EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020L0284

Richtlijn (EU) 2020/284 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van bepaalde voorschriften voor betalingsdienstaanbieders

ST/14127/2019/INIT

OJ L 62, 2.3.2020, p. 7–12 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2020/284/oj

2.3.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/7


RICHTLIJN (EU) 2020/284 VAN DE RAAD

van 18 februari 2020

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van bepaalde voorschriften voor betalingsdienstaanbieders

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2006/112/EG (3) van de Raad zijn de algemene boekhoudkundige btw-verplichtingen voor belastingplichtigen vastgelegd.

(2)

De groei van elektronische handel (“e-handel”) bevordert de grensoverschrijdende verkoop van goederen en diensten aan eindverbruikers in de lidstaten. In dat verband wordt met grensoverschrijdende e-handel bedoeld, leveringen en diensten waarover de btw in een lidstaat is verschuldigd, terwijl de leverancier in een andere lidstaat, in een derdelandsgebied of in een derde land is gevestigd. Frauderende bedrijven maken echter misbruik van e-handelmogelijkheden om zichzelf oneerlijke marktvoordelen toe te eigenen door zich aan hun btw-verplichtingen te onttrekken. Wanneer het beginsel van belastingheffing op de plaats van bestemming van toepassing is, hebben, aangezien consumenten geen boekhoudkundige verplichtingen hebben, de lidstaten van verbruik passende instrumenten nodig om dergelijke frauderende bedrijven op te sporen en te controleren. De bestrijding van grensoverschrijdende btw-fraude die wordt veroorzaakt door het frauduleuze gedrag van sommige bedrijven op het gebied van de grensoverschrijdende e-handel is van groot belang.

(3)

Voor de overgrote meerderheid van de onlineaankopen door consumenten in de Unie verlopen de betalingen via betalingsdienstaanbieders. Om betalingsdiensten te kunnen verrichten beschikt een betalingsdienstaanbieder over specifieke inlichtingen om de ontvanger of begunstigde van de betaling te identificeren, alsmede over nadere gegevens over de datum, het bedrag en de lidstaat van oorsprong van de betaling, en over de vraag of de betaling al dan niet in een fysieke locatie van de handelaar is geïnitieerd. Die specifieke inlichtingen zijn met name belangrijk bij grensoverschrijdende betalingen waarbij de betaler zich in de ene lidstaat bevindt en de begunstigde in een andere lidstaat, in een derdelandsgebied of in een derde land. Dergelijke informatie is noodzakelijk voor de belastingdiensten van de lidstaten (de “belastingdiensten”) om hun kerntaken inzake het opsporen van frauderende bedrijven en het controleren van de btw-verplichtingen te kunnen uitvoeren. Daarom is het nodig dat betalingsdienstaanbieders deze informatie aan de belastingdiensten beschikbaar stellen om hen te helpen grensoverschrijdende btw-fraude op te sporen en te bestrijden.

(4)

Ter bestrijding van btw-fraude is het van belang van betalingsdienstaanbieders te vereisen dat zij voldoende nauwkeurige registers bijhouden en bepaalde, als zodanig door de locatie van de betaler en de locatie van de begunstigde aan te merken grensoverschrijdende betalingen mee te delen. Daartoe moeten de concepten van de locatie van de betaler en de locatie van de begunstigde worden gedefinieerd, evenals de middelen voor de identificatie van die locaties. De locatie van de betaler en van de begunstigde mogen alleen de verplichtingen tot het houden van registers en tot het meedelen van gegevens meebrengen voor de betalingsdienstaanbieders die in de Unie zijn gevestigd, en deze verplichtingen mogen geen afbreuk doen aan de voorschriften van Richtlijn 2006/112/EG en van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad (4) met betrekking tot de plaats van een belastbare handeling.

(5)

Op basis van de informatie waarover zij reeds beschikken, kunnen betalingsdienstaanbieders de locatie van de begunstigde en de betaler vaststellen in verband met de betalingsdiensten die zij verlenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een identificatienummer van de betaalrekening van de betaler of de begunstigde of enige ander identificatiecode waardoor de betaler of de begunstigde ondubbelzinnig wordt vastgesteld en hun locatie wordt opgegeven. Ingeval dergelijke identificatienumers niet voorhanden zijn, moet de locatie van de betaler of de begunstigde worden bepaald door middel van een bedrijfsidentificatiecode van de namens de betaler of de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder, in gevallen waarin de middelen aan een begunstigde worden overgedragen zonder dat in naam van de betaler een betaalrekening wordt geopend, waarin de middelen niet op een betaalrekening van de begunstigde worden gecrediteerd of waarin er geen identificatiecode van de betaler of de begunstigde bestaat.

