EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R2223

Verordening (EU, Euratom) 2020/2223 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerde onderzoeken

OJ L 437, 28.12.2020, p. 49–73 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2223/oj

28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/49


VERORDENING (EU, Euratom) 2020/2223 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerde onderzoeken

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 325,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (4) heeft de voor de Unie beschikbare strafrechtelijke middelen om haar financiële belangen te beschermen, aanzienlijk versterkt. De instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is een belangrijke prioriteit op het gebied van het Uniebeleid inzake strafrecht en fraudebestrijding, doordat het de bevoegdheid heeft om in de deelnemende lidstaten strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en tenlasteleggingen in te dienen met betrekking tot strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371.

(2)

Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding (“het Bureau”) administratieve onderzoeken naar administratieve onregelmatigheden en strafbare gedragingen. Aan het einde van zijn onderzoeken kan het Bureau aan de nationale strafvervolgingsautoriteiten aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doen, teneinde hen in staat te stellen om over te gaan tot tenlasteleggingen en strafvervolgingen in de lidstaten. Het Bureau zal in de lidstaten die aan het EOM deelnemen, vermoedens van strafbare feiten aan het EOM melden en met het EOM samenwerken in het kader van de door het EOM uitgevoerde strafrechtelijke onderzoeken.

(3)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) moet worden gewijzigd en worden aangepast in het licht van de vaststelling van Verordening (EU) 2017/1939. De bepalingen van Verordening (EU) 2017/1939 inzake de band tussen het Bureau en het EOM moeten tot uitdrukking komen in en worden aangevuld door de bepalingen in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, zodat de financiële belangen van de Unie zo goed mogelijk worden beschermd door middel van synergieën tussen beide, waarbij er wordt gezorgd voor nauwe samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het voorkomen van dubbel werk.

(4)

In het licht van hun gemeenschappelijke doel om de integriteit van de begroting van de Unie te bewaren, moeten het Bureau en het EOM een nauwe band gebaseerd op het beginsel van loyale samenwerking ontwikkelen en onderhouden die erop gericht is te verzekeren dat hun respectieve mandaten complementair zijn en hun acties gecoördineerd worden, met name wat de omvang van de nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM betreft. De band tussen het Bureau en het EOM moet mede waarborgen dat alle middelen worden ingezet om de financiële belangen van de Unie te beschermen.

(5)

Op grond van Verordening (EU) 2017/1939 moet het Bureau, net als de instellingen, organen en instanties van de Unie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zonder onnodige vertraging elke vermoedelijke strafbare gedraging ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid kan uitoefenen, aan het EOM melden. Omdat het Bureau als mandaat heeft administratieve onderzoeken te verrichten naar fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, is het ideaal gepositioneerd en uitgerust om op te treden als een partner van en een bevoorrechte bron van informatie voor het EOM.

(6)

Elementen die wijzen op mogelijke strafbare gedragingen die binnen de bevoegdheid van het EOM vallen, kunnen al aanwezig zijn in initiële vermoedens die het Bureau ontvangt, of pas blijken in de loop van een administratief onderzoek dat het Bureau heeft ingesteld op grond van een vermoeden van administratieve onregelmatigheid. Om aan zijn meldingsplicht aan het EOM te voldoen, moet het Bureau dus vermoedelijke strafrechtelijke gedragingen melden in een fase vóór of tijdens zijn onderzoeken.

(7)

Verordening (EU) 2017/1939 specificeert de elementen die ten minste in een melding moeten worden opgenomen. Het kan zijn dat het Bureau moet overgaan tot een voorlopige evaluatie van vermoedens om na te gaan of die elementen aanwezig zijn en de nodige informatie te verzamelen. Het Bureau moet een dergelijke evaluatie snel verrichten en met behulp van middelen waardoor een mogelijk toekomstig strafrechtelijk onderzoek niet in gevaar wordt gebracht. Indien een vermoeden van een strafbaar feit binnen de bevoegdheid van het EOM wordt vastgesteld, moet het Bureau dit na afloop van zijn evaluatie aan het EOM melden.

(8)

Gelet op de deskundigheid van het Bureau moeten de instellingen, organen en instanties opgericht bij de Verdragen of op basis daarvan (“instellingen, organen en instanties”), een beroep kunnen doen op het Bureau voor het verrichten van een dergelijke voorlopige evaluatie van vermoedens die aan hen zijn gemeld.

(9)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 mag het Bureau in beginsel geen parallel administratief onderzoek instellen als het EOM al een onderzoek uitvoert met betrekking tot dezelfde feiten. In sommige gevallen kan de bescherming van de financiële belangen van de Unie echter vereisen dat het Bureau een aanvullend administratief onderzoek verricht voordat de door het EOM ingestelde strafrechtelijke procedure beëindigd is, om te kunnen nagaan of er voorzorgsmaatregelen nodig zijn dan wel of er financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties moeten worden ondernomen. Een dergelijk aanvullend onderzoek kan onder meer passend zijn om aan de begroting van de Unie verschuldigde bedragen binnen bepaalde verjaringstermijnen terug te vorderen, indien de in het geding zijnde bedragen erg hoog zijn of wanneer door middel van administratieve maatregelen moet worden voorkomen dat in risicosituaties verdere uitgaven worden gedaan.

(10)

Omdat dubbele onderzoeken moeten worden voorkomen, moet de term “dezelfde feiten”, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) over het ne bis in idem-beginsel, inhouden dat de materiële feiten die worden onderzocht, identiek of in wezen dezelfde zijn, en dat er sprake is van een reeks concrete omstandigheden die in tijd en ruimte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

(11)

Verordening (EU) 2017/1939 bepaalt dat het EOM het Bureau kan verzoeken om aanvullende administratieve onderzoeken te verrichten. Bij gebrek aan een dergelijk verzoek moeten zulke aanvullende onderzoeken onder specifieke voorwaarden ook mogelijk zijn op initiatief van het Bureau, na raadpleging van het EOM. Het EOM moet met name bezwaar kunnen maken tegen de opening of de voortzetting van een onderzoek door het Bureau, of tegen het verrichten van bepaalde handelingen met betrekking tot een van zijn onderzoeken, met name teneinde de doeltreffendheid van zijn onderzoek en bevoegdheden in stand te houden. Het Bureau moet afzien van het verrichten van handelingen waartegen het EOM bezwaar heeft gemaakt. Indien het Bureau een onderzoek opent zonder dat het EOM een dergelijk bezwaar maakt, moet het Bureau dat onderzoek in continu overleg met het EOM verrichten.

(12)

Het Bureau moet het EOM actief ondersteunen bij zijn onderzoeken. In dit verband moet het EOM het Bureau kunnen vragen dat het zijn strafrechtelijke onderzoeken ondersteunt of aanvult door middel van de uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013. Het Bureau moet dergelijke steun bieden binnen de grenzen van zijn bevoegdheden en binnen het kader waarin die verordening voorziet.

(13)

Om doeltreffende coördinatie, samenwerking en transparantie te garanderen, moeten het Bureau en het EOM continu informatie uitwisselen. De uitwisseling van informatie voorafgaand aan de opening van onderzoeken door het Bureau of het EOM is vooral relevant om degelijke coördinatie tussen hun respectieve acties te garanderen, complementariteit te waarborgen en dubbel werk te voorkomen. Daartoe moeten het Bureau en het EOM gebruikmaken van de hit/no hit-functies in hun respectieve casemanagementsystemen. Het Bureau en het EOM moeten de procedure en de voorwaarden van die uitwisseling van informatie vastleggen in hun werkafspraken. Om ervoor te zorgen dat de regels die erop gericht zijn dubbele onderzoeken te voorkomen en complementariteit te waarborgen, correct worden toegepast, moeten het Bureau en het EOM overeenstemming bereiken over bepaalde termijnen voor hun informatie-uitwisseling.

(14)

In het verslag van de Commissie van 2 oktober 2017 over de evaluatie van de toepassing van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 (het “evaluatieverslag van de Commissie”) is geconcludeerd dat de wijzigingen uit 2013 van het rechtskader tot duidelijke verbeteringen hebben geleid wat het verloop van de onderzoeken, de samenwerking met de partners en de rechten van de betrokkenen betreft. Anderzijds heeft het evaluatieverslag van de Commissie de aandacht gevestigd op een aantal tekortkomingen die gevolgen hebben voor de doeltreffendheid en efficiëntie van de onderzoeken.

(15)

De duidelijkste bevindingen van het evaluatieverslag van de Commissie moeten worden aangepakt door Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 te wijzigen. Die wijzigingen zijn op korte termijn nodig om het kader voor de onderzoeken van het Bureau te verstevigen, zodat het Bureau krachtig en volledig kan blijven functioneren en de strafrechtelijke aanpak van het EOM kan aanvullen met administratieve onderzoeken, zonder dat het mandaat of de bevoegdheden van het Bureau worden gewijzigd. De wijzigingen betreffen vooral punten waar het gebrek aan duidelijkheid van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 het Bureau zou kunnen beletten om doeltreffend onderzoeken te verrichten, zoals controles en verificaties ter plaatse, de mogelijkheid van toegang tot informatie over bankrekeningen of de toelaatbaarheid van dossierverslagen van het Bureau als bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures.

(16)

De wijzigingen aan Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 veranderen niets aan de procedurewaarborgen die gelden in het kader van onderzoeken. Het Bureau is gebonden door de procedurewaarborgen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (6), alsook die welke in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn opgenomen. Dat kader vereist dat het Bureau zijn onderzoeken op objectieve, onpartijdige en vertrouwelijke wijze verricht, zowel bewijsmiddelen à charge als à décharge zoekt, en onderzoekshandelingen verricht op basis van een schriftelijke machtiging en na een wettigheidstoetsing. Het Bureau moet de eerbiediging van de rechten van bij zijn onderzoeken betrokken personen garanderen, waaronder het vermoeden van onschuld en het recht om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De betrokken personen hebben bij een onderhoud onder meer het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze, het recht het verslag over het onderhoud goed te keuren, en het recht zich uit te drukken in een van de officiële talen van de instellingen van de Unie. De betrokken personen hebben ook het recht om hun oordeel te geven over de feiten van de zaak voordat conclusies worden getrokken.

