Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 42008X1122(01)

Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de opleiding van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in de Europese Unie

OJ C 299, 22.11.2008, p. 1–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

22.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/1


Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de opleiding van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in de Europese Unie

(2008/C 299/01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Nationale rechters en openbare aanklagers spelen een cruciale rol bij het garanderen van de naleving van het recht van de Europese Unie. Efficiënte interactie tussen nationale rechters en het Europees Hof van Justitie in het kader van de procedure voor het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Europees Hof van Justitie over de geldigheid en/of uitlegging van bepalingen van Europees recht is van het grootste belang voor de samenhang in de Europese rechtsorde. In dit verband wordt bijzondere aandacht gevraagd voor een prejudiciële urgentieprocedure die van toepassing is op kwesties in verband met de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(2)

De Europese Raad heeft in oktober 1999 in Tampere de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid bovenaan op de politieke agenda gezet. Met het oog daarop heeft de Europese Raad het beginsel van wederzijdse erkenning bestempeld als de hoeksteen van de justitiële samenwerking in civiele en strafrechtelijke zaken in de Europese Unie.

(3)

Rechtbanken, het openbaar ministerie en andere nationale bevoegde autoriteiten kunnen in de gehele Europese Unie in verscheidene stadia van civiele en strafrechtelijke procedures uitspraken doen. Krachtens het beginsel van wederzijdse erkenning kunnen deze uitspraken overeenkomstig het toepasselijke wetgevingsbesluit in een andere lidstaat dan waar zij gegeven zijn, erkend en ten uitvoer worden gelegd. Alle rechters en openbare aanklagers in de Europese Unie kunnen dus in een situatie terechtkomen waarin zij een in een andere lidstaat gedane uitspraak in een civiele of strafzaak ten uitvoer moeten leggen.

(4)

Voor een correcte toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning moeten de lidstaten en hun justitiële autoriteiten vertrouwen hebben in elkaars rechtsstelsels. Voorts vergt de intensivering van de justitiële samenwerking, bijvoorbeeld via rechtstreekse contacten tussen de justitiële autoriteiten, met name via de Europese justitiële netwerken en Eurojust, een sfeer van wederzijds vertrouwen en verstandhouding tussen de justitiële autoriteiten.

(5)

In het Haags programma van 2004 (1) wordt beklemtoond dat het wederzijds vertrouwen moet worden versterkt door middel van een nadrukkelijke inspanning om het wederzijdse begrip tussen justitiële autoriteiten en verschillende rechtsstelsels te verbeteren, uitwisselingsprogramma's voor deze autoriteiten te bevorderen en stelselmatig een EU-component te integreren in de opleidingen.

(6)

In de mededeling van de Europese Commissie van 29 juni 2006 (2) over de justitiële opleiding in de Europese Unie wordt beklemtoond dat de justitiële opleiding moet worden ontwikkeld om de bij de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht geboekte vooruitgang concreet vorm te geven en zichtbaar te maken. In de mededeling wordt met name beklemtoond dat rechtsbeoefenaars beter vertrouwd moeten worden gemaakt met de rechtsinstrumenten van de Europese Unie, dat het inzicht van de lidstaten in elkaars rechtsstelsel moet worden verbeterd en dat de talenopleiding moet worden verbeterd. Hoewel ook beklemtoond wordt dat het in eerste instantie aan de lidstaten is de Europese dimensie ten volle in hun nationale activiteiten te integreren, wordt in de mededeling tevens benadrukt dat er behoefte is aan een meer geïntegreerde opleiding, die op Europees niveau wordt geconcipieerd en uitgevoerd.

(7)

Wederzijds vertrouwen stoelt met name op de zekerheid dat alle rechters, openbare aanklagers en alle leden van het justitieel personeel (zoals assistenten, bedienden en griffiers) in de Europese Unie een passende opleiding hebben genoten. De opleiding van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel is dus de manier bij uitstek om de wederzijdse erkenning te bevorderen.

(8)

Een adequate justitiële opleiding houdt met name in dat alle rechters, openbare aanklagers en personeelsleden van justitie van Europa voldoende bekend zijn met de instrumenten inzake Europese samenwerking en dat zij het primair en afgeleid recht van de Europese Unie ten volle hanteren. Die opleiding moet alle aspecten omvatten die van belang zijn voor de totstandbrenging van de interne markt en de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Zij moet ook bijdragen tot voldoende kennis van de wetten en het rechtsstelsel van de andere lidstaten van de Europese Unie en het volgen van relevante cursussen rechtsvergelijking aanmoedigen.

