EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R2303

Verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 439/2010

PE/61/2021/REV/1

OJ L 468, 30.12.2021, p. 1–54 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2303/oj

30.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 468/1


VERORDENING (EU) 2021/2303 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 december 2021

inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 439/2010

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, leden 1 en 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van het asielbeleid van de Unie bestaat erin een gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS) te ontwikkelen en tot stand te brengen, dat in overeenstemming is met de waarden en de humanitaire traditie van de Unie en waaraan het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid ten grondslag ligt.

(2)

Een gemeenschappelijk asielbeleid, gestoeld op de volledige en niet-restrictieve toepassing van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, is een wezenlijk aspect van de doelstelling van de Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen, die openstaat voor onderdanen van derde landen of staatlozen die om internationale bescherming in de Unie verzoeken.

(3)

Het GEAS is gebaseerd op gemeenschappelijke minimumnormen voor procedures inzake internationale bescherming, erkenning en bescherming op Unieniveau en voor opvangvoorzieningen en behelst een systeem voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Ondanks de vooruitgang die op het gebied van het GEAS is geboekt, zijn er tussen de lidstaten nog aanzienlijke verschillen wat betreft het verlenen van internationale bescherming en de vorm van dergelijke internationale bescherming. Deze verschillen moeten worden aangepakt door meer lijn te brengen in de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming en door in de hele Unie een uniform niveau van toepassing van het Unierecht, op basis van hoge beschermingsnormen, te garanderen.

(4)

In haar mededeling van 6 april 2016 met als titel “Naar een hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en een verbetering van de legale mogelijkheden om naar Europa te komen” heeft de Commissie prioritaire gebieden aangegeven waarop het GEAS structureel dient te worden verbeterd, namelijk het tot stand brengen van een duurzaam en billijk stelsel voor het vaststellen van de voor asielzoekers verantwoordelijke lidstaat, het verbeteren van het Eurodac-systeem, het zorgen voor grotere convergentie van het asielsysteem van de Unie, het voorkomen van secundaire bewegingen binnen de Unie en het opstellen van een nieuw mandaat voor het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office — EASO). Die mededeling is in lijn met een oproep van de Europese Raad van 18 februari 2016 om vooruitgang te boeken wat betreft de hervorming van het bestaande kader van de Unie teneinde een humaan, rechtvaardig en doeltreffend asielbeleid te garanderen. Voorts worden in die mededeling vervolgstappen voorgesteld overeenkomstig de holistische aanpak van migratie die het Europees Parlement heeft uiteengezet in zijn initiatiefverslag van 12 april 2016 met als titel “De situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie”.

(5)

Het EASO werd opgericht bij Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) en is zijn werkzaamheden op 1 februari 2011 begonnen. Het EASO bevordert de praktische samenwerking tussen de lidstaten inzake asielgerelateerde aangelegenheden en ondersteunt de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van het GEAS. Het EASO biedt ook ondersteuning aan lidstaten waarvan de asiel- en opvangstelsels onder bijzondere druk staan. De rol en functie ervan dienen echter verder te worden versterkt, teneinde niet alleen de praktische samenwerking tussen de lidstaten te ondersteunen, maar ook te zorgen voor versterking van de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten en bij te dragen aan de doeltreffende werking van die stelsels.

(6)

Gezien de structurele zwaktes van het GEAS, die aan het licht zijn gekomen door de grootschalige en ongecontroleerde aankomst van migranten en asielzoekers in de Unie, en de behoefte aan een efficiënte, hoogwaardige en uniforme toepassing van het Unierecht inzake asiel in de lidstaten, moeten de uitvoering en de werking van het GEAS worden verbeterd, door voort te bouwen op de werkzaamheden van het EASO en het verder te ontwikkelen tot een volwaardig agentschap. Een dergelijk agentschap moet een expertisecentrum zijn met betrekking tot asiel. Het moet de werking van het GEAS faciliteren en verbeteren door het coördineren en bevorderen van de praktische samenwerking en informatie-uitwisseling inzake asiel tussen de lidstaten, door het bevorderen van het Unie- en het internationale asielrecht en operationele normen om een hoge mate van uniformiteit te waarborgen op basis van hoge beschermingsnormen wat betreft procedures voor internationale bescherming, opvangvoorzieningen en de beoordeling van de beschermingsbehoeften in de Unie, door het bevorderen van oprechte en daadwerkelijke solidariteit tussen de lidstaten om de betrokken lidstaten in het algemeen en verzoekers om internationale bescherming in het bijzonder bij te staan en in overeenstemming met artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin wordt bepaald dat toepasselijke Uniehandelingen op dit gebied passende maatregelen dienen te bevatten om uitvoering te geven aan het solidariteitsbeginsel, om op duurzame wijze toepassing te geven aan de voorschriften van de Unie om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en om convergentie mogelijk te maken bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming in de Unie, door het monitoren van de operationele en technische toepassing van het GEAS, door het ondersteunen van de lidstaten bij hervestiging en de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) en door het bieden van operationele en technische bijstand aan lidstaten voor het beheer van hun asiel- en opvangstelsels, met name wanneer deze onder onevenredige druk staan.

(7)

De taken van het EASO moeten worden uitgebreid, en om die veranderingen te weerspiegelen moet het EASO vervangen en opgevolgd worden door een agentschap met als naam het Asielagentschap van de Europese Unie (het “Agentschap”), waarbij volledige continuïteit van alle activiteiten en procedures gewaarborgd moet zijn.

(8)

Om te waarborgen dat het Agentschap onafhankelijk is en zijn taken naar behoren kan vervullen, moet het over voldoende financiële en personele middelen kunnen beschikken, waaronder voldoende eigen personeel om deel uit te maken van asielondersteuningsteams en deskundigenteams voor de uitvoering van het monitoringmechanisme uit hoofde van deze verordening.

(9)

Het Agentschap moet nauw samenwerken met de voor asiel en immigratie verantwoordelijke nationale autoriteiten en andere relevante diensten, daarbij gebruikmakend van de capaciteit en de deskundigheid van die autoriteiten en diensten, alsook met de Commissie. De lidstaten moeten samenwerken met het Agentschap om het in staat te stellen zijn mandaat te vervullen. Voor de toepassing van deze verordening is het van belang dat het Agentschap en de lidstaten te goeder trouw handelen en tijdig en nauwgezet informatie uitwisselen. Bij het verstrekken van statistische gegevens moeten te allen tijde de technische en methodologische specificaties zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad (4) in acht worden genomen.

(10)

Het Agentschap moet informatie over de asielsituatie in de Unie verzamelen en analyseren, en over de asielsituatie in derde landen voor zover die gevolgen zouden kunnen hebben voor de Unie. Deze informatieverzameling en -analyse moet het Agentschap in staat stellen de lidstaten actuele informatie over onder andere migratie- en vluchtelingenstromen te verschaffen en mogelijke risico’s voor de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten vast te stellen. Met het oog hierop moet het Agentschap nauw samenwerken met het Europees Grens- en kustwachtagentschap, opgericht bij Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(11)

In databanken of op webportalen van het Agentschap met betrekking tot juridische ontwikkelingen op het gebied van asiel, waaronder relevante rechtspraak, mogen geen persoonsgegevens opgeslagen respectievelijk gepubliceerd worden, tenzij het Agentschap dergelijke gegevens uit openbare bronnen heeft gehaald.

(12)

Het Agentschap moet verbindingsfunctionarissen naar de lidstaten kunnen uitzenden om samenwerking te bevorderen en als schakel te fungeren tussen het Agentschap en de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten of andere relevante diensten. De verbindingsfunctionarissen moeten de communicatie tussen de betrokken lidstaat en het Agentschap bevorderen en relevante informatie van het Agentschap delen met de betrokken lidstaat. Zij moeten het verzamelen van informatie ondersteunen en een bijdrage leveren aan het bevorderen van de toepassing en tenuitvoerlegging van het Unierecht inzake asiel, waaronder met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten. De verbindingsfunctionarissen moeten regelmatig verslag aan de uitvoerend directeur van het Agentschap uitbrengen over de asielsituatie in de lidstaten, en met deze verslagen moet rekening worden gehouden bij de toepassing van het monitoringmechanisme uit hoofde van deze verordening. Indien de bedoelde verslagen aanleiding geven tot bezorgdheid over een of meer van deze aspecten die voor de betrokken lidstaat relevant zijn, moet de uitvoerend directeur die lidstaat daarvan onverwijld in kennis stellen.

(13)

Het Agentschap moet de lidstaten de noodzakelijke ondersteuning bieden bij de uitvoering van hun taken en verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 604/2013.

(14)

Het Agentschap moet de lidstaten op hun verzoek de noodzakelijke ondersteuning op het gebied van hervestiging kunnen bieden. Hiertoe moet het Agentschap deskundigheid ontwikkelen en aanbieden op het gebied van hervestiging ter ondersteuning van acties van de lidstaten op het gebied van hervestiging.

(15)

Het Agentschap moet de lidstaten ondersteuning bieden bij de opleiding van deskundigen van alle nationale overheidsdiensten, rechterlijke instanties en nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor asielkwesties, onder meer door een Europees asielcurriculum te ontwikkelen. De lidstaten moeten passende opleidingen ontwikkelen op basis van het Europese asielcurriculum, teneinde beste praktijken en gemeenschappelijke normen met betrekking tot de toepassing van het Unierecht inzake asiel te bevorderen. In dit verband moeten de lidstaten de belangrijkste onderdelen van het Europese asielcurriculum in hun eigen opleidingen integreren. Het is belangrijk dat die kernonderdelen betrekking hebben op aspecten in verband met het bepalen of verzoekers in aanmerking komen voor internationale bescherming, op gesprekstechnieken en op het beoordelen van bewijs. Voorts moet het Agentschap controleren en, indien noodzakelijk, erop toezien dat alle deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams of de asielreservepool die wordt opgericht uit hoofde van deze Verordening (de “asielreservepool”), vóór hun deelname aan door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten de noodzakelijke opleiding krijgen.

(16)

Het Agentschap moet zorgen voor een meer gestructureerde, geactualiseerde en gestroomlijnde productie van informatie over relevante derde landen op het niveau van de Unie. Het Agentschap moet relevante informatie verzamelen en verslagen met informatie over landen opstellen. Hiertoe moet het Agentschap Europese netwerken inzake informatie over derde landen oprichten en beheren om overlapping te voorkomen en synergie met de nationale verslagen tot stand te brengen. Het is noodzakelijk dat de informatie over derde landen onder meer betrekking heeft op de politieke, religieuze en veiligheidssituatie en op mensenrechtenschendingen, waaronder marteling en mishandeling, in het betreffende derde land.

(17)

Ter bevordering van de convergentie bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming en naar de aard van de geboden bescherming, moet het Agentschap samen met de lidstaten een gemeenschappelijke analyse over de situatie in specifieke landen van herkomst (de “gemeenschappelijke analyse”) en richtsnoeren ontwikkelen. De gemeenschappelijke analyse moet bestaan uit een beoordeling van de situatie in de betreffende landen van herkomst op basis van informatie over het land van herkomst. De richtsnoeren moeten gebaseerd zijn op een interpretatie van die door het Agentschap en de lidstaten ontwikkelde gemeenschappelijke analyse. Bij het ontwikkelen van de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren moet het Agentschap rekening houden met de meest recente richtsnoeren van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) voor de beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van asielzoekers uit specifieke landen van herkomst, en moet het rekening kunnen houden met andere relevante bronnen. Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om te besluiten op individuele verzoeken om internationale bescherming, moeten de lidstaten bij het beoordelen van verzoeken om internationale bescherming van personen uit derde landen rekening houden met gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren die overeenkomstig deze verordening zijn opgesteld voor het betreffende derde land.

(18)

Het Agentschap moet de Commissie ondersteuning bieden en moet in staat zijn de lidstaten bij te staan door informatie over en een analyse van derde landen te verstrekken met betrekking tot de begrippen “veilig land van herkomst” en “veilig derde land”. Wanneer het Agentschap dergelijke informatie en een dergelijke analyse verstrekt, moet het overeenkomstig deze verordening verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad.

(19)

Om te zorgen voor een hoge mate van uniformiteit op basis van hoge beschermingsnormen met betrekking tot procedures voor internationale bescherming, opvangvoorzieningen en de beoordeling van beschermingsbehoeften in de Unie, moet het Agentschap activiteiten ter bevordering van de correcte en doeltreffende uitvoering van het Unierecht inzake asiel organiseren en coördineren door middel van niet-bindende instrumenten. Daartoe moet het Agentschap operationele normen en indicatoren ontwikkelen, alsook richtsnoeren inzake asielkwesties. Het Agentschap moet de uitwisseling van beste werkwijzen tussen de lidstaten mogelijk maken en bevorderen.

(20)

Het Agentschap moet, in nauwe samenwerking met de Commissie en onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie als hoedster van de Verdragen, de operationele en technische toepassing van het GEAS met als doel mogelijke tekortkomingen van de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten vast te stellen of te voorkomen, en om hun capaciteit en paraatheid tot beheersing van situaties van onevenredige druk te beoordelen teneinde de doeltreffendheid van die stelsels te vergroten (het “monitoringmechanisme”). Het monitoringmechanisme moet omvattend zijn en het moet mogelijk zijn de monitoring te baseren op informatie die de betrokken lidstaat heeft verstrekt, de opgestelde analyse van informatie over de asielsituatie door het Agentschap, bezoeken ter plaatse, waaronder op korte termijn, steekproeven, en informatie van intergouvernementele organisaties of organen, in het bijzonder de UNHCR, en andere relevante organisaties op basis van hun deskundigheid. De uitvoerend directeur moet ervoor zorgen dat de betrokken lidstaat kan reageren op de ontwerpbevindingen van een monitoringexercitie die wordt verricht als onderdeel van het monitoringmechanisme en, vervolgens, op de ontwerpaanbevelingen. De uitvoerend directeur moet de ontwerpaanbevelingen in overleg met de Commissie opstellen. Na rekening te hebben gehouden met de opmerkingen van de betrokken lidstaat moet de uitvoerend directeur de raad van bestuur de bevindingen van de monitoringexercitie en de ontwerpaanbevelingen voorleggen met daarin de maatregelen die de betrokken lidstaat, in voorkomend geval met ondersteuning van het Agentschap, moet nemen teneinde eventuele tekortkomingen of problemen op het gebied van capaciteit of paraatheid aan te pakken. In de ontwerpaanbevelingen moet worden aangegeven binnen welke termijn die maatregelen moeten worden genomen. De raad van bestuur moet de aanbevelingen goedkeuren. De betrokken lidstaat moet voor de uitvoering van de aanbevelingen ondersteuning van het Agentschap kunnen vragen en kan om specifieke financiële steun van de relevante financiële instrumenten van de Unie verzoeken.

(21)

De monitoringexercitie moet plaatsvinden in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat, waaronder, indien noodzakelijk, bezoeken ter plaatse en steekproeven. Het is passend dat steekproeven een selectie van positieve en negatieve besluiten omvat die betrekking hebben op een bepaalde periode en relevant zijn voor het aspect van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat wordt gemonitord. Het is passend steekproeven te stoelen op objectieve indicaties, zoals erkenningspercentages. Het nemen van steekproeven doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te besluiten op individuele verzoeken om internationale bescherming en moet plaatsvinden met volledige inachtneming van het beginsel van vertrouwelijkheid.

(22)

Om de monitoringexercitie op specifieke elementen van het GEAS toe te spitsen, moet het Agentschap de mogelijkheid hebben om thematische of specifieke aspecten van het GEAS te monitoren. Indien het Agentschap een monitoringexercitie over thematische of specifieke aspecten van het GEAS opstart, moet het erop toezien dat die thematische of specifieke monitoring betrekking heeft op alle lidstaten. Om echter te voorkomen dat het Agentschap dubbel werk verricht, zou het niet passend zijn een lidstaat aan een monitoringexercitie over thematische of specifieke aspecten van het GEAS te onderwerpen in een jaar waarin de operationele en technische toepassing van alle aspecten van het GEAS van die lidstaat wordt gemonitord.

(23)

Als de betrokken lidstaat niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen neemt om uitvoering te geven aan de door de raad van bestuur goedgekeurde aanbevelingen en daarmee de vastgestelde tekortkomingen in zijn asiel- en opvangstelsel of problemen op het gebied van capaciteit of paraatheid niet aanpakt, met ernstige gevolgen voor de werking van het GEAS, moet de Commissie op basis van een eigen beoordeling tot deze lidstaat gerichte aanbevelingen aannemen waarin de maatregelen worden vastgesteld die nodig zijn om de situatie te verhelpen, inclusief, indien noodzakelijk, de specifieke maatregelen die het Agentschap moet nemen ter ondersteuning van die lidstaat. Het moet voor de Commissie mogelijk zijn bezoeken ter plaatse aan de lidstaat te organiseren om de uitvoering van de aanbevelingen te controleren. Bij haar beoordeling moet de Commissie de ernst van de vastgestelde tekortkomingen afzetten tegen de gevolgen daarvan voor de werking van het GEAS. Als de lidstaat binnen de in de aanbevelingen gestelde termijn geen uitvoering heeft gegeven aan de aanbevelingen, moet de Commissie een voorstel in kunnen dienen voor een uitvoeringshandeling van de Raad, waarin de maatregelen worden vastgesteld die het Agentschap moet nemen ter ondersteuning van die lidstaat en waarin die lidstaat wordt gelast om bij de uitvoering van die maatregelen met het Agentschap samen te werken.

(24)

Bij het opzetten van deskundigenteams voor het uitvoeren van de monitoringexercitie moet het Agentschap een waarnemer van de UNHCR uitnodigen. De afwezigheid van een dergelijke waarnemer weerhoudt de teams er niet van hun taken uit te voeren.

(25)

Om de goede werking van het GEAS te faciliteren en te bevorderen en de lidstaten bij te staan om aan hun verplichtingen in het kader van het GEAS te voldoen, moet het Agentschap de lidstaten operationele en technische bijstand bieden, met name wanneer hun asiel- en opvangstelsels onder onevenredige druk staan. Dergelijke bijstand moet geboden worden op basis van een operationeel plan en door asielondersteuningsteams in te zetten. Asielondersteuningsteams moeten bestaan uit deskundigen die tot het eigen personeel van het Agentschap behoren, deskundigen van de lidstaten, deskundigen die de lidstaten naar het Agentschap hebben gedetacheerd of andere deskundigen die niet bij het Agentschap in dienst zijn en die beschikken over aantoonbare relevante kennis en ervaring die aansluit op de operationele behoeften. Het is belangrijk dat het Agentschap alleen gebruik maakt van dergelijke andere deskundigen als het de juiste en tijdige uitvoering van zijn taken niet op andere wijze kan waarborgen vanwege een gebrek aan beschikbare deskundigen van de lidstaten of eigen personeel.

(26)

De asielondersteuningsteams moeten de lidstaten met operationele en technische maatregelen kunnen bijstaan, onder meer door het ter beschikking stellen van deskundigheid inzake de identificatie en registratie van onderdanen van derde landen, tolkdiensten en informatie over landen van herkomst en inzake de behandeling en het beheer van asielzaken, door de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming te ondersteunen en door bij te staan bij de herplaatsing of overbrenging van personen die om internationale bescherming verzoeken of personen die internationale bescherming genieten. Regelingen voor de asielondersteuningsteams moeten in deze verordening worden neergelegd, om te waarborgen dat zij doeltreffend kunnen worden ingezet.

(27)

De deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams moeten de noodzakelijke opleiding met betrekking tot hun taken en functies hebben afgerond om aan operationele activiteiten te kunnen deelnemen. Het Agentschap moet deze deskundigen, indien noodzakelijk en voorafgaand aan of op het moment dat zij worden ingezet, een opleiding bieden die toegespitst is op de operationele en technische bijstand die in de betrokken lidstaat (de “gastlidstaat”) wordt geboden. Om als deskundigen deel uit te kunnen maken van asielondersteuningsteams die betrokken zullen zijn bij het faciliteren van de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, is het van belang dat zij kunnen aantonen dat zij over ten minste één jaar relevante ervaring beschikken.

(28)

Om ervoor te zorgen dat er voor asielondersteuningsteams voldoende deskundigen beschikbaar zijn en om te waarborgen dat de asielondersteuningsteams indien nodig onmiddellijk inzetbaar zijn, moet de asielreservepool worden opgericht. De asielreservepool moet bestaan uit een reserve van ten minste 500 deskundigen uit de lidstaten.

