EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R1896

Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624

PE/33/2019/REV/1

OJ L 295, 14.11.2019, p. 1–131 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1896/oj

14.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 295/1


VERORDENING (EU) 2019/1896 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 november 2019

betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het beleid van de Unie op het gebied van het beheer van de buitengrenzen is gericht op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een Europees geïntegreerd grensbeheer op nationaal en Unieniveau, hetgeen een noodzakelijk uitvloeisel is van het vrije verkeer van personen in de Unie en een wezenlijk onderdeel is van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Europees geïntegreerd grensbeheer is een kernvoorwaarde voor beter migratiebeheer. Doel is de overschrijding van de buitengrenzen efficiënt te beheren en uitdagingen op het gebied van migratie en mogelijke toekomstige dreigingen aan die grenzen aan te pakken, om op die manier bij te dragen aan de bestrijding van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie en te zorgen voor een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie. Tegelijkertijd is het nodig op te treden met volledige eerbiediging van de grondrechten en op een manier die het vrije verkeer van personen in de Unie vrijwaart.

(2)

Het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad (4). Nadat het op 1 mei 2005 met zijn werkzaamheden is begonnen, heeft het de lidstaten met succes bijgestaan bij de uitvoering van de operationele aspecten van het beheer van de buitengrenzen door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, risicoanalyses, het uitwisselen van informatie, het onderhouden van de betrekkingen met derde landen en de terugkeer van terugkeerders.

(3)

Wat voorheen het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie was, heet nu het Europees Grens- en kustwachtagentschap (“het Agentschap”), doorgaans aangeduid als Frontex, en heeft nu een uitgebreider takenpakket, waarbij alle activiteiten en procedures volledig worden voortgezet. Als belangrijkste rol moet het Agentschap een technische en operationele strategie vaststellen als onderdeel van de uitvoering van de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake het Europees geïntegreerd grensbeheer, toezien op de effectieve werking van het grenstoezicht aan de buitengrenzen, risicoanalyses en kwetsbaarheidsbeoordelingen uitvoeren, intensievere technische en operationele bijstand verlenen aan lidstaten en derde landen door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, toezien op de praktische uitvoering van maatregelen in een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, technische en operationele bijstand verlenen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee en terugkeeroperaties en terugkeerinterventies organiseren, coördineren en uitvoeren.

(4)

Sinds het begin van de migratiecrisis in 2015 heeft de Commissie belangrijke initiatieven genomen en een reeks maatregelen voorgesteld om de buitengrenzen beter te beschermen en de normale werking van het Schengengebied te herstellen. In december 2015 werd een voorstel ingediend om het mandaat van het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen aanzienlijk te versterken en in 2016 is hierover snel onderhandeld. De daaruit voortvloeiende Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad (5) is op 6 oktober 2016 in werking getreden.

(5)

Op het gebied van toezicht aan de buitengrenzen, terugkeer, de strijd tegen grensoverschrijdende criminaliteit, en asiel moet het kader van de Unie echter nog verder worden verbeterd. Daarom, en om de huidige en toekomstige operationele inspanningen verder te onderbouwen, dringt een hervorming van de Europese grens- en kustwacht zich op in de vorm van een krachtiger mandaat voor het Agentschap, en door het met name te voorzien van de nodige capaciteit in de vorm van een permanent korps van de Europese grens- en kustwacht (het “permanente korps”). Dat permanente korps moet geleidelijk maar snel de strategische streefcapaciteit van 10 000 operationele personeelsleden bereiken, als vastgelegd in bijlage I, met uitvoerende bevoegdheden, indien van toepassing, om de lidstaten ter plaatse doeltreffend te ondersteunen bij hun inspanningen om de buitengrenzen te beschermen, om grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en om de effectieve en duurzame terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren. Een dergelijke capaciteit van 10 000 operationele personeelsleden is de maximaal beschikbare capaciteit die vereist is om te beantwoorden aan bestaande en toekomstige operationele behoeften voor grenzen en terugkeeroperaties in de Unie en derde landen, met inbegrip van capaciteit op het gebied van snelle reactie om toekomstige crises het hoofd te bieden.

(6)

De Commissie moet een evaluatie uitvoeren ten aanzien van de totale grootte en de samenstelling van het permanente korps, inclusief de omvang van afzonderlijke bijdragen aan het permanente korps die zijn geleverd door de lidstaten, alsmede de opleiding, de deskundigheid en de vakbekwaamheid ervan. Uiterlijk in maart 2024 moet de Commissie indien nodig passende voorstellen indienen tot wijziging van de bijlagen I, II, III en IV. Als de Commissie geen voorstel indient, moet zij de reden daarvoor opgeven.

(7)

De tenuitvoerlegging van deze verordening, in het bijzonder de oprichting van het permanente korps, moet, ook na de evaluatie van het permanente korps door de Commissie, onderworpen zijn aan het meerjarig financieel kader.

(8)

De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 28 juni 2018 opgeroepen om de ondersteunende rol van het Agentschap, ook wat betreft de samenwerking ervan met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat, teneinde te zorgen voor een doeltreffend toezicht op de buitengrenzen en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

(9)

Het is noodzakelijk om efficiënt toezicht te houden op de overschrijding van de buitengrenzen, de uitdagingen en mogelijke toekomstige dreigingen op het gebied van migratie aan de buitengrenzen aan te pakken, een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie te verzekeren, de werking van het Schengengebied te vrijwaren en het overkoepelende beginsel van solidariteit te eerbiedigen. Dit optreden en deze doelstellingen moeten gepaard gaan met proactief migratiebeheer, inclusief de nodige maatregelen in derde landen. Daartoe is het noodzakelijk de Europese grens- en kustwacht te consolideren en het mandaat van het Agentschap verder uit te breiden.

(10)

Bij de tenuitvoerlegging van het Europees geïntegreerd grensbeheer moet de samenhang met andere beleidsdoelstellingen worden gewaarborgd.

(11)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer gaat uit van het op vier niveaus gebaseerde toegangscontrolemodel en omvat maatregelen in derde landen, onder andere in het kader van het gemeenschappelijk visumbeleid, alsook maatregelen met naburige derde landen, grenstoezichtmaatregelen aan de buitengrenzen zelf, risicoanalyse en maatregelen binnen het Schengengebied en op het gebied van terugkeer.

(12)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer moet worden uitgevoerd als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze operaties ter bewaking van de zeegrenzen en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, alsook de nationale autoriteiten die belast zijn met terugkeer. Hoewel de lidstaten de eerste verantwoordelijkheid behouden voor het beheer van hun buitengrenzen in hun belang en in het belang van alle lidstaten, en ze verantwoordelijk zijn voor de uitvaardiging van terugkeerbesluiten, dient het Agentschap de toepassing van Uniemaatregelen met betrekking tot het beheer van de buitengrenzen en terugkeer te ondersteunen door het optreden van de lidstaten die deze maatregelen uitvoeren, te versterken, te beoordelen en te coördineren. De activiteiten van het Agentschap moeten de inspanningen van de lidstaten aanvullen.

(13)

Om het Europees geïntegreerd grensbeheer en het terugkeerbeleid van de Unie doeltreffender te maken, moet een Europese grens- en kustwacht worden opgericht. Hieraan moeten de noodzakelijke financiële, personele en materiële middelen worden toegewezen. De Europese grens- en kustwacht moet worden gevormd door het Agentschap, de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en de nationale autoriteiten die belast zijn met terugkeer. Als zodanig berust het op het gemeenschappelijke gebruik van informatie, capaciteiten en systemen op nationaal niveau en de respons van het Agentschap op Unieniveau.

(14)

Het Europees geïntegreerd grensbeheer laat de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten op het gebied van douane, in het bijzonder wat betreft toezicht, risicobeheer en uitwisseling van informatie, onverlet.

(15)

De ontwikkeling van het beleid en het recht inzake toezicht op de buitengrenzen en inzake terugkeer, met inbegrip van de ontwikkeling van een meerjarig strategisch beleid inzake het Europees geïntegreerd grensbeheer, blijft de verantwoordelijkheid van de instellingen van de Unie. Nauwe samenwerking tussen het Agentschap en die instellingen dient te worden gewaarborgd.

(16)

Een cyclus voor meerjarig strategisch beleid moet ervoor zorgen dat Europees geïntegreerd grensbeheer door de Europese grens- en kustwacht doeltreffend wordt uitgevoerd. De meerjarige cyclus moet een geïntegreerd, uniform en continu proces instellen, dat voorziet in strategische richtsnoeren voor alle relevante actoren op Unie- en nationaal niveau die actief zijn op het gebied van grensbeheer en terugkeer, zodat deze actoren in staat zijn het Europees geïntegreerd grensbeheer op coherente wijze uit te voeren. In de meerjarige cyclus moet ook aandacht worden besteed aan alle relevante interacties van de Europese grens- en kustwacht met de Commissie en andere instellingen, organen en instanties van de Unie, en aan samenwerking met andere relevante partners, zoals derde landen en derden, in voorkomend geval.

(17)

Voor het Europees geïntegreerd grensbeheer hebben de lidstaten en het Agentschap geïntegreerde planning nodig voor grens- en terugkeeroperaties, om te reageren op uitdagingen aan de buitengrenzen, voor noodplannen en om de ontwikkeling van het vermogen op lange termijn te coördineren, zowel wat aanwerving als wat opleiding betreft, als wat betreft de aanschaf en ontwikkeling van uitrusting.

(18)

Het Agentschap moet technische normen ontwikkelen voor uitwisseling van informatie als bepaald in deze verordening. Bovendien moeten, met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (6), gemeenschappelijke minimumnormen voor de bewaking van de buitengrenzen worden ontwikkeld. In dit verband moet het Agentschap kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke minimumnormen met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de lidstaten en de Commissie. Deze gemeenschappelijke minimumnormen moeten worden ontwikkeld met inachtneming van het soort grenzen, de door het Agentschap aan ieder buitengrenssegment toegekende impactniveaus en andere factoren zoals geografische bijzonderheden. Bij de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke minimumnormen moet rekening worden gehouden met mogelijke beperkingen die voortvloeien uit het nationale recht.

(19)

De technische normen voor informatiesystemen en softwaretoepassingen moeten worden afgestemd op de normen die het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) gebruikt voor andere IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.

(20)

De uitvoering van deze verordening doet geen afbreuk aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten noch aan de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het daarbij behorende protocol tot bestrijding van migrantensmokkel over land, over zee en door de lucht, het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, het Protocol daarbij van 1967, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de status van staatlozen en andere toepasselijke internationale instrumenten.

(21)

De uitvoering van deze verordening doet geen afbreuk aan Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7). Operaties op zee moeten zodanig worden uitgevoerd dat de veiligheid van de onderschepte of geredde personen, van de eenheden die deelnemen aan de operatie op zee in kwestie en van derden wordt gewaarborgd.

(22)

Het Agentschap moet zijn taken uitoefenen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en de vrijwaring van de binnenlandse veiligheid.

(23)

Het Agentschap moet zijn taken uitvoeren onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van defensie.

(24)

De uitgebreide taken en bevoegdheden van het Agentschap moeten hand in hand gaan met versterkte waarborgen inzake de grondrechten, een sterkere verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid, met name met betrekking tot de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden door het statutair personeel.

(25)

Het Agentschap steunt voor de doeltreffende uitvoering van zijn taken op de medewerking van de lidstaten. Het is in dat verband van belang dat het Agentschap en de lidstaten te goeder trouw optreden en tijdig de juiste informatie uitwisselen. Geen enkele lidstaat is gehouden informatie te verstrekken waarvan de verspreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

(26)

De lidstaten moeten ook, in hun eigen belang en in dat van de andere lidstaten, relevante gegevens aanleveren die nodig zijn voor de activiteiten van het Agentschap, onder meer ten behoeve van situationeel bewustzijn, risicoanalyse, kwetsbaarheidsbeoordelingen en geïntegreerde planning. Tevens moeten zij ervoor zorgen dat deze gegevens nauwkeurig en actueel zijn en op rechtmatige wijze zijn verkregen en ingevoerd. Indien deze gegevens persoonsgegevens bevatten, moet het Unierecht inzake gegevensbescherming volledig worden toegepast.

(27)

Het communicatienetwerk dat op grond deze verordening wordt opgezet, moet gebaseerd zijn op en een vervanging vormen voor het Eurosur-communicatienetwerk dat is ontwikkeld in het kader van Verordening (EU) nr. 1502/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8). Het communicatienetwerk dat op grond deze verordening wordt opgezet, moet worden gebruikt voor alle beveiligde informatie-uitwisseling binnen de Europese grens- en kustwacht. Het accreditatieniveau van het communicatienetwerk moet worden verhoogd tot het rubriceringsniveau UE CONFIDENTIEL/EU CONFIDENTIAL, teneinde de informatieborging tussen de lidstaten en met het Agentschap te verbeteren.

(28)

Eurosur is nodig voor de Europese grens- en kustwacht om een kader te kunnen verschaffen voor de uitwisseling van informatie en de operationele samenwerking tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten onderling en met het Agentschap. Eurosur voorziet nationale autoriteiten en het Agentschap van de infrastructuur en de instrumenten die nodig zijn voor de verbetering van hun situationeel bewustzijn en de versterking van hun reactievermogen aan de buitengrenzen teneinde illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te bestrijden, om zo bij te dragen tot het redden van de levens van migranten en het borgen van hun bescherming.

(29)

De lidstaten zetten nationale coördinatiecentra op om de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen lidstaten en met het Agentschap betreffende grensbewaking en de uitvoering van grenscontroles te verbeteren. Voor de goede werking van Eurosur is het essentieel dat alle nationale autoriteiten die krachtens het nationale recht verantwoordelijk zijn voor de bewaking van de buitengrenzen, onderling samenwerken via nationale coördinatiecentra.

(30)

De rol van het nationale coördinatiecentrum om te coördineren en informatie uit te wisselen tussen alle autoriteiten die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor toezicht op de buitengrenzen, doet geen afbreuk aan de op nationaal niveau vastgestelde bevoegdheid betreffende de planning en uitvoering van grenstoezicht.

(31)

Deze verordening mag de lidstaten niet verhinderen om hun nationale coördinatiecentra ook te belasten met de coördinatie van de informatie-uitwisseling en met de samenwerking met betrekking tot andere onderdelen van Europees geïntegreerd grensbeheer.

(32)

Voorwaarden voor de goede werking van het Europees geïntegreerd grensbeheer zijn dat de informatie die tussen de lidstaten en het Agentschap wordt uitgewisseld, van goede kwaliteit is en dat de betreffende informatie tijdig wordt uitgewisseld. Deze kwaliteit moet, voortbouwend op het succes van Eurosur, worden gewaarborgd door middel van standaardisering, de automatisering van de informatie-uitwisseling via netwerken en systemen, informatieborging en kwaliteitscontrole van de verstrekte gegevens en informatie.

(33)

Het Agentschap dient de nodige steun te verlenen voor de ontwikkeling en het beheer van Eurosur, met inbegrip van de interoperabiliteit van systemen, met name door de instelling, instandhouding en coördinatie van Eurosur.

(34)

Eurosur moet een volledig situatiebeeld geven, niet alleen van de buitengrenzen maar ook van het Schengengebied en het gebied vóór de grens. Het systeem moet betrekking hebben op de bewaking van de land-, zee- en luchtgrenzen, maar ook op grenscontroles. Het creëren van situationeel bewustzijn binnen het Schengengebied mag in geen geval leiden tot operationele activiteiten van het Agentschap aan de binnengrenzen van de lidstaten.

(35)

De bewaking van de luchtgrenzen moet deel uitmaken van het grensbeheer, aangezien zowel commerciële als particuliere vluchten en op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen worden gebruikt voor illegale activiteiten in verband met immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit. De bewaking van de luchtgrenzen is gericht op het opsporen en volgen van dergelijke verdachte vluchten die de buitengrenzen overschrijden of voornemens zijn deze te overschrijden, alsook op het maken van een aanverwante risicoanalyse, teneinde reactievermogens van de bevoegde autoriteiten van de Unie en de lidstaten in gang te zetten. Met het oog hierop moet onderlinge samenwerking tussen agentschappen op Unieniveau worden aangemoedigd tussen het Agentschap, de netwerkbeheerder van het Europees netwerk voor luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network — EATMN) en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA). Indien van toepassing, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om informatie over verdachte externe vluchten te ontvangen en dienovereenkomstig op te treden. Het Agentschap moet onderzoeks- en innovatieactiviteiten op dit gebied monitoren en ondersteunen.

