EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022R0869

Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013

PE/2/2022/REV/1

PB L 152 van 3.6.2022, p. 45–102 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/869/oj

3.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 152/45


VERORDENING (EU) 2022/869 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 mei 2022

betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943, en Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 347/2013

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 172,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft in haar mededeling van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”) een nieuwe groeistrategie uitgezet die tot doel heeft de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar de doelstelling van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 wordt bereikt en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. In haar mededeling van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” heeft de Commissie een streefcijfer voor broeikasgasemissiereductie van minstens 55 % tegen 2030 voorgesteld. Die ambitie is op 11 december 2020 door de Europese Raad onderschreven. In de bij die mededeling behorende effectbeoordeling is bevestigd dat de energiemix van de toekomst geheel anders zal zijn dan de huidige energiemix en dat de energiewetgeving moet worden geëvalueerd en zo nodig herzien. De huidige investeringen in de energie-infrastructuur zijn overduidelijk niet voldoende om de energie-infrastructuur van de toekomst te transformeren en verder uit te bouwen. Dit houdt onder meer in dat er een infrastructuur beschikbaar moet zijn die de Europese energietransitie kan ondersteunen, met inbegrip van de snelle toepassing van elektrificatie, de opschaling van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare en fossielebrandstofvrije bronnen, het toenemende gebruik van hernieuwbare en koolstofarme gassen, energiesysteemintegratie en een grotere inzet van innovatieve oplossingen.

(2)

Het huidige bindende streefcijfer op Unieniveau dat tegen 2030 minstens 32 % van het energieverbruik afkomstig moet zijn van hernieuwbare energiebronnen, met een centrale streefcijfer op Unieniveau van minstens 32,5 % energie-efficiëntie, zal worden herzien in het kader van de verhoogde ambitieniveaus van de Unie die zijn verankerd in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4) en de Europese Green Deal.

(3)

De Overeenkomst van Parijs, die is gesloten in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (5) (de “Overeenkomst van Parijs”) omvat de doelstelling op lange termijn om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging tot 1,5 °C te beperken ten opzichte van het pre-industriële niveau. In de overeenkomst wordt benadrukt dat de aanpassing aan de nadelige gevolgen van de klimaatverandering belangrijk is en dat de geldstromen in lijn moeten worden gebracht met een traject naar broeikasgasarme en klimaatbestendige ontwikkeling. Op 12 december 2019 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale Europese Unie tot stand te brengen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

(4)

Bij Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn richtsnoeren vastgesteld voor de tijdige ontwikkeling en de interoperabiliteit van prioritaire corridors en gebieden van de trans-Europese energie-infrastructuur met het oog op de verwezenlijking van de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) geformuleerde energiedoelstellingen om te zorgen voor een goede werking van de interne energiemarkt, zekerheid van levering en concurrerende energiemarkten in de Unie, en ter bevordering van energie-efficiëntie en -besparing en de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare vormen van energie, alsook de bevordering van de onderlinge koppeling van energienetten. Verordening (EU) nr. 347/2013 voorziet in een kader voor de lidstaten en de relevante belanghebbenden voor samenwerking in een regionale context teneinde beter geconnecteerde energienetten tot stand te brengen om zo momenteel van de Europese energiemarkt geïsoleerde regio’s aan te sluiten, de bestaande grensoverschrijdende interconnecties te versterken en nieuwe te faciliteren, en de integratie van hernieuwbare energie te bevorderen. Door deze doelstellingen na te streven, draagt Verordening (EU) nr. 347/2013 bij aan slimme, duurzame en inclusieve groei en brengt het baten voor de gehele Unie op het gebied van concurrentievermogen en economische, maatschappelijke en territoriale cohesie.

(5)

De evaluatie van Verordening (EU) nr. 347/2013 heeft duidelijk aangetoond dat het kader de integratie van de netwerken van de lidstaten op effectieve wijze heeft verbeterd, de handel in energie heeft gestimuleerd en daarmee een bijdrage heeft geleverd aan het concurrentievermogen van de Unie. Projecten van gemeenschappelijk belang in de categorieën elektriciteit en gas hebben een grote bijdrage geleverd aan de voorzieningszekerheid. Wat gas betreft is de infrastructuur nu beter onderling verbonden en is de veerkracht van de levering sinds 2013 aanzienlijk verbeterd. Regionale samenwerking in regionale groepen en via grensoverschrijdende kostentoewijzing is een belangrijke faciliterende factor voor de uitvoering van projecten. In veel gevallen heeft de grensoverschrijdende kostentoewijzing echter niet geleid tot het dichten van de financieringskloof van de projecten, zoals de bedoeling was. Hoewel het merendeel van de vergunningverleningsprocedures is ingekort, is er in bepaalde gevallen nog altijd sprake van langdurige vergunningverleningsprocessen. De financiële steun uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility), vastgesteld door Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7), is een belangrijke factor gebleken nu subsidies voor studies hebben bijgedragen aan het verminderen van de risico’s in de eerste fasen van de ontwikkeling, en subsidies voor werkzaamheden hebben geholpen de belangrijkste knelpunten voor de betreffende projecten weg te nemen waar marktfinanciering niet volstond.

(6)

In zijn resolutie van 10 juli 2020 over de herziening van de richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur (8) heeft het Europees Parlement opgeroepen tot herziening van Verordening (EU) nr. 347/2013, waarbij met name rekening wordt gehouden met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030, de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie voor 2050 en het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel.

(7)

Het beleid inzake trans-Europese energienetwerken vormt een centraal instrument voor de ontwikkeling van de interne energiemarkt en is noodzakelijk voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal. Om tegen 2030 te zorgen voor een hoger niveau van broeikasgasemissiereducties en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken heeft Europa een meer geïntegreerd energiesysteem nodig, gebaseerd op hogere niveaus van elektrificatie op basis van bijkomende hernieuwbare en koolstofarme bronnen en de decarbonisatie van de gassector. Het beleid inzake trans-Europese energienetwerken kan ervoor zorgen dat de ontwikkeling van de energie-infrastructuur van de Unie ter ondersteuning fungeert van de vereiste energietransitie ten behoeve van klimaatneutraliteit overeenkomstig het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel en technologische neutraliteit, met inachtneming van het potentieel voor lagere emissies bij het eindverbruik. Het kan ook zorgen voor interconnecties, energiezekerheid, markt- en systeemintegratie en concurrentie die alle lidstaten ten goede komt, alsook energie tegen een prijs die betaalbaar is voor huishoudens en ondernemingen.

(8)

Hoewel de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 347/2013 grotendeels van toepassing blijven, weerspiegelt het huidige kader voor trans-Europese energienetwerken onvoldoende de te verwachten veranderingen in het energiesysteem die het gevolg zullen zijn van de nieuwe politieke context, met name met betrekking tot de naar boven bijgestelde streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 in het kader van de Europese Green Deal. Daarom moeten zowel de doelstellingen inzake de beperking van als de aanpassing aan de klimaatverandering, naast andere aspecten, op passende wijze in aanmerking worden genomen in het herziene kader voor trans-Europese energienetwerken. Naast de nieuwe politieke context en doelstellingen heeft de technologie zich in de afgelopen tien jaar snel ontwikkeld. Die ontwikkeling moet in overweging worden genomen bij de vaststelling van de energie-infrastructuurcategorieën die deel uitmaken van de verordening, de selectiecriteria voor projecten van gemeenschappelijk belang en de prioritaire corridors en gebieden. Tegelijkertijd mogen, overeenkomstig artikel 194 VWEU, de bepalingen van deze verordening niet van invloed zijn op het recht van een lidstaat de voorwaarden voor de exploitatie van zijn energiebronnen te bepalen, op zijn keuze tussen verschillende energiebronnen of op de algemene structuur van zijn energievoorziening.

(9)

De richtlijnen 2009/73/EG (9) en (EU) 2019/944 (10) en van het Europees Parlement en de Raad voorzien in een interne energiemarkt. Hoewel er aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de voltooiing van die markt is er nog altijd ruimte voor verbetering door een beter gebruik van bestaande energie-infrastructuren, door de integratie van het toenemende aandeel hernieuwbare energie en door systeemintegratie.

(10)

De energie-infrastructuur van de Unie moet worden opgewaardeerd om technische defecten te voorkomen en om de infrastructuur bestendiger te maken tegen dergelijke defecten, alsmede tegen natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, negatieve effecten van de klimaatverandering en bedreigingen voor de veiligheid, met name ten aanzien van Europese kritieke infrastructuren op grond van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (11).

(11)

De energie-infrastructuur van de Unie moet bestand zijn tegen de onvermijdelijke effecten die de klimaatverandering in Europa naar verwachting met zich zal meebrengen, ondanks de inspanningen tot beperking hiervan. Het is dan ook van cruciaal belang maatregelen te nemen met het oog op de aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering, de versterking van de veerkracht en de voorbereiding op en voorkoming van rampen.

(12)

Bij de ontwikkeling van de trans-Europese energie-infrastructuur moet, waar dat technisch mogelijk en efficiënt is, rekening worden gehouden met de mogelijkheid om bestaande infrastructuur en uitrusting te herbestemmen.

(13)

Leveringszekerheid, een van de belangrijkste drijfveren voor de vaststelling van Verordening (EU) nr. 347/2013, is aanzienlijk toegenomen als gevolg van de projecten van gemeenschappelijk belang. In de effectbeoordeling van de Commissie bij haar mededeling van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” wordt bovendien de verwachting uitgesproken dat het gebruik van aardgas aanzienlijk zal afnemen nu het onverminderde gebruik ervan niet verenigbaar is met koolstofneutraliteit. Het gebruik van biogas, hernieuwbare en koolstofarme waterstof en synthetische gasvormige brandstoffen zal daarentegen naar verwachting tegen 2050 aanzienlijk toenemen. Wat gas betreft is de infrastructuur nu beter onderling verbonden en is de veerkracht van de levering sinds 2013 aanzienlijk verbeterd. Bij de planning van de energie-infrastructuur moet rekening worden gehouden met dit veranderende gaslandschap. Niet alle lidstaten zijn echter reeds voldoende verbonden met het Europees gasnet en met name eilandlidstaten staan nog steeds voor aanzienlijke uitdagingen met betrekking tot hun leveringszekerheid en isolement op energiegebied. Hoewel 78 % van de gasprojecten van gemeenschappelijk belang naar verwachting voor 2025 in bedrijf zullen worden gesteld, is bij een aantal daarvan aanzienlijke vertragingen optreden, onder meer wegens problemen met de vergunningverlening. Deze verordening mag derhalve geen negatieve gevolgen hebben voor projecten van gemeenschappelijk belang die op de datum van de inwerkingtreding nog niet zijn voltooid. Daarom moeten projecten van gemeenschappelijk belang die opgenomen zijn in de vijfde Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang, opgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 347/2013, waarvoor een aanvraagdossier voor behandeling door de bevoegde instantie is aanvaard, hun rechten en verplichtingen met betrekking tot vergunningen kunnen behouden voor een periode van vier jaar na datum van de inwerkingtreding van deze verordening.

(14)

Het belang van slimme elektriciteitsnetten, waarbij niet steeds een fysieke grens wordt overschreden, voor de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie werd door de Commissie erkend in haar mededeling van 8 juli 2020 getiteld “Energie voor een klimaatneutrale economie: een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem” (de “EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem”). De criteria voor deze categorie moeten worden vereenvoudigd, moeten technologische ontwikkelingen met betrekking tot innovatie en digitale aspecten omvatten en moeten energiesysteemintegratie mogelijk maken. Daarnaast moet de rol van de projectontwikkelaars worden verduidelijkt. Gezien de verwachte stijging in de vraag naar energie in de vervoerssector, met name ten behoeve van elektrische voertuigen langs de snelweg en in stedelijke gebieden, moeten slimme netwerktechnologieën een bijdrage leveren aan energienetgerelateerde steun voor grensoverschrijdende infrastructuur voor het opladen met hoge capaciteit, met het oog op de decarbonisatie van de vervoerssector.

(15)

In de EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem werd ook benadrukt dat er behoefte is aan een geïntegreerde energie-infrastructuurplanning over meerdere energiedragers, infrastructuren en verbruikssectoren heen. Deze systeemintegratie is gebaseerd op het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel en een holistische benadering van het beleid die verder strekt dan de afzonderlijke sectoren. De integratie komt ook tegemoet aan de behoefte aan decarbonisatie in sectoren waar de transitie moeilijk te verwezenlijken is, zoals bepaalde delen van de industrie of bepaalde vervoerswijzen, waar rechtstreekse elektrificatie momenteel in technisch en economisch opzicht problematisch is. De betreffende investeringen worden onder meer gedaan in waterstof en elektrolyse, energiebronnen die steeds beter geschikt zijn voor grootschalige commerciële toepassing. In de mededeling van de Commissie van 8 juli 2020 getiteld “Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa” (de “waterstofstrategie”) wordt prioriteit gegeven aan de productie van waterstof uit hernieuwbare elektriciteit, aangezien dit de schoonst mogelijke oplossing is die het best aansluit op de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie. In de overgangsfase is er echter behoefte aan andere vormen van koolstofarme waterstof voor de snellere decarbonisatie van bestaande waterstofproductie, met gebruikmaking van een breed scala aan schone technologieën en het snel creëren van schaalvoordelen.

(16)

In zijn waterstofstrategie komt de Commissie voorts tot de conclusie dat de vereiste uitrol van waterstof een grootschalig infrastructuurnetwerk vergt dat alleen de Unie en de interne markt kunnen bieden. Er bestaat momenteel slechts een zeer beperkte infrastructuur bestemd voor het transport van en de handel in waterstof over de grenzen heen of voor het creëren van waterstofvalleien. Deze infrastructuur moet voor een groot deel bestaan uit activa die zijn omgezet van aardgasactiva, aangevuld met nieuwe, voor waterstof bestemde activa. Daarnaast wordt in de waterstofstrategie een strategische doelstelling vastgesteld voor een verhoging tot 40 gigawatt (GW) aan elektrolysecapaciteit tegen 2030, teneinde de productie van hernieuwbare waterstof op te schroeven en de decarbonisatie van sectoren die afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, zoals industrie of vervoer, te vergemakkelijken. Het beleid inzake trans-Europese energienetwerken moet derhalve een nieuwe en herbestemde transmissie- en opslaginfrastructuur voor waterstof omvatten, alsook elektrolyse-installaties. De transmissie- en opslaginfrastructuur voor waterstof moet ook worden opgenomen in het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan om zo een uitgebreide en samenhangende beoordeling van de kosten en baten voor het energiesysteem mogelijk te maken, onder meer waar het de bijdrage van de infrastructuur aan de sectorale integratie en decarbonisatie betreft, teneinde een waterstofruggengraat voor de Unie tot stand te brengen.

(17)

Daarnaast moet er een nieuwe infrastructuurcategorie tot stand worden gebracht voor slimme gasnetten teneinde investeringen te stimuleren voor de integratie van verschillende koolstofarme en vooral hernieuwbare gassen in het gasnet, zoals biogas, biomethaan en waterstof, en het hieruit voortvloeiende complexere systeem te helpen beheren op basis van innovatieve technologieën.

(18)

Bij het streven naar klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 wordt ervan uitgegaan dat er nog steeds industriële processen zullen zijn waarbij koolstofdioxide wordt uitgestoten. De uitstoot van koolstofdioxide wordt als onvermijdelijk beschouwd wanneer de productie ervan niet kan worden vermeden ondanks optimalisering, bijvoorbeeld door energie-efficiëntie of door elektrificatie met behulp van hernieuwbare energiebronnen. De ontwikkeling van koolstofdioxide-infrastructuur moet leiden tot een significante nettovermindering van emissies die anders, bij gebrek aan redelijke alternatieven, onvermijdelijk zouden zijn. De afvang van koolstofdioxide is geregeld in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) voor wat betreft kooldioxidestromen van onder die richtlijn vallende installaties, met het oog op geologische opslag op grond van Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (13).

(19)

Volgens Verordening (EU) nr. 347/2013 moest, om in aanmerking te komen voor opneming in de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang, worden aangetoond dat een kandidaat-project van gemeenschappelijk belang een aanzienlijke bijdrage zou leveren aan minstens één criterium uit een reeks criteria, mogelijk (maar niet verplicht) op het gebied van duurzaamheid. Overeenkomstig de toenmalige specifieke behoeften op de interne energiemarkt maakte deze vereiste het mogelijk om projecten van gemeenschappelijk belang te ontwikkelen die uitsluitend op leveringszekerheidsrisico’s waren gericht, zelfs wanneer ze geen voordelen opleverden op het gebied van duurzaamheid. Gezien de veranderde behoeften met betrekking tot de infrastructuur van de Unie, de decarbonisatiedoelstellingen en de op 21 juli 2020 vastgestelde conclusies van de Europese Raad waarin is bepaald dat de uitgaven van de Unie moeten stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het “berokken geen schade”-beginsel van de Europese Green Deal, moet echter de mate van duurzaamheid in de vorm van de integratie van hernieuwbare energie in het netwerk of de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, naargelang het geval, worden beoordeeld teneinde ervoor te zorgen dat het beleid inzake trans-Europese energienetwerken coherent is met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van elke lidstaat met het oog op het bereiken van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit. Het duurzaamheidsniveau van netwerken voor het transport van koolstofdioxide wordt beoordeeld aan de hand van de totale verwachte broeikasgasreducties gedurende de levensduur van het project en het ontbreken van alternatieve technologische oplossingen om hetzelfde niveau van koolstofdioxidereductie te bereiken.

(20)

De Unie moet de uitvoering faciliteren van infrastructuurprojecten die de energienetten van de Unie koppelen aan die van derde landen waar deze netwerken wederzijds voordeel bieden en noodzakelijk zijn voor de energietransitie en de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen, en overeenkomen met de specifieke criteria van de relevante infrastructuurcategorieën uit hoofde van deze verordening, meer in het bijzonder met betrekking tot buurlanden en landen waarmee de Unie een specifieke samenwerking op energiegebied tot stand heeft gebracht. Het toepassingsgebied van deze verordening moet derhalve de opneming van projecten van wederzijds belang omvatten wanneer kan worden aangetoond dat deze projecten duurzaam zijn en aanzienlijke sociaaleconomische voordelen bieden op het niveau van de Unie en voor minstens één derde land. Dergelijke projecten moeten in aanmerking komen om in de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang (de “Unielijst”) te worden opgenomen wanneer sprake is van een hoge mate van convergentie van het beleidskader, ondersteund door handhavingsmechanismen, en moeten een aantoonbare bijdrage leveren aan het verwezenlijken van de algemene energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie en het derde land op het gebied van leveringszekerheid en decarbonisatie.

Een hoge mate van convergentie van het beleidskader wordt geacht automatisch van toepassing te zijn voor de Europese Economische Ruimte of de partijen bij de Energiegemeenschap of kan in het geval van andere derde landen worden aangetoond door middel van bilaterale overeenkomsten die relevante bepalingen bevatten over klimaat- en energiebeleidsdoelstellingen inzake de decarbonisatie van de economie, en verder worden beoordeeld door de passende regionale groep met de steun van de Commissie. Daarnaast moet het derde land waarmee de Unie samenwerkt bij de ontwikkeling van projecten van wederzijds belang een vergelijkbaar tijdschema hanteren voor versnelde uitvoering en voor andere maatregelen ter ondersteuning van het beleid, zoals bepaald in deze verordening. Projecten van wederzijds belang moeten dan ook op dezelfde manier worden behandeld als projecten van gemeenschappelijk belang, waarbij alle bepalingen die van toepassing zijn op projecten van gemeenschappelijk belang, ook van toepassing zijn op projecten van wederzijds belang, tenzij anders bepaald. Aanzienlijke sociaaleconomische voordelen op het niveau van de Unie moet worden begrepen als een verbetering van de interoperabiliteit en de werking van de interne markt, die verder reikt dan één lidstaat. Wat projecten voor de opslag van koolstofdioxide betreft, mogen alleen projecten in aanmerking komen die noodzakelijk zijn om het grensoverschrijdend transport en de grensoverschrijdende opslag van koolstofdioxide mogelijk te maken, op voorwaarde dat de normen en waarborgen ter voorkoming van lekken en inzake het klimaat, de volksgezondheid en ecosystemen met betrekking tot de veiligheid en doeltreffendheid van de permanente opslag van koolstofdioxide ten minste gelijkwaardig zijn aan die van de Unie. De Europese Economische Ruimte moet worden geacht aan die normen en waarborgen te voldoen.

(21)

Projecten van wederzijds belang moeten worden beschouwd als aanvullende instrumenten om het toepassingsgebied van deze verordening uit te breiden tot derde landen, die verder gaan dan de projecten van gemeenschappelijk belang die bijdragen aan de uitvoering van een prioritaire corridor of gebied voor energie-infrastructuur van bijlage I. Wanneer een project met een derde lidstaat bijdraagt tot de uitvoering van een prioritaire corridor of gebied voor energie-infrastructuur, moet het derhalve in aanmerking komen voor de status van project van gemeenschappelijk belang uit hoofde van deze verordening. Volgens hetzelfde principe kunnen projecten voor elektriciteitsinterconnectie met derde landen die de status van project van gemeenschappelijk belang hadden verkregen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 347/2013, worden geselecteerd als project van gemeenschappelijk belang, op voorwaarde dat zij deel uitmaken van de selectieprocedure en aan de criteria voor projecten van gemeenschappelijk belang voldoen.

(22)

Teneinde de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie voor 2050 te verwezenlijken, moet de Unie bovendien de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen aanzienlijk opschalen. De bestaande energie-infrastructuurcategorieën voor elektriciteitstransmissie en -opslag zijn van cruciaal belang voor de integratie van het aanzienlijk toenemende aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het energienet. Hiertoe moeten bovendien de investeringen in hernieuwbare offshore-energie worden opgeschroefd om de doelstelling van ten minste 300 GW offshore windproductie te verwezenlijken, in lijn met de strategie voor hernieuwbare offshore-energie van de Commissie zoals die is uitgezet in haar mededeling van 19 november 2020 getiteld “EU-strategie over de benutting van het potentieel van hernieuwbare offshore-energie met het oog op een klimaatneutrale toekomst”. Deze strategie omvat radiale verbindingen tussen nieuwe offshorewindparken, alsook hybride geïntegreerde projecten. Ook het coördineren van de langetermijnplanning en de ontwikkeling van onshore- en offshore-elektriciteitsnetten zijn van belang. Voor de offshore-infrastructuurplanning moet er met name een verschuiving plaatsvinden van de projectgebonden aanpak naar een gecoördineerde, alomvattende aanpak om te zorgen voor de duurzame ontwikkeling van geïntegreerde offshorenetwerken in overeenstemming met het potentieel van hernieuwbare offshore-energie voor ieder zeegebied, de milieubescherming en andere vormen van gebruik van de zee. Er moet een aanpak komen die gebaseerd is op vrijwillige samenwerking tussen de lidstaten. De lidstaten moeten verantwoordelijk blijven voor de goedkeuring van de projecten van gemeenschappelijk belang die betrekking hebben op hun grondgebied, en de daarmee verbonden kosten.

(23)

De desbetreffende lidstaten moeten in staat zijn de kosten en baten te beoordelen van de prioritaire corridors voor offshorenetwerken voor hernieuwbare energie, en een voorlopige analyse van de kostenverdeling per prioritaire corridor voor offshorenetwerken uit te voeren ter ondersteuning van de gezamenlijke politieke verbintenissen ten aanzien van de ontwikkeling van hernieuwbare offshore-energie. De Commissie dient, samen met de lidstaten en de betrokken transmissiesysteembeheerders (TSB’s) en nationale regulerende instanties, richtsnoeren vast te stellen voor een specifieke kosten-batenverhouding en kostenverdeling voor de uitrol van de ontwikkelingsplannen voor geïntegreerde offshorenetwerken, op basis waarvan de lidstaten een adequate beoordeling kunnen uitvoeren.

(24)

Het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan dat als basis fungeert voor het identificeren van projecten van gemeenschappelijk belang in de categorieën elektriciteit en gas, heeft zijn effectiviteit bewezen. Hoewel het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (het “ENTSB voor elektriciteit”), het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (het “ENTSB voor gas”) en de TSB’s binnen dit proces een belangrijke rol spelen, is er behoefte aan een hogere mate van controle teneinde het vertrouwen in het proces te doen toenemen, met name met betrekking tot het vaststellen van scenario’s voor de toekomst en het identificeren van leemten en knelpunten in de infrastructuur voor de lange termijn, alsook het beoordelen van individuele projecten. Gezien de noodzaak van onafhankelijke validatie moet er daarom binnen dit proces een grotere rol worden toebedeeld aan het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (het “Agentschap”) en de Commissie, onder meer voor het opstellen van het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan op grond van Verordeningen (EG) nr. 715/2009 (14) en (EU) 2019/943 (15) van het Europees Parlement en de Raad. Het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan moet kunnen profiteren van de objectieve, wetenschappelijk gefundeerde inbreng van een onafhankelijk wetenschappelijk orgaan zoals de Europese wetenschappelijke adviesraad voor klimaatverandering en moet zo doeltreffend mogelijk worden georganiseerd.

(25)

Bij de uitvoering van hun taken voorafgaand aan de vaststelling van de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen moeten het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas een uitvoerige raadpleging houden met alle relevante belanghebbenden. De raadpleging moet open en transparant zijn en tijdig worden georganiseerd om belanghebbenden in staat te stellen hun input te geven bij de voorbereiding van belangrijke fasen van de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen, zoals het vaststellen van scenario’s, het identificeren van leemten in de infrastructuur en de methodologie van de kosten-batenanalyse voor projectbeoordeling. Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas moeten terdege rekening houden met de input van belanghebbenden tijdens de raadpleging en moeten uitleggen hoe zij aan die input gevolg hebben gegeven.

(26)

In lijn met de conclusies van het energie-infrastructuurforum 2020 moet ervoor worden gezorgd dat alle relevante sectoren, zoals gas, elektriciteit en vervoer, in de planningsprocessen van alle onshore- en offshore-, transmissie- en distributie-infrastructuur in een geïntegreerd perspectief worden bezien. Om de Overeenkomst van Parijs na te leven en de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en de doelstellingen inzake de ontwikkeling van offshore-energie voor 2040 te halen, en in lijn met de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, moet het kader voor trans-Europese energienetwerken gebaseerd zijn op een slimmere, meer geïntegreerde, op de lange termijn gerichte en geoptimaliseerde “één energiesysteem”-visie, door de invoering van een kader dat een betere coördinatie van de infrastructuurplanning in de verschillende sectoren mogelijk maakt en de mogelijkheid creëert om verschillende koppelingsoplossingen waarbij verschillende netwerkelementen betrokken zijn, optimaal te integreren tussen verschillende infrastructuren. Dit moet worden bewerkstelligd door de ontwikkeling van een geleidelijk geïntegreerd model dat samenhang mogelijk maakt tussen de methodologieën per sector op basis van gemeenschappelijke aannames en dat de onderlinge afhankelijkheden weerspiegelt.

(27)

Het is van belang erop toe te zien dat alleen infrastructuurprojecten waarvoor geen redelijke alternatieve oplossingen bestaan, de status van project van gemeenschappelijk belang toegewezen krijgen. Derhalve moet het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel in aanmerking worden genomen in het verslag over leemten in de infrastructuur dat in lijn met deze verordening wordt opgesteld en bij de werkzaamheden van de regionale groepen voor het opstellen van de regionale lijsten van voorgestelde projecten op de Unielijst. In lijn met het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel moeten alle relevante alternatieven voor nieuwe infrastructuur om te voorzien in toekomstige infrastructuurbehoeften, die kunnen bijdragen tot het aanpakken van de geïdentificeerde leemten in de infrastructuur, in overweging worden genomen.

De regionale groepen, bijgestaan door de nationale regulerende instanties, moeten rekening houden met de resultaten van de overeenkomstig deze verordening uitgevoerde beoordeling van de leemten in de infrastructuur en ervoor zorgen dat het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel volledig wordt meegenomen bij het selectieproces van de projecten van gemeenschappelijk belang. Daarnaast moeten projectontwikkelaars bij de uitvoering van projecten verslag uitbrengen over de naleving van de milieuwetgeving en aantonen dat de projecten geen ernstige afbreuk doen aan het milieu in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (16). Voor bestaande projecten van gemeenschappelijk belang die een voldoende mate van rijpheid hebben bereikt, wordt hiermee rekening gehouden bij de selectie van projecten voor daaropvolgende Unielijsten door de regionale groepen.

(28)

Om de spannings- en frequentiestabiliteit te garanderen, dient met name met het oog op het toenemende aandeel van flexibiliteitsoplossingen, zoals duurzame energieopslag, en hernieuwbare energie bijzondere aandacht uit te gaan naar de stabiliteit van het Europese elektriciteitsnet, onder wisselende omstandigheden. Voorrang dient te worden gegeven aan inspanningen om een bevredigend niveau van geplande koolstofarme energieproductie te handhaven en te waarborgen, teneinde de leveringszekerheid voor burgers en bedrijven te vrijwaren.

