EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R1057

Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013

PE/42/2021/INIT

PB L 231 van 30.6.2021, p. 21–59 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 01/03/2024

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj

30.6.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 231/21


VERORDENING (EU) 2021/1057 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 juni 2021

tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, punt d), artikel 149, artikel 153, lid 2, punt a), artikel 164, artikel 175, derde alinea, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten (de “pijler”) afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn ingedeeld in drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de pijler moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+). Om bij te dragen aan de uitvoering van de pijler moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(2)

Op het niveau van de Unie is het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid (het “Europees Semester”) het kader om nationale hervormingsprioriteiten te bepalen en de uitvoering ervan te monitoren. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd om de met Unie- of nationale middelen te ondersteunen investeringsprojecten in kaart te brengen en te coördineren.

Zij moeten ook helpen om de Uniefinanciering op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die door de Unie worden ondersteund in het kader van, naargelang het geval, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds, waarvan de specifieke doelstellingen en de reikwijdte van de steun zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad (4), het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EFMZVA), opgericht bij een verordening van het Europees Parlement en de Raad, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) en het InvestEU-programma, opgericht bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (6) (InvestEU programma).

(3)

Bij Besluit (EU) 2020/1512 van de Raad (7) zijn herziene richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten aangenomen. De tekst van die richtsnoeren is afgestemd op de beginselen van de pijler, met het oog op het verbeteren van het concurrentievermogen van Europa en om van Europa een betere plaats te maken om te investeren, banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van die richtsnoeren, met name wat werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en bestrijding van sociale uitsluiting, armoede en discriminatie betreft, moet het ESF+ de lidstaten ondersteunen, rekening houdende met de toepasselijke geïntegreerde richtsnoeren en de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn aangenomen op grond van artikel 121, lid 2, en artikel 148, leden 2 en 4, VWEU, en, in voorkomend geval de door nationale strategieën onderbouwde nationale hervormingsprogramma's. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie, met name de mededelingen van de Commissie van 10 juni 2016 met als titel “Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa”, van 30 september 2020 met als titel “De Europese onderwijsruimte” en van 7 oktober 2020 met als titel “Een Unie van gelijkheid: betreffende het nieuw strategisch EU-kader voor gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma” alsmede de aanbevelingen van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt, van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten, van 30 oktober 2020 met als titel “Een brug naar banen — versterking van de jongerengarantie” en van 12 maart 2021 inzake gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma.

(4)

Op 20 juni 2017 heeft de Raad conclusies met als titel “Een duurzame Europese toekomst: EU-respons op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” aangenomen. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling op evenwichtige en geïntegreerde wijze te bereiken in al haar drie dimensies (de economische, de sociale en de milieudimensie). Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling wordt geïntegreerd in alle interne en externe Uniebeleidsgebieden en dat de Unie een ambitieus beleid voert dat wereldwijde uitdagingen aangaat. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 met als titel “Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst” als een eerste stap in het mainstreamen van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals — SDG's) van de Verenigde Naties (VN) en het gebruiken van duurzame ontwikkeling als essentiële leidraad voor al het Uniebeleid, ook via haar financieringsinstrumenten. Het ESF+ moet bijdragen aan de uitvoering van de SDG's, onder meer door extreme vormen van armoede uit te bannen (SDG 1), door kwalitatief en inclusief onderwijs te bevorderen (SDG 4), door gendergelijkheid te bevorderen (SDG 5), door aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen te bevorderen (SDG 8) en door ongelijkheid terug te dringen (SDG 10).

(5)

De structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, sociale ongelijkheden, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de overgang naar schone energie, technologische veranderingen, demografische daling, werkloosheid, met name jeugdwerkloosheid, en de steeds meer vergrijzende beroepsbevolking, alsmede uitdagingen die voortvloeien uit een steeds slechtere afstemming van vraag en aanbod van vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, die vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren, zijn door de recente en nog lopende ontwikkelingen nog veel groter geworden. De groene en de digitale transitie en de transformatie van Europese industriële ecosystemen zullen wellicht vele nieuwe mogelijkheden met zich brengen, als deze gepaard gaan met het juiste pakket beleidsmaatregelen op het gebied van vaardigheden, werkgelegenheid en sociaal beleid. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, onderwijs, opleiding en een leven lang leren, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, waarbij rekening moet worden gehouden met economische en industriële duurzaamheid, arbeidsmobiliteit en moet worden gestreefd naar een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de arbeidsmarkt.

(6)

Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (8) stelt het kader vast voor actie door het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie (JTF), opgericht bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (9), het EFMZVA, het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa, als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, en bepaalt in het bijzonder de beleidsdoelstellingen en de regels inzake programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor in gedeeld beheer uitgevoerde Uniefondsen. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ nader worden omschreven en moeten er specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de soorten activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.

(7)

In Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (10) (het “Financieel Reglement”) zijn de regels voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie (Uniebegroting) vastgesteld, met inbegrip van de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirect beheer, financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties, financiële bijstand en de vergoeding van externe deskundigen. Medefinanciering voor subsidies kan worden verstrekt uit eigen middelen van de begunstigden, door het project voortgebrachte inkomsten of bijdragen in geld of in natura van derden. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van Unieprogramma's, moet het Financieel Reglement van toepassing zijn op de acties die in het kader van het ESF+ in direct of indirect beheer worden uitgevoerd.

(8)

De soorten Uniefinanciering en de uitvoeringsmethoden in deze verordening moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, daarbij met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies dient dit in te houden dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, evenals financiering die niet is gekoppeld aan kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement. Om maatregelen in verband met de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen uit te voeren, en overeenkomstig artikel 94 van Verordening (EU) 2021/1060, moet de Commissie lidstaten kunnen vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.

(9)

Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het bij Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad (11) opgerichte Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftige personen en het bij Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12) vastgestelde programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie worden geïntegreerd in het ESF+. Het ESF+ moet twee onderdelen omvatten: een onderdeel in gedeeld beheer (het “ESF+-onderdeel in gedeeld beheer”), dat in gedeeld beheer moet worden uitgevoerd, en het onderdeel “werkgelegenheid en sociale innovatie” (het “EaSI-onderdeel”), dat in direct en indirect beheer moeten worden uitgevoerd. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten waarmee het beheer van verschillende fondsen gepaard gaat, vooral voor de lidstaten en de begunstigden, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere concrete acties, zoals de verdeling van voedselhulp en/of materiële basishulp, worden behouden.

(10)

Met het oog op het bredere toepassingsgebied van het ESF+ is het zinvol dat de doelstellingen om de arbeidsmarkten efficiënter te maken, gelijke toegang tot kwalitatief werk te bevorderen, gelijke toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren om bij te dragen aan re-integratie in onderwijsstelsels, sociale inclusie van kwetsbare personen en hun toegang tot gezondheidszorg te bevorderen en armoede te helpen bestrijden, niet enkel worden uitgevoerd in gedeeld beheer van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer, maar ook, voor acties die op Unieniveau nodig zijn, in direct en indirect beheer in het kader van het EaSI-onderdeel.

(11)

In deze verordening moeten de financiële middelen worden vastgelegd voor de volledige duur van het ESF+, dat het voornaamste referentiebedrag vormt in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (13) voor het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure. Daarbij moeten de toewijzing voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer en de toewijzing voor acties in het kader van het EaSI-onderdeel worden gespecificeerd.

(12)

Om de uitvoering van de specifieke en operationele doelstellingen van het EaSI-onderdeel te faciliteren, moet het ESF+ activiteiten ondersteunen die verband houden met technische en administratieve bijstand, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, terwijl communicatie- en verspreidingsactiviteiten deel moeten uitmaken van de acties die in aanmerking komen voor het EaSI-onderdeel.

(13)

Het ESF+ moet erop gericht zijn de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor integratie en re-integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, in het bijzonder via de uitvoering van de versterkte jongerengarantie, van langdurig werklozen, van kansarme groepen op de arbeidsmarkt en van inactieven mogelijk wordt gemaakt, alsook door het bevorderen van zelfstandige arbeid en de sociale economie. Het ESF+ moet erop gericht zijn de arbeidsmarkten beter te laten functioneren door bij te dragen aan de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, om hun capaciteit te verbeteren om intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens het zoeken naar werk en de overgang naar werk en om de mobiliteit van werknemers te verbeteren. Het ESF+ moet een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die onder meer gericht zijn op gelijke arbeidsvoorwaarden, een beter evenwicht tussen werk en privéleven en een betere toegang tot kinderopvang, met inbegrip van voor- en vroegschoolse educatie en opvang. Het ESF+ moet ook ten doel hebben een gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren, zodat rekening wordt gehouden met gezondheidsrisico's in verband met veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking.

(14)

Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwalitatiever, inclusiever, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken, onder meer door het bevorderen van digitaal leren, de validatie van niet-formeel en informeel leren, en de professionele ontwikkeling van onderwijsgevenden, om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder kennis van gezondheid, mediawijsheid, ondernemersvaardigheden, taalvaardigheden, digitale vaardigheden en competenties voor duurzame ontwikkeling die iedereen nodig heeft voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet progressie bevorderen in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk, moet ondersteuning bieden voor een leven lang leren en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt om ervoor te zorgen dat iedereen ten volle kan deelnemen aan de samenleving, en moet bijdragen aan het concurrentievermogen, onder meer door het volgen van afgestudeerden, en aan maatschappelijke en economische innovatie door opschaalbare duurzame initiatieven op die gebieden te ondersteunen die op verschillende doelgroepen, zoals personen met een handicap, zijn afgestemd. Die hulp, ondersteuning en bijdrage kunnen bijvoorbeeld worden bereikt door middel van online leren, opleidingen op het werk, stageplaatsen, duale onderwijs- en opleidingsstelsels, leerlingplaatsen zoals gedefinieerd in de aanbeveling van de Raad van 15 maart 2018 voor een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op de vraag naar vaardigheden in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, actueel opleidingsmateriaal en onderwijsmethoden, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties en certificaten van bedrijfsopleidingen.

(15)

Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwalitatieve, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf voor- en vroegschoolse educatie en opvang, met bijzondere aandacht voor kinderen met een kansarme sociaaleconomische achtergrond, via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, met name leerlingplaatsen, tot tertiair onderwijs, evenals via volwassenenonderwijs en -opleiding, waaronder via sport- en culturele activiteiten. Het ESF+ moet gerichte steun bieden aan lerenden die dat nodig hebben, en ongelijkheden in het onderwijs verminderen, onder meer door de digitale kloof te verkleinen, voortijdig schoolverlaten te voorkomen en te verminderen, de doorstroming tussen onderwijs- en opleidingssectoren te bevorderen, de koppeling met niet-formeel en informeel leren te versterken, en de leermobiliteit voor iedereen en de toegankelijkheid voor personen met een handicap te vergemakkelijken. Synergieën met Erasmus+, opgericht bij Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad (14), met name ter bevordering van de deelname van kansarme lerenden aan leermobiliteit, moet in deze context worden ondersteund.

