene diensten en reactie in noodsituaties); de voorbereidingen voor de implementatie van een vierde dienst betreffende de atmosfeer zijn onlangs van start gegaan. Deze fast track-diensten bieden een goede gelegenheid om de bestaande toezichtsystemen te reorganiseren en te verbeteren doordat ze ertoe bijdragen de lacunes in de momenteel beschikbare gegevens en informatieproducten op te sporen en uit de weg te ruimen en de duurzame en operationele verstrekking van deze informatie te garanderen.

- Zowel de Gemeenschap als de lidstaten zijn volwaardig lid van de groep voor aardobservatie (Group on Earth Observation – GEO) die tot doel heeft een Wereldwijd aardobservatiesysteem van systemen (GEOSS) te ontwikkelen, en zijn dus gehouden aan de beginselen inzake interoperabiliteit en gegevensuitwisseling. De eerste activiteiten op dit gebied hadden betrekking op de verbetering van gegevenstoegang en gegevensuitwisseling, de bevordering van de ontwikkeling van de interoperabiliteit tussen systemen door middel van internationale normen en andere interoperabiliteitsovereenkomsten, de ontwikkeling van mechanismen voor de uitwisseling en het gebruik van gegevens en informatiemateriaal en de ontwikkeling van gedetailleerde specificaties en demonstraties van de onderliggende architectuur en gebruikersinterfacecomponenten.

- In het kader van het maritieme beleid van de EU wordt een Europees marien observatie- en datanetwerk opgezet om een common gateway ter beschikking te stellen voor wetenschappers en verstrekkers van hoogwaardige mariene gegevens van geologische, fysische, chemische en biologische aard alsmede over de menselijke activiteit die van invloed is op onze zeeën en oceanen.

- De Commissie financiert verschillende onderzoeks- en niet-onderzoeksactiviteiten met betrekking tot gedistribueerde open systemen voor milieubeheer. Hieronder vallen de kaderprogramma's voor onderzoek, eTEN, eContent en sinds kort ook het programma ter ondersteuning van het PCI-beleid. Bovendien heeft de Commissie in 2004 in het kader van het IDABC-programma en in nauwe samenwerking met de lidstaten een Europees interoperabiliteitskader ontwikkeld. Dit document bevat een reeds aanbevelingen en richtsnoeren betreffende de organisatorische, semantische en technische aspecten van de interoperabiliteit ter ondersteuning van pan-Europese e-overheidsdiensten (PEGS) ten behoeve van de grensoverschrijdende en sectoroverkoepelende interactie tussen overheidsdiensten, ondernemingen en burgers. Een mededeling van de Commissie met een herziene versie van het document is voor 2008 gepland.

- Bij het verzamelen en verschaffen van milieu-informatie speelt het Europees Milieuagentschap uiteraard een cruciale rol, met de hulp van het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (EIONET). Dit is een netwerk van rond 900 deskundigen van meer dan 300 nationale milieuagentschappen en andere instanties die zich in 37 Europese landen bezighouden met milieu-informatie, alsmede vijf Europese thematische centra die specifieke milieuthema's behandelen (European Topic Centres, ETC). EIONET kan ook gebruik maken van een infrastructuur voor de ondersteuning en verbetering van gegevens- en informatiestromen (Reportnet), die verschillende webdiensten integreert en een verdeling van de verantwoordelijkheden mogelijk maakt. Reportnet werd oorspronkelijk voornamelijk gebruikt voor de overdracht van milieugegevens aan het Europees Milieuagentschap maar beheert nu ook bepaalde milieurapportage-informatie van de Commissie.