(29)

Na grondige raadpleging van alle lidstaten en belanghebbenden heeft de Commissie 14 trans-Europese energie-infrastructuurprioriteiten geïdentificeerd waarvan de uitvoering essentieel is voor de verwezenlijking van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie voor 2050. Die prioriteiten hebben betrekking op verschillende geografische regio’s of thema’s op het gebied van elektriciteitstransmissie en -opslag, offshorenetwerken voor hernieuwbare energie, de transmissie en opslag van waterstof, elektrolyse-installaties, slimme gasnetten, slimme elektriciteitsnetten en transport en opslag van koolstofdioxide.

(30)

De projecten van gemeenschappelijk belang moeten voldoen aan gemeenschappelijke, transparante en objectieve criteria met het oog op hun bijdrage aan de doelstellingen van het energiebeleid. Voor elektriciteit en waterstof moeten de projecten, willen zij in aanmerking komen voor opneming in de Unielijsten, deel uitmaken van het meest recente Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan. Aangezien de waterstofinfrastructuur momenteel geen deel uitmaakt van het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan, moet deze vereiste voor waterstofprojecten pas vanaf 1 januari 2024 gelden met het oog op de tweede Unielijst die op grond van deze verordening zal worden opgesteld.

(31)

Er moeten regionale groepen worden opgericht die als taak hebben projecten van gemeenschappelijk belang voor te stellen en te evalueren, met als doel de opstelling van regionale lijsten van projecten van gemeenschappelijk belang. Om te zorgen voor een brede consensus, moeten die regionale groepen een nauwe samenwerking verzekeren tussen lidstaten, nationale regulerende instanties, projectontwikkelaars en relevante belanghebbenden. In het kader van die samenwerking moeten de nationale regulerende instanties de regionale groepen indien nodig van advies dienen over onder meer de uitvoerbaarheid van de reguleringsaspecten van de voorgestelde projecten en over de haalbaarheid van het voor formele goedkeuring voorgestelde tijdschema.

(32)

Om de efficiëntie van het proces te vergroten, moet de samenwerking tussen de regionale groepen worden versterkt en verder worden gestimuleerd. De Commissie dient een belangrijke rol te spelen bij het faciliteren van deze samenwerking, met het oog op het aanpakken van de eventuele effecten van projecten op andere regionale groepen.

(33)

Elke twee jaar moet een nieuwe Unielijst worden opgesteld. Projecten van gemeenschappelijk belang die voltooid zijn of die niet langer voldoen aan de desbetreffende criteria en vereisten zoals vastgelegd in deze verordening, mogen niet meer op de volgende Unielijst verschijnen. Bestaande projecten van gemeenschappelijk belang die in de volgende Unielijst moeten worden opgenomen, moeten om die reden worden onderworpen aan hetzelfde selectieproces voor de opstelling van regionale lijsten en voor de opstelling van de Unielijst als voorgestelde projecten. De administratieve formaliteiten dienen echter zo veel mogelijk te worden beperkt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van in een eerder stadium ingediende informatie en door rekening te houden met de jaarverslagen van de projectontwikkelaars. Bestaande projecten van gemeenschappelijk belang waarbij aanzienlijke vooruitgang is geboekt, moeten om die reden kunnen profiteren van een gestroomlijnd proces van opneming in het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan.

(34)

Projecten van gemeenschappelijk belang moeten zo snel mogelijk uitgevoerd worden en zij moeten daarbij van nabij worden gevolgd en worden geëvalueerd, waarbij de vereisten inzake participatie van belanghebbenden en de milieuwetgeving naar behoren in acht worden genomen en de administratieve lasten voor de projectontwikkelaars tot een minimum worden beperkt. De Commissie moet Europese coördinatoren aanwijzen voor projecten die specifieke moeilijkheden ondervinden of geplaagd worden door vertragingen. Bij het selectieproces voor opneming in de daaropvolgende Unielijsten moet voor die projecten rekening worden gehouden met de vorderingen bij de uitvoering van de specifieke projecten en het nakomen van de verplichtingen in het kader van deze verordening.

(35)

Het vergunningverleningsproces mag niet leiden tot een administratieve belasting die niet in verhouding staat tot de omvang of complexiteit van een project, noch de ontwikkeling van de trans-Europese netwerken of markttoegang belemmeren.

(36)

De planning en uitvoering van Unieprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van energie-, vervoer- en telecommunicatie-infrastructuur moeten worden gecoördineerd teneinde synergieën te creëren wanneer dit vanuit een algemeen economisch, technisch, milieu-, klimaat- of ruimteplanningsgerelateerd oogpunt haalbaar is, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met de relevante veiligheidsaspecten. Bij de planning van de diverse Europese netwerken moet het derhalve mogelijk zijn voorkeur te geven aan de integratie van vervoers-, communicatie- en energienetwerken om ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk grond wordt gebruikt. Voor energiesysteemintegratie in de verschillende sectoren is een gemeenschappelijke visie voor de netwerken nodig, en tegelijkertijd moet, waar mogelijk, ervoor worden gezorgd dat bestaande of in onbruik geraakte routes opnieuw in gebruik worden genomen om eventuele nadelige maatschappelijke, economische, financiële, klimaat- en milieueffecten tot een minimum te beperken.

(37)

Projecten van gemeenschappelijk belang moeten voorts op nationaal niveau een prioriteitsstatus krijgen om een snelle administratieve behandeling te waarborgen en ervoor te zorgen dat alle hieraan gerelateerde gerechtelijke procedures en geschillenbeslechtingsprocedures snel kunnen worden afgehandeld. Zij moeten door de bevoegde instanties als projecten van openbaar belang worden beschouwd. Om dwingende redenen van groot openbaar belang moet er een vergunning worden verleend voor projecten die een negatief effect hebben op het milieu wanneer is voldaan aan alle voorwaarden van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (18).

(38)

Het is van essentieel belang dat belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld, worden geïnformeerd en geraadpleegd, teneinde het welslagen van de projecten te waarborgen en bezwaren tegen de projecten te beperken.

(39)

Teneinde de complexiteit te verminderen, de efficiëntie en transparantie te vergroten en de samenwerking tussen de lidstaten te versterken, moeten één of meer bevoegde instanties worden aangewezen voor het bundelen of coördineren van alle vergunningverleningsprocessen.

(40)

Teneinde het vergunningverleningsproces voor offshorenetwerken voor hernieuwbare energie te vereenvoudigen, moeten unieke contactpunten worden aangewezen voor grensoverschrijdende offshoreprojecten op de Unielijst, waardoor de administratieve druk voor projectontwikkelaars wordt verminderd. De unieke contactpunten moeten complexiteit verminderen, efficiëntie verhogen en het vergunningverleningsproces versnellen voor offshoretransmissieactiva waar vaak een groot aantal jurisdicties bij betrokken is.

(41)

Ondanks het bestaan van duidelijke normen die de inspraak van het publiek in procedures voor besluitvorming op milieugebied verzekeren, die volledig van toepassing zijn op projecten van gemeenschappelijk belang, zijn er uit hoofde van deze verordening aanvullende maatregelen nodig om de hoogst mogelijke normen voor transparantie en inspraak van het publiek te waarborgen bij alle relevante kwesties gedurende het vergunningverleningsproces voor projecten van gemeenschappelijk belang. De voorafgaande raadpleging vóór het van start gaan van de vergunningverleningsprocedure moet facultatief zijn indien zij reeds deel uitmaakt van nationale regels volgens dezelfde of hogere normen als die van toepassing zijn in deze verordening, om overlappingen van wettelijke vereisten te voorkomen.

(42)

Een correcte en gecoördineerde tenuitvoerlegging van Richtlijn 2001/42/EG (19) en Richtlijn 2011/92/EU (20) van het Europees Parlement en de Raad en, voor zover van toepassing, van het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (21), ondertekend op 25 juni 1998 te Aarhus (het “Verdrag van Aarhus”) en van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (22), ondertekend op 25 februari 1991 te Espoo (het “Verdrag van Espoo”), moet zorgen voor de harmonisatie van de voornaamste beginselen voor de beoordeling van de milieu- en klimaateffecten, ook in een grensoverschrijdende context. De Commissie heeft ten behoeve van de lidstaten richtsnoeren uitgebracht voor de vaststelling van adequate wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen om de milieubeoordelingsprocedures voor de energie-infrastructuur te stroomlijnen en te zorgen voor de coherente toepassing van de milieubeoordelingsprocedures die krachtens het Unierecht zijn vereist voor projecten van gemeenschappelijk belang. De lidstaten moeten hun evaluaties voor projecten van gemeenschappelijk belang coördineren en moeten, waar mogelijk, zorgen voor gezamenlijke beoordelingen. De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd optimale praktijken uit te wisselen en hun administratieve capaciteit voor vergunningverleningsprocessen te vergroten.

(43)

Het is van belang om het vergunningverleningsproces te stroomlijnen en te verbeteren, en daarbij nationale bevoegdheden en procedures voor de aanleg van nieuwe energie-infrastructuur, voor zover mogelijk en met eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel, in acht te nemen. Gezien de urgentie van de ontwikkeling van energie-infrastructuur moet de vereenvoudiging van het vergunningverleningsproces vergezeld gaan van een duidelijke uiterste termijn voor het besluit van de relevante instanties met betrekking tot de bouw van het project. Deze uiterste termijn moet een stimulans vormen voor een efficiëntere omschrijving en afhandeling van procedures en mag in geen geval het hoge niveau van de normen voor milieubescherming in lijn met milieuwetgeving, noch de inspraak van het publiek in het gedrang brengen. Bij deze verordening moeten maximumtermijnen worden vastgesteld. De lidstaten kunnen niettemin trachten deze maximumtermijnen, indien haalbaar, nog verder te verkorten, met name waar het projecten zoals slimme netten betreft waar mogelijk een minder complex vergunningverleningsproces mee gemoeid is dan bij transmissie-infrastructuur. De bevoegde instanties dienen toe te zien op de naleving van de termijnen.

(44)

In voorkomend geval moeten de lidstaten in raambesluiten ook besluiten kunnen opnemen die worden getroffen in het kader van onderhandelingen met individuele landeigenaren over verlening van toegang tot dan wel eigendom of recht tot het gebruiken van onroerend goed in de context van ruimtelijke ordening, die het algemene landgebruik van een bepaald gebied regelt, waaronder ook andere vormen van ontwikkeling zoals snelwegen, spoorwegen, gebouwen en beschermde natuurgebieden, en die niet specifiek met het oog op het geplande project en het verlenen van operationele vergunningen wordt ingericht. In het kader van het vergunningverleningsproces moet een project van gemeenschappelijk belang ook betrekking kunnen hebben op aanverwante infrastructuur, voor zover die essentieel is voor de bouw of werking van het project. Deze verordening, met name de bepalingen betreffende vergunningverlening, inspraak van het publiek en de uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang, moet worden toegepast onverminderd het Unie- en internationale recht, inclusief bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid en bepalingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het geïntegreerd maritiem beleid, meer bepaald Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad (23).

(45)

De kosten voor de ontwikkeling, de bouw, het beheer en het onderhoud van projecten van gemeenschappelijk belang moeten in de regel volledig worden gedragen door de gebruikers van de infrastructuur. De kostentoewijzing moet ervoor zorgen dat eindgebruikers niet onevenredig zwaar worden belast, met name indien dat zou kunnen leiden tot energiearmoede. Projecten van gemeenschappelijk belang moeten in aanmerking komen voor grensoverschrijdende kostentoewijzing wanneer uit een beoordeling van de marktvraag of van de verwachte tariefeffecten blijkt dat de kosten onmogelijk kunnen worden gedekt via de door de infrastructuurgebruikers betaalde tarieven.

(46)

Het vertrekpunt voor de discussie betreffende een passende kostentoewijzing moet de analyse zijn van de kosten en baten van een infrastructuurproject op basis van een geharmoniseerde methodologie voor de analyse van het gehele energiesysteem en op basis van alle relevante scenario’s die zijn vastgesteld in het kader de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen, opgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 715/2009 en Verordening (EU) 2019/943, en geëvalueerd door het Agentschap, en aanvullende scenario’s voor netwerkontwikkelingsplanning, waardoor een degelijke analyse kan worden gemaakt van de bijdrage van het project van gemeenschappelijk belang aan het energiebeleid van de Unie wat betreft decarbonisatie, marktintegratie, mededinging, duurzaamheid en leveringszekerheid. Bij deze analyse kan ook rekening worden gehouden met de indicatoren en de bijbehorende referentiewaarden voor de vergelijking van de investeringskosten per eenheid. Wanneer aanvullende scenario’s worden gebruikt, moeten deze stroken met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie voor 2050 en moeten zij worden onderworpen aan een omvattend raadplegings- en toetsingsproces.

(47)

In een steeds meer geïntegreerde interne energiemarkt zijn duidelijke en transparante regels voor de verdeling van de kosten over de grenzen heen noodzakelijk teneinde investeringen in grensoverschrijdende infrastructuur en in projecten met een grensoverschrijdend effect te versnellen. Het is van essentieel belang een stabiel financieringskader te waarborgen voor de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang en tegelijkertijd de behoefte aan financiële ondersteuning tot een minimum te beperken, alsook geïnteresseerde investeerders aan te moedigen met gepaste stimulansen en financiële mechanismen. Bij de besluitvorming inzake grensoverschrijdende kostentoewijzing moeten de nationale regulerende instanties de volledige efficiënt gemaakte investeringskosten, voor zover relevant in het licht van hun nationale benaderingen en methoden voor vergelijkbare infrastructuur, over de grenzen heen verdelen en opnemen in de nationale tarieven en in voorkomend geval naderhand bepalen of het effect daarvan op de nationale tarieven een onevenredige druk op de consument in hun respectieve lidstaten tot gevolg kan hebben. De nationale regulerende instanties moeten het risico op dubbele ondersteuning van projecten voorkomen door correcte verrekening van de reële en geraamde kosten en opbrengsten. Deze kosten en opbrengsten mogen slechts in rekening worden gebracht voor zover zij gerelateerd zijn aan de projecten en daadwerkelijk bestemd zijn voor het dekken van de betreffende kosten.

(48)

Er is behoefte aan grensoverschrijdende projecten die een positief effect hebben op het elektriciteitsnet van de Unie, zoals slimme elektriciteitsnetten of elektrolyse-installaties, zonder dat daarbij een fysieke gemeenschappelijke grens betrokken is.

(49)

De wetgeving met betrekking tot de interne energiemarkt schrijft voor dat de tarieven voor toegang tot de netten de nodige investeringsstimulansen moeten bieden. Het is echter waarschijnlijk dat verschillende soorten projecten van gemeenschappelijk belang externe effecten hebben die niet volledig kunnen worden gedekt en ondervangen met het reguliere systeem van tarieven. Bij de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de interne energiemarkt moeten de nationale regulerende instanties zorgen voor een stabiel en voorspelbaar regelgevend en financieel kader met stimulansen voor projecten van gemeenschappelijk belang, inclusief stimulansen voor de lange termijn, die evenredig zijn met het specifieke risiconiveau van het project. Dat kader moet met name van toepassing zijn op grensoverschrijdende projecten, innovatieve elektriciteitstransmissietechnologieën voor een brede integratie van hernieuwbare energiebronnen, gedecentraliseerde energiebronnen of vraagrespons binnen geïnterconnecteerde netten, alsook energietechnologie- en digitaliseringsprojecten, waarmee waarschijnlijk hogere risico’s gepaard gaan dan met vergelijkbare projecten in een bepaalde lidstaat of die naar verwachting grotere voordelen opleveren voor de Unie. Daarnaast moet voor projecten die samengaan met hoge operationele kosten, toegang tot passende investeringsstimulansen mogelijk zijn. Met name offshorenetwerken voor hernieuwbare energie die de dubbele functionaliteit vervullen van zowel elektriciteitsinterconnectoren als van koppeling tussen projecten voor de productie van hernieuwbare energie, gaan waarschijnlijk gepaard met hogere risico’s dan vergelijkbare onshore-infrastructuurprojecten, dit als gevolg van hun intrinsieke relatie met activa voor elektriciteitsproductie die risico’s op het gebied van regulering met zich meebrengt, alsook op financieel gebied, bijvoorbeeld de behoefte aan anticiperende investeringen, marktrisico’s en risico’s in verband met het gebruik van nieuwe innovatieve technologieën.

(50)

Deze verordening mag uitsluitend van toepassing zijn op het verlenen van vergunningen voor projecten van gemeenschappelijk belang, de publieke inspraak hierbij en de bijbehorende behandeling ervan op reguleringsgebied. De lidstaten moeten niettemin nationale bepalingen kunnen vaststellen om dezelfde of soortgelijke regels toe te passen op andere projecten die niet de status hebben van projecten van gemeenschappelijk belang binnen het toepassingsgebied van deze verordening. Wat betreft de stimulansen op reguleringsgebied moeten de lidstaten nationale bepalingen kunnen vaststellen om dezelfde of soortgelijke regels toe te passen voor projecten van gemeenschappelijk belang die onder de categorie elektriciteitsopslag vallen.

(51)

Lidstaten die momenteel in het kader van vergunningverleningsprocessen op nationaal niveau niet de hoogst mogelijke betekenis toekennen aan energie-infrastructuurprojecten, moeten worden aangespoord om de invoering van een dergelijke betekenis op nationaal niveau in overweging te nemen en daarbij met name af te wegen of dit zou resulteren in een sneller vergunningverleningsproces.

(52)

Lidstaten die momenteel in het kader van energie-infrastructuurprojecten geen versnelde of urgente gerechtelijke procedures hanteren, moeten worden aangespoord om de invoering van dergelijke procedures in overweging te nemen en daarbij met name af te wegen of dit zou resulteren in de snellere uitvoering van dergelijke processen.

(53)

Verordening (EU) nr. 347/2013 heeft de toegevoegde waarde aangetoond van het hefboomeffect dat substantiële financiële bijstand van de Unie kan uitoefenen op particuliere investeringen om de uitvoering van projecten van Europees belang mogelijk te maken. In het licht van de economische en financiële situatie en de begrotingsbeperkingen moet gerichte steun, via subsidies en financieringsinstrumenten, worden voortgezet in het kader van het meerjarig financieel kader teneinde de burgers van de Unie maximaal te laten profiteren en nieuwe investeerders in de in een bijlage bij deze verordening vermelde prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur aan te trekken en daarbij de financiële bijdrage van de Unie tot een minimum te beperken.

(54)

Projecten van gemeenschappelijk belang moeten in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie voor studies en, onder bepaalde voorwaarden, werkzaamheden op grond van Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad (24), hetzij in de vorm van subsidies, hetzij in de vorm van innovatieve financieringsinstrumenten, teneinde ervoor te zorgen dat op maat gesneden steun kan worden verleend aan projecten van gemeenschappelijk belang die niet levensvatbaar zijn in het kader van het bestaande reguleringskader en de vigerende marktomstandigheden. Het is van belang dat iedere vorm van verstoring van de mededinging wordt vermeden, met name tussen projecten die bijdragen aan de totstandbrenging van dezelfde prioritaire corridor van de Unie. Dergelijke financiële bijstand moet zorgen voor de nodige synergieën met de structuurfondsen, met het oog op de financiering van slimme energiedistributienetten, en met het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie, vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie (25) op grond van artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (26).

Voor investeringen in projecten van gemeenschappelijk belang moet een drietrapsbenadering worden gevolgd. In de eerste plaats dient de markt het voortouw te nemen bij investeringen. In de tweede plaats moet er, indien investeringen niet uit de markt zelf voortkomen, worden gekeken naar eventuele oplossingen op reguleringsgebied, waarbij het desbetreffende reguleringskader indien nodig moet worden aangepast en erop moet worden toegezien dat het relevante reguleringskader correct wordt toegepast. In de derde plaats moet het mogelijk zijn om, indien de eerste twee stappen niet volstaan om de nodige investeringen in projecten van gemeenschappelijk belang aan te trekken, financiële bijstand van de Unie te verlenen indien het project van gemeenschappelijk belang voldoet aan de toepasselijke geschiktheidsvoorwaarden. Projecten van gemeenschappelijk belang mogen ook in aanmerking voor financiering uit hoofde van het InvestEU-programma dat als aanvulling op financiering via subsidies fungeert.

(55)

De Unie moet energieprojecten in kansarme, minder verbonden, perifere, ultraperifere of geïsoleerde regio’s faciliteren om de toegang tot de trans-Europese energienetwerken mogelijk te maken, teneinde het decarbonisatieproces te versnellen en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen.

(56)

Indien er in een lidstaat geen TSB is, moeten de verwijzingen naar TSB’s in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn op distributiesysteembeheerders (DSB’s).

(57)

Subsidies voor werkzaamheden in verband met projecten van wederzijds belang moeten beschikbaar zijn onder dezelfde voorwaarden als voor andere categorieën indien zij bijdragen aan de algemene energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie en indien het derde land beschikt over decarbonisatiedoelstellingen die stroken met de Overeenkomst van Parijs.

(58)

De Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2019/942 (27) en (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(59)

Hoewel de herbestemming van de bestaande aardgasinfrastructuur gericht is op de decarbonisatie van de gasnetten om het gebruik ervan voor zuivere waterstof mogelijk te maken, kan tijdens een overgangsperiode het transport of de opslag van een vooraf bepaald mengsel van waterstof met aardgas of biomethaan worden toegestaan. Het mengen van waterstof met aardgas of biomethaan kan nuttig zijn voor het opschalen van de productiecapaciteit voor waterstof en het vergemakkelijken van het transport van waterstof. Teneinde de transitie naar waterstof te verzekeren, moet de projectontwikkelaar, onder meer door commerciële contracten, aantonen hoe de aardgasactiva tegen het einde van de overgangsperiode voor waterstof bestemde activa zullen worden en hoe het gebruik van waterstof tijdens de overgangsperiode zal worden bevorderd. In het kader van het toezicht moet het Agentschap nagaan of de overgang naar een voor waterstof bestemde actief in het project tijdig is verlopen. Bij financiering van deze projecten krachtens Verordening (EU) 2021/1153 tijdens de overgangsperiode moet in de subsidieovereenkomst een voorwaarde worden opgenomen om de financiering terug te betalen in geval van vertraging bij de tijdige overgang van het project naar een voor waterstof bestemde actief, alsook passende bepalingen die de handhaving van die voorwaarde mogelijk maken.

(60)

In lijn met de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 dat geen enkele lidstaat na 2015 nog geïsoleerd mag zijn van de Europese gas- en elektriciteitsnetten of zijn energiezekerheid in gevaar mag zien komen doordat het ontbreekt aan de nodige geschikte interconnecties, is deze verordening erop gericht de toegang tot de trans-Europese energienetwerken te verzekeren door een einde te maken aan het energie-isolement van Cyprus en Malta, die nog steeds niet met het trans-Europese gasnetwerk onderling zijn verbonden. Deze doelstelling moet worden bereikt door projecten in de ontwikkelings- of planningsfase waaraan de status van project van gemeenschappelijk belang is toegekend uit hoofde van Verordening (EU) nr. 347/2013 toe te staan deze status te behouden tot Cyprus en Malta met het trans-Europese gasnetwerk onderling zijn verbonden. Deze projecten dragen niet allen bij tot de ontwikkeling van de markt voor hernieuwbare energie, de flexibiliteit en veerkracht van het energiesysteem en de leveringszekerheid, maar zullen ook zorgen voor de toegang tot toekomstige energiemarkten, waaronder waterstof, en bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie.

(61)

Projecten van gemeenschappelijk belang mogen niet in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie wanneer de projectontwikkelaars, beheerders of investeerders zich in één van de uitsluitingssituaties bevinden als bedoeld in artikel 136 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (28), bijvoorbeeld in geval van veroordeling wegens fraude, corruptie of gedragingen die verband houden met een criminele organisatie. Het moet mogelijk zijn om een project van gemeenschappelijk belang van de Unielijst te verwijderen wanneer de opname daarvan in die lijst gebaseerd was op incorrecte informatie die een bepalend element was bij die opneming, of wanneer het project niet in overeenstemming is met het Unierecht. Met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang in de lidstaten die op grond van deze verordening een afwijking genieten, moeten deze lidstaten, wanneer zij aanvragen voor financiering krachtens Verordening (EU) 2021/1153 voor dergelijke projecten ondersteunen, ervoor zorgen dat de projecten niet direct of indirect ten goede komen aan personen of entiteiten die zich in een van de uitsluitingssituaties bevinden als bedoeld in artikel 136 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.

(62)

Om de tijdige ontwikkeling van essentiële energie-infrastructuurprojecten voor de Unie te verzekeren, moet de vijfde Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang van kracht blijven tot de eerste Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang die op grond van deze verordening is opgesteld, in werking treedt. Om de ontwikkeling, monitoring en financiering van de projecten van gemeenschappelijk belang op de vijfde Unielijst mogelijk te maken, moeten daarnaast ook sommige bepalingen van Verordening (EU) nr. 347/2013 van kracht blijven en effect sorteren tot de inwerkingtreding van de eerste Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang die op grond van deze verordening is opgesteld.

(63)

Verordening (EU) nr. 347/2013 moet derhalve worden ingetrokken.

(64)

Teneinde te garanderen dat de Unielijst beperkt blijft tot de projecten die het meest bijdragen aan de uitvoering van de in een bijlage bij deze verordening opgenomen strategische prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening teneinde de Unielijst op te stellen en te evalueren, met inachtneming van het recht van de lidstaten om hun goedkeuring te hechten aan projecten op de Unielijst op hun grondgebied. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (29). De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad. Ingeval deskundigen van de lidstaten zijn uitgenodigd en indien het Europees Parlement en de Raad dit noodzakelijk achten, kunnen zij deskundigen sturen naar de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

De besprekingen in de regionale groepen zijn voor de Commissie van essentieel belang voor het vaststellen van gedelegeerde handelingen tot opstelling van de Unielijsten. Het is dan ook passend dat het Europees Parlement en de Raad, voor zover mogelijk en in overeenstemming met het kader van deze verordening, in kennis worden gesteld van en deskundigen kunnen sturen naar de bijeenkomsten van de regionale groepen overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Uitgaande van de noodzaak om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken en met het oog op het aantal projecten op Unielijsten tot dusver, moet het totale aantal projecten op de Unielijst beheersbaar blijven en mag het derhalve niet significant hoger zijn dan 220.

(65)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling en interoperabiliteit van trans-Europese energienetwerken en de koppeling aan dergelijke netwerken die een bijdrage leveren aan het beperken van de klimaatverandering, in het bijzonder het halen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050, en aan het verzekeren van interconnecties, energiezekerheid, markt- en systeemintegratie, concurrentie die alle lidstaten ten goede komt en betaalbare energieprijzen„ niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp, doelstellingen en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden richtsnoeren vastgesteld voor de tijdige ontwikkeling en de interoperabiliteit van de in bijlage I opgenomen prioritaire corridors en gebieden voor trans-Europese energie-infrastructuur (“prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur”) die een bijdrage leveren aan het verzekeren van het beperken van de klimaatverandering, in het bijzonder het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050, en van interconnecties, energiezekerheid, markt- en systeemintegratie, concurrentie die alle lidstaten ten goede komt en betaalbare energieprijzen.