(16)

Het ESF+ moet flexibele mogelijkheden voor iedereen voor het bijwerken van vaardigheden en het verwerven van nieuwe en andere vaardigheden bevorderen, met name ondernemers- en digitale vaardigheden, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, en vaardigheden voor de groene economie en industriële ecosystemen overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 10 maart 2020 met als titel “Een nieuwe industriestrategie voor Europa”. Overeenkomstig de vaardighedenagenda voor Europa en de aanbeveling van de Raad tot invoering van bijscholingstrajecten (15) moet het ESF+ flexibele trajecten ondersteunen, waaronder toegankelijke, korte, gerichte modulaire opleidingen die tot een certificaat leiden, om mensen uit te rusten met vaardigheden die zijn aangepast aan de behoeften van de arbeidsmarkt en van industriële ecosystemen, aan de groene en de digitale transitie, innovatie en sociale en economische veranderingen, waarbij her- en bijscholing en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen, geografische en sectorale mobiliteit worden vergemakkelijkt en in het bijzonder laaggeschoolden, personen met een handicap, en volwassenen met geringe vaardigheden worden ondersteund. Het ESF+ moet het ook makkelijker maken afzonderlijke personen, ongeacht of zij werken, zelfstandig of werkloos zijn, via instrumenten als een individuele leerrekening ondersteuning te bieden wat betreft de verwerving van geïntegreerde vaardigheden.

(17)

Synergieën met het bij Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (16) vastgestelde Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie — moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma's kan mainstreamen en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de banen van de toekomst.

(18)

Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ondersteunen om armoede uit te bannen zodat het doorgeven van kansarmoede van generatie op generatie wordt doorbroken, en sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen voor iedereen te waarborgen, belemmeringen in te perken, en discriminatie en ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken. Die ondersteuning vereist dat een heel scala aan beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun geslacht, seksuele geaardheid, leeftijd, godsdienst of overtuiging, ras of etnische afstamming, met name gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma, mensen met een handicap of chronische ziekten, daklozen, kinderen en ouderen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaaleconomische integratie. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten die de toegang bevorderen tot huisvesting en persoonsgerichte zorg, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband. Het ESF+ moet bijdragen aan de modernisering van socialebeschermingsstelsels, met bijzondere aandacht voor kinderen en kansarme groepen, met name om deze stelsels toegankelijker te helpen maken, zo ook voor personen met een handicap.

(19)

Het ESF+ moet bijdragen aan het uitbannen van de armoede door het ondersteunen van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd en van de meest behoeftige personen te bevorderen. Met als overkoepelend doel dat op Unieniveau ten minste 4 % van de middelen uit het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer ter ondersteuning van de meest behoeftige personen dient, moeten de lidstaten ten minste 3 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. De verstrekking van voedselhulp en/of materiële basishulp aan de meest behoeftige personen mag niet in de plaats komen van bestaande sociale uitkeringen die hun door nationale sociale stelsels of het nationale recht worden verleend. Gezien de aard van de concrete acties en het type eindontvangers moeten er eenvoudigere regels worden toegepast op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftige personen.

(20)

In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen, waaronder migranten, hetgeen betrekking kan hebben op initiatieven op lokaal niveau, als aanvulling in het kader van het AMIF, het EFRO en andere fondsen van de Unie gefinancierde acties die een positief effect kunnen hebben op de inclusie van onderdanen van derde landen.

(21)

Vanwege het belang van de toegang tot gezondheidszorg moet het ESF+ synergieën en complementariteit met het EU4Health-programma, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad (17) waarborgen en moet de toegang tot gezondheidszorg voor mensen in een kwetsbare situatie in het toepassingsgebied van het ESF+ worden opgenomen.

(22)

Het ESF+ moet beleids- en stelselhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, toegang tot gezondheidszorg voor kwetsbare personen, langdurige zorg, onderwijs en opleiding, en zo armoede helpen uitbannen. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een geschikt bedrag van hun ESF+-middelen in gedeeld beheer toewijzen voor het uitvoeren van relevante landspecifieke aanbevelingen die betrekking hebben op structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+ en met inachtneming van de pijler, het sociaal scorebord van indicatoren, zoals herzien na de vaststelling van de in het actieplan voor de sociale pijler vastgelegde nieuwe streefdoelen en specifieke regionale kenmerken.

De Commissie en lidstaten moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals het JTF, het EFRO, het EU4Health-programma, de bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (18) vastgestelde herstel- en veerkrachtfaciliteit, het bij Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad (19) opgerichte Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers, het EFMZVA, het Erasmus+, het AMIF, Horizon Europa, het Elfpo, het bij Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad (20) vastgestelde programma Digitaal Europa, het InvestEU-programma, het bij Verordening (EU) 2021/818 van het Europees Parlement en de Raad (21) vastgestelde Creatief Europa-programma, het bij Verordening (EU) 2021/888 van het Europees Parlement en de Raad (22) opgerichte Europees Solidariteitskorps en het bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad (23) vastgestelde instrument voor technische ondersteuning.

Meer in het bijzonder moeten de Commissie en de lidstaten in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.

(23)

Door de in deze verordening vermelde specifieke doelstellingen te steunen door bij te dragen aan de beleidsdoelstelling “een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” als bedoeld in Verordening (EU) 2021/1060 zal het ESF+ blijven bijdragen aan territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën met het oog op het uitvoeren van de pijler. Het zal de instrumenten van artikel 28 van die verordening ondersteunen en aldus bijdragen tot de verwezenlijking van beleidsdoelstelling “een Europa dat dichter bij de burger staat”, door het bevorderen van de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van alle soorten gebieden en lokale initiatieven als bedoeld in Verordening (EU) 2021/1060 onder meer door maatregelen voor armoedebestrijding en sociale inclusie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van stedelijke, plattelands- en kustgebieden, teneinde de sociaaleconomische ongelijkheden in steden en regio's aan te pakken.

(24)

Opdat de sociale dimensie van Europa, beschreven in de pijler, naar behoren wordt bevorderd en opdat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftige personen, moeten de lidstaten ten minste 25 % van hun nationale middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie.

(25)

Om het aanhoudend hoge niveau van armoede onder kinderen in de Unie aan te pakken en in overeenstemming met beginsel 11 van de pijler, waarin staat dat kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede en dat kinderen uit kansarme milieus recht hebben op specifieke maatregelen die gelijke kansen versterken, moeten de lidstaten een geschikt bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van de kindergarantie voor activiteiten ter bestrijding van armoede onder kinderen overeenkomstig de specifieke doelstellingen van het ESF+ waarbij middelen kunnen worden toegewezen aan maatregelen die directe ondersteuning bieden voor de gelijke toegang van kinderen tot opvang, onderwijs, gezondheidszorg, behoorlijke huisvesting en geschikte voeding. Lidstaten waar tussen 2017 en 2019 het gemiddeld aandeel kinderen jonger dan 18 jaar die het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting, volgens gegevens van Eurostat voor die periode boven het Uniegemiddelde lag, moeten ten minste 5 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toewijzen aan die activiteiten. Concrete acties die bijdragen aan dit vereiste inzake thematische concentratie moeten worden opgenomen in het vereiste inzake thematische concentratie van 25 % voor sociale inclusie indien ze worden geprogrammeerd in het kader van de relevante specifieke doelstellingen.

(26)

Om na een ernstige crisis een inclusief economisch herstel makkelijker te maken en om in een veranderend arbeidsbestel en in het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio's, de jongerenwerkgelegenheid te ondersteunen, moeten alle lidstaten een geschikt bedrag van hun ESF+-middelen investeren in maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid en vaardigheden van jongeren, onder meer door de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuen en die werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode van 2014 tot en met 2020 bij Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad (24), en op de daaruit geleerde lessen, moeten de lidstaten verder steun blijven verstrekken voor herintegratietrajecten op basis van hoogwaardig werk en onderwijs, en investeren in maatregelen voor vroegtijdige preventie en doeltreffende voorlichting door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken, en in de passende capaciteiten van diensten voor arbeidsvoorziening, zodat deze een holistische ondersteuning op maat en een gerichter aanbod aan jongeren kunnen bieden. Door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief volledig in het ESF+ op te nemen, zal de uitvoering van gerichte acties voor jongerenwerkgelegenheid doeltreffender en efficiënter zijn en zal het toepassingsgebied worden uitgebreid tot structurele maatregelen en hervormingen, zodat de financieringssteun van de Unie beter aansluit bij de uitvoering van de versterkte jongerengarantie.

Het verbeteren van vaardigheden en het verwerven van nieuwe en andere vaardigheden moeten jongeren helpen de kansen van groeiende sectoren te grijpen en hen op de veranderde aard van werk voor te bereiden en tegelijkertijd de mogelijkheden van de groene en de digitale transitie en de transformatie van de industriële ecosystemen van de Unie te benutten. Daarom moeten lidstaten waar in de periode tussen 2017 en 2019 het aandeel jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hadden en geen onderwijs of opleiding volgden, volgens gegevens van Eurostat voor die periode boven het Uniegemiddelde lag, ten minste 12,5 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer aan die maatregelen toewijzen.

(27)

Overeenkomstig artikel 349 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 (25) betreffende bijzondere bepalingen voor doelstelling 6 in het kader van de structuurfondsen in Finland, Noorwegen en Zweden, hebben de ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de programma's van de Unie. Deze regio's hebben vanwege de blijvende schadelijke factoren zoals ontvolking bijzondere steun nodig.

(28)

Een efficiënte en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van behoorlijk bestuur en partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en de organisaties van het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten een geschikt bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toewijzen om te zorgen voor een zinvolle deelname van de sociale partners en de organisaties van het maatschappelijk middenveld aan de uitvoering van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer. Die deelname moet ook betrekking hebben op relevante instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en instanties die verantwoordelijk zijn voor de bevordering van sociale inclusie, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie. Lidstaten met een landspecifieke aanbeveling inzake capaciteitsopbouw van sociale partners of de organisaties van het maatschappelijk middenveld moeten daartoe ten minste 0,25 % van hun middelen uit het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toewijzen vanwege hun specifieke behoeften op dat gebied.

(29)

Steun voor sociale innovatie is cruciaal om met beleid beter op sociale veranderingen te kunnen inspelen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen. Met name het testen en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van groot nut om het beleid efficiënter te maken en rechtvaardigt zodoende de specifieke steun uit het ESF+. Ondernemingen in de sociale economie kunnen een sleutelrol spelen bij het verwezenlijken van sociale innovatie en bij het leveren van een bijdrage aan de economische en sociale veerkracht. De definitie van ondernemingen in de sociale economie moet overeenstemmen met de definities die zijn vastgesteld in het nationale recht, alsook in de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa. Met het oog op het bevorderen van wederzijds leren en de uitwisseling van kennis en praktijken moeten de lidstaten bovendien worden aangemoedigd om hun transnationale samenwerkingsacties in gedeeld beheer op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding en sociale inclusie voort te zetten overeenkomstig de specifieke doelstellingen van het ESF+.