(6)

Het is overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (5) van belang dat de verplichting van een betalingsdienstaanbieder om informatie met betrekking tot een grensoverschrijdende betaling te bewaren en verstrekken, evenredig is en beperkt blijft tot wat voor de lidstaten noodzakelijk is om btw-fraude te bestrijden. Bovendien is de enige informatie die betrekking heeft op de betaler die moet worden bewaard, zijn locatie. Wat de informatie over de begunstigde en de betaling zelf betreft, moeten betalingsdienstaanbieders alleen worden verplicht om informatie te bewaren en aan de belastingdiensten mee te delen die noodzakelijk is voor deze diensten om mogelijke fraudeurs op te sporen en belastingcontroles uit te voeren. Betalingsdienstaanbieders moeten derhalve worden verplicht om alleen met betrekking tot grensoverschrijdende betalingen die op economische activiteiten kunnen wijzen registers te houden. Met de invoering van een plafond op basis van het aantal betalingen dat een begunstigde in de loop van een kalenderkwartaal heeft ontvangen, kan een aanwijzing worden verkregen of die betalingen zijn ontvangen in het kader van een economische activiteit, en kunnen betalingen om niet-commerciële redenen worden uitgesloten. Wanneer dergelijk plafond is bereikt, wordt de verplichting van de betalingsdienstaanbieder tot het houden van registers en het meedelen van gegevens geactiveerd.

(7)

Er kunnen bij één enkele betaling van een betaler aan een begunstigde meerdere betalingsdienstaanbieders zijn betrokken. Die ene betaling kan leiden tot meerdere overdrachten van middelen tussen verschillende betalingsdienstaanbieders. Het is noodzakelijk dat alle bij een gegeven betaling betrokken betalingsdienstaanbieders, behoudens specifieke uitsluitingen, een verplichting hebben tot het houden van registers en het meedelen van gegevens. Deze registers en rapporteringen moeten informatie over de betaling van de initiële betaler aan de uiteindelijke begunstigde bevatten, en niet over de tussenliggende overdrachten van middelen tussen de betalingsdienstaanbieders.

(8)

Verplichtingen tot het houden van registers en de meldingsplicht moeten niet alleen gelden wanneer betalingsdienstaanbieders middelen overdragen of betaalinstrumenten uitgeven voor de betaler, maar ook in gevallen waarin betalingsdienstaanbieders middelen ontvangen of betalingstransacties aanvaarden namens de begunstigde.

(9)

De bij deze richtlijn vastgestelde verplichtingen mogen niet gelden voor betalingsdienstaanbieders die buiten het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (6) vallen. Dat betekent dat, indien de betalingsdienstaanbieders van de begunstigde niet in een lidstaat zijn gevestigd, het de betalingsdienstaanbieders van de betaler zijn die onderworpen zijn aan de verplichting tot het houden van registers en het verstrekken van informatie over de grensoverschrijdende betaling. In het omgekeerde geval moeten, opdat de verplichtingen tot het houden van registers en het meedelen van gegevens evenredig zouden zijn, indien de betalingsdienstaanbieders van zowel de betaler als de begunstigde in een lidstaat zijn gevestigd, alleen de betalingsdienstaanbieders van de begunstigde worden verplicht registers te houden. Met het oog op de verplichtingen tot het houden van registers en het meedelen van gegevens moet een betalingsdienstaanbieder worden geacht in een bepaalde lidstaat te zijn gevestigd indien zijn bedrijfsidentificatiecode (BIC) of unieke bedrijfsidentificatiecode naar die lidstaat verwijst.

(10)

Gezien de aanzienlijke hoeveelheid informatie en de gevoeligheid ervan in termen van bescherming van persoonsgegevens, is het nodig en evenredig om betalingsdienstaanbieders registers over grensoverschrijdende betalingen gedurende een periode van drie kalenderjaren te laten houden, om de lidstaten te helpen bij het bestrijden van btw-fraude en het opsporen van fraudeurs. Die periode biedt de lidstaten voldoende tijd om doeltreffende controles uit te voeren en vermoedelijke btw-fraude te onderzoeken of btw-fraude op te sporen.