(29)

Wanneer het asiel- en opvangstelsel van een lidstaat onder onevenredige druk staat, moet het Agentschap die lidstaat op verzoek van die lidstaat of op eigen initiatief en met instemming van die lidstaat bijstand kunnen bieden door een uitgebreide reeks maatregelen te nemen, waaronder door deskundigen van de asielreservepool in te zetten.

(30)

Om een situatie verhelpen waarin het asiel- of opvangstelsel van een lidstaat niet meer doeltreffend functioneert zodanig dat dit ernstige gevolgen heeft voor de werking van het GEAS en waarin dat asiel- of opvangstelsel onder onevenredige druk staat die gepaard gaat met een uitzonderlijk grote en dringende beroep op dat stelsel, en de betrokken lidstaat onvoldoende maatregelen neemt om die druk te verminderen, waaronder het niet om operationele of technische bijstand verzoeken of het niet ingaan op het initiatief van het Agentschap om bijstand te verlenen, of geen uitvoering geeft aan de aanbevelingen van de Commissie naar aanleiding van een monitoringexercitie, moet de Commissie bij de Raad een voorstel voor een uitvoeringshandeling kunnen indienen tot vaststelling van de maatregelen die door het Agentschap moeten worden genomen en waarin de betrokken lidstaat gelast wordt bij de uitvoering van die maatregelen samen te werken met het Agentschap. De bevoegdheid om een dergelijke uitvoeringshandeling vast te stellen moet aan de Raad worden toegekend vanwege de potentieel politiek gevoelige aard van de te nemen maatregelen en vanwege de mogelijke gevolgen die dergelijke maatregelen kunnen hebben voor de taken van de nationale autoriteiten. Het Agentschap moet op basis van die uitvoeringshandeling kunnen optreden ter ondersteuning van een lidstaat waarvan het asiel- of opvangstelsel van die lidstaat niet meer doeltreffend functioneert zodanig dat dit ernstige gevolgen heeft voor de werking van het GEAS. Dergelijk optreden door het Agentschap laat door de Commissie geïnitieerde inbreukprocedures onverlet.

(31)

Om ervoor te zorgen dat de asielondersteuningsteams, waaronder deskundigen die zijn ingezet uit de asielreservepool, hun taken doeltreffend met de noodzakelijke middelen kunnen uitvoeren, moet het Agentschap zelf over de mogelijkheid beschikken technische uitrusting aan te schaffen of te huren. Dit mag evenwel geen afbreuk doen aan de verplichting van gastlidstaten om het Agentschap de faciliteiten en uitrusting ter beschikking te stellen die het nodig heeft om de noodzakelijke operationele en technische bijstand te kunnen bieden. Voorafgaand aan elke aanschaf of huur van uitrusting moet het Agentschap een grondige behoefteanalyse en kosten-batenanalyse verrichten.

(32)

Het Agentschap moet ten behoeve van lidstaten waarvan de asiel- en opvangstelsels, met name als gevolg van hun ligging of demografische situatie, onder specifieke en onevenredige druk staan, solidariteitsmaatregelen in de Unie ondersteunen en zijn taken en verplichtingen uit te voeren op het gebied van herplaatsing of overbrenging van personen die in de Unie om internationale bescherming verzoeken of internationale bescherming genieten en er daarbij op toezien dat geen misbruik wordt gemaakt van asiel- en opvangstelsels.

(33)

Wanneer een lidstaat op bepaalde als hotspotgebieden aan te merken delen van de buitengrenzen specifieke en onevenredige migratie-uitdagingen ondervindt, moet zij het Agentschap om operationele en technische bijstand kunnen verzoeken. In dergelijke gevallen kan de lidstaat rekenen op extra operationele en technische versterking door ondersteuningsteams voor migratiebeheer, bestaande uit deskundigen van de lidstaten die worden ingezet via het Agentschap, het Europees Grens- en kustwachtagentschap en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), opgericht bij Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (6), of andere relevante organen, instanties en agentschappen van de Unie, alsook deskundigen die tot het personeel behoren van het Agentschap en het Europees Grens- en kustwachtagentschap om deze uitdagingen aan te pakken. Het is passend dat het Agentschap de Commissie ondersteunt bij de coördinatie tussen de verschillende organen, instanties en agentschappen van de Unie ter plaatse.

(34)

In hotspotgebieden werken de lidstaten samen met bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie, één en ander gecoördineerd door de Commissie. Organen, instanties en agentschappen van de Unie moeten handelen binnen hun respectieve mandaten en bevoegdheden. De Commissie moet er, in samenwerking met de bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie, voor zorgen dat de activiteiten in hotspotgebieden in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.

(35)

Voor de vervulling van zijn mandaat en voor zover dit voor de vervulling van zijn taken nodig is, moet het Agentschap, op terreinen die onder deze verordening vallen, samenwerken met organen, instanties en agentschappen van de Unie, en met name met de organen, instanties en agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, in het kader van werkafspraken die overeenkomstig het Unierecht en beleid tot stand zijn gekomen. Die werkafspraken moeten vooraf door de Commissie worden goedgekeurd.

(36)

Het is van belang dat het Agentschap samenwerkt met het Europees migratienetwerk dat is opgezet bij Beschikking 2008/381/EG van de Raad (7), om synergie te waarborgen en overlapping van activiteiten te vermijden.

(37)

Het Agentschap moet op terreinen die onder deze verordening vallen samenwerken met internationale organisaties, en met name met de UNHCR, in het kader van werkafspraken, om gebruik te kunnen maken van hun deskundigheid en steun. Daartoe moet de rol van de UNHCR en andere internationale organisaties op dit gebied ten volle worden erkend en moeten deze organisaties bij de werkzaamheden van het Agentschap worden betrokken. Die werkafspraken moeten vooraf door de Commissie worden goedgekeurd.

(38)

Het Agentschap moet de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen faciliteren op terreinen die verband houden met zijn activiteiten en in de mate die nodig is voor de uitvoering van zijn taken. Het Agentschap moet ook kunnen samenwerken met de autoriteiten van derde landen op terreinen die onder deze verordening vallen in het kader van werkafspraken die vooraf door de Commissie worden goedgekeurd. Het Agentschap moet handelen overeenkomstig het externe Uniebeleid, en het is passend dat het zijn externe activiteiten in een bredere strategische samenwerking met derde landen integreert. Het valt in geen geval binnen het mandaat van het Agentschap een autonoom extern beleid ontwikkelen. Bij de samenwerking met derde landen moeten het Agentschap en de lidstaten de grondrechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) eerbiedigen, en de normen en maatstaven in acht nemen die deel uitmaken van het Unierecht, ook wanneer de activiteiten op het grondgebied van derde landen plaatsvinden.

(39)

Het Agentschap moet deskundigen van zijn eigen personeel als verbindingsfunctionarissen naar relevante derde landen kunnen uitzenden om de samenwerking met derde landen te faciliteren op gebieden die verband houden met asiel. Voorafgaand aan de uitzending van verbindingsfunctionarissen moet het Agentschap de mensenrechtensituatie in het betrokken land beoordelen, teneinde zich ervan te vergewissen dat dat land zich aan de onaantastbare mensenrechtennormen houdt.

(40)

Het Agentschap moet een nauwe dialoog onderhouden met het maatschappelijk middenveld, teneinde informatie uit te wisselen en kennis op het gebied van asiel te bundelen. Het Agentschap moet een adviesforum oprichten dat fungeert als mechanisme voor het uitwisselen van informatie en het delen van kennis op het gebied van asiel. Het adviesforum moet de uitvoerend directeur en de raad van bestuur adviseren op terreinen die onder deze verordening vallen. Het is van belang dat het adviesforum op zodanige wijze wordt samengesteld en een zodanige omvang heeft dat het zijn activiteiten doeltreffend kan uitvoeren, en dat het Agentschap het adviesforum voldoende personele en financiële middelen ter beschikking stelt.

(41)

Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen, zoals erkend in het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder in het Handvest. Alle activiteiten van het Agentschap moeten worden uitgevoerd met volledige eerbiediging van die grondrechten en beginselen, met name het recht op asiel, het beginsel van non-refoulement, het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, waaronder het recht op gezinshereniging krachtens het Unierecht, de rechten van het kind, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces. De rechten van het kind en de speciale behoeften van personen in een kwetsbare situatie moeten altijd in aanmerking worden genomen. Daarom moet het Agentschap bij de uitvoering van zijn werkzaamheden handelen in het belang van het kind, in overeenstemming met het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind, en terdege rekening houden met het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, met veiligheids- en beveiligingsoverwegingen en met de opvattingen van de minderjarige in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en maturiteit.

(42)

Wanneer de operationele en technische bijstand die het Agentschap verleent betrekking heeft op personen die in een kwetsbare situatie verkeren, moet die bijstand aangepast zijn aan de situatie van die personen, in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht en het nationale recht inzake asiel.

(43)

Het Agentschap moet een grondrechtenstrategie ontwikkelen en toepassen om de bescherming van grondrechten te monitoren en te waarborgen.

(44)

Er moet een onafhankelijke grondrechtenfunctionaris worden benoemd die erop toeziet dat het Agentschap bij zijn activiteiten de grondrechten eerbiedigt en die de eerbiediging van de grondrechten binnen het Agentschap bevordert in overeenstemming met het Handvest, onder meer door een voorstel te doen voor een grondrechtenstrategie van het Agentschap en door de toepassing daarvan te garanderen, alsook door klachten te behandelen die het Agentschap in het kader van de klachtenregeling van het Agentschap ontvangt. Daartoe is het van belang dat het Agentschap de grondrechtenfunctionaris toereikende middelen en personeel ter beschikking stelt in overeenstemming met zijn mandaat en de omvang van zijn takenpakket.

(45)

Het Agentschap moet onder de verantwoordelijkheid van de grondrechtenfunctionaris een klachtenregeling ontwikkelen. De klachtenregeling heeft tot doel te waarborgen dat het Agentschap bij al zijn activiteiten de grondrechten eerbiedigt. De klachtenregeling moet een administratief mechanisme zijn. De grondrechtenfunctionaris moet worden belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten in overeenstemming met het recht op behoorlijk bestuur. Het is van belang dat de klachtenregeling doeltreffend is en ervoor zorgt dat klachten naar behoren worden opgevolgd. De klachtenregeling laat de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen onverlet, en vormt geen verplichte tussenstap om een dergelijke vorm van beroep te kunnen instellen. De klachtenregeling mag geen mechanisme vormen voor het aanvechten van een besluit van een nationale autoriteit op een individueel verzoek om internationale bescherming. Het is essentieel dat lidstaten in voorkomend geval strafrechtelijk onderzoek verrichten. Om de transparantie en controleerbaarheid te vergroten, moet het Agentschap in zijn jaarverslag over de asielsituatie in de Unie verslag uitbrengen over de klachtenregeling. Het is van belang dat het jaarverslag van het Agentschap over de asielsituatie in de Unie met name informatie bevat over het aantal door het Agentschap ontvangen klachten, de aard van de schendingen van de grondrechten en, waar mogelijk, de betreffende operaties, alsook de follow-upmaatregelen die het Agentschap en de lidstaten hebben genomen.

(46)

De Commissie en de lidstaten moeten in de raad van bestuur van het Agentschap vertegenwoordigd zijn om politiek en beleidstoezicht uit te oefenen op de werkzaamheden ervan. De raad van bestuur moet zorgen voor de algemene aansturing van de activiteiten van het Agentschap en moet erop toezien dat het Agentschap zijn taken uitvoert. Het wordt aangeraden dat de raad van bestuur, indien mogelijk, bestaat uit de operationele hoofden van de asieldiensten van de lidstaten, of hun vertegenwoordigers en dat alle partijen vertegenwoordigd in de raad van bestuur ernaar streven om met het oog op de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken. De raad van bestuur moet beschikken over de noodzakelijke bevoegdheden, met name om de begroting vast te stellen, de uitvoering van de begroting te verifiëren, passende financiële voorschriften vast te stellen, transparante werkprocedures voor de besluitvorming door het Agentschap tot stand te brengen en de uitvoerend directeur en zijn plaatsvervanger te benoemen. Het is passend dat het bestuur en de werking van het Agentschap in overeenstemming zijn met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak voor de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie, zoals vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 19 juli 2012.

(47)

Het Agentschap moet met betrekking tot operationele en technische aangelegenheden onafhankelijk zijn, en het moet juridisch, bestuurlijk en financieel autonoom zijn. Te dien einde is het noodzakelijk en gepast dat het Agentschap een agentschap van de Unie is dat rechtspersoonlijkheid bezit en de bevoegdheden uitoefent die het bij deze verordening worden toegekend.

(48)

Het Agentschap moet over zijn activiteiten verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad.

(49)

Om zijn autonomie te waarborgen, moet het Agentschap een eigen begroting hebben die hoofdzakelijk wordt gefinancierd met een bijdrage van de Unie. De financiering van het Agentschap zal worden overeengekomen met de begrotingsautoriteit zoals bepaald in punt 27 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (8). De begrotingsprocedure van de Unie moet van toepassing zijn op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie. De controle van de rekeningen van het Agentschap moet worden verricht door de Rekenkamer.

(50)

Het is van belang dat in het geconsolideerd jaarverslag van het Agentschap wordt aangegeven welke bedragen aan elk van de activiteiten van het Agentschap zijn uitgegeven.

(51)

Financiële middelen die overeenkomstig deze verordening door het Agentschap ter beschikking worden gesteld in de vorm van subsidies of via delegatieovereenkomsten of contracten mogen niet leiden tot dubbele financiering met andere nationale, Unie- of internationale middelen.

(52)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie (9) moet van toepassing zijn op het Agentschap.

(53)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) moet zonder beperkingen van toepassing zijn op het Agentschap, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (11).

(54)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (12) moet op het Agentschap van toepassing zijn.

(55)

Elke verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap in het kader van deze verordening moet voldoen aan Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (13) en moet de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht nemen. Het Agentschap moet enkel persoonsgegevens verwerken teneinde zijn taken te verrichten op het gebied van het leveren van operationele en technische bijstand aan de lidstaten, van hervestiging, van het faciliteren van de informatie-uitwisseling met de lidstaten, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol of het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), opgericht bij Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad (14), en van het analyseren van informatie over de asielsituatie, voor het uitvoeren van steekproeven ten behoeve van de monitoringexercitie, voor het mogelijk behandelen van verzoeken om internationale bescherming, in het kader van de informatie die wordt vergaard bij de uitvoering van zijn taken in de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden, en voor het verrichten van administratieve taken. Iedere verwerking van persoonsgegevens moet strikt beperkt zijn tot de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor die doeleinden en moet het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Verwerking van bewaarde persoonsgegevens voor andere dan in deze verordening vastgestelde doeleinden, moet verboden worden.

(56)

Alle persoonsgegevens die door het Agentschap worden verwerkt, met uitzondering van die welke voor administratieve doeleinden worden verwerkt, moeten na 30 dagen worden verwijderd. Voor de doeleinden waarvoor het Agentschap in het kader van deze verordening persoonsgegevens verwerkt, is geen langere opslagtermijn noodzakelijk.

(57)

Gevoelige persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te beoordelen of een onderdaan van een derde land voor internationale bescherming in aanmerking komt, moeten uitsluitend worden verwerkt om de behandeling van een verzoek om internationale bescherming te faciliteren, om in een procedure voor internationale bescherming de noodzakelijke ondersteuning te bieden, of met het oog op hervestiging. Deze verwerking moet beperkt zijn tot dat wat strikt noodzakelijk is voor het verrichten van een volledige beoordeling van een verzoek om internationale bescherming in het belang van de indiener van het verzoek.

(58)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (15) is van toepassing op de verwerking door de lidstaten van persoonsgegevens die wordt uitgevoerd bij de toepassing van deze verordening, tenzij die verwerking wordt verricht door bevoegde autoriteiten van de lidstaten met het oog op de voorkoming van, het onderzoek naar, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de uitvoering van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid.

(59)

Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (16) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen of vervolgen van strafbare feiten of de uitvoering van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen van de openbare veiligheid, op grond van deze richtlijn.

(60)

De voorschriften van Verordening (EU) 2016/679 met betrekking tot de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen betreffende de verwerking van persoonsgegevens, met name hun recht op bescherming van hen betreffende persoonsgegevens, dienen met name voor zover het bepaalde sectoren betreft nader te worden gespecificeerd ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de verwerking van de gegevens, het waarborgen van de rechten van betrokkenen en het toezicht op de gegevensbescherming.

(61)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de uitvoering van het GEAS te faciliteren en de werking ervan te bevorderen, om de praktische samenwerking en informatie-uitwisseling inzake asielkwesties tussen de lidstaten te versterken, om het Unierecht inzake asiel en operationele normen te bevorderen om een hoge mate van uniformiteit te garanderen wat betreft procedures inzake internationale bescherming, opvangvoorzieningen en de beoordeling van de beschermingsbehoeften in de Unie, om de operationele en technische toepassing van het GEAS te monitoren en om de lidstaten meer operationele en technische bijstand te bieden voor het beheer van de asiel- en opvangstelsels, met name aan lidstaten waarvan de asiel- en opvangstelsels onder onevenredige druk staan, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(62)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.

(63)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.

(64)

Aangezien Denemarken tot dusver heeft bijgedragen aan de praktische samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van asiel, moet het Agentschap de operationele samenwerking met Denemarken faciliteren. Te dien einde moet een vertegenwoordiger van Denemarken worden uitgenodigd om, zonder stemrecht, deel te nemen aan alle vergaderingen van de raad van bestuur.

(65)

Om zijn functie te vervullen moet het Agentschap openstaan voor deelname van landen die met de Unie overeenkomsten hebben gesloten uit hoofde waarvan zij Unierecht op het onder deze verordening vallende gebied hebben aangenomen en toepassen, met name IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland. Daarom, en gezien het feit dat Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland aan de activiteiten van het EASO deelnemen op basis van regelingen tussen die landen en de Unie betreffende hun deelname aan het EASO, moeten IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland aan de activiteiten van het Agentschap kunnen blijven deelnemen en een bijdrage leveren aan de praktische samenwerking tussen de lidstaten en het Agentschap overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgelegd in bestaande of nieuwe regelingen. Daartoe moet het vertegenwoordigers van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland toegestaan worden als waarnemers deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

(66)

Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de nationale asielautoriteiten om besluiten te nemen op individuele verzoeken om internationale bescherming.

(67)

Deze verordening strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 439/2010. Aangezien het aantal aan te brengen wijzigingen aanzienlijk is, moet die verordening omwille van de duidelijkheid in haar geheel worden vervangen met betrekking tot de lidstaten die door onderhavige verordening gebonden zijn. Het Agentschap dat bij onderhavige verordening wordt opgericht, moet het bij Verordening (EU) nr. 439/2010 opgerichte EASO vervangen en de functies ervan overnemen, en deze laatste verordening moet derhalve worden ingetrokken. Ten aanzien van de door onderhavige verordening gebonden lidstaten moeten verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar onderhavige verordening.

(68)

De bepalingen van deze verordening inzake het mechanisme voor de monitoring van de operationele en technische toepassing van het GEAS zijn onder meer gekoppeld aan het bij Verordening (EU) nr. 604/2013 ingevoerde stelsel voor het bepalen van de voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat. Aangezien het bij die verordening ingevoerde stelsel wellicht verandert, wordt het noodzakelijk geacht de toepassing van die bepalingen uit te stellen tot een latere datum, te weten 31 december 2023.De bepalingen inzake het monitoringmechanisme die betrekking hebben op de vaststelling van aanbevelingen aan de betrokken lidstaat, alsook de bepalingen betreffende situaties van onevenredige druk of de ondoeltreffendheid van de asiel- en opvangstelsels zijn voorts nauwer verbonden met en worden beïnvloed door de verantwoordelijkheidsaspecten van het bij Verordening (EU) nr. 604/2013 ingevoerde stelsel. Aangezien die verordening wellicht vervangen wordt door een nieuwe rechtshandeling waarover momenteel wordt onderhandeld, en gezien het belang van de relevante aspecten van een dergelijke nieuwe rechtshandeling, mogen die bepalingen pas van toepassing zijn vanaf de datum waarop die verordening wordt vervangen, tenzij die verordening reeds vóór 31 december 2023 wordt vervangen, in welk geval die bepalingen met ingang van 31 december 2023 van toepassing moeten zijn.

(69)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd in overeenstemming met artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (17) en heeft op 21 september 2016 advies uitgebracht (18),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

HET ASIELAGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een Asielagentschap van de Europese Unie (het “Agentschap”) opgericht. Het bij Agentschap vervangt en is de opvolger van het bij Verordening (EU) nr. 439/2010 opgerichte Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office — EASO).