(17)

Personen die fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit melden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, moeten de bescherming van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (7) genieten.

(18)

Neemt het Bureau, op verzoek van het EOM, binnen zijn mandaat ondersteunende maatregelen om de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en de grondrechten en procedurewaarborgen te beschermen en tegelijkertijd dubbele onderzoeken te voorkomen en in een doeltreffende, complementaire samenwerking te voorzien, dan moeten het Bureau en het EOM er in nauwe samenwerking voor zorgen dat de toepasselijke procedurele waarborgen van hoofdstuk VI van Verordening (EU) 2017/1939 in acht worden genomen.

(19)

Het Bureau heeft de bevoegdheid om controles en verificaties ter plaatse te verrichten, waarbij het in het kader van zijn onderzoeken naar vermoedens van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, toegang heeft tot de gebouwen en documentatie van marktdeelnemers. Dergelijke controles en verificaties ter plaatse worden verricht overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, die in sommige gevallen de toepassing van die bevoegdheden doen afhangen van voorwaarden van nationaal recht. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek dat het niet helemaal duidelijk is in hoeverre het nationale recht van toepassing is, wat een belemmering vormt voor de doeltreffendheid van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau.

(20)

Het is dus passend dat de gevallen worden verduidelijkt waarin het nationale recht van toepassing dient te zijn in de loop van onderzoeken van het Bureau, zonder te tornen aan de bevoegdheden van het Bureau of de manier waarop Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 ten aanzien van de lidstaten werkt, daarbij het arrest van het Gerecht van 3 mei 2018 in zaak T-48/16, Sigma Orionis SA tegen Europese Commissie (8), weerspiegelend.

(21)

In situaties waarin de betrokken marktdeelnemer zich aan de controle en verificatie ter plaatse onderwerpt, moet het verrichten van controles en verificaties ter plaatse door het Bureau uitsluitend onder het Unierecht vallen. Dit zou het voor het Bureau mogelijk maken om in alle lidstaten zijn onderzoeksbevoegdheden op doeltreffende en coherente wijze uit te oefenen, teneinde bij te dragen aan een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie in de hele Unie, overeenkomstig artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(22)

In situaties waarin het Bureau een beroep moet doen op de bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met name indien een marktdeelnemer zich tegen een controle en verificatie ter plaatse verzet, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de actie van het Bureau doeltreffend is, en moeten zij overeenkomstig de desbetreffende regels van nationaal procesrecht de nodige bijstand verlenen. Om de financiële belangen van de Unie te beschermen, moet de Commissie met elke niet-nakoming door een lidstaat van diens plicht tot samenwerking met het Bureau, rekening houden wanneer zij nagaat of zij de betrokken bedragen moet terugvorderen via de toepassing van financiële correcties op de lidstaten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht.

(23)

Uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 kan het Bureau met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals de coördinatiediensten fraudebestrijding, en met de instellingen, organen en instanties, administratieve regelingen treffen om de voorwaarden voor hun samenwerking uit hoofde van die verordening vast te stellen, met name wat de doorgifte van informatie, het verrichten van onderzoeken en de follow-up daarvan betreft.

(24)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet worden gewijzigd om voor marktdeelnemers een plicht tot medewerking met het Bureau in te voeren, overeenkomstig hun verplichting uit hoofde van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 om toegang te verlenen voor het verrichten van controles en verificaties ter plaatse van lokalen, terreinen, vervoermiddelen en andere plaatsen voor professioneel gebruik, en overeenkomstig de verplichting in artikel 129 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9) dat een persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle dient mee te werken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, ook in het kader van onderzoeken door het Bureau.

(25)

Als onderdeel van die plicht tot medewerking moet het Bureau van marktdeelnemers kunnen verlangen dat zij relevante informatie verstrekken indien zij mogelijk bij de onderzochte feiten betrokken zijn of mogelijk dergelijke informatie bezitten. Wanneer zij aan dergelijke verzoeken gevolg geven, mogen marktdeelnemers niet worden verplicht om zichzelf belastende verklaringen af te leggen, maar moeten zij wel worden verplicht feitelijke vragen te beantwoorden en documenten te verstrekken, zelfs als die informatie kan worden gebruikt om tegen hen of tegen een andere marktdeelnemer het bestaan van onwettige activiteiten aan te tonen. Om de doeltreffendheid van onderzoeken in het kader van de huidige werkmethoden te waarborgen, moet het Bureau kunnen verzoeken om toegang tot informatie van apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt. Aan het Bureau mag enkel toegang worden verleend onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate als het geval is voor de nationale controleautoriteiten, en alleen als het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud van dergelijke apparatuur relevant kan zijn voor het onderzoek, overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid; het Bureau mag bovendien alleen toegang hebben tot voor het onderzoek relevante informatie.

(26)

Marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om een van de officiële talen te gebruiken van de lidstaat waar de controle plaatsvindt, en zij moeten het recht hebben om zich tijdens controles en verificaties ter plaatse door een persoon naar keuze, zoals een externe juridisch adviseur, te laten bijstaan. De aanwezigheid van een juridisch adviseur mag echter geen wettelijke voorwaarde zijn voor de geldigheid van controles en verificaties ter plaatse. Om de doeltreffendheid van controles en verificaties ter plaatse te garanderen, met name wat betreft het risico dat bewijsmiddelen verdwijnen, moet het Bureau toegang kunnen krijgen tot lokalen, terreinen, vervoermiddelen of andere plaatsen voor professioneel gebruik zonder te hoeven wachten totdat de marktdeelnemer zijn juridisch adviseur raadpleegt. In afwachting van de raadpleging van de juridisch adviseur moet het slechts een korte redelijke termijn aanvaarden voordat het met de controle en verificatie ter plaatse begint. Die termijn moet tot het strikte minimum worden beperkt.

(27)

Om de transparantie bij het verrichten van controles en verificaties ter plaatse te verzekeren, moet het Bureau marktdeelnemers passende informatie verstrekken over hun plicht tot medewerking en de gevolgen van een weigering, en over de toepasselijke procedure, inclusief de procedurele waarborgen.

(28)

In interne en, zo nodig, externe onderzoeken heeft het Bureau toegang tot alle relevante informatie die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties. Zoals in het evaluatieverslag van de Commissie werd voorgesteld, moet worden verduidelijkt dat dergelijke toegang mogelijk moet zijn ongeacht het soort informatiedrager, zodat rekening wordt gehouden met de technologische vooruitgang. In het kader van interne onderzoeken moet het Bureau kunnen verzoeken om toegang tot informatie op apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt, indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant zou kunnen zijn voor het onderzoek. De toegang door het Bureau moet door de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie afhankelijk kunnen worden gesteld van specifieke voorwaarden. Een dergelijke toegang moet sporen met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en mag alleen betrekking hebben op voor het onderzoek relevante informatie. Om een doeltreffend, consistent niveau van toegang voor het Bureau en een hoog niveau van bescherming van de grondrechten van de betrokken personen te waarborgen, moeten de instellingen, organen en instanties de samenhang van de regels die zij hebben vastgesteld met betrekking tot de toegang tot apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt, garanderen, teneinde te voorzien in gelijkwaardige voorwaarden overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (10).

(29)

Om het kader voor de onderzoeken van het Bureau coherenter te maken, moeten de regels voor interne en externe onderzoeken verder op elkaar worden afgestemd om bepaalde inconsistenties die in het evaluatieverslag van de Commissie werden vastgesteld, weg te werken wanneer uiteenlopende regels niet gerechtvaardigd zijn. Verslagen en aanbevelingen die na een extern onderzoek zijn opgesteld, moeten bijvoorbeeld, waar nodig, worden toegezonden aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie met het oog op het ondernemen van passende actie, net zoals bij interne onderzoeken. Wanneer zijn mandaat dat mogelijk maakt, moet het Bureau de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie ondersteunen in het gevolg geven aan zijn aanbevelingen. Wanneer het Bureau geen onderzoek instelt, moet het relevante informatie kunnen toezenden aan de autoriteiten van de lidstaten of aan de instellingen, organen en instanties om passende maatregelen te kunnen nemen. Het moet dergelijke informatie toezenden indien het besluit geen onderzoek te openen hoewel er voldoende ernstige vermoedens bestaan van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Alvorens dit te doen, moet het Bureau naar behoren rekening houden met een mogelijke inmenging in lopende onderzoeken van het EOM.

(30)

Gezien de grote diversiteit van nationale institutionele kaders moeten de lidstaten op basis van het beginsel van loyale samenwerking de mogelijkheid hebben om het Bureau in kennis te stellen van de autoriteiten die bevoegd zijn om maatregelen te nemen op aanbeveling van het Bureau, alsook van de autoriteiten die geïnformeerd moeten worden, bijvoorbeeld voor financiële, statistische of monitoringdoeleinden, voor de uitvoering van hun relevante taken. Die autoriteiten kunnen de nationale coördinatiediensten fraudebestrijding omvatten. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ-EU hebben de in de verslagen van het Bureau opgenomen aanbevelingen van het Bureau geen bindende rechtsgevolgen voor dergelijke autoriteiten van de lidstaten of voor instellingen, organen en instanties.