(30)

De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU, zulks ter bevordering van gelijke behandeling van en gelijke kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, en de inclusie op voet van gelijkheid met anderen in de maatschappij bevordert van personen met een handicap en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het op 13 december 2006 in New York vastgestelde VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Het ESF+ moet de toegankelijkheid helpen bevorderen voor personen met een handicap met het oog op een betere integratie op de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding en aldus hun inclusie in alle aspecten van het leven. Met de bevordering van die toegankelijkheid moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma’s, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële of institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF+ mag geen actie ondersteunen die bijdraagt tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) 2021/1060 bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer moet worden voorzien.

(31)

Alle concrete acties moeten worden geselecteerd en uitgevoerd met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”). De Commissie moet alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat klachten tijdig worden beoordeeld, met inbegrip van klachten in verband met inbreuken op het Handvest, en moet de klager in kennis stellen van het resultaat van haar beoordeling overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 19 januari 2017 met als titel “EU-wetgeving: betere resultaten door betere toepassing”.

(32)

Om de administratieve lasten in verband met het verzamelen van gegevens te verminderen, moeten de verslagleggingsvereisten zo eenvoudig mogelijk worden gehouden. Indien die gegevens beschikbaar zijn in registers of gelijkwaardige bronnen, moeten de lidstaten beheersautoriteiten kunnen toestaan deze gegevens uit die registers te verkrijgen.

(33)

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening moeten de nationale verantwoordelijken voor de gegevensverwerking hun taken in het kader van deze verordening uitvoeren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (26). De waardigheid en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de eindontvangers van concrete acties moeten worden gewaarborgd in het kader van de specifieke doelstelling “bestrijden van materiële deprivatie door middel van voedselhulp en/of materiële basishulp aan de meest behoeftige personen, onder meer kinderen, en aanreiken van begeleidende maatregelen voor hun sociale inclusie”. Om stigmatisering te voorkomen, mag van de personen die voedselhulp en/of materiële basishulp ontvangen, niet worden verlangd dat zij zichzelf identificeren wanneer zij steun ontvangen en deelnemen aan enquêtes over de meest behoeftige personen die steun hebben gekregen via het ESF+-programma.

(34)

Via sociale experimenten worden kleinschalige projecten getest, waardoor informatie kan worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn en worden aangemoedigd om ideeën op lokaal niveau te testen en met haalbare ideeën op ruimere schaal door te gaan waar passend, of ze over te nemen in andere contexten in verschillende regio's of lidstaten met financiële ondersteuning van het ESF+ of in combinatie met andere bronnen.

(35)

In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de openbare diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten, de Commissie en de sociale partners tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet de arbeidsmarkten beter laten functioneren door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers te faciliteren, met name door middel van grensoverschrijdende partnerschappen, en de informatie over de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook het ontwikkelen en ondersteunen van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden ingevuld indien er sprake is van tekortkomingen op de arbeidsmarkt.

(36)

Voor micro-ondernemingen, de sociale economie en sociale ondernemingen is een van de grootste belemmeringen voor het starten van een bedrijf gebrek aan toegang tot financiering, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In het kader van het EaSI-onderdeel moet deze verordening bepalingen vaststellen om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering te vergroten voor sociale ondernemingen en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name werklozen, vrouwen en kwetsbare personen die een micro-onderneming willen starten of ontwikkelen. Naar verwezenlijking van die doelstelling zal ook worden gestreefd via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds. Ondernemingen in de sociale economie, wanneer zij in het nationale recht zijn gedefinieerd, moeten worden beschouwd als sociale ondernemingen in de context van het EaSI-onderdeel, ongeacht hun juridische status, voor zover die definities stroken met de definitie van een sociale onderneming in deze verordening.

(37)

Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen, aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelen. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval en voor zover zij geen politieke of maatschappelijke motieven hebben die in strijd zijn met de idealen van de Unie, worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.

(38)

Er zijn richtsnoeren onder het EaSI-onderdeel nodig met betrekking tot de ontwikkeling van sociale infrastructuur en daarmee verband houdende diensten, met name voor sociale huisvesting, kinderopvang en onderwijs, gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van voorzieningen om de overgang van institutionele zorg naar zorg in gemeenschaps- of gezinsverband, rekening houdend met de toegankelijkheidseisen voor personen met een handicap.

(39)

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering (27), en de duurzameontwikkelingsdoelen uit te voeren, zal deze verordening bijdragen tot het mainstreamen van klimaatacties en het verwezenlijken van de algemene doelstelling 30 % van de Uniebegrotingsuitgaven aan klimaatdoelen te besteden. Bij de voorbereiding en de uitvoering daarvan zullen er relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie zullen deze opnieuw worden beoordeeld.

(40)

Krachtens Besluit 2013/755/EU van de Raad (28) moeten in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het EaSI-onderdeel en regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee de desbetreffende landen en gebieden overzee banden hebben.

(41)

Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte kunnen aan programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (29), die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen mogen ook deelnemen op basis van andere rechtsinstrumenten. Deze verordening moet voorzien in een specifieke bepaling die van derde landen vereist dat ze de nodige rechten en toegang verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(42)

Het is passend de belangrijkste indicatoren voor de verslaglegging in het kader van het EaSI-onderdeel vast te stellen. Die indicatoren moeten op output gebaseerd, objectief en gemakkelijk opvraagbaar zijn en in verhouding staan tot het aandeel van het Easi-onderdeel binnen het hele ESF+. Zij moeten betrekking hebben op de operationele doelstellingen en de financieringsactiviteiten in het kader van het EaSI-onderdeel, zonder dat overeenkomstige streefdoelen moeten worden vastgesteld.

(43)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (30) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (31), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (32) en (EU) 2017/1939 (33) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, onder meer door evenredige maatregelen in te voeren waaronder maatregelen die verband houden met preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, met terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen. Met name heeft OLAF overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid administratieve onderzoeken in te stellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onrechtmatige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd over te gaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (34). Personen of entiteiten die Uniemiddelen ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Europese Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(44)

Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde horizontale financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, prijzen, aanbestedingen en indirect beheer, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten ook een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting.

(45)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten vergroten en de gelijke toegang tot kwalitatief werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding verbeteren, sociale inclusie bevorderen en bijdragen tot de uitbanning van armoede, alsook de nagestreefde doelstellingen in het kader van het EaSI-onderdeel, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(46)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en aanvulling van de bijlagen over de indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (35). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(47)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot het model voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers moeten, gezien de aard van dit model, worden uitgeoefend volgens de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (36) bedoelde raadplegingsprocedure.

(48)

Om snel te kunnen reageren op uitzonderlijke of ongewone omstandigheden, zoals bedoeld in het stabiliteits- en groeipact, die zich tijdens de programmeringsperiode kunnen voordoen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het nemen van tijdelijke maatregelen om de inzet van steun uit het ESF+ in reactie op dergelijke omstandigheden te vergemakkelijken, met een maximumtermijn van 18 maanden. De Commissie moet de maatregelen vaststellen die het meest geschikt zijn in het licht van de uitzonderlijke of ongewone omstandigheden waarmee een lidstaat wordt geconfronteerd, en daarbij de doelstellingen van het ESF+ handhaven, maar daarbij mag het niet gaan om wijzigingen van de vereisten inzake thematische concentratie. Bovendien moeten de uitvoeringsbevoegdheden in verband met de tijdelijke maatregelen voor het gebruik van steun van het ESF+ in reactie op uitzonderlijke of ongewone omstandigheden zonder comitéprocedure aan de Commissie worden verleend, aangezien het toepassingsgebied van die maatregelen door het stabiliteits- en groeipact wordt bepaald en beperkt is tot de in deze verordening vastgestelde maatregelen. De Commissie moet ook toezicht houden op de uitvoering en de geschiktheid van de tijdelijke maatregelen beoordelen. Wanneer de Commissie het wegens de uitzonderlijke of ongewone omstandigheden nodig acht deze verordening te wijzigen, mag het toepassingsgebied van de wijziging geen betrekking hebben op de vereisten inzake thematische concentratie in verband met jongerenwerkgelegenheid of steun voor de meest behoeftige personen, omdat jongeren en de meest behoeftige personen vaak het zwaarst getroffen worden door dergelijke crisissituaties. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat deze doelgroepen voldoende steun blijven ontvangen.

(49)

Bij het beheer van het ESF+ moet de Commissie worden bijgestaan door een Comité als bedoeld in artikel 163 VWEU (het “ESF+-Comité”). Opdat het ESF+-comité over alle nodige informatie kan beschikken en een brede waaier aan standpunten van belanghebbenden verkrijgt, moet het ESF+-comité vertegenwoordigers zonder stemrecht kunnen uitnodigen, mits de agenda van de vergadering hun deelname vereist, met inbegrip van vertegenwoordigers van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds en relevante maatschappelijke organisaties.

(50)

Om ervoor te zorgen dat er rekening blijft gehouden worden met de specifieke kenmerken van elk ESF+-onderdeel, moet het ESF+-comité voor elk van de ESF+-onderdelen werkgroepen oprichten. De samenstelling en taken van die werkgroepen moeten worden vastgesteld door het ESF+-comité. De werkgroepen moeten vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden op hun vergaderingen kunnen uitnodigen. De taken van de werkgroepen kunnen bestaan uit het zorgen voor coördinatie en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie bij de uitvoering van het ESF+, met inbegrip van raadpleging over het werkprogramma van het EaSI-onderdeel, het monitoren van de uitvoering van elk ESF+-onderdeel, het uitwisselen van ervaringen en goede praktijken binnen en tussen de ESF+-onderdelen en het bevorderen van potentiële synergieën met andere programma's van de Unie.

(51)

Met het oog op meer transparantie bij de uitvoering van deze verordening moet de Commissie de nodige contacten leggen met de relevante beleidscomités die actief zijn op sociaal en werkgelegenheidsgebied, zoals het Comité voor werkgelegenheid en sociale bescherming of het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats.

(52)

Overeenkomstig artikel 193, lid 2, van het Financieel Reglement is ook een reeds begonnen actie subsidiabel mits de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was de actie reeds vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst te beginnen. De kosten die vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt, zijn echter niet subsidiabel, behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen. Om te voorkomen dat Uniefinanciering onderbroken wordt en de belangen van de Unie aldus mogelijk geschaad, moet het mogelijk zijn om gedurende een beperkte periode aan het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, en uitsluitend in naar behoren gemotiveerde gevallen, bij financieringsbesluit te voorzien in subsidiabiliteit van activiteiten en kosten vanaf het begin van het begrotingsjaar 2021, zelfs indien deze activiteiten verricht zijn en deze kosten gemaakt zijn vóór indiening van de subsidieaanvraag.

(53)

Verordening (EU) nr. 1296/2013 dient derhalve te worden gewijzigd.