(9)

Sedert de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie organiseren verschillende Europese instanties, zoals de academie van Europees recht (Europäische Rechtsakademie, ERA) en het Europees centrum voor de magistratuur en de juridische beroepen van het Europees Instituut voor bestuurskunde (EIB) — opleidingen voor rechtsbeoefenaars en justitieel personeel, die vooral betrekking hebben op het primair en het afgeleid Europees recht.

(10)

Het in oktober 2000 opgerichte Europees netwerk voor justitiële opleiding (ENJO), is een vereniging die de instellingen van de lidstaten omvat die belast zijn met de opleiding van rechters en openbare aanklagers. Doel ervan is Europese opleidingsprogramma's te bevorderen en te organiseren voor rechters en openbare aanklagers van de lidstaten en hun opleiders. Daartoe streeft het ENJO ernaar dat gebruik wordt gemaakt van een catalogus van grensoverschrijdende opleidingsmogelijkheden. Het ENJO is ook belast met de uitvoering van een uitwisselingsprogramma voor justitiële autoriteiten.

(11)

In het Haags programma wordt erop gewezen dat het ENJO door de Unie moet worden gesteund. In zijn resolutie van 24 september 2002 (3) heeft het Europees Parlement het belang van het ENJO beklemtoond.

(12)

Sedert 1996 wordt voor de door de nationale opleidingsinstituten en Europese instanties, zoals de ERA, het EIB en het ENJO, ontwikkelde justitiële opleidingen steun verleend uit financiële programma's van de Europese Unie. Besluit 2007/126/JBZ van 12 februari 2007 tot vaststelling van het specifieke programma „Strafrecht” voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het Algemene programma „Grondrechten en justitie” (4) voorziet in een werkingstoelage voor het ENJO. De ERA en het EIB krijgen ook regelmatig steun uit de communautaire begroting. Tussen de Europese Commissie, het EIB, de ERA en het ENJO zijn specifieke partnerschapskaderovereenkomsten gesloten. Het ENJO is een bevoorrechte partner voor de uitvoering van het uitwisselingsprogramma voor magistraten en zijn efficiëntie dient verbeterd te worden.

(13)

De nationale instanties voor de opleiding van magistraten en justitieel personeel blijven niettemin de instanties bij uitstek voor het leggen van een gemeenschappelijke basis van theoretische kennis en praktische toepassingen alsmede, in ruimere zin, van een Europese justitiële cultuur die weliswaar gebaseerd is op eenheid ingevolge het Europees recht, doch niettemin de diversiteit van de rechtsstelsels en justitiële apparaten van de lidstaten erkent.

(14)

Om een echt wederzijds vertrouwen tussen de justitiële actoren van de lidstaten te bevorderen, moet aan het begrip „opleiding” een zo ruim mogelijke invulling worden gegeven, die gericht is op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Europese justitiële cultuur. Op basis van de gemeenschappelijke waarden en tradities moet een dergelijke Europese justitiële cultuur onder meer stimuleren dat rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in staat zijn zich open op te stellen voor juridische culturen en tradities van andere lidstaten en om ter zake dienende deontologische kwesties te bespreken.

(15)

In zijn resolutie van 9 juli 2008 over de rol van de nationale rechter in het Europees rechtsstelsel (5) wijst het Europees Parlement erop dat rechters en officieren van justitie een ontoereikende kennis van het Europees recht hebben, omdat weinigen onder hen op dat gebied een passende opleiding hebben genoten. Ook is in wederzijdse evaluatierapporten gebleken dat rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in de lidstaten van de Europese Unie niet altijd voldoende vertrouwd zijn met het Europees recht en dat zij over het algemeen niet voldoende gebruik maken van de Europese instanties die hun ter beschikking staan om procedurekwesties gemakkelijker op te lossen, zoals Eurojust en de Europese justitiële netwerken.

(16)

De rechters, de openbare aanklagers en het justitieel personeel van de lidstaten zijn nog onvoldoende doordrongen van het belang van de verdere ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur, en het bewustzijn deel uit te maken van en bij te dragen tot een gemeenschappelijke justitiële ruimte moet worden vergroot.