2.   Het Agentschap draagt bij tot het waarborgen van de efficiënte en uniforme toepassing van het Unierecht inzake asiel in de lidstaten op een wijze die de grondrechten volledig eerbiedigt. Het Agentschap faciliteert en ondersteunt de activiteiten van de lidstaten bij de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS), onder meer door het mogelijk maken van convergentie bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming in de Unie en door het coördineren en versterken van de praktische samenwerking en informatie-uitwisseling.

Het Agentschap verbetert de werking van het GEAS, onder meer via het in artikel 14 bedoelde monitoringmechanisme en door de lidstaten operationele en technische bijstand te bieden, met name als hun asiel- en opvangstelsels onder onevenredige druk staan.

3.   Het Agentschap is een expertisecentrum uit hoofde van zijn onafhankelijkheid, de wetenschappelijke en technische kwaliteit van de bijstand die het verleent en de informatie die het verzamelt en verspreidt, de transparantie van zijn procedures en werkwijzen, de zorgvuldigheid waarmee het de hem toevertrouwde taken verricht, en de voor de vervulling van zijn mandaat nodige informatietechnologie.

Artikel 2

Taken

1.   Voor de toepassing van artikel 1 voert het Agentschap de volgende taken uit:

a)

faciliteren, coördineren en versterken van de praktische samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten inzake hun asiel- en opvangstelsels;

b)

verzamelen en analyseren van informatie van kwalitatieve en kwantitatieve aard over de asielsituatie en de uitvoering van het GEAS;

c)

ondersteunen van de lidstaten bij de uitvoering van hun taken en verplichtingen in het kader van het GEAS;

d)

ondersteunen van de lidstaten bij de opleiding van en, in voorkomend geval, het bieden van opleiding aan deskundigen uit de lidstaten van alle nationale overheidsdiensten, rechterlijke instanties en nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor asielzaken, onder meer door een Europees asielcurriculum te ontwikkelen;

e)

opstellen en regelmatig bijwerken van verslagen en andere documenten die informatie over de situatie in relevante derde landen, waaronder landen van herkomst, bevatten op het niveau van de Unie;

f)

opzetten en coördineren van Europese netwerken voor informatie over derde landen;

g)

organiseren van activiteiten en coördineren van de inspanningen van lidstaten voor het opstellen van een gemeenschappelijke analyse van de situatie in landen van herkomst en richtsnoeren;

h)

verstrekken van informatie over en een analyse van derde landen met betrekking tot het begrip “veilig land van herkomst” en het begrip “veilig derde land” (“de “veilig land”-begrippen”);

i)

bieden van doeltreffende operationele en technische bijstand aan lidstaten, met name wanneer hun asiel- en opvangstelsels onder onevenredige druk staan;

j)

bieden van passende ondersteuning aan lidstaten bij de uitvoering van hun taken en verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 604/2013;

k)

bijstand bieden bij het herplaatsen of overbrengen binnen de Unie van personen die om internationale bescherming verzoeken of internationale bescherming genieten;

l)

opzetten en uitzenden van asielondersteuningsteams;

m)

opzetten van een asielreservepool overeenkomstig artikel 19, lid 6 (de “asielreservepool”);

n)

verkrijgen en inzetten van de noodzakelijke technische uitrusting voor asielondersteuningsteams en inzetten van deskundigen van de asielreservepool;

o)

ontwikkelen van operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen met betrekking tot de uitvoering van het Unierecht inzake asiel;

p)

uitzenden van verbindingsfunctionarissen naar de lidstaten;

q)

monitoren van de operationele en technische toepassing van het GEAS om de lidstaten bij te staan bij het vergroten van de doeltreffendheid van hun asiel- en opvangstelsels;

r)

ondersteunen van de lidstaten in hun samenwerking met derde landen inzake de externe dimensie van het GEAS, onder meer door de inzet van verbindingsfunctionarissen in derde landen;

s)

ondersteunen van de lidstaten bij hun acties inzake hervestiging.

2.   Het Agentschap ontplooit op eigen initiatief communicatieactiviteiten op terreinen die binnen zijn mandaat vallen. Het maakt accurate en omvattende gegevens openbaar over zijn activiteiten. Het Agentschap ontplooit geen communicatieactiviteiten ten nadele van de in lid 1 van dit artikel bedoelde taken. De communicatieactiviteiten worden uitgevoerd onverminderd artikel 65 en in overeenstemming met de relevante communicatie- en verspreidingsplannen die de raad van bestuur heeft vastgesteld.

Artikel 3

Nationale contactpunten voor communicatie

Elke lidstaat wijst ten minste één nationaal contactpunt aan voor de communicatie met het Agentschap over aangelegenheden in verband met de in artikel 2 genoemde taken.

HOOFDSTUK 2

PRAKTISCHE SAMENWERKING EN INFORMATIE INZAKE ASIEL

Artikel 4

Verplichting tot samenwerking te goeder trouw en informatie-uitwisseling

1.   Het Agentschap en de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten en andere relevante diensten werken te goeder trouw samen.

2.   Met het oog op de uitvoering van de in deze verordening bedoelde taken en verplichtingen, en met name met het oog op de uitvoering door het Agentschap van de in artikel 2 bedoelde taken, wisselen het Agentschap en de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en andere relevante diensten tijdig en op nauwgezette wijze alle noodzakelijke informatie uit.

3.   Het Agentschap werkt nauw samen met de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en andere relevante diensten en de Commissie. Het Agentschap voert zijn taken uit onverminderd de aan andere betrokken organen, instanties en agentschappen van de Unie toevertrouwde taken. Het Agentschap werkt samen met deze organen, instanties en agentschappen, intergouvernementele organisaties, in het bijzonder de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR), en andere relevante organisaties als voorzien in deze verordening.

4.   Het Agentschap organiseert, stimuleert en coördineert activiteiten die de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten mogelijk maken, onder meer door poprichting van netwerken voor zover nodig.

5.   Indien de uitvoerend directeur vaststelt dat een lidstaat stelselmatig verzuimt gehoor te geven aan verzoeken van het Agentschap om hem de informatie te verstrekken die het nodig heeft om de in deze verordening bedoelde taken uit te voeren, stelt hij of zij de raad van bestuur en de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 5

Analyse van informatie over de asielsituatie

1.   Het Agentschap verzamelt en analyseert informatie over de asielsituatie in de Unie en in derde landen voor zover die gevolgen zou kunnen hebben voor de Unie, waaronder actuele informatie over onderliggende oorzaken, migratie- en vluchtelingenstromen, de aanwezigheid van niet-begeleide minderjarigen, de totale opvangcapaciteit en hervestigingsbehoeften van derde landen, en de mogelijke toestroom van grote aantallen onderdanen van derde landen die onevenredige druk op de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten zouden kunnen zetten, om de lidstaten tijdige en betrouwbare informatie te kunnen verstrekken en om mogelijke risico’s voor de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten vast te stellen.

Het Agentschap werkt met het oog op de eerste alinea van dit lid nauw samen met het Europees Grens- en kustwachtagentschap en houdt in voorkomend geval rekening met de risicoanalyse die het Europees Grens- en kustwachtagentschap uit hoofde van artikel 29 van Verordening (EU) 2019/1896 verricht, om te garanderen dat er bij de informatie van de het Agentschap en het Europees Grens- en kustwachtagentschap sprake is van maximale consistentie en convergentie.

2.   Het Agentschap baseert zijn analyse op de informatie die wordt verstrekt door met name de lidstaten, relevante instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), alsook de UNHCR, in het bijzonder de verslagen over de mondiale hervestigingsbehoeften van de UNHCR. Het Agentschap kan ook rekening houden met de beschikbare informatie van relevante organisaties op basis van hun deskundigheid.

3.   Het Agentschap zorgt voor een snelle uitwisseling van relevante informatie tussen de lidstaten en met de Commissie. Het legt voorts tijdig en op nauwgezette wijze de resultaten van zijn analyse aan de raad van bestuur voor. Het Agentschap brengt twee keer per jaar verslag uit aan het Europees Parlement over zijn analyse.

Artikel 6

Informatie over de uitvoering van het GEAS

1.   Het Agentschap organiseert, coördineert en stimuleert de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de uitvoering van het Unierecht inzake asiel.

2.   Het Agentschap zet voorts databanken en webportalen inzake asielinstrumenten op Unie-, nationaal en internationaal niveau op, en maakt daarbij met name gebruik van bestaande regelingen. In deze databanken worden geen persoonsgegevens opgeslagen, en deze worden niet openbaar gemaakt op deze webportalen, tenzij het Agentschap deze gegevens uit openbare bronnen heeft verkregen.

3.   De in lid 2 bedoelde databanken en webportalen hebben voor het publiek toegankelijke delen met:

a)

statistieken over verzoeken om internationale bescherming en besluiten van de nationale voor asielkwesties verantwoordelijke autoriteiten;

b)

informatie over het nationale recht en nationale juridische ontwikkelingen op het gebied van asiel, met inbegrip van rechtspraak;

c)

informatie over relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Artikel 7

Verbindingsfunctionarissen in de lidstaten

1.   De uitvoerend directeur wijst uit het personeel van het Agentschap deskundigen aan die als verbindingsfunctionarissen worden ingezet in de lidstaten.

2.   De uitvoerend directeur presenteert in overleg met de betrokken lidstaten een voorstel betreffende de aard en de nadere voorwaarden van de inzet en betreffende de lidstaat of regio waar de verbindingsfunctionaris kan worden ingezet. De uitvoerend directeur kan besluiten dat een verbindingsfunctionaris verantwoordelijk is voor maximaal vier geografisch dicht bij elkaar gelegen lidstaten. Het voorstel van de uitvoerend directeur vergt de goedkeuring van de raad van bestuur.

3.   De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat in kennis van de aanstelling van verbindingsfunctionarissen en bepaalt samen met die lidstaat op welke locatie deze worden ingezet.

4.   De verbindingsfunctionarissen treden namens het Agentschap op en bevorderen de samenwerking en dialoog tussen het Agentschap en de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en andere relevante diensten. De verbindingsfunctionarissen hebben met name tot taak:

a)

op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap en de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en andere relevante diensten;

b)

steun te verlenen aan het verzamelen van de in artikel 5 bedoelde informatie en alle andere informatie die het Agentschap nodig heeft;

c)

bij te dragen a het bevorderen van de toepassing van het Unierecht inzake asiel, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten;

d)

de lidstaten, op verzoek, bij te staan bij de voorbereiding van hun noodplannen voor maatregelen die moeten worden genomen om mogelijke onevenredige druk op hun asiel- en opvangstelsels aan te pakken;

e)

de communicatie tussen de lidstaten, en tussen de betrokken lidstaat en het Agentschap, te bevorderen, en relevante informatie van het Agentschap te delen met de betrokken lidstaat, waaronder informatie over lopende bijstand;

f)

regelmatig verslag uit te brengen aan de uitvoerend directeur over de asielsituatie in de betrokken lidstaat en over de capaciteit van de betrokken lidstaat om zijn asiel- en opvangstelsel doeltreffend te beheren.

Indien de in de eerste alinea, punt f), bedoelde verslagen aanleiding geven tot bezorgdheid over een of meer aspecten die voor de betrokken lidstaat relevant zijn, wordt deze lidstaat daarvan door de uitvoerend directeur onverwijld in kennis gesteld. Met deze verslagen wordt voor de toepassing van het in artikel 14 bedoelde monitoringmechanisme rekening gehouden en ze worden ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaat.

5.   Voor de toepassing van lid 4 onderhouden verbindingsfunctionarissen regelmatig contact met de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en andere relevante diensten, en houden zij een door de betrokken lidstaat aangewezen contactpunt op de hoogte.

6.   Bij de uitvoering van hun taken aanvaarden de verbindingsfunctionarissen uitsluitend instructies van het Agentschap.

Artikel 8

Opleiding

1.   Het Agentschap organiseert, ontwikkelt en toetst opleidingen voor zijn eigen personeel, het personeel van relevante nationale overheidsdiensten en rechterlijke instanties, alsook van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor asiel en opvang.

2.   Het Agentschap ontwikkelt in lid 1 bedoelde opleidingen in nauwe samenwerking met de lidstaten, en, in voorkomend geval, met het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, opgericht bij Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad (19), alsook met relevante opleidingsinstanties, academische instellingen, verenigingen voor rechtspraak, opleidingsnetwerken en organisaties.

3.   Het Agentschap ontwikkelt een Europees asielcurriculum en houdt daarbij rekening met de bestaande samenwerking in de Unie op het gebied van asiel, teneinde beste werkwijzen en hoge normen bij de toepassing van het Unierecht inzake asiel te bevorderen.

De lidstaten ontwikkelen op basis van het Europees asielcurriculum en op grond van de krachtens het Unierecht inzake asiel op hen rustende verplichtingen passende opleidingen voor hun personeel en integreren de belangrijkste onderdelen van dat curriculum in die opleidingen.

4.   De door het Agentschap geboden opleidingen zijn van hoge kwaliteit en zorgen ervoor dat kernbeginselen en beste werkwijzen worden geïdentificeerd teneinde meer convergentie van administratieve methoden, beslissingen en rechtspraktijken te verzekeren, met volledige inachtneming van de onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties.

Als onderdeel van het Europees asielcurriculum hebben de door het Agentschap aangeboden opleidingen in het bijzonder betrekking op:

a)

internationale en Unienormen inzake grondrechten, en met name de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”), evenals het internationaal en Unierecht inzake asiel, met inbegrip van specifieke juridische aangelegenheden en rechtspraak;

b)

aangelegenheden in verband met de vaststelling of een verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming en de rechten van personen die internationale bescherming genieten;

c)

aangelegenheden in verband met de verwerking van verzoeken om internationale bescherming;

d)

gesprekstechnieken;

e)

beoordeling van bewijs;

f)

relevante rechtspraak van nationale rechterlijke instanties, het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de rechten van de mens, en andere relevante ontwikkelingen op het gebied van het asielrecht;

g)

aangelegenheden inzake vingerafdrukgegevens, met inbegrip van gegevensbeschermingsaspecten, gegevenskwaliteit en gegevensbeveiligingsvereisten;

h)

het gebruik van medische en juridische deskundigenverslagen in de procedure voor internationale bescherming;

i)

aangelegenheden in verband met het opstellen en het gebruik van informatie over derde landen;

j)

opvangvoorzieningen;

k)

aangelegenheden in verband met minderjarigen, in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen, onder meer wat betreft de beoordeling van het belang van het kind, specifieke procedurele waarborgen zoals de eerbiediging van het recht van het kind om te worden gehoord en andere aangelegenheden betreffende de bescherming van kinderen, methoden voor het vaststellen van de leeftijd, en opvangvoorzieningen voor kinderen en gezinnen;

l)

aangelegenheden in verband met verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, verzoekers met bijzondere opvangbehoeften en andere personen die in een kwetsbare positie verkeren, met bijzondere aandacht voor slachtoffers van foltering, slachtoffers van mensenhandel en aanverwante gendergevoelige aangelegenheden;

m)

aangelegenheden in verband met tolken en culturele bemiddeling;

n)

aangelegenheden in verband met hervestiging;

o)

aangelegenheden in verband met de behandeling van herplaatsingsprocedures;

p)

vaardigheden op het gebied van weerbaarheid en stressmanagement, met name voor personeel in een leidinggevende functie.

5.   Het Agentschap biedt algemene, specifieke of thematische opleidingen aan, alsook ad-hocopleidingsactiviteiten, onder meer met gebruikmaking van de “leid de opleiders op”-methodiek en e-learning.

6.   Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om te controleren, en, indien passend, ervoor te zorgen dat de deskundigen, waaronder deskundigen die niet bij het Agentschap in dienst zijn, die deel uitmaken van de asielondersteuningsteams met het oog op hun deelname aan de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten de noodzakelijke opleiding hebben gekregen die relevant is voor hun taken en functies.

Het Agentschap biedt de in de eerste alinea bedoelde deskundigen indien nodig en voorafgaand aan of op het moment dat zij worden ingezet, opleiding aan die toegespitst is op de operationele en technische bijstand die in de betrokken lidstaat (de “gastlidstaat”) wordt geboden.

7.   Het Agentschap kan op het grondgebied van een lidstaat of derde land in samenwerking met die lidstaat of dat derde land opleidingsactiviteiten organiseren.

HOOFDSTUK 3

INFORMATIE EN RICHTSNOEREN TEN AANZIEN VAN LANDEN

Artikel 9

Informatie over derde landen op Unieniveau

1.   Het Agentschap is een centrum voor de verzameling op transparante en onpartijdige wijze van relevante, betrouwbare, objectieve, nauwkeurige en actuele informatie over relevante derde landen, met gebruik van relevante informatie, met inbegrip van specifieke informatie met betrekking tot kinderen, genderspecifieke informatie en gerichte informatie over personen die tot kwetsbare of minderheidsgroepen behoren. Het Agentschap zorgt op Unieniveau voor informatie over relevante derde landen, onder meer thematische aangelegenheden die kenmerkend zijn voor de betreffende derde landen, door het opstellen en regelmatig bijwerken van verslagen en andere documenten daarover.

2.   Het Agentschap doet met name het volgende:

a)

het maakt gebruik van alle relevante informatiebronnen, waaronder informatie die het ontvangt van internationale organisaties, in het bijzonder de UNHCR en andere relevante organisaties, waaronder leden van het in artikel 50 bedoelde adviesforum, de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en de EDEO, alsook door middel van de in artikel 10 bedoelde netwerken en onderzoeksmissies;

b)

het beheert en ontwikkelt een webportaal met het oog op het verzamelen en delen van informatie over relevante derde landen, met een openbaar deel voor algemene gebruikers en een niet-openbaar deel voor gebruikers die werkzaam zijn voor de nationale voor asiel en immigratie verantwoordelijke autoriteiten of enig ander door een lidstaat aangewezen orgaan belast met het onderzoeken van informatie over derde landen;

c)

het ontwikkelt, overeenkomstig de vereisten van het Unierecht inzake asiel, een gemeenschappelijk formaat en een gemeenschappelijke aanpak, waaronder een taakstelling, voor het opstellen van verslagen en het ontwikkelen van andere documenten die op Unieniveau voorzien in informatie over relevante derde landen.

Artikel 10

Europese netwerken inzake informatie over derde landen

1.   Het Agentschap zorgt voor de coördinatie van nationale initiatieven voor het produceren van informatie over derde landen door voor informatie over derde landen netwerken tussen de lidstaten te creëren en te beheren. Bij deze netwerken kunnen, waar passend en per geval, externe deskundigen met relevante deskundigheid van de UNHCR of andere relevante organisaties worden betrokken.

2.   De in lid 1 bedoelde netwerken hebben met name als doel ervoor te zorgen dat de lidstaten:

a)

nationale verslagen, andere documenten en andere relevante informatie over derde landen uitwisselen en bijwerken, onder meer met betrekking tot thematische aangelegenheden;

b)

aan het Agentschap informatieverzoeken voor kunnen leggen en kunnen helpen bij de beantwoording van informatieverzoeken met betrekking tot specifieke feitelijke vragen die uit verzoeken om internationale bescherming kunnen voortkomen, zonder afbreuk te doen aan voorschriften inzake privacy, gegevensbescherming en, zoals neergelegd in het nationale recht, vertrouwelijkheid;

c)

bijdragen aan de ontwikkeling en actualisering van documenten op het niveau van de Unie die informatie bieden over relevante derde landen.

Artikel 11

Gemeenschappelijke analyse over de situatie in landen van herkomst en richtsnoeren

1.   Om te zorgen voor meer convergentie bij de toepassing van de in Richtlijn (EU) 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (20) vastgelegde beoordelingscriteria, coördineert het Agentschap de inspanningen die de lidstaten leveren voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst (de “gemeenschappelijke analyse”) en richtsnoeren ter ondersteuning van de lidstaten bij de beoordeling van relevante verzoeken om internationale bescherming.

Bij het ontwikkelen van de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren houdt het Agentschap rekening met de meest recente UNHCR-richtsnoeren voor de beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van asielzoekers uit specifieke landen van herkomst.

2.   De uitvoerend directeur legt richtsnoeren, na raadpleging van de Commissie, ter goedkeuring voor aan de raad van bestuur. Richtsnoeren gaan vergezeld van de gemeenschappelijke analyse.

3.   Bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming houden de lidstaten rekening met de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren, onverminderd hun bevoegdheid om te besluiten op individuele verzoeken om internationale bescherming.