(54)

Ter waarborging van de continuïteit van steunverlening op het gegeven beleidsterrein en ter uitvoering van het programma vanaf het begin van het meerjarig financieel kader 2021 tot en met 2027, moet deze verordening dringend in werking treden op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en, wat het EaSI-onderdeel betreft, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021 van toepassing zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

Deel I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Artikel 2

Definities

Artikel 3

Algemene doelstellingen van het ESF+ en uitvoeringsmethoden

Artikel 4

Specifieke doelstellingen van het ESF+

Artikel 5

Begroting

Artikel 6

Gendergelijkheid, gelijke kansen en non-discriminatie

Deel II

Uitvoering in gedeeld beheer

Hoofdstuk I

Gemeenschappelijke bepalingen inzake programmering

Artikel 7

Consistentie en thematische concentratie

Artikel 8

Eerbiediging van het Handvest

Artikel 9

Partnerschap

Artikel 10

Steun voor de meest behoeftige personen

Artikel 11

Steun voor jongerenwerkgelegenheid

Artikel 12

Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen

Hoofdstuk II

Algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

Artikel 13

Toepassingsgebied

Artikel 14

Sociaal innovatieve acties

Artikel 15

Transnationale samenwerking

Artikel 16

Subsidiabiliteit

Artikel 17

Indicatoren en verslaglegging

Hoofdstuk III

ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie

Artikel 18

Toepassingsgebied

Artikel 19

Beginselen

Artikel 20

Inhoud van de prioriteit

Artikel 21

Subsidiabiliteit van concrete acties

Artikel 22

Subsidiabiliteit van uitgaven

Artikel 23

Indicatoren en verslaglegging

Artikel 24

Controle

Deel III

Uitvoering in direct en indirect beheer

Hoofdstuk I

Operationele doelstellingen

Artikel 25

Operationele doelstellingen

Hoofdstuk II

Subsidiabiliteit

Artikel 26

Subsidiabele acties

Artikel 27

Subsidiabele entiteiten

Artikel 28

Horizontale beginselen

Artikel 29

Deelname van derde landen

Hoofdstuk III

Algemene bepalingen

Artikel 30

Vormen van Uniefinanciering en uitvoeringsmethoden

Artikel 31

Werkprogramma

Artikel 32

Monitoring en verslaglegging

Artikel 33

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Artikel 34

Evaluatie

Artikel 35

Controles

Artikel 36

Informatie, communicatie en publiciteit

Deel IV

Slotbepalingen

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 38

Comitéprocedure voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

Artikel 39

Op grond van artikel 163 VWEU ingesteld comité

Artikel 40

Overgangsbepalingen voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

Artikel 41

Overgangsbepalingen voor het EaSI-onderdeel

Artikel 42

Inwerkingtreding

BIJLAGE I

Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

BIJLAGE II

Gemeenschappelijke indicatoren voor de ESF+-acties gericht op sociale inclusie van de meest behoeftige personen binnen specifieke doelstelling van artikel 4, lid 1, punt l), in overeenstemming met artikel 7, lid 5, eerste alinea

BIJLAGE III

Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie

BIJLAGE IV

Indicatoren voor het EaSI-onderdeel

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), dat bestaat uit twee onderdelen: het onderdeel in gedeeld beheer (het “ESF+-onderdeel in gedeeld beheer”) en het onderdeel “werkgelegenheid en sociale innovatie” (het “EaSI-onderdeel”), opgericht.

In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting ervan voor de periode 2021 tot en met 2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van Uniefinanciering alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“een leven lang leren”: alle vormen van leren, met name formeel, niet-formeel en informeel leren, in alle levensfasen die tot een verbetering of bijwerking van kennis, vaardigheden, competenties en attitudes leiden of die leiden tot participatie op persoonlijk, maatschappelijk, cultureel, sociaal of arbeidsgerelateerd vlak, met inbegrip van de verlening van begeleiding en advies, voor- en vroegschoolse educatie en opvang, algemeen vormend onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs, volwasseneneducatie, jeugdwerk en andere leeromgevingen buiten het formele onderwijs en de formele opleiding, en het stimuleert bij uitstek sectoroverschrijdende samenwerking en flexibele leertrajecten;

2)

“onderdaan van een derde land”: een persoon die geen burger van de Unie, met inbegrip van staatlozen en personen met een niet-vastgestelde nationaliteit;

3)

“materiële basishulp”: goederen om te voldoen aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven, zoals kleding, toiletartikelen, met inbegrip van producten voor vrouwelijke hygiëne, en schoolbenodigdheden;

4)

“kansarme groep”: een groep van personen in een kwetsbare situatie, met inbegrip van personen die armoede, sociale uitsluiting of discriminatie in haar vele facetten ondervinden of dreigen te ondervinden;

5)

“sleutelcompetenties”: de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft voor persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap, met name geletterdheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie, schone kunsten en engineering; digitale vaardigheden; mediavaardigheden; persoonlijke, sociale en leervaardigheden; actieve burgerschapsvaardigheden; ondernemerschap; cultureel en intercultureel bewustzijn, culturele expressie en kritisch denken;

6)

“meest behoeftige personen”: natuurlijke personen — individuen, gezinnen, huishoudens of groepen van personen, met inbegrip van kinderen in kwetsbare situaties en daklozen — van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbenden, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en die elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;

7)

“eindontvangers”: de meest behoeftige personen die de in artikel 4, lid 1, punt m), bedoelde steun ontvangen;

8)

“sociale innovatie”: een activiteit waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name een activiteit die verband houdt met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën met betrekking tot producten, diensten, praktijken en modellen, die tegelijk in sociale behoeften voorziet en nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden tussen openbare, maatschappelijke of particuliere organisaties tot stand brengt en zo de samenleving ten goede komt en haar handelingscapaciteit vergroot;

9)

“begeleidende maatregel”: een activiteit ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of materiële basishulp die tot doel heeft sociale uitsluiting tegen te gaan en bij te dragen tot de uitbanning van armoede, zoals verwijzingen naar of verstrekking van sociale en gezondheidsdiensten, met inbegrip van psychologische bijstand, of verstrekking van relevante informatie over openbare diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;

10)

“sociaal experiment”: een beleidsmaatregel die beoogt innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aan te dragen en op kleine schaal wordt uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens onder andere omstandigheden waaronder van geografische of sectorale aard of op grotere schaal te worden uitgevoerd, indien de resultaten gunstig blijken;

11)

“grensoverschrijdend partnerschap”: een samenwerkingsstructuur tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, maatschappelijke organisaties of de sociale partners die in ten minste twee lidstaten zijn gevestigd;

12)

“micro-onderneming”: een onderneming met minder dan tien werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;

13)

“sociale onderneming”: een onderneming, ongeacht haar rechtsvorm, met inbegrip van ondernemingen in de sociale economie, of een natuurlijke persoon die:

a)

overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat waar een sociale onderneming is gevestigd, als belangrijkste sociale doelstelling het verwezenlijken van meetbare positieve sociale effecten, waaronder ook milieueffecten, heeft en niet zozeer het realiseren van winst voor andere doeleinden nastreeft, en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert of gebruikmaakt van methoden voor de productie van goederen of diensten die sociale doelstellingen belichamen;

b)

de winst in de eerste plaats gebruikt om haar voornaamste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels beschikt die ervoor zorgen dat de winstverdeling die voornaamste sociale doelstelling niet ondermijnt;

c)

op zakelijke, participatieve, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;

14)

“referentiewaarde”: een waarde die wordt gebruikt voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;

15)

“kosten voor de aankoop van voedselhulp of materiële basishulp”: de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp of materiële basishulp door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp of materiële basishulp;

16)

“microfinanciering”: garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling zoals die in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en inkomstengenererende activiteiten;

17)

“blendingverrichting”: een door de Uniebegroting ondersteunde actie, waaronder in het kader van een blendingfaciliteit of een platform zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun of financieringsinstrumenten uit de Uniebegroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

18)

“juridische entiteit”: een natuurlijke persoon, of een rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het Unie, nationale of internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die de bevoegdheid heeft in eigen naam te handelen, rechten uit te oefenen en verplichtingen te hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, punt c), van het Financieel Reglement;

19)

“gemeenschappelijke indicator van onmiddellijke resultaten”: een gemeenschappelijke resultaatindicator die een beeld van de effecten geeft vanaf vier weken na de dag waarop de deelnemer de verrichting heeft verlaten;

20)

“gemeenschappelijke indicator van resultaten op langere termijn”: een gemeenschappelijke resultaatindicator die een beeld van de effecten geeft zes maanden nadat de deelnemer de verrichting heeft verlaten.

2.   De in artikel 2 van Verordening (EU) 2021/1060 uiteengezette definities gelden ook voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer.

Artikel 3

Algemene doelstellingen van het ESF+ en uitvoeringsmethoden

1.   Het ESF+ beoogt lidstaten en regio's te steunen bij het bereiken van hoge werkgelegenheidsniveaus, een rechtvaardige sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld, evenals inclusieve en hechte samenlevingen die erop gericht zijn armoede uit te bannen en de in de Europese pijler van sociale rechten uiteengezette beginselen nastreven.

2.   Het ESF+ steunt de beleidsmaatregelen van de lidstaten met het oog op gelijke kansen, gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, rechtvaardige en hoogwaardige arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, vult deze aan en voegt er meerwaarde aan toe, met bijzondere aandacht voor kwalitatieve en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, een leven lang leren, investeringen in kinderen en jongeren en toegang tot basisdiensten.

3.   Het ESF+ wordt uitgevoerd:

a)

in gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (ESF+-onderdeel in gedeeld beheer), en

b)

in direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 25 vermelde doelstellingen (EaSI-onderdeel).

Artikel 4

Specifieke doelstellingen van het ESF+

1.   Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit, onderwijs, sociale inclusie, onder meer door bij te dragen aan het uitbannen van armoede, en aldus ook door bij te dragen aan de in artikel 5, punt d), van de Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde beleidsdoelstelling “Een socialer en inclusiever Europa — Uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten”:

a)

verbeteren van de toegang tot werk en activeringsmaatregelen voor alle werkzoekenden, met name jongeren, vooral door de jongerengarantie uit te voeren, voor langdurig werklozen en voor kansarme groepen op de arbeidsmarkt, en voor inactieven, en door zelfstandig ondernemerschap en de sociale economie te bevorderen;

b)

moderniseren van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen voor een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en voor overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;

c)

bevorderen van een genderevenwichtige arbeidsmarktparticipatie, gelijke arbeidsvoorwaarden en een betere balans tussen werk en privéleven, onder meer door toegang tot betaalbare kinderopvang en zorg voor afhankelijke personen;

d)

bevorderen van de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, van actief en gezond ouder worden en van een gezonde en voldoende aangepaste werkomgeving met aandacht voor gezondheidsrisico's;

e)

onderwijs- en opleidingsstelsels kwalitatiever, inclusiever, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt maken, onder meer door niet-formeel en informeel leren te valideren, het verwerven van sleutelcompetenties, onder meer ondernemers- en digitale vaardigheden, ondersteunen en het bevorderen van de invoering van duale opleidingsstelsels en leerlingplaatsen;

f)

bevorderen van de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwalitatieve en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding — vooral voor kansarme groepen — vanaf voor- en vroegschoolse educatie en opvang via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair onderwijs, evenals volwassenenonderwijs en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen en de toegang voor personen met een handicap te vergemakkelijken;

g)

bevorderen van een leven lang leren, met name flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van ondernemers- en digitale vaardigheden, beter anticiperen op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, versoepelen van loopbaanovergangen en bevorderen van beroepsmobiliteit;

h)

bevorderen van actieve inclusie met het oog op gelijke kansen, non-discriminatie en actieve participatie, en verbeteren van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, met name voor kansarme groepen;

i)

bevorderen van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen, met inbegrip van migranten;

j)

bevorderen van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals Roma;

k)

de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame, en betaalbare diensten verbeteren, met inbegrip van diensten die de toegang tot huisvesting en persoonsgerichte zorg, waaronder gezondheidszorg, bevorderen; moderniseren van de stelsels voor sociale bescherming, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen, met bijzondere aandacht voor kinderen en kansarme groepen; verbeteren van de toegankelijkheid voor onder meer personen met een handicap, en van de doeltreffendheid en veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg;

l)

bevorderen van de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftige personen en kinderen;

m)

bestrijden van materiële deprivatie door middel van voedselhulp en/of materiële basishulp aan de meest behoeftige personen, onder meer kinderen, en aanreiken van begeleidende maatregelen voor hun sociale inclusie.

