Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R2154

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2154 van de Commissie van 13 augustus 2021 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van passende criteria voor het identificeren van categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden (Voor de EER relevante tekst)

C/2021/5949

PB L 436 van 7.12.2021, pp. 11–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2021/2154/oj

7.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 436/11


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/2154 VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2021

tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van passende criteria voor het identificeren van categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (1), en met name artikel 30, lid 4, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Terwijl beleggingsondernemingen die overeenkomstig artikel 1, leden 2 en 5, van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (2) binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) en van de titels VII en VIII van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) vallen, onderworpen zijn aan Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 van de Commissie (5), moeten beleggingsondernemingen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2019/2034 vallen, specifieke vereisten toepassen voor de variabele beloning van alle personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden. Er moeten passende criteria worden vastgesteld om die personeelsleden te identificeren. Die criteria moeten rekening houden met de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van dergelijke personeelsleden, het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of dat van de activa die ze beheert, en de prestatie-indicatoren, de interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van de betrokken beleggingsonderneming. Deze criteria moeten beleggingsondernemingen ook in staat stellen om in het kader van hun beloningsbeleid passende stimulansen te geven om ervoor te zorgen dat de betrokken personeelsleden prudent handelen bij de uitvoering van hun taken. Tot slot moeten deze criteria het risiconiveau van de verschillende activiteiten binnen de beleggingsonderneming weerspiegelen.

(2)

Leden van het leidinggevend orgaan hebben de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de beleggingsonderneming en haar strategie en activiteiten, en worden bijgevolg altijd geacht het risicoprofiel van de beleggingsonderneming wezenlijk te beïnvloeden. Dit geldt zowel voor de besluiten van de leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie als voor de leden van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie die op het besluitvormingsproces toezicht houden en genomen besluiten aanvechten.

(3)

Sommige personeelsleden zijn verantwoordelijk voor het verlenen van interne ondersteuning die van cruciaal belang is voor het functioneren van de bedrijfsactiviteiten van een beleggingsonderneming. Hun activiteiten en besluiten kunnen het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert ook wezenlijk beïnvloeden, omdat deze de beleggingsonderneming kunnen blootstellen aan wezenlijke operationele en andere risico’s.

(4)

De beroepswerkzaamheden van personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid kunnen het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden omdat ze strategische of andere fundamentele besluiten kunnen nemen die de bedrijfsactiviteiten van de beleggingsonderneming of de toegepaste controlefuncties beïnvloeden. Dergelijke controlefuncties hebben doorgaans betrekking op risicobeheer, naleving en interne audit. De risico’s die de bedrijfseenheden nemen en de manier waarop die bedrijfseenheden worden beheerd, zijn de belangrijkste factoren voor het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert. Bepaalde bedrijfsactiviteiten brengen hogere risico’s met zich mee dan andere, en bijgevolg moet de aard van de bedrijfsactiviteiten in aanmerking worden genomen.

(5)

Passende kwalitatieve criteria moeten ervoor zorgen dat wanneer personeelsleden verantwoordelijk zijn voor groepen personeelsleden wier werkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk zouden kunnen beïnvloeden, zij worden geïdentificeerd als personeelsleden met een wezenlijke invloed. Dit omvat situaties waarin de werkzaamheden van individuele personeelsleden onder hun leiding individueel het risicoprofiel van de beleggingsonderneming niet wezenlijk beïnvloeden, maar de globale omvang van hun werkzaamheden dat wel zou kunnen.

(6)

De totale bezoldiging van personeelsleden hangt doorgaans af van de bijdrage die deze personeelsleden leveren aan de succesvolle verwezenlijking van de bedrijfsdoelstellingen van de beleggingsonderneming. Deze bezoldiging hangt dus af van de verantwoordelijkheden, taken, bekwaamheden en vaardigheden van de personeelsleden en van de prestaties van personeelsleden en de beleggingsonderneming. Wanneer een personeelslid een totale beloning wordt toegekend die een bepaalde drempel overschrijdt, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat deze beloning verband houdt met de bijdrage van dat personeelslid aan de bedrijfsdoelstellingen van de beleggingsonderneming en dus verband houdt met de invloed van zijn beroepswerkzaamheden op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert. Daarom is het passend kwantitatieve criteria toe te passen die verband houden met de totale beloning van een personeelslid, zowel in absolute als relatieve cijfers, in verhouding tot andere personeelsleden binnen dezelfde beleggingsonderneming, om te bepalen of de beroepswerkzaamheden van een dergelijk personeelslid het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk zouden kunnen beïnvloeden.