Naast deze Europese initiatieven dragen ook verschillende nationale, regionale en plaatselijke initiatieven bij aan de concretisering van het SEIS, zoals:

- een Duits milieu-informatieportaal (PortalU) met verschillende honderdduizenden websites en databanken van overheidsdiensten op Bonds- en deelstaatniveau;

- in Ierland het " North-South Share Risk Assessment Reporting Tool ", een interactief kaarten- en databanksysteem voor openbaar en professioneel gebruik;

- in Italië een milieu-informatie- en toezichtsysteem (EIMS) dat wordt ontwikkeld door het agentschap voor milieubescherming en technische diensten en de regionale milieu-agentschappen;

- in Nederland het RIVM-portaal voor milieudeskundigen dat in september 2007 is gelanceerd;

- eveneens in Nederland een recentelijk door verschillende overheidsdiensten gezamenlijk in opdracht gegeven herziening van toezicht- en rapportageverplichtingen en maatregelen met betrekking tot milieu, natuur en water in Nederland in het kader van de internationale, Europese, nationale en interprovinciale regelgeving;

- Oostenrijk streeft naar 100% elektronische rapportage en is er al in geslaagd alle door het EMA gevraagde gegevens als deel van zijn jaarlijkse "prioritaire gegevensstromen" te rapporteren;

- in Slovenië een e-Reporting-project van het bureau voor de statistiek, waarvan de softwaretests binnenkort worden uitgevoerd;

- In het Verenigd Koninkrijk de door het Marine Assessment Policy Committee in mei 2006 aangenomen Marine Monitoring and Assessment Strategy die het Verenigd Koninkrijk beter in staat moet stellen de voor de duurzame ontwikkeling binnen een schoon, gezond en productief marien ecosysteem met een rijke biologische diversiteit vereiste wetenschappelijke informatie ter beschikking te stellen en daarop te reageren.

8. WELKE MAATREGELEN MOETEN NOG WORDEN GENOMEN OM HET SEIS TE IMPLEMENTEREN?

Een politieke verbintenis op basis van de in deze mededeling uiteengezette beginselen is de eerste stap in de richting van de implementatie van het SEIS. Hierdoor wordt een duidelijk signaal afgegeven aan de vele belanghebbenden binnen en buiten de overheid die hun krachten moeten bundelen voor een geïntegreerd project dat vele afzonderlijke doeleinden dient. Een politieke verbintenis voorkomt ook dat de werkzaamheden fragmentarisch blijven en daarom minder dan mogelijk is zouden bijdragen aan de aanpak van de in de mededeling beschreven uitdagingen. Deze voortrekkersrol moet door concrete maatregelen in de lidstaten geflankeerd worden om te garanderen dat de nationale informatie-activiteiten op passende wijze gecoördineerd worden.

De lopende activiteiten op Europees, nationaal en regionaal niveau, met inbegrip van de in deel 5 beschreven activiteiten, moeten in de zin van de SEIS-beginselen versterkt en gecoördineerd worden. Binnen de Commissie wordt prioriteit verleend aan de implementatie van de INSPIRE-richtlijn en de verdere ontwikkeling van het GMES-initiatief, die immers de basis vormen voor de verbetering van de uitwisseling van milieugegevens en –informatie in Europa alsmede dienstverlening aan beleidsmakers en burgers. De bijdrage van deze twee activiteiten aan de oplossing van problemen die zij moeten aanpakken, wordt zorgvuldig bekeken en er wordt ook onderzocht of er nog eventuele aanvullende initiatieven nodig zijn. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat het SEIS, INSPIRE en GMES elkaar ondersteunen.

Zoals boven vermeld, is de modernisering van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de manier waarop de voor de milieuwetgeving vereiste informatie ter beschikking wordt gesteld, een belangrijke stap bij de tenuitvoerlegging van het SEIS en met name om de verwachte voordelen van de vereenvoudiging op gang te brengen. Dit doel zou kunnen worden bereikt met de herziening van de gestandaardiseerde rapportagerichtlijn (91/692/EG ), die moet worden geactualiseerd en in lijn gebracht met de SEIS-beginselen. Hiertoe wil de Commissie in 2008 een wetgevingsvoorstel doen en achterhaalde bepalingen in de bestaande richtlijn intrekken. Hoewel die richtlijn maar op een relatief klein deel van de rapportageverplichtingen van toepassing is, kunnen de in de herziene richtlijn voorziene bepalingen betreffende de modernisering van de manier waarop informatie ter beschikking wordt gesteld, in wezen betrekking hebben op alle van de meer dan 100 bestaande milieurapportageverplichtingen. Met de voorgestelde nieuwe richtlijn moeten de beginselen en doelstellingen van het SEIS wettelijk bindend worden. De Commissie zal van de gelegenheid gebruik maken om ook andere wijzigingen in de milieuvoorschriften aan te brengen om te waarborgen dat de SEIS-beginselen in alle mogelijke gevallen systematisch in de bestaande voorschriften voor rapportage en toezicht geïntegreerd worden.