(31)

Het Bureau moet de nodige middelen ter beschikking krijgen om het geldspoor te volgen teneinde de werkwijze aan het licht te brengen die typisch is voor veel frauduleus gedrag. Het Bureau kan door samenwerking met en bijstand van de nationale autoriteiten in een aantal lidstaten van kredietinstellingen informatie over bankrekeningen verkrijgen die relevant is voor zijn onderzoeksactiviteiten. Om een doeltreffende aanpak in de hele Unie te garanderen, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 nadere bepalingen bevatten over de plicht van nationale bevoegde autoriteiten om het Bureau informatie over bankrekeningen te verstrekken, als onderdeel van hun algemene plicht het Bureau bijstand te verlenen. De lidstaten moeten de Commissie meedelen via welke van de bevoegde autoriteiten die samenwerking dient plaats te vinden. Bij het verlenen van dergelijke bijstand aan het Bureau moeten de nationale autoriteiten handelen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de nationale bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

(32)

Teneinde de procedurewaarborgen en de grondrechten te beschermen en te eerbiedigen, moet de Commissie een interne functie in het leven roepen in de vorm van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (de “Toezichthouder”), die — met het oog op een efficiënt gebruik van middelen — administratief aan het Comité van toezicht moet worden verbonden, en voldoende middelen ter beschikking moet krijgen. De Toezichthouder moet klachten in volledige onafhankelijkheid behandelen, onder meer onafhankelijk van het Comité van toezicht en van het Bureau, en hij moet toegang hebben tot alle informatie die nodig is om zijn taken te vervullen.

(33)

Een betrokken persoon moet bij de Toezichthouder een klacht kunnen indienen over de eerbiediging door het Bureau van de procedurewaarborgen, alsook op grond van een schending van de regels die van toepassing zijn op door het Bureau uitgevoerde onderzoeken, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten. Daartoe moet een klachtenmechanisme worden ingesteld. De Toezichthouder moet verantwoordelijk zijn voor het uitbrengen van aanbevelingen in reactie op dergelijke klachten, met waar nodig suggesties voor oplossingen voor de in de klacht genoemde kwesties. De Toezichthouder moet de klacht volgens een snelle contradictoire procedure behandelen, terwijl het Bureau het lopende onderzoek moet kunnen voortzetten. De Toezichthouder moet de klager en het Bureau in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken over het in de klacht aan de orde gestelde probleem of hiervoor een oplossing te vinden. De directeur-generaal moet de passende maatregelen nemen die op grond van de aanbeveling van de Toezichthouder geboden zijn. De directeur-generaal moet in terdege gemotiveerde gevallen van de aanbeveling van de Toezichthouder kunnen afwijken. De redenen daarvoor moeten aan het eindverslag van het onderzoek worden gehecht.

(34)

Met het oog op meer transparantie en verantwoording neemt de Toezichthouder in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Het jaarverslag moet met name het aantal ontvangen klachten vermelden, alsook de soorten schendingen van procedurevereisten en grondrechten die in het geding zijn, de betreffende activiteiten en, waar mogelijk, de follow-up-maatregelen die het Bureau heeft genomen.

(35)

De vroege doorgifte van informatie door het Bureau met het oog op het nemen van voorzorgsmaatregelen is een essentieel instrument voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Om in dit verband nauwe samenwerking tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties te garanderen, is het passend dat die laatste de mogelijkheid hebben om het Bureau te allen tijde te raadplegen om te besluiten welke voorzorgsmaatregelen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen, geschikt zijn.

(36)

Verslagen van het Bureau zijn toelaatbare bewijsmiddelen in administratieve of gerechtelijke procedures, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen. Volgens het evaluatieverslag van de Commissie waarborgt deze regel de effectiviteit van de activiteiten van het Bureau in sommige lidstaten onvoldoende. Om de verslagen van het Bureau doeltreffender en het gebruik ervan samenhangender te maken, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bepalen dat die verslagen toelaatbaar zijn in niet-strafrechtelijke procedures voor de nationale rechter, en ook in administratieve procedures in de lidstaten. De regel dat die verslagen gelijkwaardig zijn aan de verslagen van nationale administratieve controleurs moet van toepassing blijven in geval van nationale strafrechtelijke procedures. Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet ook voorzien in de toelaatbaarheid van de verslagen van het Bureau in administratieve en gerechtelijke procedures op Unieniveau.

(37)

De coördinatiediensten fraudebestrijding van de lidstaten werden ingevoerd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 om een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, tussen het Bureau en de lidstaten te vergemakkelijken. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek dat zij positief hebben bijgedragen aan de activiteiten van het Bureau. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek ook dat de rol van die coördinatiediensten fraudebestrijding verder moet worden verduidelijkt om te garanderen dat het Bureau de nodige bijstand krijgt opdat zijn onderzoeken doeltreffend zijn, terwijl de organisatie en de bevoegdheden van de coördinatiediensten fraudebestrijding aan elke lidstaat worden overgelaten. In dat verband moeten de coördinatiediensten fraudebestrijding in staat zijn de nodige bijstand aan het Bureau te verlenen of te coördineren opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren vóór, tijdens of na afloop van een intern of extern onderzoek.

(38)

De taak van het Bureau om de lidstaten bijstand te verlenen voor de coördinatie van hun acties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, is een belangrijk onderdeel van zijn mandaat om grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten te ondersteunen. Er moeten nadere regels worden vastgesteld om de coördinatieactiviteiten van het Bureau en zijn samenwerking in dit verband met de autoriteiten van de lidstaten, derde landen en internationale organisaties te vergemakkelijken. Die regels mogen geen afbreuk doen aan de uitoefening door het Bureau van de bevoegdheden die aan de Commissie zijn toegekend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen die autoriteiten en de Commissie, met name Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad (11) en Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), alsmede coördinatieactiviteiten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen.

(39)

Verduidelijkt moet worden dat wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van coördinatiediensten fraudebestrijding, in samenwerking met het Bureau of met andere bevoegde autoriteiten optreden met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, zij nog steeds gebonden zijn door het nationale recht.

(40)

De coördinatiediensten fraudebestrijding moeten bijstand kunnen verlenen aan het Bureau in het kader van coördinatieactiviteiten, en zij moeten onderling kunnen samenwerken, teneinde de beschikbare mechanismen voor samenwerking bij fraudebestrijding verder te versterken.

(41)

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, alsmede de instellingen, organen en instanties, moeten de maatregelen nemen die op grond van een aanbeveling van het Bureau geboden zijn. Teneinde het Bureau in staat te stellen te reageren op de ontwikkeling van zijn zaken moeten de lidstaten, indien het Bureau aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doet aan de nationale vervolgingsautoriteiten van een lidstaat, het Bureau op diens verzoek de definitieve beslissing van de nationale rechter toezenden. Om ervoor te zorgen dat de rechterlijke macht volledig onafhankelijk blijft, mag een dergelijke doorgifte alleen plaatsvinden nadat de betrokken gerechtelijke procedures afgerond zijn en de definitieve beslissing van de rechter openbaar is geworden.

(42)

In aanvulling op de in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 vastgestelde procedureregels voor het verrichten van onderzoeken dient het Bureau richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures vast te stellen die moeten worden nageleefd door de personeelsleden van het Bureau.

(43)

Verduidelijkt moet worden dat het Bureau kan deelnemen aan overeenkomstig het Unierecht opgerichte gemeenschappelijke onderzoeksteams en dat het in dat kader verkregen operationele informatie kan uitwisselen. Voor het gebruik van die informatie gelden de voorwaarden en waarborgen die zijn vastgelegd in het Unierecht op grond waarvan de gemeenschappelijke onderzoeksteams zijn opgericht. Wanneer het Bureau deelneemt aan dergelijke gemeenschappelijke onderzoeksteams, heeft het een ondersteunende capaciteit en neemt het de rol op zich van een partner die onderworpen is aan mogelijke wettelijke beperkingen in het Unierecht of het nationale recht.

(44)

Uiterlijk vijf jaar na de overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 bepaalde datum moet de Commissie de toepassing van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en met name de efficiëntie van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM evalueren, om op basis van de ervaringen met die samenwerking te kunnen nagaan of wijzigingen wenselijk zijn. De Commissie moet, waar passend, uiterlijk twee jaar na die evaluatie een nieuw, uitgebreid wetgevingsvoorstel indienen.

(45)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk betere bescherming van de financiële belangen van de Unie door de werking van het Bureau aan te passen aan de instelling van het EOM en door de onderzoeken door het Bureau doeltreffender te maken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar door regels vast te stellen betreffende de band tussen het Bureau en het EOM om door hen uitgevoerde onderzoeken doeltreffender te maken, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(46)

Deze verordening brengt geen wijzigingen aan in de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten om maatregelen te treffen ter bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

(47)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (13) en heeft op 23 juli 2018 formele opmerkingen gegeven.

(48)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt d) vervangen door:

“d)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (*);

e)

Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (**).

(*)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1)."

(**)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).”;"

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“4 bis.   Het Bureau ontwikkelt en onderhoudt een nauwe band met het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat via nauwere samenwerking is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (*). Die band is gebaseerd op wederzijdse samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het voorkomen van dubbel werk. Doel van die band is in het bijzonder ervoor te zorgen dat, om de financiële belangen van de Unie te beschermen, alle beschikbare middelen worden ingezet door de complementariteit van hun respectieve mandaten en de steun van het Bureau aan het EOM.

(*)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).”;"

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Voor de toepassing van deze verordening kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties administratieve regelingen met het Bureau treffen. Die administratieve regelingen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de doorgifte van informatie, het verrichten van onderzoeken en de follow-up daarvan.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3 wordt vervangen door:

“3.

“fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad”: hetgeen daaronder wordt verstaan in de toepasselijke handelingen van de Unie, en het begrip “elke andere onwettige activiteit” omvat onregelmatigheden in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95;”;

b)

punt 4 wordt vervangen door:

“4.

“administratief onderzoek” (“onderzoek”): alle controles, verificaties en andere acties die het Bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 4 onderneemt, ter verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen en tot vaststelling, in voorkomend geval, van het onregelmatig karakter van de onderzochte activiteiten; die onderzoeken laten de bevoegdheid van het EOM of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten inzake het instellen en voortzetten van strafvervolging onverlet;”;

c)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“8.

“lid van een instelling”: een lid van het Europees Parlement, een lid van de Europese Raad, een vertegenwoordiger van een lidstaat op ministerniveau in de Raad, een lid van de Commissie, een lid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), een lid van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank of een lid van de Rekenkamer, met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht bij het vervullen van taken in die hoedanigheid.”.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

Externe onderzoeken

1.   Op de in artikel 1 bedoelde terreinen verricht het Bureau controles en verificaties ter plaatse in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.

2.   Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse overeenkomstig deze verordening en, in zoverre deze niet onder deze verordening vallen, overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.

3.   Marktdeelnemers verlenen het Bureau medewerking tijdens zijn onderzoeken. Het Bureau kan om schriftelijke en mondelinge informatie verzoeken, inclusief door middel van een onderhoud.

4.   Wanneer de betrokken marktdeelnemer zich, overeenkomstig lid 3 van dit artikel, onderwerpt aan een controle en verificatie ter plaatse waarvoor op grond van deze verordening machtiging is verleend, zijn artikel 2, lid 4, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, en artikel 6, lid 1, derde alinea, en artikel 7, lid 1, van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 niet van toepassing in zoverre die bepalingen naleving van het nationale recht vereisen en de toegang tot informatie en documenten van het Bureau kunnen beperken onder dezelfde voorwaarden als die welke op de nationale administratieve controleurs van toepassing zijn.

5.   De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verleent de personeelsleden van het Bureau op verzoek van het Bureau zonder onnodige vertraging de nodige bijstand om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, als omschreven in de in artikel 7, lid 2, bedoelde schriftelijke machtiging.

Overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de personeelsleden van het Bureau toegang krijgen tot alle informatie en documenten in verband met de onderzochte feiten die nodig blijken voor het doelmatige en doeltreffende verloop van de controles en verificaties ter plaatse, en dat zij documenten of gegevens kunnen veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur onderworpen worden aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie onder dezelfde voorwaarden als waaronder en in dezelfde mate als waarin de nationale controleautoriteiten onderzoek mogen doen naar apparatuur in particulier bezit, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

6.   Indien de personeelsleden van het Bureau vaststellen dat een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle en verificatie ter plaatse die op grond van deze verordening is toegestaan, namelijk indien de marktdeelnemer weigert het Bureau de nodige toegang te verlenen tot zijn gebouwen of andere plaatsen voor professioneel gebruik, informatie verhult of verhindert dat de activiteiten worden uitgevoerd die het Bureau in het kader van een controle en verificatie ter plaatse moet verrichten, verlenen de bevoegde autoriteiten, inclusief, waar passend, rechtshandhavingsinstanties van de betrokken lidstaat, de nodige bijstand aan het personeel van het Bureau, zodat het Bureau zijn controle en verificatie ter plaatse doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan verrichten.

Wanneer zij overeenkomstig dit lid of lid 5 bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die van toepassing zijn op de betrokken bevoegde autoriteit. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor dergelijke bijstand de toestemming van een gerechtelijke autoriteit vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

7.   Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse op vertoon van een schriftelijke machtiging in de zin van artikel 7, lid 2. Het verstrekt, uiterlijk bij aanvang van de controle en verificatie ter plaatse, de betrokken marktdeelnemer informatie over de procedure die bij de controle en verificatie ter plaatse moet worden gevolgd, inclusief de toepasselijke procedurele waarborgen, en over de plicht tot medewerking van de marktdeelnemer.

8.   In de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden eerbiedigt het Bureau de procedurewaarborgen waarin deze verordening en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorzien. Bij een controle en verificatie ter plaatse heeft de betrokken marktdeelnemer het recht om geen zichzelf belastende verklaringen af te leggen en het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze. Bij het afleggen van verklaringen tijdens een controle en verificatie ter plaatse krijgt de marktdeelnemer de mogelijkheid om een van de officiële talen van de lidstaat waar hij gevestigd is, te gebruiken. Het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze belet niet dat het Bureau toegang heeft tot de gebouwen van de marktdeelnemer, en mag het begin van de controle en verificatie ter plaatse niet onnodig vertragen.

9.   Indien een lidstaat niet met het Bureau samenwerkt overeenkomstig de leden 5 en 6, kan de Commissie de relevante bepalingen van het Unierecht toepassen om de middelen in verband met de betrokken controle en verificatie ter plaatse terug te vorderen.

10.   In het kader van zijn onderzoekstaak verricht het Bureau de controles en verificaties waarin artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en de in artikel 9, lid 2, van die verordening bedoelde sectorale regelingen voorzien, in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.

11.   Tijdens een extern onderzoek kan het Bureau toegang verkrijgen tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. In dat geval is artikel 4, leden 2 en 4, van toepassing.

12.   Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een extern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de instellingen, organen en instanties in kwestie hiervan in kennis stellen.

Onverminderd de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde sectorale regelingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten ervoor dat passende actie wordt ondernomen, waaraan het Bureau overeenkomstig het nationale recht kan deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen het Bureau desgevraagd in kennis van de naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van hun bevindingen met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanwijzingen.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

“1.   Onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties op de in artikel 1 bedoelde terreinen worden verricht overeenkomstig deze verordening en de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie (“intern onderzoek”).

2.   Tijdens interne onderzoeken:

a)

heeft het Bureau zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur worden onderworpen aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie voor zover de apparatuur wordt gebruikt voor professionele doeleinden, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

Het Bureau is bevoegd om de boekhouding van de instellingen, organen en instanties te controleren. Het Bureau kan alle documenten en de inhoud van alle informatiedragers die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen en kan, zo nodig, deze documenten of gegevens veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen;

b)

kan het Bureau ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden verzoeken om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie, die grondig gedocumenteerd is overeenkomstig de toepasselijke Unieregels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

3.   Volgens dezelfde regels en voorwaarden als bedoeld in artikel 3 kan het Bureau controles en verificaties ter plaatse verrichten in de gebouwen van marktdeelnemers om toegang te krijgen tot relevante informatie over de onderzochte feiten bij de instellingen, organen en instanties.

4.   De instellingen, organen en instanties worden ingelicht wanneer de personeelsleden van het Bureau een intern onderzoek in hun gebouwen verrichten, documenten of gegevens raadplegen of verzoeken om informatie die die instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben. Onverminderd de artikelen 10 en 11 kan het Bureau in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie meedelen.”;

b)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een intern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie hiervan in kennis stellen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau desgevraagd in kennis van naar aanleiding daarvan ondernomen acties en van de bevindingen met betrekking tot de hierboven bedoelde aanwijzingen.”.

5)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

“1.   Onverminderd artikel 12 quinquies kan de directeur-generaal een onderzoek openen bij voldoende ernstige vermoedens van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de informatie dienaangaande door derden of anoniem wordt verstrekt. Bij dat besluit om een onderzoek te openen kan tevens worden gelet op het efficiënte gebruik van de middelen van het Bureau en het proportionele karakter van de gebruikte middelen. Bij interne onderzoeken wordt met name nagegaan welke instelling, welk orgaan of welke instantie het best geplaatst is om het onderzoek te verrichten, op basis van met name de aard van de feiten, de daadwerkelijke of potentiële financiële gevolgen van het geval in kwestie, en de kans op gerechtelijke follow-up.

2.   Het besluit om een onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, of op verzoek van een lidstaat.

3.   Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, of wanneer het Bureau een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met het Bureau is overeengekomen.

Dit lid is niet van toepassing op onderzoeken door het EOM op grond van Verordening (EU) 2017/1939.”;

b)

de leden 5 en 6 worden vervangen door:

“5.   Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, kan hij alle relevante informatie, naargelang het geval, onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, of aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig de op de instelling, het orgaan of de instantie toepasselijke regels. Waar passend komt het Bureau met de instelling, het orgaan of de instantie passende maatregelen overeen om de bron van die informatie geheim te houden, en zo nodig vraagt het Bureau om in kennis te worden gesteld van de ondernomen actie.

6.   Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, hoewel er voldoende ernstige vermoedens bestaan dat er sprake is geweest van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doet hij de in lid 5 bedoelde informatie onverwijld toekomen.”.

6)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De directeur-generaal geeft leiding aan het verrichten van onderzoeken, waar passend op basis van schriftelijke instructies. Onderzoeken worden onder zijn leiding uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die hij heeft aangewezen. De directeur-generaal voert zelf geen concrete onderzoekshandelingen uit.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen de personeelsleden van het Bureau de nodige bijstand zodat die hun taken overeenkomstig deze verordening effectief en zonder onnodige vertraging kunnen uitvoeren. Wanneer zij zulke bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die op hen van toepassing zijn.

3 bis.   Op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, met betrekking tot de onderzochte feiten, verstrekken de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Bureau onder dezelfde voorwaarden als deze die op de nationale bevoegde autoriteiten van toepassing zijn, de volgende informatie:

a)

informatie beschikbaar in de in artikel 32 bis, lid 3, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (*) bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen;

b)

indien dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, de registratiegegevens van transacties.

Het verzoek van het Bureau bevat een motivering van de geschiktheid en proportionaliteit van de maatregel met betrekking tot de aard en de ernst van de onderzochte feiten. Dergelijke verzoeken hebben alleen betrekking op de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde informatie.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de betrokken bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de punten a) en b) van de eerste alinea.