4.   Het Agentschap ziet erop toe dat de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren op gezette tijden worden geëvalueerd en indien nodig worden bijgewerkt. Deze evaluatie en bijwerking vinden plaats als zich een verandering voordoet in de situatie in een land van herkomst of als er objectieve aanwijzingen zijn dat de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren niet worden gebruikt. Bij iedere dergelijke evaluatie of bijwerking van de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren wordt de Commissie geraadpleegd en is de goedkeuring van de raad van bestuur, als bedoeld in lid 2, vereist.

5.   De lidstaten verstrekken het Agentschap alle relevante informatie die erop duidt dat de gemeenschappelijke analyse en de richtsnoeren moeten worden geëvalueerd of bijgewerkt.

Artikel 12

Informatie en analyses inzake veilige landen van herkomst en veilige derde landen

1.   Het Agentschap kan de lidstaten bijstaan bij de toepassing van de “veilig land”-begrippen overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (21) door informatie en analyses te verstrekken.

2.   Het Agentschap staat de Commissie bij in het kader van haar taken in verband met de “veilig land”-begrippen overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU door informatie en analyses te verstrekken.

3.   Bij het opstellen van de informatie en analyses die het Agentschap uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel verstrekt, neemt het Agentschap de algemene beginselen van artikel 9 in acht.

4.   Het Agentschap dient bij het Europees Parlement en de Raad de informatie en analyses in die het uit hoofde van de leden 1 en 2 verstrekt, zowel op gezette tijden als op verzoek.

HOOFDSTUK 4

OPERATIONELE NORMEN EN RICHTSNOEREN

Artikel 13

Operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen

1.   Het Agentschap organiseert en coördineert activiteiten ten behoeve van een correcte en doeltreffende uitvoering van het Unierecht inzake asiel, onder meer door operationele normen, indicatoren, richtsnoeren of beste werkwijzen inzake asielkwesties te ontwikkelen en voor de uitwisseling van desbetreffende beste werkwijzen tussen de lidstaten te zorgen.

2.   Het Agentschap ontwikkelt op eigen initiatief of op verzoek van de raad van bestuur of de Commissie operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen met betrekking tot de uitvoering van het Unierecht inzake asiel.

3.   Bij het ontwikkelen van de in lid 2 bedoelde operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen raadpleegt het Agentschap de Commissie, de lidstaten en, in voorkomend geval, de UNHCR. Het Agentschap kan tevens, op basis van relevante deskundigheid, intergouvernementele of andere organisaties, alsook verenigingen voor rechtspraak en netwerken van deskundigen raadplegen.

4.   De raad van bestuur stelt de in lid 2 bedoelde operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen vast. Na de vaststelling ervan brengt het Agentschap deze operationele normen, indicatoren, richtsnoeren of beste werkwijzen ter kennis van de lidstaten en de Commissie.

5.   Het Agentschap ondersteunt de lidstaten op hun verzoek bij de toepassing van de in lid 2 bedoelde operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen op hun asiel- en opvangstelsels, door de nodige deskundigheid en operationele en technische bijstand te bieden.

6.   Het Agentschap houdt met het oog op het in artikel 14 bedoelde monitoringsmechanisme rekening met de in lid 2 van dit artikel bedoelde operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen.

HOOFDSTUK 5

MONITORING

Artikel 14

Monitoringmechanisme voor de operationele en technische toepassing van het GEAS

1.   Het Agentschap richt, in nauwe samenwerking met de Commissie, een monitoringmechanisme voor de operationele en technische toepassing van het GEAS in om mogelijke tekortkomingen in de asiel- en opvangstelsels van de lidstaten te voorkomen of te identificeren en om hun capaciteit en paraatheid voor het beheer van situaties van onevenredige druk te beoordelen, teneinde de doeltreffendheid van die stelsels te verbeteren.

2.   De raad van bestuur stelt op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur en in overleg met de Commissie een gemeenschappelijke methodologie vast voor het in dit hoofdstuk beschreven monitoringmechanisme. De gemeenschappelijke methodologie omvat objectieve criteria aan de hand waarvan de monitoring wordt uitgevoerd, een beschrijving van de methoden, processen en instrumenten voor het monitoringmechanisme, zoals praktische regelingen voor bezoeken ter plaatse, met inbegrip van bezoeken op korte termijn, en voorschriften en beginselen voor de oprichting van deskundigenteams.

3.   De monitoring omvat de operationele en technische toepassing van alle aspecten van het GEAS, en met name:

a)

het bij Verordening (EU) nr. 604/2013 ingestelde systeem voor het bepalen van de voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat, de procedures voor internationale bescherming, de toepassing van criteria voor het beoordelen van de beschermingsbehoefte en de aard van de verleende bescherming, onder meer wat betreft de eerbiediging van de grondrechten, de waarborgen ter bescherming van kinderen en de specifieke behoeften van personen die in een kwetsbare positie verkeren;

b)

het beschikbare personeel en de personeelscapaciteit op het gebied van vertaling en vertolking, alsook de personeelscapaciteit om asielzaken efficiënt te behandelen en te beheren, inclusief beroepzaken, onverminderd de rechterlijke onafhankelijkheid en met volledige eerbiediging van de organisatie van de rechterlijke macht in elke lidstaat;

c)

opvangvoorzieningen, -capaciteit, -infrastructuur en -uitrusting, en, voor zover mogelijk, de financiële middelen voor opvang.

4.   De monitoring kan met name worden uitgevoerd op basis van de informatie die de betrokken lidstaat verstrekt, de in artikel 5 bedoelde analyse van informatie over de asielsituatie en steekproeven.

Het Agentschap kan daarnaast rekening houden met de beschikbare informatie van relevante intergouvernementele organisaties of organen, met name de UNHCR, en andere relevante organisaties op basis van hun deskundigheid.

5.   Het Agentschap kan voor de monitoringexercitie bezoeken ter plaatse doen. Het Agentschap doet bezoeken op korte termijn uitsluitend voor de toepassing van artikel 15, lid 2.

6.   De lidstaten verstrekken het Agentschap op zijn verzoek informatie over de in lid 3 bedoelde aspecten van het GEAS.

De lidstaten verstrekken het Agentschap op zijn verzoek informatie over hun noodplannen met maatregelen voor mogelijke situaties van onevenredige druk op hun asiel- of opvangstelsel. Het Agentschap helpt, met instemming van de betrokken lidstaat, de lidstaten bij het opstellen en evalueren van hun noodplannen.

7.   De lidstaten werken samen met het Agentschap, onder meer door de bezoeken ter plaatse die het Agentschap verricht ten behoeve van de monitoringexercitie te faciliteren. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaten ruim van tevoren in kennis van het voornemen om bezoeken ter plaatse te brengen. In het geval van bezoeken op korte termijn stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaat daarvan 72 uur van tevoren in kennis.

Artikel 15

Procedure en follow-up

1.   De raad van bestuur stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur en in overleg met de Commissie, een programma voor de toepassing van het in artikel 14 bedoelde monitoringmechanisme (het “monitoringprogramma”) vast, dat het volgende omvat:

a)

de operationele en technische toepassing van alle aspecten van het GEAS in elke lidstaat, en

b)

thematische of specifieke aspecten van het GEAS met betrekking tot alle lidstaten.

In het monitoringprogramma wordt vastgesteld van welke lidstaat het asiel- en opvangstelsel in een bepaald jaar moet worden gemonitord. In het monitoringprogramma wordt ervoor gezorgd dat iedere lidstaat ten minste eens in de vijf jaar aan monitoring wordt onderworpen.

2.   Indien de in artikel 5 bedoelde analyse van informatie over de asielsituatie aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over de werking van het asiel- of opvangstelsel van een lidstaat, start het Agentschap hetzij op eigen initiatief, in overleg met de Commissie, hetzij op verzoek van de Commissie, een monitoringexercitie op.

3.   De uitvoerend directeur zendt de bevindingen van een monitoringexercitie naar de betrokken lidstaat met een verzoek aan de lidstaat om binnen een maand vanaf de datum van ontvangst van de bevindingen zijn opmerkingen in te dienen, waaronder, in voorkomend geval, een opsomming van zijn behoeften.

4.   De uitvoerend directeur stelt op basis van de in lid 3 bedoelde bevindingen, rekening houdend met de opmerkingen van de betrokken lidstaat en in overleg met de Commissie ontwerpaanbevelingen op. In de ontwerpaanbevelingen worden de maatregelen uiteengezet die de betrokken lidstaat moet nemen, zo nodig met bijstand door het Agentschap, alsook binnen welke termijn de betrokken lidstaat de maatregelen moet hebben genomen die nodig zijn om de bij de monitoringexercitie vastgestelde tekortkomingen of problemen op het gebied van capaciteit en paraatheid aan te pakken. De uitvoerend directeur zendt de ontwerpaanbevelingen naar de betrokken lidstaat. De betrokken lidstaat heeft één maand de tijd, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de ontwerpaanbevelingen om opmerkingen daarbij kenbaar te maken. In de in lid 2 bedoelde gevallen dient de betrokken lidstaat zijn opmerkingen binnen 15 dagen in.

Na met de opmerkingen van de betrokken lidstaat rekening te hebben gehouden, legt de uitvoerend directeur de bevindingen en de ontwerpaanbevelingen aan de raad van bestuur voor. De raad van bestuur stelt de aanbevelingen met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden vast. Het Agentschap stelt het Europees Parlement in kennis van de aanbevelingen. Het Agentschap informeert de Commissie over de uitvoering van de aanbevelingen.

5.   Indien een lidstaat de maatregelen zoals uiteengezet in de aanbevelingen van het Agentschap als bedoeld in lid 4 niet binnen de gestelde termijn uitvoert en dit ernstige gevolgen heeft voor de werking van het GEAS, stelt de Commissie op basis van haar eigen beoordeling aanbevelingen voor deze lidstaat vast, waarin de maatregelen worden vastgesteld die moeten worden genomen om de tekortkomingen te verhelpen en indien nodig specifieke maatregelen die het Agentschap moet nemen ter ondersteuning van de lidstaat.

6.   De Commissie kan, rekening houdend met de ernst van de tekortkomingen, bezoeken ter plaatse aan de betrokken lidstaat organiseren. De Commissie stelt de betrokken lidstaten ruim van tevoren in kennis van het voornemen om bezoeken ter plaatse te brengen.

7.   De betrokken lidstaat brengt verslag uit aan de Commissie over de uitvoering van de in lid 5 van dit artikel bedoelde aanbevelingen binnen de in deze aanbevelingen vastgestelde termijn. Indien de betrokken lidstaat na deze termijn die aanbevelingen niet heeft opgevolgd, kan de Commissie een voorstel indienen voor een uitvoeringshandeling van de Raad overeenkomstig artikel 22, lid 1.

8.   De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad over de eventuele follow-up van haar monitoringexercitie. De Commissie doet de in lid 5 bedoelde aanbevelingen aan het Europees Parlement en de Raad toekomen en informeert hen op gezette tijden over de vooruitgang die de betrokken lidstaat bij de uitvoering van deze aanbevelingen heeft geboekt.

HOOFDSTUK 6

OPERATIONELE EN TECHNISCHE BIJSTAND

Artikel 16

Operationele en technische bijstand door het Agentschap

1.   Het Agentschap verleent operationele en technische bijstand aan een lidstaat overeenkomstig dit hoofdstuk:

a)

op basis van een verzoek van de lidstaat met betrekking tot de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van het GEAS;

b)

op basis van een verzoek van de lidstaat indien zijn asiel- of opvangstelsel onder onevenredige druk staat;

c)

indien de lidstaat met onevenredige migratie-uitdagingen wordt geconfronteerd en om operationele en technische ondersteuning verzoekt via de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer overeenkomstig artikel 21;

d)

op eigen initiatief met instemming van de lidstaat indien het asiel- of opvangstelsel van die lidstaat onder onevenredige druk staat;

e)

indien het Agentschap operationele en technische bijstand verleent overeenkomstig artikel 22.

2.   Het Agentschap organiseert en coördineert, met volledige inachtneming van de grondrechten, de passende operationele en technische bijstand, die kan bestaan uit het nemen van een of meer van de volgende operationele en technische maatregelen:

a)

de lidstaten bijstand bieden bij, in voorkomend geval, de identificatie en registratie van onderdanen van derde landen, in nauwe samenwerking met andere organen, instanties en agentschappen van de Unie;

b)

bijstand verlenen aan de lidstaten bij de ontvangst en de registratie van verzoeken om internationale bescherming;

c)

de behandeling door de bevoegde nationale autoriteiten faciliteren van verzoeken om internationale bescherming, of deze autoriteiten de nodige bijstand verlenen in het kader van de procedure voor internationale bescherming;

d)

gezamenlijke initiatieven van de lidstaten voor de verwerking van verzoeken om internationale bescherming faciliteren;

e)

de informatieverstrekking inzake de procedure voor internationale bescherming ondersteunen;

f)

advies geven over, bijstand verlenen aan, of het coördineren van het opzetten en het beheren van opvangfaciliteiten door de lidstaten, met name wat betreft noodhuisvesting, noodvervoer en medische noodbijstand;

g)

de lidstaten passende ondersteuning bieden bij de uitvoering van hun taken en verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 604/2013;

h)

bijstand verlenen bij het herplaatsen of overbrengen binnen de Unie van verzoekers om internationale bescherming verzoeken of de personen die internationale bescherming genieten;

i)

verlenen van tolkdiensten;

j)

de lidstaten te ondersteunen om ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke waarborgen met betrekking tot de rechten van het kind en kinderbeschermingswaarborgen aanwezig zijn, met name ten aanzien van niet-begeleide minderjarigen;

k)

de lidstaten bijstand verlenen bij het identificeren van verzoekers die bijzondere procedurele waarborgen behoeven, of verzoekers met bijzondere opvangbehoeften, of andere personen in een kwetsbare positie, met inbegrip van minderjarigen, bij het doorverwijzen van deze personen naar de bevoegde nationale autoriteiten voor passende bijstand op basis van nationale maatregelen en bij het verzekeren dat alle noodzakelijke waarborgen voor deze personen aanwezig zijn;

l)

deel uitmaken van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden als bedoeld in Verordening (EU) 2019/1896, in nauwe samenwerking met andere relevante organen, instanties en agentschappen van de Unie;

m)

asielondersteuningsteams inzetten;

n)

in voorkomend geval, technische uitrusting ter beschikking stellen aan asielondersteuningsteams.

3.   Het Agentschap financiert of medefinanciert de in lid 2 beschreven operationele en technische maatregelen uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële voorschriften.

4.   De uitvoerend directeur evalueert het resultaat van de in lid 2 van dit artikel beschreven operationele en technische maatregelen. Binnen 60 dagen na het einde van de toepassing van die maatregelen dient de uitvoerend directeur bij de raad van bestuur gedetailleerde evaluatieverslagen, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris, in overeenkomstig de rapportage- en evaluatieregeling die in operationeel planen is vastgesteld als bedoeld in artikel 18, lid 2, punt k). Het Agentschap verricht een omvattende vergelijkende analyse van die resultaten, die wordt opgenomen in het in artikel 69 bedoelde jaarlijkse verslag over de asielsituatie in de Unie.

Artikel 17

Procedure voor het verlenen van operationele en technische bijstand

1.   De lidstaten richten verzoeken om bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt a), b) of c), tot de uitvoerend directeur. Dergelijke verzoeken beschrijven de situatie en het doel van het verzoek en gaan vergezeld van een gedetailleerde behoeftenbeoordeling en, in voorkomend geval, een beschrijving van de maatregelen die op nationaal niveau reeds zijn genomen.

2.   Indien een lidstaat instemt met de op initiatief van het Agentschap voorgestelde bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt d), legt de betrokken lidstaat aan het Agentschap een gedetailleerde behoeftenbeoordeling voor en, in voorkomend geval, een beschrijving van de maatregelen die op nationaal niveau reeds zijn genomen.

3.   De uitvoerend directeur evalueert en coördineert de verzoeken om bijstand, onder meer inzake de inzet van asielondersteuningsteams, en keurt deze goed. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur onverwijld in kennis van de ontvangst van een verzoek om bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt a), b) of c), of van een voorstel van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d). De uitvoerend directeur beoordeelt de door de betrokken lidstaten op grond van leden 1 en 2 van dit artikel ingediende gedetailleerde behoeftenbeoordelingen.

4.   Het Agentschap onderwerpt elk verzoek om bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt a), b) of c), en elk voorstel om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d), aan een grondige en betrouwbare beoordeling, op basis waarvan het één of meer maatregelen als bedoeld in artikel 16, lid 2, kan bepalen en voorstellen om aan de behoeften van de betrokken lidstaat te voldoen. Indien nodig kan de uitvoerend directeur deskundigen van het Agentschap uitzenden om de situatie in de om bijstand verzoekende lidstaat te beoordelen.

5.   De uitvoerend directeur neemt een besluit over de verstrekking van operationele en technische bijstand, waaronder het inzetten van asielondersteuningsteams:

a)

binnen drie werkdagen na de datum van ontvangst van een verzoek op grond van artikel 16, lid 1, punt a), b) of c), of

b)

binnen drie werkdagen na de datum waarop de betrokken lidstaat instemt met het voorstel van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d).

Indien de uitvoerend directeur deskundigen uitzendt naar de betrokken lidstaat op grond van lid 4, neemt de uitvoerend directeur een besluit als bedoeld in de eerste alinea van dit lid binnen de vijf werkdagen na de datum bedoeld in punt a) of b), naargelang het geval.

De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat en de raad van bestuur, tegelijk met het nemen van het besluit krachtens de eerste alinea, schriftelijk in kennis van zijn besluit, waarbij hij de belangrijkste redenen vermeldt waarop het besluit is gebaseerd.

Artikel 18

Operationeel plan

1.   Indien operationele en technische bijstand moet worden verstrekt, stelt de uitvoerend directeur in samenwerking met de gastlidstaat een operationeel plan op. De uitvoerend directeur en de gastlidstaat komen het operationeel plan overeen:

a)

in het geval van een verzoek op grond van artikel 16, lid 1, punt a), binnen tien werkdagen na de datum waarop een in artikel 17, lid 5, bedoeld besluit wordt genomen;

b)

in het geval van een verzoek op grond van artikel 16, lid 1, punt b), binnen vijf werkdagen na de dag waarop een in artikel 17, lid 5, bedoeld besluit wordt genomen, of

c)

binnen vijf werkdagen na de datum waarop de lidstaat instemt met in een voorstel van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d).

De deelnemende lidstaten worden waar nodig door het Agentschap geraadpleegd over het operationeel plan via de in artikel 24 bedoelde nationale contactpunten.

2.   Een operationeel plan is bindend voor het Agentschap, de gastlidstaat en de deelnemende lidstaten. In het operationeel plan worden in detail de voorwaarden voor het inzetten van asielondersteuningsteams in het kader van de te verstrekken operationele en technische bijstand, alsook organisatorische aspecten, vermeld waaronder:

a)

een beschrijving van de situatie, en de modus operandi en de doelstellingen van de inzet van de asielondersteuningsteams, inclusief de operationele doelstelling;

b)

de verwachte duur van de inzet van de asielondersteuningsteams;

c)

de locatie in de gastlidstaat waar de asielondersteuningsteams worden ingezet;

d)

de logistieke regelingen, met inbegrip van informatie over de arbeidsomstandigheden voor de asielondersteuningsteams;

e)

een gedetailleerde en duidelijke beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van de asielondersteuningsteams, waaronder met betrekking tot grondrechten;

f)

instructies voor de asielondersteuningsteams, waaronder met betrekking tot de nationale en Europese databanken die zij mogen raadplegen en de uitrusting die zij in de gastlidstaat mogen gebruiken of bij zich mogen hebben;

g)

de samenstelling van de asielondersteuningsteams wat het profiel en het aantal deskundigen betreft;

h)

technische uitrusting, inclusief specifieke bepalingen, onder meer met betrekking tot gebruiksvoorwaarden, vervoer en andere logistieke en financiële aspecten;

i)

activiteiten op het gebied van capaciteitsopbouw in verband met de verleende operationele en technische bijstand;

j)

betreffende bijstand in verband met verzoeken om internationale bescherming, onder meer betreffende de behandeling van dergelijke verzoeken, en onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om op individuele verzoeken om internationale bescherming te besluiten, specifieke informatie over de taken die de asielondersteuningsteams mogen verrichten en een duidelijke beschrijving van hun verantwoordelijkheden en van het toepasselijke Unie-, nationale en internationale recht, inclusief de aansprakelijkheidsregeling;

k)

een rapportage- en evaluatieregeling met ijkpunten voor een evaluatieverslag, en de datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag;

l)

in voorkomend geval, de voorwaarden voor de samenwerking met derde landen, andere organen, instanties en agentschappen van de Unie of internationale organisaties binnen hun respectieve mandaten;

m)

maatregelen inzake het doorverwijzen van personen die internationale bescherming behoeven, slachtoffers van mensenhandel, minderjarigen en alle andere personen die in een kwetsbare situatie verkeren naar de bevoegde nationale autoriteiten met het oog op passende bijstand;

n)

praktische regelingen inzake de in artikel 51 bedoelde klachtenregeling.