(7)

Er moeten duidelijke en passende drempels worden vastgesteld voor het identificeren van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden. Van beleggingsondernemingen moet worden gevraagd dat zij de kwantitatieve criteria tijdig toepassen. Kwantitatieve criteria moeten de ontwikkelingen op het gebied van beloningen volgen, willen zij realistisch zijn. Een eerste methode om dergelijke ontwikkelingen te volgen, bestaat erin de kwantitatieve criteria te baseren op de totale beloning die in het voorgaande prestatiejaar is toegekend en die is opgebouwd uit de voor dat prestatiejaar betaalde vaste beloning en toegekende variabele beloning. Een tweede methode om dergelijke ontwikkelingen te volgen, bestaat erin de kwantitatieve criteria te baseren op de totale beloning die voor het voorgaande prestatiejaar is toegekend en die is opgebouwd uit de voor dat prestatiejaar betaalde vaste beloning en de variabele beloning die in het lopende prestatiejaar voor het voorgaande boekjaar is toegekend. De tweede methode zorgt voor een betere afstemming van het identificatieproces op de werkelijke beloning die voor een prestatieperiode wordt toegekend, maar kan alleen worden toegepast wanneer het niet te laat is voor een berekening voor de toepassing van de kwantitatieve criteria. Wanneer een dergelijke berekening niet tijdig meer mogelijk is, moet de eerste methode worden gebruikt. Bij beide methoden kan de variabele beloning bedragen omvatten die worden toegekend op basis van prestatieperioden van meer dan een jaar, afhankelijk van de door de beleggingsonderneming gehanteerde prestatiecriteria.

(8)

Er dient een kwantitatieve drempel van 500 000 EUR te worden vastgesteld voor het identificeren van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden. Beloning boven die kwantitatieve drempel of ten belope van een van de hoogste beloningen binnen de beleggingsonderneming leidt dus tot een sterk vermoeden dat de werkzaamheden van de personeelsleden die een dergelijke beloning ontvangen het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden, in welk geval nog nauwlettender toezicht moet worden uitgeoefend om vast te stellen of de beroepswerkzaamheden van dergelijke personeelsleden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden.

(9)

Dergelijke vermoedens op basis van kwantitatieve criteria mogen echter niet gelden wanneer beleggingsondernemingen op basis van aanvullende objectieve criteria vaststellen dat deze personeelsleden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert in feite niet wezenlijk beïnvloeden, rekening houdend met alle risico’s waaraan de beleggingsonderneming is of kan worden blootgesteld. Met het oog op een doeltreffende en consistente toepassing van deze objectieve criteria moeten de bevoegde autoriteiten instemmen met de uitsluiting van de geïdentificeerde personeelsleden met het hoogste inkomen of van de personeelsleden met een toegekende beloning van meer dan 750 000 EUR. De bevoegde autoriteiten moeten de Europese Bankautoriteit (“EBA”) informeren over de uitsluiting van personeelsleden aan wie meer dan 1 000 000 EUR wordt toegekend (grootverdieners), alvorens deze goed te keuren, zodat de EBA kan beoordelen of die criteria consequent zijn toegepast.

(10)

Het feit dat een personeelslid zich op hetzelfde beloningsniveau bevindt als directieleden of risiconemers, kan er ook op wijzen dat zijn beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden. Daartoe mag geen rekening worden gehouden met de beloningen die worden betaald aan personeelsleden in controlefuncties en ondersteunende functies en leden van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie. Bij de toepassing van dit kwantitatieve criterium moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de betalingsniveaus verschillen per rechtsgebied. Beleggingsondernemingen moet worden toegestaan om aan te tonen dat personeelsleden die binnen het beloningsniveau vallen maar aan geen enkele van de kwalitatieve of kwantitatieve criteria voldoen, het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert niet wezenlijk beïnvloeden, rekening houdend met alle risico’s waaraan de beleggingsonderneming is of kan worden blootgesteld.

(11)

Om de bevoegde autoriteiten en auditors in staat te stellen de beoordelingen te evalueren die beleggingsondernemingen hebben uitgevoerd om na te gaan van wie van hun personeelsleden de beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk beïnvloeden, is het van cruciaal belang dat beleggingsondernemingen een register bijhouden van de uitgevoerde beoordelingen en de resultaten daarvan, en daarbij de personeelsleden registreren die zijn geïdentificeerd aan de hand van op hun totale beloning gebaseerde criteria, maar wier beroepswerkzaamheden worden geacht het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert niet wezenlijk te beïnvloeden.