(17)

Opleidingen in de officiële talen van de Europese Unie, afgezien van de moedertaal van de betrokkene, zijn voor rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel zeer belangrijk, onder meer om rechtstreekse contacten tussen de justitiële autoriteiten van de verschillende lidstaten mogelijk te maken en te vergemakkelijken, alsmede om interesse en openheid voor de juridische culturen en tradities van andere lidstaten te stimuleren. Talencursussen verlagen voor rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel ook de drempel om deel te nemen aan uitwisselingsprogramma's en opleidingsactiviteiten in andere lidstaten.

(18)

Het is van cruciaal belang dat andere rechtsbeoefenaars, zoals advocaten, een adequate opleiding Europees recht krijgen. In de meeste lidstaten zijn deze beroepsgroepen evenwel zelf verantwoordelijk voor het organiseren van hun opleidingen. Het lijkt daarom wenselijk deze buiten de werkingssfeer van deze resolutie te laten. Dit mag evenwel niet beletten dat de nationale autoriteiten en de Europese Unie de opleidingen voor deze andere juridische beroepen op het gebied van het Europees recht ondersteunen, ook financieel, met dien verstande dat de onafhankelijkheid van deze juridische beroepen niet in gevaar komt.

(19)

Rechters en openbare aanklagers hebben in de lidstaten afzonderlijke taken. Deze resolutie bevat dan ook geen elementen die de lidstaten ertoe verplichten een gemeenschappelijke opleiding voor rechters en openbare aanklagers te organiseren.

(20)

Deze resolutie moet een toetsingsclausule bevatten betreffende de toepassing van deze richtsnoeren. Uitgaande van die evaluatie moeten er passende maatregelen genomen worden om de situatie, waar nodig, verder te verbeteren.

(21)

Gelet op het bovenstaande moet er actie ondernomen worden inzake de opleiding van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel,

HEBBEN DE VOLGENDE RESOLUTIE AANGENOMEN:

1.

Bij het opzetten van de opleiding voor rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel (zoals assistenten, bedienden en griffiers) moeten de lidstaten, onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht of verschillen in rechterlijke organisatie in de Europese Unie, onderstaande richtsnoeren volgen.

2.

Deze richtsnoeren zijn gericht op de volgende algemene doelstellingen:

a)

bijdragen tot de ontwikkeling van een werkelijke Europese justitiële cultuur, die gebaseerd is op diversiteit van de rechtsstelsels en justitiële apparaten van de lidstaten en eenheid ingevolge het Europees recht;

b)

de kennis van het primair en afgeleid recht van de Europese Unie bij de rechters, de openbare aanklagers en het justitieel personeel vergroten, waaronder de kennis van de procedures voor het Europees Hof van Justitie, met name de procedure voor het verkrijgen van een prejudiciële beslissing over de geldigheid en/of uitlegging van bepalingen van Europees recht;

c)

het bevorderen, door passende opleiding, van de toepassing van het Europees recht door rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel, met volledige eerbiediging van de in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgenomen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie tot uiting komende grondrechten en beginselen;

d)

de kennis van het rechtsstelsel en de wetgeving van de andere lidstaten verbeteren, met name door het volgen van relevante cursussen rechtsvergelijking aanmoedigen;

e)

het verbeteren van de talenkennis van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in de hele Europese Unie;

f)

het bevorderen van een gezamenlijk besef van aangelegenheden die zowel rechters, openbare aanklagers als justitieel personeel aangaan;

g)

het bevorderen van een gezamenlijke denkoefening over de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en de implicaties daarvan voor de werking van de justitie.

3.

De lidstaten moeten alle praktische stappen nemen opdat hun nationale instanties voor de opleiding van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel, uitgaande van de reeds geleverde inspanningen,

a)

informatie verspreiden over de rechtstelsels en het recht van de andere lidstaten van de Europese Unie, zoals door het opzetten van cursussen rechtsvergelijking;

b)

de nationale opleidingsprogramma's van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel in toenemende mate openstellen voor andere lidstaten;

c)

de rechtstreekse uitwisseling van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel van de verschillende lidstaten ontwikkelen en stimuleren, onder meer door actief deel te nemen aan het uitwisselingsprogramma (6) tussen justitiële autoriteiten en jumelageprojecten te bevorderen, en andere passende middelen in te zetten;

d)

het Europees netwerk voor justitiële opleiding (ENJO) met alle geschikte middelen op efficiënte wijze ontwikkelen en actief aan de activiteiten ervan deelnemen.