(36)

Het melden van gevallen in verband met niet-toegestane secundaire bewegingen in Eurosur zal bijdragen tot de monitoring van migratiestromen naar de Unie en binnen de Unie door het Agentschap met het oog op risicoanalyse en situationeel bewustzijn. De uitvoeringshandeling die de bijzonderheden met betrekking tot de informatielagen van de situatiebeelden en de regels voor het opstellen van specifieke situatiebeelden vastlegt, moet het soort verslaglegging dat het beste aan de doelstelling beantwoordt, nader bepalen.

(37)

De door het Agentschap geleverde Fusion Services van Eurosur moeten zijn gebaseerd op de gemeenschappelijke inzet van bewakingsinstrumenten en de samenwerking tussen de verschillende instanties op Unieniveau, met inbegrip van de levering van Copernicus-beveiligingsdiensten. De Fusion Services van Eurosur moeten de lidstaten en het Agentschap met betrekking tot Europees geïntegreerd grensbeheer informatiediensten met toegevoegde waarde bieden. De Fusion Services van Eurosur moeten worden uitgebreid om de grenscontroles, de bewaking van de luchtgrenzen en het toezicht op migratiestromen te ondersteunen.

(38)

Het gebruik van kleine en niet-zeewaardige vaartuigen heeft geleid tot een sterke stijging van het aantal migranten dat aan de zuidelijke maritieme buitengrenzen verdrinkt. Eurosur dient het operationele en technische vermogen van het agentschap en de lidstaten tot opsporing van dergelijke kleine vaartuigen alsmede het reactievermogen van de lidstaten te verbeteren, met het doel aldus het verlies aan mensenlevens onder migranten en vluchtelingen te helpen beperken, onder meer in het kader van opsporings- en reddingsacties.

(39)

In deze verordening wordt onderkend dat migratieroutes ook worden gebruikt door personen die internationale bescherming behoeven.

(40)

Het Agentschap dient op basis van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel algemene en op maat gemaakte risicoanalyses te verrichten, die door het Agentschap zelf en door de lidstaten moeten worden toegepast. Het Agentschap dient, mede op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, passende informatie te verstrekken over alle aspecten die voor het Europese geïntegreerde grensbeheer relevant zijn, in het bijzonder grenstoezicht, terugkeer, het fenomeen van niet -toegestane secundaire verplaatsingen van onderdanen van derde landen binnen de Unie in termen van trends, aantallen en routes, preventie van grensoverschrijdende criminaliteit inclusief het faciliteren van onrechtmatige grensoverschrijdingen, mensenhandel, terrorisme en dreigingen van hybride aard, alsmede de situatie in betrokken derde landen, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen en geconstateerde dreigingen en risico’s kunnen worden aangepakt, met als doel de verbetering van het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen.

(41)

Gezien zijn activiteiten aan de buitengrenzen moet het Agentschap, waar het passend is dat het optreedt en indien het dankzij zijn activiteiten relevante informatie heeft verkregen, bijdragen aan het voorkomen en opsporen van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme. Het Agentschap moet zijn activiteiten coördineren met Europol dat het agentschap is dat verantwoordelijk is voor het ondersteunen en versterken van de acties en de samenwerking van de lidstaten bij de preventie en bestrijding van zware criminaliteit waar twee of meer lidstaten door worden getroffen. De grensoverschrijdende dimensie is kenmerkend voor misdrijven die rechtstreeks verband houden met het zonder toestemming overschrijden van buitengrenzen, waaronder mensenhandel en het smokkelen van migranten. In overeenstemming met Richtlijn 2002/90/EG van de Raad (9) kunnen de lidstaten besluiten geen sancties op te leggen wanneer dit gedrag tot doel heeft humanitaire bijstand te verlenen aan migranten.

(42)

In een geest van gedeelde verantwoordelijkheid moet de rol van het Agentschap zijn het beheer van de buitengrenzen regelmatig te monitoren, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten bij de grensbeheer- en terugkeeractiviteiten van het Agentschap. Het Agentschap dient te zorgen voor correcte en doeltreffende monitoring, niet alleen door middel van situationeel bewustzijn en risicoanalyse, maar ook door de aanwezigheid van eigen deskundigen in de lidstaten. Het Agentschap moet derhalve in lidstaten voor bepaalde tijd verbindingsfunctionarissen kunnen inzetten, die aan de uitvoerend directeur verslag uitbrengen. Het verslag van de verbindingsfunctionarissen moet deel uitmaken van de kwetsbaarheidsbeoordeling.

(43)

Het Agentschap dient een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten op basis van objectieve criteria, in het kader waarvan het Agentschap het vermogen en de paraatheid van de lidstaten beoordeelt om het hoofd te bieden aan uitdagingen aan hun buitengrenzen en een bijdrage te leveren aan het permanente korps en de pool van technische uitrusting. Deze kwetsbaarheidsbeoordeling moet een beoordeling bevatten van hun uitrusting, infrastructuur, personeel, begroting en financiële middelen en hun noodplannen om eventuele crises aan de buitengrenzen aan te pakken. De lidstaten dienen maatregelen te nemen om door die beoordeling aan het licht gebrachte tekortkomingen te corrigeren. De uitvoerend directeur dient te bepalen welke maatregelen moeten worden genomen en dient deze aan de betrokken lidstaat aan te bevelen. De uitvoerend directeur moet ook bepalen binnen welke termijn die maatregelen moeten worden genomen en nauwlettend toezicht houden op de tijdige uitvoering ervan. Wanneer de nodige maatregelen niet binnen de gestelde termijn worden getroffen, dient de zaak te worden voorgelegd aan de raad van bestuur die er nader over moet beslissen.

(44)

Als de tijdige en nauwgezette informatie die noodzakelijk is om een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten, niet aan het Agentschap wordt verstrekt, moet het Agentschap dit feit in aanmerking kunnen nemen bij de kwetsbaarheidsbeoordeling, tenzij deze informatie om naar behoren gemotiveerde redenen wordt achtergehouden.

(45)

De kwetsbaarheidsbeoordeling en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad (10) ingestelde Schengenevaluatiemechanisme zijn twee complementaire mechanismen om de kwaliteitscontrole door de Unie van de goede werking van het Schengengebied te garanderen en om te zorgen voor permanente paraatheid op het niveau van zowel de Unie als de lidstaten om in te spelen op uitdagingen aan de buitengrenzen. Hoewel het Schengenevaluatiemechanisme de primaire methode is om de tenuitvoerlegging en de handhaving van het Unierecht in de lidstaten te beoordelen, moet er worden gezorgd voor een maximale synergie tussen de kwetsbaarheidsbeoordeling en het Schengenevaluatiemechanisme zodat een verbeterd situatiebeeld van de werking van het Schengengebied kan worden opgesteld, er zo veel mogelijk wordt vermeden dat de lidstaten dubbel werk verrichten, en er wordt gezorgd voor het beter gecoördineerd gebruik van de relevante financieringsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van het beheer van de buitengrenzen. Daartoe dient geregeld informatie te worden uitgewisseld tussen het Agentschap en de Commissie over de resultaten van beide mechanismen.

(46)

Aangezien de lidstaten grenssegmenten vaststellen waaraan het Agentschap impactniveaus toekent, en aangezien het reactievermogen van de lidstaten en het Agentschap aan die impactniveaus moet worden gekoppeld, moet een vierde impactniveau — het impactniveau “kritiek” — worden ingesteld om tijdelijk te worden toegekend aan een buitengrenssegment, wanneer het Schengengebied in gevaar is en het Agentschap moet ingrijpen.

(47)

Indien aan een maritiem grenssegment een impactniveau “hoog” of “kritiek” wordt toegekend vanwege een toename van illegale immigratie, moeten de betrokken lidstaten rekening houden met deze toename bij de planning en uitvoering van opsporings- en reddingsacties, aangezien een dergelijke situatie zou kunnen leiden tot een toename van de verzoeken om bijstand voor personen in nood op zee.

(48)

Het Agentschap dient passende technische en operationele bijstand aan de lidstaten te organiseren ter versterking van hun vermogen om te voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van het toezicht op de buitengrenzen en om het hoofd te bieden aan problemen aan de buitengrenzen die het gevolg zijn van een toegenomen aantal aankomsten van irreguliere migranten of grensoverschrijdende criminaliteit. Dergelijke bijstand moet de bevoegdheid van de betrokken nationale autoriteiten om strafrechtelijke onderzoeken te initiëren, onverlet laten. In dat verband moet het Agentschap, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, gezamenlijke operaties voor een of meer lidstaten organiseren en coördineren, grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer en terugkeerteams (gezamenlijk “teams” genoemd) vanuit het permanente korps inzetten en in de noodzakelijke technische uitrusting voorzien.

(49)

Wanneer er aan de buitengrenzen sprake is van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, moet het Agentschap, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, snelle grensinterventies organiseren en coördineren, en teams van het permanente korps inzetten met de noodzakelijke technische uitrusting, onder meer uit de pool van uitrusting voor snelle reactie. De pool van uitrusting voor snelle reactie moet een beperkte hoeveelheid uitrustingsartikelen omvatten die nodig zijn voor eventuele snelle grensinterventies. Snelle grensinterventies moeten voor een beperkte duur voor versterking zorgen bij situaties waarin een onmiddellijke respons vereist is en zo'n interventie doeltreffend is. Om ervoor te zorgen dat dergelijke interventie doeltreffend is, moeten de lidstaten personeel dat zij detacheren bij het Agentschap, dat zij ter beschikking stellen van het Agentschap om voor een korte tijd te worden ingezet en dat zij inzetten met het oog op de snel inzetbare reserve, ter beschikking stellen voor de vorming van relevante teams, alsook de nodige technische uitrusting aanleveren. Wanneer personeelsleden die worden ingezet om technische uitrusting van een lidstaat te bedienen, afkomstig zijn van die lidstaat, moeten zij worden meegeteld als deel van de bijdrage van die lidstaat aan het permanente korps. Het Agentschap en de betrokken lidstaat moeten overeenstemming bereiken over een operationeel plan.

(50)

Wanneer een lidstaat in welbepaalde zones aan zijn buitengrenzen wordt geconfronteerd met specifieke en onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke, gemengde instroom van migranten, moeten de lidstaten in de hotspotgebieden kunnen rekenen op een grotere technische en operationele versterking. Deze versterking moet door ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden worden verstrekt. Deze teams moeten bestaan uit operationeel personeel van het permanente korps en deskundigen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office — EASO), Europol en, in voorkomend geval, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, andere organen en instanties van de Unie, en de lidstaten. De Commissie moet zorgen voor de nodige coördinatie bij de beoordeling van de door de lidstaten aangegeven behoeften. Het Agentschap moet de Commissie steunen bij de coördinatie tussen de verschillende agentschappen op het terrein. De Commissie stelt, in samenwerking met de lidstaat van ontvangst en relevante agentschappen van de Unie, de voorwaarden vast voor de samenwerking in hotspotgebieden. De Commissie moet zorgen voor samenwerking tussen de betrokken agentschappen binnen hun respectievelijke mandaat en verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van de activiteiten van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer.

(51)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat autoriteiten die wellicht verzoeken om internationale bescherming zullen ontvangen, zoals politie, grenswachters, immigratiediensten en personeel van inrichtingen voor bewaring, over de juiste informatie beschikken. Zij moeten ook ervoor zorgen dat het personeel van dergelijke autoriteiten de voor hun taken en verantwoordelijkheden passende opleiding ontvangen, alsook instructies om verzoekers te informeren over waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend en instructies met betrekking tot hoe mensen in een kwetsbare situatie kunnen worden doorverwezen naar de juiste verwijzingsmechanismen.

(52)

In haar conclusies van 28 juni 2018 heeft de Europese Raad herhaald dat het belangrijk is om een totaalaanpak van migratie te hanteren en dat migratie niet alleen een uitdaging is voor individuele lidstaten maar ook voor Europa als geheel. In dit verband heeft de Europese Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de Unie volledige ondersteuning biedt voor een ordelijk beheer van migratiestromen.

(53)

Het Agentschap en het EASO moeten nauw samenwerken om migratieproblemen die worden gekenmerkt door een sterke, gemengde instroom van migranten, met name aan buitengrenzen, doeltreffend aan te pakken. Het Agentschap en het EASO moeten met name hun activiteiten coördineren en de lidstaten ondersteunen bij het vergemakkelijken van de procedure voor het verlenen of intrekken van internationale bescherming en de terugkeerprocedure voor onderdanen van derde landen wier verzoeken om internationale bescherming zijn afgewezen. Het Agentschap en het EASO moeten ook samenwerken bij andere gemeenschappelijke operationele activiteiten, zoals gezamenlijke risicoanalyses, het verzamelen van statistische gegevens, opleidingen, en ondersteuning van lidstaten met betrekking tot het opstellen van noodplannen.

(54)

De nationale autoriteiten die kustwachttaken uitvoeren zijn verantwoordelijk voor een breed spectrum van werkzaamheden, die onder meer kunnen bestaan uit veiligheid, beveiliging, opsporing en redding, grenstoezicht, visserijcontrole, douanetoezicht, algemene rechtshandhaving en milieubescherming op maritiem gebied. Het Agentschap, het Europees Bureau voor visserijcontrole (European Fisheries Control Agency — EFCA) en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency — EMSA) moeten daarom zowel hun onderlinge samenwerking als de samenwerking met de nationale autoriteiten die kustwachttaken uitvoeren, intensiveren teneinde de maritieme situatiekennis te versterken en samenhangende en kosteneffectieve maatregelen te ondersteunen. De synergieën tussen de verschillende actoren op het gebied van maritieme zaken dienen aan te sluiten bij strategieën voor Europees geïntegreerd grensbeheer en maritieme veiligheid.

(55)

In hotspotgebieden moeten de lidstaten samenwerken met de betrokken agentschappen van de Unie, die binnen hun respectieve mandaten en bevoegdheden onder de coördinatie van de Commissie moeten handelen. De Commissie moet er, in samenwerking met de betrokken agentschappen van de Unie, voor zorgen dat de activiteiten in hotspotgebieden in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht en de grondrechten.

(56)

Indien de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling of de risicoanalyse dit rechtvaardigen, of indien aan één of meer grenssegmenten tijdelijk een impactniveau “kritiek” is toegekend, moet de uitvoerend directeur van het Agentschap aan de betrokken lidstaat een aanbeveling doen om gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies te starten en uit te voeren.

(57)

Wanneer toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen, ofwel omdat een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een kwetsbaarheidsbeoordeling ofwel omdat een lidstaat die met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen wordt geconfronteerd, het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht of niet voldoende gebruik maakt van deze steun, dient op Unieniveau een uniforme, snelle en doeltreffende respons te worden gegeven. Om deze risico’s terug te dringen en met het oog op betere coördinatie op Unieniveau dient de Commissie aan de Raad een besluit voor te stellen met de maatregelen die het Agentschap moet treffen, dat de verplichting omvat voor de betrokken lidstaat om bij de uitvoering van die maatregelen zijn medewerking te verlenen aan het Agentschap. De uitvoeringsbevoegdheid om een dergelijk besluit vast te stellen moet worden toegekend aan de Raad omwille van de politiek gevoelige aard van de te beslissen maatregelen, waarbij wellicht aan nationale uitvoerings- en handhavingsbevoegdheden wordt geraakt. Het Agentschap dient dan te bepalen welke actie moet worden ondernomen voor de praktische tenuitvoerlegging van de maatregelen in het besluit van de Raad. Het Agentschap moet samen met de betrokken lidstaat een operationeel plan opstellen. De betrokken lidstaat moet de uitvoering van het besluit van de Raad en van het operationeel plan bevorderen door onder meer zijn in deze verordening bepaalde verplichtingen ten uitvoer te leggen. Wanneer een lidstaat binnen 30 dagen niet voldoet aan dit besluit van de Raad en niet met het Agentschap samenwerkt om de in dit besluit vervatte maatregelen uit te voeren, moet de Commissie de specifieke procedure voorzien in artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 kunnen inleiden om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder toezicht op de binnengrenzen in gevaar komt.