2.   Met name worden/wordt bij deze verordening:

a)

voorzien in de selectie van projecten op de op grond van artikel 3 opgestelde Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang (de “Unielijst”);

b)

de tijdige uitvoering van projecten op de Unielijst vergemakkelijkt door vergunningverleningsprocessen te stroomlijnen, nauwer te coördineren en te versnellen en door de transparantie te vergroten en de inspraak van het publiek te verbeteren;

c)

regels vastgesteld voor de grensoverschrijdende toewijzing van kosten en risicogerelateerde stimulansen voor projecten op de Unielijst;

d)

de voorwaarden vastgesteld voor het in aanmerking komen van projecten op de Unielijst voor financiële bijstand van de Unie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden naast de definities in Verordeningen (EG) nr. 715/2009, (EU) 2018/1999, (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943 en in Richtlijnen 2009/73/EG, (EU) 2018/2001 (30) en (EU) 2019/944 de volgende definities:

1)

“energie-infrastructuur”: elke fysieke uitrusting of faciliteit die valt onder de energie-infrastructuurcategorieën en die gelegen is binnen de Unie of die de Unie verbindt met een of meer derde landen;

2)

“knelpunt in de energie-infrastructuur”: een beperking van de fysieke stromen in een energiesysteem als gevolg van onvoldoende transmissiecapaciteit, onder andere door het ontbreken van infrastructuur;

3)

“raambesluit”: een door een instantie of instanties van een lidstaat, met uitsluiting van rechterlijke instanties, genomen besluit of verzameling van besluiten waarbij wordt bepaald of een projectontwikkelaar een vergunning voor de bouw van de energie-infrastructuur met betrekking tot een project van gemeenschappelijk belang of een project van wederzijds belang krijgt doordat hij de mogelijkheid heeft om de noodzakelijke bouwwerkzaamheden (toegewezen te krijgen en) aan te vangen (de “bouwklaarfase”), onverminderd alle besluiten die worden genomen in de context van procedures van administratief beroep;

4)

“project”: een of verscheidene hoogspanningslijnen, pijpleidingen, faciliteiten, uitrustingen of installaties die vallen onder de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II;

5)

“project van gemeenschappelijk belang”: een project waarvan de uitvoering vereist is voor de in bijlage I beschreven prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur en dat op de Unielijst staat;

6)

“project van wederzijds belang”: een project dat door de Unie wordt bevorderd in samenwerking met derde landen, op grond van de steunbrieven van de regeringen van de direct betroffen landen of andere niet-bindende overeenkomsten, dat valt binnen een van de energie-infrastructuurcategorieën beschreven in bijlage II, punt 1), a) of f), punt 3), a), of punt 5), a) of c), dat een bijdrage levert aan het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 en dat op de Unielijst staat;

7)

“concurrerende projecten”: projecten waarmee geheel of gedeeltelijk dezelfde vastgestelde leemte in de infrastructuur of regionale infrastructuurbehoefte wordt aangepakt;

8)

“projectontwikkelaar”:

a)

een transmissiesysteembeheerder (TSB), een distributiesysteembeheerder (DSB) of een andere beheerder of investeerder die een project ontwikkelt dat op de Unielijst staat;

b)

als er sprake is van meer dan één dergelijke TSB, DSB, andere beheerder of investeerder of van een groepering daarvan, de entiteit met rechtspersoonlijkheid overeenkomstig het geldende nationale recht die bij contract onder hen is gekozen en die de capaciteit heeft om namens de partijen bij de contractuele overeenkomst wettelijke verplichtingen en financiële aansprakelijkheid aan te gaan;

9)

“slim elektriciteitsnet”: enerzijds een elektriciteitsnet, ook op eilanden die niet of niet voldoende onderling verbonden zijn met de trans-Europese energienetwerken, dat kostenefficiënte integratie mogelijk maakt, evenals actieve controle van het gedrag en de acties van alle met het net verbonden gebruikers, waaronder producenten, consumenten en prosumenten, met het oog op een economisch efficiënt en duurzaam elektriciteitssysteem met weinig verlies en een hoge mate van integratie van hernieuwbare energiebronnen, leveringszekerheid en beveiliging, en waarbij de netbeheerder de acties van de met het net verbonden gebruikers digitaal kan monitoren, en anderzijds informatie- en communicatietechnologie voor de communicatie met gerelateerde netbeheerders, producenten, energieopslagfaciliteiten, en consumenten of prosumenten, met het oog op de duurzame, kostenefficiënte en veilige transmissie en distributie van elektriciteit;

10)

“slim gasnet”: een gasnet waarbij gebruik wordt gemaakt van innovatieve en digitale oplossingen voor de kostenefficiënte integratie van een verscheidenheid aan koolstofarme en met name hernieuwbare gasbronnen overeenkomstig de behoeften van consumenten en de kwaliteitseisen voor gas, teneinde de koolstofvoetafdruk van het bijbehorende gasverbruik te verkleinen, een groter aandeel van hernieuwbare en koolstofarme gassen mogelijk te maken en koppelingen te maken met andere energiedragers en sectoren, met inbegrip van de daarmee verband houdende fysieke verbeteringen indien deze onontbeerlijk zijn voor de werking van de uitrusting en installaties voor de integratie van koolstofarme en met name hernieuwbare gassen;

11)

“betrokken instantie”: instantie die volgens het nationaal recht bevoegd is voor de afgifte van verschillende vergunningen en toestemmingen betreffende de planning, het ontwerp en de bouw van onroerende activa, met inbegrip van energie-infrastructuur;

12)

“nationale regulerende instantie”: een nationale regulerende instantie die is aangewezen overeenkomstig artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2009/73/EG of een regulerende instantie op nationaal niveau die is aangewezen overeenkomstig artikel 57 van Richtlijn (EU) 2019/944;

13)

“relevante nationale regulerende instantie”: de nationale regulerende instantie in de lidstaten waar de projecten worden uitgevoerd en in de lidstaten waarvoor de projecten een aanzienlijk positief effect hebben;

14)

“werkzaamheden”: de aanschaf, de levering en de inzet van componenten, systemen en diensten, inclusief software, en de uitvoering van ontwikkelings-, herbestemmings-, bouw- en installatieactiviteiten in verband met een project, alsmede de oplevering van de installaties en de inbedrijfstelling van een project;

15)

“studies”: activiteiten die nodig zijn ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, zoals voorbereidende studies, haalbaarheidsstudies, evaluatie-, test- en validatieonderzoeken, met inbegrip van software, en alle andere technische ondersteuningsmaatregelen, met inbegrip van aan de werkzaamheden voorafgaande activiteiten die nodig zijn voor de vaststelling en ontwikkeling van een project en voor de besluitvorming over de financiering ervan, zoals verkenningen ter plaatse en het opzetten van het financieringsplan;

16)

“inbedrijfstelling”: het proces waarbij een project in werking wordt gesteld zodra de constructie is voltooid;

17)

“voor waterstof bestemde activa”: infrastructuur die geschikt is voor zuivere waterstof zonder dat hiervoor verdere aanpassingswerkzaamheden nodig zijn, waaronder pijpleidingnetten en opslagfaciliteiten die nieuw gebouwd zijn, herbestemde aardgasactiva zijn, of beide;

18)

“herbestemming”: de technische verbetering of wijziging van bestaande aardgasinfrastructuur om ervoor te zorgen dat deze bestemd is voor het gebruik van zuivere waterstof;

19)

“aanpassing aan de klimaatverandering”: een proces dat ervoor zorgt dat energie-infrastructuur bestand is tegen de potentiële nadelige gevolgen van de klimaatverandering door middel van een klimaatkwetsbaarheids- en risicobeoordeling, onder meer door de nodige aanpassingsmaatregelen.

HOOFDSTUK II

Projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang

Artikel 3

Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang

1.   Er worden regionale groepen (“groepen”) opgericht volgens de procedure van bijlage III, afdeling 1. Het lidmaatschap van elke groep is gebaseerd op elke prioritaire corridor en elk prioritair gebied en het desbetreffende geografische bereik als opgenomen in bijlage I. De beslissingsbevoegdheid binnen de groep is beperkt tot de lidstaten en de Commissie (het “besluitvormingsorgaan”), en is gebaseerd op consensus.

2.   Elke groep stelt zijn eigen reglement van orde vast, met inachtneming van de bepalingen van bijlage III.

3.   Het besluitvormingsorgaan van elke groep stelt een regionale lijst van projecten vast, die wordt opgesteld overeenkomstig de procedure van bijlage III, afdeling 2, de bijdrage van elk project aan de uitvoering van de in bijlage I opgenomen prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur en de criteria van artikel 4.

Wanneer een groep zijn regionale lijst opstelt:

a)

vergt elk afzonderlijk voorstel voor een project de goedkeuring van de lidstaten op het grondgebied waarvan het project betrekking heeft; indien een lidstaat geen goedkeuring verleent, maakt deze lidstaat zijn voldoende onderbouwde redenen daartoe bekend aan de betrokken groep;

b)

houdt deze rekening met het advies van de Commissie met als doel het aantal projecten op de Unielijst beheersbaar te houden.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de Unielijst op te stellen, met inachtneming van artikel 172, tweede alinea, VWEU.

Bij de uitoefening van haar bevoegdheid ziet de Commissie erop toe dat de Unielijst om de twee jaar volgens de procedure van lid 3 van dit artikel wordt opgesteld op basis van de regionale lijsten zoals vastgesteld door de besluitvormingsorganen van de op grond van bijlage III, afdeling 1, punt 1), ingestelde groepen.

De Commissie stelt de gedelegeerde handeling tot opstelling van de eerste Unielijst uit hoofde van deze verordening uiterlijk op 30 november 2023 vast.

Indien een door de Commissie op grond van dit lid vastgestelde gedelegeerde handeling niet in werking kan treden doordat het Europees Parlement of de Raad op grond van artikel 20, lid 6, bezwaar heeft gemaakt, roept de Commissie onmiddellijk de groepen bijeen om nieuwe regionale lijsten op te stellen, rekening houdend met de redenen voor het bezwaar. De Commissie stelt zo spoedig mogelijk een nieuwe gedelegeerde handeling vast tot opstelling van de Unielijst.

5.   Wanneer de Commissie de Unielijst opstelt door de in lid 3 bedoelde regionale lijsten te combineren, neemt zij de beraadslagingen van de groepen in acht en:

a)

ziet zij erop toe dat daarin alleen projecten worden opgenomen die voldoen aan de in artikel 4 bedoelde criteria;

b)

zorgt zij voor transregionale samenhang met inachtneming van het advies van het Agentschap als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 14);

c)

houdt zij rekening gehouden met de adviezen van de lidstaten als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 10);

d)

streeft zij ernaar het totale aantal projecten op de Unielijst beheersbaar te houden.

6.   Projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II bij deze Verordening, punt 1), a), b), c), d) en f), worden integrerend onderdeel van de desbetreffende regionale investeringsplannen uit hoofde van artikel 34 van Verordening (EU) 2019/943 en van de desbetreffende nationale tienjarige netontwikkelingsplannen uit hoofde van artikel 51 van Richtlijn (EU) 2019/944 en, in voorkomend geval, andere nationale infrastructuurplannen. Aan die projecten van gemeenschappelijk belang wordt binnen elk van die plannen de hoogst mogelijke prioriteit toegekend. Dit lid is niet van toepassing op concurrerende projecten, op projecten die nog onvoldoende rijp zijn voor een projectspecifieke kosten-batenanalyse als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 1), d), noch op projecten van wederzijds belang.

7.   Projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), c), d) en f), en die concurrerende projecten zijn of die nog onvoldoende rijp zijn voor een projectspecifieke kosten-batenanalyse als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 1), d), kunnen als te overwegen projecten worden opgenomen in, in voorkomend geval, de desbetreffende regionale investeringsplannen, nationale tienjarige netontwikkelingsplannen en andere nationale infrastructuurplannen.

Artikel 4

Criteria voor de beoordeling van projecten door de groepen

1.   Een project van gemeenschappelijk belang voldoet aan de volgende algemene criteria:

a)

het project is noodzakelijk voor ten minste een van de in bijlage I opgenomen prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur;

b)

de potentiële algemene voordelen van het project, beoordeeld volgens de relevante specifieke criteria van lid 3, wegen op tegen de kosten ervan, ook die op langere termijn;

c)

het project voldoet aan een van de volgende criteria:

i)

het heeft betrekking op ten minste twee lidstaten doordat het op directe dan wel indirecte wijze, via interconnectie met een derde land, de grens van twee of meer lidstaten overschrijdt;

ii)

het is gelegen op het grondgebied van één lidstaat, hetzij in het binnenland, hetzij offshore (eilanden daaronder begrepen), en heeft een aanzienlijk grensoverschrijdend effect als beschreven in bijlage IV, punt 1).

2.   Een project van wederzijds belang voldoet aan de volgende algemene criteria:

a)

het project draagt in aanzienlijke mate bij tot de in artikel 1, lid 1, bedoelde doelstellingen en die van het derde land, met name doordat het geen belemmering vormt voor het vermogen van het derde land om op fossiele brandstoffen gebaseerde productieactiva voor binnenlands verbruik geleidelijk af te bouwen, en tot duurzaamheid, onder meer door de integratie van hernieuwbare energie in het net en door de transmissie en distributie van hernieuwbare productie naar belangrijke verbruikscentra en opslagfaciliteiten;

b)

de potentiële algemene voordelen van het project op het niveau van de Unie, beoordeeld volgens de relevante specifieke criteria van lid 3, wegen op tegen de kosten ervan binnen de Unie, ook die op langere termijn;

c)

het project is gelegen op het grondgebied van ten minste één lidstaat en op het grondgebied van ten minste één derde land, en heeft een aanzienlijk grensoverschrijdend effect als bedoeld in bijlage IV, punt 2);

d)

voor het op het grondgebied van een lidstaat gelegen deel is het project in overeenstemming met de Richtlijnen 2009/73/EG en (EU) 2019/944, voor zover het binnen de infrastructuurcategorieën van de punten 1) en 3) van bijlage II bij deze verordening valt;

e)

er is sprake van een hoge mate van convergentie van het beleidskader van het betrokken derde land of de betrokken derde landen en mechanismen voor rechtshandhaving ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie worden aangetoond, met name om te zorgen voor:

i)

een goed werkende interne energiemarkt;

ii)

leveringszekerheid op basis van onder meer diverse bronnen, samenwerking en solidariteit;

iii)

een energiesysteem, met inbegrip van productie, transmissie en distributie, dat gericht is op het behalen van de doelstelling van klimaatneutraliteit, dat strookt met de Overeenkomst van Parijs en de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en waarbij met name koolstoflekkage wordt voorkomen;

f)

het betrokken derde land of de betrokken derde landen ondersteunen de in artikel 7 beschreven prioriteitsstatus van het project en verbinden zich ertoe zich te houden aan een tijdschema voor versnelde uitvoering en andere beleidsmaatregelen en regelgevende steunmaatregelen dat vergelijkbaar is met dat voor projecten van gemeenschappelijk belang in de Unie.

Wat projecten voor de opslag van koolstofdioxide betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 5), c), is het project noodzakelijk om het grensoverschrijdende transport en de grensoverschrijdende opslag van koolstofdioxide mogelijk te maken, en beschikt het derde land waar het project is gelegen, over een adequaat rechtskader op basis van handhavingsmechanismen die hun doeltreffendheid hebben bewezen om ervoor te zorgen dat in het kader van het project met betrekking tot de veiligheid en doeltreffendheid van de permanente opslag van koolstofdioxide normen en waarborgen inzake het klimaat, de volksgezondheid en ecosystemen worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarin het Unierecht voorziet, waarbij koolstoflekkage wordt voorkomen.

3.   De volgende specifieke criteria zijn van toepassing op projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen specifieke energie-infrastructuurcategorieën:

a)

wat projecten voor elektriciteitstransmissie, -distributie en -opslag betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), c), d) en f): het project draagt aanzienlijk bij tot duurzaamheid door de integratie van hernieuwbare energie in het net, de transmissie of distributie van hernieuwbare productie naar belangrijke verbruikscentra en opslagfaciliteiten, en in voorkomend geval tot minder energiebeperking, en het draagt bij tot ten minste een van de volgende specifieke criteria:

i)

marktintegratie — onder meer door het energie-isolement van ten minste één lidstaat op te heffen en knelpunten in de energie-infrastructuur te verkleinen —, mededinging, interoperabiliteit en systeemflexibiliteit;

ii)

leveringszekerheid, onder meer door interoperabiliteit, systeemflexibiliteit, cyberbeveiliging, geschikte verbindingen en veilig en betrouwbaar systeembeheer;

b)

wat projecten voor slimme elektriciteitsnetten betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 1), e): het project draagt aanzienlijk bij tot duurzaamheid door de integratie van hernieuwbare energie in het net, en het draagt bij tot ten minste twee van de volgende specifieke criteria:

i)

leveringszekerheid, onder meer door efficiëntie en interoperabiliteit van elektriciteitstransmissie en -distributie bij dagelijks netbeheer, het vermijden van congestie, en integratie en betrokkenheid van netgebruikers;

ii)

marktintegratie, onder meer door efficiënt systeembeheer en het gebruik van interconnectoren;

iii)

netveiligheid, flexibiliteit en kwaliteit van de levering, onder meer door een ruimere toepassing van innovatie op het gebied van balancering, flexibiliteitsmarkten, cyberbeveiliging, monitoring, toezicht op het systeem en foutencorrectie;

iv)

slimme sectorintegratie, hetzij in het energiesysteem door verschillende energiedragers en -sectoren aan elkaar te koppelen, of in bredere zin, door synergieën en coördinatie tussen de energie-, vervoers- en telecommunicatiesector te bevorderen;

c)

wat projecten voor transport en opslag van koolstofdioxide betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 5): het project draagt aanzienlijk bij tot duurzaamheid door de koolstofdioxide-emissies in de verbonden industriële installaties te verminderen, en het draagt bij tot alle volgende specifieke criteria:

i)

het vermijden van koolstofdioxide-emissies zonder afbreuk te doen aan leveringszekerheid;

ii)

het weerbaarder en veiliger maken van transport en opslag van koolstofdioxide;

iii)

het efficiënte gebruik van hulpbronnen, door het mogelijk te maken meerdere koolstofdioxidebronnen en opslaglocaties onderling te verbinden via een gemeenschappelijke infrastructuur en minimalisering van milieurisico’s en -belasting;

d)

wat waterstofprojecten betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 3): het project draagt aanzienlijk bij tot duurzaamheid, onder meer door vermindering van uitstoot van broeikasgassen, door bevordering van het gebruik van hernieuwbare of koolstofarme waterstof, met de nadruk op waterstof uit hernieuwbare bronnen voor met name eindtoepassingen waarin energie-efficiëntere oplossingen niet haalbaar zijn, bijvoorbeeld in sectoren waar de transitie moeilijk te verwezenlijken is, en door de ondersteuning van variabele elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen door het bieden van oplossingen voor flexibiliteit, opslag of beide, en het project draagt in aanzienlijke mate bij tot ten minste een van de volgende specifieke criteria:

i)

marktintegratie, onder meer door bestaande of opkomende waterstofnetten van lidstaten met elkaar te verbinden; of het draagt anderszins bij tot het ontstaan van een Uniebreed net voor het transport en de opslag van waterstof en het zorgt voor de interoperabiliteit van verbonden systemen;

ii)

leveringszekerheid en flexibiliteit, onder meer door geschikte verbindingen en door veilig en betrouwbaar systeembeheer te bevorderen;

iii)

mededinging, onder meer door toegang te verlenen aan verschillende leveringsbronnen en netgebruikers, op transparante en niet-discriminerende basis;

e)

wat elektrolyse-installaties betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 4): het project draagt aanzienlijk bij tot alle volgende specifieke criteria:

i)

duurzaamheid, onder meer door vermindering van d uitstoot van broeikasgassen en bevordering van het gebruik van hernieuwbare of koolstofarme waterstof, met name uit hernieuwbare bronnen, en synthetische brandstoffen afkomstig van dergelijke bronnen;

ii)

leveringszekerheid, onder meer door bij te dragen tot veilig, efficiënt en betrouwbaar systeembeheer, of door het bieden van oplossingen voor flexibiliteit, opslag of beide, zoals vraagrespons en balanceringsdiensten;

iii)

het mogelijk maken van flexibiliteitsdiensten zoals vraagrespons en opslag door het vergemakkelijken van de integratie van de slimme-energiesector door koppelingen te maken met andere energiedragers en sectoren;

f)

wat projecten voor slimme gasnetten betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 2): het project draagt aanzienlijk bij tot duurzaamheid door te zorgen voor de integratie van meerdere koolstofarme en met name hernieuwbare gassen, ook wanneer deze van lokale oorsprong zijn, zoals biomethaan of hernieuwbare waterstof, in de transmissie-, distributie- of opslagsystemen voor gas met het oog op de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, en dat project draagt aanzienlijk bij tot ten minste een van de volgende specifieke criteria:

i)

netveiligheid en kwaliteit van de levering door de efficiëntie en interoperabiliteit van transmissie-, distributie- of opslagsystemen voor gas bij dagelijks netbeheer te verbeteren, onder meer door uitdagingen die het gevolg zijn van het injecteren van gassen van verschillende kwaliteit aan te pakken;

ii)

marktwerking en klantendiensten;

iii)

het vergemakkelijken van de integratie van de slimme-energiesector door koppelingen te maken met andere energiedragers en sectoren en het mogelijk maken van vraagrespons.

4.   Wat de projecten betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, worden de in lid 3 van dit artikel beschreven criteria beoordeeld aan de hand van de indicatoren van bijlage IV, punten 3) tot en met 8).

5.   Om de beoordeling van alle projecten die in aanmerking kunnen komen als projecten van gemeenschappelijk belang en die kunnen worden opgenomen in een regionale lijst te vergemakkelijken, beoordeelt elke groep de bijdrage van elk project aan de uitvoering van dezelfde prioritaire corridor of hetzelfde prioritaire gebied voor energie-infrastructuur op een transparante en objectieve manier. Elke groep stelt zijn beoordelingsmethode vast aan de hand van de geaggregeerde bijdrage aan de in lid 3 bedoelde criteria. Deze beoordeling resulteert in een rangschikking van de projecten voor intern gebruik door de groep. De regionale lijst noch de Unielijst bevat een rangschikking, noch mag de rangschikking worden gebruikt voor een eventuele latere bestemming, behalve in het geval als omschreven in bijlage III, afdeling 2, punt 16).

Om te zorgen voor een samenhangende beoordelingsmethode onder de groepen, besteedt elke groep bij de beoordeling van projecten de nodige aandacht aan:

a)

de urgentie van elk voorgesteld project en de mate waarin elk voorgesteld project bijdraagt tot het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, marktintegratie, mededinging, duurzaamheid en leveringszekerheid;

b)

de complementariteit van elk voorgesteld project ten aanzien van andere voorgestelde projecten, met inbegrip van concurrerende of mogelijk concurrerende projecten;

c)

mogelijke synergieën met de prioritaire corridors en thematische gebieden die in het kader van de trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer en telecommunicatie zijn vastgesteld;

d)

wat voorgestelde projecten betreft die op het ogenblik van de beoordeling op de Unielijst staan, de vooruitgang bij de uitvoering ervan en de nakoming van de verplichtingen op het gebied van rapportage en transparantie.

Wat projecten voor slimme elektriciteitsnetten en slimme gasnetten betreft die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), e), en punt 2), worden projecten die van invloed zijn op dezelfde twee lidstaten gerangschikt, en wordt er ook gekeken naar het aantal gebruikers dat de invloed van het project ondervindt, het jaarlijkse energieverbruik en het aandeel van de energieproductie uit niet-aan-uitschakelbare energiebronnen in het gebied van die gebruikers.

Artikel 5

Uitvoering en monitoring van projecten op de Unielijst

1.   De projectontwikkelaars stellen een uitvoeringsplan voor projecten op de Unielijst op, met inbegrip van een tijdschema voor:

a)

haalbaarheids- en ontwerpstudies, onder meer met betrekking tot de aanpassing aan de klimaatverandering en de inachtneming van de milieuwetgeving en van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”;

b)

de goedkeuring door de nationale regulerende instantie of enige andere betrokken instantie;

c)

de bouw en de inbedrijfstelling;

d)

het vergunningverleningsproces bedoeld in artikel 10, lid 6, punt b).

2.   TSB’s, DSB’s en andere beheerders werken samen om de ontwikkeling van projecten op de Unielijst in hun gebied te vergemakkelijken.

3.   Het Agentschap en de betrokken groepen monitoren de bij de uitvoering van de projecten op de Unielijst geboekte vooruitgang en doen zo nodig aanbevelingen om de uitvoering ervan te vergemakkelijken. De groepen kunnen verzoeken om aanvullende informatie overeenkomstig de leden 4, 5 en 6, vergaderingen met de betrokken partijen beleggen en de Commissie verzoeken de verstrekte informatie ter plaatse te verifiëren.

4.   Uiterlijk op 31 december van elk jaar volgend op het jaar waarin een project in de Unielijst wordt opgenomen, dienen de projectontwikkelaars voor elk project dat valt binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, een jaarverslag in bij de in artikel 8, lid 1, bedoelde nationale bevoegde instantie.

Dit verslag bevat gegevens over:

a)

de vooruitgang die is geboekt bij de ontwikkeling, bouw en inbedrijfstelling van het project, met name wat betreft het vergunningverleningsproces en de raadplegingsprocedure, alsook de inachtneming van de milieuwetgeving, van het beginsel dat het project “geen ernstige schade berokkent” aan het milieu, en de genomen maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering;

b)

indien van toepassing, vertragingen ten opzichte van het uitvoeringsplan, de redenen voor die vertragingen, alsook bijzonderheden over andere moeilijkheden;

c)

in voorkomend geval een herzien plan om de vertragingen in te halen.

5.   Uiterlijk op 28 februari van elk jaar na het jaar waarin de projectontwikkelaar het in lid 4 van dit artikel bedoelde verslag moet indienen, dienen de in artikel 8, lid 1, bedoelde bevoegde instanties bij het Agentschap en bij de relevante groep het in lid 4 van dit artikel bedoelde verslag in, aangevuld met informatie over de vooruitgang en, indien van toepassing, vertragingen bij de uitvoering van de projecten op de Unielijst op hun grondgebied met betrekking tot de vergunningverleningsprocessen, en over de redenen voor die vertragingen. De bijdrage van de bevoegde instanties aan het verslag wordt duidelijk als zodanig aangeduid en opgesteld zonder de door de projectontwikkelaars ingediende tekst te wijzigen.

6.   Uiterlijk op 30 april van elk jaar waarin er een nieuwe Unielijst moet worden vastgesteld, dient het Agentschap bij de groepen een geconsolideerd verslag in met betrekking tot de projecten op de Unielijst die onder de bevoegdheid van de nationale regulerende instanties vallen, met een evaluatie van de geboekte vooruitgang en verwachte wijzigingen van de projectkosten, en doet het, wanneer passend, aanbevelingen omtrent de manieren waarop vertragingen kunnen worden weggewerkt en de ondervonden problemen kunnen worden opgelost. In dat geconsolideerde verslag wordt met betrekking tot de in bijlage I opgenomen prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur, overeenkomstig artikel 11, punt b), van Verordening (EU) 2019/942, ook geëvalueerd in hoeverre de Uniebrede netontwikkelingsplannen op een samenhangende manier worden uitgevoerd.

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan het Agentschap verzoeken om aanvullende informatie die het nodig heeft om de in dit lid bedoelde taken uit te voeren.

7.   Wanneer de inbedrijfstelling van een project op de Unielijst anders dan om dwingende redenen buiten de macht van de projectontwikkelaar vertraging oploopt ten opzichte van het uitvoeringsplan, zijn de volgende maatregelen van toepassing:

a)

de nationale regulerende instanties zorgen ervoor dat de investeringen worden uitgevoerd, voor zover de in artikel 22, lid 7, punt a), b) of c), van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 51, lid 7, punt a), b) of c), van Richtlijn (EU) 2019/944 bedoelde maatregelen volgens het desbetreffende nationale recht van toepassing zijn;

b)

de projectontwikkelaar kiest binnen 24 maanden na de datum van inbedrijfstelling vastgelegd in het uitvoeringsplan een derde partij om het project in zijn geheel of ten dele te financieren of uit te voeren indien de maatregelen van de nationale regulerende instanties op grond van punt a) niet van toepassing zijn;

c)

de lidstaat of, wanneer een lidstaat aldus heeft bepaald, de nationale regulerende instantie kan, indien er geen derde partij gekozen wordt overeenkomstig punt b), binnen twee maanden na het verstrijken van de in punt b) bedoelde termijn een derde partij aanwijzen die het project zal financieren of uitvoeren en die door de projectontwikkelaar moet worden aanvaard;

d)

de Commissie mag, voor zover de betrokken lidstaten daarmee akkoord gaan en daaraan volledig meewerken, een uitnodiging tot het indienen van voorstellen bekendmaken, die openstaat voor elke derde partij die in staat is projectontwikkelaar te worden teneinde het project volgens een afgesproken tijdschema uit te voeren, indien de vertraging ten opzichte van de datum van inbedrijfstelling in het uitvoeringsplan meer dan 26 maanden bedraagt;

e)

wanneer de in punt c) of d) bedoelde maatregelen worden toegepast, verstrekt de systeembeheerder in wiens gebied de investering plaatsvindt, de bij de uitvoering betrokken beheerders of investeerders of derde partij alle informatie die nodig is om de investering te realiseren, verbindt hij de nieuwe activa aan het transmissienet of, waar van toepassing, aan het distributienet en levert hij in het algemeen alle mogelijke inspanningen om de uitvoering van de investering en het veilige, betrouwbare en efficiënte beheer en onderhoud van het project op de Unielijst te vergemakkelijken.

8.   Een project op de Unielijst kan overeenkomstig de procedure van artikel 3, lid 4, van de Unielijst worden verwijderd wanneer de opname daarvan in die lijst gebaseerd was op onjuiste informatie die een bepalend element was bij de opname, of wanneer het project niet in overeenstemming is met het Unierecht.