(12)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de EBA aan de Europese Commissie heeft voorgelegd na raadpleging van de Europese Autoriteit voor effecten en markten.

(13)

De EBA heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en heeft de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“leidinggevende verantwoordelijkheid”: een situatie waarin een personeelslid leidinggeeft aan een bedrijfseenheid of als leidinggevende een controlefunctie uitoefent en rechtstreeks verantwoording verschuldigd is aan het leidinggevend orgaan in zijn geheel of aan een lid van het leidinggevend orgaan of de directie;

2)

“controlefunctie”: een functie die onafhankelijk van de gecontroleerde bedrijfseenheid wordt uitgeoefend en in het kader waarvan verantwoordelijkheid wordt gedragen voor het verstrekken van een objectieve beoordeling van de risico’s van de beleggingsonderneming en de analyse of rapportage dienaangaande, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de risicobeheerfunctie, de compliancefunctie en de interneauditfunctie;

3)

“bedrijfseenheid”: een bedrijfseenheid zoals gedefinieerd in artikel 142, lid 1, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 2

Toepassing van de criteria

1.   Indien deze verordening op individuele basis wordt toegepast overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2019/2034, wordt de naleving van de criteria van de artikelen 3 en 4 van deze verordening beoordeeld aan de hand van het individuele risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

2.   Indien deze verordening op geconsolideerde basis wordt toegepast overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2019/2034, wordt de naleving van de criteria van de artikelen 3 en 4 van deze verordening beoordeeld aan de hand van het geconsolideerde risicoprofiel van de beleggingsonderneming.

3.   Indien artikel 4, lid 1, punt a), op individuele basis wordt toegepast, wordt de door de beleggingsonderneming toegekende beloning in aanmerking genomen.

4.   Indien artikel 4, lid 1, punt a), op geconsolideerde basis wordt toegepast, neemt de consoliderende beleggingsonderneming de beloning in aanmerking die wordt toegekend door een entiteit die binnen het consolidatiebereik valt.

5.   Artikel 4, lid 1, punt b), is alleen op individuele basis van toepassing.

6.   Artikel 4, lid 1, punt c), is op individuele en geconsolideerde basis van toepassing.

Artikel 3

Kwalitatieve criteria

Personeelsleden worden geacht het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk te beïnvloeden wanneer aan een of meer van de volgende kwalitatieve criteria wordt voldaan:

a)

het personeelslid is lid van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie;

b)

het personeelslid is lid van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie;

c)

het personeelslid is een directielid;

d)

in beleggingsondernemingen met een totale balans die minstens gelijk is aan 100 miljoen EUR: personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid voor bedrijfseenheden die ten minste één van de diensten verstrekken die een vergunning vereisen en die zijn vermeld in deel A, punten 2) tot en met 7), van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (7);

e)

het personeelslid heeft leidinggevende verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van een controlefunctie;

f)

het personeelslid heeft leidinggevende verantwoordelijkheid voor het voorkomen van witwassen van geld en terrorismefinanciering;

g)

het personeelslid is verantwoordelijk voor het beheer van wezenlijke risico’s zoals bedoeld in artikel 28, lid 3, van Richtlijn (EU) 2019/2034 binnen de beleggingsonderneming, of is een stemgerechtigd lid van een comité dat verantwoordelijk is voor het beheer van een wezenlijk risico waaraan de beleggingsonderneming is blootgesteld;

h)

in een beleggingsonderneming die gemachtigd is om ten minste één van de in deel A, punten 2) tot en met 7), van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde diensten te verlenen: het personeelslid is verantwoordelijk voor het beheer van de volgende werkzaamheden:

i)

economische analyse;

ii)

informatietechnologie;

iii)

informatiebeveiliging;

iv)

uitbestedingsregelingen voor kritieke of belangrijke taken als bedoeld in artikel 30, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie (8);

i)

het personeelslid voldoet aan een van de volgende criteria met betrekking tot besluiten om de introductie van nieuwe producten goed te keuren of tegen te houden:

i)

het personeelslid is bevoegd om dergelijke besluiten te nemen;

ii)

het personeelslid is stemgerechtigd lid van een comité dat bevoegd is dergelijke besluiten te nemen.