(58)

Het permanente korps bestaat uit vier categorieën van operationeel personeel, namelijk statutair personeel, personeel dat door de lidstaten voor lange tijd bij het Agentschap is gedetacheerd, personeelsleden die door de lidstaten ter beschikking worden gesteld om voor korte tijd te worden ingezet en personeelsleden die deel uitmaken van de snel inzetbare reserve voor snelle grensinterventies. Het operationele personeel bestaat uit grenswachters, begeleiders voor terugkeer, deskundigen inzake terugkeer en andere relevante personeelsleden. Het permanente korps moet worden ingezet in het kader van teams. Het werkelijke aantal operationele personeelsleden die zijn ingezet vanuit het permanente korps moet afhankelijk zijn van de operationele behoeften.

(59)

Als teamleden ingezette operationele personeelsleden moeten over alle nodige bevoegdheden beschikken voor de uitvoering van taken op het gebied van grenstoezicht en terugkeer, inclusief taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn en die in de relevante nationale wetgeving of in deze verordening zijn vastgesteld. Wanneer statutair personeel uitvoerende bevoegdheden uitoefent, moet het Agentschap aansprakelijk zijn voor eventuele veroorzaakte schade.

(60)

De lidstaten moeten bijdragen aan het permanente korps overeenkomstig bijlage II voor langdurende detacheringen en bijlage III voor inzet voor korte tijd. De afzonderlijke bijdragen van de lidstaten moeten worden vastgesteld op basis van de verdeelsleutel die is overeengekomen tijdens de onderhandelingen in 2016 inzake Verordening (EU) 2016/1624 met het oog op de snel inzetbare pool en die is opgenomen in bijlage I bij die verordening. Die verdeelsleutel moet evenredig worden aangepast aan de grootte van het permanente korps. Deze bijdragen moeten ook op evenredige wijze worden bepaald voor de met de Schengenruimte geassocieerde landen.

(61)

Bij de selectie van de personeelsaantallen en -profielen die in het besluit van de raad van bestuur moeten worden vermeld, dient de uitvoerend directeur de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid toe te passen, met name met betrekking tot de nationale capaciteiten van de lidstaten.

(62)

Het precieze tijdschema voor inzet voor korte tijd van het permanente korps en voor het beschikbaar maken van technische uitrusting waarvoor medefinanciering is verstrekt in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid of om het even welke andere specifieke financiering van de Unie, moet worden overeengekomen tussen iedere lidstaat en het Agentschap door middel van bilaterale onderhandelingen, waarbij rekening wordt gehouden met capaciteit en evenredigheid. Wanneer hij om nationale bijdragen aan het permanente korps verzoekt, dient de uitvoerend directeur als algemene regel de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling van lidstaten toe te passen, om situaties te voorkomen waarin de uitvoering van nationale taken in een lidstaat in het gedrang zou komen als gevolg van het verzoek om de jaarlijkse bijdragen van die lidstaat gedurende één specifieke periode van vier maanden in te zetten. Dergelijke regelingen moeten de mogelijkheid omvatten voor lidstaten om te voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van de perioden van inzet gedurende niet-opeenvolgende perioden. Wat de inzet voor korte tijd bij het permanente korps betreft, moeten de lidstaten hun verplichtingen inzake inzet voor korte tijd op een cumulatieve manier kunnen vervullen, door meer personeelsleden gedurende kortere perioden te detacheren of door de individuele personeelsleden voor een periode langer dan vier maanden te detacheren overeenkomstig de in jaarlijkse bilaterale onderhandelingen overeengekomen planning.

(63)

Onverminderd de tijdige vaststelling van het operationeel plan ten aanzien van operaties op zee, moet het Agentschap de deelnemende lidstaten in een zo vroeg mogelijk stadium specifieke informatie verstrekken betreffende de relevante rechtsbevoegdheid en het toepasselijke recht, in het bijzonder inzake de prerogatieven van de commandanten van schepen en vliegtuigen, de voorwaarden voor het gebruik van geweld en het opleggen van restrictieve of vrijheidsbenemende maatregelen.

(64)

De langetermijnontwikkeling van de personele middelen om de bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps veilig te stellen, moet worden ondersteund door een systeem voor financiële ondersteuning. Daartoe moet het Agentschap worden gemachtigd om de lidstaten subsidies toe te kennen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen in de vorm van “financiering die niet gekoppeld is aan kosten” onder voorbehoud van het vervullen van de voorwaarden van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (11). De financiële steun moet de lidstaten in staat stellen extra personeel in dienst te nemen en op te leiden zodat ze over de nodige flexibiliteit beschikken om hun verplichte bijdrage aan het permanente korps te kunnen leveren. Het stelsel voor financiële steun moet rekening houden met voldoende tijd voor aanwerving en opleiding en moet derhalve op de n+2-regel zijn gebaseerd. In het specifieke financieringssysteem moet het goed evenwicht worden gevonden tussen de risico’s van onregelmatigheden en fraude enerzijds en de kosten van controle anderzijds. Deze verordening bevat de essentiële voorwaarden voor de verlening van financiële steun, namelijk de werving en opleiding van het passende aantal grenswachters en andere specialisten dat overeenkomt met het aantal ambtenaren dat voor lange termijn bij het Agentschap wordt gedetacheerd of met het aantal ambtenaren dat gedurende een al dan niet aaneengesloten periode van minstens vier maanden daadwerkelijk wordt ingezet bij de operationele activiteiten van het Agentschap, of pro rata wordt toegekend op basis van het aantal ambtenaren dat gedurende een al dan niet aaneengesloten periode van minder dan vier maanden bij die activiteiten wordt ingezet. Gezien het gebrek aan relevante en vergelijkbare gegevens over de werkelijke kosten in de lidstaten, zou de ontwikkeling van een op kosten gebaseerde financieringsregeling al te complex zijn, terwijl er behoefte is aan een eenvoudige, snelle, efficiënte en doeltreffende financieringsregeling. Om het bedrag van deze financiering aan verschillende lidstaten vast te stellen, is het aangewezen om uit te gaan van het jaarsalaris van een arbeidscontractant in functiegroep III, rang 8, stap 1, van de instellingen van de Unie, waarop per lidstaat een correctiecoëfficiënt wordt toegepast in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer en in de geest van gelijke behandeling. Bij de uitvoering van dergelijke financiële steun moeten het Agentschap en de lidstaten ervoor zorgen dat de beginselen van medefinanciering en geen dubbele financiering in acht worden genomen.

(65)

Om de mogelijke belasting voor de nationale diensten in verband met de aanwerving van statutaire personeelsleden voor het permanente korps te beperken, moeten de desbetreffende diensten van de lidstaten worden ondersteund bij het opleiden van nieuwe personeelsleden die de vertrekkende personeelsleden vervangen.

(66)

Met het oog op de inzet van het permanente korps op het grondgebied van derde landen, moet het Agentschap de capaciteiten voor zijn eigen commando- en controlestructuren ontwikkelen, alsook procedures om de civiele en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de teamleden te garanderen.

(67)

Om ervoor te zorgen dat het permanente korps doeltreffend kan worden ingezet vanaf 1 januari 2021, moeten zo spoedig mogelijk bepaalde besluiten en uitvoerende maatregelen worden genomen. Daarom moet het Agentschap, samen met de lidstaten en de Commissie, zich bezighouden met de voorbereiding van dergelijke uitvoeringsmaatregelen en besluiten die door de raad van bestuur moeten worden goedgekeurd. Een dergelijk voorbereidend proces moet onder meer de aanwerving door het Agentschap en de lidstaten als bedoeld in deze verordening omvatten.

(68)

Met het oog op de continuïteit van de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, moet echter alle inzet, ook vanuit de snel inzetbare pool, die uiterlijk 31 december 2020 gedaan moet worden, worden gepland en uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1624 en de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen die in 2019 zijn gevoerd. De relevante bepalingen van die verordening mogen daarom pas met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken.

(69)

Het personeel van het Agentschap moet bestaan uit personeel dat de aan het Agentschap toevertrouwde taken uitvoert, hetzij op de zetel, hetzij als onderdeel van het permanente korps. De statutaire personeelsleden van het permanente korps moeten in de eerste plaats worden ingezet als teamleden. Het moet mogelijk zijn om een beperkt en duidelijk afgebakend deel van het statutaire personeel aan te werven om ondersteunende taken uit te voeren voor de oprichting van het permanente korps, met name op de zetel.

(70)

Om de aanhoudende tekorten in de vrijwillig bijeengebrachte technische uitrusting van de lidstaten te verhelpen, met name wat betreft groot materieel, moet het Agentschap over de nodige eigen uitrusting beschikken, die zal worden ingezet voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere operationele activiteiten. Dat materieel moet worden goedgekeurd door de lidstaten aangezien het aan overheidsdiensten toebehoort. Hoewel het voor het Agentschap sinds 2011 wettelijk mogelijk is om eigen technische uitrusting aan te schaffen of te leasen, was deze mogelijkheid aanzienlijk beperkt wegens het gebrek aan budgettaire middelen.

(71)

Om de ambities waar te maken die aan de oprichting van het permanente korps ten grondslag liggen, heeft de Commissie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 een aanzienlijk bedrag uitgetrokken dat het Agentschap in staat moet stellen om met het oog op de operationele behoeften het nodige lucht-, zee- en landmaterieel te verwerven, te onderhouden en in te zetten. Hoewel de verwerving van het nodige materieel, en met name het grote materieel, een werk van lange adem kan zijn, zou uiteindelijk bij operaties in de eerste plaats de eigen uitrusting van het Agentschap moeten worden ingezet, aangevuld met bijdragen van de lidstaten waarop in uitzonderlijke omstandigheden beroep zou worden gedaan. De uitrusting van het Agentschap moet hoofdzakelijk worden bediend door de technici van het Agentschap die deel uitmaken van het permanente korps. Om ervoor te zorgen dat de voorgestelde financiële middelen doeltreffend worden gebruikt, moet de verwerving van het nodige materieel plaatsvinden op basis van een meerjarenstrategie die zo snel mogelijk door de raad van bestuur wordt vastgesteld. Het is noodzakelijk de duurzaamheid van het Agentschap te waarborgen in toekomstige meerjarige financiële kaders en het alomvattend Europees geïntegreerd grensbeheer te handhaven.

(72)

Het Agentschap en de lidstaten moeten bij de toepassing van deze verordening optimaal gebruikmaken van de capaciteit die voorhanden is op het gebied van personele middelen en technische uitrusting, zowel op Unieniveau als op nationaal niveau.

(73)

De ontwikkeling op lange termijn van nieuwe capaciteiten binnen de Europese grens- en kustwacht moet worden gecoördineerd tussen de lidstaten en het Agentschap, in overeenstemming met de cyclus voor meerjarig strategisch beleid voor Europees geïntegreerd grensbeheer en rekening houdend met het feit dat bepaalde processen veel tijd kosten. Het gaat dan onder meer over de aanwerving en opleiding van nieuwe grenswachters, die tijdens hun loopbaan zowel in de lidstaten als in het permanente korps werkzaam kunnen zijn, de aankoop, het onderhoud en de verwijdering van uitrusting, waarbij naar mogelijke interoperabiliteit en schaalvoordelen moet worden gekeken, en de ontwikkeling van nieuwe uitrusting en aanverwante technologieën, onder meer door onderzoek.

(74)

In het kader van de competentieroutekaart moeten de capaciteitenontwikkelingsplannen van de lidstaten en de meerjarenplanning van de middelen van het Agentschap op één lijn worden gebracht om de investeringen op lange termijn te optimaliseren zodat de buitengrenzen zo goed mogelijk worden beschermd.

(75)

Rekening houdend met het ruimere mandaat van het Agentschap, de oprichting van het permanente korps en de sterkere mate waarin dit actief is aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer, moet het Agentschap de mogelijkheid hebben om voor de duur van zijn belangrijke operationele activiteiten steunpunten op te zetten op locaties in de nabijheid van deze activiteiten; deze steunpunten zouden als interface tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen fungeren, met coördinerende, logistieke en ondersteunende taken kunnen worden belast, en de samenwerking tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen vergemakkelijken.

(76)

Gezien samenwerking tussen agentschappen onderdeel vormt van het Europees geïntegreerd grensbeheer, moet het Agentschap nauw samenwerken met alle relevante organen en instanties van de Unie, met name Europol en het EASO. Dergelijke samenwerking moet plaatsvinden op het niveau van hoofdkantoren, in operationele gebieden en, indien van toepassing, op het niveau van steunpunten.

(77)

Het Agentschap en de lidstaten, en met name hun opleidingscentra, moeten nauw samenwerken bij het opleiden van het permanente korps, waarbij moet worden gewaarborgd dat de opleidingsprogramma’s geharmoniseerd zijn en gemeenschappelijke waarden als vastgelegd in de Verdragen bevorderen. Het Agentschap moet, na goedkeuring door de raad van bestuur, een opleidingscentrum van het Agentschap kunnen opzetten dat de opname van een gemeenschappelijke Europese cultuur in de aangeboden opleiding verder zal faciliteren.

(78)

Het Agentschap moet een gemeenschappelijke basisinhoud voor opleiding en adequate opleidingsinstrumenten voor grensbeheer en terugkeer verder ontwikkelen, inclusief specifieke opleidingen met betrekking tot de bescherming van kwetsbare personen, onder wie kinderen. Het moet eveneens aanvullende opleidingen en studiebijeenkomsten aanbieden in verband met geïntegreerde grensbeheertaken, onder meer voor personeelsleden van de bevoegde nationale diensten. Het Agentschap moet de leden van het permanente korps specifieke opleidingen bieden die zijn toegesneden op hun taken en bevoegdheden. Het moet onder meer gaan om opleidingen betreffende relevant Unie- en internationaal recht, alsook betreffende grondrechten. Het Agentschap moet in samenwerking met de lidstaten en derde landen opleidingsactiviteiten kunnen organiseren op hun grondgebied.

(79)

De terugkeer van onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor toegang, verblijf of vestiging in de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (12), is een essentieel onderdeel van de alomvattende inspanningen ter bestrijding van illegale immigratie en een belangrijke kwestie van zwaarwegend algemeen belang.

(80)

Het Agentschap moet de bijstand aan lidstaten inzake de terugkeer van onderdanen van derde landen intensiveren, met inachtneming van het terugkeerbeleid van de Unie en overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG. Met name moet het Agentschap de terugkeeroperaties van een of meer lidstaten organiseren en coördineren en terugkeerinterventies organiseren en uitvoeren ter versterking van de terugkeerstelsels van lidstaten die aanvullende technische en operationele bijstand nodig hebben om te voldoen aan hun verplichting uit hoofde van die richtlijn om onderdanen van derde landen terug te zenden.

(81)

Het Agentschap moet, met volledige eerbiediging van de grondrechten en onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het uitvaardigen van terugkeerbesluiten, de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen in het terugkeerproces, onder meer bij de identificatie van onderdanen van derde landen en andere activiteiten van de lidstaten voorafgaand aan of in verband met terugkeer. Voorts dient het Agentschap de lidstaten bij te staan bij het verkrijgen van reisdocumenten voor terugkeerders, in samenwerking met de autoriteiten van de desbetreffende derde landen.