(11)

De door de betalingsdienstaanbieders te bewaren informatie moet worden verzameld door en uitgewisseld tussen de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (7), die de regels voor administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen met het oog op de bestrijding van btw-fraude vaststelt.

(12)

Btw-fraude is een gemeenschappelijk probleem voor alle lidstaten, maar de afzonderlijke lidstaten beschikken niet over de informatie die noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de btw-regels met betrekking tot grensoverschrijdende e-handel correct worden toegepast of om btw-fraude in de grensoverschrijdende e-handel te bestrijden. Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de bestrijding van btw-fraude, niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk kan worden verwezenlijkt indien er een grensoverschrijdend element aanwezig is en gelet op de noodzaak om inlichtingen van andere lidstaten te verkrijgen, maar, vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(13)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht, met name het recht op bescherming van persoonsgegevens. De overeenkomstig deze richtlijn bewaarde en verstrekte informatie over betalingen mag alleen door de fraudebestrijdingsdeskundigen van belastingdiensten worden gebruikt binnen de grenzen van wat evenredig en noodzakelijk is om de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de bestrijding van btw-fraude, te verwezenlijken. Deze richtlijn neemt ook de voorschriften van Verordening (EU) 2016/679 en van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (8) in acht.

(14)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725, en heeft op 14 maart 2019 advies uitgebracht (9).

(15)

Richtlijn 2006/112/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1) In Titel XI, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2006/112/EG wordt de volgende afdeling ingevoegd:

Afdeling 2 bis

Algemene verplichtingen voor betalingsdienstaanbieders

Artikel 243 bis

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

1)

“betalingsdienstaanbieder”: een van de categorieën van betalingsdienstaanbieders als vermeld in artikel 1, lid 1, punten a) tot en met d), van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (*1), of een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie op grond van artikel 32 van die richtlijn een vrijstelling is verleend;

2)

“betalingsdienst”: een van de in Richtlijn (EU) 2015/2366, bijlage I, in de punten 3 tot en met 6 beschreven bedrijfsactiviteiten;

3)

“betaling”: behoudens de uitsluitingen in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2015/2366, een “betalingstransactie” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 5 van die richtlijn of een “geldtransfer” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 22 van die richtlijn;

4)

“betaler”: een “betaler” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 8, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

5)

“begunstigde”: een “begunstigde” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 9, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

6)

“lidstaat van herkomst”: “lidstaat van herkomst” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

7)

“lidstaat van ontvangst”: “lidstaat van ontvangst” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

8)

“betaalrekening”: een “betaalrekening” zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 12, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

9)

“IBAN”: “IBAN” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad  (*2) ;

10)

“BIC”: “BIC” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) 260/2012.

Artikel 243 ter

1.   De lidstaten verplichten betalingsdienstaanbieders voldoende nauwkeurige registers te houden van begunstigden en van betalingen betreffende betalingsdiensten die zij voor elk kalenderkwartaal verlenen, teneinde de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in staat te stellen controles uit te oefenen op de leveringen van goederen en diensten die overeenkomstig het bepaalde in titel V geacht worden plaats te vinden in een lidstaat, om de doelstelling inzake bestrijding van btw-fraude te behalen.

De in de eerste alinea bedoelde verplichting is alleen van toepassing op betalingsdiensten die verband houden met grensoverschrijdende betalingen. Een betaling wordt als grensoverschrijdende betaling aangemerkt indien de betaler zich in een lidstaat bevindt en de begunstigde in een andere lidstaat, in een derdelandsgebied of in een derde land.

2.   De verplichting waaraan betalingsdienstaanbieders uit hoofde van lid 1 zijn onderworpen, is van toepassing wanneer een betaaldienstaanbieder in de loop van een kalenderkwartaal betalingsdiensten verleent die betrekking hebben op meer dan 25 grensoverschrijdende betalingen aan dezelfde begunstigde.

Het aantal van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde grensoverschrijdende betalingen wordt berekend op basis van de door de betalingsdienstaanbieders verleende betalingsdiensten per lidstaat en per in artikel 243 quater, lid 2, bedoelde identificatiecode. Indien de betalingsdienstaanbieder over informatie beschikt dat de begunstigde meerdere identificatiecodes heeft, wordt de berekening per begunstigde verricht.