3.   In lidstaten waar de UNHCR opereert en over de capaciteit beschikt om bij te dragen aan een antwoord op een verzoek om operationele en technische bijstand op grond van artikel 16, lid 1, zorgt het Agentschap wat de uitvoering van het operationeel plan betreft, in voorkomend geval en met de instemming van de betrokken lidstaat, voor coördinatie met de UNHCR.

4.   In het kader van lid 2, punt f), geeft de gastlidstaat deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams toestemming Europese databanken te raadplegen, en kan de gastlidstaat deskundigen toestemming geven zijn nationale databanken te raadplegen overeenkomstig het relevante Unie- en nationale recht inzake toegang tot en raadpleging van deze databanken en mits noodzakelijk met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen en uitvoering van de taken die in het operationele plan zijn vastgelegd.

5.   Voor wijzigingen of aanpassingen van een operationeel plan is de instemming van de uitvoerend directeur en de gastlidstaat vereist, na raadpleging van, indien noodzakelijk, de deelnemende lidstaten. Het Agentschap zendt onmiddellijk een kopie van het gewijzigde of aangepaste operationele plan toe aan de nationale contactpunten van de deelnemende lidstaten als bedoeld in artikel 24.

6.   De uitvoerend directeur besluit, na de gastlidstaat in kennis te hebben gesteld, tot gehele of gedeeltelijke opschorting of beëindiging van de inzet van de asielondersteuningsteams als:

a)

niet langer aan de voorwaarden voor het uitvoeren van operationele en technische maatregelen als bedoeld in artikel 16, lid 2, wordt voldaan;

b)

de gastlidstaat het operationeel plan niet eerbiedigt;

c)

de uitvoerend directeur, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris, van oordeel is dat er sprake is van schendingen door de gastlidstaat van verplichtingen inzake de grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming die ernstig van aard zijn of waarschijnlijk zullen voortduren.

Artikel 19

Samenstelling van asielondersteuningsteams

1.   De uitvoerend directeur bepaalt de samenstelling van ieder asielondersteuningsteam. De asielondersteuningsteams bestaan uit:

a)

deskundigen die tot het eigen personeel van het Agentschap behoren;

b)

deskundigen van de lidstaten;

c)

deskundigen die de lidstaten bij het Agentschap hebben gedetacheerd, of

d)

andere deskundigen die niet bij het Agentschap in dienst zijn.

Bij het bepalen van de samenstelling van de asielondersteuningsteams houdt de uitvoerend directeur rekening met de bijzondere omstandigheden waarmee de betrokken lidstaat wordt geconfronteerd. Een asielondersteuningsteam wordt samengesteld overeenkomstig het desbetreffende operationeel plan.

2.   De raad van bestuur besluit, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, over het profiel van de deskundigen en het totale aantal deskundigen dat aan een asielondersteuningsteam ter beschikking dient te worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in de profielen van de deskundigen en hun totale aantal.

3.   De lidstaten dragen bij aan asielondersteuningsteams door nationale deskundigen aan te wijzen die beantwoorden aan de vereiste profielen, zoals besloten door de raad van bestuur overeenkomstig lid 2.Het aantal deskundigen dat door elke lidstaat voor het komende jaar ter beschikking dient te worden gesteld, wordt bepaald op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de betrokken lidstaat.

Conform de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten stellen de lidstaten hun eigen deskundigen of bij het Agentschap gedetacheerde deskundigen ter beschikking voor inzet op verzoek van het Agentschap. Wanneer een lidstaat echter geconfronteerd wordt met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt, is het niet vereist die deskundigen ter beschikking te stellen.

4.   Het Agentschap draagt bij aan asielondersteuningsteams met deskundigen die tot het eigen personeel behoren, waaronder deskundigen die speciaal voor veldwerk zijn aangesteld en opgeleid en tolken die ten minste een basisopleiding hebben genoten of over aantoonbare ervaring beschikken en die in de gastlidstaten kunnen worden aangeworven, of met andere deskundigen die niet bij het Agentschap in dienst zijn en die over aantoonbare relevante kennis en ervaring beschikken overeenkomstig de operationele behoeften.

5.   Het Agentschap stelt een lijst van tolken op die deel uitmaken van de asielondersteuningsteams. De lidstaten bieden het Agentschap ondersteuning bij het vinden van tolken voor die lijst, waaronder personen die niet voor de nationale overheidsdiensten van de lidstaten werken. De ondersteuning bij vertolking kan worden verleend door het inzetten van tolken in de betrokken lidstaat of, waar passend, per videoconferentie.

6.   Er wordt een asielreservepool van ten minste 500 deskundigen opgezet met het oog op de inzet van asielondersteuningsteams in het kader van verzoeken om bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt b), van voorstellen van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d), en van op grond van artikel 22 door het Agentschap verleende bijstand. Die asielreservepool bestaat uit een reserve van deskundigen die rechtstreeks ter beschikking staan van het Agentschap. Elke lidstaat stelt daartoe aan de asielreservepool het aantal deskundigen ter beschikking dat wordt vermeld in bijlage I. De raad van bestuur besluit, op voorstel van de uitvoerend directeur, met een meerderheid van drie vierde van de stemgerechtigde leden over de profielen van de deskundigen die worden opgenomen in de asielreservepool. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in de profielen van de deskundigen.

7.   De uitvoerend directeur kan nagaan of de door de lidstaten overeenkomstig lid 6 aan de asielreservepool ter beschikking gestelde deskundigen voldoen aan de door de raad van bestuur uit hoofde van dat lid besloten profielen. Voorafgaand aan de inzet kan de uitvoerend directeur een lidstaat verzoeken een deskundige die niet aan het vastgestelde profiel voldoet, uit de asielreservepool te verwijderen en te vervangen door een deskundige die wel aan één van de verlangde profielen voldoet.

8.   Onverminderd artikel 22, lid 5, kan een lidstaat de raad van bestuur schriftelijk verzoeken tijdelijk te worden vrijgesteld van zijn verplichting deskundigen ter beschikking te stellen aan de asielreservepool als hij geconfronteerd wordt met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt en dit blijkt uit de in artikel 5 bedoelde analyse van informatie over de asielsituatie. Een dergelijk verzoek gaat vergezeld van een uitgebreide motivering en informatie over de situatie in die lidstaat. De raad van bestuur besluit met een meerderheid van drie vierde van zijn stemgerechtigde leden of die lidstaat tijdelijk wordt vrijgesteld van een deel van zijn in bijlage I vastgestelde bijdrage.

Artikel 20

Het inzetten van asielondersteuningsteams

1.   Het Agentschap zendt asielondersteuningsteams uit naar de lidstaten om operationele en technische bijstand te bieden uit hoofde van artikel 16, lid 1.

2.   Zodra overeenstemming is bereikt over een operationeel plan overeenkomstig artikel 18, lid 1, of artikel 22, lid 2, verzoekt de uitvoerend directeur de lidstaten om binnen tien werkdagen hun deskundigen in te zetten. Dit verzoek wordt schriftelijk, samen met een kopie van het operationele plan, verstrekt aan de in artikel 24 bedoelde nationale contactpunten, onder vermelding van de voor hun inzet geplande datum.

3.   De uitvoerend directeur zet asielondersteuningsteams uit de asielreservepool in in het kader van verzoeken om bijstand op grond van artikel 16, lid 1, punt b), van voorstellen van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d), en van op grond van artikel 22 door het Agentschap verleende bijstand. De inzet van deskundigen uit de asielreservepool vindt plaats binnen zeven werkdagen na de datum waarop overeenstemming is bereikt over het operationele plan overeenkomstig artikel 18, lid 1, of artikel 22, lid 2.

4.   De lidstaten stellen onverwijld de deskundigen uit de asielreservepool, zoals bepaald door de uitvoerend directeur, ter beschikking voor inzet. De gastlidstaat zet geen deskundigen in die deel uitmaken van zijn vaste bijdrage aan de asielreservepool. Indien er een tekort is aan deskundigen voor inzet in de asielreservepool besluit de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur hoe dat tekort moet worden aangevuld. De uitvoerend directeur stelt dienovereenkomstig het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in kennis.

5.   De duur van de inzet wordt bepaald door de lidstaat van waaruit de deskundige wordt ingezet (de “lidstaat van herkomst”). De duur van de inzet bedraagt ten minste 45 dagen, tenzij de betreffende operationele en technische bijstand voor kortere duur nodig is.

6.   De uitvoerend directeur verzoekt een lidstaat een deskundige uit een asielondersteuningsteam te verwijderen in geval van wangedrag of een inbreuk op de voorschriften die van toepassing zijn op de inzet. In dergelijke gevallen komt de deskundige in kwestie niet meer in aanmerking voor toekomstige inzet.

7.   Het Agentschap stelt via zijn jaarverslag over de asielsituatie in de Unie als bedoeld in artikel 69 het Europees Parlement in kennis van het aantal deskundigen dat overeenkomstig dit artikel aan de asielondersteuningsteams wordt toegewezen en ter beschikking gesteld. Dit verslag bevat een lijst van de lidstaten die in het voorgaande jaar de in artikel 19, lid 3 of lid 8, bedoelde uitzonderlijke situatie hebben ingeroepen. Het bevat eveneens de redenen voor het inroepen van de uitzonderlijke situatie en de door de betrokken lidstaat verstrekte informatie.

Artikel 21

Ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.   Wanneer een lidstaat verzoekt om operationele en technische versterking door ondersteuningsteams voor migratiebeheer uit hoofde van artikel 40 van Verordening (EU) 2019/1896 of wanneer er ondersteuningsteams voor migratiebeheer worden ingezet in hotspotgebieden uit hoofde van artikel 42 van die verordening, werkt de uitvoerend directeur nauw samen met het Europees Grens- en kustwachtagentschap, wanneer hij of zij, overeenkomstig artikel 40, lid 2, van die verordening, in overleg met andere bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie het verzoek van een lidstaat om versterking en de inschatting van de behoeften van die lidstaat beoordeelt, met het oog op de vaststelling van een uitgebreid versterkingspakket bestaande uit diverse door de bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie gecoördineerde activiteiten waarmee de betrokken lidstaat moet instemmen.

2.   De Commissie stelt, in samenwerking met de gastlidstaat en de bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie, de voorwaarden vast voor de samenwerking in het hotspotgebied, en is verantwoordelijk voor de coördinatie van de activiteiten van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer.

3.   De uitvoerend directeur start in de in lid 1 bedoelde gevallen de procedure voor het inzetten van asielondersteuningsteams als onderdeel van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, in voorkomend geval met inbegrip van deskundigen uit de asielreservepool. De operationele en technische versterking die de asielondersteuningsteams bieden in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, kan het volgende omvatten:

a)

bijstand bij de screening van onderdanen van derde landen, met inbegrip van hun identificatie, registratie en, indien de gastlidstaat daarom verzoekt, het nemen van hun vingerafdrukken, en het verstrekken van informatie over het doel van deze procedures;

b)

het verstrekken van eerste informatie aan onderdanen van derde landen die een verzoek om internationale bescherming willen indienen en het doorverwijzen van onderdanen van derde landen naar de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

het verstrekken van informatie aan verzoekers om internationale bescherming over de procedure voor internationale bescherming en, voor zover nodig, over opvangvoorzieningen en over herplaatsing, alsook het verlenen van de nodige bijstand aan verzoekers of potentiële verzoekers die in aanmerking kunnen komen voor herplaatsing;

d)

de registratie van verzoeken om internationale bescherming en, indien de gastlidstaat daarom verzoekt, de facilitering van de behandeling van dergelijke verzoeken.

Artikel 22

Situatie van onevenredige druk op of ondoeltreffendheid van de asiel- en opvangstelsels

1.   De Raad kan, op basis van een voorstel van de Commissie uit hoofde van artikel 15, lid 7, onverwijld door middel van een uitvoeringshandeling een besluit nemen waarin een of meer van de in artikel 16, lid 2, bepaalde maatregelen worden vastgesteld, die het Agentschap moet nemen om een lidstaat te ondersteunen en waarin de lidstaat wordt verplicht samen te werken met het Agentschap bij de uitvoering van die maatregelen, wanneer het asiel- of opvangstelsel van die lidstaat niet meer doeltreffend werkt zodanig dat dit ernstige gevolgen heeft voor de werking van het GEAS en indien:

a)

het asiel- of opvangstelsel van die lidstaat onder onevenredige druk staat waardoor een uitzonderlijk zwaar en dringend beroep op dat stelsel wordt gedaan, en die lidstaat onvoldoende maatregelen treft om die druk te verminderen, door bijvoorbeeld niet om operationele en technische bijstand te verzoeken op grond van artikel 16, lid 1, punt a), b) of c), of door niet in te stemmen met een voorstel van het Agentschap om op eigen initiatief bijstand te verlenen op grond van artikel 16, lid 1, punt d), of

b)

die lidstaat niet voldoet aan de in artikel 15, lid 5, bedoelde aanbeveling van de Commissie.

De Raad zendt het in de eerste alinea bedoelde besluit door aan het Europees Parlement.

2.   De uitvoerend directeur stelt binnen drie werkdagen na de datum van het nemen van een in lid 1 bedoeld besluit van de Raad de details vast van de praktische uitvoering van dat besluit van de Raad. Daarnaast stelt de uitvoerend directeur een operationeel plan op en dient dat in bij de betrokken lidstaat. De uitvoerend directeur en de betrokken lidstaat bereiken binnen drie werkdagen na de datum van indiening overeenstemming over het operationele plan.

3.   Het Agentschap zet de noodzakelijke deskundigen uit de asielreservepool in, evenals deskundigen die tot het eigen personeel van het Agentschap behoren, overeenkomstig artikel 20, lid 3.Het Agentschap kan zo nodig extra asielondersteuningsteams inzetten.

4.   De betrokken lidstaat leeft het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad na. Daartoe verleent die lidstaat zijn medewerking aan het Agentschap en onderneemt hij onmiddellijk de nodige actie voor het faciliteren van de uitvoering van het besluit en de praktische uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in het besluit en het operationele plan, onverminderd zijn bevoegdheid om op individuele verzoeken om internationale bescherming te besluiten.

5.   Voor de toepassing van dit artikel stellen de lidstaten de deskundigen uit de asielreservepool zoals bepaald door de uitvoerend directeur beschikbaar voor inzet en roepen zij de in artikel 19, lid 3 of lid 8, bedoelde uitzonderlijke situatie niet in. De gastlidstaat zet geen deskundigen in die deel uitmaken van zijn vaste bijdrage aan de asielreservepool.

Artikel 23

Technische uitrusting

1.   Onverminderd een verplichting van de gastlidstaat om aan het Agentschap de faciliteiten en uitrusting ter beschikking te stellen die het nodig heeft om de noodzakelijke operationele en technische bijstand te kunnen bieden, kan het Agentschap in de gastlidstaat zijn eigen uitrusting inzetten, ook op verzoek van de gastlidstaat, voor zover dergelijke uitrusting nodig zou zijn voor de asielondersteuningsteams en voor zover deze uitrusting een aanvulling zou vormen op de uitrusting die de gastlidstaat of andere organen, instanties en agentschappen van de Unie al ter beschikking hebben gesteld.

2.   Het Agentschap kan op basis van een besluit van de uitvoerend directeur, in overleg met de raad van bestuur, technische uitrusting aanschaffen of huren. Elke aanschaf of huur van technische uitrusting wordt voorafgegaan door een grondige behoefteanalyse en kosten-batenanalyse. De uitgaven voor dergelijke aanschaf of huur worden opgenomen in de begroting van het Agentschap en overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regels.

3.   Het Agentschap zorgt voor de veiligheid van zijn eigen uitrusting gedurende de gehele levenscyclus van de uitrusting.

Artikel 24

Nationaal contactpunt

Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan dat is belast met de communicatie met het Agentschap over alle aangelegenheden die verband houden met operationele en technische bijstand als bedoeld in de artikelen 16 en 22.

Artikel 25

Coördinerend functionaris van het Agentschap

1.   Het Agentschap garandeert de operationele uitvoering van alle organisatorische aspecten, met inbegrip van de aanwezigheid van personeel van het Agentschap, met betrekking tot de inzet van asielondersteuningsteams gedurende het verstrekken van de operationele en technische bijstand uit hoofde van artikel 16 of 22.

2.   De uitvoerend directeur wijst een of meer deskundigen van het personeel van het Agentschap aan om op te treden of te worden ingezet als coördinerend functionaris ten behoeve van de in lid 1 genoemde doeleinden. De uitvoerend directeur deelt de gastlidstaat mee wie is aangewezen.

3.   De coördinerend functionaris bevordert de samenwerking en coördinatie tussen de gastlidstaat en de deelnemende lidstaten. De coördinerend functionaris heeft met name tot taak:

a)

op te treden als intermediair tussen het Agentschap, de gastlidstaat en de deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams, en namens het Agentschap bijstand te bieden met betrekking tot alle aangelegenheden in verband met de voorwaarden voor de inzet van deskundigen;

b)

toe te zien op de correcte uitvoering van het operationele plan;

c)

namens het Agentschap op te treden inzake alle aspecten van de inzet van asielondersteuningsteams, en aan het Agentschap over al deze aspecten verslag uit te brengen;

d)

aan de uitvoerend directeur verslag uit te brengen indien het operationele plan niet naar behoren wordt uitgevoerd.

4.   De uitvoerend directeur kan de coördinerend functionaris toestemming verlenen om ondersteuning te bieden bij het oplossen van geschillen met betrekking tot de uitvoering van het operationele plan en de inzet van asielondersteuningsteams.

5.   Bij de uitvoering van zijn of haar taken werkt de coördinerend functionaris nauw samen met de bevoegde nationale autoriteiten en aanvaardt hij of zij uitsluitend instructies van de uitvoerend directeur.

Artikel 26

Wettelijke aansprakelijkheid

1.   De gastlidstaat is overeenkomstig zijn nationale recht aansprakelijk voor de schade die de deskundigen die deel uitmaken van een asielondersteuningsteam tijdens hun operaties op zijn grondgebied veroorzaken.

2.   Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag door deskundigen die deel uitmaken van een asielondersteuningsteam, kan de gastlidstaat zich tot de lidstaat van herkomst of het Agentschap wenden met het oog op de terugbetaling van de bedragen die de gastlidstaat aan de benadeelden of hun rechthebbenden op deze bedragen heeft uitgekeerd.

3.   Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden doet elke lidstaat afstand van al zijn vorderingen tegen de gastlidstaat of elke andere lidstaat met betrekking tot de door hem geleden schade, tenzij de schade door grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag is veroorzaakt.

4.   Geschillen tussen lidstaten of tussen een lidstaat en het Agentschap in verband met de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel die niet kunnen worden beslecht door wederzijdse onderhandelingen, worden overeenkomstig artikel 273 VWEU door de betrokkenen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegd.

5.   Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, worden kosten ten gevolge van tijdens de inzet aan de uitrusting van het Agentschap veroorzaakte schade worden gedragen door het Agentschap, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

Artikel 27

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

Tijdens de inzet van een asielondersteuningsteam worden de deskundigen die zijn ingezet, wat betreft tegen of door hen gepleegde strafbare feiten, op dezelfde wijze behandeld als functionarissen van de gastlidstaat.

Artikel 28

Kosten

1.   Het Agentschap draagt de kosten van deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams, en met name:

a)

kosten in verband met de inzet voor reizen van de lidstaat van herkomst naar de gastlidstaat en vice versa, en binnen de gastlidstaat;

b)

vaccinatiekosten;

c)

kosten voor bijzondere verzekeringen;

d)

kosten voor gezondheidszorg;

e)

dagvergoedingen, met inbegrip van verblijfskostenvergoedingen;

f)

kosten in verband met de technische uitrusting van het Agentschap;

g)

honoraria van deskundigen;

h)

kosten voor vervoer, waaronder autohuur, en alle aanverwante kosten, zoals verzekering, brandstof en tol;

i)

telecommunicatiekosten.

2.   De raad van bestuur stelt gedetailleerde regels vast met betrekking tot de betaling van de kosten van deskundigen overeenkomstig lid 1, en werkt deze regels bij waar nodig.