(82)

Het Agentschap moet, mits hiervoor toestemming is verkregen van de betrokken lidstaat, het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa toelaten bezoeken af te leggen waar het Agentschap terugkeeroperaties uitvoert, binnen het kader van het toezichtmechanisme dat de leden van de Raad van Europa hebben opgericht in het kader van het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

(83)

De bijstand aan lidstaten bij het uitvoeren van terugkeerprocedures omvat de verstrekking van praktische informatie over derde landen van terugkeer die relevant is voor de uitvoering van deze verordening, zoals het verstrekken van contactgegevens of andere logistieke inlichtingen die nodig zijn voor een goed en waardig verloop van terugkeeroperaties. De bijstand moet ook het exploiteren en onderhouden van een platform omvatten voor de uitwisseling van gegevens en informatie die het Agentschap nodig heeft om overeenkomstig deze verordening technische en operationele bijstand te verlenen. Dat platform moet een infrastructuur voor communicatie hebben die geautomatiseerde doorgifte van statistische gegevens door de terugkeerbeheersystemen van de lidstaten mogelijk maakt.

(84)

Het eventuele bestaan van een regeling tussen een lidstaat en een derde land kan het Agentschap of de lidstaten niet ontslaan van hun verplichtingen of aansprakelijkheid uit hoofde van het Unie- of internationaal recht, met name wat betreft de naleving van het beginsel van non-refoulement, en het verbod op foltering en op onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

(85)

De lidstaten moeten op operationeel niveau met andere lidstaten of derde landen aan de buitengrenzen kunnen samenwerken, ook wat betreft militaire operaties met het oog op rechtshandhaving, voor zover die samenwerking verenigbaar is met het optreden van het Agentschap.

(86)

Het Agentschap moet zorgen voor een betere informatie-uitwisseling en samenwerking met andere organen en instanties van de Unie, zoals Europol, het EASO, het EMSA, het Satellietcentrum van de Europese Unie, het EASA of de netwerkbeheerder van het EATMN, teneinde optimaal gebruik te maken van de bestaande informatie, capaciteiten en systemen, zoals Copernicus, het programma van de Unie voor aardobservatie en -monitoring, die reeds beschikbaar zijn op Europees niveau.

(87)

De samenwerking met derde landen is een belangrijk onderdeel van Europees geïntegreerd grensbeheer. De samenwerking moet worden aangegrepen om de Europese normen voor grensbeheer en terugkeer te promoten, informatie en risicoanalyses uit te wisselen, en de uitvoering van terugkeeractiviteiten te vergemakkelijken zodat deze efficiënter worden, en derde landen te ondersteunen op het gebied van grensbeheer en migratie, waarbij onder meer ook het permanente korps kan worden ingezet wanneer dergelijke steun nodig is om de buitengrenzen te beschermen en het migratiebeleid van de Unie doeltreffend te beheren.

(88)

Wanneer de Commissie aan de Raad aanbeveelt om haar toestemming te geven over een statusovereenkomst met een derde land te onderhandelen, dient de Commissie de situatie van de grondrechten die van belang zijn voor de onder de statusovereenkomst vallende terreinen in dat derde land te beoordelen en het Europees Parlement hiervan op de hoogte te stellen.

(89)

De samenwerking met derde landen moet plaatsvinden in het kader van het externe optreden van de Unie en overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Commissie moet zorgen voor samenhang tussen Europees geïntegreerd grensbeheer en andere beleidsterreinen van de Unie op het gebied van het externe optreden van de Unie en met name het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. De Commissie moet worden bijgestaan door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Deze samenwerking moet plaatsvinden met betrekking tot met name de activiteiten van het Agentschap op het grondgebied van derde landen of waarbij ambtenaren van derde landen betrokken zijn op gebieden zoals risicoanalyse, planning en uitvoering van operaties, opleiding, uitwisseling van informatie en samenwerking.

(90)

Om ervoor te zorgen dat de informatie in Eurosur zo volledig en actueel mogelijk is, met name wat betreft de situatie in derde landen, moet het Agentschap samenwerken met de autoriteiten van derde landen in het kader van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en derde landen, met inbegrip van regionale netwerken, of in het kader van tussen het Agentschap en de betrokken autoriteiten van derde landen opgezette werkovereenkomsten. Daartoe moeten de Europese Dienst voor extern optreden en de delegaties en instanties van de Unie alle voor Eurosur relevante informatie aanleveren.

(91)

Deze verordening bevat bepalingen inzake samenwerking met derde landen, omdat goed gestructureerde en duurzame informatie-uitwisseling en samenwerking met dergelijke landen, onder meer maar niet uitsluitend aangrenzende derde landen, van doorslaggevend belang zijn om de doelstellingen van het Europees geïntegreerd grensbeheer te verwezenlijken. Het is essentieel dat elke vorm van informatie-uitwisseling en elke vorm van samenwerking tussen de lidstaten en derde landen gebeurt met volledige inachtneming van de grondrechten.

(92)

De bijstand aan derde landen moet een aanvulling vormen op de steun die het Agentschap aan de lidstaten verleent bij de toepassing van Uniemaatregelen met betrekking tot Europees geïntegreerd grensbeheer.

(93)

De bilaterale en multilaterale overeenkomsten die lidstaten met derde landen hebben gesloten voor gebieden die onder Europees geïntegreerd grensbeheer vallen, moeten gevoelige informatie wat betreft beveiliging kunnen bevatten. Wanneer dergelijke informatie aan de Commissie wordt verstrekt, dient zij deze in overeenstemming met de toepasselijke veiligheidsvoorschriften te behandelen.

(94)

Om tot een grondig situatiebeeld en een uitgebreide risicoanalyse van het gebied vóór de grens te komen, moeten het Agentschap en de nationale coördinatiecentra informatie verzamelen en samenwerken met immigratieverbindingsfunctionarissen die door de lidstaten, de Commissie, het Agentschap of andere organen en instanties van de Unie in derde landen worden ingezet.

(95)

Het FADO-systeem (False and Authentic Documents Online — Fraudedocumenten en Authentieke Documenten Online) is bij Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad (13) binnen het secretariaat-generaal van de Raad ingesteld en maakt het mogelijk dat autoriteiten van de lidstaten beschikken over informatie over nieuwe vervalsingsmethoden die zijn ontdekt en over nieuwe authentieke documenten die in omloop zijn.

(96)

In zijn conclusies van 27 maart 2017 heeft de Raad verklaard dat het beheer van het FADO-systeem achterhaald is en dat een wijziging van de rechtsgrondslag ervan nodig is om te kunnen blijven voldoen aan de vereisten van het beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. De Raad heeft er ook op gewezen dat synergieën in dit verband kunnen worden benut door gebruik te maken van de deskundigheid van het Agentschap op het gebied van documentfraude en de werkzaamheden die het Agentschap op dit gebied al heeft verricht. Het is daarom de bedoeling dat het Agentschap zowel het administratieve beheer als het operationele en technische beheer van het FADO-systeem overneemt van het secretariaat-generaal van de Raad, zodra het Europees Parlement en de Raad de desbetreffende rechtshandeling inzake het FADO-systeem ter vervanging van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ hebben vastgesteld.

(97)

Vóór de vaststelling van de desbetreffende rechtshandeling inzake het FADO-systeem is het wenselijk ervoor te zorgen dat het FADO-systeem volledig operationeel is totdat de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en de bestaande gegevens naar het nieuwe systeem zijn overgebracht. De eigendom van de bestaande gegevens zou dan worden overgedragen aan het Agentschap.

(98)

Elke verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap in het kader van deze verordening moet gebeuren in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (14).

(99)

De verwerking van persoonsgegevens door lidstaten in het kader van deze verordening moet gebeuren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (15) of Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (16), naargelang het geval.

(100)

In het kader van terugkeer komt het vaak voor dat onderdanen van derde landen geen identificatiedocumenten in hun bezit hebben en niet meewerken aan de vaststelling van hun identiteit door informatie achter te houden of onjuiste persoonsgegevens te verstrekken. Aangezien er beleidsmatig een grote behoefte is aan een vlotte uitvoering van de terugkeerprocedures, is het noodzakelijk dat het Agentschap bepaalde rechten van betrokkenen kan beperken om te voorkomen dat misbruik van dergelijke rechten de goede uitvoering van de terugkeerprocedures belemmert en de lidstaten belet hun terugkeerbesluiten efficiënt te handhaven of het Agentschap verhindert zijn taken efficiënt uit te voeren. Met name de uitoefening van het recht op beperking van de verwerking kan de terugkeeroperaties aanzienlijk vertragen en belemmeren. In sommige gevallen kan het recht van inzage van de onderdaan van een derde land een terugkeeroperatie in gevaar brengen omdat de kans groter is dat de onderdaan van een derde land onderduikt indien deze te weten komt dat het Agentschap zijn gegevens verwerkt in het kader van een geplande terugkeeroperatie. Het recht op rectificatie kan het risico vergroten dat de betrokken onderdaan van een derde land de autoriteiten misleidt door onjuiste gegevens te verstrekken. Opdat het Agentschap bepaalde rechten van datasubjecten kan beperken, moet het interne regels inzake dergelijke beperkingen kunnen vaststellen.

(101)

Om zijn taken op het gebied van terugkeer naar behoren uit te kunnen voeren, onder meer door de lidstaten bij te staan bij de correcte tenuitvoerlegging van terugkeerprocedures en de succesvolle handhaving van terugkeerbesluiten, alsook om terugkeeroperaties te vergemakkelijken, kan het nodig zijn dat het Agentschap persoonsgegevens van terugkeerders aan derde landen doorgeeft. Derde landen van terugkeer zijn niet vaak onderworpen aan adequaatheidsbesluiten die door de Commissie zijn vastgesteld op grond van artikel 45 van Verordening (EU) 2016/679 of artikel 36 van Richtlijn (EU) 2016/680, en hebben vaak geen overnameovereenkomst met de Unie gesloten of zijn niet voornemens dat te doen of anderszins te voorzien in passende waarborgen in de zin van artikel 48 van Verordening (EU) 2018/1725 of in de zin van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 37 van Richtlijn (EU) 2016/680. Ondanks de grote inspanningen van de Unie om samen te werken met de belangrijkste landen van herkomst van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen voor wie een terugkeerverplichting geldt, is het echter niet altijd mogelijk om ervoor te zorgen dat die derde landen systematisch voldoen aan de internationaalrechtelijke verplichting om eigen onderdanen over te nemen. Door de Unie of de lidstaten gesloten of in onderhandeling zijnde overnameovereenkomsten die passende waarborgen bieden met betrekking tot persoonsgegevens, hebben slechts betrekking op een beperkt aantal van deze derde landen. Wanneer dergelijke overeenkomsten nog niet bestaan moeten de persoonsgegevens door het Agentschap worden doorgegeven om de terugkeeroperaties van de Unie te vergemakkelijken, mits aan de voorwaarden van artikel 50, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2018/1725 is voldaan.

(102)

Elke overdracht van persoonsgegevens door lidstaten aan derde landen moet gebeuren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680, naargelang het geval. Bij gebrek aan overnameovereenkomsten, en als uitzondering op het vereiste dat adequaatheidsbesluiten zijn aangenomen of er voorzien is in passende waarborgen, moet de doorgifte van persoonsgegevens door lidstaten aan de autoriteiten van derde landen mogelijk zijn met het oog op de uitvoering van het terugkeerbeleid van de Unie. Het moet mogelijk zijn om de afwijking te gebruiken voor specifieke situaties die zijn bepaald in artikel 49 van Verordening 2016/679 en in artikel 38 van Richtlijn 2016/680, naargelang het geval, onder voorbehoud van de in deze artikelen vastgelegde voorwaarden.

(103)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in de artikelen 2 en 6 VEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”) worden erkend, in het bijzonder de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het recht op leven, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het verbod op mensenhandel, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op toegang tot documenten, het recht op asiel en op bescherming tegen verwijdering en uitzetting, het beginsel van non-refoulement, het beginsel van non-discriminatie, en de rechten van het kind.

(104)

Bij deze verordening moet een klachtenregeling voor het Agentschap worden ingesteld, in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris, teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te vrijwaren. Deze regeling dient te bestaan uit een bestuurlijk mechanisme waarbij de grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten, overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. De grondrechtenfunctionaris dient de ontvankelijkheid van een klacht te onderzoeken, ontvankelijke klachten te registreren, alle geregistreerde klachten door te zenden aan de uitvoerend directeur, klachten betreffende teamleden door te zenden aan de lidstaat van herkomst en het gevolg dat het Agentschap of die lidstaat aan de klacht geeft, te registreren. Het mechanisme moet doeltreffend zijn en een degelijke follow-up van klachten waarborgen. Het klachtenmechanisme moet de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen onverlet laten, en vormt geen verplichte tussenstap om een dergelijke vorm van beroep te kunnen instellen. Strafrechtelijke onderzoeken dienen te worden uitgevoerd door de lidstaten. Om de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, neemt het Agentschap in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Met name bevat het verslag het aantal ontvangen klachten, de soorten schendingen van de grondrechten, de betrokken operaties en, waar mogelijk, de follow-upmaatregelen die het Agentschap en de lidstaten hebben genomen. De grondrechtenfunctionaris heeft toegang tot alle informatie inzake de eerbiediging van de grondrechten in verband met alle activiteiten van het Agentschap. De grondrechtenfunctionaris moet de noodzakelijke financiële en personele middelen ontvangen, zodat hij alle taken in overeenstemming met deze verordening doeltreffend kan uitvoeren. Het aan de grondrechtenfunctionaris toegewezen personeel moet beschikken over de vaardigheden en anciënniteit die nodig zijn voor de uitbreiding van de activiteiten en bevoegdheden van het Agentschap.

(105)

Het Agentschap moet met betrekking tot technische en operationele aangelegenheden onafhankelijk zijn en juridisch, bestuurlijk en financieel autonoom zijn. Daartoe is het noodzakelijk en gepast dat het Agentschap een orgaan van de Unie is dat rechtspersoonlijkheid bezit en de uitvoeringsbevoegdheden uitoefent die hem bij deze verordening worden toegekend.

(106)

De Commissie en de lidstaten moeten in een raad van bestuur vertegenwoordigd zijn met het oog op de uitoefening van toezicht op het Agentschap. Voor zover mogelijk moet de raad van bestuur bestaan uit de operationele hoofden van de nationale diensten die belast zijn met het grensbeheer, of hun vertegenwoordigers. Alle in de raad van bestuur vertegenwoordigde partijen moeten proberen het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te verzekeren. De raad van bestuur moet de nodige bevoegdheden krijgen om de begroting van het Agentschap vast te stellen, de uitvoering ervan te verifiëren, passende financiële regels op te stellen, transparante werkprocedures voor de besluitvorming door het Agentschap tot stand te brengen en de uitvoerend directeur aan te stellen, alsook drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs die elk verantwoordelijk moeten zijn voor een bepaald deel van de bevoegdheden van het Agentschap, zoals het beheer van het permanente korps, het toezicht op de taken van het Agentschap met betrekking tot terugkeeroperaties of het beheer van de betrokkenheid van het Agentschap bij grootschalige IT-systemen. Bij het bestuur en de werking van het Agentschap moet rekening worden gehouden met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak voor de gedecentraliseerde agentschappen van de Europese Unie, die op 19 juli 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is goedgekeurd.

(107)

Gezien de betrokkenheid van het Europees Parlement bij zaken die onder deze verordening vallen, moet de voorzitter van de raad van bestuur een deskundige van het Europees Parlement kunnen uitnodigen om de vergaderingen van de raad van bestuur bij te wonen.

(108)

Elk jaar moet de raad van bestuur een enkelvoudig programmeringsdocument opstellen. Bij de opstelling van dat programmeringsdocument dient de raad van bestuur rekening te houden met de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep over de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen.

(109)

Om de autonomie van het Agentschap te waarborgen, moet aan het Agentschap een aparte begroting worden toegekend die hoofdzakelijk wordt bekostigd met een bijdrage van de Unie. Bij het opstellen van de begroting van het Agentschap moet het beginsel van resultaatgericht begroten in acht worden genomen, met oog voor de doelstellingen en de verwachte resultaten van het werk van het Agentschap. Op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie, moet de begrotingsprocedure van de Unie van toepassing zijn. De controle van de rekeningen moet worden verricht door de Rekenkamer. In uitzonderlijke situaties, wanneer de ontvangen begroting ontoereikend wordt geacht en de begrotingsprocedure niet volstaat om een passend antwoord te bieden op snel ontwikkelende situaties, moet het Agentschap de mogelijkheid hebben om subsidies uit Uniefondsen te ontvangen om zijn taken te vervullen.