3 ter.   De instellingen, organen en instanties zien erop toe dat hun ambtenaren, andere personeelsleden, leden, hoofden en personeelsleden de nodige bijstand verlenen, opdat het personeel van het Bureau zijn taken doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan uitoefenen.

(*)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).”;"

c)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt punt b) vervangen door:

“b)

alle informatie die de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan helpen bij het nemen van een besluit over passende administratieve voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan te allen tijde het Bureau raadplegen om, in nauwe samenwerking met het Bureau, te besluiten alle passende voorzorgsmaatregelen te nemen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau onverwijld in kennis van alle voorzorgsmaatregelen die zijn genomen.”;

d)

lid 8 wordt vervangen door:

“8.   Indien een onderzoek niet kan worden afgesloten binnen twaalf maanden nadat het is geopend, brengt de directeur-generaal, na het verstrijken van die twaalf maanden, en vervolgens om de zes maanden, verslag uit aan het Comité van toezicht, onder vermelding van de redenen die het oponthoud veroorzaken en, waar passend, de beoogde maatregelen om het onderzoek sneller te doen verlopen.”.

7)

Artikel 8 wordt vervangen door:

“Artikel 8

Verplichte informatieverstrekking aan het Bureau

1.   Op de in artikel 1 bedoelde terreinen geven de instellingen, organen en instanties alle informatie betreffende mogelijke gevallen van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, onverwijld aan het Bureau door.

Wanneer de instellingen, organen en instanties overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 aan het EOM een melding doen, kunnen zij voldoen aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde verplichting door aan het Bureau een afschrift van de aan het EOM toegezonden melding door te geven.

2.   De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geven op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief onverwijld alle documenten en informatie in hun bezit die verband houden met een lopend onderzoek van het Bureau aan het Bureau door.

Voorafgaand aan de opening van een onderzoek geven zij, op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, alle documenten of informatie in hun bezit door die nodig zijn om de vermoedens te beoordelen of om de in artikel 5, lid 1, vastgestelde criteria voor de opening van een onderzoek toe te passen.

3.   De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geven onverwijld, op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief, alle andere relevant geachte informatie, documenten of gegevens in hun bezit die verband houden met de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, aan het Bureau door.

4.   Dit artikel is niet van toepassing op het EOM met betrekking tot strafbare feiten ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939.

Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het EOM om het Bureau relevante informatie over zaken te verstrekken overeenkomstig artikel 34, lid 8, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 4, en artikel 101, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2017/1939.

5.   De bepalingen met betrekking tot de doorgifte van informatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (*) blijven onverlet.

(*)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).”."

8)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de vierde alinea vervangen door:

“De in de tweede en de derde alinea bedoelde voorschriften gelden niet voor het afnemen van verklaringen in het kader van controles en verificaties ter plaatse. De in artikel 3, leden 7 en 8, bedoelde procedurewaarborgen gelden voor de betrokken persoon, met name het recht om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze.”;

b)

in lid 4 worden de tweede en derde alinea vervangen door:

“Daartoe nodigt het Bureau de betrokken persoon uit om schriftelijk dan wel in een onderhoud met door het Bureau aangewezen personeelsleden zijn oordeel over de feiten te geven. De uitnodiging bevat een samenvatting van de feiten die de betrokken persoon betreffen, alsmede de bij de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 voorgeschreven informatie, en vermeldt de termijn voor het indienen van opmerkingen, die ten minste tien werkdagen vanaf de ontvangst van de uitnodiging tot het maken van opmerkingen bedraagt. Die termijn kan worden ingekort met de uitdrukkelijke instemming van de betrokken persoon of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek. In het eindverslag van het onderzoek wordt naar dat oordeel verwezen.

In terdege gemotiveerde gevallen waarin het nodig is het vertrouwelijk karakter van het onderzoek of een lopend of toekomstig strafrechtelijk onderzoek door het EOM of een nationale gerechtelijke autoriteit veilig te stellen, kan de directeur-generaal, waar passend na raadpleging van het EOM of de betrokken nationale gerechtelijke autoriteit, besluiten de nakoming van de verplichting om de betrokken persoon uit te nodigen zijn opmerkingen te maken, uit te stellen.”.

9)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 9 bis

Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.   De Commissie benoemt, volgens de in lid 2 bedoelde procedure, een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (de “Toezichthouder”) voor een niet-verlengbare ambtstermijn van vijf jaar. Na afloop van die ambtstermijn blijft de Toezichthouder in functie totdat in zijn vervanging is voorzien.

2.   De Toezichthouder is administratief verbonden aan het Comité van toezicht. Het secretariaat van het Comité van toezicht verleent de Toezichthouder alle nodige administratieve en juridische ondersteuning.

3.   De Commissie wijst het personeel en de financiële middelen die nodig zijn voor de Toezichthouder, binnen haar goedgekeurde begroting toe aan het Comité van toezicht.

4.   Na een oproep tot kandidaatstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie een lijst op van geschikte kandidaten voor het ambt van Toezichthouder. De Commissie benoemt de Toezichthouder na het Europees Parlement en de Raad te hebben geraadpleegd.

5.   De Toezichthouder beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van procedurewaarborgen.

6.   De Toezichthouder oefent zijn functies in volledige onafhankelijkheid uit, onder meer onafhankelijk van het Bureau en van het Comité van toezicht, en vraagt noch aanvaardt daarbij instructies van anderen.

7.   Indien de Toezichthouder niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan hij door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming van zijn functie worden ontheven.

8.   Op grond van het in artikel 9 ter bedoelde mechanisme houdt de Toezichthouder toezicht op de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen en van de regels die van toepassing zijn op de onderzoeken van het Bureau. De Toezichthouder is verantwoordelijk voor de behandeling van de in artikel 9 ter bedoelde klachten.

9.   De Toezichthouder brengt over de uitoefening van deze functie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau. In dat verslag verwijst hij niet naar afzonderlijke onderzoeken en neemt hij de vertrouwelijkheid van onderzoeken in acht, zelfs als deze zijn afgesloten. De Toezichthouder brengt verslag uit aan het Comité van toezicht over alle structurele problemen die voortvloeien uit zijn aanbevelingen.

Artikel 9 ter

Klachtenmechanisme

1.   Een betrokken persoon heeft het recht een klacht in te dienen bij de Toezichthouder met betrekking tot de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen, alsmede wegens schending van de regels die van toepassing zijn op onderzoeken van het Bureau, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten. De indiening van een klacht heeft geen opschortend effect op de uitvoering van het onderzoek waarop de klacht betrekking heeft.

2.   De betrokken persoon beschikt over een termijn van één maand nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die beweerdelijk een schending vormen van de procedurewaarborgen of regels bedoeld in lid 1 van dit artikel, om een klacht hierover in te dienen. Er kan hoe dan ook geen klacht meer worden ingediend als het onderzoek langer dan één maand is afgesloten.

Klachten met betrekking tot de in artikel 9, leden 2 en 4, bedoelde termijn worden evenwel ingediend vóór het verstrijken van de in die bepalingen bedoelde termijn van tien dagen.

3.   Na ontvangst van een klacht stelt de Toezichthouder de directeur-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

Binnen tien werkdagen na de dag van ontvangst bepaalt de Toezichthouder of aan de leden 1 en 2 is voldaan.

Indien aan de leden 1 en 2 is voldaan, verzoekt de Toezichthouder het Bureau om actie te ondernemen teneinde de klacht op te lossen en de Toezichthouder hiervan binnen 15 werkdagen op de hoogte te stellen.

Indien niet aan lid 1 of lid 2 is voldaan, sluit de Toezichthouder het dossier af en stelt hij de klager daarvan onverwijld in kennis.

4.   Onverminderd artikel 10 verstrekt het Bureau aan de Toezichthouder alle informatie die nodig is om de Toezichthouder in staat te stellen te beoordelen of de klacht gerechtvaardigd is, alsmede informatie om de klacht te kunnen oplossen en om de Toezichthouder in staat te stellen een aanbeveling uit te brengen.

5.   De Toezichthouder brengt onverwijld een aanbeveling uit over de wijze waarop de klacht kan worden opgelost, en hoe dan ook binnen twee maanden nadat het Bureau de Toezichthouder in kennis heeft gesteld van de maatregelen die het heeft genomen om de klacht op te lossen. Indien de Toezichthouder geen informatie heeft ontvangen binnen de in lid 3, derde alinea, bedoelde termijn van 15 dagen, brengt hij binnen twee maanden na het verstrijken van die termijn een aanbeveling uit.

In uitzonderlijke gevallen kan de Toezichthouder besluiten de termijn voor het uitbrengen van een aanbeveling met nog eens 15 kalenderdagen te verlengen. De Toezichthouder stelt de directeur-generaal schriftelijk in kennis van de redenen voor een dergelijke verlenging.

De Toezichthouder kan aanbevelen dat het Bureau zijn aanbevelingen of verslagen wijzigt of intrekt wegens schending van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen of van de regels die van toepassing zijn op door het Bureau uitgevoerde onderzoeken, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten.

Voordat de Toezichthouder een aanbeveling uitbrengt, raadpleegt hij het Comité van Toezicht met het oog op het verkrijgen van een advies.

De Toezichthouder dient de aanbeveling in bij het Bureau en stelt de klager hiervan in kennis.

Indien de Toezichthouder binnen de in dit lid bepaalde termijnen geen aanbeveling uitbrengt, wordt aangenomen dat de Toezichthouder de klacht zonder aanbeveling heeft afgewezen.

6.   Zonder inmenging in het lopende onderzoek beoordeelt de Toezichthouder de klacht volgens een contradictoire procedure.