3.   De in lid 1 vastgestelde verplichting is niet van toepassing op door de betalingsdienstaanbieders van de betaler verleende betalingsdiensten voor elke betaling waarbij ten minste één van de betalingsdienstaanbieders van de begunstigde in een lidstaat is gevestigd als dat blijkt uit de BIC van die betalingsdienstaanbieder of uit een andere bedrijfsidentificatiecode die de betalingsdienstaanbieder en zijn locatie ondubbelzinnig identificeert. De betalingsdienstaanbieders van de betaler betrekken niettemin deze betalingsdiensten in de in lid 2 bedoelde berekening.

4.   Wanneer de verplichting voor betalingsdienstaanbieders van lid 1 van toepassing is, dan worden de registers:

a)

door de betalingsdienstaanbieder in elektronische vorm gehouden voor een periode van drie kalenderjaren vanaf het einde van het kalenderjaar van de betalingsdatum;

b)

overeenkomstig artikel 24 ter van Verordening (EU) nr. 904/2010 beschikbaar gesteld aan de lidstaat van herkomst van de betalingsdienstaanbieder, of aan de lidstaat van ontvangst indien de betalingsdienstaanbieder betalingsdiensten verleent in andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst.

Artikel 243 quater

1.   Voor de toepassing van artikel 243 ter, lid 1, tweede alinea, en onverminderd de bepalingen van titel V, wordt de locatie van de betaler geacht in de lidstaat te zijn die overeenstemt met:

a)

het IBAN van de betaalrekening van de betaler of enige andere identificatiecode die de betaler ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betaler opgeeft, of, bij gebreke van een dergelijke identificatiecode,

b)

de BIC of een andere bedrijfsidentificatiecode die de namens de betaler handelende betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betalingsdienstaanbieder opgeeft.

2.   Voor de toepassing van artikel 243 ter, lid 1, tweede alinea, wordt de locatie van de begunstigde geacht in de lidstaat, in het derdelandsgebied of in het derde land te zijn die overeenstemt met:

a)

het IBAN van de betaalrekening van de begunstigde of een andere identificatiecode die de begunstigde ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de begunstigde opgeeft, of, bij gebreke van een dergelijke identificatiecode,

b)

de BIC of een andere bedrijfsidentificatiecode die de namens de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert en zijn locatie van de betalingsdienstaanbieder opgeeft.

Artikel 243 quinquies

1.   De door de betalingsdienstaanbieders krachtens artikel 243 ter te houden registers moeten de volgende gegevens bevatten:

a)

de BIC of enige andere bedrijfsidentificatiecode die de betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert;

b)

de naam of bedrijfsnaam van de begunstigde zoals deze wordt vermeld in de registers van de betalingsdienstaanbieder;

c)

indien voorhanden, een btw-identificatienummer of een ander nationaal fiscaal nummer van de begunstigde;

d)

het IBAN of, indien er geen IBAN voorhanden is, enige andere identificatiecode die de begunstigde ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de begunstigde geeft;

e)

de BIC of een andere bedrijfsidentificatiecode die de namens de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betaaldienstaanbieder van de begunstigde geeft, indien de begunstigde middelen ontvangt zonder over een betaalrekening te beschikken;

f)

indien voorhanden, het adres van de begunstigde zoals het wordt vermeld in de registers van de betalingsdienstaanbieder;

g)

de bijzonderheden van eventuele grensoverschrijdende betalingen als bedoeld in artikel 243 ter, lid 1;

h)

de bijzonderheden van alle terugbetalingen waarvan is vastgesteld dat zij verband houden met de grensoverschrijdende betalingen als bedoeld in punt g).

2.   De in lid 1, punten g) en h), bedoelde informatie bevat de volgende bijzonderheden:

a)

de datum en het tijdstip van de betaling of de terugbetaling;

b)

het bedrag en de valuta van de betaling of de terugbetaling;

c)

de lidstaat van oorsprong van de door de begunstigde of in zijn naam ontvangen betaling, de lidstaat van bestemming van de terugbetaling, naargelang het geval, en de informatie die is gebruikt om de oorsprong van de bestemming van de betaling of de terugbetaling overeenkomstig artikel 243 quater vast te stellen;

d)

alle verwijzingen die de betaling ondubbelzinnig identificeren;

e)

in voorkomend geval informatie waaruit blijkt dat de betaling in de fysieke locatie van de handelaar is geïnitieerd.”.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2023 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2024.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 18 februari 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

Z. MARIĆ


(1)  Advies van 17 december 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 240 van 16.7.2019, blz. 33.

(3)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 77 van 23.3.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(6)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(7)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(9)  PB C 140 van 16.4.2019, blz. 4.


Top