(110)

De uitvoerend directeur moet, in zijn hoedanigheid van ordonnateur, regelmatig de financiële risico’s in verband met de activiteiten van het Agentschap beoordelen en de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen nemen in overeenstemming met het voor het Agentschap toepasselijke financieel kader, en de raad van bestuur hier dienovereenkomstig van op de hoogte stellen.

(111)

Verwacht wordt dat het Agentschap de komende jaren het hoofd moet bieden aan uitdagende omstandigheden wat betreft het invullen van de uitzonderlijke behoeften om gekwalificeerd personeel met een zo breed mogelijke geografische spreiding aan te werven en te behouden.

(112)

In de geest van gedeelde verantwoordelijkheid moet het Agentschap aan zijn personeelsleden, met name het statutair personeel van het permanente korps, met inbegrip van statutair personeel dat bij operationele activiteiten wordt ingezet, voorschrijven dat zij over hetzelfde opleidingsniveau en dezelfde specifieke deskundigheid en vakbekwaamheid beschikken als personeelsleden die door de lidstaten gedetacheerd zijn of bij de lidstaten in dienst zijn. Bijgevolg moet het Agentschap nagaan en beoordelen of zijn statutaire personeel zich bij de uitvoering van operationele activiteiten op het gebied van grenstoezicht en terugkeer naar behoren gedraagt.

(113)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) moet zonder beperkingen van toepassing zijn op het Agentschap, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (18).

(114)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (19) moet het Europees Openbaar Ministerie kunnen overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (20).

(115)

Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (21) moet op het Agentschap van toepassing zijn. Het Agentschap moet met betrekking tot zijn activiteiten de grootst mogelijke transparantie betrachten, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstelling van zijn werkzaamheden. Het moet de informatie over al zijn activiteiten openbaar maken. Het moet er tevens op toezien dat het publiek en alle belanghebbenden snel over zijn werkzaamheden worden geïnformeerd.

(116)

Het Agentschap moet ook integraal verslag uitbrengen over zijn activiteiten aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

(117)

De Commissie moet een evaluatie van deze verordening uitvoeren. In die evaluatie moet ook de aantrekkelijkheid van het Agentschap als werknemer voor de aanwerving van statutair personeel worden beoordeeld met het oog op het garanderen van de kwaliteit van de kandidaten en geografisch evenwicht.

(118)

De in deze verordening bedoelde buitengrenzen zijn die waarop de bepalingen van titel II van Verordening (EU) 2016/399 van toepassing zijn, inclusief de buitengrenzen van Schengenlanden overeenkomstig Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat is gehecht aan het VEU en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(119)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (22).

(120)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een stelsel van geïntegreerd beheer van de buitengrenzen om te zorgen voor de goede werking van het Schengengebied, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de zonder coördinatie optredende lidstaten, maar vanwege de afwezigheid van toezicht aan de binnengrenzen, de aanzienlijke uitdagingen aan de buitengrenzen op het gebied van migratie en de noodzaak om het overschrijden van de buitengrenzen op efficiënte wijze te bewaken en de noodzaak bij te dragen aan een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(121)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (23), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (24). De regeling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (25) voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(122)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop de Zwitserse Bondsstaat wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (26), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (27).

(123)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop de Zwitserse Bondsstaat wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (28), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (29).

(124)

De regeling tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake de wijze waarop deze staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (30) voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(125)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze derhalve niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van bovengenoemd protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad een besluit heeft genomen over de verordening of het deze in zijn nationale recht zal omzetten.

(126)

Deze verordening houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (31); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(127)

Deze verordening houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (32); Ierland neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(128)

Het Agentschap dient de organisatie te vergemakkelijken van specifieke activiteiten waarbij de lidstaten gebruik kunnen maken van de expertise en faciliteiten die Ierland en het Verenigd Koninkrijk eventueel bereid zijn aan te bieden, overeenkomstig nadere voorwaarden die per geval door de raad van bestuur worden vastgelegd. Daartoe kunnen vertegenwoordigers van Ierland voor vergaderingen van de raad van bestuur worden uitgenodigd, zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de voorbereiding van dergelijke specifieke activiteiten. Vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk kunnen voor vergaderingen van de raad van bestuur worden uitgenodigd tot de dag waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, VEU.

(129)

Hoewel het Verenigd Koninkrijk niet aan deze verordening deelneemt, heeft het de mogelijkheid gekregen om met de Europese grens- en kustwacht samen te werken op grond van zijn status als lidstaat van de Unie. Aangezien het Verenigd Koninkrijk kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken op grond van artikel 50 VEU, dienen bijzondere afspraken voor de operationele samenwerking met het Verenigd Koninkrijk op grond van deze verordening van toepassing te zijn tot de dag waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, VEU of op voorwaarde dat een terugtrekkingsakkoord gesloten met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50 VEU die dergelijke bijzondere afspraken regelt, van kracht is geworden.

(130)

Er bestaat een controverse tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk over de afbakening van de grenzen van Gibraltar.

(131)

De opschorting van de toepasselijkheid van deze verordening op de grenzen van Gibraltar betekent niet dat de respectieve standpunten van de betrokken staten gewijzigd zijn.

(132)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is op 7 november 2018 geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (33) en heeft op 30 november 2018 een advies uitgebracht.

(133)

Deze verordening strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Verordeningen (EU) 2016/1624 en (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad. Aangezien de aan te brengen wijzigingen talrijk en ingrijpend zijn, moeten die rechtshandelingen omwille van de duidelijkheid worden vervangen en ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een Europese grens- en kustwacht opgericht, teneinde te zorgen voor een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen, met het oog op een doeltreffend beheer van die grenzen, met volledige eerbiediging van de grondrechten, en op een doeltreffender terugkeerbeleid van de Unie.

Deze verordening heeft ten doel de migratieproblematiek en mogelijke toekomstige uitdagingen en dreigingen aan de buitengrenzen aan te pakken. Zij zorgt voor een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie met volledige eerbiediging van de grondrechten en waarborging van het vrije verkeer van personen in de Unie. Zij draagt bij tot het opsporen, voorkomen en bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit aan de buitengrenzen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“buitengrenzen”: buitengrenzen in de zin van artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399;

2)

“grensdoorlaatpost”: grensdoorlaatpost in de zin van artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) 2016/399;

3)

“grenstoezicht”: grenstoezicht in de zin van artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2016/399;

4)

“grenscontroles”: grenscontroles in de zin van artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2016/399;

5)

“grensbewaking”: grensbewaking in de zin van artikel 2, punt 12, van Verordening (EU) 2016/399;

6)

“bewaking van de luchtgrenzen”: de bewaking van een vlucht van een bemand of onbemand luchtvaartuig en zijn passagiers en/of vracht naar of vanaf het grondgebied van de lidstaten, die geen interne vlucht is in de zin van artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2016/399;

7)

“situationeel bewustzijn”: het vermogen om illegale grensoverschrijdende activiteiten te monitoren, op te sporen, te identificeren, te volgen en te begrijpen teneinde op basis van het combineren van nieuwe informatie met bestaande kennis beredeneerde gronden voor reactiemaatregelen vast te stellen en beter in staat te zijn het verlies aan mensenlevens onder migranten aan, langs of nabij de buitengrenzen te beperken;

8)

“reactievermogen”: het vermogen om handelingen te verrichten die zijn gericht op het tegengaan van illegale grensoverschrijdende activiteiten aan, langs of nabij de buitengrenzen, met inbegrip van de middelen en tijdschema’s die nodig zijn om op adequate wijze te reageren;

9)

“Eurosur”: het kader voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten en het Europees Grens- en kustwachtagentschap;

10)

“situatiebeeld”: een samenvoeging van gegeorefereerde bijna-realtime gegevens en informatie die zijn ontvangen van verschillende autoriteiten, sensoren, platforms en andere bronnen, die via beveiligde communicatie- en informatiekanalen worden doorgegeven en die kunnen worden verwerkt en selectief kunnen worden getoond aan en gedeeld met andere bevoegde autoriteiten om situationeel bewustzijn te creëren en het reactievermogen te ondersteunen aan, langs of nabij de buitengrenzen en in het gebied vóór de grens;

11)

“buitengrenssegment”: het geheel of een deel van de buitengrens van een lidstaat als omschreven in het nationale recht of als bepaald door het nationale coördinatiecentrum of een andere bevoegde nationale autoriteit;

12)

“grensoverschrijdende criminaliteit”: een vorm van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die wordt gepleegd aan, langs of nabij de buitengrenzen, of pogingen daartoe;

13)

“gebied vóór de grens”: het geografische gebied voorbij de buitengrenzen dat relevant is voor het beheer van de buitengrenzen door middel van risicoanalyse en situationeel bewustzijn;

14)

“incident”: een situatie in verband met illegale immigratie, grensoverschrijdende criminaliteit of een risico voor het leven van migranten aan, langs of nabij de buitengrenzen;

15)

“statutair personeel”: personeel dat bij het Europees Grens- en kustwachtagentschap in dienst is overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (“het Statuut”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (“de Regeling”), zoals vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (34);

16)

“operationeel personeel”: de grenswachters, terugkeerbegeleiders, terugkeerspecialisten en andere relevante personeelsleden die het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht uitmaken overeenkomstig de vier onder artikel 54, lid 1, bepaalde categorieën en die, in voorkomend geval, optreden als teamleden met uitvoerende bevoegdheden, en het statutair personeel dat verantwoordelijk is voor de werking van de centrale eenheid van het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias) en dat niet als teamleden kan worden ingezet;

17)

“teamlid”: lid van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat wordt ingezet in het kader van grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer en terugkeerteams;

18)

“grensbeheerteams”: uit de leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht samengestelde teams die worden ingezet tijdens gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen en snelle grensinterventies in de lidstaten en in derde landen;

19)

“ondersteuningsteam voor migratiebeheer”: een team van deskundigen dat de lidstaten technische en operationele versterking biedt, ook in hotspotgebieden, bestaande uit operationeel personeel, deskundigen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office — EASO) en Europol en, in voorkomend geval, deskundigen van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (European Union Agency for Fundamental Rights — FRA), van andere organen en instanties van de Unie en van de lidstaten;

20)

“ontvangende lidstaat”: een lidstaat waarin een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie plaatsvindt of die dient als uitvalsbasis hiervoor of waarin een ondersteuningsteam voor migratiebeheer wordt ingezet;

21)

“lidstaat van herkomst”: lidstaat van waaruit een personeelslid wordt ingezet bij of gedetacheerd naar het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht;

22)

“deelnemende lidstaat”: een lidstaat die deelneemt aan een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie, een terugkeerinterventie of de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, door technische uitrusting of personeel aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht ter beschikking te stellen, alsook een lidstaat die deelneemt aan een terugkeeroperatie of terugkeerinterventie door technische uitrusting of personeel ter beschikking te stellen, maar die geen ontvangende lidstaat is;

23)

“hotspotgebied”: een gebied dat is vastgesteld op verzoek van de ontvangende lidstaat, waar de ontvangende lidstaat, de Commissie, de bevoegde agentschappen van de Unie en de deelnemende lidstaten samenwerken teneinde een bestaande of potentiële onevenredig grote uitdaging op het gebied van migratie te beheren die wordt gekenmerkt door een aanzienlijke toename van het aantal binnenkomende migranten aan de buitengrenzen;

24)

“terugkeer”: terugkeer in de zin van artikel 3, punt 3, van Richtlijn 2008/115/EG;

25)

“terugkeerbesluit”: een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld of verklaard dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld, met inachtneming van de bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG;

26)

“terugkeerder”: een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land ten aanzien van wie een uitvoerbaar terugkeerbesluit is uitgevaardigd;

27)

“terugkeeroperatie”: een operatie die door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt georganiseerd of gecoördineerd en aan een of meer lidstaten verstrekte technische en operationele steun behelst, waarbij terugkeerders vanuit een of meer lidstaten gedwongen of vrijwillig terugkeren, ongeacht het vervoermiddel;

28)

“terugkeerinterventie”: een actie van het Europees Grens- en kustwachtagentschap waarbij de lidstaten versterkte technische en operationele bijstand wordt verstrekt, bestaande uit de inzet van terugkeerteams en de organisatie van terugkeeroperaties;

29)

“terugkeerteams”: teams die zijn gevormd uit leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht om te worden ingezet tijdens terugkeeroperaties, terugkeerinterventies in de lidstaten, of andere operationele activiteiten in het kader van de uitvoering van met terugkeer verband houdende taken;

30)

“immigratieverbindingsfunctionaris”: immigratieverbindingsfunctionaris in de zin van Artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2019/1240 van het Europees Parlement en de Raad (35).

Artikel 3

Europees geïntegreerd grensbeheer

1.   Het Europees geïntegreerd grensbeheer omvat de volgende onderdelen:

a)

grenstoezicht, met inbegrip van maatregelen om legale grensoverschrijdingen te vergemakkelijken en, waar passend, maatregelen op het gebied van het voorkomen en opsporen van grensoverschrijdende criminaliteit aan de buitengrenzen, met name het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme, en mechanismen en procedures voor de identificatie van kwetsbare personen en niet-begeleide minderjarigen, en voor de identificatie van, de informatieverstrekking aan en de doorverwijzing van mensen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen;

b)

opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee, opgezet en uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationaal recht, die plaatsvinden in situaties die zich kunnen voordoen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

c)

analyse van de risico’s voor de interne veiligheid en van de dreigingen die de werking of de veiligheid van de buitengrenzen kunnen aantasten;

d)

informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten onderling op de onder deze verordening vallende gebieden en tussen de lidstaten en het Europees Grens- en kustwachtagentschap, met inbegrip van de door het Europees Grens- en kustwachtagentschap gecoördineerde steun;

e)

samenwerking tussen de nationale autoriteiten die in de lidstaten belast zijn met het grenstoezicht of andere grenstaken, en tussen de autoriteiten die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor terugkeer, met inbegrip van regelmatige uitwisseling van informatie met behulp van de daarvoor bestaande instrumenten, met inbegrip van, waar passend, samenwerking met de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor het beschermen van de grondrechten.

f)

samenwerking tussen de relevante instellingen, organen en instanties van de Unie op de gebieden die onder deze verordening vallen, onder meer via regelmatige uitwisseling van informatie;

g)

samenwerking met derde landen op gebieden die onder deze verordening vallen, met bijzondere aandacht voor naburige derde landen en derde landen die volgens de risicoanalyse land van herkomst of doorreis zijn bij illegale immigratie;

h)

technische en operationele maatregelen binnen het Schengengebied die samenhangen met grenstoezicht en bedoeld zijn om illegale immigratie beter aan te pakken en grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden;

i)

de terugkeer van onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt;

j)

het gebruik van geavanceerde technologie, inclusief grootschalige informatiesystemen;

k)

een mechanisme voor kwaliteitscontrole, met name het Schengenevaluatiemechanisme, de kwetsbaarheidsbeoordelingen en eventuele nationale mechanismen, dat de tenuitvoerlegging van het Unierecht inzake grensbeheer moet waarborgen;

l)

solidariteitsmechanismen, met name financieringsinstrumenten van de Unie.

2.   De grondrechten, opleiding en training, alsook onderzoek en innovatie, zijn overkoepelende onderdelen bij de uitvoering van Europees geïntegreerd grensbeheer.

Artikel 4

Europese grens- en kustwacht

De nationale autoriteiten van de lidstaten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover zij taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor terugkeer, en het Europees Grens- en kustwachtagentschap (“het Agentschap”) vormen samen de Europese grens- en kustwacht.

Artikel 5

Europees Grens- en kustwachtagentschap

1.   Het Agentschap valt onder de onderhavige verordening.

2.   Het Agentschap omvat het in artikel 54 omschreven permanente korps van de Europese grens- en kustwacht (“het permanente korps”) dat een capaciteit heeft van maximaal 10 000 operationele personeelsleden overeenkomstig bijlage I.