De Toezichthouder kan ook getuigen verzoeken om schriftelijk of mondeling toelichtingen te verstrekken die hij relevant acht om de feiten te beoordelen. Getuigen mogen weigeren om dergelijke toelichtingen te verstrekken.

7.   De directeur-generaal neemt de passende maatregelen die op grond van de aanbeveling geboden zijn. Indien de directeur-generaal besluit geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder, deelt hij de klager en de Toezichthouder de voornaamste redenen voor dat besluit mee, tenzij een dergelijke mededeling het lopende onderzoek zou beïnvloeden. De directeur-generaal zet de redenen om geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder uiteen in een nota die bij het eindverslag van het onderzoek wordt gevoegd.

8.   Het klachtenmechanisme op grond van dit artikel laat de rechtsmiddelen uit hoofde van de Verdragen, met inbegrip van rechtsvorderingen tot schadevergoeding, onverlet.

9.   De directeur-generaal kan de Toezichthouder om advies vragen over elke aangelegenheid die verband houdt met procedurewaarborgen of grondrechten en die binnen het mandaat van de Toezichthouder valt, ook over een besluit uit hoofde van artikel 9, lid 3, om het in kennis stellen van de betrokkene uit te stellen. De directeur-generaal vermeldt in een dergelijk verzoek binnen welke termijn de Toezichthouder moet antwoorden.

10.   Onverminderd de termijnen waarin artikel 90 van het Statuut voorziet, wacht in gevallen waarin door een ambtenaar of een ander personeelslid van de Unie een klacht overeenkomstig artikel 90 bis van het Statuut is ingediend bij de directeur-generaal en een klacht over dezelfde aangelegenheid is ingediend bij de Toezichthouder, de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder af voordat hij de klacht beantwoordt.

11.   De Toezichthouder stelt, na raadpleging van het Comité van toezicht, uitvoeringsbepalingen vast voor de behandeling van klachten.

Die uitvoeringsbepalingen omvatten met name nadere regels over:

a)

het indienen van een klacht;

b)

het uitwisselen van informatie tussen het Comité van toezicht, de Toezichthouder en de directeur-generaal;

c)

de procedure voor het behandelen van de kwesties die in een klacht door het Bureau aan de orde zijn gesteld;

d)

het onderzoek van een klacht in een contradictoire procedure overeenkomstig lid 6, eerste alinea;

e)

de uitvaardiging en mededeling van de aanbeveling van de Toezichthouder;

f)

terdege gemotiveerde gevallen waarin de directeur-generaal kan afwijken van de aanbeveling van de Toezichthouder en de in dergelijke gevallen te volgen procedure.”.

10)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende leden worden ingevoegd:

“3 bis.   Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (*) is van toepassing op het melden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, en op de bescherming van personen die melding maken van dergelijke inbreuken.

3 ter.   Indien het Bureau een gerechtelijke follow-up aanbeveelt, onverminderd de vertrouwelijkheidsrechten van klokkenluiders en informanten, en overeenkomstig de toepasselijke regels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, kan de betrokken persoon het Bureau verzoeken om het uit hoofde van artikel 11 opgestelde verslag te verstrekken voor zover het op hem betrekking heeft. Het Bureau stelt alle ontvangers van dat verslag onverwijld in kennis van dat verzoek en verleent uitsluitend toegang met de uitdrukkelijke toestemming van de ontvangers. De ontvangers reageren binnen een termijn van twaalf maanden na ontvangst van het verzoek. Indien binnen die termijn geen bezwaar wordt aangetekend, verleent het Bureau toegang.

De bevoegde autoriteit kan het Bureau ook toestemming verlenen om vóór het verstrijken van die termijn toegang te verlenen.

(*)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).”;"

b)

in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

“4.   Het Bureau wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725.”.

11)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het verslag gaat waar passend vergezeld van aanbevelingen van de directeur-generaal betreffende te ondernemen actie. Die aanbevelingen vermelden waar passend of er door de instellingen, organen en instanties en door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten tuchtrechtelijke, administratiefrechtelijke, financiële of gerechtelijke acties moeten worden ondernomen; in het bijzonder worden de geschatte in te vorderen bedragen en de voorlopige juridische kwalificatie van de geconstateerde feiten vermeld.”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen worden de desbetreffende bepalingen van Unierecht en, in zoverre het van toepassing is, van het nationale recht van de betrokken lidstaat in aanmerking genomen.

Verslagen die op basis van de eerste alinea worden opgesteld, vormen, samen met alle bewijsstukken ter ondersteuning van en als bijlage bij die verslagen, toelaatbare bewijsmiddelen:

a)

in niet-strafrechtelijke procedures voor de nationale rechter en in administratieve procedures in de lidstaten;

b)

in strafrechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen, en zij worden beoordeeld volgens dezelfde regels als administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs en hebben dezelfde bewijskracht;

c)

in gerechtelijke procedures voor het HvJ-EU en in administratieve procedures binnen de instellingen, organen en instanties.

De lidstaten stellen het Bureau in kennis van alle regels van nationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van punt b) van de tweede alinea.

Met betrekking tot punt b) van de tweede alinea zenden de lidstaten het Bureau op zijn verzoek de definitieve beslissing van de nationale rechters toe zodra de betrokken gerechtelijke procedures zijn voltooid en de definitieve rechterlijke beslissing openbaar is geworden.

Deze verordening laat de bevoegdheid van het HvJ-EU en de nationale rechter en de bevoegde instanties in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures om de bewijskracht van de door het Bureau opgestelde verslagen te beoordelen, onverlet.

2 bis.   Het Bureau neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen een consistente kwaliteit hebben.

3.   De na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle daarmee verband houdende documenten worden overeenkomstig de regels betreffende externe onderzoeken toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, indien noodzakelijk, aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat en, indien van toepassing, de instellingen, de organen of de instanties, ondernemen de acties die op grond van de resultaten van het externe onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan het Bureau binnen de in de aanbevelingen bij het verslag bepaalde termijn, en daarnaast op verzoek van het Bureau. De lidstaten kunnen het Bureau in kennis stellen van de betrokken nationale instanties die bevoegd zijn om dergelijke verslagen, aanbevelingen en documenten te behandelen.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Wanneer uit het na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslag blijkt dat sprake is van strafrechtelijk vervolgbare feiten, wordt die informatie, samen met de aanbevelingen, onverwijld doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat, onverminderd de artikelen 12 quater en 12 quinquies.

Op verzoek van het Bureau zenden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, binnen een in de aanbevelingen vastgestelde termijn, het Bureau informatie over de genomen maatregelen, zo die er zijn, en, waar toepasselijk, de redenen waarom de aanbevelingen niet zijn uitgevoerd, nadat het Bureau overeenkomstig de eerste alinea van dit lid informatie heeft verstrekt.”;

d)

lid 6 wordt geschrapt;

e)

lid 8 wordt vervangen door:

“8.   Wanneer een informant het Bureau informatie heeft verstrekt die tot het onderzoek heeft geleid, stelt het Bureau die informant ervan in kennis dat het onderzoek is afgesloten, tenzij het van oordeel is dat die informatie de legitieme belangen van de betrokken persoon en de doeltreffendheid van het onderzoek en van de in aansluiting daarop genomen maatregelen, of vertrouwelijkheidsvereisten schaadt.”.

12)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Onverminderd de artikelen 10 en 11 van deze verordening en de bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 kan het Bureau de informatie die het in het kader van externe onderzoeken heeft verkregen, te gelegener tijd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten doorgeven teneinde hen in staat te stellen overeenkomstig hun nationale recht passende actie te ondernemen. Het kan dergelijke informatie ook doorgeven aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat stellen, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, het Bureau onverwijld en in elk geval binnen twaalf maanden na ontvangst van de overeenkomstig dit artikel aan hen doorgegeven informatie in kennis van de actie die zij naar aanleiding van die informatie hebben ondernomen.”;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“5.   Het Bureau kan relevante informatie verstrekken aan het Eurofisc-netwerk dat bij Verordening (EU) nr. 904/2010 is ingesteld. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen het Bureau relevante inlichtingen uit het Eurofisc-netwerk verstrekken overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 904/2010.”.

13)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 12 bis

Coördinatiediensten fraudebestrijding

1.   Voor de toepassing van deze verordening wijst elke lidstaat een instantie (de “coördinatiedienst fraudebestrijding”) aan om een effectieve samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, met het Bureau te faciliteren. De coördinatiedienst fraudebestrijding kan, waar passend en overeenkomstig het nationale recht, voor de toepassing van deze verordening als een bevoegde autoriteit worden beschouwd.

2.   Op verzoek van het Bureau en voordat een besluit is genomen of er al dan niet een onderzoek wordt geopend, en ook tijdens of na een onderzoek, verlenen of coördineren de coördinatiediensten fraudebestrijding de nodige bijstand opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. Die bijstand omvat met name de bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die overeenkomstig artikel 3, leden 5 en 6, artikel 7, lid 3, en artikel 8, leden 2 en 3, wordt verleend.

3.   De coördinatiediensten fraudebestrijding kunnen het Bureau op verzoek bijstand verlenen, zodat het Bureau overeenkomstig artikel 12 ter coördinatieactiviteiten kan verrichten, met inbegrip van, waar passend, horizontale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de coördinatiediensten fraudebestrijding.

Artikel 12 ter

Coördinatie-activiteiten

1.   Op grond van artikel 1, lid 2, kan het Bureau samenwerking organiseren en faciliteren tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, instellingen, organen en instanties, alsook, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, autoriteiten van derde landen en internationale organisaties. Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie kunnen de deelnemende autoriteiten en het Bureau informatie, met inbegrip van operationele informatie, verzamelen, analyseren en uitwisselen. Het personeel van het Bureau kan bevoegde autoriteiten die onderzoeksactiviteiten verrichten, op verzoek van die autoriteiten vergezellen. Artikel 6, artikel 7, leden 6 en 7, artikel 8, lid 3, en artikel 10 zijn van toepassing.