2.   Via de in het kader van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen probeert het ESF+ ook bij te dragen tot andere in artikel 5 van Verordening (EU) 2021/1060 vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de doelstellingen die verband houden met:

a)

een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, netwerkactiviteiten en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, onderzoeks- en technologiecentra, bedrijven en clusters, en steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;

b)

een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, de bijscholing van iedereen, onder wie de beroepsbevolking, en de creatie van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat, energie, de circulaire economie en de bio-economie.

3.   Indien strikt noodzakelijk als tijdelijke maatregel om te reageren op uitzonderlijke en ongewone omstandigheden als bedoeld in artikel 20 van Verordening (EU) 2021/1060, en beperkt tot een periode van 18 maanden kan het ESF+ steun verlenen aan:

a)

de financiering van regelingen voor arbeidsduurvermindering, zonder dat deze worden gecombineerd met actieve maatregelen;

b)

toegang tot gezondheidszorg, ook voor mensen die op sociaaleconomisch vlak niet acuut kwetsbaar zijn.

4.   Indien de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaten vaststelt dat aan de in lid 3 vastgelegde voorwaarden is voldaan, stelt zij een uitvoeringsbesluit vast tot nadere bepaling van de periode waarin de tijdelijke aanvullende steun uit het ESF+ is toegestaan.

5.   De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van lid 3 van dit artikel en beoordeelt of de tijdelijke aanvullende steun uit het ESF+ volstaat om het gebruik van steun uit het ESF+ in reactie op de uitzonderlijke of ongewone omstandigheden te vergemakkelijken. Op basis van haar beoordeling doet de Commissie, wanneer dit wenselijk is, voorstellen tot wijziging van deze verordening, met inbegrip van de in artikel 7 uiteengezette vereisten inzake thematische concentratie, met uitzondering van het in artikel 7, leden 5 en 6, gepreciseerde vereiste inzake thematische concentratie.

Artikel 5

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het ESF+ voor de periode van 2021 tot en met 2027 bedragen 87 995 063 417 EUR in prijzen van 2018.

2.   Het deel van de financiële middelen voor de uitvoering van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060 bedraagt 87 319 331 844 EUR in prijzen van 2018, waarvan 175 000 000 EUR wordt toegewezen voor de in artikel 25, punt i), van onderhavige verordening bedoelde transnationale samenwerking ter versnelling van de overdracht en ter facilitering van de schaalvergroting van innovatieve oplossingen en 472 980 447 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van het aan de Akte van Toetreding van 1994 gehechte Protocol nr. 6 betreffende bijzondere bepalingen voor doelstelling nr. 6 in het kader van de structuurfondsen in Finland, Noorwegen en Zweden (Protocol nr. 6).

3.   Het deel van de totale financiële middelen voor de uitvoering het EaSI-onderdeel voor de periode van 2021 tot en met 2027 bedraagt 675 731 573 EUR in prijzen van 2018.

4.   Het in lid 3 bedoelde bedrag kan ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de uitvoering van het EaSI-onderdeel, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

Artikel 6

Gendergelijkheid, gelijke kansen en non-discriminatie

De lidstaten en de Commissie ondersteunen specifieke gerichte acties ter bevordering van de in artikel 9, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2021/1060 en artikel 28 van deze verordening bedoelde horizontale beginselen die vallen onder alle doelstellingen van het ESF+. Die acties kunnen verband houden met het waarborgen van toegankelijkheid voor personen met een handicap, ook wat informatie- en communicatietechnologieën betreft, en met het bevorderen van de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband.

De lidstaten en de Commissie streven via het ESF+ naar een verhoging van de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en naar meer evenwicht tussen werk en privéleven, om zo de feminisering van armoede en genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding te bestrijden.

DEEL II

UITVOERING IN GEDEELD BEHEER

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen inzake programmering

Artikel 7

Consistentie en thematische concentratie

1.   De lidstaten programmeren hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer door voorrang te geven aan interventies met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in het Europees Semester, evenals in hun nationale hervormingsprogramma's, en de relevante, overeenkomstig artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen, landspecifieke aanbevelingen, en houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten uiteengezette beginselen en rechten en met de nationale en regionale strategieën die relevant zijn voor ESF+-doelstellingen en dragen zo bij aan de verwezenlijking van de in artikel 174 VWEU vastgestelde doelstellingen.

De lidstaten en in voorkomend geval de Commissie bevorderen synergieën en zorgen voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, en dit zowel in de planningsfase als tijdens de uitvoering. De lidstaten en in voorkomend geval de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering met het oog op samenhangende en gestroomlijnde steunmaatregelen.

2.   De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester en die vallen binnen het toepassingsgebied van de specifieke doelstellingen van het ESF+ zoals vastgesteld in artikel 4, lid 1, van deze verordening.

3.   In het kader van de specifieke doelstellingen van artikel 4, lid 1, punten f) en h) tot en met l), wijzen de lidstaten een gepast bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe aan de uitvoering van de kindergarantie door middel van gerichte acties en structurele hervormingen om kinderarmoede aan te pakken.

Lidstaten waar in de periode tussen 2017 en 2019 het gemiddeld aandeel kinderen jonger dan 18 jaar die het risico liepen op armoede of sociale uitsluiting, volgens gegevens van Eurostat voor die periode boven het Uniegemiddelde ligt, wijzen ten minste 5 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe aan de ondersteuning van gerichte acties en structurele hervormingen om kinderarmoede aan te pakken als bepaald in de eerste alinea.

4.   De lidstaten wijzen ten minste 25 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe aan de in artikel 4, lid 1, punten h) tot en met l), vermelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen.

5.   De lidstaten wijzen ten minste 3 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe aan steun voor de meest behoeftige personen in het kader van de doelstelling die is uiteengezet in artikel 4, lid 1, punt m), of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de specifieke doelstelling die is uiteengezet in artikel 4, lid 1, punt l), of de beide specifieke doelstellingen.

De middelen worden niet in aanmerking genomen bij de verificatie van de naleving van de in de leden 3 en 4 uiteengezette minimumtoewijzingen.

6.   De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe aan gerichte acties en structurele hervormingen om de jongerenwerkgelegenheid, beroepsonderwijs en -opleiding, met name leerlingplaatsen, en de overgang van school naar werk, trajecten voor de re-integratie van jongeren in onderwijs of opleidingen, en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in de context van de uitvoering van regelingen in het kader van de jongerengarantie.

Lidstaten waar in de periode tussen 2017 en 2019 het gemiddeld aandeel jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, volgens gegevens van Eurostat voor die periode, boven het Uniegemiddelde lag, wijzen ten minste 12,5 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer voor de jaren 2021 tot en met 2027 toe aan de ondersteuning van structurele hervormingen en gerichte acties als bepaald in de eerste alinea.

Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 12,5 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer in hun programma's toe aan de in de eerste alinea uiteengezette gerichte acties en structurele hervormingen. Deze toewijzing wordt, in voorkomend geval, meegerekend bij de verificatie van de naleving van het in de tweede alinea uiteengezette minimumpercentage op nationaal niveau.

Bij de uitvoering van de in deze alinea bedoelde gerichte acties en structurele hervormingen geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen zij voor gerichte outreachmaatregelen.

7.   De leden 2 tot en met 6 van dit artikel zijn niet van toepassing op de specifieke extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden en voor de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 voldoen.

8.   De leden 1 tot en met 6 zijn niet van toepassing op technische bijstand.

Artikel 8

Eerbiediging van het Handvest

1.   Alle concrete acties moeten worden geselecteerd en uitgevoerd met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2021/1060.

2.   Overeenkomstig artikel 69, lid 7, van Verordening (EU) 2021/1060 waarborgen de lidstaten dat klachten daadwerkelijk worden onderzocht. Dit doet geen afbreuk aan de algemene mogelijkheid voor burgers en belanghebbenden om klachten in te dienen bij de Commissie, ook met betrekking tot inbreuken op het Handvest.

3.   Wanneer de Commissie vaststelt dat er sprake is van een inbreuk op het Handvest, houdt zij rekening met de ernst van de inbreuk bij de bepaling van de corrigerende maatregelen die overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2021/1060 moeten worden toegepast.

Artikel 9

Partnerschap

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties op zinvolle wijze worden betrokken bij de uitvoering van beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer worden ondersteund.

2.   De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer in elk programma toe aan de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties, onder meer in de vorm van opleiding, netwerkmaatregelen en versterking van de sociale dialoog, alsook aan gezamenlijk door de sociale partners ondernomen activiteiten.

Indien capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties wordt aangemerkt in een relevante landspecifieke aanbeveling die is aangenomen overeenkomstig artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4, VWEU, wijst de betrokken lidstaat daaraan een gepast bedrag van ten minste 0,25 % van hun middelen van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer toe.

Artikel 10

Steun voor de meest behoeftige personen

De in artikel 7, lid 5, bedoelde middelen in het kader van de in artikel 4, lid 1, punten l) en m), uiteengezette specifieke doelstellingen worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd. Het medefinancieringspercentage voor die prioriteit of dat programma is 90 %.

Artikel 11

Steun voor jongerenwerkgelegenheid

Steun overeenkomstig artikel 7, lid 6, tweede en derde alinea, wordt in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd, en omvat op zijn minst steun voor de in artikel 4, lid 1, punt a), uiteengezette specifieke doelstelling, en kan steun omvatten voor de in artikel 4, lid 1, punten f) en l), uiteengezette specifieke doelstellingen.

Artikel 12

Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen

De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester zijn vastgesteld, worden in het kader van de in artikel 4, lid 1, uiteengezette specifieke doelstellingen geprogrammeerd ter ondersteuning van de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en in het kader van een of meer prioriteiten, die een prioriteit van meerdere fondsen kunnen zijn.

HOOFDSTUK II

Algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

Artikel 13

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op steun uit het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met l), uiteengezette specifieke doelstellingen (algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer).

Artikel 14

Sociaal innovatieve acties

1.   De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten, met inbegrip van acties met een sociaal-culturele component, of versterken bottom-upbenaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de sociale partners, sociale ondernemingen, de particuliere sector en maatschappelijke organisaties.