9.   Projecten die niet meer op de Unielijst staan, verliezen alle aan de status van project van gemeenschappelijk belang of project van wederzijds belang verbonden rechten en verplichtingen waarin deze verordening voorziet.

Een project dat niet meer op de Unielijst staat, maar waarvoor een aanvraagdossier voor behandeling door de bevoegde instantie is aanvaard, behoudt evenwel de in hoofdstuk III vastgestelde rechten en verplichtingen, behalve indien het project om de in lid 8 van dit artikel bedoelde redenen van de Unielijst is verwijderd.

10.   Dit artikel laat elke financiële bijstand die door de Unie voor een project op de Unielijst is toegekend vóór het besluit om het van de Unielijst te verwijderen, onverlet.

Artikel 6

Europese coördinatoren

1.   Wanneer er grote problemen zijn bij de uitvoering van een project van gemeenschappelijk belang, kan de Commissie, met instemming van de betrokken lidstaten, voor een periode van maximaal één jaar, die twee keer kan worden verlengd, een Europese coördinator aanwijzen.

2.   De Europese coördinator:

a)

bevordert de projecten waarvoor hij of zij als Europees coördinator is aangewezen en de grensoverschrijdende dialoog tussen de projectontwikkelaars en de betrokken belanghebbenden;

b)

staat alle partijen waar nodig bij tijdens de raadpleging van de betrokken belanghebbenden, de bespreking van alternatieve routes, in voorkomend geval, en bij het verkrijgen van de nodige vergunningen voor de projecten;

c)

dient in voorkomend geval de projectontwikkelaars van advies omtrent de financiering van het project;

d)

zorgt ervoor dat de betrokken lidstaten de nodige steun en strategische leiding verlenen voor de voorbereiding en uitvoering van de projecten;

e)

dient ieder jaar en, in voorkomend geval, na de beëindiging van zijn of haar mandaat, een verslag in bij de Commissie over de vooruitgang van de projecten en over alle moeilijkheden en belemmeringen die de inbedrijfstelling van de projecten waarschijnlijk aanzienlijk zullen vertragen.

De Commissie stuurt het in punt e) bedoelde verslag van de Europese coördinator door naar het Europees Parlement en de betrokken groepen.

3.   De Europese coördinator wordt gekozen in een open, niet-discriminerende en transparante procedure en op basis van de ervaring van een kandidaat met betrekking tot de aan hem of haar toegewezen specifieke taken voor de projecten in kwestie.

4.   In het besluit houdende aanwijzing van een Europese coördinator wordt de opdracht omschreven, meer bepaald de duur van het mandaat, de specifieke taken en de desbetreffende termijnen en de te hanteren methodologie. De coördinatie-inspanning is evenredig met de complexiteit en de geraamde kosten van de projecten.

5.   De betrokken lidstaten werken volledig samen met de Europese coördinator bij de uitvoering van de in de leden 2 en 4 bedoelde taken.

HOOFDSTUK III

Vergunningverlening en inspraak van het publiek

Artikel 7

“Prioriteitsstatus” van projecten op de Unielijst

1.   Met de vaststelling van de Unielijst wordt met het oog op eventueel te nemen besluiten in het vergunningverleningsproces de noodzaak van projecten op de Unielijst vanuit het oogpunt van het energiebeleid en het klimaat aangetoond, ongeacht de exacte locatie of route van het project of de bij het project gebruikte technologie.

Dit lid is niet van toepassing op concurrerende projecten, noch op projecten die nog onvoldoende rijp zijn voor een projectspecifieke kosten-batenanalyse als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 1), d).

2.   Om een efficiënte administratieve afhandeling van de aanvraagdossiers met betrekking tot projecten op de Unielijst zeker te stellen, zorgen projectontwikkelaars en alle betrokken instanties ervoor dat deze dossiers zo snel mogelijk worden behandeld overeenkomstig het Unie- en het nationale recht.

3.   Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van het Unierecht krijgen projecten op de Unielijst de hoogst mogelijke nationale status, indien het nationale recht in een dergelijke status voorziet, en worden zij als zodanig behandeld bij de ruimtelijke ordening, voor zover het nationale recht daarin voorziet, en bij de vergunningverleningsprocessen, inclusief de processen met betrekking tot milieubeoordelingen, op de wijze waarop het voor het desbetreffende type energie-infrastructuur geldende nationale recht in een dergelijke behandeling voorziet.

4.   Alle procedures voor geschillenbeslechting, beroepsprocedures, bezwaarschriften en rechtsmiddelen in verband met projecten op de Unielijst voor een nationale rechterlijke instantie, gerecht of kamer, met inbegrip van bemiddeling of arbitrage, indien het nationale recht daarin voorziet, worden als urgent behandeld, indien en voor zover het nationale recht in dergelijke urgentieprocedures voorziet.

5.   De lidstaten beoordelen met inachtneming van de bestaande richtsnoeren van de Commissie voor het stroomlijnen van de milieubeoordelingsprocedures voor projecten op de Unielijst, welke wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen noodzakelijk zijn om de milieubeoordelingsprocedures te stroomlijnen en ervoor te zorgen dat deze coherent worden toegepast, en zij stellen de Commissie van het resultaat van die beoordeling in kennis.

6.   Uiterlijk op 24 maart 2023 nemen de lidstaten de niet-wetgevingsmaatregelen die zij uit hoofde van lid 5 hebben vastgesteld.

7.   Uiterlijk op 24 juni 2023 nemen de lidstaten de wetgevingsmaatregelen die zij uit hoofde van lid 5 hebben vastgesteld. Deze wetgevingsmaatregelen laten de verplichtingen uit hoofde van het Unierecht onverlet.

8.   Met betrekking tot de in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde milieueffecten gelden projecten op de Unielijst, mits aan alle in die richtlijnen vervatte voorwaarden is voldaan, vanuit het oogpunt van het energiebeleid als projecten van openbaar belang, en kan worden gesteld dat hierbij sprake is van een dwingend openbaar belang.

Indien het advies van de Commissie overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG vereist is, zien de Commissie en de in artikel 9 van deze verordening bedoelde nationale bevoegde instantie erop toe dat het besluit betreffende het dwingend openbaar belang van een project wordt genomen binnen de in artikel 10, leden 1 en 2, van deze verordening vastgestelde termijnen.

Dit lid is niet van toepassing op concurrerende projecten, noch op projecten die nog onvoldoende rijp zijn voor een projectspecifieke kosten-batenanalyse als bedoeld in bijlage III, afdeling 2, punt 1), d).

Artikel 8

Organisatie van het vergunningverleningsproces

1.   Uiterlijk op 23 juni 2022 actualiseert elke lidstaat indien nodig de aanwijzing van één nationale bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor het vergemakkelijken en coördineren van het vergunningverleningsproces voor projecten op de Unielijst.

2.   De verantwoordelijkheden van de in lid 1 bedoelde nationale bevoegde instantie of de haar toebedeelde taken kunnen per project op de Unielijst of per specifieke categorie van projecten op de Unielijst worden gedelegeerd aan of uitgevoerd door een andere instantie, op voorwaarde dat:

a)

de nationale bevoegde instantie de Commissie van deze delegatie in kennis stelt en dat de in die kennisgeving opgenomen informatie door de nationale bevoegde instantie of door de projectontwikkelaar op de in artikel 9, lid 7, bedoelde website wordt gepubliceerd;

b)

per project op de Unielijst slechts één instantie verantwoordelijk is, dat zij in het proces dat tot het raambesluit voor een bepaald project op de Unielijst leidt, het enige aanspreekpunt is voor de projectontwikkelaar en dat zij de indiening coördineert van alle relevante documenten en informatie.

De nationale bevoegde instantie mag de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van termijnen behouden, onverminderd de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde termijnen.

3.   Onverminderd de relevante vereisten uit hoofde van het Unierecht, het internationale recht en, voor zover dit niet in tegenspraak is met de twee vorige, het nationale recht, vergemakkelijkt de nationale bevoegde instantie de vaststelling van het raambesluit. Het raambesluit wordt binnen de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde termijnen en overeenkomstig een van de volgende regelingen bekendgemaakt:

a)

geïntegreerde regeling:

het raambesluit wordt door de nationale bevoegde instantie bekendgemaakt en is het enige juridisch bindende besluit dat voortvloeit uit de wettelijk voorgeschreven vergunningverleningsprocedure. Wanneer ook andere instanties bij het project betrokken zijn, kunnen zij in overeenstemming met het nationale recht hun advies uitbrengen als input voor de procedure, en met dit advies wordt rekening gehouden door de nationale bevoegde instantie;

b)

gecoördineerde regeling:

het raambesluit omvat meerdere, door diverse betrokken instanties bekendgemaakte besluiten, die elk afzonderlijk juridisch bindend zijn, waarbij de nationale bevoegde instantie het geheel coördineert. De nationale bevoegde instantie kan een werkgroep instellen waarin alle betrokken instanties zijn vertegenwoordigd om overeenkomstig artikel 10, lid 6, punt b), een gedetailleerd schema voor het vergunningverleningsproces op te stellen en om de uitvoering daarvan te monitoren en te coördineren. Na overleg met de andere betrokken instanties, in voorkomend geval in overeenstemming met het nationale recht, en zonder afbreuk te doen aan de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde termijnen, stelt de nationale bevoegde instantie per geval een redelijke termijn vast waarbinnen de afzonderlijke besluiten moeten worden bekendgemaakt. De nationale bevoegde instantie kan een afzonderlijk besluit vaststellen namens een andere betrokken nationale instantie wanneer het besluit van die instantie niet binnen de gestelde termijn is genomen en de vertraging niet afdoende kan worden verantwoord, of — indien aldus bepaald uit hoofde van het nationale recht en voor zover verenigbaar met het Unierecht — de nationale bevoegde instantie kan zich op het standpunt stellen dat een andere betrokken nationale instantie het project heeft goedgekeurd dan wel afgewezen, wanneer het besluit van die instantie niet binnen de gestelde termijn is genomen. Indien aldus bepaald uit hoofde van het nationale recht kan de nationale bevoegde instantie een afzonderlijk besluit van een andere nationale betrokken instantie naast zich neerleggen wanneer zij oordeelt dat de door de betrokken nationale instantie gebruikte argumenten een onvoldoende grondslag vormen voor dit besluit; in dat geval zorgt de bevoegde instantie ervoor dat de relevante vereisten uit hoofde van het Unie- en internationale recht in acht worden genomen en motiveert zij haar besluit;

c)

samenwerkingsregeling:

het raambesluit wordt gecoördineerd door de nationale bevoegde instantie. Na raadpleging van de andere betrokken instanties, in voorkomend geval in overeenstemming met het nationale recht, en zonder afbreuk te doen aan de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde termijnen, stelt de nationale bevoegde instantie per geval een redelijke termijn vast waarbinnen de afzonderlijke besluiten moeten worden bekendgemaakt. Zij ziet toe op de naleving van de termijnen door de betrokken instanties.

De lidstaten voeren de regelintgen uit op een wijze die, overeenkomstig het nationale recht, bijdraagt tot de meest efficiënte en tijdige bekendmaking van het raambesluit.

De bevoegdheid van de betrokken instanties kan worden vervat in de bevoegdheid van de overeenkomstig lid 1 aangewezen nationale bevoegde instantie, ofwel kunnen de betrokken instanties tot op zekere hoogte hun onafhankelijke bevoegdheid behouden overeenkomstig de respectieve vergunningverleningsregeling die de lidstaat overeenkomstig dit lid kiest om de bekendmaking van het raambesluit te vergemakkelijken, en werken dienovereenkomstig samen met de nationale bevoegde instantie.

Indien een betrokken instantie niet verwacht binnen de gestelde termijn een afzonderlijk besluit te nemen, stelt die instantie de nationale bevoegde instantie daarvan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging. Vervolgens stelt de nationale bevoegde instantie een nieuwe termijn vast waarbinnen dat afzonderlijke besluit moet worden genomen, met inachtneming van de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde algemene termijnen.

De lidstaten kiezen een van de drie regelingen bedoeld in de eerste alinea, punten a), b) en c), om hun procedures te vergemakkelijken en te coördineren, en voeren de regeling uit die voor hen de meest effectieve regeling is in het licht van nationale specifieke kenmerken op het gebied van planning en vergunningverleningsprocessen. Wanneer een lidstaat voor de samenwerkingsregeling kiest, stelt hij de Commissie in kennis van de redenen daarvoor.

4.   De lidstaten kunnen de in lid 3 vastgestelde regelingen toepassen op onshore- en offshoreprojecten op de Unielijst.

5.   Wanneer er voor een project op de Unielijst in twee of meer lidstaten besluiten moeten worden genomen, nemen de respectieve nationale bevoegde instanties alle nodige maatregelen voor een efficiënte en effectieve onderlinge samenwerking en communicatie, met inbegrip van de in artikel 10, lid 6, bedoelde maatregelen. De lidstaten spannen zich in om te komen tot gezamenlijke procedures, met name wat de beoordeling van de milieueffecten betreft.

6.   De betrokken nationale bevoegde instanties van de lidstaten die betrokken zijn bij een project op de Unielijst dat behoort tot een van de prioritaire corridors voor offshorenetwerken vermeld in bijlage I, deel 2, wijzen gezamenlijk een van hen aan als uniek contactpunt voor projectontwikkelaars per project, dat verantwoordelijk is voor het vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie tussen de nationale bevoegde instanties over het vergunningverleningsproces voor het project, teneinde dat proces alsook de bekendmaking door de relevante nationale bevoegde instanties van besluiten te vergemakkelijken. De unieke contactpunten kunnen dienstdoen als bewaar- en verzamelplaats voor de bestaande documenten in verband met de projecten.

Artikel 9

Transparantie en inspraak van het publiek

1.   Uiterlijk op 24 oktober 2023 maakt de lidstaat of de nationale bevoegde instantie, in voorkomend geval in samenwerking met andere betrokken instanties, een bijgewerkte handleiding bekend van procedures voor het vergunningverleningsproces voor projecten op de Unielijst, met daarin ten minste de in bijlage VI, punt 1), gespecificeerde informatie. De handleiding is niet juridisch bindend, maar verwijst naar relevante wettelijke bepalingen of citeert daaruit. De nationale bevoegde instanties werken in voorkomend geval samen met de instanties van buurlanden en gaan op zoek naar synergieën met deze instanties, met het oog op de uitwisseling van goede praktijken en de vergemakkelijking van het vergunningverleningsproces, met name voor de ontwikkeling van de handleiding van procedures.

2.   Onverminderd het milieurecht en eventuele vereisten uit hoofde van het Verdrag van Aarhus, het Verdrag van Espoo en het desbetreffende Unierecht, nemen alle bij het vergunningverleningsproces betrokken partijen de beginselen inzake inspraak van het publiek in acht als uiteengezet in bijlage VI, punt 3).

3.   Binnen een indicatieve periode van drie maanden na de start van het vergunningverleningsproces op grond van artikel 10, lid 3, werkt de projectontwikkelaar een ontwerp betreffende inspraak van het publiek uit en dient dit in bij de nationale bevoegde instantie, overeenkomstig het proces als beschreven in de in lid 1 van dit artikel bedoelde handleiding en conform de in bijlage VI vastgestelde richtsnoeren. De nationale bevoegde instantie verzoekt binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van het ontwerp voor inspraak van het publiek om wijziging ervan of keurt dit goed, en houdt daarbij rekening met alle vormen van inspraak van het publiek en openbare raadpleging die hebben plaatsgevonden vóór het begin van het vergunningverleningsproces, voor zover die inspraak van het publiek en openbare raadpleging voldeden aan de vereisten van dit artikel.

Wanneer de projectontwikkelaar voornemens is in een goedgekeurd ontwerp voor inspraak van het publiek ingrijpende wijzigingen aan te brengen, stelt hij de nationale bevoegde instantie daarvan in kennis. In dat geval kan de nationale bevoegde instantie om wijzigingen verzoeken.

4.   Wanneer het nationale recht daar niet reeds in voorziet bij dezelfde of hogere normen, organiseert de projectontwikkelaar of, wanneer dit uit hoofde van het nationale recht wordt voorgeschreven, de nationale bevoegde instantie ten minste één openbare raadpleging voordat de projectontwikkelaar het definitieve en volledige aanvraagdossier op grond van artikel 10, lid 7, bij de nationale bevoegde instantie indient. Die openbare raadpleging laat publieksraadplegingen die krachtens artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2011/92/EU na indiening van een vergunningsaanvraag moeten worden gehouden, onverlet. In het kader van de openbare raadpleging worden de in bijlage VI, punt 3), a), bedoelde belanghebbenden in een vroeg stadium over het project geïnformeerd en wordt aan de hand daarvan de meest geschikte locatie, het meest geschikte traject of de meest geschikte technologie, in voorkomend geval ook met het oog op overwegingen inzake een adequate aanpassing aan de klimaatverandering in verband met het project, alle uit hoofde van het Unie- en nationale recht relevante effecten, en de relevante kwesties die in het aanvraagdossier moeten worden behandeld, bepaald. De openbare raadpleging voldoet aan de in bijlage VI, punt 5), vastgestelde minimumvereisten. Onverminderd de procedure- en transparantieregels in de lidstaten publiceert de projectontwikkelaar op de in lid 7 van dit artikel bedoelde website een verslag waarin wordt toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met de in het kader van de openbare raadplegingen geformuleerde meningen, door te laten zien welke wijzigingen zijn aangebracht in de locatie, het traject en het ontwerp van het project of door te motiveren waarom geen rekening is gehouden met deze meningen.

De projectontwikkelaar stelt een verslag op met een overzicht van de resultaten van de activiteiten die tot doel hadden het publiek vóór de indiening van het aanvraagdossier inspraak te geven, met inbegrip van de activiteiten die vóór de aanvang van het vergunningverleningsproces hebben plaatsgevonden.

De projectontwikkelaar dient de in de eerste en tweede alinea bedoelde verslagen samen met het aanvraagdossier in bij de nationale bevoegde instantie. In het raambesluit wordt naar behoren rekening gehouden met de resultaten van deze verslagen.

5.   Bij grensoverschrijdende projecten waarbij twee of meer lidstaten betrokken zijn, vinden de op grond van lid 4 georganiseerde openbare raadplegingen in elk van de betrokken lidstaten plaats binnen een termijn van maximaal twee maanden te rekenen vanaf de datum waarop de eerste openbare raadpleging is gestart.

6.   Bij projecten die waarschijnlijk een aanzienlijk grensoverschrijdend effect zullen hebben in een of meer aangrenzende lidstaten, en waarop artikel 7 van Richtlijn 2011/92/EU en het Verdrag van Espoo van toepassing zijn, wordt de relevante informatie beschikbaar gesteld aan de nationale bevoegde instanties van de betrokken aangrenzende lidstaten. De nationale bevoegde instanties van de betrokken aangrenzende lidstaten geven in voorkomend geval bij het kennisgevingsproces aan of zij, dan wel enige andere betrokken instantie, willen deelnemen aan de desbetreffende procedures van openbare raadpleging.

7.   De projectontwikkelaar zorgt voor een projectwebsite met relevante informatie over het project van gemeenschappelijk belang die op gezette tijden wordt geactualiseerd en koppelt die aan de website van de Commissie en het in artikel 23 bedoelde transparantieplatform, en zorgt ervoor dat die website voldoet aan de in bijlage VI, punt 6), gespecificeerde vereisten. Commercieel gevoelige informatie wordt vertrouwelijk gehouden.

Projectontwikkelaars maken relevante informatie ook bekend via andere geschikte informatiekanalen die openbaar zijn voor het publiek.

Artikel 10

Duur en verloop van het vergunningverleningsproces

1.   Het vergunningverleningsproces bestaat uit twee procedures:

a)

de procedure voorafgaand aan de aanvraag, die betrekking heeft op de periode tussen de start van het vergunningverleningsproces en de aanvaarding van het ingediende aanvraagdossier door de nationale bevoegde instantie, die wordt afgehandeld binnen een indicatieve periode van 24 maanden, en

b)

de wettelijk voorgeschreven vergunningverleningsprocedure, namelijk de periode die ingaat op de datum van aanvaarding van het ingediende aanvraagdossier en eindigt bij de vaststelling van het raambesluit, die niet langer dan 18 maanden mag duren.

Met betrekking tot de eerste alinea, punt b), kunnen de lidstaten in voorkomend geval voorzien in een wettelijk voorgeschreven vergunningsprocedure die korter is dan 18 maanden.

2.   De nationale bevoegde instantie zorgt ervoor dat de twee procedures als bedoeld in lid 1 gezamenlijk niet meer dan 42 maanden in beslag nemen.

Wanneer de nationale bevoegde instantie echter van oordeel is dat een of beide procedures niet afgerond zullen zijn binnen de in lid 1 vastgestelde termijnen, kan zij vóór het verstrijken daarvan en per geval besluiten een of beide termijnen te verlengen. De nationale bevoegde instantie verlengt de gezamenlijke duur van beide procedures niet met meer dan negen maanden, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden.

Wanneer de nationale bevoegde instantie besluit de termijnen te verlengen, brengt zij de betrokken groep daarvan op de hoogte en stelt zij de groep in kennis van de genomen of te nemen maatregelen om het vergunningverleningsproces met zo weinig mogelijk vertraging te kunnen afronden. De groep kan verzoeken dat de nationale bevoegde instantie regelmatig verslag uitbrengt over de geboekte vooruitgang in dat verband en over de redenen van eventuele vertragingen.

3.   Om de start van het vergunningverleningsproces vast te leggen, melden de projectontwikkelaars het project schriftelijk aan bij de nationale bevoegde instantie van elke lidstaat en laten zij de desbetreffende kennisgeving vergezeld gaan van een redelijk gedetailleerd overzicht van het project.

Binnen de drie maanden na de ontvangst van de kennisgeving deelt de nationale bevoegde instantie, mede namens andere betrokken instanties, schriftelijk mee of zij de kennisgeving aanvaardt, dan wel of zij deze weigert, in het geval zij van oordeel is dat het project onvoldoende maturiteit bezit om het vergunningverleningsproces op te starten. In het geval van een weigering motiveert de nationale bevoegde instantie haar besluit, mede namens andere betrokken instanties. De datum van ondertekening van de aanvaarding van de kennisgeving door de nationale bevoegde instantie geldt als de startdatum van het vergunningverleningsproces. Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn, geldt de datum van aanvaarding van de laatste kennisgeving door de betrokken nationale bevoegde instantie als de startdatum van het vergunningverleningsproces.

De nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het vergunningverleningsproces overeenkomstig dit hoofdstuk wordt versneld voor elke categorie van projecten van gemeenschappelijk belang. Daartoe passen de nationale bevoegde instanties hun vereisten voor de start van het vergunningverleningsproces en voor de aanvaarding van het ingediende aanvraagdossier aan, om ze geschikt te maken voor projecten die vanwege hun aard, omvang of het ontbreken van de verplichting uit hoofde van het nationale recht om een milieubeoordeling uit te voeren wellicht minder toestemmingen en goedkeuringen vereisen om de bouwklaarfase te bereiken. De lidstaten kunnen besluiten dat de in de leden 1 en 6 van dit artikel bedoelde procedure voorafgaand aan de aanvraag niet vereist is voor de in deze alinea bedoelde projecten.

4.   De nationale bevoegde instanties houden bij het vergunningverleningsproces rekening met eventuele gefundeerde studies die zijn uitgevoerd en met vergunningen of toestemmingen die voor een bepaald project op de Unielijst zijn verleend vóór het vergunningverleningsproces voor dit project werd opgestart overeenkomstig dit artikel, en eisen geen duplicaten van studies en vergunningen of toestemmingen.

5.   In lidstaten waar de bepaling van een route of locatie die uitsluitend wordt verricht met een gepland project als specifiek doel — met inbegrip van de planning van specifieke corridors voor netwerkinfrastructuren — geen deel kan uitmaken van de procedure tot vaststelling van het raambesluit, wordt het desbetreffende besluit genomen binnen een afzonderlijke periode van zes maanden die ingaat op de datum van indiening van het definitieve en volledige aanvraagdossier door de ontwikkelaar.

In de omstandigheden bedoeld in de eerste alinea van dit lid, wordt de in lid 2, tweede alinea, bedoelde verlenging teruggebracht tot zes maanden, ook voor de in dit lid bedoelde procedure, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden.

6.   De procedure voorafgaand aan de aanvraag bestaat uit de volgende stappen:

a)

zo snel mogelijk en uiterlijk zes maanden na de kennisgeving op grond van de eerste alinea van lid 3, bepaalt de nationale bevoegde instantie op basis van de in bijlage VI, punt 1), e), bedoelde checklist en in nauwe samenwerking met de andere betrokken instanties, en in voorkomend geval op basis van een voorstel van de projectontwikkelaar, de inhoud van de verslagen en documenten en de gedetailleerdheid van de informatie die als onderdeel van het aanvraagdossier door de projectontwikkelaar moeten worden ingediend om het raambesluit aan te vragen;

b)

de nationale bevoegde instantie stelt, in nauwe samenwerking met de projectontwikkelaar en andere betrokken instanties en rekening houdend met de resultaten van de uit hoofde van punt a) van dit lid uitgevoerde activiteiten, een gedetailleerd schema voor het vergunningverleningsproces op, in overeenstemming met de richtsnoeren van bijlage VI, punt 2);

c)

na ontvangst van het ontwerpaanvraagdossier verzoekt de nationale bevoegde instantie, namens zichzelf of namens andere betrokken instanties, de projectontwikkelaar indien nodig om toezending van ontbrekende informatie met betrekking tot de in punt a) gevraagde elementen.

De procedure voorafgaand aan de aanvraag omvat, indien nodig, het opstellen van eventuele milieurapporten door de projectontwikkelaars, met inbegrip van de documentatie inzake aanpassing aan klimaatverandering.

Binnen drie maanden na indiening van de in de eerste alinea, punt c), bedoelde ontbrekende informatie deelt de bevoegde instantie schriftelijk of op een digitaal platform mee dat de aanvraag is aanvaard voor behandeling, waarmee de in lid 1, punt b), bedoelde wettelijk voorgeschreven vergunningverleningsprocedure van start gaat. Verzoeken om aanvullende informatie kunnen alleen worden ingediend indien nieuwe omstandigheden dit rechtvaardigen.

7.   De projectontwikkelaar zorgt ervoor dat het aanvraagdossier volledig en adequaat is en wint daarover zo vroeg mogelijk in het vergunningverleningsproces het advies van de nationale bevoegde instantie in. De projectontwikkelaar verleent de nationale bevoegde instantie zijn volledige samenwerking om te voldoen aan de in deze verordening vastgestelde termijnen.

8.   De lidstaten spannen zich in om ervoor te zorgen dat eventuele wijzigingen in het nationale recht geen verlenging tot gevolg hebben van een vergunningverleningsproces dat vóór de inwerkingtreding van die wijzigingen is gestart. Met het oog op de handhaving van een versneld vergunningverleningsproces voor projecten op de Unielijst passen de nationale bevoegde instanties het in lijn met lid 6, punt b), van dit artikel vastgestelde schema op passende wijze aan om er, voor zover mogelijk, voor te zorgen dat de in dit artikel vastgestelde termijnen voor het vergunningverleningsproces niet worden overschreden.

9.   De in dit artikel vastgestelde termijnen laten verplichtingen die voortvloeien uit het Unie- en internationale recht onverlet, evenals administratieve beroepsprocedures en procedures bij een rechterlijke instantie.

De in dit artikel vastgestelde termijnen voor de vergunningverleningsprocedures laten eventuele kortere termijnen die door de lidstaten worden vastgesteld, onverlet.

HOOFDSTUK IV

Sectoroverschrijdende infrastructuurplanning

Artikel 11

Kosten-batenanalyse voor het gehele energiesysteem

1.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas stellen coherente ontwerpmethodologieën per sector vast, met inbegrip van het in lid 10 van dit artikel bedoelde model voor het energienetwerk en de energiemarkt, met het oog op een geharmoniseerde kosten-batenanalyse op Unieniveau voor het gehele energiesysteem voor projecten op de Unielijst die binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), d) en f), en punt 3), vallen.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde methodologieën worden uitgewerkt overeenkomstig de in bijlage V vastgestelde beginselen, zijn gebaseerd op gemeenschappelijke aannamen die projectvergelijking mogelijk maken en stroken met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie voor 2050, alsmede met de in bijlage IV uiteengezette regels en indicatoren.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde methodologieën worden toegepast ter voorbereiding van elk daaropvolgend Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan dat op grond van artikel 30 van Verordening (EU) 2019/943 wordt ontwikkeld door het ENTSB voor elektriciteit, of op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 715/2009 door het ENTSB voor gas.