2.   Het Bureau stelt, waar passend, een verslag over de verrichte coördinatieactiviteiten op en geeft dit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken instellingen, organen en instanties door.

3.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de uitoefening door het Bureau van bevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen die autoriteiten en de Commissie.

4.   Het Bureau kan deelnemen aan gemeenschappelijke onderzoeksteams die overeenkomstig het toepasselijke Unierecht zijn opgericht, en kan in dat kader op grond van deze verordening verkregen operationele informatie uitwisselen.

Artikel 12 quater

Verslag aan het EOM over strafbare gedragingen

1.   Het Bureau dient bij het EOM zonder onnodige vertraging een verslag in over alle strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939. Het verslag wordt zonder onnodige vertraging voor of tijdens een onderzoek van het Bureau toegezonden.

2.   Het in lid 1 bedoelde verslag bevat ten minste een beschrijving van de feiten, met inbegrip van een beoordeling van de schade die is of wellicht zal worden berokkend, de mogelijke juridische kwalificatie, en eventuele beschikbare informatie over potentiële slachtoffers, verdachten of andere betrokkenen.

3.   Het Bureau is niet verplicht bij het EOM een verslag in te dienen over kennelijk ongegronde vermoedens.

4.   Indien de door het Bureau ontvangen informatie niet de in lid 2 van dit artikel omschreven elementen omvat, en er geen lopend onderzoek van het Bureau is, kan het Bureau overgaan tot een voorlopige evaluatie van de vermoedens. De evaluatie wordt onverwijld verricht en in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de informatie. Tijdens die evaluatie zijn artikel 6 en artikel 8, lid 2, van toepassing. Na die voorlopige evaluatie dient het Bureau bij het EOM een verslag in over elke strafbare gedraging als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

5.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde strafbare gedraging aan het licht komt tijdens een onderzoek door het Bureau, en het EOM na het in dat lid bedoelde verslag een onderzoek opent, zet het Bureau zijn onderzoek naar dezelfde feiten niet voort, tenzij overeenkomstig artikel 12 sexies of artikel 12 septies.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

6.   De instellingen, organen en instanties kunnen het Bureau verzoeken een voorlopige evaluatie uit te voeren van vermoedens die aan hen worden gemeld. Voor die verzoeken zijn de leden 1 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing. Het Bureau stelt de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie in kennis van de resultaten van de voorlopige evaluatie, tenzij de verstrekking van die informatie een door het Bureau of het EOM gevoerd onderzoek in gevaar kan brengen.

7.   Indien het Bureau na de melding aan het EOM overeenkomstig dit artikel zijn onderzoek afsluit, zijn artikel 9, lid 4, en artikel 11 niet van toepassing.

Artikel 12 quinquies

Geen dubbel onderzoek

1.   Onverminderd de artikelen 12 sexies en 12 septies zet de directeur-generaal een lopend onderzoek stop en opent hij geen nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 5, indien het EOM een onderzoek uitvoert naar dezelfde feiten. De directeur-generaal stelt het EOM in kennis van elk besluit tot stopzetting dat om die redenen is genomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

 

2.   Het EOM mag het Bureau, om het in staat te stellen overeenkomstig zijn mandaat passende administratieve maatregelen te overwegen, relevante informatie verstrekken over zaken waarin het EOM heeft besloten geen onderzoek uit te voeren of die het heeft geseponeerd. Indien bij het Bureau nieuwe feiten bekend worden die ten tijde van het besluit om te seponeren als bedoeld in artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 niet bekend waren bij het EOM, kan de directeur-generaal het EOM verzoeken een onderzoek te heropenen overeenkomstig artikel 39, lid 2, van die verordening.

Artikel 12 sexies

Steun van het Bureau aan het EOM

1.   Tijdens een onderzoek door het EOM, en op verzoek van het EOM overeenkomstig artikel 101, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939, ondersteunt het Bureau, overeenkomstig zijn mandaat, de activiteit van het EOM, of vult het die activiteit aan, met name door:

a)

informatie en analyses (ook forensische) te verstrekken en deskundigheid en operationele ondersteuning te bieden;

b)

de coördinatie van specifieke acties van de bevoegde nationale bestuurlijke autoriteiten en organen van de Unie te faciliteren;

c)

administratieve onderzoeken te verrichten.

Bij het verlenen van steun aan het EOM ziet het Bureau af van handelingen of maatregelen die het onderzoek of de vervolging in gevaar kunnen brengen.

2.   Een in lid 1 bedoeld verzoek wordt schriftelijk doorgegeven en vermeldt ten minste:

a)

de informatie over het onderzoek van het EOM voor zover relevant voor het doel van het verzoek;

b)

de maatregelen die het EOM het Bureau verzoekt te nemen;

c)

waar passend, de geplande timing om het verzoek uit te voeren.

Zo nodig kan het Bureau om aanvullende informatie verzoeken.

3.   Indien het Bureau binnen zijn mandaat ondersteunende maatregelen uitvoert waar op grond van dit artikel om werd verzocht door het EOM, zorgen het EOM en het Bureau, ter bescherming van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en de grondrechten en procedurewaarborgen, er in nauwe samenwerking voor dat de toepasselijke procedurele waarborgen van hoofdstuk VI van Verordening (EU) 2017/1939 in acht worden genomen.

Artikel 12 septies

Aanvullende onderzoeken

1.   Wanneer het EOM een onderzoek uitvoert, en de directeur-generaal van het Bureau in terdege gemotiveerde gevallen vindt dat het Bureau overeenkomstig zijn mandaat ook een onderzoek moet openen ter facilitering van het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties, stelt het Bureau het EOM daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van de aard en het doel van het onderzoek.

Na ontvangst van dergelijke informatie en binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn, kan het EOM bezwaar maken tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen. Indien het EOM bezwaar maakt tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen, stelt het het Bureau zonder onnodige vertraging in kennis wanneer de redenen voor het bezwaar niet langer van toepassing zijn.

Indien het EOM binnen de overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn geen bezwaar maakt, kan het Bureau een onderzoek openen en voert het dit onderzoek uit in continu overleg met het EOM. Als het EOM er nadien bezwaar tegen maakt, schorst het Bureau zijn onderzoek of zet het dit stop, of ziet het af van bepaalde onderzoekshandelingen.

2.   Indien het EOM in antwoord op een verzoek om informatie dat overeenkomstig artikel 12 quinquies is ingediend, het Bureau ervan in kennis stelt dat het geen onderzoek uitvoert en het later een onderzoek naar dezelfde feiten opent, stelt het het Bureau daar onverwijld van in kennis. Indien de directeur-generaal na ontvangst van dergelijke informatie van oordeel is dat het door het Bureau geopende onderzoek moet worden voortgezet teneinde het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties te faciliteren, is lid 1 van dit artikel van toepassing.

Artikel 12 octies

Werkafspraken en uitwisseling van informatie met het EOM

1.   Het Bureau vindt met het EOM overeenstemming over werkafspraken. Dergelijke werkafspraken bestaan onder meer uit praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie, waaronder persoonsgegevens, operationele, strategische of technische informatie en gerubriceerde informatie, en voor aanvullende onderzoeken.

De werkafspraken omvatten gedetailleerde regelingen over de continue uitwisseling van informatie tijdens de ontvangst en de controle van vermoedens met het oog op de vaststelling van de bevoegdheid ten aanzien van onderzoeken. Ze omvatten ook regelingen inzake de overdracht van informatie tussen het Bureau en het EOM, wanneer het Bureau optreedt ter ondersteuning of ter aanvulling van het EOM. Ze voorzien in termijnen voor het beantwoorden van elkaars verzoeken.

Het Bureau en het EOM vinden overeenstemming over de termijnen en de nadere regelingen met betrekking tot artikel 12 quater, lid 5, artikel 12 quinquies, lid 1, en artikel 12 septies, lid 1. Tot een dergelijke overeenstemming is bereikt, antwoordt het EOM onverwijld op de verzoeken van het Bureau, en in elk geval binnen tien werkdagen na een in artikel 12 quater, lid 5, en artikel 12 quinquies, lid 1, bedoeld verzoek, en binnen twintig werkdagen na een in artikel 12 septies, lid 1, eerste alinea, bedoeld verzoek om informatie.

Voorafgaand aan de vaststelling van de werkafspraken met het EOM zendt de directeur-generaal de ontwerpwerkafspraken ter informatie toe aan het Comité van toezicht, en aan het Europees Parlement en de Raad. Het Comité van toezicht brengt onverwijld advies uit.

2.   Het Bureau krijgt op basis van een hit/no hit-systeem indirect toegang tot informatie in het casemanagementsysteem van het EOM.

Telkens wanneer een match wordt gevonden tussen gegevens die het Bureau in het casemanagementsysteem heeft ingevoerd en die waarover het EOM beschikt, worden zowel het Bureau als het EOM hiervan op de hoogte gebracht. Het Bureau neemt de nodige maatregelen om het EOM op basis van een hit/no hit-systeem toegang te geven tot informatie in zijn casemanagementsysteem.

De technische en veiligheidsaspecten van de wederzijdse toegang tot de casemanagementsystemen, met inbegrip van interne procedures om ervoor te zorgen dat elke toegang terdege gemotiveerd wordt voor de uitvoering van hun taken en wordt gedocumenteerd, worden in de werkafspraken vastgesteld.