2.   De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest en in het kader van het EaSI-onderdeel en andere Unieprogramma's zijn ontwikkeld.

3.   Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met l), uiteengezette specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.

4.   De lidstaten wijden ten minste één prioriteit aan de uitvoering van lid 1 of lid 2 of beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor zulke prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor een maximum van 5 % van de nationale middelen onder het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer.

5.   De lidstaten brengen in hun programma's of in een later stadium van de uitvoering in kaart welke terreinen in aanmerking komen voor sociale innovatie en sociale experimenten die aan de specifieke behoeften van de lidstaten beantwoorden.

6.   De Commissie vergemakkelijkt de capaciteitsopbouw voor sociale innovatie, met name door het ondersteunen van wederzijds leren, het opzetten van netwerken en het verspreiden en propageren van goede praktijken en methodologieën.

Artikel 15

Transnationale samenwerking

De lidstaten kunnen transnationale samenwerkingsacties steunen in het kader van in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met l), vermelde specifieke doelstellingen.

Artikel 16

Subsidiabiliteit

1.   Naast de in artikel 64 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde niet-subsidiabele kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer:

a)

de aankoop van grond en onroerend goed, alsook de aankoop van infrastructuur, en

b)

de aankoop van meubilair, uitrusting en voertuigen, tenzij een dergelijke aankoop noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling van de concrete actie, die items volledig zijn afgeschreven tijdens de actie, of de aankoop van die items de voordeligste optie is.

2.   Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde ten behoeve van de deelnemers aan een concrete actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde gedragen kosten niet overstijgen.

3.   De specifieke extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden en voor de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, uiteengezette specifieke doelstellingen te ondersteunen.

4.   Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer, mits zij in overeenstemming zijn met de gangbare beloningspraktijk van de begunstigde voor de betrokken functiecategorie of met het toepasselijke nationale recht, collectieve overeenkomsten of officiële statistieken.

Artikel 17

Indicatoren en verslaglegging

1.   Voor programma's die algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer ontvangen, worden de in de bijlage genoemde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren gebruikt om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Voor de programma's kunnen ook programmaspecifieke indicatoren worden gebruikt.

2.   Wanneer een lidstaat zijn middelen bestemt voor de in artikel 4, lid 1, punt l), bepaalde specifieke doelstelling om zich overeenkomstig artikel 7, lid 5, eerste alinea, op de meest behoeftige personen te richten, zijn de gemeenschappelijke indicatoren van bijlage II van toepassing.

3.   Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de uitgangswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde concrete acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefwaarden voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.

4.   De referentiewaarde van gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een streefcijfer voor 2029 is vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante informatiebronnen. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.

5.   Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden pas doorgegeven wanneer alle krachtens punt 1.1 van bijlage I vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.

6.   Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, kunnen de lidstaten de beheerautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer, in staat stellen gegevens uit die registers of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, punten c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.

7.   De Commissie is overeenkomstig artikel 37 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in de bijlagen I en II te wijzigen, indien dat nodig wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen. Dergelijke wijzigingen moeten evenredig zijn en rekening houden met de administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden. Gedelegeerde handelingen overeenkomstig dit lid mogen de in de bijlagen I en II vastgestelde methode voor gegevensverzameling niet wijzigen.

HOOFDSTUK III

ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie

Artikel 18

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt m), uiteengezette specifieke doelstelling.

Artikel 19

Beginselen

1.   De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt ter ondersteuning van de verdeling van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.

2.   De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de materiële basishulp op grond van objectieve criteria die verband houden met de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel, en in voorkomend geval voor goederen, wordt ook rekening gehouden met klimaatgerelateerde en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling en minder kunststoffen voor eenmalig gebruik. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel aan een evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.

De voedselhulp en/of de materiële basishulp kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verstrekt of indirect, bijvoorbeeld door middel van vouchers of kaarten in elektronische of andere vorm, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of materiële basishulp. De steun voor de meest behoeftige personen komt bovenop alle sociale uitkeringen die door de nationale socialezekerheidsstelsels of het nationale recht aan eindontvangers kunnen worden verstrekt.

Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (37), mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.

Uit een dergelijke transactie afkomstige hoeveelheden worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, bovenop de hoeveelheden waarover het programma reeds beschikt.

3.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en zij niet worden gestigmatiseerd.

4.   De lidstaten vullen de verstrekking van voedselhulp en/of materiële basishulp aan met begeleidende maatregelen zoals een heroriëntatie naar bevoegde diensten in het kader van de in artikel 4, lid 1, punt m), uiteengezette specifieke doelstelling of door de sociale integratie van de meest behoeftige personen te bevorderen in het kader van de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling.

Artikel 20

Inhoud van de prioriteit

1.   Voor een prioriteit die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt m), uiteengezette specifieke doelstelling wordt het volgende bepaald:

a)

het soort steun;

b)

de belangrijkste doelgroepen, en

c)

een beschrijving van de nationale of regionale steunregelingen.

2.   Bij programma's die tot de steun als bedoeld in lid 1 en de bijbehorende technische bijstand zijn beperkt, omvat de prioriteit ook de criteria voor de selectie van concrete acties.

Artikel 21

Subsidiabiliteit van concrete acties

1.   De voedselhulp en/of de materiële basishulp voor de meest behoeftige personen kunnen door of namens de begunstigde worden aangekocht of gratis aan de begunstigde ter beschikking worden gesteld.

2.   De voedselhulp en/of de materiële basishulp worden gratis aan de meest behoeftige personen verstrekt.

Artikel 22

Subsidiabiliteit van uitgaven

1.   De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:

a)

de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of materiële basishulp, met inbegrip van de kosten die verband houden met het vervoer van voedselhulp en/of materiële basishulp naar de begunstigden die deze voedselhulp en/of materiële basishulp aan de eindontvangers verstrekken;

b)

indien het vervoer van de voedselhulp en/of de materiële basishulp naar de begunstigden die deze onder de eindontvangers verdelen, niet onder punt a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten die verband houden met het vervoer van de voedselhulp of materiële basishulp naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden, alsmede de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de in punt a) bedoelde kosten of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de daadwerkelijk gemaakte en betaalde kosten;

c)

de administratieve, vervoers-, opslag- en voorbereidingskosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of materiële basishulp aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 7 % van de in punt a) bedoelde kosten of 7 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;

d)

de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de verdeling van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten, en

e)

de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de materiële basishulp aan de meest behoeftige personen verstrekken, tegen een vast tarief van 7 % van de in punt a) bedoelde kosten.

2.   Kosten voor de voorbereiding van voucher- of kaartsystemen in elektronische of andere vorm, en de overeenkomstige exploitatiekosten zijn subsidiabel in het kader van technische bijstand, mits zij worden gedragen door de beheerautoriteit of een andere overheidsinstantie die geen begunstigde is die de vouchers of kaarten aan eindontvangers verstrekt, of op voorwaarde dat zij niet worden gedekt door de in lid 1, punt c), bedoelde kosten.

3.   Een verlaging van de in lid 1, punt a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of materiële basishulp, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, punten c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.

4.   De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

a)

de debetrente;

b)

de aankoop van infrastructuur, en

c)

de kosten voor tweedehandsgoederen.

Artikel 23

Indicatoren en verslaglegging

1.   Voor prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie worden de in bijlage III uiteengezette gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren gebruikt om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Voor die programma's kunnen ook programmaspecifieke prioriteiten worden gebruikt.

2.   Voor de gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden de referentiewaarden vastgesteld.

3.   De beheerautoriteiten rapporteren tweemaal aan de Commissie de resultaten van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers met betrekking tot de uit het ESF+ ontvangen steun, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan hun levensomstandigheden en de aard van hun materiële deprivatie. Dat onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. De eerste dergelijke rapportering vindt plaats uiterlijk op 30 juni 2025 en 30 juni 2028.

4.   Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling volgens de in artikel 38, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure een model voor het gestructureerde onderzoek naar de eindontvangers vast.

5.   De Commissie is overeenkomstig artikel 37 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage III te wijzigen indien dat nodig wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen. Dergelijke wijzigingen moeten evenredig zijn rekening houdende met de administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden. Gedelegeerde handelingen overeenkomstig dit lid mogen de in de bijlage III vastgestelde methode voor gegevensverzameling niet wijzigen.

Artikel 24

Audit

De audit van concrete acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico op onregelmatigheden of fraude bestaat.

DEEL III

UITVOERING IN DIRECT EN INDIRECT BEHEER

HOOFDSTUK I

Operationele doelstellingen

Artikel 25

Operationele doelstellingen

Het EaSI-onderdeel heeft de volgende operationele doelstellingen:

a)

hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, uiteengezette specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd zijn op de behoeften, uitdagingen en lokale omstandigheden;

b)

doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over de in artikel 4, lid 1, genoemde beleidsgebieden bevorderen om te helpen bij het uitwerken van passende beleidsmaatregelen;

c)

sociale experimenten betreffende de in artikel 4, lid 1, genoemde beleidsgebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden op nationaal en lokaal niveau opbouwen om de geteste innovaties op het gebied van sociaal beleid voor te bereiden, te ontwerpen, uit te voeren, over te dragen of op te schalen, met name met betrekking tot de opschaling van door lokale belanghebbenden ontwikkelde projecten op het gebied van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen;

d)

de vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers vergemakkelijken en de kans op het vinden van een baan vergroten door specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden te ontwikkelen en aan te bieden met het oog op de ontwikkeling van geïntegreerde Europese arbeidsmarkten, gaande van de voorbereiding op de werving tot steun na plaatsing, om vacatures in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio's en voor bepaalde groepen, zoals mensen in een kwetsbare situatie, in te vullen;

e)

steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem rond de verstrekking van microfinanciering aan micro-ondernemingen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, met name ondernemingen die door mensen in een kwetsbare situatie zijn opgericht of die mensen in een kwetsbare situatie in dienst hebben;

f)

steun verlenen aan netwerken op Unieniveau en aan de dialoog met en tussen relevante belanghebbenden betreffende de in artikel 4, lid 1, genoemde beleidsgebieden, en bijdragen aan de opbouw van de institutionele capaciteit van betrokken belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, openbare socialezekerheids- en ziekteverzekeringsinstellingen, maatschappelijke organisaties, instellingen voor microfinanciering en instellingen die financiering verstrekken aan sociale ondernemingen en de sociale economie;

g)

de ontwikkeling van sociale ondernemingen en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;

h)

richtsnoeren verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur;

i)

de transnationale samenwerking bevorderen ter versnelling van de overdracht en ter facilitering van de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name voor de in artikel 4, lid 1, genoemde beleidsgebieden, en

j)

de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van het in goede banen leiden van de globalisering en de externe dimensie van het Uniebeleid op de in artikel 4, lid 1, genoemde beleidsgebieden.

HOOFDSTUK II

Subsidiabiliteit

Artikel 26

Subsidiabele acties

1.   Alleen acties die de verwezenlijking nastreven van de in artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 1, en artikel 25 genoemde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.