3.   Teneinde in samenhangend Europees geïntegreerd grensbeheer te voorzien, vergemakkelijkt het Agentschap de toepassing van de maatregelen van de Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen, in het bijzonder Verordening (EU) 2016/399, en van maatregelen van de Unie in verband met terugkeer, en maakt het deze effectiever.

4.   Het Agentschap draagt bij aan de continue en uniforme toepassing van het Unierecht, waaronder het acquis van de Unie inzake grondrechten, en met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“het Handvest”), aan de buitengrenzen. Deze bijdrage gebeurt onder meer via de uitwisseling van goede praktijken.

Artikel 6

Verantwoordingsplicht

Het Agentschap legt verantwoording af aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig deze verordening.

Artikel 7

Gedeelde verantwoordelijkheid

1.   De Europese grens- en kustwacht voert het Europees geïntegreerd grensbeheer uit als gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze grensbewakingsoperaties op zee en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. De lidstaten behouden de primaire verantwoordelijkheid voor het beheer van hun segmenten van de buitengrenzen.

2.   Het Agentschap verleent, op verzoek van de betrokken lidstaat of op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat, technische en operationele bijstand bij de implementatie van maatregelen die verband houden met terugkeer als bedoeld in artikel 48 van deze verordening. De lidstaten blijven als enige verantwoordelijk voor de uitvaardiging van terugkeerbesluiten en voor de vaststelling van de maatregelen met betrekking tot de bewaring van terugkeerders overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG.

3.   De lidstaten dragen, in nauwe samenwerking met het Agentschap, zorg voor het beheer van hun buitengrenzen en de uitvoering van terugkeerbesluiten in hun eigen belang en in het gemeenschappelijk belang van alle lidstaten met volledige inachtneming van het Unierecht, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten, en in overeenstemming met de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer bedoeld in artikel 8.

4.   Het Agentschap ondersteunt de toepassing van Uniemaatregelen in verband met het beheer van de buitengrenzen en de uitvoering van terugkeerbesluiten door de acties van de lidstaten te versterken, te beoordelen en te coördineren en door technische en operationele bijstand te verlenen bij de uitvoering van die maatregelen en bij terugkeeraangelegenheden. Het Agentschap ondersteunt geen maatregelen en is niet betrokken bij activiteiten in verband met toezicht aan de binnengrenzen. Het Agentschap is volledig verantwoordelijk en aansprakelijk voor elk besluit dat het neemt, en voor alle activiteiten waarvoor het krachtens deze verordening alleen verantwoordelijk is.

5.   De lidstaten kunnen op operationeel niveau met andere lidstaten of derde landen samenwerken, indien die samenwerking verenigbaar is met de taken van het Agentschap. De lidstaten onthouden zich van elke activiteit die de werking van het Agentschap of het bereiken van zijn doelen in gevaar kan brengen. De lidstaten brengen over die operationele samenwerking met andere lidstaten of derde landen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer verslag uit aan het Agentschap. De uitvoerend directeur informeert de raad van bestuur regelmatig over die aangelegenheden en ten minste eenmaal per jaar.

Artikel 8

Cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer

1.   De Commissie en de Europese grens- en kustwacht waarborgen de doeltreffendheid van het Europees geïntegreerd grensbeheer met behulp van een cyclus voor het meerjarig strategisch beleid die wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure van lid 4.

2.   In het meerjarige strategische beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer wordt omschreven hoe de uitdagingen op het gebied van grensbeheer en terugkeer op een coherente, geïntegreerde en systematische manier moeten worden aangepakt. Daarin worden de beleidsprioriteiten en strategische richtsnoeren met betrekking tot de in artikel 3 vermelde onderdelen vastgesteld voor een periode van vijf jaar.

3.   De cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer bestaat uit vier fasen, als omschreven in de leden 4 tot en met 7.

4.   Op basis van de in artikel 29, lid 2, bedoelde strategische risicoanalyse voor Europees geïntegreerd grensbeheer stelt de Commissie een beleidsdocument op tot ontwikkeling van een meerjarig strategisch beleid voor het Europees geïntegreerd grensbeheer. De Commissie legt dit beleidsdocument ter beoordeling voor aan het Europees Parlement en de Raad. Daarna stelt de Commissie een mededeling vast waarin het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer wordt vastgesteld.

5.   Met het oog op de uitvoering van het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer stelt het Agentschap bij een besluit van de raad van bestuur en op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur dat in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie is opgesteld, een technische en operationele strategie voor het Europees geïntegreerd grensbeheer op. Het Agentschap houdt, waar dit gerechtvaardigd is, rekening met de specifieke situatie van de lidstaten, met name hun geografische ligging. De technische en operationele strategie is in overeenstemming met artikel 3 en met het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer. Zij bevordert en ondersteunt de uitvoering van het Europees geïntegreerd grensbeheer in alle lidstaten.

6.   Met het oog op de uitvoering van het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer zorgen de lidstaten ervoor dat bij de opstelling van nationale strategieën voor Europees geïntegreerd grensbeheer nauw wordt samengewerkt tussen alle nationale autoriteiten die belast zijn met het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. Die nationale strategie is in overeenstemming met artikel 3, het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer en de technische en operationele strategie.

7.   Vier jaar na de vaststelling van het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer verricht de Commissie een grondige evaluatie van de uitvoering van de handelingen. Bij de voorbereiding van de volgende cyclus voor het meerjarig strategisch beleid wordt rekening gehouden met de resultaten van die evaluatie. De lidstaten en het Agentschap voorzien de Commissie bijtijds van de informatie die zij nodig heeft om die evaluatie uit te voeren. De Commissie deelt de resultaten van die evaluatie mee aan het Europees Parlement en de Raad.

8.   Wanneer de situatie aan de buitengrenzen of op het gebied van terugkeer een wijziging van de beleidsprioriteiten vergt, wijzigt de Commissie het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer of de relevante onderdelen daarvan overeenkomstig de in lid 4 uiteengezette procedure.

Wanneer de Commissie het meerjarig strategisch beleid als bepaald in de eerste alinea wijzigt, worden de technische en operationele strategieën van het Agentschap en de nationale strategieën van de lidstaten zo nodig aangepast.

Artikel 9

Geïntegreerde planning

1.   De Europese grens- en kustwacht stelt op basis van de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer een geïntegreerde planning voor grensbeheer en terugkeer op, die operationeel planning, noodplanning en planning van de capaciteitenontwikkeling behelst. Die geïntegreerde planning wordt opgesteld overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel.

2.   De lidstaten en het Agentschap stellen operationeel plannen voor grensbeheer en terugkeer vast. De operationeel plannen van lidstaten met betrekking tot grenssegmenten met een hoog en kritiek impactniveau worden gecoördineerd met naburige lidstaten en het Agentschap teneinde de nodige grensoverschrijdende maatregelen ten uitvoer te leggen en te voorzien in steun door het Agentschap. Voor de activiteiten van het Agentschap wordt de operationeel planning voor het volgende jaar vastgelegd in de bijlage bij het in artikel 102 vermelde enkelvoudig programmeringsdocument. Voor elke specifieke operationele activiteit resulteert een operationeel planning in het in artikel 38 en artikel 74, lid 3, bedoelde operationeel plan. De operationeel plannen of delen daarvan kunnen overeenkomstig artikel 92 worden gerubriceerd al naargelang dat noodzakelijk is.

3.   De lidstaten stellen elk een noodplan op voor het beheer van hun grenzen en terugkeer. Overeenkomstig nationale strategieën voor geïntegreerd grensbeheer worden in de noodplannen alle maatregelen en middelen beschreven die nodig zijn voor de eventuele versterking van capaciteiten, met inbegrip van logistiek en ondersteuning op nationaal niveau en op het niveau van het Agentschap.

Het gedeelte van de noodplannen waarvoor aanvullende steun nodig is van de Europese grens- en kustwacht wordt door de betrokken lidstaat en het Agentschap samen voorbereid, in nauw overleg met naburige lidstaten.

4.   De lidstaten stellen nationale capaciteitenontwikkelingsplannen vast voor grensbeheer en terugkeer, in overeenstemming met hun nationale strategieën voor geïntegreerd grensbeheer. In die nationale capaciteitenontwikkelingsplannen wordt de middellange- tot langetermijnevolutie van de nationale capaciteiten voor grensbeheer en terugkeer beschreven.

Het nationale capaciteitenontwikkelingsplan gaat in op de ontwikkeling van elk onderdeel van het Europees geïntegreerd grensbeheer, en met name het indienstname- en opleidingsbeleid van grenswachters en terugkeerspecialisten, de aanschaf en het onderhoud van uitrusting, nodige onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, en de bijbehorende financieringsvereisten en -bronnen.

5.   De in de leden 3 en 4 bedoelde noodplannen en nationale capaciteitenontwikkelingsplannen zijn gegrond op scenario’s die zijn uitgewerkt op basis van een risicoanalyse. Die scenario’s geven de mogelijke evolutie weer van de situatie aan de buitengrenzen en op het gebied van illegale immigratie, alsook de uitdagingen die zijn geïdentificeerd in de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer. Die scenario’s worden beschreven in de noodplannen en nationale capaciteitenontwikkelingsplannen waarop zij betrekking hebben.

6.   De methode en procedure om de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen op te stellen, wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na overleg met de lidstaten, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.

7.   Het Agentschap bereidt een overzicht voor van de nationale capaciteitenontwikkelingsplannen, een meerjarige strategie voor de aanschaf van de in artikel 63 vermelde uitrusting van het Agentschap en een meerjarige planning voor profielen van personeel voor het permanente korps.

Het Agentschap deelt dat overzicht met de lidstaten en de Commissie teneinde mogelijke synergieën en samenwerkingsmogelijkheden te identificeren op de diverse gebieden waarop de nationale capaciteitenontwikkelingsplannen betrekking hebben, met inbegrip van gezamenlijke aanbesteding. Op basis van de geïdentificeerde synergieën kan het Agentschap de lidstaten uitnodigen om deel te nemen aan follow-upacties voor samenwerking.

8.   De raad van bestuur komt ten minste eenmaal per jaar bijeen om de capaciteitenroutekaart van de Europese grens- en kustwacht te bespreken en goed te keuren. De capaciteitenroutekaart wordt voorgesteld door de uitvoerend directeur op basis van het overzicht van de nationale capaciteitenontwikkelingsplannen, rekening houdende onder meer met de resultaten van de risicoanalyse en de overeenkomstig de artikelen 29 en 32 uitgevoerde kwetsbaarheidsbeoordelingen en de eigen meerjarenplannen van het Agentschap. Na goedkeuring door de raad van bestuur wordt de capaciteitenroutekaart bij de in artikel 8, lid 5, bedoelde technische en operationele strategie gevoegd.

HOOFDSTUK II

WERKING VAN DE EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT

AFDELING 1

Taken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Artikel 10

Taken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

1.   Het Agentschap verricht de volgende taken:

a)

het monitort migratiestromen en voert risicoanalyses uit die alle aspecten van het geïntegreerd grensbeheer bestrijken;

b)

het monitort de operationele behoeften van de lidstaten in verband met de uitvoering van terugkeer, onder meer door operationele gegevens te verzamelen;

c)

het verricht kwetsbaarheidsbeoordelingen, waaronder beoordelingen van de capaciteit en de paraatheid van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen;

d)

het monitort het beheer van de buitengrenzen via verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in de lidstaten;

e)

het ziet toe op de eerbiediging van de grondrechten bij al zijn activiteiten aan de buitengrenzen en bij terugkeeroperaties;

f)

het ondersteunt de ontwikkeling en de werking van Eurosur;

g)

het verleent bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door de coördinatie en organisatie van gezamenlijke operaties, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee overeenkomstig het Unierecht en het internationaal recht;

h)

het verleent bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door snelle grensinterventies op te zetten aan de buitengrenzen van lidstaten die geconfronteerd worden met specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee overeenkomstig het Unierecht en het internationaal recht;

i)

het verleent, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationaal recht, technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

j)

het zet het permanente korps in via grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer en terugkeerteams (hierna gezamenlijk “teams” genoemd) tijdens gezamenlijke operaties, alsook bij snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

k)

het zet een pool van technische uitrusting, met inbegrip van een pool van uitrusting voor snelle reactie, in die kan worden ingezet bij gezamenlijke operaties, bij snelle grensinterventies en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, alsmede bij terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

l)

het ontwikkelt en beheert, met behulp van een mechanisme voor interne kwaliteitscontrole, zijn eigen menselijke en technische capaciteiten om bij te dragen aan het permanente korps, waaronder aan de aanwerving en opleiding van zijn personeelsleden die worden ingezet als teamleden, en de pool van technische uitrusting;

m)

in het kader van ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden:

i)

zet het operationeel personeel en technische uitrusting in voor de verlening van bijstand bij de screening, debriefing, identificatie en het nemen van vingerafdrukken;

ii)

stelt het in samenwerking met het EASO en de bevoegde nationale autoriteiten een procedure vast voor het doorverwijzen van, en het verstrekken van initiële informatie aan, personen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen, met inbegrip van een procedure voor het identificeren van kwetsbare groepen;

n)

het verleent bijstand in alle stadia van de terugkeerprocedure zonder in te gaan op de gegrondheid van terugkeerbesluiten, die uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten blijven vallen, levert bijstand bij de coördinatie en organisatie van terugkeeroperaties en verstrekt technische en operationele steun voor de uitvoering van de verplichting om terugkeerders te doen terugkeren, alsook verstrekt het technische en operationele steun voor terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, ook in omstandigheden die extra bijstand vergen;

o)

het zet een pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer op;

p)

het zet terugkeerteams in bij terugkeerinterventies;

q)

het werkt binnen de respectieve mandaten van de betrokken agentschappen samen met Europol en Eurojust, en verleent steun aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen in de strijd tegen grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme;

r)

het werkt samen met het EASO, binnen hun respectieve mandaten, met name ter vergemakkelijking van maatregelen in gevallen waarin onderdanen van derde landen tot terugkeer worden verplicht nadat hun verzoeken om internationale bescherming bij een definitieve beslissing zijn afgewezen;

s)

het werkt samen met het FRA, binnen hun respectieve mandaten, teneinde de continue en uniforme toepassing van het acquis van de Unie inzake grondrechten te waarborgen;

t)

het werkt samen met het EFCA en het EMSA, binnen hun respectieve mandaten, ter ondersteuning van de nationale autoriteiten die kustwachttaken als beschreven in artikel 70 uitvoeren, waaronder het redden van levens op zee, door diensten te verlenen, informatie te verstrekken, uitrusting te leveren en opleiding te verzorgen en operaties met meerdere doelen te coördineren;

u)

het werkt, op de onder deze verordening vallende gebieden, samen met derde landen, onder meer via de eventuele operationele inzet van grensbeheerteams in derde landen;

v)

het verleent bijstand aan lidstaten en derde landen in het kader van de onderlinge technische en operationele samenwerking op de gebieden die onder deze verordening vallen;

w)

het verleent bijstand aan de lidstaten en aan derde landen bij het opleiden van nationale grenswachters, ander relevant personeel en terugkeerdeskundigen, onder meer door gemeenschappelijke opleidingsnormen en -programma’s vast te stellen, onder meer inzake de grondrechten;

x)

het neemt deel aan de ontwikkeling en het beheer van onderzoeks- en innovatieactiviteiten die voor het toezicht op de buitengrenzen relevant zijn, onder meer met betrekking tot het gebruik van geavanceerde grensbewakingstechnologie, en de ontwikkeling van zijn eigen proefprojecten waar nodig voor de uitvoering van activiteiten waar in deze verordening in is voorzien;

y)

het ontwikkelt technische normen voor de uitwisseling van informatie;

z)

het ondersteunt de ontwikkeling van technische normen voor uitrusting op het gebied van grenstoezicht en terugkeer, onder meer met het oog op de onderlinge koppeling van systemen en netwerken, en ondersteunt waar passend de ontwikkeling van gemeenschappelijke minimumnormen voor de bewaking van de buitengrenzen, in overeenstemming met de respectieve bevoegdheden van de lidstaten en de Commissie;

aa)

het richt het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk op en houdt dit in stand;

ab)

het ontwikkelt en beheert, in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725, informatiesystemen waarmee informatie over nieuwe risico’s bij het beheer van de buitengrenzen, over illegale immigratie en over terugkeer snel en betrouwbaar kan worden uitgewisseld, zulks in nauwe samenwerking met de Commissie, organen en instanties van de Unie en het bij Beschikking 2008/381/EG van de Raad (36) opgezette Europees migratienetwerk;

ac)

het verleent de nodige bijstand voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke structuur voor informatie-uitwisseling, onder meer met betrekking tot de interoperabiliteit van systemen, waar van toepassing;

ad)

het hanteert hoge normen voor grensbeheer, zodat transparantie en publiek toezicht mogelijk worden gemaakt waarbij het toepasselijke recht volledig in acht wordt genomen en de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten worden gegarandeerd;

ae)

het beheert en exploiteert het in artikel 79 bedoelde systeem Valse en authentieke documenten online en ondersteunt de lidstaten door het opsporen van documentfraude te vergemakkelijken;

af)

het vervult de taken en verplichtingen waarmee het Agentschap op grond van Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad (37) is belast en zorgt ervoor dat de centrale Etias-eenheid wordt opgezet en beheerd overeenkomstig artikel 7 van die verordening;

ag)

het verleent bijstand aan de lidstaten bij het faciliteren voor personen van het overschrijden van de buitengrenzen.