4.

Om de hiervoor beschreven algemene doelstellingen te bereiken, moeten de lidstaten nieuwe concrete maatregelen aanmoedigen en, in voorkomend geval, ontwikkelen die erop gericht zijn:

a)

de Europese dimensie van de justitiële functies te belichten door:

a)

in hun nationale basisopleidingsprogramma — wanneer dat bestaat — en in de voortgezette opleidingen en curricula plaats in te ruimen voor het Europees recht, terdege rekening houdend met de richtsnoeren die geformuleerd moeten worden door het ENJO en daarbij gebruik makend van de ervaring van de bestaande opleidingsinstituten;

b)

het in punt 3, onder c), bedoelde uitwisselingsprogramma, waar nodig, uit te breiden tot het justitieel personeel;

c)

te bevorderen dat de rechters, de openbare aanklagers en het justitieel personeel ten minste een andere officiële taal van de Europese Unie kennen, met name via opleidingsprogramma's, en die kennis, waar nodig, mee te wegen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van het rechtsstelsel en het justitieel apparaat van de betrokken lidstaat, bijv. bij het aanwerven van rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel en bij evaluaties;

d)

de kennis van het rechtsstelsel en de wetgeving van de andere lidstaten te verbeteren;

e)

het leren omgaan met Europese e-justitie-instrumenten te stimuleren;

f)

e-learning en het gebruik van moderne technieken aan te moedigen;

b)

gemeenschappelijke Europese opleidingsprogramma's tot stand te brengen, waarvan de inhoud bepaald wordt door het ENJO en die door het netwerk en/of de leden ervan uitgevoerd worden, zoals:

a)

een of meer gemeenschappelijke opleidingsmodules;

b)

een gemeenschappelijk opleidingsprogramma voor specifieke categorieën relevante beroepsbeoefenaren, zoals leidinggevende magistraten, gespecialiseerde rechters of openbare aanklagers en opleiders;

c)

een gemeenschappelijk opleidingsprogramma van korte duur dat rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel van verschillende lidstaten samenbrengt („Europese klassen”) en waarvan de organisatie in eerste instantie toevertrouwd moet worden aan de nationale opleidingsinstanties.

5.

Het ENJO en zijn leden moeten een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van deze richtsnoeren. Daartoe moeten passende maatregelen genomen worden om het ENJO te versterken.

6.

Om de bovenstaande doelstellingen te bereiken, wordt de lidstaten verzocht de nodige maatregelen te nemen opdat de leden van het ENJO het bedrag van hun financiële bijdrage aan het ENJO kunnen optrekken, en zodoende de duurzame werking ervan veilig kunnen stellen.

7.

De Commissie en de lidstaten wordt verzocht een herziening te overwegen van de administratieve procedures voor het toewijzen van communautaire subsidies aan opleidingsprojecten voor rechters, openbare aanklagers en justitieel personeel, met name die projecten die georganiseerd worden door instanties waarmee de Commissie kader-partnerschapsovereenkomsten heeft gesloten, met name de ERA, het IAEP en het ENJO, teneinde deze procedures verder te vereenvoudigen en de beschikbare middelen sneller te kunnen toewijzen.

8.

De lidstaten en de Commissie wordt verzocht te zorgen voor de spoedige uitvoering van deze resolutie. Daartoe wordt het voorzitterschap en de Commissie verzocht de nodige contacten met de Europese opleidingsorganisaties te leggen.

9.

De Raad zal de toepassing van deze richtsnoeren uiterlijk vier jaar na de aanneming ervan evalueren op basis van een verslag van de Commissie. Uitgaande van het resultaat van die evaluatie moeten er passende maatregelen genomen worden om de situatie, waar nodig, verder te verbeteren.


(1)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(2)  COM(2006) 356 def.

(3)  PB C 273 E van 14.11.2003, blz. 99.

(4)  PB L 58 van 24.2.2007, blz. 13.

(5)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(6)  Uitwisselingsprogramma voor magistraten, met als rechtsgrondslag artikel 49, lid 2, van Verordening nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1).


Top