2.   In het kader van het EaSI-onderdeel kunnen de volgende acties worden ondersteund:

a)

analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:

i)

onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;

ii)

sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;

iii)

monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het Unierecht;

b)

uitvoering van het beleid, en met name:

i)

grensoverschrijdende partnerschappen, met name tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, maatschappelijke organisaties en de sociale partners, evenals ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio's;

ii)

een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op Unieniveau om vacatures in te vullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;

iii)

steun voor microfinancieringsinstellingen en instellingen die financiering verstrekken aan sociale ondernemingen, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of de beperking van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;

iv)

steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;

c)

capaciteitsopbouw, met name van:

i)

netwerken op Unieniveau met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde beleidsgebieden;

ii)

nationale contactpunten die richtsnoeren, informatie en bijstand verstrekken met betrekking tot de uitvoering van het EaSI-onderdeel;

iii)

administratieve structuren, socialezekerheidsinstellingen en voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van microfinancieringsinstellingen en instellingen die financiering verstrekken aan sociale ondernemingen of andere actoren op het gebied van sociale investeringen, alsmede netwerkactiviteiten verrichten, in krachtens artikel 29 met het Easi-onderdeel geassocieerde lidstaten of derde landen;

iv)

belanghebbenden, onder meer sociale partners en maatschappelijke organisaties, met het oog op transnationale samenwerking;

d)

communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:

i)

wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;

ii)

handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven die verband houden met de in artikel 4, lid 1, bedoelde beleidsgebieden;

iii)

informatiesystemen die empirisch onderbouwde gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde beleidsgebieden;

iv)

evenementen, conferenties, seminars en voorlichtingsactiviteiten van het voorzitterschap van de Raad.

Artikel 27

Subsidiabele entiteiten

1.   Met inachtneming van de in artikel 197 van het Financieel Reglement uiteengezette criteria kunnen de volgende entiteiten in aanmerking komen:

a)

juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen of gebieden:

i)

een lidstaat of een met een lidstaat verbonden overzees land of gebied;

ii)

een krachtens artikel 29 met het EaSI-onderdeel geassocieerd derde land;

iii)

een derde land dat in het werkprogramma is opgenomen onder de in de leden 2 en 3 van dit artikel gespecificeerde voorwaarden;

b)

elke krachtens het Unierecht opgerichte juridische entiteit of elke internationale organisatie.

2.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet krachtens artikel 29 met het EaSI-onderdeel geassocieerd derde land, komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie.

3.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet krachtens artikel 29 met het EaSI-onderdeel geassocieerd derde land, dragen in beginsel de kosten van hun deelname.

Artikel 28

Horizontale beginselen

1.   De Commissie zorgt ervoor dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de hele duur van de voorbereiding, uitvoering, monitoring, rapportage en evaluatie van concrete acties die door het EaSI-onderdeel worden ondersteund.

2.   De Commissie neemt passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid bij de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op, de rapportage over en de evaluatie van concrete acties die door het EaSI-onderdeel worden ondersteund, te voorkomen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van het EaSI-onderdeel wordt met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

Artikel 29

Deelname van derde landen

Het EaSI-onderdeel staat door middel van een overeenkomst met de Unie open voor deelname van de volgende geassocieerde derde landen:

a)

leden van de Europese Vrijhandelsassociatie die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, in overeenstemming met de in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vastgestelde voorwaarden;

b)

toetredende staten, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan Unieprogramma's zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)

andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst over de deelname van het derde land aan het onderdeel, mits de overeenkomst:

i)

zorgt voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan de Unieprogramma's deelneemt;

ii)

voorziet in de voorwaarden voor deelname aan de programma's, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma's of onderdelen van programma's en de administratieve kosten ervan;

iii)

aan het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het Easi-onderdeel verleent;

iv)

de rechten van de Unie waarborgt om voor een goed financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen.

De in dit artikel, eerste alinea, punt c), ii), bedoelde bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

HOOFDSTUK III

Algemene bepalingen

Artikel 30

Vormen van Uniefinanciering en uitvoeringsmethoden

1.   Het EaSI-onderdeel kan voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen voor financiële bijdragen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of internationale organisaties aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.

2.   Het EaSI-onderdeel wordt direct uitgevoerd overeenkomstig artikel 62, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement, of indirect met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, punt c), van datzelfde reglement.

Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel 150 van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.

3.   Blendingverrichtingen in het kader van het EaSI-onderdeel worden overeenkomstig Verordening (EU) 2021/523 en titel X van het Financieel Reglement uitgevoerd.

Artikel 31

Werkprogramma

1.   Het EaSI-onderdeel wordt uitgevoerd op basis van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. De inhoud van die werkprogramma's wordt vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 25 van deze verordening vastgestelde operationele doelstellingen en de in artikel 26 van deze verordening vastgestelde subsidiabele acties. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.

2.   De Commissie verzamelt expertise over de voorbereiding van de werkprogramma's door de in artikel 39, lid 8, bedoelde werkgroep te raadplegen.

3.   De Commissie bevordert synergie en zorgt voor een doeltreffende coördinatie tussen het ESF+ en andere relevante instrumenten van de Unie, evenals tussen de ESF+-onderdelen onderling.

Artikel 32

Monitoring en verslaglegging

De indicatoren om te rapporteren over de voortgang van het EaSI-onderdeel bij de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen en de in artikel 25 vastgestelde operationele doelstellingen zijn uiteengezet in bijlage IV.

Het prestatieverslagleggingssysteem zorgt ervoor dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het EaSI-onderdeel efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld.

Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van Uniemiddelen en in voorkomend geval aan de lidstaten.

Artikel 33

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Indien een derde land aan het EaSI-onderdeel deelneemt door middel van een op grond van een internationale overeenkomst of op basis van een ander rechtsinstrument vastgesteld besluit, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, OLAF en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten dergelijke rechten het recht om onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren als bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

Artikel 34

Evaluatie

1.   Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.   Uiterlijk op 31 december 2024 voert de Commissie een tussentijdse evaluatie van het EaSI-onderdeel uit op basis van voldoende informatie die beschikbaar is over de uitvoering.

De Commissie beoordeelt de prestaties van het programma overeenkomstig artikel 34 van het Financieel Reglement, en met name de doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang, relevantie en meerwaarde voor de Unie van het programma, ook ten opzichte van de in artikel 28 van deze verordening bedoelde horizontale beginselen, en meet op kwalitatieve en kwantitatieve basis de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het EaSI-onderdeel.

De tussentijdse evaluatie wordt gebaseerd op de informatie die wordt gegenereerd door de overeenkomstig artikel 32 van deze verordening vastgestelde monitoringregelingen en -indicatoren, teneinde de nodige aanpassingen aan te brengen in het beleid en de financieringsprioriteiten.

3.   Uiterlijk op 31 december 2031, aan het einde van de uitvoeringsperiode, voert de Commissie een eindevaluatie van het EaSI-onderdeel uit.

4.   De Commissie dient de conclusies van de tussentijdse en eindevaluaties samen met haar opmerkingen in bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 35

Audits

Audits naar het gebruik van de Uniebijdrage uitgevoerd door personen of entiteiten, waaronder andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 127 van het Financieel Reglement.

Artikel 36

Informatie, communicatie en publiciteit

1.   De ontvangers van Uniefinanciering erkennen de oorsprong van die financiering en geven zichtbaarheid aan de Uniefinanciering, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op doeltreffende en samenhangende wijze te informeren.

2.   De Commissie verricht informatie- en communicatieacties met betrekking tot het EaSI-onderdeel, de op grond van het EaSI-onderdeel ondernomen acties en de verkregen resultaten.

De aan het EaSI-onderdeel toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die prioriteiten verband houden met de in artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 1, en artikel 25 bedoelde doelstellingen.

DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 17, lid 7, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf 1 juli 2021.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 17, lid 7, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 17, lid 7, of artikel 23, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 38

Comitéprocedure voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité zoals bedoeld in artikel 115, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 39

Op grond van artikel 163 VWEU ingesteld comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het op grond van artikel 163 VWEU ingesteld comité (het “ESF+-Comité”).

2.   Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.

3.   Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties en de werkgeversorganisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.

4.   Het ESF+-comité, met inbegrip van zijn in lid 7 bedoelde werkgroepen, kan vertegenwoordigers van belanghebbenden zonder stemrecht uitnodigen om zijn vergaderingen bij te wonen. Het kan hierbij gaan om vertegenwoordigers van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, evenals van relevante maatschappelijke organisaties.

5.   Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EU) 2021/1060, in geval van steun uit het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer, alsook over andere kwesties die gevolgen hebben voor de uitvoering van de strategieën op Unieniveau die relevant zijn voor het ESF+.

6.   Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:

a)

kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage aan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en Europese-Semestergerelateerde prioriteiten, zoals nationale hervormingsprogramma's;

b)

kwesties betreffende de Verordening (EU) 2021/1060 die relevant zijn voor het ESF+;

c)

andere dan de in lid 5 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.

De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité schriftelijk in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.

7.   Het ESF+-Comité stelt werkgroepen in voor elk ESF+-onderdeel.

8.   De Commissie raadpleegt de werkgroep die zich bezighoudt met het EaSI-onderdeel over het werkprogramma. Zij licht die werkgroep in over de wijze waarop zij met het resultaat van die raadpleging rekening heeft gehouden. Die werkgroep zorgt ervoor dat het werkprogramma samen met belanghebbenden wordt geraadpleegd, met inbegrip van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

Artikel 40

Overgangsbepalingen voor het ESF+-onderdeel in gedeeld beheer

Verordening (EU) nr. 1304/2013, Verordening (EU) nr. 223/2014 en in het kader van die verordeningen vastgestelde handelingen blijven van toepassing op programma's en concrete acties die op grond van die verordeningen worden gesteund in de programmeringsperiode 2014 tot en met 2020.

Artikel 41

Overgangsbepalingen voor het EaSI-onderdeel

1.   Verordening (EU) nr. 1296/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021. Alle verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 1296/2013 worden opgevat als verwijzingen naar deze verordening.

2.   De financiële middelen voor de uitvoering van het EaSI-onderdeel kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het ESF+ en de op grond van Verordening (EU) nr. 1296/2013 vastgestelde maatregelen.

3.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 5, lid 4, vermelde uitgaven in de Uniebegroting worden opgenomen.

4.   Terugbetalingen uit op grond van Verordening (EU) nr. 1296/2013 vastgestelde financieringsinstrumenten worden geïnvesteerd in de financieringsinstrumenten van het beleidsvenster sociale investeringen en vaardigheden als bedoeld in artikel 8, lid 1, punt d), van Verordening (EU) 2021/523.

5.   Overeenkomstig artikel 193, lid 2, tweede alinea, punt a), van het Financieel Reglement kunnen in het kader van deze verordening ondersteunde activiteiten en de daarmee gemoeide kosten in naar behoren gemotiveerde in het financieringsbesluit gespecificeerde gevallen gedurende een beperkte periode als subsidiabel per 1 januari 2021 worden beschouwd, zelfs indien deze activiteiten uitgevoerd en deze kosten gemaakt zijn vóór indiening van de subsidieaanvraag.