3.   De directeur-generaal en de Europees hoofdaanklager komen ten minste jaarlijks bijeen om zaken van gemeenschappelijk belang te bespreken.”.

14)

In artikel 13, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1.   Binnen zijn mandaat om de financiële belangen van de Unie te beschermen, werkt het Bureau op passende wijze samen met het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) en met het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol). Voor zover noodzakelijk met het oog op het faciliteren van die samenwerking komt het Bureau met Eurojust en Europol administratieve regelingen overeen. Die praktische regelingen kunnen betrekking hebben op de uitwisseling van operationele, strategische of technische informatie, met inbegrip van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie en desgevraagd ook van voortgangsverslagen.”.

15)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Het Comité van toezicht houdt geregeld toezicht op de wijze waarop het Bureau zich van zijn onderzoekstaak kwijt, ter versterking van de onafhankelijkheid die het Bureau bij de uitoefening van de bij deze verordening toegekende bevoegdheden in acht neemt.

Het Comité van toezicht monitort in het bijzonder de ontwikkelingen betreffende de toepassing van de procedurewaarborgen en de duur van onderzoeken.

Het Comité van toezicht voorziet de directeur-generaal van adviezen, die in voorkomend geval vergezeld gaan van aanbevelingen, onder meer betreffende de middelen die nodig zijn om de onderzoekstaak van het Bureau uit te voeren, alsook betreffende onderzoeksprioriteiten van het Bureau en betreffende de duur van de onderzoeken. Die adviezen kunnen worden uitgebracht op eigen initiatief, op verzoek van de directeur-generaal of op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, maar mogen geen inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken vormen.

Het Bureau maakt op zijn website zijn antwoorden op de adviezen van het Comité van toezicht bekend.

De instellingen, organen of instanties ontvangen een kopie van de overeenkomstig de derde alinea gegeven adviezen.

Het Comité van toezicht krijgt toegang tot alle informatie en documenten die het nodig acht te hebben voor de uitvoering van zijn taken, met inbegrip van verslagen en aanbevelingen over afgesloten onderzoeken en geseponeerde zaken, doch zonder inmenging in lopende onderzoeken, en met inachtneming van de vereisten in verband met vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.”;

b)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   Het Comité van toezicht wijst zijn voorzitter aan. Het stelt zijn reglement van orde vast nadat dit ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is voorgelegd. Het Comité van toezicht wordt bijeengeroepen op initiatief van zijn voorzitter of van de directeur-generaal. Het komt minstens tienmaal per jaar bijeen. Het Comité van toezicht besluit bij meerderheid van de stemmen van zijn leden. De Commissie verzorgt het secretariaat van het Comité van toezicht, in nauw overleg met dit Comité. Voordat de benoeming van een personeelslid van het secretariaat plaatsvindt, wordt het Comité van toezicht geraadpleegd en zijn zienswijze in aanmerking genomen. Het secretariaat handelt in opdracht van het Comité van toezicht en onafhankelijk van de Commissie. Onverminderd haar controle op de begroting van het Comité van toezicht en het secretariaat daarvan, mengt de Commissie zich niet in de toezichthoudende taken van het Comité van toezicht.”.

16)

In artikel 16 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben jaarlijks een ontmoeting met de directeur-generaal om op politiek niveau van gedachten te wisselen over het beleid van het Bureau inzake methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Comité van toezicht neemt aan de gedachtewisseling deel. De Europees hoofdaanklager wordt uitgenodigd om de gedachtewisseling bij te wonen. Vertegenwoordigers van de Rekenkamer, het EOM, Eurojust en Europol kunnen op verzoek van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de directeur-generaal of het Comité van toezicht worden uitgenodigd om op ad-hocbasis bij de gedachtewisseling aanwezig te zijn.

2.   Binnen het doel van lid 1 kan de gedachtewisseling betrekking hebben op elk onderwerp dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomen. De gedachtewisseling kan met name betrekking hebben op:

a)

de strategische prioriteiten voor het beleid van het Bureau inzake onderzoeken;

b)

de uit hoofde van artikel 15 voorziene activiteitenverslagen en adviezen van het Comité van toezicht;

c)

de uit hoofde van artikel 17, lid 4, door de directeur-generaal opgestelde verslagen en, indien passend, andere door de instellingen opgestelde verslagen met betrekking tot het mandaat van het Bureau;

d)

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties, met name het EOM, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

e)

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

f)

de betrekkingen van het Bureau met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties in het kader van de in deze verordening bedoelde regelingen;

g)

de doeltreffendheid van de werkzaamheden van het Bureau met betrekking tot de uitoefening van zijn mandaat.”.

17)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 tot en met 5 worden vervangen door:

“2.   Met het oog op de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep tot het indienen van sollicitaties bekend. Die bekendmaking vindt plaats uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de ambtstermijn van de dienstdoende directeur-generaal. De Commissie stelt een lijst van geschikte kandidaten op. Na een gunstig advies van het Comité van toezicht over de door de Commissie toegepaste selectieprocedure, bereiken het Europees Parlement en de Raad te gelegener tijd overeenstemming over een shortlist van drie kandidaten uit de door de Commissie opgestelde lijst van geschikte kandidaten. De Commissie benoemt de directeur-generaal uit die shortlist.

3.   De directeur-generaal vraagt noch aanvaardt van welke regering, instelling of instantie dan ook instructies voor de vervulling van zijn taken met betrekking tot het openen en uitvoeren van externe en interne onderzoeken of coördinatieactiviteiten, of met betrekking tot het opstellen van de verslagen naar aanleiding van die onderzoeken of coördinatieactiviteiten. Indien de directeur-generaal van oordeel is dat een maatregel van de Commissie zijn onafhankelijkheid aantast, stelt hij het Comité van toezicht daar onmiddellijk van in kennis en beslist hij of hij bij het HvJ-EU beroep tegen de Commissie instelt.

4.   De directeur-generaal brengt regelmatig, en ten minste jaarlijks, verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer over de resultaten van de door het Bureau verrichte onderzoeken, de actie die naar aanleiding daarvan is ondernomen en de problemen die daarbij zijn gerezen, onder eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken, de wettelijke rechten van de betrokken personen en informanten en, waar passend, de nationale procesrechtelijke bepalingen. Die verslagen bevatten ook een beoordeling van de maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties hebben genomen naar aanleiding van verslagen en aanbevelingen van het Bureau.

4 bis.   Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad in het kader van hun begrotingscontrolerechten kan de directeur-generaal informatie verstrekken over de activiteiten van het Bureau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van onderzoeken en follow-up-procedures. Het Europees Parlement en de Raad waarborgen de vertrouwelijkheid van de overeenkomstig dit lid verstrekte informatie.

5.   De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van de activiteiten en de uitoefening van de onderzoekstaak van het Bureau, alsmede van de naar aanleiding van onderzoeken ondernomen follow-up-acties.

De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van:

a)

de gevallen waarin geen gehoor is gegeven aan de aanbevelingen van de directeur-generaal;

b)

de gevallen waarin informatie is doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten of aan het EOM;

c)

de gevallen waarin geen onderzoek geopend is en de gevallen waarin de zaak geseponeerd is;

d)

de duur van onderzoeken overeenkomstig artikel 7, lid 8.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   De directeur-generaal stelt een mechanisme in voor interne advisering en controle, met inbegrip van een wettigheidstoetsing, onder meer met betrekking tot de eerbiediging van de procedurewaarborgen en de grondrechten van de betrokken personen en van het nationale recht van de betrokken lidstaten, waarbij in het bijzonder wordt gelet op artikel 11, lid 2. De wettigheidstoetsing wordt uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die experts op het gebied van recht en onderzoeksprocedures zijn. Hun advies wordt aan het eindverslag van het onderzoek gehecht.”;

c)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   De directeur-generaal stelt richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures vast ten behoeve van de personeelsleden van het Bureau. Die richtsnoeren zijn in overeenstemming met deze verordening en hebben onder meer betrekking op:

a)

de gang van zaken bij de uitvoering van het mandaat van het Bureau;

b)

nadere regels inzake onderzoeksprocedures;

c)

de procedurewaarborgen;

d)

nadere details inzake interne advies- en controleprocedures, met inbegrip van de wettigheidstoetsing;

e)

gegevensbescherming en beleid inzake communicatie en toegang tot documenten als bedoeld in artikel 10, lid 3 ter;

f)

de band met het EOM.”;

d)

in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:

“9.   Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt of zijn immuniteit opheft, raadpleegt zij het Comité van toezicht.”.

18)

Artikel 19 wordt vervangen door:

“Artikel 19

Evaluatieverslag en eventuele herziening

1.   Uiterlijk vijf jaar na de datum die is vastgesteld overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in over de toepassing en het effect van deze verordening, met name ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM. Dat verslag gaat vergezeld van een advies van het Comité van toezicht.

2.   Uiterlijk twee jaar na de indiening van het evaluatieverslag op grond van de eerste alinea, dient de Commissie waar passend een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om het kader voor het Bureau te moderniseren, met inbegrip van aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het Bureau, zijn functies of de procedures voor zijn activiteiten, met bijzondere aandacht voor zijn samenwerking met het EOM, grensoverschrijdende onderzoeken, en onderzoeken in lidstaten die niet deelnemen aan het EOM.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De bij artikel 1, punt 13, van deze verordening ingevoegde artikelen 12 quater tot en met 12 septies van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 zijn evenwel van toepassing vanaf een datum die overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 dient te worden bepaald.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB C 42 van 1.2.2019, blz. 1.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 4 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 17 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(4)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(5)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(6)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(7)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

(8)  Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 3 mei 2018, Sigma Orionis SA tegen Europese Commissie, T-48/16, ECLI: EU:T:2018:245.

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(10)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(11)  Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15).

(13)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).


Top