Uiterlijk op 24 april 2023 publiceren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas hun respectieve coherente ontwerpmethodologieën per sector en doen zij deze toekomen aan de lidstaten, de Commissie en het Agentschap, nadat zij tijdens het in lid 2 bedoelde raadplegingsproces input van de relevante belanghebbenden hebben verzameld.

2.   Voorafgaand aan de indiening van hun respectieve ontwerpmethodologieën bij de lidstaten, de Commissie en het Agentschap, overeenkomstig lid 1, publiceren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas voorlopige ontwerpmethodologieën, organiseren zij een uitgebreid raadplegingsproces en winnen zij aanbevelingen in bij de lidstaten en ten minste de organisaties die alle relevante belanghebbenden vertegenwoordigen, met inbegrip van de uit hoofde van artikel 52 van Verordening (EU) 2019/943 opgerichte Europese entiteit van distributiesysteembeheerders (“EU-DSB-entiteit”), verenigingen die betrokken zijn bij de markten voor elektriciteit, gas en waterstof, verwarming en koeling, belanghebbenden op het vlak van koolstofafvang en -opslag en koolstofafvang en -gebruik, onafhankelijke aankoopgroeperingen, vraagresponsoperatoren, organisaties die betrokken zijn bij energie-efficiëntieoplossingen, verenigingen van energieverbruikers, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en, indien dit passend wordt geacht, de nationale regulerende instanties en andere nationale instanties.

Binnen drie maanden na de bekendmaking van de voorlopige ontwerpmethodologieën uit hoofde van de eerste alinea kan elke in die alinea bedoelde belanghebbende een aanbeveling indienen.

De krachtens artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad (31) opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering kan op eigen initiatief een advies over de ontwerpmethodologieën uitbrengen.

In voorkomend geval zorgen de lidstaten en de in de eerste alinea bedoelde belanghebbenden voor de indiening en openbaarmaking van hun aanbevelingen en zorgt de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering voor de indiening en openbaarmaking van zijn advies bij het Agentschap en, naargelang het geval, bij het ENTSB voor elektriciteit of het ENTSB voor gas.

Het raadplegingsproces is open, tijdig en transparant. Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas stellen een verslag op over het raadplegingsproces en maken dit openbaar.

Wanneer zij geen of slechts gedeeltelijk rekening hebben gehouden met de aanbevelingen van de lidstaten of de belanghebbenden, alsook met de aanbevelingen van nationale instanties of met het advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, motiveren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas dit.

3.   Binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de ontwerpmethodologieën, samen met de tijdens het raadplegingsproces ontvangen input en het verslag over de raadpleging, brengt het Agentschap bij het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas advies uit. Het Agentschap stelt het ENTSB voor elektriciteit, het ENTSB voor gas, de lidstaten en de Commissie in kennis van zijn advies en maakt dit bekend op de website van het Agentschap.

4.   Binnen drie maanden na ontvangst van de ontwerpmethodologieën kunnen de lidstaten advies uitbrengen bij het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas en bij de Commissie. Om de raadpleging te vergemakkelijken, kan de Commissie specifieke vergaderingen van de groepen organiseren om de ontwerpmethodologieën te bespreken.

5.   Binnen drie maanden na ontvangst van de adviezen van het Agentschap en de lidstaten, als bedoeld in de leden 3 en 4, wijzigen het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas hun respectieve methodologieën om ten volle rekening te houden met de adviezen van het Agentschap en de lidstaten en dienen zij deze vervolgens samen met het advies van het Agentschap ter goedkeuring in bij de Commissie. De Commissie neemt haar besluit binnen drie maanden na indiening van de methodologieën door respectievelijk het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas.

6.   Binnen een termijn van twee weken na de goedkeuring door de Commissie overeenkomstig lid 5, maken het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas hun respectieve methodologieën op hun websites bekend. Zij publiceren de desbetreffende inputgegevens en andere relevante netwerk-, load-flow- en marktgegevens in een voldoende nauwkeurige vorm en met inachtneming van beperkingen uit hoofde van het nationaal recht en relevante vertrouwelijkheidsovereenkomsten. De Commissie en het Agentschap zorgen ervoor dat de ontvangen gegevens vertrouwelijk behandeld worden, zowel door henzelf als door andere partijen die namens hen analytische werkzaamheden uitvoeren op basis van deze gegevens.

7.   De methodologieën worden op gezette tijden geactualiseerd en verbeterd overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 6 beschreven procedure. Zij worden met name gewijzigd na indiening van het in lid 10 bedoelde energienetwerk- en marktmodel. Mits zij daartoe een passende rechtvaardiging en een tijdschema geven, kunnen het Agentschap — op eigen initiatief of naar aanleiding van een naar behoren gemotiveerd verzoek van nationale regulerende instanties of belanghebbenden, en na formele raadpleging van de organisaties die alle relevante belanghebbenden vertegenwoordigen als bedoeld in lid 2, eerste alinea — en de Commissie verzoeken om dergelijke actualiseringen en verbeteringen, met motivering en een tijdslijn. Het Agentschap maakt de verzoeken van nationale regulerende instanties of belanghebbenden bekend, evenals alle relevante niet commercieel gevoelige documenten die aanleiding geven tot een verzoek van het Agentschap om actualisering of verbetering.

8.   Voor projecten die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van punt 1), c) en e), en de punten 2), 4) en 5), van bijlage II, zorgt de Commissie voor de ontwikkeling van methodologieën voor een geharmoniseerde kosten-batenanalyse op het niveau van de Unie voor het gehele energiesysteem. Deze methodologieën zijn wat baten en kosten betreft verenigbaar met de door het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas ontwikkelde methodologieën. Met de hulp van nationale regulerende instanties bevordert het Agentschap de samenhang tussen deze methodologieën en de door het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas uitgewerkte methodologieën. De methodologieën worden op transparante wijze ontwikkeld, met inbegrip van een uitgebreide raadpleging van de lidstaten en alle relevante belanghebbenden.

9.   Om de drie jaar zorgt het Agentschap voor de vaststelling en openbaarmaking van een reeks indicatoren met bijbehorende referentiewaarden om vergelijking mogelijk te maken van de investeringskosten per eenheid voor vergelijkbare projecten van de energie-infrastructuurcategorieën die zijn opgenomen in bijlage II. Projectontwikkelaars verstrekken de gevraagde gegevens aan de nationale regulerende instanties en aan het Agentschap.

Het Agentschap maakt uiterlijk op 24 april 2023 de eerste indicatoren voor de infrastructuurcategorieën van de punten 1), 2) en 3) van bijlage II openbaar, voor zover er gegevens beschikbaar zijn om robuuste indicatoren en referentiewaarden te berekenen. Deze referentiewaarden kunnen door het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas worden gebruikt voor de kosten-batenanalyses die worden gemaakt voor de daaropvolgende Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen.

Het Agentschap maakt uiterlijk op 24 april 2025 de eerste indicatoren voor de energie-infrastructuurcategorieën vastgesteld in de punten 4) en 5) van bijlage II openbaar.

10.   Uiterlijk op 24 juni 2025 dienen het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas, na een in lid 2, eerste alinea, bedoeld uitgebreid raadplegingsproces met belanghebbenden, gezamenlijk bij de Commissie en het Agentschap een consistent en geleidelijk geïntegreerd model in dat zorgt voor samenhang tussen de methodologieën per sector op basis van gemeenschappelijke aannamen, onder meer voor elektriciteits-, gas- en waterstoftransmissie-infrastructuur, alsook voor opslagfaciliteiten, vloeibaar aardgas en elektrolyse-installaties, dat betrekking heeft op de prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur beschreven in bijlage I en wordt opgesteld volgens de in bijlage V vastgestelde beginselen.

11.   Het model bedoeld in lid 10 omvat ten minste de onderlinge verbanden tussen de desbetreffende sectoren in alle stadia van de infrastructuurplanning, in het bijzonder scenario’s, technologieën en ruimtelijke resolutie, het in kaart brengen van leemten in de infrastructuur, met name met betrekking tot grensoverschrijdende capaciteit, en projectbeoordeling.

12.   Na goedkeuring van het in lid 10 bedoelde model door de Commissie overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 5 omschreven procedure wordt dit model geïntegreerd in de in lid 1 bedoelde methodologieën, die dienovereenkomstig worden gewijzigd.

13.   Het model en de coherente kosten-batenmethodologieën per sector worden ten minste om de vijf jaar, te beginnen vanaf de goedkeuring ervan overeenkomstig lid 10 en indien nodig vaker, bijgewerkt overeenkomstig de in lid 7 bedoelde procedure.

Artikel 12

Scenario’s voor de tienjarige netontwikkelingsplannen

1.   Uiterlijk op 24 januari 2023 publiceert het Agentschap, na een uitgebreid raadplegingsproces met de Commissie, de lidstaten, het ENTSB voor elektriciteit, het ENTSB voor gas, de EU-DSB-entiteit en ten minste de organisaties die verenigingen vertegenwoordigen die betrokken zijn bij de markten voor elektriciteit, gas en waterstof, verwarming en koeling, belanghebbenden op het vlak van koolstofafvang en -opslag en koolstofafvang en -gebruik, onafhankelijke aankoopgroeperingen, vraagresponsoperatoren, organisaties die betrokken zijn bij energie-efficiëntieoplossingen, verenigingen van energieverbruikers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, de kaderrichtsnoeren voor de door het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas te ontwikkelen gezamenlijke scenario’s. Deze richtsnoeren worden indien nodig regelmatig bijgewerkt.

In de richtsnoeren worden criteria vastgesteld voor een transparante, niet-discriminerende en robuuste ontwikkeling van scenario’s waarbij rekening wordt gehouden met beste praktijken op het gebied van infrastructuurbeoordeling en netontwikkelingsplanning. De richtsnoeren hebben ook tot doel ervoor te zorgen dat de onderliggende scenario’s van het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas volledig in overeenstemming zijn met het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel, de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en rekening houden met de meest recente beschikbare scenario’s van de Commissie en, indien van toepassing, de nationale energie- en klimaatplannen.

De Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering kan op eigen initiatief input leveren over de wijze waarop kan worden gewaarborgd dat scenario’s voldoen aan de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050. Het Agentschap houdt in de in de eerste alinea bedoelde kaderrichtsnoeren naar behoren rekening met deze input.

Het Agentschap motiveert wanneer het geen of slechts gedeeltelijk rekening heeft gehouden met de aanbevelingen van de lidstaten, belanghebbenden en de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering.

2.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas volgen de kaderrichtsnoeren van het Agentschap bij de ontwikkeling van de gezamenlijke scenario’s die moeten worden gebruikt voor de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen.

De gezamenlijke scenario’s omvatten tevens een langetermijnperspectief tot 2050 en ook, waar passend, tussentijdse stappen.

3.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas nodigen de organisaties die alle relevante belanghebbenden vertegenwoordigen uit, met inbegrip van de EU-DSB-entiteit, verenigingen die betrokken zijn bij de markten voor elektriciteit, gas en waterstof, verwarming en koeling, belanghebbenden op het vlak van koolstofafvang en -opslag en koolstofafvang en -gebruik, onafhankelijke aankoopgroeperingen, vraagresponsoperatoren, organisaties die betrokken zijn bij energie-efficiëntieoplossingen, verenigingen van energieverbruikers en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, om deel te nemen aan het proces voor de ontwikkeling van de scenario’s, met name in verband met belangrijke elementen als aannamen en hoe deze tot uiting komen in de scenariogegevens.

4.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas publiceren het ontwerpverslag over de gezamenlijke scenario’s en leggen dit ter advies voor aan het Agentschap, de lidstaten en de Commissie.

De Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering kan op eigen initiatief een advies uitbrengen over het verslag over de gezamenlijke scenario’s.

5.   Binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het ontwerpverslag over de gezamenlijke scenario’s, samen met de tijdens het raadplegingsproces ontvangen input en een verslag over de wijze waarop daarmee rekening is gehouden, brengt het Agentschap bij het ENTSB voor elektriciteit, het ENTSB voor gas, de lidstaten en de Commissie zijn advies uit waarin wordt nagegaan of is voldaan aan de in lid 1, eerste alinea, bedoelde kaderrichtsnoeren, met inbegrip van eventuele aanbevelingen voor wijzigingen.

Binnen diezelfde termijn kan de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering op eigen initiatief een advies uitbrengen over de verenigbaarheid van de scenario’s met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050.

6.   Binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het in lid 5 bedoelde advies hecht de Commissie, rekening houdend met de adviezen van het Agentschap en de lidstaten, haar goedkeuring aan het ontwerpverslag over de gezamenlijke scenario’s of verzoekt het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas om dit te wijzigen.

Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas motiveren hoe zij een eventueel verzoek om wijzigingen van de Commissie hebben behandeld.

Indien de Commissie het verslag over de gezamenlijke scenario’s niet goedkeurt, brengt zij een met redenen omkleed advies uit aan het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas.

7.   Binnen een termijn van twee weken na de goedkeuring van het verslag over de gezamenlijke scenario’s overeenkomstig lid 6, maken het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas dit verslag bekend op hun websites. Zij publiceren tevens de bijbehorende input- en outputgegevens in een voldoende duidelijke en nauwkeurige vorm zodat een derde de resultaten ervan kan reproduceren, met inachtneming van het nationale recht, relevante vertrouwelijkheidsovereenkomsten en gevoelige informatie.

Artikel 13

In kaart brengen van leemten in de infrastructuur

1.   Binnen zes maanden na de goedkeuring van het verslag over de gezamenlijke scenario’s krachtens artikel 12, lid 6, en vervolgens om de twee jaar, publiceren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas de verslagen over leemten in de infrastructuur die worden opgesteld in het kader van de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen.

Bij de beoordeling van de leemten in de infrastructuur baseren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas hun analyse op de scenario’s die uit hoofde van artikel 12 zijn opgesteld, passen zij het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel toe en nemen zij met prioriteit alle relevante andere oplossingen dan nieuwe infrastructuur in overweging. Bij het overwegen van nieuwe infrastructuuroplossingen wordt bij de beoordeling van de leemten in de infrastructuur rekening gehouden met alle betreffende kosten, onder meer voor versterking van netwerken.

De beoordeling van de leemten in de infrastructuur is met name gericht op leemten in de infrastructuur die mogelijk gevolgen hebben voor de verwezenlijking van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050.

Voorafgaand aan de bekendmaking van hun respectieve verslagen organiseren het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas een uitgebreid raadplegingsproces met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de EU-DSB-entiteit, verenigingen die betrokken zijn bij de markten voor elektriciteit, gas en waterstof, verwarming en koeling, belanghebbenden op het vlak van koolstofafvang en -opslag en koolstofafvang en -gebruik, onafhankelijke aankoopgroeperingen, vraagresponsoperatoren, organisaties die betrokken zijn bij energie-efficiëntieoplossingen, verenigingen van energieverbruikers, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, het Agentschap en alle vertegenwoordigers van de lidstaten die deel uitmaken van de in bijlage I opgenomen relevante prioritaire corridors voor energie-infrastructuur.

2.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas leggen hun respectieve ontwerpverslag over leemten in de infrastructuur ter advies voor aan het Agentschap, de Commissie en de lidstaten.

3.   Binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het verslag over leemten in de infrastructuur, samen met de tijdens het raadplegingsproces ontvangen input en een verslag over de wijze waarop daarmee rekening is gehouden, brengt het Agentschap bij het ENTSB voor elektriciteit of het ENTSB voor gas, de Commissie en de lidstaten advies uit en maakt het dit advies openbaar.

4.   Binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het in lid 3 bedoelde advies van het Agentschap stelt de Commissie, rekening houdend met het advies van het Agentschap en met input van de lidstaten, haar advies op en legt zij dit voor aan het ENTSB voor elektriciteit of het ENTSB voor gas.

5.   Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas passen hun verslagen over leemten in de infrastructuur aan met inachtneming van het advies van het Agentschap en overeenkomstig de adviezen van de Commissie en de lidstaten, en maken deze verslagen openbaar.

HOOFDSTUK V

Offshorenetwerken voor de integratie van hernieuwbare energie

Artikel 14

Planning van offshorenetwerken

1.   Uiterlijk op 24 januari 2023 sluiten de lidstaten, met steun van de Commissie, binnen hun specifieke prioritaire corridors voor offshorenetwerken als bedoeld in bijlage I, afdeling 2, rekening houdend met de specifieke kenmerken van en de ontwikkeling in elke regio, een niet-bindende overeenkomst om gezamenlijk doelstellingen vast te stellen voor de uitrol van offshoreproductie van hernieuwbare energieproductie in elk zeegebied tegen 2050, met tussentijdse stappen in 2030 en 2040, in overeenstemming met hun nationale energie- en klimaatplannen, en het potentieel voor hernieuwbare offshore-energie van elk zeegebied.

Deze niet-bindende overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd voor elk zeegebied dat verbonden is met het grondgebied van de lidstaten en laat het recht van de lidstaten om projecten te ontwikkelen in hun territoriale wateren en hun exclusieve economische zone onverlet. De Commissie verstrekt richtsnoeren voor de werkzaamheden in de groepen.

2.   Uiterlijk op 24 januari 2024 en vervolgens als onderdeel van elk tienjarig netontwikkelingsplan ontwikkelt en publiceert het ENTSB voor elektriciteit, in samenwerking met de relevante TSB’s, de nationale regulerende instanties, de lidstaten en de Commissie en overeenkomstig de in lid 1 van dit artikel bedoelde niet-bindende overeenkomst, voor elk zeegebied strategische geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken op hoog niveau, als afzonderlijk verslag dat deel uitmaakt van het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan, in overeenstemming met de in bijlage I bedoelde prioritaire corridors voor offshorenetwerken en met inachtneming van milieubescherming en andere vormen van gebruik van de zee.

Bij de ontwikkeling van de strategische geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken op hoog niveau binnen het tijdschema waarin is voorzien in lid 1 houdt het ENTSB voor elektriciteit rekening met de in lid 1 bedoelde niet-bindende overeenkomsten voor de ontwikkeling van de scenario’s van het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan.

De strategische geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken op hoog niveau voorzien in vooruitzichten op hoog niveau met betrekking tot het potentieel van de productiecapaciteit voor offshore-energie en de daaruit voortvloeiende behoeften van offshorenetwerken, met inbegrip van eventuele behoeften aan interconnectoren, hybride projecten, radiale verbindingen, versterkingen en infrastructuur voor waterstof.

3.   De strategische geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken op hoog niveau zijn in samenhang met regionale investeringsplannen die zijn gepubliceerd op grond van artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) 2019/943 en worden geïntegreerd in de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen, teneinde een samenhangende ontwikkeling van de planning van onshore- en offshorenetwerken en de noodzakelijke versterkingen te garanderen.

4.   Uiterlijk op 24 december 2024 en vervolgens om de twee jaar actualiseren de lidstaten hun in lid 1 van dit artikel bedoelde niet-bindende overeenkomsten tevens in het licht van de resultaten van de toepassing van de kosten-baten- en kostendelingsmethodologie op de prioritaire corridors voor offshorenetwerken, wanneer deze resultaten beschikbaar worden.

5.   Na elke actualisering van de niet-bindende overeenkomsten overeenkomstig lid 4 actualiseert het ENTSB voor elektriciteit voor elk zeegebied het strategisch geïntegreerd ontwikkelingsplan voor offshorenetwerken op hoog niveau in het kader van het volgende Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan als bedoeld in lid 2.

Artikel 15

Grensoverschrijdende kostendeling ten aanzien van offshorenetwerken voor hernieuwbare energie

1.   Uiterlijk op 24 juni 2024 ontwikkelt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, relevante TSB’s, het Agentschap en de nationale regulerende instanties, richtsnoeren voor een specifieke kosten-baten en kostendeling voor de uitrol van de in artikel 14, lid 2, bedoelde geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken per zeegebied, in overeenstemming met de in artikel 14, lid 1, bedoelde niet-bindende overeenkomsten. Die richtsnoeren zijn verenigbaar met artikel 16, lid 1. De Commissie werkt haar richtsnoeren in voorkomend geval bij en houdt daarbij rekening met de resultaten van de uitvoering ervan.

2.   Uiterlijk op 24 juni 2025 presenteert het ENTSB voor elektriciteit, in samenwerking met de relevante TSB’s, het Agentschap, de nationale regulerende instanties en de Commissie, de resultaten van de toepassing van de kosten-baten- en kostendelingsmethodologie op de prioritaire corridors voor offshorenetwerken.

HOOFDSTUK VI

Reguleringskader

Artikel 16

Het mogelijk maken van investeringen met een grensoverschrijdend effect

1.   De investeringskosten, onderhoudskosten niet inbegrepen, die op efficiënte wijze zijn gemaakt voor een project van gemeenschappelijk belang dat valt binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), c), d) en f), en projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 3), worden, indien zij onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties in elke betrokken lidstaat vallen, gedragen door de desbetreffende TSB of de projectontwikkelaars van de transmissie-infrastructuur van de lidstaten waarvoor het project een netto positief effect heeft en worden, voor zover zij niet reeds worden gedekt door congestielasten of andere heffingen, door de netgebruikers in die lidstaat of deze lidstaten betaald via tarieven voor netwerktoegang.

2.   De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op een project van gemeenschappelijk belang dat valt binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), c), d), f), en punt 3), indien ten minste één projectontwikkelaar de relevante nationale instanties verzoekt deze bepalingen voor de kosten van het project te laten gelden.

Projecten die onder de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 1), e), en punt 2), vallen, komen in aanmerking voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel indien ten minste één projectontwikkelaar de relevante nationale instanties verzoekt deze bepalingen te laten gelden.

Indien een project meerdere projectontwikkelaars heeft, verzoeken de relevante nationale regulerende instanties alle projectontwikkelaars onverwijld de investeringsaanvraag gezamenlijk in te dienen overeenkomstig lid 4.

3.   Voor een project van gemeenschappelijk belang waarop lid 1 van toepassing is, informeren de projectontwikkelaars alle relevante nationale regulerende instanties op regelmatige basis, ten minste eenmaal per jaar en totdat het project wordt opgeleverd, over de voortgang van het project en de kosten het effect dat ermee gepaard gaat.

4.   Zodra een dergelijk project van gemeenschappelijk belang voldoende maturiteit bezit en naar verwachting binnen de daaropvolgende 36 maanden klaar is voor de start van de bouwfase, dienen de projectontwikkelaars, na raadpleging van de TSB’s van de lidstaten waarvoor het project een aanzienlijk netto positief effect heeft, een investeringsverzoek in. Dit investeringsverzoek omvat een aanvraag voor een grensoverschrijdende kostentoewijzing en wordt ingediend bij alle betrokken relevante nationale regulerende instanties, vergezeld van alle hieronder genoemde elementen:

a)

een actuele projectspecifieke kosten-batenanalyse die strookt met de op grond van artikel 11 uitgewerkte methodologie en rekening houdt met voordelen die de grenzen van de lidstaten op het grondgebied waarvan het project plaatsvindt overstijgen, waarbij ten minste de in artikel 12 bedoelde gezamenlijke scenario’s voor netontwikkelingsplanning in overweging worden genomen. Wanneer aanvullende scenario’s worden gebruikt, moeten deze stroken met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 en moeten zij worden onderworpen aan een raadplegings- en toetsingsproces volgens dezelfde normen als het proces van artikel 12. Het Agentschap is verantwoordelijk voor het beoordelen van eventuele aanvullende scenario’s en het waarborgen van de naleving van dit lid;

b)

een ondernemingsplan met een evaluatie van de financiële levensvatbaarheid van het project, met inbegrip van de gekozen financieringsoplossing en, voor een project van gemeenschappelijk belang dat valt binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 3), de resultaten van marktonderzoek;

c)

indien de projectontwikkelaars akkoord gaan, een onderbouwd voorstel voor grensoverschrijdende kostentoewijzing.

Wanneer een project door verschillende projectontwikkelaars wordt gedragen, dienen zij het investeringsverzoek gezamenlijk in.

De relevante nationale regulerende instanties sturen het Agentschap bij ontvangst van elk investeringsverzoek onverwijld ter informatie een afschrift toe.

De relevante nationale regulerende instanties en het Agentschap nemen de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht.

5.   Binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop het laatste investeringsverzoek door de relevante nationale regulerende instanties is ontvangen, nemen die instanties, na raadpleging van de betrokken projectontwikkelaars, gezamenlijke gecoördineerde besluiten over de toewijzing van de door elke systeembeheerder voor het project te dragen op efficiënte wijze gemaakte investeringskosten, alsook over de verwerking daarvan in tarieven, of over de afwijzing van het investeringsverzoek of een gedeelte daarvan indien uit de gezamenlijke analyse van de relevante nationale regulerende instanties blijkt dat het project of een gedeelte daarvan in geen van de lidstaten van de relevante nationale regulerende instanties aanzienlijke nettovoordelen oplevert. De relevante nationale regulerende instanties verwerken de relevante op efficiënte wijze gemaakte investeringskosten in tarieven, zoals omschreven in de in lid 11 bedoelde aanbeveling, overeenkomstig de toewijzing van door elke systeembeheerder voor het project te dragen investeringskosten. Voor projecten op het grondgebied van hun respectieve lidstaat beoordelen de relevante nationale regulerende instanties daarna, in voorkomend geval, of zich betaalbaarheidsproblemen zouden kunnen voordoen als gevolg van de verwerking van de investeringskosten in tarieven.

Bij de kostentoewijzing houden de relevante nationale regulerende instanties rekening met de feitelijke of geraamde:

a)

congestielasten of andere heffingen;

b)

inkomsten uit het op grond van artikel 49 van Verordening (EU) 2019/943 ingestelde vergoedingsmechanisme voor elektriciteitsstromen tussen transmissiesysteembeheerders.

Bij een grensoverschrijdende kostentoewijzing wordt rekening gehouden met de economische, maatschappelijke en ecologische kosten en baten van de projecten in de betrokken lidstaten en de noodzaak van een stabiel financieringskader voor de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang, terwijl de behoefte aan financiële ondersteuning tot een minimum wordt beperkt.

Bij een grensoverschrijdende kostentoewijzing trachten de relevante nationale regulerende instanties, na raadpleging van de betrokken TSB’s, een onderling akkoord te bereiken op basis van, maar niet beperkt tot, de in lid 4, eerste alinea, punten a) en b), van dit artikel gespecificeerde informatie. In hun beoordeling wordt rekening gehouden met alle in artikel 12 bedoelde relevante scenario’s en andere scenario’s voor netontwikkelingsplanning, hetgeen een robuuste analyse mogelijk maakt van de bijdrage van het project van gemeenschappelijk belang aan het energiebeleid van de Unie op het gebied van decarbonisatie, marktintegratie, mededinging, duurzaamheid en leveringszekerheid. Wanneer aanvullende scenario’s worden gebruikt, stroken deze met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 en worden zij onderworpen aan een raadplegings- en toetsingsproces van hetzelfde niveau als het proces waarin artikel 12 voorziet.

Wanneer een project van gemeenschappelijk belang een mitigerend effect heeft op negatieve externe effecten zoals loop-flows, en dat project van gemeenschappelijk belang wordt uitgevoerd in de lidstaat waar de oorzaak van het negatieve externe effect ligt, mag die mitigatie niet worden beschouwd als grensoverschrijdend voordeel en mag ze derhalve niet als basis dienen voor de toewijzing van kosten aan de TSB van de betrokken lidstaten die de gevolgen van die negatieve externe effecten ondergaan.

6.   Bij de vaststelling of goedkeuring van tarieven overeenkomstig artikel 41, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 59, lid 1, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/944 houden de relevante nationale regulerende instanties, op basis van de grensoverschrijdende kostentoewijzing bedoeld in lid 5 van dit artikel, rekening met de feitelijke kosten die door een TSB of een andere projectontwikkelaar zijn gemaakt ten gevolge van de investeringen, voor zover deze kosten overeenkomen met die van een efficiënte en structureel vergelijkbare netbeheerder.

De relevante nationale regulerende instanties stellen het Agentschap onverwijld in kennis van het kostentoewijzingsbesluit, samen met alle relevante informatie met betrekking tot dat besluit. In het bijzonder bevat het kostentoewijzingsbesluit gedetailleerde redenen voor de verdeling van de kosten tussen de lidstaten, met inbegrip van:

a)

een evaluatie van het vastgestelde effect op elk van de betrokken lidstaten, waaronder dat met betrekking tot nettarieven;

b)

een evaluatie van het in lid 4, eerste alinea, punt b), bedoelde ondernemingsplan;

c)

regionale of Uniebrede positieve externe effecten, zoals leveringszekerheid, systeemflexibiliteit, solidariteit of innovatie, die kunnen ontstaan als gevolg van het project;

d)

de resultaten van de raadpleging van de betrokken projectontwikkelaars.

Het kostentoewijzingsbesluit wordt gepubliceerd.