2.   Het Agentschap communiceert over aangelegenheden die binnen zijn mandaat vallen. Het biedt het publiek tijdig accurate, gedetailleerde en uitgebreide informatie over zijn activiteiten.

Deze communicatie doet geen afbreuk aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde taken en geeft met name geen operationele gegevens prijs die, eenmaal openbaar, de verwezenlijking van de doelstelling van de operaties in gevaar zouden brengen. Het Agentschap communiceert onverminderd artikel 92 en in overeenstemming met relevante communicatie- en verspreidingsplannen die de raad van bestuur heeft vastgesteld; waar van toepassing wordt daarbij nauw samengewerkt met andere organen en instanties.

AFDELING 2

Uitwisseling van informatie en samenwerking

Artikel 11

Verplichting tot samenwerking te goeder trouw

Voor het Agentschap, voor de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en voor de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor terugkeer, gelden een verplichting tot samenwerking te goeder trouw en een verplichting tot uitwisseling van informatie.

Artikel 12

Verplichting tot uitwisseling van informatie

1.   Om de hen bij deze verordening opgedragen taken te vervullen, delen het Agentschap, de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en de nationale autoriteiten die met de terugkeer zijn belast, tijdig en accuraat alle noodzakelijke informatie mee overeenkomstig deze verordening en het andere toepasselijke recht van de Unie en nationale recht betreffende de uitwisseling van informatie.

2.   Het Agentschap neemt passende maatregelen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken.

Wanneer informatie relevant is voor het uitoefenen van zijn taken, wisselt het Agentschap die informatie uit met andere relevante organen en instanties van de Unie met het oog op risicoanalyse, het verzamelen van statistische gegevens, de beoordeling van de situatie in derde landen, opleiding en ondersteuning van de lidstaten bij de noodplanning. Voor dat doel worden de nodige instrumenten en structuren opgezet tussen de organen en instanties van de Unie.

3.   Het Agentschap neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn ter vergemakkelijking van de uitwisseling van voor zijn taak relevante informatie met Ierland en het Verenigd Koninkrijk, wanneer die informatie verband houdt met de activiteiten waaraan die landen overeenkomstig artikel 70 en artikel 100, lid 5, deelnemen.

Artikel 13

Nationaal contactpunt

1.   Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan dat is belast met de communicatie met het Agentschap over alle aangelegenheden die de activiteiten van het Agentschap betreffen, onverminderd de rol van de nationale coördinatiecentra. De nationale contactpunten zijn te allen tijde bereikbaar en zorgen voor de tijdige verspreiding van alle informatie van het Agentschap aan alle relevante autoriteiten in de betrokken lidstaat, met name de leden van de raad van bestuur en het nationaal coördinatiecentrum.

2.   De lidstaten mogen ten hoogste twee personeelsleden ter vertegenwoordiging van hun nationale contactpunt aanwijzen die aan het Agentschap worden toegewezen als verbindingsfunctionarissen. De verbindingsfunctionarissen faciliteren de communicatie tussen het nationale contactpunt en het Agentschap en kunnen, zo nodig, relevante vergaderingen bijwonen.

3.   Het Agentschap voorziet voor verbindingsfunctionarissen in de nodige ruimten in de zetel van het Agentschap en in adequate ondersteuning voor de vervulling van hun taken. Alle andere kosten die ontstaan in verband met de inzet van verbindingsfunctionarissen, komen ten laste van de lidstaat. De raad van bestuur bepaalt de regels en voorwaarden betreffende de inzet, alsook de regels betreffende te verlenen adequate ondersteuning.

Artikel 14

Communicatienetwerk

1.   Het Agentschap stelt een communicatienetwerk op en houdt dit in stand om te voorzien in communicatie- en analyse-instrumenten en om de uitwisseling van gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde informatie op een beveiligde manier en in bijna realtime met en tussen de nationale coördinatiecentra mogelijk te maken.

Systemen of toepassingen die gebruikmaken van het communicatienetwerk, voldoen gedurende hun hele levenscyclus aan het Unierecht inzake gegevensbescherming.

Het communicatienetwerk is 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel en biedt de volgende mogelijkheden:

a)

bilaterale en multilaterale informatie-uitwisseling in bijna realtime;

b)

audio- en videoconferenties;

c)

veilige behandeling, opslag, doorgifte en verwerking van gevoelige niet-gerubriceerde informatie;

d)

veilige behandeling, opslag, doorgifte en verwerking van gerubriceerde EU-informatie tot en met het niveau CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL of een gelijkwaardig nationaal rubriceringsniveau, waarbij ervoor wordt gezorgd dat gerubriceerde informatie in een afzonderlijk en naar behoren geaccrediteerd gedeelte van het communicatienetwerk wordt behandeld, opgeslagen, doorgegeven en verwerkt.

2.   Het Agentschap geeft technische ondersteuning en zorgt ervoor dat het communicatienetwerk permanent beschikbaar is en het door het Agentschap beheerde communicatie- en informatiesysteem kan ondersteunen.

Artikel 15

Door het Agentschap beheerde systemen en toepassingen voor informatie-uitwisseling

1.   Het Agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, andere instellingen van de Unie, en de in artikel 68, lid 1, opgesomde organen en instanties van de Unie en internationale organisaties en de in artikel 71 bedoelde derde landen, te vergemakkelijken.

2.   Het Agentschap ontwikkelt, installeert en beheert een informatiesysteem waarmee met de in lid 1 van dit artikel bedoelde actoren gerubriceerde en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, alsook de in de artikelen 86 tot en met 91 bedoelde persoonsgegevens overeenkomstig artikel 92, kan worden uitgewisseld.

3.   Het Agentschap gebruikt, in voorkomend geval, de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatiesystemen voor het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk.

Artikel 16

Technische normen voor de uitwisseling van informatie

Het Agentschap ontwikkelt in samenwerking met de lidstaten technische normen voor:

a)

de interconnectie van het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk met de nationale netwerken die worden gebruikt om de in artikel 25 bedoelde nationale situatiebeelden te creëren en met andere relevante informatiesystemen voor de toepassing van deze verordening;

b)

de ontwikkeling van, en het invoeren van interfaces tussen, relevante systemen voor informatie-uitwisseling en van softwaretoepassingen van het Agentschap en de lidstaten voor de toepassing van deze verordening;

c)

het versturen van situatiebeelden en, waar van toepassing, specifieke situatiebeelden, zoals bedoeld in artikel 27 en voor de communicatie tussen de relevante eenheden en centra van bevoegde nationale autoriteiten en met de door het Agentschap ingezette teams aan de hand van diverse communicatiemiddelen, zoals satellietcommunicatie en radionetwerken;

d)

het melden van de positie van eigen materieel, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de technologische ontwikkeling van het satellietnavigatiesysteem dat in het kader van het Galileo-programma is ingesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (38).

Artikel 17

Informatieborging

De lidstaten waarborgen via hun nationale coördinatiecentrum en onder toezicht van de bevoegde nationale autoriteiten dat hun nationale autoriteiten, agentschappen en andere organen wanneer zij gebruikmaken van het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk en de systemen voor informatie-uitwisseling van het Agentschap:

a)

een goede en ononderbroken toegang hebben tot de relevante systemen en netwerken van het Agentschap, en daarmee verbonden systemen en netwerken;

b)

voldoen aan de in artikel 16 bedoelde desbetreffende technische normen;

c)

voor het behandelen van gerubriceerde informatie veiligheidsvoorschriften en -normen toepassen die gelijkwaardig zijn aan diegene die door het Agentschap worden toegepast;

d)

gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde informatie uitwisselen, verwerken en opslaan in overeenstemming met artikel 92.

AFDELING 3

Eurosur

Artikel 18

Eurosur

Bij deze verordening wordt Eurosur ingesteld als een geïntegreerd kader voor informatie-uitwisseling en operationele samenwerking binnen de Europese grens- en kustwacht om het situationeel bewustzijn te verbeteren en het reactievermogen te vergroten, ten behoeve van het grensbeheer, met inbegrip van het opsporen, voorkomen en bestrijden van illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit en het bijdragen tot het beschermen en het redden van de levens van migranten.

Artikel 19

Toepassingsgebied van Eurosur

1.   Eurosur wordt gebruikt voor grenscontroles aan aangewezen grensdoorlaatposten en voor de bewaking van de zee-, land- en luchtbuitengrenzen, met inbegrip van het monitoren, opsporen, identificeren, volgen, voorkomen en onderscheppen van niet-toegestane grensoverschrijdingen, waarmee wordt beoogd illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te bestrijden en bij te dragen tot het beschermen en het redden van de levens van migranten.

2.   Eurosur wordt niet gebruikt voor wettelijke of administratieve maatregelen die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat worden genomen na de onderschepping van grensoverschrijdende criminele activiteiten of niet-toegestane buitengrensoverschrijdingen door personen.

Artikel 20

Componenten van Eurosur

1.   De lidstaten en het Agentschap maken voor de informatie-uitwisseling en de samenwerking op het gebied van grenstoezicht gebruik van Eurosur, rekening houdend met de bestaande mechanismen voor informatie-uitwisseling en samenwerking. Eurosur bestaat uit de volgende componenten:

a)

nationale coördinatiecentra zoals bedoeld in artikel 21;

b)

nationale situatiebeelden zoals bedoeld in artikel 25;

c)

een Europees situatiebeeld zoals bedoeld in artikel 26, dat informatie over buitengrenssegmenten en de daarbij horende impactniveaus omvat;

d)

specifieke situatiebeelden zoals bedoeld in artikel 27;

e)

Fusion Services van Eurosur zoals bedoeld in artikel 28;

f)

geïntegreerde planning zoals bedoeld in artikel 9.

2.   De nationale coördinatiecentra verstrekken het Agentschap, via het communicatienetwerk zoals bedoeld in artikel 14 en relevante systemen, de informatie uit hun nationale situatiebeelden en, waar van toepassing, specifieke situatiebeelden, die nodig is om het Europees situatiebeeld op te stellen en up-to-date te houden.

3.   Het Agentschap geeft de nationale coördinatiecentra 24 uur per dag en zeven dagen per week via het communicatienetwerk onbeperkte toegang tot specifieke situatiebeelden en tot het Europees situatiebeeld.

Artikel 21

Nationale coördinatiecentra

1.   Elke lidstaat voorziet in de aanwijzing, het beheer en de instandhouding van een nationaal coördinatiecentrum, dat belast is met de coördinatie van informatie en de uitwisseling daarvan tussen alle autoriteiten die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor toezicht op de buitengrenzen, en met de andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap. Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de oprichting van het nationale coördinatiecentrum, waarna de Commissie daarvan aan de andere lidstaten en het Agentschap onverwijld mededeling doet.

2.   Onverminderd artikel 13 en binnen het kader van Eurosur is het nationale coördinatiecentrum het enige contactpunt voor de informatie-uitwisseling en voor de samenwerking met andere nationale coördinatiecentra en met het Agentschap.

3.   Nationale coördinatiecentra:

a)

dragen zorg voor de tijdige informatie-uitwisseling en de tijdige samenwerking tussen alle nationale autoriteiten die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor toezicht op de buitengrenzen, en met andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap;

b)

dragen op nationaal niveau zorg voor de tijdige informatie-uitwisseling met opsporings- en reddings-, rechtshandhavings-, asiel- en immigratie-instanties en voor de verspreiding van relevante informatie;

c)

dragen bij tot een doelmatig en efficiënt beheer van middelen en personeel;

d)

stellen het nationale situatiebeeld op en houdt dit in stand overeenkomstig artikel 25;

e)

ondersteunen de coördinatie, planning en uitvoering van nationaal grenstoezicht;

f)

coördineren de nationale systemen voor grenstoezicht, overeenkomstig het nationale recht;

g)

dragen bij tot de regelmatige meting van de effecten van het nationale grenstoezicht voor de toepassing van deze verordening;

h)

coördineren operationele maatregelen met andere lidstaten en met derde landen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van het Agentschap en van de andere lidstaten;

i)

wisselen via adequate structuren die op nationaal niveau zijn opgezet, relevante informatie uit met de eventueel aangewezen immigratieverbindingsfunctionarissen van hun lidstaat, teneinde bij te dragen aan het Europees situatiebeeld en steun te bieden bij grenstoezichtoperaties;

j)

dragen onder toezicht van de bevoegde nationale autoriteiten bij tot de informatieborging voor informatiesystemen van de lidstaten en van het Agentschap.

4.   De lidstaten kunnen regionale, lokale, functionele of andere autoriteiten die operationele besluiten kunnen nemen, de opdracht geven om binnen hun respectieve bevoegdheden zorg te dragen voor het situationeel bewustzijn en reactievermogen, met inbegrip van de taken en verantwoordelijkheden opgesomd in lid 3, onder c), e) en f).

5.   Het besluit van een lidstaat om taken toe te wijzen overeenkomstig lid 4 heeft geen invloed op de bevoegdheid van het nationale coördinatiecentrum om samen te werken en informatie uit te wisselen met andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap.

6.   In op nationaal niveau bepaalde vooraf omschreven gevallen kan een nationaal coördinatiecentrum een autoriteit als bedoeld in lid 4 machtigen om te communiceren en informatie uit te wisselen met de regionale autoriteiten of het nationale coördinatiecentrum van een andere lidstaat of de bevoegde autoriteiten van een derde land, mits die gemachtigde autoriteit het eigen nationale coördinatiecentrum regelmatig informeert over dergelijke communicatie en informatie-uitwisseling.

7.   Het nationale coördinatiecentrum is 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel.

Artikel 22

Eurosur-handboek

1.   De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met het Agentschap en alle andere bevoegde organen en instanties van de Unie, een praktisch handboek op voor de tenuitvoerlegging en het beheer van Eurosur (“het Eurosur-handboek”) en stelt dat ter beschikking. Het handboek bevat technische en operationele richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken, ook inzake de samenwerking met derde landen. Het Eurosur-handboek wordt door de Commissie in de vorm van een aanbeveling goedgekeurd.

2.   De Commissie kan in overleg met de lidstaten en het Agentschap besluiten bepaalde onderdelen van het Eurosur-handboek te rubriceren als RESTREINT UE/EU RESTRICTED overeenkomstig de voorschriften van het reglement van orde van de Commissie.

Artikel 23

Monitoring van Eurosur

1.   Het Agentschap en de lidstaten zorgen voor procedures waarmee kan worden nagegaan of Eurosur in technisch en operationeel opzicht voldoet aan de doelstelling om een toereikend situationeel bewustzijn en reactievermogen aan de buitengrenzen tot stand te brengen.

2.   Het Agentschap monitort voortdurend de kwaliteit van de dienstverlening door het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk en de kwaliteit van de gegevens die in het Europees situatiebeeld worden gedeeld.