HOOFDSTUK 7

INFORMATIE-UITWISSELING EN GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 29

Systemen voor informatie-uitwisseling

1.   Het Agentschap faciliteert de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie, de lidstaten en, indien van toepassing, de bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie.

2.   Het Agentschap ontwikkelt en beheert, in samenwerking met het bij Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad (22) ingestelde Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), een informatiesysteem waarmee de in lid 1 van dit artikel bedoelde actoren gerubriceerde informatie overeenkomstig Besluit 2013/488/EU (23) van de Raad en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (24).en persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 31 en 32 van deze verordening kunnen uitwisselen

Artikel 30

Gegevensbescherming

1.   Het Agentschap past bij de verwerking van persoonsgegevens Verordening (EU) 2018/1725 toe.

2.   De raad van bestuur treft maatregelen voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door het Agentschap, onder meer betreffende de benoeming van de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap. Deze maatregelen worden getroffen na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

3.   Onverminderd de artikelen 31 en 32 kan het Agentschap voor noodzakelijke administratieve doelen persoonsgegevens met betrekking tot personeel verwerken.

4.   De doorgifte van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens en de verdere overdracht van in het kader van deze verordening verwerkte persoonsgegevens door lidstaten aan de autoriteiten van derde landen of aan derden, met inbegrip van internationale organisaties, zijn verboden.

5.   In afwijking van lid 4 kan het Agentschap, na de geïnformeerde en vrije toestemming van een onderdaan van een derde land waarvan de identiteit uitsluitend is vastgesteld met het oog op de uitvoering van een hervestigingsprocedure, de volledige naam van deze onderdaan, informatie over de loop van de die onderdaan betreffende hervestigingsprocedure en informatie over het resultaat van die hervestigingsprocedure doorgeven aan bevoegde internationale organisaties, voor zover dat voor dat doel nodig is. Die persoonsgegevens worden niet voor andere doeleinden verwerkt of verder doorgestuurd.

6.   Wanneer deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams in opdracht van de gastlidstaat persoonsgegevens verwerken tijdens het verlenen van operationele en technische bijstand aan die lidstaat, is Verordening (EU) 2016/679 van toepassing.

Artikel 31

Doel van de verwerking van persoonsgegevens

1.   Het Agentschap verwerkt persoonsgegevens uitsluitend voor zover nodig en voor de volgende doelen:

a)

het verstrekken van operationele en technische bijstand overeenkomstig artikel 16, lid 2, en artikel 21, leden 2 en 3;

b)

het verrichten van steekproeven ten behoeve van monitoring als bedoeld in artikel 14;

c)

het faciliteren van de informatie-uitwisseling met de bevoegde nationale autoriteiten, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol of Eurojust, overeenkomstig artikel 37 en in het kader van informatie die wordt verkregen bij de uitvoering van de in artikel 21, lid 3, vermelde taken, voor zover nodig voor de uitvoering van hun taken in overeenstemming met hun respectieve mandaten;

d)

het analyseren van informatie over de asielsituatie als bedoeld in artikel 5;

e)

het verlenen van bijstand aan lidstaten bij hun acties inzake hervestiging.

2.   Iedere verwerking van persoonsgegevens gebeurt met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en is strikt beperkt tot de persoonsgegevens die nodig zijn voor de in lid 1 bedoelde doeleinden.

3.   De lidstaten of andere organen, instanties en agentschappen van de Unie die het Agentschap persoonsgegevens verstrekken, geven alleen gegevens door aan het Agentschap voor de in lid 1 bedoelde doeleinden. Iedere verwerking van bewaarde persoonsgegevens voor andere dan de in lid 1 bedoelde doeleinden, is verboden.

4.   De lidstaten of andere organen, instanties en agentschappen van de Unie die het Agentschap persoonsgegevens verstrekken, kunnen op het moment dat de persoonsgegevens worden doorgegeven, algemene of specifieke toegangs- of gebruiksbeperkingen vaststellen, ook met betrekking tot het doorgeven, wissen of vernietigen. Wanneer na de doorgifte van persoonsgegevens duidelijk wordt dat dergelijke beperkingen nodig zijn, stellen de lidstaat of het orgaan, de instantie of het agentschap van de Unie het Agentschap daarvan in kennis. Het Agentschap houdt zich aan deze beperkingen.

Artikel 32

Verwerking van persoonsgegevens voor het verlenen van operationele en technische bijstand en met het oog op hervestiging

1.   De verwerking door het Agentschap van persoonsgegevens die het heeft verzameld of die aan het Agentschap zijn doorgegeven door de lidstaten of door eigen personeel gedurende het verlenen van operationele en technische bijstand aan de lidstaten en met het oog op hervestiging, wordt beperkt tot de volgende gegevens over onderdanen van derde landen:

a)

volledige naam;

b)

geboortedatum en geboorteplaats;

c)

woon- of verblijfplaats;

d)

geslacht;

e)

leeftijd;

f)

nationaliteit;

g)

beroep;

h)

opleiding;

i)

gezinsleden;

j)

datum en plaats van aankomst;

k)

vingerafdrukken;

l)

gezichtsopnamegegevens, en

m)

status in verband met internationale bescherming.

2.   Het Agentschap kan de in lid 1 bedoelde persoonsgegevens verwerken indien nodig voor één van de volgende doeleinden:

a)

het nemen van een operationele en technische maatregel op grond van artikel 16, lid 2, punt a), b, c), g) of h);

b)

het toezenden van die persoonsgegevens aan het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol of Eurojust voor de uitvoering van hun taken in overeenstemming met hun respectieve mandaten en overeenkomstig artikel 30;

c)

het toezenden van die persoonsgegevens aan de nationale voor asiel- en immigratie verantwoordelijke autoriteiten en aan andere bevoegde diensten overeenkomstig het nationale recht en nationale en Unievoorschriften inzake gegevensbescherming;

d)

de analyse van informatie over de asielsituatie als bedoeld in artikel 5;

e)

het verlenen van bijstand aan lidstaten bij hun acties inzake hervestiging.

3.   Wanneer het voor een operationele en technische maatregel op grond van artikel 16, lid 2, punt c), of voor het in lid 2, punt e), van dit artikel bedoelde doel strikt noodzakelijk is, kan het Agentschap, in verband met een specifiek geval, persoonsgegevens verwerken die nodig zijn om te kunnen beoordelen of een onderdaan van een derde land voor internationale bescherming in aanmerking komt of die betrekking hebben op de gezondheid of specifieke kwetsbaarheden van een onderdaan van een derde land. Deze persoonsgegevens worden alleen verstrekt aan personeelsleden die in het specifieke geval kennis van die gegevens behoeven. Die personeelsleden waarborgen de vertrouwelijkheid van deze gegevens. Die persoonsgegevens worden niet verder verwerkt of doorgegeven.

4.   Het Agentschap verwijdert persoonsgegevens verwijderd zodra hij deze heeft doorgezonden aan het Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol of Eurojust of aan de bevoegde nationale autoriteiten, of zodra zij zijn gebruikt voor het analyseren van informatie over de asielsituatie als bedoeld in artikel 5. De opslagtermijn is in ieder geval niet langer dan 30 dagen na de datum waarop het Agentschap die persoonsgegevens heeft verzameld of ontvangen. Het Agentschap anonimiseert persoonsgegevens in de analyse van informatie over de asielsituatie bedoeld in artikel 5.

5.   Het Agentschap verwijdert voor het in artikel 31, lid 1, punt e), genoemde doel verkregen persoonsgegevens zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verkregen en in geen geval later dan 30 dagen na de datum van hervestiging van de onderdaan van een derde land.

6.   Onverminderd de andere rechten waarin Verordening (EU) 2016/679 voorziet en naast de in artikel 13 van die verordening bedoelde informatie, verstrekken deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams die op grond van lid 1 van dit artikel persoonsgegevens doorgeven, aan onderdanen van een derde land op het moment dat hun persoonsgegevens worden verzameld de contactgegevens van de bevoegde toezichthoudende autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van die verordening,.

Artikel 33

Samenwerking met Denemarken

Het Agentschap faciliteert de operationele samenwerking met Denemarken, waaronder de uitwisseling van informatie en beste werkwijzen in aangelegenheden die onder zijn activiteiten vallen.

Artikel 34

Samenwerking met geassocieerde landen

1.   Het Agentschap staat open voor de deelname van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland.

2.   De aard, de omvang en de wijze van deelname van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland aan de werkzaamheden van het Agentschap worden geregeld door de relevante regelingen. Deze regelingen omvatten bepalingen met betrekking tot de deelname aan initiatieven van het Agentschap, financiële bijdragen, deelname aan de vergaderingen van de raad van bestuur en personeel. Wat personeel betreft, voldoen de regelingen in elk geval aan het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (het “Statuut”) en aan de bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad vastgestelde regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (25) (de “Regeling”).

Artikel 35

Samenwerking met derde landen

1.   Met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met zijn activiteiten, en voor zover nodig is voor het verrichten van zijn taken, faciliteert en bevordert het Agentschap de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen, in het kader van het externe Uniebeleid, onder meer met betrekking tot de bescherming van grondrechten, en in samenwerking met de EDEO. Het Agentschap en de lidstaten dragen normen en maatstaven uit die deel uitmaken van het Unierecht, en leven deze na, ook bij het verrichten van activiteiten op het grondgebied van derde landen.

2.   Het Agentschap kan samenwerken met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn op de terreinen die onder deze verordening vallen, met de steun van of coördinatie door delegaties van de Unie, met name met het oog op het bevorderen van de Unienormen inzake asiel, het ondersteunen van derde landen wat betreft deskundigheid en capaciteitsopbouw voor hun eigen asiel- en opvangstelsel, en het uitvoeren van regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma’s en andere acties. Het Agentschap kan deze samenwerking aangaan in het kader van werkafspraken die met deze autoriteiten zijn vastgesteld overeenkomstig het Unierecht en -beleid. De raad van bestuur besluit over die werkafspraken, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Commissie. Het Agentschap informeert het Europees Parlement en de Raad voordat er werkafspraken worden gemaakt.

3.   In het kader van de samenwerking met derde landen kan het Agentschap op verzoek een lidstaat die lidstaat ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van hervestigingsprogramma’s.

4.   In het kader van het externe Uniebeleid neemt het Agentschap, in voorkomend geval, deel aan de uitvoering van internationale overeenkomsten die de Unie met derde landen heeft gesloten, met betrekking tot terreinen die onder deze verordening vallen.

5.   Het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het externe Uniebeleid. Het Agentschap kan projecten voor technische bijstand in derde landen initiëren en financieren ten aanzien van aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

6.   Het Agentschap stelt het Europees Parlement in kennis van de uit hoofde van dit artikel verrichte activiteiten via zijn jaarverslag over de asielsituatie in de Unie als bedoeld in artikel 69. Dit verslag bevat ook een beoordeling van de samenwerking met derde landen.

Artikel 36

Verbindingsfunctionarissen in derde landen

1.   Het Agentschap kan deskundigen die tot het eigen personeel behoren als verbindingsfunctionarissen inzetten. Verbindingsfunctionarissen genieten best mogelijke bescherming bij de uitvoering van hun taken in derde landen. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van migratie- en asielbeheer voldoen aan de onaantastbare mensenrechtennormen.

2.   In het kader van het externe Uniebeleid wordt bij de inzet van verbindingsfunctionarissen prioriteit gegeven aan de derde landen die, volgens de analyse van informatie over hun asielsituatie als bedoeld in artikel 5, landen van herkomst of doorreis voor asielgerelateerde migratie zijn. De inzet van verbindingsfunctionarissen wordt onderworpen aan goedkeuring door de raad van bestuur.

3.   De verbindingsfunctionarissen hebben, overeenkomstig het Unierecht en met volledige eerbiediging van de grondrechten, onder meer tot taak contacten tot stand te brengen en te onderhouden met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij worden ingezet, teneinde informatie te verzamelen, bij te dragen aan de totstandbrenging van beschermingsgevoelig migratiebeheer en, in voorkomend geval, de toegang tot legale wegen naar de Unie te bevorderen voor personen die bescherming behoeven, onder andere door middel van hervestiging. De verbindingsfunctionarissen overleggen zo nodig intensief met delegaties van de Unie alsook, waar passend, met internationale organisaties en instanties, in het bijzonder de UNHCR.

4.   Het besluit van het Agentschap om verbindingsfunctionarissen in te zetten in derde landen vereist voorafgaand advies van de Commissie. Het Europees Parlement wordt dienovereenkomstig onverwijld en volledig op de hoogte gehouden.

Artikel 37

Samenwerking met organen, instanties en agentschappen van de Unie

1.   Het Agentschap werkt samen met de organen, instanties en agentschappen van de Unie waarvan de activiteiten verband houden met die van het Agentschap, met name de organen, instanties en agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken die bevoegd zijn voor aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

2.   De in lid 1 bedoelde samenwerking vindt, na goedkeuring van de Commissie, plaats in het kader van de werkafspraken die met de organen, instanties en agentschappen van de Unie zijn vastgesteld. Het Agentschap stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze werkafspraken.

3.   De in lid 1 bedoelde samenwerking brengt synergieën tot stand tussen de bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie en dubbel werk bij de activiteiten die organen, instanties of agentschappen elk uitvoeren op grond van hun mandaat moet worden voorkomen.

Artikel 38

Samenwerking met de UNHCR en andere internationale organisaties

Het Agentschap werkt samen met internationale organisaties, met name de UNHCR, op gebieden die onder deze verordening vallen, in het kader van werkafspraken die met deze organisaties zijn gemaakt, overeenkomstig de Verdragen en de instrumenten die de bevoegdheden van deze organisaties vastleggen. De raad van bestuur besluit over de werkafspraken, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Commissie. Het Agentschap stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze werkafspraken.

HOOFDSTUK 8

ORGANISATIE VAN HET AGENTSCHAP

Artikel 39

Administratieve en bestuurlijke structuur

De administratieve en bestuurlijke structuur van het Agentschap omvat:

a)

een raad van bestuur, die de in artikel 41 vastgestelde taken uitoefent;

b)

een uitvoerend directeur, die de in artikel 47 vastgestelde verantwoordelijkheden draagt;

c)

een plaatsvervangend uitvoerend directeur, als vastgesteld in artikel 48;

d)

een grondrechtenfunctionaris, als vastgesteld in artikel 49, en

e)

een adviesforum, als vastgesteld in artikel 50.

Artikel 40

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie. Ieder van deze vertegenwoordigers heeft stemrecht.

2.   De raad van bestuur telt een vertegenwoordiger van de UNHCR., Die vertegenwoordiger heeft geen stemrecht.

3.   Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. Een plaatsvervanger vertegenwoordigt een lid van de raad van bestuur bij diens afwezigheid.

4.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis en deskundigheid op het gebied van asiel, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Alle betrokken partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.

5.   De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur bedraagt vier jaar. Die termijn kan worden hernieuwd. Wanneer hun ambtstermijn afloopt of zij ontslag nemen, blijven de leden in functie totdat hun ambtstermijn is verlengd of zij zijn vervangen.

Artikel 41

Taken van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur zorgt voor de algemene aansturing van de activiteiten van het Agentschap en ziet erop toe dat het Agentschap zijn taken uitvoert. De raad van bestuur zorgt met name voor:

a)

de vaststelling van de jaarbegroting van het Agentschap met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden en de uitvoering van andere functies met betrekking tot de begroting van het Agentschap, op grond van hoofdstuk 9;

b)

de goedkeuring van het geconsolideerde jaarverslag van het Agentschap, de toezending hiervan jaarlijks vóór 1 juli aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer en de openbaarmaking ervan;

c)

de vaststelling overeenkomstig artikel 56 van de financiële regels die van toepassing zijn op het Agentschap;

d)

de vaststelling van alle besluiten met het oog op de uitvoering van het mandaat van het Agentschap, zoals vastgelegd in deze verordening;

e)

de vaststelling van een fraudebestrijdingsstrategie, die evenredig is aan het frauderisico en rekening houdt met de kosten en baten van de als onderdeel van die strategie uit te voeren maatregelen;

f)

de vaststelling van regels voor de voorkoming en beheersing van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;

g)

de vaststelling van de in artikel 2, lid 2, genoemde communicatie- en verspreidingsplannen en de regelmatige bijwerking daarvan, op basis van een behoefteanalyse;

h)

de vaststelling van zijn reglement van orde;

i)

de uitoefening overeenkomstig lid 2, met betrekking tot het personeel van het Agentschap, van de bevoegdheden die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag (“het tot aanstelling bevoegde gezag”);

j)

de vaststelling van toepasselijke uitvoeringsregels ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling, overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;

k)

de benoeming van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeur, het optreden als tuchtraad ten aanzien van hen, en de verlenging indien nodig van hun ambtstermijn of de ontheffing uit hun functie overeenkomstig artikel 46 of 48, al naargelang het geval;

l)

de benoeming van de grondrechtenfunctionaris, met inachtneming van het Statuut en de Regeling, op basis van een door de uitvoerend directeur voorgestelde selectie van kandidaten;

m)

de benoeming overeenkomstig het Statuut en de Regeling van een rekenplichtige die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn of haar taken;

n)

de vaststelling van een jaarverslag over de asielsituatie in de Unie overeenkomstig artikel 69;

o)

de vaststelling van alle besluiten over de ontwikkeling van de in deze verordening vermelde informatiesystemen, waaronder de in artikel 9, lid 2, punt b), bedoelde portaalsite;

p)

de vaststelling van de gedetailleerde regels voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001, overeenkomstig artikel 63 van deze verordening;

q)

het nemen van maatregelen voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door het Agentschap, onder meer maatregelen betreffende de benoeming van de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap;

r)

de vaststelling van het personeelsbeleid van het Agentschap, overeenkomstig artikel 60;

s)

de jaarlijkse vaststelling van het programmeringsdocument van het Agentschap, overeenkomstig artikel 42;

t)

de vaststelling van alle besluiten betreffende het opzetten en, waar nodig, het wijzigen van de interne structuren van het Agentschap;

u)

het garanderen van een passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit interne en externe auditverslagen en beoordelingen en uit de onderzoeken van het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

v)

de vaststelling van de operationele normen, indicatoren, richtsnoeren en beste werkwijzen die het Agentschap ontwikkelt overeenkomstig artikel 13, lid 2;

w)

de goedkeuring van de richtsnoeren met betrekking tot de informatie over landen van herkomst en beoordelingen of updates van deze richtsnoeren overeenkomstig artikel 11, leden 2 en 4;

x)

de vaststelling van een gemeenschappelijke methode voor het monitoringmechanisme als bedoeld in artikel 14;

y)

de vaststelling van het programma voor de monitoring van de operationele en technische toepassing van het GEAS, overeenkomstig artikel 15, lid 1;

z)

de vaststelling van de aanbevelingen na een monitoringexercitie, overeenkomstig artikel 15, lid 4;

aa)

het besluit over het profiel van de deskundigen en het totale aantal deskundigen die aan asielondersteuningsteams en de asielreservepool, ter beschikking dienen te worden gesteld overeenkomstig artikel 19, leden 2 en 6;

ab)

vaststelling van een strategie voor de betrekkingen met derde landen of internationale organisaties met betrekking tot zaken waarvoor het Agentschap bevoegd is, alsmede werkafspraken met de Commissie voor de uitvoering daarvan;

ac)

de machtiging tot, en goedkeuring van het maken van, werkafspraken overeenkomstig de artikelen 35, 37 en 38.

2.   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat gebaseerd is op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden uiteenzet voor de schorsing van deze delegatie van bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag. De uitvoerend directeur kan deze bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegde gezag op zijn beurt verder delegeren.

Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt verder heeft gedelegeerd, tijdelijk schorsen en deze bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

3.   De raad van bestuur kan een dagelijks bestuur van kleine omvang opzetten om hem en de uitvoerend directeur bij te staan bij de voorbereiding van besluiten, de programma’s en activiteiten die door de raad van bestuur moeten worden vastgesteld. Indien noodzakelijk kan het dagelijks bestuur namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige, dringende besluiten nemen, met name op het gebied van administratief beheer. Het dagelijks bestuur neemt geen besluiten waarvoor een meerderheid van twee derde of drie vierde van de leden van de raad van bestuur nodig is. De raad van bestuur kan bepaalde duidelijk afgebakende taken delegeren aan het dagelijks bestuur, met name wanneer de efficiëntie van het Agentschap door dergelijke delegatie zou verbeteren. De raad van bestuur delegeert geen taken aan het dagelijks bestuur in verband met besluiten waarvoor een meerderheid van twee derde of drie vierde van de leden van de raad van bestuur nodig is. Met het oog op het opzetten van het dagelijks bestuur stelt de raad van bestuur zijn reglement van orde vast. Dat reglement van orde heeft met name betrekking op de samenstelling en taken van het dagelijks bestuur.