7.   Wanneer de relevante nationale regulerende instanties geen overeenkomst betreffende het investeringsverzoek hebben bereikt binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop het verzoek door de laatste van de relevante nationale regulerende instanties is ontvangen, stellen zij het Agentschap daarvan onverwijld in kennis.

In dat geval of op gezamenlijk verzoek van de relevante nationale regulerende instanties wordt het besluit betreffende het investeringsverzoek, met inbegrip van de in lid 5 bedoelde grensoverschrijdende kostentoewijzing, binnen een termijn van drie maanden nadat het verzoek naar het Agentschap is verwezen, door het Agentschap vastgesteld.

Alvorens een dergelijk besluit te nemen, raadpleegt het Agentschap de relevante nationale regulerende instanties en de projectontwikkelaars. De in de tweede alinea bedoelde termijn van drie maanden kan worden verlengd met een extra periode van twee maanden waarbinnen het Agentschap verdere informatie inwint. Deze extra periode begint op de dag na de datum van ontvangst van de volledige informatie.

In de beoordeling van het Agentschap wordt rekening gehouden met alle uit hoofde van artikel 12 vastgestelde relevante scenario’s en andere scenario’s voor netontwikkelingsplanning, hetgeen een robuuste analyse van de bijdrage van het project van gemeenschappelijk belang aan de energiebeleidsdoelstellingen van de Unie op het gebied van decarbonisatie, marktintegratie, mededinging, duurzaamheid en leveringszekerheid mogelijk maakt. Wanneer aanvullende scenario’s worden gebruikt, stroken deze met de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050 en worden zij onderworpen aan een raadpleging en toetsing van hetzelfde niveau als het proces waarin artikel 12 voorziet.

In zijn besluit betreffende het investeringsverzoek, met inbegrip van de grensoverschrijdende kostentoewijzing, laat het Agentschap het aan de relevante nationale autoriteiten over om op het moment waarop het besluit overeenkomstig het nationaal recht wordt uitgevoerd te bepalen op welke wijze de investeringskosten in de tarieven worden verwerkt overeenkomstig de voorgeschreven grensoverschrijdende kostentoewijzing.

Het besluit betreffende het investeringsverzoek, met inbegrip van de grensoverschrijdende kostentoewijzing, wordt gepubliceerd. Artikel 25, lid 3, en de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) 2019/942 zijn van toepassing.

8.   Het Agentschap zendt de Commissie onverwijld een afschrift toe van alle kostentoewijzingsbesluiten, samen met alle relevante informatie met betrekking tot elk besluit. Deze informatie kan in geaggregeerde vorm worden verstrekt. De Commissie neemt de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht.

9.   Kostentoewijzingsbesluiten doen geen afbreuk aan het recht van TSB’s en van nationale regulerende instanties om heffingen voor toegang tot netwerken overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2009, artikel 18, lid 1, en artikel 18, leden 3 tot en met 6, van Verordening (EU) 2019/943, artikel 32 van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 6 van Richtlijn (EU) 2019/944 toe te passen, respectievelijk goed te keuren.

10.   Dit artikel is niet van toepassing op projecten van gemeenschappelijk belang waarvoor een vrijstelling is verleend van:

a)

de artikelen 32, 33 en 34 en artikel 41, leden 6, 8 en 10, van Richtlijn 2009/73/EG, op grond van artikel 36 van die richtlijn;

b)

artikel 19, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2019/943 of artikel 6, artikel 59, lid 7, en artikel 60, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944, op grond van artikel 63 van Verordening (EU) 2019/943;

c)

de voorschriften voor ontvlechting of toegang door derden op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad (32) of op grond van artikel 64 van Verordening (EU) 2019/943 en artikel 66 van Richtlijn (EU) 2019/944.

11.   Uiterlijk op 24 juni 2023 stelt het Agentschap een aanbeveling vast om goede praktijken in kaart te brengen voor de behandeling van investeringsverzoeken voor projecten van gemeenschappelijk belang. Die aanbeveling wordt indien nodig op gezette tijden bijgewerkt, met name om ervoor te zorgen dat zij aansluit bij de beginselen betreffende de grensoverschrijdende kostendeling ten aanzien van offshorenetwerken voor hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 15, lid 1. Wanneer het Agentschap de aanbeveling vaststelt of wijzigt, organiseert het een uitgebreid raadplegingsproces met alle relevante belanghebbenden.

12.   Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op projecten van wederzijds belang.

Artikel 17

Stimulansen op reguleringsgebied

1.   Wanneer een projectontwikkelaar zich blootstelt aan grotere risico’s bij de ontwikkeling, bouw of exploitatie of bij het onderhoud van een onder de bevoegdheid van de nationale regulerende instantie vallend project van gemeenschappelijk belang in vergelijking met de normale risico’s van een infrastructuurproject, kunnen de lidstaten en de nationale regulerende instanties passende stimulansen voor het desbetreffende project verlenen in overeenstemming met artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2009, artikel 18, lid 1, en artikel 18, leden 3 tot en met 6, van Verordening (EU) 2019/943, artikel 41, lid 8, van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 58, punt f), van Richtlijn (EU) 2019/944.

De eerste alinea is niet van toepassing indien voor het project van gemeenschappelijk belang een vrijstelling is verleend:

a)

van de artikelen 32, 33 en 34 en van artikel 41, leden 6, 8 en 10, van Richtlijn 2009/73/EG, op grond van artikel 36 van die richtlijn;

b)

van artikel 19, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2019/943 of van artikel 6, artikel 59, lid 7, en artikel 60, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944, op grond van artikel 63 van Verordening (EU) 2019/943;

c)

op grond van artikel 36 van Richtlijn 2009/73/EG;

d)

op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 714/2009.

2.   Wanneer de nationale regulerende instanties besluiten om de in lid 1 van dit artikel bedoelde stimulansen te verlenen, houden zij rekening met de resultaten van de kosten-batenanalyse op basis van de op grond van artikel 11 ontwikkelde methodologie en met name de regionale of voor de gehele Unie geldende positieve externe effecten die het project voortbrengt. De nationale regulerende instanties analyseren verder de specifieke risico’s die de projectontwikkelaars lopen, de getroffen maatregelen om die risico’s te matigen en de redenen voor het risicoprofiel aan de hand van de netto positieve effecten van het project in vergelijking met een minder riskant alternatief. Tot de in aanmerking komende risico’s behoren met name risico’s in verband met nieuwe transmissietechnologieën, zowel onshore als offshore, risico’s met betrekking tot het onvoldoende terugverdienen van de kosten en ontwikkelingsrisico’s.

3.   In het besluit tot verlening van stimulansen wordt rekening gehouden met de specifieke aard en het risico van het betreffende project en worden stimulansen verleend met betrekking tot onder meer een of meer van de volgende maatregelen:

a)

regels voor anticiperende investeringen;

b)

regels voor de erkenning van op efficiënte wijze gemaakte kosten voordat het project in bedrijf wordt gesteld;

c)

regels om te zorgen voor een extra opbrengst op het voor het project geïnvesteerde kapitaal;

d)

elke andere maatregel die noodzakelijk en passend wordt geacht.

4.   Uiterlijk op 24 januari 2023 legt elke nationale regulerende instantie aan het Agentschap haar methodologie voor, alsook de criteria die zij gebruikt om investeringen in energie-infrastructuurprojecten en de daarbij behorende grotere risico’s te evalueren, bijgewerkt aan de hand van de meest recente wetgevende, beleids-, technologische en marktontwikkelingen. Deze methodologie en criteria hebben ook uitdrukkelijk betrekking op de specifieke risico’s van offshorenetwerken voor hernieuwbare energie als bedoeld in bijlage II, punt 1, f), en van projecten waaraan, ondanks lage kapitaaluitgaven, aanzienlijke operationele kosten verbonden zijn.

5.   Uiterlijk op 24 juni 2023 faciliteert het Agentschap, rekening houdend met de uit hoofde van lid 4 van dit artikel ontvangen informatie, de uitwisseling van goede praktijken en doet het overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2019/942 aanbevelingen betreffende beide onderstaande punten:

a)

de in lid 1 bedoelde stimulansen op basis van een benchmarking van de beste praktijken onder de nationale regulerende instanties;

b)

een gemeenschappelijke methodologie om de grotere risico’s van investeringen in energie-infrastructuurprojecten te evalueren.

6.   Uiterlijk op 24 september 2023 maakt elke nationale regulerende instantie haar methodologie bekend, alsook de criteria die zij gebruikt om investeringen in energie-infrastructuurprojecten en de daarbij behorende grotere risico’s te evalueren.

7.   Indien de in de leden 5 en 6 bedoelde maatregelen onvoldoende zijn om een tijdige uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang zeker te stellen, kan de Commissie richtsnoeren betreffende in dit artikel vastgelegde stimulansen publiceren.

HOOFDSTUK VII

Financiering

Artikel 18

Projecten die in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1153

1.   Projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van artikel 24 en bijlage II komen in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie in de vorm van subsidies voor studies en financieringsinstrumenten.

2.   Projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van artikel 24 en bijlage II, punt 1), a), b), c), d) en f), en punt 3, komen ook in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie in de vorm van subsidies voor werkzaamheden indien zij aan de volgende criteria voldoen:

a)

uit de projectspecifieke kosten-batenanalyse opgesteld uit hoofde van artikel 16, lid 4, punt a), blijkt duidelijk dat het project aanzienlijke positieve externe effecten biedt, zoals voorzieningszekerheid, systeemflexibiliteit, solidariteit of innovatie;

b)

met betrekking tot het project is uit hoofde van artikel 16 een besluit betreffende grensoverschrijdende kostentoewijzing vastgesteld; of, met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang die vallen onder de energie-infrastructuurcategorie als uiteengezet in bijlage II, punt 3, wanneer zij niet onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties vallen en waarvoor dus geen besluit betreffende grensoverschrijdende kostentoewijzing is vastgesteld, is het project gericht op verlening van grensoverschrijdende diensten, brengt het technologische innovatie en zorgt voor veiligheid van grensoverschrijdend netwerkbeheer;

c)

het project kan niet door de markt of via het reguleringskader worden gefinancierd overeenkomstig het bedrijfsplan en andere beoordelingen, met name die welke zijn uitgevoerd door potentiële investeerders, kredietverleners of de nationale regulerende instantie, rekening houdend met een eventueel besluit inzake stimulansen en de redenen daarvoor als bedoeld in artikel 17, lid 2.

3.   Projecten van gemeenschappelijk belang die worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedure als bedoeld in artikel 5, lid 7, punt d), komen eveneens in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie in de vorm van subsidies voor werkzaamheden indien zij aan de criteria van lid 2 van dit artikel voldoen.

4.   Projecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1, e), en de punten 2 en 5, komen ook in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie in de vorm van subsidies voor werkzaamheden, wanneer de betrokken projectontwikkelaars, in een evaluatie uitgevoerd door de relevante nationale instantie of, in voorkomend geval, de nationale regulerende instantie, duidelijk kunnen aantonen dat de projecten aanzienlijke positieve externe effecten, zoals leveringszekerheid, systeemflexibiliteit, solidariteit of innovatie, voortbrengen, maar tevens commercieel kennelijk onvoldoende levensvatbaar zijn, zoals blijkt uit de kosten-batenanalyse, het ondernemingsplan en uitgevoerde beoordelingen, met name door potentiële investeerders en crediteuren, dan wel, indien van toepassing, door een nationale regulerende instantie.

5.   Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op projecten van wederzijds belang.

Projecten van wederzijds belang komen in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie onder de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1153. Wat subsidies voor werkzaamheden betreft, komen projecten van wederzijds belang in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie op voorwaarde dat zij voldoen aan de criteria van lid 2 van dit artikel en wanneer het project bijdraagt tot de algemene energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie.

Artikel 19

Richtsnoeren tot vaststelling van criteria voor toekenning van financiële bijstand van de Unie

De specifieke criteria van artikel 4, lid 3, van deze verordening en de in artikel 4, lid 5, van deze verordening vastgestelde maatstaven zijn van toepassing voor de vaststelling van criteria voor de toekenning van financiële bijstand van de Unie in Verordening (EU) 2021/1153. Voor projecten van gemeenschappelijk belang die onder artikel 24 van deze verordening vallen, zijn de criteria marktintegratie, leveringszekerheid, concurrentie en duurzaamheid van toepassing.

HOOFDSTUK VIII

Slotbepalingen

Artikel 20

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 23 juni 2022. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van deze termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 3, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 21

Verslaglegging en evaluatie

Uiterlijk op 30 juni 2027 publiceert de Commissie een verslag over de uitvoering van de projecten op de Unielijst en legt zij dit voor aan het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt een evaluatie gegeven van:

a)

de vooruitgang die is bereikt bij de planning, ontwikkeling, bouw en inbedrijfstelling van de projecten op de Unielijst en, wanneer relevant, de eventuele vertragingen bij de uitvoering en de andere ondervonden moeilijkheden;

b)

de financiële middelen die voor projecten op de Unielijst door de Unie zijn vastgelegd en uitgekeerd, afgemeten aan de totale waarde van de gefinancierde projecten op de Unielijst;

c)

de voortgang die is bereikt wat betreft de integratie van hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van hernieuwbare offshore-energiebronnen, en de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door de planning, ontwikkeling, bouw en inbedrijfstelling van projecten op de Unielijst;

d)

wat de elektriciteitssector en de sector hernieuwbare of koolstofarme gassen, met inbegrip van waterstof, betreft, de ontwikkeling van het interconnectieniveau tussen de lidstaten, de daarmee verband houdende ontwikkeling van de energieprijzen, alsook het aantal keren dat het netwerksysteem is uitgevallen, de redenen daarvan en de desbetreffende economische kosten;

e)

het proces van vergunningverlening en inspraak van het publiek, met name:

i)

de gemiddelde en maximale totale duur van het vergunningverleningsproces voor projecten op de Unielijst, met inbegrip van de duur voor elke stap van de procedure voorafgaand aan de aanvraag, vergeleken met het tijdschema dat voorzien was in het oorspronkelijke schema van grote mijlpalen als bedoeld in artikel 10, lid 6;

ii)

het niveau van de tegenstand tegen projecten op de Unielijst, met name het aantal ingediende bezwaarschriften gedurende het openbare raadplegingsproces en het aantal wettelijke beroepsprocedures;

iii)

de beste en innovatieve praktijken met betrekking tot de betrokkenheid van belanghebbenden;

iv)

de beste en innovatieve praktijken met betrekking tot de beperking van milieueffecten, met inbegrip van aanpassing aan de klimaatverandering, tijdens de vergunningverleningsprocessen en de uitvoering van projecten;

v)

de effectiviteit van de in artikel 8, lid 3, bedoelde regelingen inzake de naleving van de in artikel 10, leden 1 en 2, vastgestelde termijnen;

f)

de behandeling op reguleringsgebied, en in het bijzonder:

i)

het aantal projecten van gemeenschappelijk belang waarvoor een besluit betreffende grensoverschrijdende kostentoewijzing op grond van artikel 16 is vastgesteld;

ii)

het aantal en het type projecten van gemeenschappelijk belang waaraan specifieke stimulansen op grond van artikel 17 zijn verleend;

g)

de doeltreffendheid van deze verordening om bij te dragen tot de verwezenlijking van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de totstandbrenging van klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050.

Artikel 22

Evaluatie

Uiterlijk op 30 juni 2027 voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening op basis van de resultaten van de verslaglegging en evaluatie waarin artikel 21 van deze verordening voorziet, alsook op basis van de krachtens de artikelen 22 en 23 van Verordening (EU) 2021/1153 uitgevoerde monitoring, verslaglegging en evaluatie.

Artikel 23

Informatie en publiciteit

De Commissie richt een via het internet toegankelijk transparantieplatform op met laagdrempelige toegang voor het grote publiek, en houdt dat bij. Dit platform wordt regelmatig bijgewerkt met informatie uit de in artikel 5, lid 4, bedoelde verslagen en van de in artikel 9, lid 7, bedoelde website. Het platform bevat de volgende informatie:

a)

algemene, geactualiseerde informatie, inclusief geografische informatie, in verband met elk project op de Unielijst;

b)

het in artikel 5, lid 1, gedefinieerde uitvoeringsplan voor elk project op de Unielijst, zodanig gepresenteerd dat de voortgang van de uitvoering op elk moment kan worden beoordeeld;

c)

de voornaamste verwachte voordelen en bijdrage aan de in artikel 1, lid 1), bedoelde doelstellingen, alsmede de kosten van de projecten, met uitzondering van alle commercieel gevoelige informatie;

d)

de Unielijst;

e)

de door de Unie toegewezen en uitbetaalde financiële middelen voor elk project op de Unielijst;

f)

de koppelingen met het in artikel 9 bedoelde nationale procedurehandboek;

g)

bestaande zeegebiedstudies en -plannen voor elke prioritaire corridor voor offshorenetwerken, zonder enige intellectuele-eigendomsrechten te schenden.

Artikel 24

Afwijking voor interconnecties voor Cyprus en Malta

1.   Voor Cyprus en Malta, die niet onderling verbonden zijn met het trans-Europese gasnet, geldt een afwijking van artikel 3, artikel 4, lid 1, punten a) en b), artikel 4, lid 5, artikel 16, lid 4, punt a), en de bijlagen I, II en III, onverminderd artikel 32, lid 2. Eén interconnectie voor elk van die lidstaten behoudt de status van project van gemeenschappelijk belang uit hoofde van deze verordening met alle relevante rechten en verplichtingen, wanneer die interconnectie:

a)

in ontwikkeling is of wordt gepland op 23 juni 2022;

b)

op grond van Verordening (EU) nr. 347/2013, de status van project van gemeenschappelijk belang heeft gekregen, en

c)

noodzakelijk is om een permanente interconnectie van die lidstaten met het trans-Europese gasnet te verzekeren.

Deze projecten zorgen ervoor dat in de toekomst toegang kan worden verkregen tot nieuwe energiemarkten, waaronder de waterstofmarkt.

2.   De projectontwikkelaars verstrekken voldoende bewijs van de wijze waarop de in lid 1 bedoelde interconnecties de relevante groepen toegang zullen bieden tot nieuwe energiemarkten, waaronder de waterstofmarkt, in overeenstemming met de algemene energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie. Dat bewijs omvat een beoordeling van de vraag en het aanbod van hernieuwbare of koolstofarme waterstof en een berekening van de reductie van de broeikasgasemissies die door het project mogelijk wordt.

De Commissie voert een regelmatige controle uit van die beoordeling en die berekening, alsmede van de tijdige uitvoering van het project.

3.   Naast de in artikel 19 vastgestelde specifieke criteria voor financiële bijstand van de Unie, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde interconnecties ontworpen om de toegang tot toekomstige energiemarkten, met inbegrip van waterstof, te verzekeren, mogen zij niet leiden tot een verlenging van de levensduur van aardgasactiva en zorgen zij voor de interoperabiliteit van naburige netwerken over de grenzen heen. Subsidiabiliteit van financiële bijstand van de Unie uit hoofde van artikel 18 eindigt op 31 december 2027.

4.   In elk verzoek om financiële bijstand van de Unie voor werkzaamheden wordt aan de hand van een routekaart met een nauwkeurig tijdschema duidelijk aangetoond dat ernaar gestreefd wordt het actief uiterlijk in 2036 om te zetten in een voor waterstof bestemd actief indien de marktomstandigheden dat toelaten.

5.   De in lid 1 bepaalde afwijking is van toepassing totdat Cyprus respectievelijk Malta rechtstreeks onderling verbonden is met het trans-Europese gasnet, of tot en met 31 december 2029, indien dat eerder is.

Artikel 25

Wijziging in Verordening (EG) nr. 715/2009

In Verordening (EG) nr. 715/2009 wordt artikel 8, lid 10, eerste alinea, vervangen door:

“10.   Om de twee jaar gaat het ENTSB voor gas over tot de opstelling en publicatie van een netontwikkelingsplan dat de gehele Gemeenschap dekt, als bedoeld in lid 3, punt b). Het netontwikkelingsplan dat de gehele Gemeenschap dekt, bevat een modellering van het geïntegreerde net, met inbegrip van waterstofnetwerken, een scenario-ontwikkeling, de Europese vooruitzichten inzake de toereikendheid van de levering en een beoordeling van de veerkracht van het systeem.”.

Artikel 26

Wijziging in Verordening (EU) 2019/942

In artikel 11 van Verordening (EU) 2019/942 worden de punten c) en d) vervangen door:

“c)

uitvoeren van de verplichtingen van artikel 5, artikel 11, lid 3, artikel 11, leden 6 tot en met 9, de artikelen 12, 13 en 17 en bijlage III, afdeling 2, punt 12, bij Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad (*1);

d)

besluiten nemen ten aanzien van investeringsaanvragen, inclusief de grensoverschrijdende kostentoewijzing, op grond van artikel 16, lid 7, van Verordening (EU) 2022/869.

Artikel 27

Wijziging in Verordening (EU) 2019/943

In artikel 48, lid 1, van Verordening (EU) 2019/943 wordt de eerste alinea, vervangen door:

“1.   Het in artikel 30, lid 1, onder b), bedoelde netontwikkelingsplan dat de gehele Unie dekt, bevat een modellering van het geïntegreerde netwerk, een scenario-ontwikkeling en een beoordeling van de veerkracht van het systeem. Toepasselijke inputparameters voor de modellering zoals aannames over brandstof- en koolstofprijzen of de installatie van hernieuwbare energie stroken volledig met de Europese beoordeling van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening op grond van artikel 23.”.

Artikel 28

Wijziging in Richtlijn 2009/73/EG

Aan artikel 41, lid 1, van Richtlijn 2009/73/EG wordt het volgende punt toegevoegd:

“v)

uitvoeren van de verplichtingen van artikel 3, artikel 5, lid 7, en de artikelen 14 tot en met 17 van Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad (*2).

Artikel 29

Wijziging in Richtlijn (EU) 2019/944

In artikel 59, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944 wordt het volgende punt toegevoegd:

“a bis)

uitvoeren van de verplichtingen van artikel 3, artikel 5, lid 7, en de artikelen 14 tot en met 17, van Verordening (EU) 2022/869 van het Europees Parlement en de Raad (*3).

Artikel 30

Overgangsbepalingen

Deze verordening heeft geen invloed op de verlening, voortzetting of wijziging van financiële bijstand die door de Commissie is toegezegd uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad (33).

Hoofdstuk III is niet van toepassing op projecten van gemeenschappelijk belang waarvoor het vergunningverleningsproces is gestart en waarvoor een projectontwikkelaar vóór 16 november 2013 een aanvraagdossier heeft ingediend.

Artikel 31

Overgangsperiode

1.   Gedurende een overgangsperiode die eindigt op 31 december 2029 kunnen voor waterstof bestemde activa die zijn omgezet van aardgasactiva die onder de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 3), vallen, worden gebruikt voor het transport of de opslag van een vooraf bepaald mengsel van waterstof met aardgas of biomethaan.

2.   Gedurende de in lid 1 bedoelde overgangsperiode werken de projectontwikkelaars nauw samen op het gebied van projectontwerp en -uitvoering om te zorgen voor de interoperabiliteit van naburige netwerken.

3.   De projectontwikkelaar levert toereikend bewijs, onder meer in de vorm van handelscontracten, hoe de in lid 1 van dit artikel bedoelde activa voor het einde van de overgangsperiode niet langer voor aardgas zullen worden bestemd, en voor waterstof bestemde activa worden zoals uiteengezet in bijlage II, punt 3, alsook hoe de toename van het waterstofgebruik tijdens de overgangsperiode mogelijk wordt gemaakt. Dat bewijs omvat een beoordeling van de levering van en de vraag naar hernieuwbare of koolstofarme waterstof alsook een berekening van de reductie van de broeikasgasemissies die door het project mogelijk wordt gemaakt. In het kader van het toezicht op de voortgang bij de uitvoering van de projecten van gemeenschappelijk belang gaat het Agentschap na of het project tijdig is overgeschakeld op een voor waterstof bestemd actief als bedoeld in punt 3 van bijlage II.

4.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde projecten komen tot en met 31 december 2027 in aanmerking voor financiële bijstand van de Unie uit hoofde van artikel 18.

Artikel 32

Intrekking

1.   Verordening (EU) nr. 347/2013 wordt ingetrokken met ingang van 23 juni 2022. De onderhavige verordening brengt geen rechten voort voor de in de bijlagen bij Verordening (EU) nr. 347/2013 genoemde projecten.

2.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel blijven bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 347/2013, als gewijzigd bij Gedelegeerde Uitvoeringsverordening (EU) 2022/564 van de Commissie (34), die de vijfde Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang bevat, alsmede de artikelen 2 tot en met 10, de artikelen 12, 13 en 14, en de bijlagen I tot en met IV en bijlage VI van Verordening (EU) nr. 347/2013, van kracht en hebben zij gevolgen wat betreft de projecten van gemeenschappelijk belang die op de vijfde Unielijst zijn opgenomen, tot de inwerkingtreding van de eerste Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang en projecten van wederzijds belang, vastgesteld op grond van deze verordening.

3.   Niettegenstaande lid 2 van dit artikel zijn op projecten die waren opgenomen in de vijfde Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang, vastgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 347/2013, en waarvoor een aanvraagdossier voor behandeling door de bevoegde instantie is aanvaard, de rechten en verplichtingen van toepassing die voortvloeien uit hoofdstuk III van deze verordening, gedurende een periode van vier jaar vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 mei 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

B. LE MAIRE


(1)  PB C 220 van 9.6.2021, blz. 51.

(2)  PB C 440 van 29.10.2021, blz. 105.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 april 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 16 mei 2022.

(4)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(5)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(6)  Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

(7)  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EU) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(8)  PB C 371 van 15.9.2021, blz. 68.

(9)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(10)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

(11)  Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).

(12)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(13)  Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114).

(14)  Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).

(15)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).

(16)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(17)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(18)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(19)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

(20)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(21)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(22)  PB C 104 van 24.4.1992, blz. 7.

(23)  Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 135).

(24)  Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (PB L 249 van 14.7.2021, blz. 38).

(25)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1294 van de Commissie van 15 september 2020 over het financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie (PB L 303 van 17.9.2020, blz. 1).

(26)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(27)  Verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 22).

(28)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(29)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(30)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(31)  Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).

(32)  Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15).

(33)  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EU) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(34)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/564 van de Commissie van 19 november 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang (PB L 109 van 8.4.2022, blz. 14).


BIJLAGE I

PRIORITAIRE CORRIDORS EN GEBIEDEN VOOR ENERGIE-INFRASTRUCTUUR

(als bedoeld in artikel 1, lid 1)

Deze verordening is van toepassing op de volgende prioritaire corridors en gebieden voor trans-Europese energie-infrastructuur:

1.   PRIORITAIRE ELEKTRICITEITSCORRIDORS

1)

Noord-zuid elektriciteitsinterconnecties in West-Europa (“NSI-West Electricity”): interconnecties tussen lidstaten van de regio onderling en met de mediterrane regio, met inbegrip van het Iberisch schiereiland, met name met het oog op de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en de versterking van de interne netwerkinfrastructuren om de marktintegratie in de regio te bevorderen en een einde te maken aan het isolement van Ierland, en ervoor te zorgen dat de offshore-netwerken voor hernieuwbare energie worden doorgetrokken naar het vasteland en dat het binnenlandse net wordt versterkt om te zorgen voor een adequaat en betrouwbaar transmissienet en om offshore opgewekte elektriciteit te leveren aan niet aan zee grenzende lidstaten.

Betrokken lidstaten: België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk en Portugal.

2)

Noord-zuid elektriciteitsinterconnecties in middenoostelijk en zuidoostelijk Europa (“NSI-East Electricity”): interconnecties en interne lijnen in noord-zuidelijke en oost-westelijke richting met het oog op de voltooiing van de interne markt en de integratie van uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit en een einde te maken aan het isolement van Cyprus, en ervoor te zorgen dat de offshore-netwerken voor hernieuwbare energie worden doorgetrokken naar het vasteland en dat het binnenlandse net wordt versterkt om te zorgen voor een adequaat en betrouwbaar transmissienet en om offshore opgewekte elektriciteit te leveren aan niet aan zee grenzende lidstaten.

Betrokken lidstaten: Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Kroatië, Griekenland, Cyprus, Italië, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.

3)

Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied voor elektriciteit (“BEMIP Electricity”): interconnecties tussen lidstaten en interne lijnen in de Oostzeeregio om de marktintegratie te bevorderen en tegelijkertijd een toenemend aandeel van uit hernieuwbare bronnen opgewekte energie in de regio te integreren.

Betrokken lidstaten: Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.