De Commissie blijft zich inzetten om de inhoud van informatieverplichtingen in de thematische milieuwetgeving te rationaliseren en in lijn te brengen met de in deze mededeling vervatte beginselen. Op basis van de lopende werkzaamheden in het kader van het thematisch milieubeleid en het GMES moeten verdere analyses worden uitgevoerd om duidelijkheid te verkrijgen over de daadwerkelijke gegevens- en informatievereisten en om de vereiste wettelijke en/of financiële instrumenten vast te stellen. De Commissie zal ook gebruik maken van haar lidmaatschap in relevante internationale fora om soortgelijke initiatieven met betrekking tot internationale verplichtingen te stimuleren. De lidstaten moeten op hun beurt de Commissie ondersteunen bij de bevordering van het rationaliseringsproces in internationale fora en verdere stappen ondernemen om de procedures voor gegevensverzameling op nationaal en regionaal niveau te rationaliseren en te vereenvoudigen.

Het Europees Milieuagentschap (EMA) moet bij de implementatie van het SEIS een doorslaggevende rol spelen en is een groot voorstander van de in deze mededeling beschreven beginselen. Om te kunnen blijven voldoen aan zijn mandaat om tijdige en betrouwbare milieu-informatie te verschaffen, moet het Europees Milieuagentschap het SEIS tot het middelpunt van zijn strategie maken. Het Reportnet-instrument van het EMA moet door de lidstaten van het EMA volledig gebruikt worden en geleidelijk worden aangepast om zijn compatibiliteit te waarborgen met het in ontwikkeling zijnde verdeelde Europese systeem.

Ten behoeve van een passende financiering van de noodzakelijke infrastructuur wordt uit hoofde van de kaderprogramma's voor onderzoek, LIFE+, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) en de structuurfonds financiële bijstand van de Gemeenschap verleend. Omdat niet al deze programma's op de financiering van operationele infrastructuren zijn afgestemd, zal het succes van het SEIS ook afhankelijk zijn van de medefinanciering uit nationale en regionale begrotingen van de boven beschreven noodzakelijke acties en doelstellingen.

Een substantiële verbetering van de beschikbaarheid van informatie en een goed rendement van de voor de productie van deze informatie vereiste investeringen kan alleen worden bereikt met een verdere harmonisatie van de bestaande toezichtsystemen en een thema-overkoepelende coördinatie van de planning en implementatie ervan in de lidstaten. Voorbeelden van de behoefte aan thema-overkoepelende coördinatie zijn onder andere de in-situ -monitoring van zoet water, van de bodem, van het landgebruik en van de biodiversiteit in een ecosysteemcontext alsmede de rol van in-situ-monitoring voor de validatie van ruimte-observatiegegevens. In het kader hiervan zal de Commissie binnen drie jaar een verslag publiceren over de meest dringende maatregelen en in voorkomend geval passende wetgevingsvoorstellen doen.

Hoewel deze mededeling in eerste instantie gericht is op de ontwikkeling van het SEIS binnen de EU, worden de genoemde beginselen ook in het kader van de betrekkingen met derde landen bevorderd, in het bijzonder met toetredingslanden en buurlanden, en wordt gestreefd naar een toekomstige openstelling van het systeem voor deelname van deze landen.

De diensten van de Commissie zullen in 2008 in samenwerking met de lidstaten en het EMA een gedetailleerd uitvoeringsplan opstellen om de in deze mededeling vervatte doelstellingen te bereiken. Het uitvoeringsplan zal in het bijzonder verdere details bevatten over de invoering van het SEIS waarbij volledig rekening zal worden gehouden met de kosten en baten daarvan. Naast de meer technische aspecten komen in het uitvoeringsplan ook kwesties met betrekking tot juridische, financiële, procedurele en economische aspecten aan bod, voor zover deze niet reeds naar tevredenheid zijn behandeld.

Top