Artikel 4

Kwantitatieve criteria

1.   Onverminderd de leden 2 tot en met 5 wordt een personeelslid geacht het risicoprofiel van een beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert wezenlijk te beïnvloeden wanneer aan een of meer van de volgende kwantitatieve criteria wordt voldaan:

a)

aan het personeelslid is in of over het voorgaande boekjaar een totale beloning van 500 000 EUR of meer toegekend;

b)

wanneer de beleggingsonderneming meer dan 1 000 personeelsleden telt: het personeelslid behoort tot de 0,3 % van het personeel, afgerond op het eerstvolgende hogere integrale cijfer, dat binnen de beleggingsonderneming de hoogste totale beloning in of over het voorgaande boekjaar heeft gekregen;

c)

aan het personeelslid is in of over het voorgaande boekjaar een totale beloning toegekend die gelijk is aan of meer bedraagt dan de laagste totale beloning die in dat boekjaar is toegekend aan een personeelslid dat voldoet aan één of meerdere van de criteria in artikel 3, punt a), c), d), h) of i).

2.   Het in lid 1 vermelde criterium is niet van toepassing wanneer de beleggingsonderneming vaststelt dat het personeelslid of de categorie personeelsleden waartoe het personeelslid behoort het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of de activa die ze beheert niet wezenlijk beïnvloedt.

3.   De in lid 2 van dit artikel vastgestelde voorwaarde wordt beoordeeld op basis van objectieve criteria waarin rekening wordt gehouden met alle relevante risico- en prestatie-indicatoren die door de beleggingsonderneming worden gebruikt om overeenkomstig artikel 28 van Richtlijn (EU) 2019/2034 risico’s te detecteren, te beheren en te monitoren, en op basis van de taken en bevoegdheden van het personeelslid of de categorieën personeelsleden en hun invloed op het risicoprofiel van de beleggingsonderneming of van de activa die ze beheert, in vergelijking met de invloed van de beroepswerkzaamheden van de personeelsleden die overeenkomstig artikel 3 van deze verordening zijn geïdentificeerd.

4.   De toepassing van lid 2 door een beleggingsonderneming ten aanzien van een in lid 1, punt b), bedoeld personeelslid of een personeelslid aan wie in of over het voorgaande boekjaar een totale beloning van 750 000 EUR of meer is toegekend, is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het prudentieel toezicht op die beleggingsonderneming.

De bevoegde autoriteit verleent haar voorafgaande goedkeuring slechts indien de beleggingsonderneming kan aantonen dat aan de voorwaarde van lid 2 is voldaan, rekening houdend met de in lid 3 vermelde beoordelingscriteria.

5.   Wanneer aan het personeelslid in of over het voorgaande boekjaar een totale beloning van 1 000 000 EUR of meer is toegekend, geeft de bevoegde autoriteit slechts in uitzonderlijke omstandigheden voorafgaande toestemming uit hoofde van lid 4. Om ervoor te zorgen dat dit lid consistent wordt toegepast, informeert de bevoegde autoriteit de EBA voordat zij met betrekking tot een dergelijk personeelslid toestemming geeft.

Het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden wordt door de beleggingsonderneming aangetoond en door de bevoegde autoriteit beoordeeld. Uitzonderlijke omstandigheden zijn situaties die ongebruikelijk zijn, zelden voorkomen of veel verder gaan dat wat gebruikelijk is. De uitzonderlijke omstandigheden hebben betrekking op het desbetreffende personeelslid.

Artikel 5

Berekening van de toegekende totale beloning

1.   Alle bedragen van de variabele en de vaste beloning worden bruto en in voltijdequivalent berekend.

2.   Het beloningsbeleid van de beleggingsonderneming vermeldt het referentiejaar voor de variabele beloning waarmee zij rekening houdt bij de berekening van de totale beloning. Dat referentiejaar is ofwel het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de variabele beloning wordt toegekend, ofwel het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarover de variabele beloning wordt toegekend.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de vijfde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 augustus 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64.

(2)  Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/923 van de Commissie van 25 maart 2021 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met de criteria ter bepaling van leidinggevende verantwoordelijkheid, controlefuncties, essentiële bedrijfseenheden en een aanzienlijke impact op het risicoprofiel van een essentiële bedrijfseenheid, en met criteria voor het identificeren van personeelsleden of categorieën personeelsleden wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling even wezenlijk beïnvloeden als die van de in artikel 92, lid 3, van die richtlijn bedoelde personeelsleden of categorieën personeelsleden (PB L 203 van 9.6.2021, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(7)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 1).


Top