2.   PRIORITAIRE CORRIDORS VOOR OFFSHORE-ELEKTRICITEITSNETWERKEN

4)

Offshorenetwerken in de noordelijke zeeën (“NSOG”): ontwikkeling van offshore-elektriciteitsnetwerken, ontwikkeling van geïntegreerde offshore-elektriciteits- en, waar passend, -waterstofnetwerken en de daaraan gekoppelde interconnectoren in de Noordzee, de Ierse Zee, de Keltische Zee, het Kanaal en de naburige wateren om elektriciteit of, waar passend, waterstof uit hernieuwbare offshore-energiebronnen te transporteren naar centra van verbruik en opslag of om de grensoverschrijdende uitwisseling van hernieuwbare energie te vergroten.

Betrokken lidstaten: België, Denemarken, Duitsland, Ierland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zweden.

5)

Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied voor offshore-elektriciteitsnetwerken (“BEMIP offshore”): ontwikkeling van offshore-elektriciteitsnetwerken, ontwikkeling van geïntegreerde offshore-elektriciteits- en, waar passend, -waterstofnetwerken en de daaraan gekoppelde interconnectoren in de Oostzee en de naburige wateren om elektriciteit of, waar passend, waterstof uit hernieuwbare offshore-energiebronnen te transporteren naar centra van verbruik en opslag of om de grensoverschrijdende uitwisseling van hernieuwbare energie te vergroten.

Betrokken lidstaten: Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.

6)

Offshore-elektriciteitsnetwerken voor Zuid- en West-Europa (SW offshore): ontwikkeling van offshore-elektriciteitsnetwerken, ontwikkeling van geïntegreerde offshore-elektriciteits- en, waar passend, -waterstofnetwerken en de daaraan gekoppelde interconnectoren in de Middellandse Zee, met inbegrip van de Golf van Cádiz, en de naburige wateren om elektriciteit of, waar passend, waterstof uit hernieuwbare offshore-energiebronnen te transporteren naar centra van verbruik en opslag of om de grensoverschrijdende uitwisseling van hernieuwbare energie te vergroten.

Betrokken lidstaten: Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Malta en Portugal.

7)

Offshore-elektriciteitsnetwerken voor Zuid- en Oost-Europa (SE offshore): ontwikkeling van offshore-elektriciteitsnetwerken, ontwikkeling van geïntegreerde offshore-elektriciteits- en, waar passend, -waterstofnetwerken en de daaraan gekoppelde interconnectoren in de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de naburige wateren om elektriciteit of, waar passend, waterstof uit hernieuwbare offshore-energiebronnen te transporteren naar centra van verbruik en opslag of om de grensoverschrijdende uitwisseling van hernieuwbare energie te vergroten.

Betrokken lidstaten: Bulgarije, Kroatië, Griekenland, Italië, Cyprus, Roemenië en Slovenië.

8)

Atlantische offshorenetwerken: ontwikkeling van offshore-elektriciteitsnetwerken, geïntegreerde offshore-elektriciteitsnetwerken en de daaraan gekoppelde interconnectoren in de wateren van de Noord-Atlantische Oceaan om elektriciteit uit hernieuwbare offshore-energiebronnen te transporteren naar centra van verbruik en opslag en om de grensoverschrijdende uitwisseling van elektriciteit te vergroten.

Betrokken lidstaten: Ierland, Spanje, Frankrijk en Portugal.

3.   PRIORITAIRE CORRIDORS VOOR WATERSTOF EN ELEKTROLYSE-INSTALLATIES

9)

Waterstofinterconnecties in West-Europa (“HI-West”): waterstofinfrastructuur en de herbestemming van gasinfrastructuur die de opkomst mogelijk maakt van een geïntegreerde waterstofhoofdketen, op directe dan wel indirecte wijze (via interconnectie met een derde land), die de landen in de regio met elkaar verbindt en tegemoetkomt aan hun specifieke behoeften op het gebied van infrastructuur voor waterstof, ter ondersteuning van de totstandkoming van een Unienetwerk voor waterstofvervoer en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het energie-isolement van eilanden vermindert, innovatieve en andere oplossingen ondersteunt waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en aanzienlijk bijdraagt tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Elektrolyse-installaties: het ondersteunen van de uitrol van toepassingen voor de omzetting van elektrische energie in gas om broeikasgasreductie mogelijk te maken en bij te dragen tot een veilig, efficiënt en betrouwbaar systeembeheer en slimme-energiesysteemintegratie, en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het ondersteunen van innovatieve en andere oplossingen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en het aanzienlijk bijdragen tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Betrokken lidstaten: België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk en Portugal.

10)

Waterstofinterconnecties in middenoostelijk en zuidoostelijk Europa (“HI-East”): waterstofinfrastructuur en de herbestemming van gasinfrastructuur die de opkomst mogelijk maakt van een geïntegreerde waterstofhoofdketen, op directe dan wel indirecte wijze (via interconnectie met een derde land), die de landen in de regio met elkaar verbindt en tegemoetkomt aan hun specifieke behoeften op het gebied van infrastructuur voor waterstof, ter ondersteuning van de totstandkoming van een EU-netwerk voor waterstofvervoer en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het energie-isolement van eilanden vermindert, innovatieve en andere oplossingen ondersteunt waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en een aanzienlijke bijdrage levert aan de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Elektrolyse-installaties: het ondersteunen van de uitrol van toepassingen voor de omzetting van elektrische energie in gas om broeikasgasreductie mogelijk te maken en bij te dragen tot een veilig, efficiënt en betrouwbaar systeembeheer en slimme-energiesysteemintegratie, en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het ondersteunen van innovatieve en andere oplossingen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en het aanzienlijk bijdragen tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Betrokken lidstaten: Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Griekenland, Kroatië, Italië, Cyprus, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije.

11)

Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied voor waterstof (“BEMIP Hydrogen”): waterstofinfrastructuur en de herbestemming van gasinfrastructuur die de opkomst mogelijk maakt van een geïntegreerde waterstofhoofdketen, op directe dan wel indirecte wijze (via interconnectie met een derde land), die de landen in de regio met elkaar verbindt en tegemoetkomt aan hun specifieke behoeften op het gebied van infrastructuur voor waterstof, ter ondersteuning van de totstandkoming van een Uniebreed netwerk voor waterstofvervoer en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het energie-isolement vermindert, innovatieve en andere oplossingen ondersteunt waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en een aanzienlijke bijdrage levert aan de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Elektrolyse-installaties: het ondersteunen van de uitrol van toepassingen voor de omzetting van elektrische energie in gas om broeikasgasreductie mogelijk te maken en bij te dragen tot een veilig, efficiënt en betrouwbaar systeembeheer en slimme-energiesysteemintegratie, en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het ondersteunen van innovatieve en andere oplossingen te ondersteunen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en het aanzienlijk bijdragen tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Betrokken lidstaten: Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen; Finland en Zweden.

4.   PRIORITAIRE THEMATISCHE GEBIEDEN

12)

Uitrol van slimme elektriciteitsnetten: de invoering van technologieën voor slimme netwerken in het geheel van de Unie teneinde het gedrag en de acties van alle met het netwerk verbonden gebruikers op efficiënte wijze te integreren, met name de productie van grote hoeveelheden elektriciteit uit hernieuwbare of gedecentraliseerde energiebronnen en vraagrespons van klanten, energieopslag, elektrische voertuigen en andere flexibiliteitsbronnen en daarnaast, wat eilanden en eilandsystemen betreft, het energie-isolement te verminderen, innovatieve en andere oplossingen te ondersteunen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en het aanzienlijk bijdragen tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie.

Betrokken lidstaten: alle.

13)

Grensoverschrijdend koolstofdioxidenetwerk: ontwikkeling van infrastructuur voor het transport en opslag van koolstofdioxide tussen lidstaten onderling en met naburige derde landen met het oog op de afvang en opslag van koolstofdioxide afkomstig van industriële installaties met het oog op permanente geologische opslag en het gebruik van koolstofdioxide voor synthetische brandstofgassen, leidend tot de permanente neutralisatie van koolstofdioxide.

Betrokken lidstaten: alle.

14)

Slimme gasnetten: invoering van technologieën voor slimme gasnetten in de hele Unie om op efficiënte wijze een veelvoud aan koolstofarme en met name hernieuwbare gasbronnen in het gasnet te integreren, de toepassing van innovatieve en digitale oplossingen voor netwerkbeheer te ondersteunen en de integratie van de slimme-energiesector en de vraagrespons te vergemakkelijken, met inbegrip van de daarmee verband houdende fysieke verbeteringen indien die onontbeerlijk zijn voor de werking van de apparatuur en installaties voor de integratie van koolstofarme en met name hernieuwbare gassen.

Betrokken lidstaten: alle.


BIJLAGE II

CATEGORIEËN ENERGIE-INFRASTRUCTUUR

De energie-infrastructuurcategorieën die moeten worden ontwikkeld om de in bijlage I beschreven prioriteiten qua energie-infrastructuur uit te voeren, zijn de volgende:

1)

betreffende elektriciteit:

a)

bovengrondse hoogspannings- en ultrahoogspanningstransmissielijnen die een grens oversteken of zich op het grondgebied van een lidstaat bevinden, met inbegrip van de exclusieve economische zone, mits zij zijn ontworpen voor een spanning van 220 kV of meer, en ondergrondse of onder de zee lopende transmissiekabels, mits zij zijn ontworpen voor een spanning van 150 kV of meer. Voor lidstaten en kleinschalige geïsoleerde systemen met een algemeen transmissiesysteem met een lagere spanning zijn deze spanningsdrempels gelijk aan het hoogste spanningsniveau in hun respectieve elektriciteitssystemen;

b)

elke uitrusting of installatie die onder de in punt a) bedoelde energie-infrastructuurcategorie valt en de transmissie van elektriciteit uit hernieuwbare offshore-energiebronnen vanaf de offshore-productielocaties mogelijk maakt (energie-infrastructuur voor elektriciteit uit hernieuwbare offshore-energiebronnen);

c)

energieopslagfaciliteiten, in individuele of geaggregeerde vorm, gebruikt voor de permanente of tijdelijke opslag van energie in boven- of ondergrondse infrastructuur of geologische locaties, mits ze direct zijn verbonden met hoogspanningstransmissielijnen en distributielijnen ontworpen voor een spanning van 110 kV of meer. Voor lidstaten en kleinschalige geïsoleerde systemen met een algemeen transmissiesysteem met een lagere spanning zijn deze spanningsdrempels gelijk aan het hoogste spanningsniveau in hun respectieve elektriciteitssystemen;

d)

elke uitrusting of installatie die essentieel is om ervoor te zorgen dat de in de punten a), b) en c) bedoelde systemen op een veilige, beveiligde en efficiënte wijze kunnen functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitoring- en toezichtsystemen op alle spanningsniveaus en onderstations;

e)

slimme elektriciteitsnetten: elke uitrusting of installatie, digitale systemen en componenten die informatie- en communicatietechnologieën (ICT) integreren, via operationele digitale platforms, toezichtsystemen en sensortechnologieën, zowel op transmissie- als op midden- en hoogspanningsdistributieniveau, gericht op een efficiënter en intelligenter elektriciteitstransmissie- en distributienetwerk, verhoogde capaciteit om nieuwe vormen van productie, energieopslag en verbruik te integreren en nieuwe bedrijfsmodellen en marktstructuren te vergemakkelijken, met inbegrip van investeringen in eilanden en eilandsystemen ter vermindering van het energie-isolement, ter ondersteuning van innovatieve en andere oplossingen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect voor het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en met het oog op het aanzienlijk bijdragen tot de duurzaamheid van het energiesysteem van eilanden en van de Unie;

f)

elke uitrusting of installatie die valt binnen de energie-infrastructuurcategorie als bedoeld in punt a) met dubbele functionaliteit: interconnectie en offshorenetaansluitsysteem vanuit de offshore-productielocaties van hernieuwbare energie naar twee of meer lidstaten en derde landen die deelnemen aan projecten op de Unielijst, met inbegrip van het doortrekken van deze uitrusting naar het vasteland tot het eerste onderstation in het onshore transmissiesysteem, evenals alle aangrenzende offshore-uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie, met inbegrip van beschermings-, monitoring- en toezichtsystemen, en noodzakelijke onderstations als deze ook zorgen voor technologie-interoperabiliteit, onder meer interfacecompatibiliteit tussen verschillende technologieën (“offshorenetwerken voor hernieuwbare energie”).

2)

betreffende slimme gasnetten: elk van de volgende uitrusting of installaties om de integratie van een veelvoud aan koolstofarme en met name hernieuwbare gassen (met inbegrip van biomethaan of waterstof) in het netwerk mogelijk te maken en te vergemakkelijken: digitale systemen en componenten die ICT integreren, toezichtssystemen en sensortechnologieën om interactieve en intelligente monitoring, meting, kwaliteitscontrole en beheer van gasproductie, -transmissie, -distributie, -opslag en -verbruik binnen een gasnet mogelijk te maken. Bovendien kunnen dergelijke projecten ook uitrusting omvatten om bidirectionele stromen vanaf het distributieniveau naar het transmissieniveau mogelijk te maken, alsook daarmee verband houdende fysieke upgrades indien deze noodzakelijk zijn voor de werking van de uitrusting en de installaties voor de integratie van koolstofarme en met name hernieuwbare gassen.

3)

betreffende waterstof:

a)

transmissiepijpleidingen voor het transport, voornamelijk onder hoge druk, van waterstof, met inbegrip van herbestemde aardgasinfrastructuur, waardoor meerdere netgebruikers op transparante en niet-discriminerende wijze toegang hebben;

b)

de met in punt a) bedoelde hogedrukwaterstofpijpleidingen verbonden opslaginstallaties;

c)

faciliteiten voor de ontvangst, opslag en hervergassing of decompressie van vloeibaar gemaakte waterstof of in andere chemische stoffen ingebedde waterstof met als doel de injectie van waterstof, in voorkomend geval, in het netwerk;

d)

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie van het waterstofnet of om een bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, met inbegrip van compressorstations;

e)

alle uitrusting of installaties die het gebruik van waterstof of van brandstoffen op basis van waterstof in de vervoerssector binnen het TEN-T-kernnetwerk mogelijk maken, vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1).

Elk van de in de punten a) tot en met d) opgesomde activa kunnen nieuw gebouwde activa zijn of activa die worden herbestemd van aardgas naar waterstof, of een combinatie van beide;

4)

betreffende voorzieningen voor elektrolyse-installaties:

a)

elektrolyse-installaties die:

i)

een capaciteit hebben van ten minste 50 MW, geleverd door één elektrolyse-installatie of door een reeks elektrolyse-installaties die één enkel gecoördineerd project vormen;

ii)

de productie voldoet aan de vereiste voor een broeikasgasemissiereductie gedurende de hele levenscyclus van 70 % ten opzichte van een vergelijkbare fossiele brandstof van 94 g CO2eq/MJ zoals uiteengezet in artikel 25, lid 2, en bijlage V bij Richtlijn (EU) 2018/2001. Broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend met behulp van de in artikel 28, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde methodologie of, als alternatief, met ISO 14067 of ISO 14064-1. In de broeikasgasemissies gedurende de hele levenscyclus moeten indirecte emissies begrepen zijn. Gekwantificeerde broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden, indien van toepassing, geverifieerd in overeenstemming met artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001, of door een onafhankelijke derde, en

iii)

hebben een netwerkgerelateerde functie, met name in verband met de algemene systeemflexibiliteit en de algemene systeemefficiëntie van elektriciteits- en waterstofnetwerken;

b)

aanverwante uitrusting, waaronder pijplijnverbindingen met het netwerk;

5)

betreffende koolstofdioxide:

a)

specifieke pijpleidingen, die niet tot het upstreampijpleidingnet behoren, gebruikt voor het transport van koolstofdioxide uit meer dan één bron, met het oog op de permanente geologische opslag van die koolstofdioxide op grond van Richtlijn 2009/31/EG;

b)

vaste faciliteiten voor het vloeibaar maken, de bufferopslag en converters van kooldioxide met het oog op het verdere transport ervan via pijpleidingen en in specifieke vormen van transport zoals schepen, binnenschepen, vrachtwagens en treinen;

c)

onverminderd een eventueel verbod op de geologische opslag van koolstofdioxide in een lidstaat, faciliteiten aan de oppervlakte en injectiefaciliteiten die deel uitmaken van infrastructuur binnen een geologische formatie die overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG wordt gebruikt voor de permanente geologische opslag van koolstofdioxide, voor zover zij geen betrekking hebben op het gebruik van koolstofdioxide voor de verbeterde terugwinning van koolwaterstoffen en noodzakelijk zijn om het grensoverschrijdende transport en de grensoverschrijdende opslag van koolstofdioxide mogelijk te maken;

d)

elke uitrusting of installatie die essentieel is om het mogelijk te maken dat het systeem in kwestie op een behoorlijke, veilige en efficiënte wijze functioneert, met inbegrip van beschermings-, monitorings- en toezichtssystemen.


(1)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).


BIJLAGE III

REGIONALE LIJST VAN PROJECTEN

1.   REGELS VOOR GROEPEN

1)

In het geval van energie-infrastructuur die onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties valt, wordt elke groep samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten, nationale regulerende instanties, TSB’s, alsmede de Commissie, het Agentschap, de EU-DSB-entiteit en ofwel het ENTSB voor elektriciteit, ofwel het ENTSB voor gas.

In het geval van andere energie-infrastructuurcategorieën wordt elke groep samengesteld uit de Commissie en vertegenwoordigers van de lidstaten en projectontwikkelaars die betrokken zijn bij elk van de in bijlage I genoemde prioriteiten.

2)

Afhankelijk van het aantal projectvoorstellen voor de Unielijst, regionale leemten in de infrastructuur en marktontwikkelingen, kunnen de groepen en de besluitvormingsorganen van de groepen zich opsplitsen, zich samenvoegen of vergaderen in verschillende samenstellingen, indien nodig, om kwesties te bespreken die alle groepen raken of slechts betrekking hebben op specifieke regio’s. Het kan daarbij onder meer kwesties betreffen die relevant zijn voor de transregionale consistentie of het aantal in de regionale ontwerplijsten voorgestelde projecten dat onbeheersbaar dreigt te worden.

3)

Elke groep organiseert zijn werkzaamheden in lijn met regionale samenwerkingsinspanningen op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 715/2009, artikel 34 van Verordening (EU) 2019/943, artikel 7 van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 61 van Richtlijn (EU) 2019/944, en andere bestaande regionale samenwerkingsverbanden.

4)

Elke groep nodigt, indien nuttig voor de uitvoering van de betreffende in bijlage I vastgestelde prioritaire corridors en gebieden voor energie-infrastructuur, ontwikkelaars uit van projecten die in aanmerking komen om te worden geselecteerd als project van gemeenschappelijk belang, evenals vertegenwoordigers van nationale administraties, regulerende instanties, maatschappelijke organisaties en TSB’s uit derde landen. Het besluit om vertegenwoordigers van een derde land uit te nodigen wordt gebaseerd op consensus.

5)

Met betrekking tot de in bijlage I, afdeling 2), genoemde prioritaire corridors voor energie-infrastructuur nodigt elke groep, indien nuttig, vertegenwoordigers uit van de niet aan zee grenzende lidstaten, bevoegde instanties, nationale regulerende instanties en TSB’s.

6)

Elke groep nodigt, waar nodig, de organisaties die de relevante belanghebbenden vertegenwoordigen, met inbegrip van vertegenwoordigers van derde landen — en, indien zulks passend wordt geacht, de belanghebbenden zelf — met inbegrip van producenten, DSB’s, leveranciers, consumenten, lokale bevolkingsgroepen en in de Unie gevestigde organisaties voor milieubescherming, uit om hun specifieke deskundigheid te delen. Wanneer dat nuttig is voor de verwezenlijking van zijn taken organiseert de groep hoorzittingen of raadplegingen.

7)

Met betrekking tot de vergaderingen van de groepen worden de interne voorschriften, een geactualiseerde lijst van ledenorganisaties, regelmatig bijgewerkte informatie omtrent de voortgang van de werkzaamheden, vergaderagenda’s, evenals de notulen van vergaderingen, indien beschikbaar, door de Commissie gepubliceerd op een voor belanghebbenden toegankelijk platform. De beraadslagingen van de besluitvormingsorganen van de groepen en de rangschikking van projecten overeenkomstig artikel 4, lid 5, zijn vertrouwelijk. Alle besluiten met betrekking tot het functioneren en de werkzaamheden van de regionale groepen worden door de lidstaten en de Commissie bij consensus genomen.

8)

De Commissie, het Agentschap en de groepen streven naar consistentie tussen de Groepen. Met het oog daarop zien de Commissie en het Agentschap erop toe dat er waar nodig tussen de betrokken groepen informatie wordt uitgewisseld over alle werkzaamheden die van interregionaal belang zijn.

9)

De deelname van nationale regulerende instanties en het Agentschap aan de groepen brengt de verwezenlijking van hun doelstellingen en de vervulling van hun taken uit hoofde van deze verordening of uit hoofde van Verordening (EU) 2019/942, de artikelen 40 en 41 van Richtlijn 2009/73/EG en de artikelen 58, 59 en 60 van Richtlijn (EU) 2019/944 niet in gevaar.

2.   PROCEDURE VOOR DE OPSTELLING VAN REGIONALE LIJSTEN

1)

Ontwikkelaars van een project dat potentieel in aanmerking komt voor selectie als project op de Unielijst waarvoor deze status wordt geambieerd, dienen bij de groep een aanvraag in voor selectie als project op de Unielijst, die het volgende omvat:

a)

een beoordeling van de projecten uit het oogpunt van hun bijdrage tot de uitvoering van de in bijlage I genoemde prioriteiten;

b)

een aanduiding van de relevante projectcategorie als vermeld in bijlage II;

c)

een analyse van de wijze waarop is voldaan aan de in artikel 4 omschreven relevante criteria;

d)

voor projecten die een voldoende mate van rijpheid hebben bereikt, een projectspecifieke kosten-batenanalyse die strookt met de op grond van artikel 11 opgestelde methodologieën;

e)

voor projecten van wederzijds belang, de steunbrieven van de regeringen van de direct betroffen landen waarin zij hun steun uitspreken voor het project of andere niet-bindende overeenkomsten;

f)

alle andere voor de beoordeling van het project relevante informatie.

2)

Alle begunstigden nemen de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht.

3)

De voorgestelde elektriciteitstransmissie- en -opslagprojecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van punt 1), a), b), c), d) en f) van bijlage II bij deze verordening, zijn projecten die een onderdeel vormen van het meest recente Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan voor elektriciteit, vastgesteld door het ENTSB voor elektriciteit op grond van artikel 30 van Verordening (EU) 2019/943. De voorgestelde elektriciteitstransmissieprojecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van punt 1), b) en f) van bijlage II bij deze verordening, vloeien voort uit en stroken met de geïntegreerde ontwikkelingsplannen voor offshorenetwerken en netwerkversterkingen bedoeld in artikel 14, lid 2, van deze verordening.

4)

Vanaf 1 januari 2024 zijn de voorgestelde waterstofprojecten van gemeenschappelijk belang die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van punt 3) van bijlage II bij deze verordening projecten die een onderdeel vormen van het meest recente tienjarig netontwikkelingsplan voor gas op het niveau van de Unie, vastgesteld door het ENTSB voor gas op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 715/2009.

5)

Uiterlijk op 30 juni 2022, en vervolgens voor alle Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen, vaardigen het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas geactualiseerde richtsnoeren uit voor de opname van projecten in hun respectieve Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen, als bedoeld in de punten 3) en 4), om gelijke behandeling en transparantie van het proces te waarborgen. Voor alle projecten die zijn opgenomen in de Unielijst die op dat moment van kracht is, wordt in de richtsnoeren een vereenvoudigd proces voor opname van projecten in de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen gedefinieerd, in het kader waarvan rekening wordt gehouden met de documentatie en gegevens die reeds tijdens het vorige proces voor het Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan zijn ingediend, mits de reeds ingediende gegevens geldig blijven.

Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas overleggen met de Commissie en het Agentschap over hun respectieve ontwerprichtsnoeren voor de opname van projecten in de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen en houden terdege rekening met de aanbevelingen van de Commissie en het Agentschap voordat zij de definitieve richtlijnen publiceren.

6)

Voorgestelde projecten voor het transport en de opslag van koolstofdioxide die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 5), worden ingediend als onderdeel van een door ten minste twee lidstaten uitgewerkt plan voor de ontwikkeling van grensoverschrijdend transport en grensoverschrijdende opslag van koolstofdioxide, bij de Commissie in te dienen door de betrokken lidstaten of door die lidstaten aangewezen entiteiten.

7)

Het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas verstrekken de groepen informatie over de wijze waarop zij de richtsnoeren hebben toegepast om de opname in de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen te evalueren.

8)

Voor projecten die onder hun bevoegdheid vallen, verifiëren de nationale regulerende instanties en, zo nodig, het Agentschap — indien mogelijk in het kader van de regionale samenwerking op grond van artikel 7 van Richtlijn 2009/73/EG en artikel 61 van Richtlijn (EU) 2019/944 —de consistente toepassing van de criteria en van de voor de kosten-batenanalyse gebezigde methodologie, en evalueren zij de grensoverschrijdende relevantie daarvan. Zij leggen hun beoordeling voor aan de groep. De Commissie zorgt ervoor dat de in artikel 4 van deze verordening en bijlage IV bedoelde criteria en methodologieën op geharmoniseerde wijze worden toegepast om de samenhang tussen de regionale groepen te waarborgen.

9)

Voor alle niet door punt 8) van deze bijlage bestreken projecten beoordeelt de Commissie de inachtneming van de criteria van artikel 4 van deze verordening. De Commissie houdt tevens rekening met het potentieel voor toekomstige uitbreiding met nieuwe lidstaten. De Commissie legt haar beoordeling voor aan de groep. Voor projecten waarvoor de status van project van wederzijds belang wordt aangevraagd, worden vertegenwoordigers van derde landen en regulerende instanties uitgenodigd bij de presentatie van de beoordeling.

10)

Elke lidstaat op wiens grondgebied een voorgesteld project geen betrekking heeft, maar waarop het voorgestelde project eventueel een netto positief effect of een potentieel significant effect kan hebben, bijvoorbeeld op het milieu of op de werking van de energie-infrastructuur op zijn grondgebied, kan aan de groep een advies voorleggen met vermelding van zijn bezwaren.

11)

De groep onderzoekt op verzoek van een lidstaat van de groep de door een lidstaat op grond van artikel 3, lid 3, voldoende onderbouwde redenen die hem ertoe hebben aangezet een project met betrekking tot zijn grondgebied niet goed te keuren.

12)

De groep neemt in overweging of het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel wordt toegepast bij de vaststelling van de regionale infrastructuurbehoeften en bij elk van de kandidaat-projecten. De groep neemt met name oplossingen in overweging zoals vraagzijdebeheer, oplossingen voor de marktordening, toepassing van digitale oplossingen en renovatie van gebouwen als prioritaire oplossingen, indien deze vanuit een systeemperspectief kostenefficiënter worden geacht dan de aanleg van nieuwe aanbodgestuurde infrastructuur.

13)

De groep komt bijeen om de voorgestelde projecten te onderzoeken en te rangschikken op basis van een transparante beoordeling van de projecten aan de hand van de criteria van artikel 4, rekening houdend met de beoordeling van de regulators of, met betrekking tot projecten die niet onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties vallen, de beoordeling van de Commissie.

14)

De door de Groepen uitgewerkte regionale ontwerplijsten van voorgestelde projecten die onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties vallen, worden samen met eventuele adviezen als bedoeld in punt 10) van deze afdeling, zes maanden vóór de datum waarop de Unielijst wordt vastgesteld bij het Agentschap ingediend. De regionale ontwerplijsten en de bijbehorende adviezen worden binnen drie maanden na de datum van ontvangst door het Agentschap beoordeeld. Het Agentschap brengt advies uit over de regionale ontwerplijsten, met name over de consistente toepassing van de criteria en de transregionale kosten-batenanalyse. Het advies van het Agentschap wordt goedgekeurd volgens de procedure van artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) 2019/942.

15)

Binnen een maand na de datum van ontvangst van het advies van het Agentschap stelt het besluitvormingsorgaan van elke groep met inachtneming van de bepalingen van artikel 3, lid 3, zijn definitieve regionale lijst van voorgestelde projecten vast op basis van het voorstel van de groepen en rekening houdend met het overeenkomstig punt 8) voorgelegde advies van het Agentschap en de beoordeling van de nationale regulerende instanties, of met de overeenkomstig punt 9) voorgelegde beoordeling van de Commissie met betrekking tot projecten die niet onder de bevoegdheid van nationale regulerende instanties vallen, alsook met het advies van de Commissie dat ertoe strekt het aantal projecten op de Unielijst beheersbaar te houden, met name bij grenzen met concurrerende of mogelijk concurrerende projecten. De besluitvormingsorganen van de groepen leggen de definitieve regionale lijsten voor aan de Commissie, samen met alle adviezen als omschreven in punt 10).