Artikel 42

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021 wat het EaSI-onderdeel betreft.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  PB C 429 van 11.12.2020, blz. 245.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 84.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 januari 2019 (PB C 411 van 27.11.2020, blz. 324) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 27 mei 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (zie bladzijde 60 van dit Publicatieblad).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).

(7)  Besluit (EU) 2020/1512 van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 344 van 19.10.2020, blz. 22).

(8)  Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa (zie bladzijde 159 van dit Publicatieblad).

(9)  Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(10)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

(13)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(14)  Verordening (EU) 2021/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (PB L 189 van 28.5.2021, blz. 1).

(15)  Aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen (PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europe — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelneming en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een programma voor het optreden van de Unie op het gebied van gezondheid voor de periode 2021-2027 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot vaststelling van een faciliteit voor herstel en veerkracht (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

(19)  Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1309/2013 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48).

(20)  Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1).

(21)  Verordening (EU) 2021/818 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (PB L 189 van 28.5.2021, blz. 34).

(22)  Verordening (EU) 2021/888 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot vaststelling van het programma “Europees Solidariteitskorps” en tot intrekking van de Verordeningen (EU) 2018/1475 en (EU) nr. 375/2014 (PB L 202 van 8.6.2021, blz. 32).

(23)  Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).

(24)  Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).

(25)  PB C 241 van 29.8.1994, blz. 9.

(26)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(27)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(28)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(29)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(30)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(31)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(32)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(33)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(34)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(35)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(36)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(37)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).


BIJLAGE I

GEMEENSCHAPPELIJKE INDICATOREN VOOR DE ALGEMENE STEUN UIT HET ESF+-ONDERDEEL IN GEDEELD BEHEER

Persoonsgegevens moeten worden uitgesplitst naar gender (vrouwen, mannen, non-binaire personen (1)).

Indien bepaalde resultaten niet mogelijk zijn, hoeven de gegevens voor die resultaten niet te worden verzameld en gerapporteerd.

In voorkomend geval kunnen gemeenschappelijke outputindicatoren worden gerapporteerd op basis van de doelgroep van de concrete actie.

1.

Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot concrete acties die gericht zijn op mensen

1.1.

Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:

werklozen, onder wie langdurig werklozen (*1);

langdurig werklozen (*1);

inactieven (*1);

werkenden, onder wie zelfstandigen (*1);

aantal kinderen jonger dan 18 jaar (*1);

jongeren tussen 18 en 29 jaar (*1);

aantal deelnemers van 55 jaar en ouder (*1);

met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2) (*1);

met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4) (*1);

met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8) (*1);

het totale aantal deelnemers (2).

De in dit punt vermelde indicatoren gelden niet voor ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling, met uitzondering van de volgende indicatoren: “aantal kinderen jonger dan 18 jaar”, “jongeren tussen 18 en 29 jaar”, “aantal deelnemers van 55 jaar en ouder” en het “totale aantal deelnemers”.

Indien gegevens uit registers of gelijkwaardige bronnen worden verkregen, mogen de lidstaten nationale definities hanteren.

1.2.

Andere gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:

deelnemers met een handicap (*2);

onderdanen van derde landen (*1);

deelnemers met een buitenlandse achtergrond (*1);

minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma-bevolking) (*2);

daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn (*1);

deelnemers van het platteland (*1) (3).

Het verzamelen van gegevens is slechts noodzakelijk indien van toepassing.

De waarden voor de in punt 1.2 vermelde indicatoren kunnen worden bepaald op basis van door de begunstigde verstrekte onderbouwde ramingen.

Voor de in punt 1.2 vermelde indicatoren, met uitzondering van de indicatoren “onderdanen van derde landen” en “deelnemers van het platteland”, mogen de lidstaten nationale definities hanteren.

2.

Gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten

Gemeenschappelijke indicatoren voor entiteiten zijn:

aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau;

aantal ondersteunde micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).

Indien gegevens uit registers of gelijkwaardige bronnen worden verkregen, mogen de lidstaten nationale definities hanteren.

3.

De gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten voor deelnemers

De gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten voor deelnemers zijn:

deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk (*1);

deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen (*1);

deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen (*1);

deelnemers die na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige (*1).

De in dit punt vermelde indicatoren gelden niet voor ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling.

Indien gegevens uit registers of gelijkwaardige bronnen worden verkregen, mogen de lidstaten nationale definities hanteren.

4.

Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor deelnemers

Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor deelnemers zijn:

deelnemers die zes maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige (*1);

deelnemers wier arbeidsmarktsituatie zes maanden na de deelname verbeterd was (*1).

De in dit punt vermelde indicatoren gelden niet voor ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling.

Indien gegevens uit registers of gelijkwaardige bronnen worden verkregen, mogen de lidstaten nationale definities hanteren.

Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor deelnemers worden uiterlijk op 31 januari 2026 gerapporteerd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 en in het eindverslag over de prestaties als bedoeld in artikel 43 van die verordening.

Als minimumvereiste worden gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor deelnemers gebaseerd op een representatieve steekproef van deelnemers binnen de in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met k), uiteengezette specifieke doelstellingen. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden veralgemeend op het niveau van de specifieke doelstelling.


(1)  Conform het nationale recht.

(*1)  De gerapporteerde gegevens zijn gegevens in de zin van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.

(2)  Deze indicator wordt automatisch berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren in verband met de arbeidssituatie, met uitzondering van de ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling, in welk geval het totale aantal deelnemers moet worden gerapporteerd.

(*2)  De gerapporteerde gegevens omvatten een speciale categorie van gegevens als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.

(3)  Deze indicator is niet van toepassing op ESF+-steun die bijdraagt aan de in artikel 4, lid 1, punt l), uiteengezette specifieke doelstelling.


BIJLAGE II

GEMEENSCHAPPELIJKE INDICATOREN VOOR DE ESF+-ACTIES GERICHT OP SOCIALE INCLUSIE VAN DE MEEST BEHOEFTIGE PERSONEN BINNEN DE IN ARTIKEL 4, LID 1, PUNT L), UITEENGEZETTE SPECIFIEKE DOELSTELLING IN OVEREENSTEMMING MET ARTIKEL 7, LID 5, EERSTE ALINEA

Persoonsgegevens moeten worden uitgesplitst naar gender (vrouwen, mannen, non-binaire personen (1)).

1.

Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot op mensen gerichte concrete acties

1.1.

Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:

het totale aantal deelnemers;

aantal kinderen jonger dan 18 jaar (*1);

aantal jongeren tussen 18 en 29 jaar (*1);

aantal deelnemers van 65 jaar en ouder (*1).

De waarden van de in punt 1.1 vermelde indicatoren worden bepaald op basis van door de begunstigden verstrekte onderbouwde ramingen.

1.2.

Andere gemeenschappelijke outputindicatoren zijn:

deelnemers met een handicap (*2);

onderdanen van derde landen (*1);

aantal deelnemers met een buitenlandse achtergrond (*1), minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma-bevolking) (*2);

daklozen of mensen die van de woningmarkt zijn uitgesloten (*1).

Het verzamelen van gegevens is slechts noodzakelijk indien van toepassing en relevant.

De waarden van de in punt 1.2 vermelde indicatoren worden bepaald op basis van door de begunstigden verstrekte onderbouwde ramingen.


(1)  Conform het nationale recht.

(*1)  De gerapporteerde gegevens zijn gegevens in de zin van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.

(*2)  De gerapporteerde gegevens bevatten een speciale categorie van gegevens als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.


BIJLAGE III

GEMEENSCHAPPELIJKE INDICATOREN VOOR ESF+-ONDERSTEUNING TER BESTRIJDING VAN MATERIËLE DEPRIVATIE

1.

Outputindicatoren

1.1.

Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen

1.1.1.

totale waarde van de voedselhulp (1):

1.1.1.1

totale waarde in geld van voedselhulp voor daklozen;

1.1.1.2

totale waarde in geld van voedselhulp voor andere doelgroepen;

1.1.2

totale waarde van verstrekte goederen (2):

1.1.2.1.

totale waarde in geld van goederen voor kinderen;

1.1.2.2.

totale waarde in geld van goederen voor daklozen;

1.1.2.3.

totale waarde in geld van goederen voor andere doelgroepen.

1.2

Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton) (3)

1.2.1.

aandeel voedselhulp waarvoor alleen vervoer, verdeling en opslag zijn betaald door het programma (in %);

1.2.2.

aandeel van door het ESF+ medegefinancierde voedsel in het totale volume van aan de begunstigden verstrekte levensmiddelen (in %).

De waarden van de in de punten 1.2.1 en 1.2.2 vermelde indicatoren worden bepaald op basis van door de begunstigden verstrekte onderbouwde ramingen.

2.

Gemeenschappelijke resultaatindicatoren

2.1.

Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen

aantal kinderen jonger dan 18 jaar;

aantal jongeren tussen 18 en 29 jaar;

aantal vrouwen;

aantal eindontvangers van 65 jaar en ouder;

aantal eindontvangers met een handicap (*1);

aantal onderdanen van derde landen (*1);

aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma-bevolking) (*1);

aantal dakloze eindontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt zijn uitgesloten (*1).

2.2.

Aantal eindontvangers die materiële hulp ontvangen

aantal kinderen jonger dan 18 jaar;

aantal jongeren tussen 18 en 29 jaar;

aantal vrouwen;

aantal eindontvangers van 65 jaar en ouder;

aantal eindontvangers met een handicap (*1);

aantal onderdanen van derde landen (*1);

aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma-bevolking) (*1);

aantal dakloze eindontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt zijn uitgesloten (*1).

2.3.

Aantal eindontvangers die gebruikmaken van vouchers of kaarten

aantal kinderen jonger dan 18 jaar;

aantal jongeren tussen 18 en 29 jaar;

aantal eindontvangers van 65 jaar en ouder;

aantal vrouwen;

aantal eindontvangers met een handicap (*1);

aantal onderdanen van derde landen (*1);

aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma-bevolking) (*1);

aantal dakloze eindontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt zijn uitgesloten (*1).

De waarden van de in punt 1.2 vermelde indicatoren worden bepaald op basis van door de begunstigden verstrekte onderbouwde ramingen.


(1)  Deze indicatoren zijn niet van toepassing op voedselhulp die indirect via vouchers of kaarten wordt verleend.

(2)  Deze indicatoren zijn niet van toepassing op goederen die indirect via vouchers of kaarten worden verstrekt.

(3)  Deze indicatoren zijn niet van toepassing op voedselhulp die indirect via vouchers of kaarten wordt verleend.

(*1)  Er mogen nationale definities worden gebruikt.


BIJLAGE IV

INDICATOREN VOOR HET EASI-ONDERDEEL

Indicatoren voor het EaSI-onderdeel:

aantal analytische activiteiten;

aantal activiteiten op het gebied van informatie-uitwisseling en wederzijds leren;

aantal sociale experimenten;

aantal netwerkactiviteiten en activiteiten op het gebied van capaciteitsopbouw;

aantal banen in het kader van gerichte mobiliteitsregelingen.

De gegevens voor de indicator “aantal banen in het kader van gerichte mobiliteitsregelingen” worden slechts om de twee jaar verzameld.


Top