Artikel 42

Meerjarige programmering en jaarlijks werkprogramma

1.   Uiterlijk op 31 januari van elk jaar zendt de raad van bestuur op basis van een ontwerpvoorstel van de uitvoerend directeur een ontwerpversie van het programmeringsdocument dat de meerjarige en de jaarlijkse programmering bevat, toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De raad van bestuur zendt ook alle daarna bijgewerkte versies van dat document aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Uiterlijk op 30 november van elk jaar stelt de raad van bestuur, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden, het programmeringsdocument vast, met inachtneming van het advies van de Commissie en, wat betreft de meerjarige programmering, na raadpleging van het Europees Parlement. De raad van bestuur zendt het programmeringsdocument door naar het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Het programmeringsdocument wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.

2.   De meerjarige programmering omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering voor de middellange en lange termijn, met inbegrip van doelstellingen, beoogde resultaten en prestatie-indicatoren. De meerjarige programmering behelst ook de programmering van de middelen, met inbegrip van een meerjarige begroting en de personele middelen.

In de meerjarige programmering worden de strategische interventiegebieden vastgesteld en wordt uitgelegd wat er moet gebeuren om de daarin vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken. In de meerjarige programmering worden ook de strategie voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties, als bedoeld in respectievelijk artikel 35 en artikel 38, de maatregelen in verband met die strategie, en een vermelding van de bijbehorende middelen opgenomen.

De meerjarige programmering wordt door middel van jaarlijkse werkprogramma’s uitgevoerd. De meerjarige programmering wordt jaarlijks en in voorkomend geval geactualiseerd, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 70 bedoelde evaluatie.

3.   Het jaarlijkse werkprogramma bevat gedetailleerde doelstellingen en de beoogde resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het jaarlijkse werkprogramma bevat ook een beschrijving van de te financieren activiteiten en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen, in overeenstemming met de beginselen die gelden voor activiteitsgestuurd begroten en beheer. Het jaarlijkse werkprogramma dient consistent te zijn met de in lid 2 bedoelde meerjarige programmering. In het jaarlijkse werkprogramma worden duidelijk de taken vermeld die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

4.   De raad van bestuur past het jaarlijkse werkprogramma aan wanneer het Agentschap een nieuwe taak krijgt toegewezen.

Iedere wezenlijke verandering van het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-wezenlijke wijzigingen aan te brengen in het jaarlijkse werkprogramma.

Artikel 43

Voorzitter van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter en de vicevoorzitter worden gekozen met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur.

De vicevoorzitter vervangt de voorzitter automatisch indien deze niet in staat is zijn of haar taken uit te voeren.

2.   De ambtstermijn van de voorzitter en vicevoorzitter bedraagt vier jaar en is eenmaal verlengbaar. Indien tijdens hun ambtstermijn hun lidmaatschap van de raad van bestuur echter eindigt, loopt hun ambtstermijn op dezelfde datum automatisch af.

Artikel 44

Vergaderingen van de raad van bestuur

1.   De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.

2.   De uitvoerend directeur neemt aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deel, maar heeft geen stemrecht.

3.   De vertegenwoordiger van de UNHCR neemt niet aan vergaderingen deel waarop de raad van bestuur de functies vervult die zijn beschreven in artikel 41, lid 1, punt e), f), i), j), k), p), r), s), t) of u), of in artikel 41, lid 2, noch wanneer de raad van bestuur besluit financiële middelen ter beschikking te stellen voor de activiteiten van de UNHCR als bepaald in artikel 52, om het Agentschap in staat stellen te profiteren van de deskundigheid van de UNHCR.

4.   De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad van bestuur bijeen op initiatief van de voorzitter, van de Commissie of van één derde van zijn leden.

5.   De raad van bestuur kan eenieder van wie het advies van belang kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen.

6.   Denemarken wordt uitgenodigd om een vertegenwoordiger te sturen naar de vergaderingen van de raad van bestuur.

7.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen zich overeenkomstig het reglement van orde tijdens de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

8.   Het Agentschap vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.

Artikel 45

Stemregels in de raad van bestuur

1.   Tenzij anders bepaald, worden de besluiten van de raad van bestuur genomen met een absolute meerderheid van alle stemgerechtigde leden.

2.   Elk stemgerechtigd lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid is zijn of haar plaatsvervanger gerechtigd zijn of haar stem uit te brengen.

3.   De voorzitter neemt deel aan de stemming.

4.   De uitvoerend directeur neemt geen deel aan de stemming.

5.   Vertegenwoordigers van de lidstaten die niet ten volle aan het acquis van de Unie inzake asiel deelnemen, nemen geen deel aan de stemming in de raad van bestuur over de vaststelling van operationele normen, indicatoren, richtsnoeren of beste werkwijzen die uitsluitend verband houden met een asielinstrument van de Unie waaraan de door hen vertegenwoordigde lidstaten niet zijn gebonden.

6.   In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name betreffende de gevallen waarin een lid mag handelen namens een ander lid.

Artikel 46

Uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur is een personeelslid en wordt aangeworven als tijdelijk functionaris van het Agentschap overeenkomstig artikel 2, punt a), van de Regeling.

2.   De Commissie draagt minstens drie kandidaten voor de post van uitvoerend directeur voor op basis van een lijst die is opgesteld na bekendmaking van de post in het Publicatieblad van de Europese Unie en in voorkomend geval in de pers of via internet.

3.   De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur op grond van zijn verdiensten, bewezen sterke bestuurs- en managementvaardigheden en ruime ervaring op het gebied van migratie en asiel. Vóór de benoeming worden de door de Commissie voorgestelde kandidaten verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de leden van die commissie(s) te beantwoorden.

Na deze verklaring stelt het Europees Parlement een advies vast waarin het zijn zienswijzen kenbaar maakt en een voorkeurskandidaat aan kan geven.

De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur, waarbij rekening wordt gehouden met het in de tweede alinea bedoelde advies van het Europees Parlement.

Indien de raad van bestuur besluit een andere kandidaat te benoemen dan de kandidaat voor wie het Europees Parlement zijn voorkeur heeft uitgesproken, laat de raad van bestuur het Europees Parlement en de Raad schriftelijk weten hoe met het advies van het Europees Parlement rekening is gehouden.

Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de uitvoerend directeur wordt het Agentschap vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.

4.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van deze termijn stelt de Commissie een beoordeling op waarin rekening wordt gehouden met de evaluatie van de prestaties van de uitvoerend directeur en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap.

5.   Op grond van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de beoordeling als bedoeld in lid 4, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar.

6.   De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen. In de periode van één maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn of haar ambtstermijn kan de uitvoerend directeur worden gevraagd een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de leden van de commissie(s) te beantwoorden.

7.   Een uitvoerend directeur wiens ambtstermijn is verlengd, neemt na afloop van de volledige termijn niet deel aan een andere selectieprocedure voor hetzelfde ambt.

8.   De uitvoerend directeur kan uitsluitend uit zijn of haar functie worden ontheven bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie.

9.   De raad van bestuur neemt besluiten over de benoeming van de uitvoerend directeur, de verlenging van diens ambtstermijn of de ontheffing van de uitvoerend directeur uit zijn of haar functie met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden.

Artikel 47

Verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur beheert het Agentschap. De uitvoerend directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.

2.   Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en van de raad van bestuur, voert de uitvoerend directeur zijn of haar taken op onafhankelijke wijze uit zonder instructies te vragen aan of te aanvaarden van enige regering, instelling, persoon of enig ander orgaan.

3.   De uitvoerend directeur brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement over de uitvoering van zijn of haar taken. De Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken verslag uit te brengen over de uitoefening van zijn of haar taken.

4.   De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het Agentschap.

5.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die bij deze verordening aan het Agentschap zijn toegekend. De uitvoerend directeur is in het bijzonder belast met:

a)

het dagelijks bestuur van het Agentschap;

b)

het uitvoeren van de besluiten van de raad van bestuur;

c)

het opstellen van in artikel 42 bedoelde programmeringsdocumenten en het indienen ervan bij de raad van bestuur na raadpleging van de Commissie;

d)

het uitvoeren van in artikel 42 bedoelde programmeringsdocumenten en het uitbrengen van verslag over de uitvoering ervan aan de raad van bestuur;

e)

het voorbereiden van geconsolideerde jaarverslagen over de activiteiten van het Agentschap en het ter goedkeuring indienen ervan bij de raad van bestuur;

f)

het opstellen van een actieplan voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook van onderzoeken van OLAF, en het uitbrengen van verslag over de geboekte vooruitgang, twee keer per jaar aan de Commissie en op regelmatige basis aan de raad van bestuur en, indien van toepassing, het dagelijks bestuur;

g)

het beschermen van de financiële belangen van de Unie, zonder afbreuk te doen aan de onderzoeksbevoegdheid van OLAF, door toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties;

h)

het opstellen van een fraudebestrijdingsstrategie voor het Agentschap en het ter goedkeuring voorleggen daarvan aan de raad van bestuur;

i)

het opstellen van een ontwerp van de financiële regels die van toepassing zijn op het Agentschap;

j)

het opstellen van voorlopige ontwerpramingen van ontvangsten en uitgaven van het Agentschap overeenkomstig artikel 53, en het uitvoeren van de begroting van het Agentschap;

k)

de uitoefening jegens het personeel van het Agentschap van de bevoegdheden die zijn omschreven in artikel 60;

l)

het nemen van alle besluiten over het beheer van de in deze verordening vermelde informatiesystemen en met name van de in artikel 9, lid 2, punt b), bedoelde portaalsite;

m)

het nemen van alle besluiten betreffende het beheer van de interne structuren van het Agentschap;

n)

het opstellen van verslagen over de situatie in derde landen als bedoeld in artikel 9;

o)

het indienen van de gemeenschappelijke analyse en richtsnoeren bij de raad van bestuur overeenkomstig artikel 11, lid 2;

p)

het opzetten van teams van deskundigen voor de toepassing van de artikelen 14 en 15, die zijn samengesteld uit deskundigen die tot het personeel van het Agentschap behoren, van de Commissie en, indien nodig, van de lidstaten en, als waarnemers, van de UNHCR;

q)

het starten van een monitoringexercitie overeenkomstig artikel 15, lid 2;

r)

het in het kader van een monitoringexercitie indienen van de bevindingen en ontwerpaanbevelingen bij achtereenvolgens de betrokken lidstaat en de raad van bestuur overeenkomstig artikel 15, leden 3 en 4;

s)

het uitbrengen van verslag aan de raad van bestuur en aan de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 5;

t)

het evalueren, goedkeuren en coördineren van verzoeken om operationele en technische bijstand overeenkomstig artikel 16, lid 1, en artikel 20;

u)

het waarborgen van de uitvoering van operationele planen als bedoeld in artikel 18;

v)

het coördineren van de activiteiten van het Agentschap in de ondersteuningsteams voor migratiebeheer met de Commissie en andere bevoegde organen, instanties en agentschappen van de Unie, overeenkomstig artikel 21, lid 1;

w)

het waarborgen van de tenuitvoerlegging van besluiten van de Raad als bedoeld in artikel 22, lid 2;

x)

het besluiten, in overleg met de raad van bestuur, over de aanschaf of huur van technische uitrusting overeenkomstig artikel 23, lid 2;

y)

het voorstellen van een selectie van kandidaten voor de benoeming van de grondrechtenfunctionaris overeenkomstig artikel 49, lid 1;

z)

de benoeming van een coördinerend functionaris van het Agentschap overeenkomstig artikel 25, lid 2.

Artikel 48

Plaatsvervangend uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door een plaatsvervangend uitvoerend directeur bij het beheer van het Agentschap en bij de uitvoering van de taken, als bedoeld in artikel 47, lid 5. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, neemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur zijn of haar plaats in.

2.   De raad van bestuur benoemt de plaatsvervangend uitvoerend directeur op voorstel van de uitvoerend directeur. De plaatsvervangend uitvoerend directeur wordt benoemd op grond van zijn of haar verdiensten, passende bestuurs- en managementvaardigheden en relevante professionele ervaring op het gebied van asiel. De uitvoerend directeur draagt ten minste drie kandidaten voor de post van plaatsvervangend uitvoerend directeur voor. De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de ambtstermijn te verlengen of de plaatsvervangend uitvoerend directeur uit zijn of haar functie te ontheffen op voorstel van de uitvoerend directeur. Artikel 46, leden 1, 4, 7 en 9, zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend uitvoerend directeur.

Artikel 49

Grondrechtenfunctionaris

1.   De raad van bestuur benoemt een grondrechtenfunctionaris uit een selectie van kandidaten die worden voorgesteld door de uitvoerend directeur. De grondrechtenfunctionaris beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten en asiel.

2.   De grondrechtenfunctionaris is onafhankelijk in de uitvoering van zijn of haar taken en rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur.

3.   De grondrechtenfunctionaris is verantwoordelijk voor het waarborgen van de inachtneming van de grondrechten door het Agentschap in al zijn activiteiten en het bevorderen van de eerbiediging van de grondrechten door het Agentschap. De grondrechtenfunctionaris is ook verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 51 bedoelde klachtenregeling.

4.   De grondrechtenfunctionaris werkt samen met het adviesforum.

5.   De grondrechtenfunctionaris wordt onder meer geraadpleegd met betrekking tot operationele plannen als bedoeld in artikel 18, evaluaties van de operationele en technische bijstand van het Agentschap, de in artikel 58 bedoelde gedragscode en het in artikel 8, lid 3, bedoelde Europees asielcurriculum. De grondrechtenfunctionaris heeft toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten in verband met alle activiteiten van het Agentschap, onder meer door bezoeken te organiseren, met de instemming van de betrokken lidstaat, aan plaatsen waar het Agentschap operationele activiteiten uitvoert.

Artikel 50

Adviesforum

1.   Het Agentschap onderhoudt een nauwe dialoog met relevante maatschappelijke organisaties en bevoegde organen die zich op lokaal, regionaal, nationaal, Unie- of internationaal niveau bezighouden met asielbeleid. Hiertoe richt het Agentschap een adviesforum op.

2.   Het adviesforum is een mechanisme voor het uitwisselen van informatie en het delen van kennis. Het adviesforum zorgt voor een nauwe dialoog tussen het Agentschap en bevoegde organisaties en organen bedoeld in lid 1.

3.   Het Agentschap nodigt het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de UNHCR en andere bevoegde organisaties en organen bedoeld in lid 1, uit om lid te zijn van het adviesforum.

Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur over de samenstelling van het adviesforum, inclusief over thematische of geografische adviesgroepen, en over de voorwaarden waarop informatie aan het adviesforum wordt doorgegeven. Het adviesforum stelt, na raadpleging van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur, zijn werkmethoden vast, met inbegrip van thematische of geografische werkgroepen wanneer het deze noodzakelijk en nuttig acht.

4.   Het adviesforum adviseert de uitvoerend directeur en de raad van bestuur in asielgerelateerde zaken overeenkomstig de specifieke behoeften van het Agentschap op gebieden die als zijn prioritaire werkterreinen zijn aangemerkt.

5.   Het adviesforum heeft met name tot taak:

a)

het doen van voorstellen aan de raad van bestuur over de in artikel 42 bedoelde jaarlijkse en meerjarige programmering;

b)

het geven van feedback en het voorstellen van follow-upmaatregelen aan de raad van bestuur met betrekking tot het in artikel 69 bedoelde jaarverslag over de asielsituatie in de Unie; alsmede

c)

het meedelen aan de uitvoerend directeur en de raad van bestuur van de resultaten en aanbevelingen van conferenties, studiebijeenkomsten en vergaderingen, alsook van de bevindingen van studies of veldwerk verricht door bij het adviesforum aangesloten organisaties of organen, die relevant zijn voor de werkzaamheden van het Agentschap.

6.   Het adviesforum wordt geraadpleegd over de opstelling, vaststelling en uitvoering van de grondrechtenstrategie bedoeld in artikel 57, lid 3, en de in artikel 58 bedoelde gedragscode, het opzetten van de in artikel 51 bedoelde klachtenregeling en de ontwikkeling van het in artikel 8, lid 3, bedoelde Europees asielcurriculum.

7.   Het adviesforum komt ten minste eenmaal per jaar bijeen voor een voltallige vergadering en organiseert zo nodig vergaderingen voor de thematische of geografische adviesgroepen.

Artikel 51

Klachtenregeling

1.   Het Agentschap stelt een klachtenregeling in teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te waarborgen.

2.   Eenieder die rechtstreeks de gevolgen ondervindt van de acties van een deskundige die deelneemt aan een asielondersteuningsteam en van mening is dat met deze acties zijn of haar grondrechten zijn geschonden, en iedere partij die dergelijke personen vertegenwoordigt, kan schriftelijk een klacht indienen bij het Agentschap.

3.   Uitsluitend voldoende gemotiveerde klachten in verband met concrete schendingen van grondrechten zijn ontvankelijk. Klachten waarin een besluit van een nationale autoriteit op een individueel verzoek om internationale bescherming worden aangevochten, zijn niet ontvankelijk. Anonieme, kennelijk ongegronde, kwaadwillige, lichtzinnige, provocerende, hypothetische of onnauwkeurige klachten worden ook als niet-ontvankelijk beschouwd.

4.   De grondrechtenfunctionaris is verantwoordelijk voor de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten en doet dit overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. Daartoe doet de grondrechtenfunctionaris het volgende

a)

het onderzoeken van de ontvankelijkheid van een klacht;

b)

het registreren van ontvankelijke klachten;

c)

het doorzenden van alle geregistreerde klachten aan de uitvoerend directeur;

d)

het doorzenden van klachten betreffende deskundigen die deel uitmaken van een asielondersteuningsteam door aan de lidstaat van herkomst;

e)

het informeren van de autoriteit of het orgaan die of dat bevoegd is voor grondrechten in een lidstaat over een klacht, en

f)

het registreren en zorgen voor de follow-up die het Agentschap of de betrokken lidstaat daaraan geeft.

5.   Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur wordt de klager, wanneer zijn of haar klacht ontvankelijk is, ervan in kennis gesteld dat de klacht is geregistreerd, dat er een beoordeling is gestart en dat het antwoord zal worden gestuurd zodra het beschikbaar is. Wanneer een klacht aan een nationale autoriteit of een nationaal orgaan wordt gezonden, worden de contactgegevens van die autoriteit of dat orgaan aan de klager meegedeeld. Wanneer een klacht niet ontvankelijk is, wordt de klager in kennis gesteld van de redenen van niet-ontvankelijkheid en wordt hij of zij, indien mogelijk, gewezen op verdere mogelijkheden om zijn of haar zorgen aan te kaarten. Elk besluit wordt op schrift gesteld en gemotiveerd.

6.   Wanneer er een klacht met betrekking tot een personeelslid van het Agentschap wordt geregistreerd, zorgt de uitvoerend directeur, in overleg met de grondrechtenfunctionaris, voor een passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig. De uitvoerend directeur brengt binnen een bepaalde termijn aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die het Agentschap aan de klacht heeft gegeven, met inbegrip van disciplinaire maatregelen.

7.   Wanneer een klacht betrekking heeft op gegevensbescherming betrekt de uitvoerend directeur de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap bij de kwestie. De grondrechtenfunctionaris en de functionaris voor gegevensbescherming stellen een schriftelijk memorandum van overeenstemming op met daarin hun taakverdeling en de wijze van samenwerking met betrekking tot ontvangen klachten.

8.   Wanneer een klacht betrekking heeft op een deskundige van een lidstaat, daaronder begrepen gedetacheerde nationale deskundigen, zorgt de lidstaat van herkomst voor een passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig, of andere maatregelen overeenkomstig het nationaal recht. De lidstaat van herkomst brengt binnen een bepaalde termijn en vervolgens, indien nodig, op regelmatige tijdstippen aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit van de bevindingen en de follow-up die aan een klacht zijn gegeven. Het Agentschap geeft een follow-up aan de kwestie wanneer van de lidstaat van herkomst geen verslag is ontvangen.

9.   Wanneer schendingen van grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming door een deskundige van een lidstaat, daaronder begrepen gedetacheerde nationale deskundigen, worden vastgesteld, verzoekt het Agentschap de lidstaat om deze deskundige of gedetacheerde nationale deskundige onverwijld van de activiteiten van het Agentschap uit te sluiten. Wanneer schendingen van grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming door een deskundige die door het Agentschap is ingezet, worden vastgesteld, sluit de uitvoerend directeur die deskundige uit van de activiteiten van het Agentschap.