16)

Indien het totale aantal voorgestelde projecten op de Unielijst, op basis van de regionale ontwerplijsten en na rekening te hebben gehouden met het advies van het Agentschap, groter is dan beheersbaar wordt geacht, adviseert de Commissie iedere betrokken groep om in de regionale lijst geen projecten op te nemen die door de betrokken groep op de op grond van artikel 4, lid 5, opgestelde ranglijst het laagst gerangschikt zijn.

BIJLAGE IV

REGELS EN INDICATOREN BETREFFENDE CRITERIA VOOR PROJECTEN

1)   

Een project van gemeenschappelijk belang met een aanzienlijk grensoverschrijdend effect is een project op het grondgebied van een lidstaat en voldoet aan de volgende voorwaarden:

a)

bij elektriciteitstransmissie: het project versterkt de nettransmissiecapaciteit of de voor commerciële stromen beschikbare capaciteit aan de grens van die lidstaat met één of meer andere lidstaten, waardoor de grensoverschrijdende nettransmissiecapaciteit aan de grens van die lidstaat met één of meer andere lidstaten wordt verhoogd met minimaal 500 megawatt (MW) ten opzichte van de situatie bij niet-inbedrijfstelling van het project, of het project vermindert het energie-isolement van niet onderling verbonden systemen in een of meer lidstaten en verhoogt de grensoverschrijdende nettransmissiecapaciteit aan de grens tussen twee lidstaten met ten minste 200 MW;

b)

bij elektriciteitsopslag: het project voorziet in een geïnstalleerde capaciteit van minimaal 225 MW en heeft een opslagcapaciteit die een jaarlijkse elektriciteitsproductie van ten minste 250 GW/jaar mogelijk maakt;

c)

bij slimme elektriciteitsnetten: het project is ontworpen voor apparatuur en installaties op hoogspannings- en middenspanningsniveau en bij het project zijn TSB’s, TSB’s en DSB’s, of DSB’s uit ten minste twee lidstaten betrokken. Bij het project mogen DSB’s betrokken zijn “mits zij uit ten minste twee lidstaten afkomstig zijn en de interoperabiliteit verzekerd is. Het project voldoet aan ten minste twee van de volgende criteria: er zijn 50 000 gebruikers, producenten, consumenten of prosumenten van elektriciteit bij betrokken, het bestrijkt een verbruiksgebied van ten minste 300 GW uur/jaar, ten minste 20 % van het elektriciteitsverbruik in verband met het project is afkomstig van variabele hernieuwbare bronnen, of het vermindert het energie-isolement van niet met elkaar verbonden systemen in een of meer lidstaten. Het project hoeft geen fysieke gemeenschappelijke grens te omvatten. Bij projecten in verband met kleinschalige geïsoleerde systemen als omschreven in artikel 2, punt 42), van Richtlijn (EU) 2019/944, waaronder eilanden, zijn die spanningsniveaus gelijk aan het hoogste spanningsniveau in het relevante elektriciteitssysteem;

d)

bij waterstoftransmissie: het project maakt de transmissie van waterstof over de grenzen van de betrokken lidstaten heen mogelijk of verhoogt de bestaande grensoverschrijdende waterstoftransportcapaciteit op een grens tussen twee lidstaten met ten minste 10 % ten opzichte van de situatie vóór de inbedrijfstelling van het project, en het project toont voldoende aan dat het een essentieel onderdeel is van een gepland grensoverschrijdend waterstofnetwerk en levert voldoende bewijs van bestaande plannen en samenwerking met buurlanden en netwerkbeheerders, of, voor projecten die het energie-isolement van niet met elkaar verbonden systemen in een of meer lidstaten verminderen, het project heet tot doel om op directe of indirecte wijze ten minste twee lidstaten te bedienen;

e)

bij waterstofopslag- of waterstofontvangstvoorzieningen als bedoeld in punt 3) van bijlage II: het project heeft tot doel om op directe of indirecte wijze ten minste twee lidstaten te bedienen;

f)

bij elektrolyse-installaties: het project levert een geïnstalleerde capaciteit van ten minste 50 MW, afkomstig van één enkele elektrolyse-installatie of van een reeks elektrolyse-installaties die één enkel gecoördineerd project vormen en komt ten minste twee lidstaten op directe op indirecte wijze ten goede, en ondersteunt specifiek, in geval van projecten met betrekking tot eilanden en eilandsystemen, innovatieve en andere oplossingen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn, met een aanzienlijk positief effect op het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en draagt aanzienlijk bij tot de duurzaamheid van het energiesysteem van de eilanden en dat van de Unie;

g)

bij slimme gasnetten: bij het project zijn TSB’s, TSB’s en DSB’s of DSB’s van ten minste twee lidstaten betrokken. Als bij het project DSB’s betrokken zijn, is aan de voorwaarden voldaan als deze gesteund worden door de TSB’s van ten minste twee lidstaten, die nauw betrokken zijn bij het project en zorgen voor interoperabiliteit.

h)

bij transmissie van elektriciteit uit hernieuwbare offshore-energiebronnen: het project is ontworpen voor de transmissie van elektriciteit van offshore-productielocaties met een capaciteit van ten minste 500 MW en maakt transmissie mogelijk van elektriciteit naar het onshorenetwerk van een specifieke lidstaat waardoor het volume aan op de interne markt beschikbare hernieuwbare elektriciteit wordt vergroot. Het project wordt ontwikkeld in gebieden met een lage penetratie van hernieuwbare offshore-elektriciteit en heeft een aanzienlijk positief effect op het behalen van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en van haar doelstelling inzake klimaatneutraliteit voor 2050, en draagt aanzienlijk bij tot de duurzaamheid van het energiesysteem en de marktintegratie, zonder de grensoverschrijdende capaciteit en stromen te belemmeren;

i)

bij koolstofdioxideprojecten: het project wordt gebruikt voor het transport of, waar van toepassing, de opslag van koolstofdioxide van menselijke oorsprong afkomstig uit ten minste twee lidstaten.

2)   

Een project van wederzijds belang met een aanzienlijk grensoverschrijdend effect is een project en voldoet aan de volgende voorwaarden:

a)

bij projecten van wederzijds belang die vallen binnen de categorie van bijlage II, punt 1), a) en f): het project versterkt de transmissiecapaciteit van het net, dan wel de voor commerciële stromen beschikbare capaciteit, aan de grens van die lidstaat met één of meer derde landen en levert volgens de specifieke criteria van artikel 4, lid 3, op directe dan wel indirecte wijze (via interconnectie met een derde land), op het niveau van de Unie aanzienlijke voordelen op. De berekening van de voordelen voor de lidstaten wordt uitgevoerd en gepubliceerd door het ENTSB voor elektriciteit in het kader van een Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan;

b)

bij projecten van wederzijds belang die vallen binnen de categorie van bijlage II, punt 3): het waterstofproject zorgt voor de transmissie van waterstof over de grenzen van een lidstaat met één of meer derde landen heen en levert volgens de specifieke criteria van artikel 4, lid 3, op directe dan wel indirecte wijze (via interconnectie met een derde land), op het niveau van de Unie aanzienlijke voordelen op. De berekening van de voordelen voor de lidstaten wordt uitgevoerd en gepubliceerd door het ENTSB voor gas in het kader van een Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan;

c)

bij projecten van wederzijds belang die vallen binnen de categorie van bijlage II, punt 5): het project kan worden gebruikt voor het transport en de opslag van koolstofdioxide van menselijke oorsprong door ten minste twee lidstaten en een derde land.

3)   

Wat betreft projecten die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 1), a), b), c), d) en f), worden de criteria van artikel 4 als volgt geëvalueerd:

a)

transmissie van hernieuwbare energie naar belangrijke verbruikscentra en opslagfaciliteiten, bepaald in lijn met de analyse gemaakt in het meest recente Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan voor elektriciteit, in het bijzonder:

i)

bij elektriciteitstransmissie: door raming van de capaciteit voor productie uit hernieuwbare energiebronnen (per technologie, in MW) die dankzij het project met het netwerk is verbonden en wordt getransporteerd, in vergelijking met de hoeveelheid geplande totale productiecapaciteit uit deze typen van hernieuwbare energiebronnen in de betrokken lidstaat in 2030 overeenkomstig de nationale energie- en klimaatplannen die door de lidstaten zijn ingediend in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1999;

ii)

of bij energieopslag: door vergelijking van de door het project geleverde nieuwe capaciteit met de totale bestaande capaciteit voor dezelfde opslagtechnologie binnen het analysegebied als beschreven in bijlage V;

b)

marktintegratie, concurrentie en systeemflexibiliteit, bepaald in lijn met de analyse in het meest recente Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan voor elektriciteit, in het bijzonder door:

i)

berekening, voor grensoverschrijdende projecten inclusief herinvesteringsprojecten, van het effect van de nettransmissiecapaciteit in beide stroomrichtingen, gemeten als hoeveelheid vermogen (in MW) en hun bijdrage aan het bereiken van het streefcijfer van ten minste 15 % interconnectie, en voor projecten met aanzienlijke grensoverschrijdende effecten, van het effect op de nettransmissiecapaciteit aan de grenzen tussen de betrokken lidstaten, tussen betrokken lidstaten en derde landen of binnen de betrokken lidstaten en het effect op de vraag-aanbodbalancering en het netbeheer in de betrokken lidstaten;

ii)

evaluatie van het effect, voor het analysegebied beschreven in bijlage V, in termen van de productie- en transmissiekosten voor het hele energiesysteem en de ontwikkeling en convergentie van de marktprijzen ten gevolge van een project overeenkomstig verschillende planningsscenario’s, in het bijzonder rekening houdend met de variaties die worden teweeggebracht op de “merit order” (rangorde van in te zetten capaciteit);

c)

leveringszekerheid, de interoperabiliteit en het veilige systeembeheer, bepaald in lijn met de analyse gemaakt in het meest recente Uniebreed tienjarig netontwikkelingsplan voor elektriciteit, met name door evaluatie van de effecten van het project op de Loss-of-Load-Expectation (het verwachte aantal uren tijdens dewelke de vraag naar elektriciteit niet gedekt is door de productiecapaciteit op het net) voor het analysegebied beschreven in bijlage V in termen van adequaatheid van productie en transmissie voor een reeks karakteristieke belastingperioden, rekening houdend met de verwachte wijzigingen op het gebied van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden en het effect daarvan op de veerkracht van infrastructuur. Indien van toepassing wordt ook het effect van het project op onafhankelijke en betrouwbare controle van systeembeheer en dienstverlening bepaald.

4)   

Wat betreft projecten die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 1), e), worden de criteria van artikel 4 als volgt beoordeeld:

a)

duurzaamheidsniveau, bepaald aan de hand van een beoordeling van de mate waarin de netten in staat zijn om variabele hernieuwbare energie aan te sluiten en te transporteren;

b)

leveringszekerheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van de verliezen in de transmissie- en/of distributienetwerken, het percentage gebruik (d.w.z. de gemiddelde belasting) van elektriciteitsnetcomponenten, de beschikbaarheid van netwerkcomponenten (gerelateerd aan al dan niet geplande onderhoudswerkzaamheden) en het effect daarvan op de netwerkprestaties, en op de duur en frequentie van stroomonderbrekingen, inclusief klimaatgerelateerde storingen;

c)

marktintegratie, bepaald aan de hand van een beoordeling van de innovatieve toepassing binnen het systeembeheer, het terugdringen van energie-isolement, interconnectie, de mate van integratie van andere sectoren en de mate waarin nieuwe bedrijfsmodellen en marktstructuren gefaciliteerd worden;

d)

netwerkveiligheid, flexibiliteit en kwaliteit van de levering, bepaald aan de hand van een beoordeling van de innovatieve benadering van systeemflexibiliteit, cyberbeveiliging, efficiënte operabiliteit tussen TSB- en DSB-niveau, de capaciteit om oplossingen voor vraagrespons te integreren, opslag, energie-efficiëntiemaatregelen, het kostenefficiënte gebruik van digitale instrumenten en ICT voor monitoring- en controledoeleinden, de stabiliteit van het elektriciteitssysteem en de prestaties op het gebied van de spanningskwaliteit.

5)   

Wat betreft waterstof die valt binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 3), worden de criteria van artikel 4 als volgt beoordeeld:

a)

duurzaamheid, bepaald als de bijdrage van een project aan de vermindering van broeikasgasemissies bij verschillende eindtoepassingen in sectoren waar de transitie moeilijk te verwezenlijken is, zoals industrie of vervoer; flexibiliteit en seizoensgebonden opslagmogelijkheden voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen; of de integratie van hernieuwbare en koolstofarme waterstof met het oog op de marktbehoeften en het bevorderen van hernieuwbare waterstof;

b)

marktintegratie en interoperabiliteit, bepaald aan de hand van een berekening van de toegevoegde waarde van het project voor de integratie van marktgebieden en de tariefconvergentie, evenals voor de algemene flexibiliteit van het systeem;

c)

leveringszekerheid en flexibiliteit, bepaald aan de hand van een berekening van de toegevoegde waarde van het project voor de veerkracht, diversiteit en flexibiliteit van de waterstoflevering;

d)

mededinging, bepaald aan de hand van een beoordeling van de bijdrage van het project aan de diversifiëring van de levering, met inbegrip van de facilitering van de toegang tot inheemse waterstofleveringsbronnen.

6)   

Wat betreft projecten voor slimme gasnetten die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 2), worden de criteria van artikel 4 als volgt beoordeeld:

a)

duurzaamheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van het aandeel in het gasnet opgenomen hernieuwbare en koolstofarme gassen, de daarmee samenhangende broeikasgasemissiereducties voor het volledig koolstofvrij maken van het systeem en de adequate detectie van lekkage;

b)

leveringskwaliteit en -zekerheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van de verhouding tussen het gasaanbod dat op een betrouwbare manier beschikbaar is en de gasvraag op piekmomenten, het aandeel door lokale hernieuwbare en koolstofarme gassen vervangen import, de stabiliteit van het systeembeheer en de duur en frequentie van stroomonderbrekingen per klant;

c)

het mogelijk maken van flexibiliteitsdiensten zoals vraagrespons en opslag door de vergemakkelijking van de integratie van de slimme-energiesector door koppelingen te maken met andere energiedragers en sectoren, bepaald aan de hand van een beoordeling van de kostenbesparingen die kunnen worden bereikt in verbonden energiesectoren en -systemen, zoals het verwarmings- en elektriciteitssysteem, transport en industrie.

7)   

Wat betreft projecten voor elektrolyse-installaties die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 4), worden de criteria van artikel 4 als volgt beoordeeld:

a)

duurzaamheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van het aandeel hernieuwbare waterstof of koolstofarme waterstof, met name uit hernieuwbare bronnen, dat voldoet aan de criteria omschreven in bijlage II, punt 4), a), ii), dat in het netwerk is opgenomen, of een schatting van de omvang van het gebruik van synthetische brandstoffen afkomstig van dergelijke bronnen, en de daarmee samenhangende broeikasgasemissiereducties;

b)

leveringszekerheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van de bijdrage ervan aan de veiligheid, stabiliteit en efficiëntie van het netbeheer, ook door de beoordeling van de mate waarin inkrimping van de hoeveelheid hernieuwbare energie wordt vermeden;

c)

het mogelijk maken van flexibiliteitsdiensten zoals vraagrespons en opslag door de vergemakkelijking van de integratie van de slimme-energiesector door koppelingen te maken met andere energiedragers en sectoren, bepaald aan de hand van een beoordeling van de kostenbesparingen die kunnen worden bereikt in verbonden energiesectoren en -systemen, zoals gas-, waterstof-, energie- en warmtenetten en de transport- en industriesector.

8)   

Wat betreft infrastructuur voor koolstofdioxide die valt binnen de energie-infrastructuurcategorieën van bijlage II, punt 5), worden de criteria van artikel 4 als volgt beoordeeld:

a)

duurzaamheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van de totale verwachte broeikasgasreducties gedurende de levensduur van het project en het ontbreken van alternatieve technologische oplossingen zoals, maar niet beperkt tot, energie-efficiëntie, elektrificatie met integratie van hernieuwbare bronnen, om hetzelfde niveau van broeikasgasreductie te bereiken als de hoeveelheid koolstofdioxide die in verbonden industriële installaties tegen vergelijkbare kosten binnen een vergelijkbaar tijdschema moet worden afgevangen, rekening houdend met de broeikasgasemissies van de energie die nodig is om de koolstofdioxide af te vangen, te transporteren en op te slaan, voor zover van toepassing, rekening houdend met de infrastructuur, met inbegrip van, indien van toepassing, andere potentiële toekomstige toepassingen;

b)

veerkracht en zekerheid, bepaald aan de hand van een beoordeling van de zekerheid van de infrastructuur;

c)

de beperking van de belasting en het risico voor het milieu door de permanente neutralisering van koolstofdioxide.


BIJLAGE V

KOSTEN-BATENANALYSE VOOR HET GEHELE ENERGIESYSTEEM

De door het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas ontwikkelde methodologieën voor kosten-batenanalyses stroken met elkaar, met inachtneming van de eigen kenmerken van de sector. De methodologieën voor een geharmoniseerde en transparante kosten-batenanalyse voor het gehele energiesysteem voor projecten op de Unielijst zijn voor alle infrastructuurcategorieën gelijk, tenzij specifieke verschillen gerechtvaardigd zijn. Zij hebben betrekking op kosten in bredere zin, met inbegrip van externe kosten, in het licht van de streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie voor 2030 en de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, en voldoen aan de volgende beginselen:

1)

de analyse van een specifiek project bestrijkt alle lidstaten en derde landen op het grondgebied waarvan het project wordt uitgevoerd, alle directe naburige lidstaten en alle andere lidstaten waar het project een aanzienlijk effect heeft. Daartoe werken het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas samen met alle relevante systeembeheerders in de relevante derde landen. Bij projecten die vallen binnen de energie-infrastructuurcategorie van bijlage II, punt 3), werken het ENTSB voor elektriciteit en het ENTSB voor gas samen met de projectontwikkelaar, ook wanneer deze geen systeembeheerder is;

2)

elke kosten-batenanalyse omvat gevoeligheidsanalyses inzake de inputdata, met inbegrip van de kosten van opwekking en broeikasgassen, alsmede de verwachte ontwikkeling van vraag en aanbod, inclusief ten aanzien van hernieuwbare energiebronnen, en inclusief de flexibiliteit van beide, en de beschikbaarheid van opslag, de datum van inbedrijfstelling van verschillende projecten in hetzelfde analysegebied, klimaateffecten en andere relevante parameters;

3)

zij leggen de analyse vast die moet worden uitgevoerd, op basis van de relevante multisectorale inputdata door het bepalen van het effect met en zonder het project en beschreven tevens de onderlinge afhankelijkheden met andere projecten;

4)

zij bieden een leidraad voor de ontwikkeling en het gebruik van de voor de kosten-batenanalyse noodzakelijke netwerk- en marktmodellering. Met deze modellen kan een volledige beoordeling worden gemaakt van de economische voordelen, waaronder marktintegratie, leveringszekerheid en concurrentie, de opheffing van isolement op energiegebied, en van de sociale en milieu- en klimaateffecten, met inbegrip van de sectoroverschrijdende effecten. De methodologie is geheel transparant en bevat gedetailleerde gegevens over waarom en hoe alle baten en kosten worden berekend en om welke baten en kosten het gaat;

5)

zij bevatten een uitleg over de wijze waarop het “energie-efficiëntie eerst”-beginsel wordt geïmplementeerd in alle stappen van de Uniebrede tienjarige netontwikkelingsplannen;

6)

zij leggen uit dat het project de ontwikkeling en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen niet zal belemmeren;

7)

zij zorgen ervoor dat wordt vastgesteld op welke lidstaten het project een netto positief effect heeft, wie de begunstigden zijn, op welke lidstaten het project een netto negatief effect heeft, en wie de kostendragers zijn, wat andere lidstaten kunnen zijn dan de lidstaten op wier grondgebied de infrastructuur wordt gebouwd;

8)

zij houden in ieder geval rekening met de kapitaaluitgaven, operationele en onderhoudskosten en de kosten voor het desbetreffende systeem gedurende de technische levensduur van het project in zijn geheel, zoals ontmantelings- en afvalbeheerkosten, met inbegrip van externe kosten. Zij vormen een leidraad voor de bij de kosten-batenberekeningen in aanmerking te nemen discontovoeten, technische levensduur en restwaarde. Voorts bevatten zij een verplichte methodologie voor de berekening van de kosten-batenverhouding en de netto contante waarde, alsook een differentiatie van de baten in overeenstemming met de mate van betrouwbaarheid van de ramingsmethoden. Daarnaast wordt rekening gehouden met methoden voor het berekenen van het klimaat- en milieueffect van de projecten en de bijdrage aan energiedoelstellingen van de Unie, zoals de doelstelling om hernieuwbare energie meer ingang te doen vinden en de doelstellingen inzake energie-efficiëntie en interconnectie;

9)

zij zorgen ervoor dat de maatregelen ter aanpassing aan de klimaatverandering die voor elk project worden genomen, worden beoordeeld en de kosten van de broeikasgasemissies weerspiegelen en dat de voor de beoordeling gebruikte methode solide is en consistent is met andere beleidsmaatregelen van de Unie, zodat een vergelijking mogelijk is met andere oplossingen waarvoor geen nieuwe infrastructuur nodig is.


BIJLAGE VI

RICHTSNOEREN VOOR TRANSPARANTIE EN INSPRAAK VAN HET PUBLIEK

1)   

De in artikel 9, lid 1, bedoelde handleiding betreffende de procedures omvat ten minste de volgende elementen:

a)

een nadere aanduiding van de relevante wetgeving waarop de besluiten en adviezen inzake de verschillende types projecten van gemeenschappelijk belang worden gebaseerd, met inbegrip van milieuwetgeving;

b)

de lijst van relevante besluiten en in te winnen adviezen;

c)

de namen en contactgegevens van de bevoegde instantie, andere betrokken instanties en voornaamste betrokken partijen;

d)

de workflow, met een overzicht van alle fasen van het proces, met een indicatief tijdschema en een beknopt overzicht van het besluitvormingsproces voor de verschillende types projecten van gemeenschappelijk belang;

e)

informatie over de inhoud, structuur en gedetailleerdheid van de documenten die samen met de aanvragen voor besluiten moeten worden ingediend, inclusief een checklist;

f)

de fasen van het proces en de manieren waarop het grote publiek aan het proces kan deelnemen;

g)

de wijze waarop de bevoegde instantie, andere betrokken instanties en de projectontwikkelaar dienen aan te tonen dat rekening is gehouden met de standpunten die tijdens de openbare raadpleging naar voren zijn gebracht, bijvoorbeeld door te laten zien welke wijzigingen zijn doorgevoerd wat betreft de locatie van het project of het projectontwerp of door te motiveren waarom geen rekening is gehouden met deze standpunten;

h)

voor zover mogelijk, vertalingen van de inhoud ervan in alle talen van de aangrenzende lidstaten, in overleg met de respectieve aangrenzende lidstaten.

2)   

Het in artikel 10, lid 6, punt b), bedoelde gedetailleerde schema omvat ten minste de volgende elementen:

a)

de vast te stellen besluiten en in te winnen adviezen;

b)

de autoriteiten, belanghebbenden en bevolkingsgroepen die naar verwachting gevolgen zullen ondervinden;

c)

de diverse fasen van de procedure en de duur daarvan;

d)

de belangrijkste mijlpalen en de daarvoor geldende termijnen met het oog op het vast te stellen raambesluit;

e)

de door de autoriteiten voorziene middelen en de eventuele behoefte aan extra middelen.

3)   

Om het publiek meer inspraak te geven in het kader van het vergunningsverleningsproces en het vooraf informatie te verstrekken en ermee in dialoog te gaan, worden, onverminderd de vereisten inzake openbare raadpleging op grond van de milieuwetgeving, de volgende beginselen toegepast:

a)

de partijen voor wie een project van gemeenschappelijk belang gevolgen heeft, inclusief de relevante nationale, regionale en lokale autoriteiten, landbezitters en in de omgeving van het project wonende burgers, het algemene publiek en verenigingen, organisaties of groepen daarvan worden in een vroege fase van het project, wanneer met potentiële bezwaren bij het publiek nog rekening kan worden gehouden, uitvoerig geïnformeerd en geraadpleegd op een inclusieve, open en transparante manier. In voorkomend geval ondersteunt de bevoegde instantie op actieve wijze de door de projectontwikkelaar opgezette activiteiten;

b)

de bevoegde instanties zien erop toe dat de openbare raadplegingsprocedures voor projecten van gemeenschappelijk belang waar mogelijk worden gegroepeerd, waaronder openbare raadplegingen die al krachtens de nationale wetgeving vereist zijn. Elke openbare raadpleging heeft betrekking op alle aspecten die van betekenis zijn voor de specifieke fase van de procedure en een aspect dat van betekenis is voor een specifieke fase van het project wordt niet behandeld in meer dan één openbare raadpleging; een individuele openbare raadpleging kan echter op meer dan één geografische locatie plaatsvinden. In de kennisgeving van openbare raadpleging worden de bij die raadpleging behandelde aspecten duidelijk omschreven;

c)

opmerkingen en bezwaren kunnen alleen worden ingediend van het begin van de openbare raadpleging tot het verstrijken van de vastgestelde termijn;

d)

projectontwikkelaars zorgen ervoor dat raadplegingen plaatsvinden gedurende een periode die een open en inclusieve participatie van het publiek mogelijk maakt.

4)   

Het ontwerp betreffende de inspraak van het publiek bevat ten minste informatie over:

a)

de bij de raadpleging te betrekken belanghebbenden;

b)

de geplande maatregelen, waaronder de voorgestelde algemene locaties en data van de geplande bijeenkomsten;

c)

de tijdlijn;

d)

de personele middelen die voor verschillende taken worden vrijgemaakt.

5)   

In de context van de openbare raadpleging die moet plaatsvinden voordat het aanvraagdossier wordt ingediend, doen de betrokken partijen minimaal het volgende:

a)

zij publiceren, in elektronische en indien nodig papieren vorm, een informatiefolder van maximaal 15 bladzijden waarin op een duidelijke en beknopte wijze een overzicht wordt gegeven van de beschrijving en het doel van het project met een voorlopig tijdschema voor de ontwikkelingsfasen van het project, het nationale netontwikkelingsplan, de bestudeerde alternatieve routes, vormen en kenmerken van het potentiële effect, inclusief van grensoverschrijdende aard, en eventuele mitigatiemaatregelen; deze informatiefolder moet vóór het begin van de raadpleging worden gepubliceerd en bevat voorts een lijst van de in artikel 9, lid 7, bedoelde website van het project van gemeenschappelijk belang, de internetadressen van het in artikel 23 bedoelde transparantieplatform, alsmede de handleiding voor de in punt 1) van deze bijlage bedoelde procedures;

b)

zij publiceren de informatie over de raadpleging op de website van het project van gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 9, lid 7, en op de mededelingenborden van de kantoren van lokale besturen, en maken deze informatie tevens bekend via een of, in voorkomend geval, twee plaatselijke mediakanalen;

c)

zij nodigen de betrokken belanghebbenden, verenigingen, organisaties en groepen voor wie het project gevolgen heeft schriftelijk of langs elektronische weg uit voor specifieke bijeenkomsten waarop de zorgpunten van die belanghebbenden, verenigingen, organisaties en groepen worden besproken.

6)   

Op de in artikel 9, lid 7, bedoelde website van het project wordt ten minste de volgende informatie verstrekt:

a)

de datum waarop de website van het project voor het laatst is bijgewerkt;

b)

vertalingen van de inhoud ervan in alle talen van de lidstaten die bij het project betrokken zijn of waarop het project een aanzienlijk grensoverschrijdend effect heeft overeenkomstig bijlage IV, punt 1);

c)

de in punt 5) bedoelde folder, bijgewerkt met de laatste gegevens over het project;

d)

een op gezette tijden geactualiseerde niet-technische samenvatting met de stand van zaken in verband met het project op dat moment, inclusief geografische informatie, en, in het geval van een actualisering, een duidelijk overzicht van de wijzigingen ten opzichte van vorige versies;

e)

het in artikel 5, lid 1, beschreven uitvoeringsplan, bijgewerkt met de laatste gegevens over het project;

f)

de door de Unie toegewezen en uitbetaalde financiële middelen in verband met het project;

g)

de planning voor het project en voor de openbare raadpleging, met duidelijke opgave van datum en plaats van openbare raadplegingen en hoorzittingen, en de onderwerpen die naar verwachting tijdens die hoorzittingen aan de orde gesteld zullen worden;

h)

contactgegevens met het oog op het verkrijgen van aanvullende gegevens of documenten;

i)

contactgegevens met het oog op het toezenden van opmerkingen en bezwaren tijdens de openbare raadplegingen.


Top