10.   De grondrechtenfunctionaris brengt aan de uitvoerend directeur en de raad van bestuur verslag uit over de bevindingen en de follow-up die het Agentschap en de betrokken lidstaten aan de klachten hebben gegeven. Het Agentschap neemt in zijn in artikel 69 genoemde jaarverslag over de asielsituatie in de Unie informatie op over de klachtenregeling.

11.   Het Agentschap, met inbegrip van de grondrechtenfunctionaris, behandelt en verwerkt alle persoonsgegevens die in een klacht worden vermeld, overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.De lidstaten behandelen en verwerken alle persoonsgegevens die in een klacht worden vermeld, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 of Richtlijn (EU) 2016/680, al naargelang het geval. Als iemand een klacht indient, wordt die klager verondersteld in te stemmen met de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens door het Agentschap en de grondrechtenfunctionaris in de zin van artikel 5, lid 1, punt d), van Verordening (EU) 2018/1725.Om de belangen van klagers te waarborgen, worden klachten vertrouwelijk behandeld door de grondrechtenfunctionaris, in overeenstemming met het nationale en het Unierecht, tenzij de klager expliciet afstand doet van zijn of haar recht op vertrouwelijke behandeling. Wanneer een klager afstand doet van zijn of haar recht op vertrouwelijke behandeling, wordt die klager verondersteld ermee in te stemmen dat de grondrechtenfunctionaris of het Agentschap met betrekking tot het onderwerp van de klacht zijn of haar identiteit bekendmaakt aan de bevoegde autoriteiten of organen, indien nodig.

HOOFDSTUK 9

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 52

Begroting

1.   Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap geraamd en vervolgens in de begroting van het Agentschap opgenomen.

2.   De ontvangsten en uitgaven van het Agentschap moeten in evenwicht zijn.

3.   Onverminderd andere middelen bestaan de ontvangsten van het Agentschap uit:

a)

een in de algemene begroting van de Unie opgenomen bijdrage van de Unie;

b)

financiering van de Unie in indirect beheer of in de vorm van ad-hocsubsidies in overeenstemming met de op het Agentschap toepasselijke financiële regels en met de bepalingen van de relevante instrumenten die het beleid van de Unie ondersteunen;

c)

eventuele vrijwillige financiële bijdragen van lidstaten;

d)

eventuele bijdragen van geassocieerde landen;

e)

vergoedingen voor publicaties en eventuele andere door het Agentschap verleende diensten.

4.   De uitgaven van het Agentschap omvatten de bezoldiging van het personeel, uitgaven voor administratie en infrastructuur, en operationele uitgaven.

Artikel 53

Vaststelling van de begroting

1.   Elk jaar stelt de uitvoerend directeur een voorlopige ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin de personeelsformatie is opgenomen, en zendt hij of zij deze naar de raad van bestuur.

2.   Op basis van deze in lid 1 bedoelde voorlopige ontwerpraming op stelt de raad van bestuur een ontwerpraming vast van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar.

3.   De in lid 2 bedoelde ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap wordt ieder jaar uiterlijk op 31 januari aan de Commissie, het Europees Parlement en de Raad toegezonden.

4.   De Commissie zendt de raming samen met het ontwerp van algemene begroting van de Unie naar de begrotingsautoriteit.

5.   Op basis van de raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het bedrag van de bijdrage van de Unie ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

6.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage van de Unie aan het Agentschap goed.

7.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor het Agentschap vast.

8.   De raad van bestuur stelt de begroting van het Agentschap vast. De begroting van het Agentschap wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie. Indien nodig wordt de begroting van het Agentschap dienovereenkomstig aangepast.

9.   Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 is van toepassing op alle bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het Agentschap.

Artikel 54

Uitvoering van de begroting

1.   De uitvoerend directeur voert de begroting van het Agentschap uit.

2.   De uitvoerend directeur zendt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures toe.

Artikel 55

Indiening van de rekeningen en kwijting

1.   Uiterlijk op 1 maart van het begrotingsjaar n+ 1 zendt de rekenplichtige van het Agentschap de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar n toe aan de rekenplichtige van de Commissie en de Rekenkamer.

2.   Uiterlijk op 31 maart van het begrotingsjaar n + 1 zendt het Agentschap het verslag over het budgettair en financieel beheer voor het begrotingsjaar n toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

Uiterlijk op 31 maart van het begrotingsjaar n + 1 zendt de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor het begrotingsjaar n die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, toe aan de Rekenkamer.

3.   Overeenkomstig artikel 246 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (26) maakt de uitvoerend directeur na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Agentschap, onder zijn of haar eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap voor het begrotingsjaar n op en legt hij of zij deze ter advies voor aan de raad van bestuur.

4.   De raad van beheer brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Agentschap voor het begrotingsjaar n.

5.   Uiterlijk op 1 juli van het begrotingsjaar n + 1 zendt de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen voor het begrotingsjaar n, samen met het advies van de raad van bestuur, toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

6.   De definitieve rekeningen voor het begrotingsjaar n worden vóór 15 november van het begrotingsjaar n + 1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

7.   De uitvoerend directeur geeft de Rekenkamer uiterlijk op 30 september van het begrotingsjaar n + 1 antwoord op haar opmerkingen. De uitvoerend directeur zendt dit antwoord tevens toe aan de raad van bestuur.

8.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 261, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.

9.   Vóór 15 mei van het begrotingsjaar n+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n.

Artikel 56

Financiële regels

1.   De raad van bestuur stelt de financiële regels vast die van toepassing zijn op het Agentschap, na raadpleging van de Commissie. De financiële regels zijn in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715, tenzij een afwijking van die verordening specifiek vereist is voor de werking van het Agentschap en de Commissie daar vooraf toestemming voor heeft gegeven.

2.   Het Agentschap kan subsidies verlenen in verband met het verrichten van de in artikel 2 van deze verordening bedoelde taken en gebruikmaken van raamovereenkomsten, overeenkomstig deze verordening of door delegering door de Commissie op grond van artikel 62, lid 1, punt c), iv), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046. De relevante bepalingen van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK 10

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 57

Bescherming van de grondrechten en een grondrechtenstrategie

1.   Het Agentschap garandeert de bescherming van de grondrechten bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening overeenkomstig het toepasselijk Unierecht, waaronder het Handvest, en het toepasselijk internationale recht, met name het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de status van vreemdelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd door het Protocol van New York van 31 januari 1967.

2.   Bij de toepassing van deze verordening staat het belang van het kind voorop.

3.   Op voorstel van de grondrechtenfunctionaris stelt het Agentschap een grondrechtenstrategie op en voert deze uit, teneinde de eerbiediging van de grondrechten in alle activiteiten van het Agentschap te waarborgen.

Artikel 58

Gedragscode

Het Agentschap stelt een gedragscode op die van toepassing is op alle deskundigen die deel uitmaken van asielondersteuningsteams, stelt deze vast en voert deze uit. In de gedragscode worden procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtstaat en eerbiediging van de grondrechten, met bijzondere aandacht voor kinderen, niet-begeleide minderjarigen en andere personen in een kwetsbare situatie.

Artikel 59

Rechtsstatus

1.   Het Agentschap is een agentschap van de Unie. Het Agentschap heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   Het Agentschap beschikt in alle lidstaten over de ruimste handelingsbevoegdheid die volgens de daar geldende wetgeving aan rechtspersonen wordt verleend. Het Agentschap kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden.

3.   Het Agentschap is onafhankelijk wat betreft operationele en technische aangelegenheden.

4.   Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

5.   De vestigingsplaats van het Agentschap is Malta.

Artikel 60

Personeel

1.   Het Statuut, de Regeling en de regels die door de instellingen van de Unie zijn overeengekomen ter uitvoering van het Statuut en de Regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Agentschap.

2.   De raad van bestuur stelt op grond van artikel 110 van het Statuut passende bepalingen vast voor de tenuitvoerlegging van het Statuut en de Regeling.

3.   Het Agentschap oefent met betrekking tot zijn personeel de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uit.

4.   Het Agentschap mag ook gebruikmaken van gedetacheerde nationale deskundigen of ander personeel dat niet in dienst is van het Agentschap. Bij besluit van de raad van bestuur worden de voorschriften vastgesteld voor de detachering van nationale deskundigen bij het Agentschap.

5.   Het Agentschap kan personeel aanstellen voor werk ter plaatse in de lidstaten.

Artikel 61

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie dat als bijlage is gehecht aan het VEU en het VWEU is van toepassing op het Agentschap en zijn personeel.

Artikel 62

Talenregeling

1.   Op het Agentschap is Verordening nr. 1 van de Raad (27) van toepassing.

2.   Onverminderd de besluiten die op grond van artikel 342 VWEU worden genomen, worden het geconsolideerde jaarverslag over de activiteiten van het Agentschap en programmeringsdocumenten als bedoeld in artikel 42 in alle officiële talen van de instellingen van de Unie opgesteld.

3.   Het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie levert de voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten.

Artikel 63

Transparantie

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die worden bijgehouden door het Agentschap.

2.   Het Agentschap kan op eigen initiatief communiceren over aangelegenheden die onder zijn taken vallen. Het Agentschap maakt het geconsolideerde jaarverslag over de activiteiten van het Agentschap openbaar en waarborgt met name dat het grote publiek en alle belanghebbende partijen snel objectieve, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werk ontvangen.

3.   De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering gedetailleerde regels voor de toepassing van de leden 1 en 2 vast.

4.   Alle natuurlijke personen of rechtspersonen hebben het recht zich in een van de officiële talen van de instellingen van de Unie schriftelijk tot het Agentschap te richten. Zij hebben het recht een antwoord in dezelfde taal te ontvangen.

5.   Tegen besluiten van het Agentschap uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens de voorwaarden van respectievelijk artikel 228 en artikel 263 VWEU.

Artikel 64

Fraudebestrijding

1.   Teneinde fraude, corruptie en andere illegale handelingen te bestrijden, is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverminderd van toepassing. Het Agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF en stelt de overeenkomstige voorschriften vast, die op al het personeel van het Agentschap van toepassing zijn, waarbij het gebruik maakt van het model in de bijlage bij dat akkoord.

2.   De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het Agentschap middelen van de Unie hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als controles en verificaties ter plaatse.

3.   OLAF kan in overeenstemming met de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad (28) onderzoeken verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een door het Agentschap gefinancierde overeenkomst.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten werkafspraken met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het Agentschap bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten.

Artikel 65

Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.   Het Agentschap past de in Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (29) en (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie vervatte veiligheidsvoorschriften van de Commissie toe. Die voorschriften gelden met name voor de uitwisseling, de verwerking en de opslag van gerubriceerde gegevens.

2.   Het Agentschap past de veiligheidsbeginselen betreffende de behandeling van niet-gerubriceerde gevoelige gegevens toe, zoals die zijn vastgelegd in Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444 en die door de Commissie ten uitvoer worden gelegd. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van die veiligheidsbeginselen.

3.   De rubricering belet niet dat informatie beschikbaar wordt gesteld aan het Europees Parlement. De overdracht en behandeling van de informatie en documenten die overeenkomstig deze verordening aan het Europees Parlement worden overgedragen, moeten voldoen aan de voorschriften betreffende het doorzenden en behandelen van gerubriceerde informatie die van toepassing zijn tussen het Europees Parlement en de Commissie.

Artikel 66

Aansprakelijkheid

1.   De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt geregeld door de wet die op het betrokken contract van toepassing is.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraken te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Agentschap gesloten overeenkomst.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeel bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.

4.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.   Op de persoonlijke aansprakelijkheid van zijn personeelsleden jegens het Agentschap zijn de bepalingen van het Statuut of van de Regeling waaronder zij vallen van toepassing.

Artikel 67

Administratieve monitoring

Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van het Agentschap onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.

Artikel 68

Zetelovereenkomst en voorwaarden voor de werking

1.   De noodzakelijke regelingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft, de voorzieningen die die lidstaat moet treffen en de specifieke regels die in die lidstaat van toepassing zijn op de leden van de raad van bestuur, het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en die lidstaat. De zetelovereenkomst wordt gesloten nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd.

2.   De lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft biedt het de noodzakelijke voorwaarden voor de goede werking van het Agentschap, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

Artikel 69

Jaarverslag over de asielsituatie in de Unie

Het Agentschap stelt elk jaar een verslag op over de asielsituatie in de Unie. Het Agentschap zendt dat verslag toe aan de raad van bestuur, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De uitvoerend directeur stelt het aan het Europees Parlement voor. Het jaarverslag over de asielsituatie in de Unie wordt openbaar gemaakt.

Artikel 70

Evaluatie en beoordeling

1.   Drie maanden na de vervanging van Verordening (EU) nr. 604/2013 brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitkomst van de evaluatie of deze verordening moet worden gewijzigd om de samenhang en de interne consistentie van het rechtskader van de Unie te waarborgen, met name wat betreft de bepalingen inzake het in artikel 14 bedoelde monitoringmechanisme, en dient zij de nodige voorstellen in om deze verordening zo nodig te wijzigen.

2.   Uiterlijk op 20 januari 2025 en vervolgens om de vijf jaar geeft de Commissie opdracht een onafhankelijke, externe evaluatie uit te voeren ter beoordeling van, met name, de resultaten van het Agentschap met betrekking tot zijn doelstellingen, mandaat en taken. Bij de evaluatie wordt de impact van het Agentschap op de praktische samenwerking inzake asielkwesties en de facilitering van de tenuitvoerlegging van het GEAS geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt gekeken naar de vorderingen van het Agentschap binnen zijn mandaat en wordt beoordeeld of er aanvullende maatregelen nodig zijn voor daadwerkelijke solidariteit en een deling van de verantwoordelijkheden met de lidstaten die onder bijzondere druk staan.

De in de eerste alinea bedoelde evaluatie richt zich in het bijzonder op de vraag of het mandaat van het Agentschap moet worden gewijzigd en op de financiële gevolgen van een dergelijke wijziging. Bij de evaluatie zal ook worden onderzocht of de bestuurlijke structuur is toegesneden op de uitvoering van de taken van het Agentschap. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van de belanghebbende partijen op zowel het niveau van de Unie als op nationaal niveau.

3.   De Commissie zendt het verslag dat resulteert uit de in lid 2 bedoelde evaluatie samen met haar desbetreffende conclusies over dat verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur.

4.   Bij elke tweede in lid 2 bedoelde evaluatie overweegt de Commissie of het voortbestaan van het Agentschap nog gerechtvaardigd is in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken, en kan zij voorstellen om deze verordening dienovereenkomstig te wijzigen of in te trekken.

Artikel 71

Overgangsbepaling

Het Agentschap is de rechtsopvolger van het EASO ten aanzien van alle eigendomsrechten, contracten, arbeidsovereenkomsten, financiële vastleggingen en aansprakelijkheden. Met name doet deze verordening geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van het personeel van het EASO, waarvan de continuïteit van de loopbaan in alle opzichten wordt gewaarborgd.

Artikel 72

Vervanging en intrekking

Verordening (EU) nr. 439/2010 wordt vervangen ten aanzien van de door deze verordening gebonden lidstaten. Verordening (EU) nr. 439/2010 wordt derhalve ingetrokken.

Ten aanzien van de door deze verordening gebonden lidstaten gelden verwijzingen naar de ingetrokken verordening als verwijzingen naar deze verordening en worden deze gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 73

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2, lid 1, punt q), artikel 14 en artikel 15, leden 1, 2 en 3, zijn van toepassing met ingang van 31 december 2023, en artikel 15, leden 4 tot en met 8, en artikel 22 zijn van toepassing met ingang van de datum waarop Verordening (EU) nr. 604/2013 wordt vervangen, tenzij die verordening wordt vervangen vóór 31 december 2023, in welk geval die bepalingen van toepassing zijn met ingang van 31 december 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 15 december 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 november 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 9 december 2021.

(2)  Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11).

(3)  Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).

(4)  Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).

(5)  Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).

(7)  Beschikking 2008/381/EG van de Raad van 14 mei 2008 betreffende het opzetten van een Europees migratienetwerk (PB L 131 van 21.5.2008, blz. 7).

(8)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1).

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(11)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(12)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(13)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(14)  Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138).

(15)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(16)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(17)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(18)  PB C 9 van 21.1.2017, blz. 3.

(19)  Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1).

(20)  Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(21)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(22)  Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 99).

(23)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).

(24)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(25)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(26)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(27)  Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).

(28)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(29)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).


BIJLAGE I

AANTAL DESKUNDIGEN DIE MOETEN WORDEN GELEVERD AAN DE ASIELRESERVEPOOL BEDOELD IN ARTIKEL 19, LID 6

België

15

Bulgarije

8

Tsjechië

8

Duitsland

86

Estland

6

Griekenland

25

Spanje

46

Frankrijk

80

Kroatië

5

Italië

40

Cyprus

3

Letland

5

Litouwen

6

Luxemburg

4

Hongarije

10

Malta

4

Nederland

24

Oostenrijk

15

Polen

40

Portugal

7

Roemenië

20

Slovenië

5

Slowakije

10

Finland

9

Zweden

19

Totaal

500 /500


BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EU) nr. 439/2010

Onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1, leden 1 en 2

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1, punt a)

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 1, punt i)

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 1, lid 3

Artikel 2, lid 5

Artikel 4, lid 3

Artikel 2, lid 6

Artikel 2, lid 1, behalve de punten a), e), i), k), l), r) en s)

Artikel 2, lid 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, leden 1, 2 en 5

Artikel 4, punten a) tot en met d)

Artikel 2, lid 1, punt e), en artikel 9

Artikel 4, punt e)

Artikel 11, lid 1

Artikel 5

Artikel 2, lid 1, punt k)

Artikel 6

Artikel 8

Artikel 7, eerste lid

Artikel 2, lid 1, punt r)

Artikel 7, tweede lid

Artikel 2, lid 1, punt s), en artikel 35, lid 3

Artikel 7, derde lid

Artikel 35, lid 2

Artikel 7

Artikel 10

 

Artikel 11, leden 2 tot en met 5

Artikel 12

Artikel 13, leden 4, 5 en 6

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 8

Artikel 16, lid 1, punt b)

Artikel 9

Artikel 5

Artikel 10

Artikel 16

Artikel 11

Artikel 6

Artikel 12, lid 1

Artikel 69

Artikel 12, lid 2

Artikel 13, leden 1, 2 en 3

Artikel 13, lid 1

Artikel 16, lid 1, punt b), en artikel 17, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 16, lid 2, aanhef

Artikel 14

Artikel 16, lid 2, punten e) en i)

Artikel 16, lid 1, behalve punt b)

Artikel 16, lid 2, behalve de punten e) en i)

Artikel 16, leden 3 en 4

Artikel 17, leden 2 tot en met 5

Artikel 15

Artikel 2, lid 1, punt l), en artikel 19, leden 2, 3 en 5

Artikel 16

Artikel 19, leden 1, 2 en 3

Artikel 19, leden 4, 6, 7 en 8

Artikel 17

Artikel 20

Artikel 18

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 24

Artikel 20

Artikel 25

Artikel 21

Artikel 26

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 22

Artikel 27

Artikel 23

Artikel 28

Artikel 23

Artikel 29

Artikel 30, leden 2 tot en met 6

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 24

Artikel 39

Artikel 25

Artikel 40

Artikel 26

Artikel 43

Artikel 27

Artikel 44

Artikel 28

Artikel 44

Artikel 29

Artikel 41

Artikel 30

Artikel 46

Artikel 31

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 51

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 52

Artikel 34

Artikel 53

Artikel 35

Artikel 54

Artikel 36

Artikel 55

Artikel 37

Artikel 56, lid 1

Artikel 56, lid 2

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 38

Artikel 60

Artikel 39

Artikel 61

Artikel 40

Artikel 59

Artikel 41

Artikel 62

Artikel 42, leden 1 tot en met 3

Artikel 63, leden 1 tot en met 4

Artikel 42, lid 4

Artikel 30, lid 1

Artikel 43

Artikel 65

Artikel 44

Artikel 64

Artikel 45

Artikel 66

Artikel 46

Artikel 70

Artikel 47

Artikel 67

Artikel 48

Artikel 33

Artikel 49, lid 1

Artikel 34

Artikel 49, lid 2

Artikel 35, lid 1

Artikel 35, leden 4, 5 en 6

Artikel 50, eerste lid

Artikel 38

Artikel 50, tweede lid

Artikel 51

Artikel 50

Artikel 52

Artikel 37

Artikel 53

Artikel 68

Artikel 67

Artikel 54

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 55

Artikel 73


Top