3.   Het Agentschap zendt de als onderdeel van de monitoring op grond van lid 2 ingezamelde informatie aan de nationale coördinatiecentra en de relevante commando- en controlestructuren die voor de operaties van het Agentschap gebruikt worden als onderdeel van de Fusion Services van Eurosur. Die informatie krijgt de rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED.

AFDELING 4

Situationeel bewustzijn

Artikel 24

Situatiebeelden

1.   De nationale situatiebeelden, het Europees situatiebeeld en de specifieke situatiebeelden worden verkregen door middel van verzameling, evaluatie, onderlinge vergelijking, analyse, interpretatie, productie, visualisatie en verspreiding van informatie.

De in de eerste alinea bedoelde situatiebeelden bestaan uit de volgende informatielagen:

a)

een gebeurtenissenlaag, die gebeurtenissen en incidenten bevat die verband houden met onrechtmatige grensoverschrijdingen en grensoverschrijdende criminaliteit, en, zo die er is, informatie over niet-toegestane secundaire bewegingen voor het begrijpen van migratietrends, volumes en routes;

b)

een operationele laag die informatie over de operaties bevat, met inbegrip van het plan voor de inzet, het operationele gebied en de positie, de tijd, de status en het type materieel dat zoals bepaald in het operationeel plan wordt ingezet;

c)

een analyselaag die geanalyseerde informatie bevat die relevant is voor de toepassing van deze verordening en met name voor de vaststelling van impactniveaus voor de buitengrenssegmenten, zoals beeld- en geografische gegevens, belangrijke ontwikkelingen en indicatoren, analytische rapporten en andere relevante ondersteunende informatie.

2.   De in lid 1 bedoelde situatiebeelden maken het mogelijk gebeurtenissen, operaties en de bijbehorende analyse te identificeren en te volgen wanneer mensenlevens in gevaar zijn.

3.   De bijzonderheden met betrekking tot de informatielagen van de situatiebeelden en de regels voor het opstellen van specifieke situatiebeelden worden door de Commissie bepaald in een uitvoeringshandeling. In die uitvoeringshandeling wordt het soort informatie dat moet worden verstrekt, gespecificeerd, alsmede de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen, verwerken, archiveren en doorzenden van specifieke informatie, de maximumtermijnen voor de verslaglegging, de regels inzake gegevensbeveiliging en -bescherming en de bijbehorende mechanismen voor kwaliteitscontrole. Die uitvoeringshandeling wordt door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 122, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 25

Nationaal situatiebeelden

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum stelt een nationaal situatiebeeld op en houdt dit in stand om alle autoriteiten die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor toezicht op de buitengrenzen tijdig van doelmatige en nauwkeurige informatie te voorzien.

2.   Het nationale situatiebeeld is samengesteld uit informatie die is verzameld uit de volgende bronnen:

a)

het nationale grensbewakingssysteem, overeenkomstig het nationale recht;

b)

stationaire en mobiele sensoren die worden beheerd door nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bewaking van buitengrenzen;

c)

patrouilles voor grensbewaking en andere monitoringmissies;

d)

lokale, regionale en andere coördinatiecentra;

e)

andere bevoegde nationale instanties en systemen, waaronder immigratieverbindingsfunctionarissen, operationele centra en contactpunten;

f)

grenscontroles;

g)

het Agentschap;

h)

nationale coördinatiecentra in andere lidstaten;

i)

autoriteiten van derde landen op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten en regionale netwerken als bedoeld in artikel 72;

j)

scheepsrapportagesystemen overeenkomstig hun respectieve rechtsgrondslagen;

k)

andere relevante Europese en internationale organisaties;

l)

overige bronnen.

3.   Elk nationaal coördinatiecentrum kent in de gebeurtenissenlaag van het nationale situatiebeeld voor elk incident één indicatief impactniveau toe op een schaal gaande van “laag” naar “gemiddeld” tot “hoog” en “zeer hoog”. Alle incidenten worden aan het Agentschap gemeld.

4.   Elk nationaal coördinatiecentrum kan op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten besluiten de toegang tot informatie die verband houdt met de nationale veiligheid, met inbegrip van militair materieel, te beperken op een "need-to-know"-basis.

5.   De nationale coördinatiecentra van aangrenzende lidstaten kunnen met elkaar, direct en in bijna realtime, het situatiebeeld van aangrenzende buitengrenssegmenten delen, met inbegrip van de positie, de status en het type van het in de aangrenzende buitengrenssegmenten ingezette eigen materieel.

Artikel 26

Europees situatiebeeld

1.   Het Agentschap stelt een Europees situatiebeeld op en houdt dit in stand om de nationale coördinatiecentra en de Commissie tijdig te voorzien van doelmatige en nauwkeurige informatie en analyse, die betrekking hebben op de buitengrenzen, het gebied vóór de grens en niet-toegestane secundaire bewegingen.

2.   Het Europees situatiebeeld wordt samengesteld uit informatie die is verzameld uit de volgende bronnen:

a)

nationale coördinatiecentra, en nationale situatiebeelden en informatie en rapporten die zijn ontvangen van de immigratieverbindingsfunctionarissen voor zover dit op grond van dit artikel vereist is;

b)

het Agentschap, waaronder de door zijn verbindingsfunctionarissen overeenkomstig de artikelen 31 en 77 verstrekte informatie en rapporten;

c)

delegaties van de Unie en missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) als bepaald in artikel 68, lid 1, tweede alinea, onder j);

d)

andere bevoegde organen en instanties van de Unie en internationale organisaties opgesomd in artikel 68, lid 1;

e)

autoriteiten van derde landen op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten en regionale netwerken als bedoeld in artikel 72 en werkafspraken als bedoeld in artikel 73, lid 4;

f)

overige bronnen.

3.   De gebeurtenissenlaag van het Europees situatiebeeld bevat informatie over:

a)

incidenten en andere gebeurtenissen die zijn opgenomen in de gebeurtenissenlaag van de nationale situatiebeelden;

b)

incidenten en andere gebeurtenissen die zijn opgenomen in het specifieke situatiebeeld als bedoeld in artikel 27;

c)

incidenten in het operationele gebied van een gezamenlijke operatie of bij een door het Agentschap gecoördineerde snelle interventie, of in een hotspot.

4.   De operationele laag van het Europees situatiebeeld bevat informatie over de gezamenlijke operaties en de door het Agentschap gecoördineerde snelle interventies en over de hotspots, en omvat de taakomschrijving, de locatie, de status en de duur en informatie over de lidstaten en andere betrokken actoren, alsmede dagelijkse en wekelijkse situatieverslagen, statistische gegevens en informatiepakketten voor de media.

5.   De informatie over eigen materieel in de operationele laag van het Europees situatiebeeld kan, indien passend, worden gerubriceerd als RESTREINT UE/EU RESTRICTED.

6.   Het Agentschap houdt voor het Europees situatiebeeld rekening met de impactniveaus die door de nationale coördinatiecentra in nationale situatiebeelden aan specifieke incidenten werden toegekend. Voor elk incident in het gebied vóór de grens stelt het één indicatief impactniveau vast en brengt het de nationale coördinatiecentra daarvan op de hoogte.

Artikel 27

Specifieke situatiebeelden

1.   Het Agentschap en de lidstaten kunnen specifieke situatiebeelden opstellen en in stand houden teneinde specifieke operationele activiteiten aan de buitengrenzen te ondersteunen of informatie te delen met instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties opgesomd in artikel 68, lid 1, of met derde landen zoals bepaald in artikel 75.

2.   De specifieke situatiebeelden worden samengesteld uit een subset van de informatie uit de nationale en Europees situatiebeelden.

3.   De nadere regels voor het opstellen en delen van de specifieke situatiebeelden worden beschreven in een operationeel plan voor de betrokken operationele activiteiten en in een bilaterale of multilaterale overeenkomst indien een specifiek situatiebeeld is opgesteld in het kader van bilaterale of multilaterale samenwerking met derde landen. Het delen van informatie op grond van dit lid gebeurt in overeenstemming met het beginsel inzake toestemming van de bron.

Artikel 28

Fusion Services van Eurosur

1.   Het Agentschap coördineert de Fusion Services van Eurosur teneinde de nationale coördinatiecentra, de Commissie en zichzelf op regelmatige, betrouwbare en kostenefficiënte wijze te voorzien van informatie over de buitengrenzen en het gebied vóór de grens.

2.   Het Agentschap verstrekt aan een nationaal coördinatiecentrum dat daarom verzoekt, informatie over de buitengrenzen van de lidstaat waartoe het behoort, en over het gebied vóór de grens, die afkomstig kan zijn uit:

a)

de selectieve monitoring van aangewezen havens en kusten van derde landen die op basis van risicoanalyse en -informatie zijn geïdentificeerd als inschepings- of doorvoerpunten voor vaartuigen of andere vervoermiddelen die worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

b)

het op volle zee volgen van een vaartuig of een ander vervoermiddel, en het volgen van een luchtvaartuig, wanneer deze vaartuigen, andere vervoermiddelen of luchtvaartuigen vermoedelijk of daadwerkelijk worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder in het geval van personen in nood op zee, om die informatie door te zenden aan de relevante voor opsporings- en reddingsoperaties bevoegde autoriteiten;

c)

de monitoring van aangewezen gebieden in het maritieme domein om vaartuigen en andere vervoermiddelen die daadwerkelijk of vermoedelijk worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit, op te sporen, te identificeren en te volgen, waaronder in het geval van personen in nood op zee, om die informatie door te zenden aan de relevante voor opsporings- en reddingsoperaties bevoegde autoriteiten;

d)

de monitoring van aangewezen gebieden aan de luchtgrenzen om luchtvaartuigen en andere hulpmiddelen die daadwerkelijk of vermoedelijk worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit, op te sporen, te identificeren en te volgen;

e)

een omgevingsanalyse van aangewezen gebieden in het maritieme domein en aan de land- en luchtbuitengrenzen om monitoring- en patrouilleactiviteiten te optimaliseren;

f)

de selectieve monitoring van aangewezen gebieden vóór de buitengrenzen die aan de hand van risicoanalyse en -informatie zijn aangemerkt als potentiële vertrek- of doorvoergebieden voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

g)

de monitoring van migratiestromen naar en binnen de Unie in termen van trends, volume en routes;

h)

mediamonitoring, openbroninformatie en analyse van internetactiviteiten in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/680 of met Verordening (EU) 2016/679, al naargelang het geval, ter voorkoming van illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

i)

analyse van informatie die afkomstig is van grootschalige informatiesystemen voor de opsporing van wijzigingen van routes en methoden die worden gebruikt voor illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit.

3.   Het Agentschap kan een verzoek van een nationaal coördinatiecentrum afwijzen op technische, financiële of operationele gronden. Het Agentschap stelt het nationale coördinatiecentrum tijdig in kennis van de redenen voor de afwijzing.

4.   Het Agentschap kan de in lid 2 bedoelde bewakingsinstrumenten op eigen initiatief gebruiken om informatie over het gebied vóór de grens te verzamelen die relevant is voor het Europees situatiebeeld.

AFDELING 5

Risicoanalyse

Artikel 29

Risicoanalyse

1.   Het Agentschap monitort migratiestromen naar de Unie, en binnen de Unie in termen van trends, omvang en routes, en trends of mogelijke uitdagingen aan de buitengrenzen en in verband met terugkeer. Het Agentschap stelt daartoe bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel vast, dat door het Agentschap en de lidstaten wordt toegepast. Het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel wordt vastgesteld en zo nodig bijgewerkt op basis van de resultaten van de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de in artikel 8, lid 7, bedoelde cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer.

2.   Het Agentschap stelt jaarlijkse algemene risicoanalyses op, die bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden ingediend door het toepassen van de overeenkomstig artikel 92 aangenomen beveiligingsregels, en op maat gemaakte risicoanalyses voor operationele activiteiten. Om de twee jaar stelt het Agentschap in nauw overleg met de lidstaten een strategische risicoanalyse voor het Europees geïntegreerd grensbeheer op, die bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt ingediend. Die strategische risicoanalyses worden in aanmerking genomen voor de opstelling van de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer. Het Agentschap stelt dergelijke jaarlijkse algemene risicoanalyses en strategische risicoanalyses op, op basis van ontvangen informatie, waaronder die van de lidstaten. In de resultaten van die risicoanalyses worden persoonsgegevens geanonimiseerd.

3.   De in lid 2 bedoelde risicoanalyses bestrijken alle voor Europees geïntegreerd grensbeheer relevante aspecten en hebben als doel het ontwikkelen van een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing.

4.   Het Agentschap publiceert uitgebreide informatie over het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel.

5.   De lidstaten verstrekken het Agentschap alle nodige informatie over de situatie, over trends en mogelijke dreigingen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer. De lidstaten verstrekken het Agentschap regelmatig, of op zijn verzoek, alle relevante informatie, zoals statistische en operationele gegevens die in verband met het Europees geïntegreerd grensbeheer zijn verzameld, en die is opgenomen in de lijst van verplichte met het agentschap uit te wisselen informatie en gegevens als bedoeld in artikel 100, lid 2, onder e), alsmede informatie die is afgeleid uit de analyselaag van het nationale situatiebeeld als bepaald in artikel 25.

6.   De resultaten van de risicoanalyse worden tijdig en op nauwgezette wijze voorgelegd aan de raad van bestuur en gedeeld met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

7.   De lidstaten houden met de resultaten van de risicoanalyse rekening bij het plannen van hun operaties en activiteiten aan de buitengrenzen en hun activiteiten op het gebied van terugkeer.

8.   Het Agentschap verwerkt de resultaten van het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel bij de ontwikkeling van de gemeenschappelijke basisinhoud voor in artikel 62 bedoelde opleiding.

AFDELING 6

Preventie en reactievermogen

Artikel 30

Vaststelling van buitengrenssegmenten

Voor de toepassing van deze verordening verdeelt elke lidstaat zijn buitengrenzen in buitengrenssegmenten. Deze segmenten bestaan uit land-, zee- en, indien een lidstaat hiertoe besluit, luchtgrenssegmenten. Elke lidstaat brengt dergelijke buitengrenssegmenten ter kennis van het Agentschap.

Elke wijziging van een buitengrenssegment door de lidstaten wordt tijdig aan het Agentschap ter kennis gebracht om de continuïteit van de risicoanalyse door het Agentschap te waarborgen.

Artikel 31

Verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in de lidstaten

1.   Het Agentschap zorgt ervoor dat het beheer door alle lidstaten van de buitengrenzen en van terugkeer regelmatig door verbindingsfunctionarissen van het Agentschap wordt gemonitord.

Het Agentschap kan besluiten dat een verbindingsfunctionaris verantwoordelijk is voor maximaal vier geografisch dicht bij elkaar gelegen lidstaten.

2.   De uitvoerend directeur stelt uit het statutair personeel deskundigen aan die als verbindingsfunctionarissen worden ingezet. De uitvoerend directeur presenteert, op basis van een risicoanalyse en in overleg met de betrokken lidstaten, een voorstel betreffende de aard en de nadere voorwaarden van de inzet, de lidstaat of regio waar de verbindingsfunctionaris wordt ingezet en de mogelijke taken die niet onder lid 3 vallen. Het voorstel van de uitvoerend directeur vergt de goedkeuring van de raad van bestuur. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat in kennis van de aanstelling van de verbindingsfunctionaris en bepaalt samen met die lidstaat op welke locatie de betrokkene wordt ingezet.

3.   De verbindingsfunctionarissen treden op namens het Agentschap en hun rol is het bevorderen van de samenwerking en de dialoog tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, alsook de nationale autoriteiten die met terugkeer zijn belast. De verbindingsfunctionarissen hebben met name tot taak:

a)

op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, alsook nationale autoriteiten die met terugkeer zijn belast;

b)

steun te verlenen aan het verzamelen van de informatie die het Agentschap nodig heeft voor monitoring van illegale immigratie en risicoanalyse als bedoeld in artikel 29;

c)

steun te verlenen aan het verzamelen van de in artikel 32 bedoelde informatie die het Agentschap nodig heeft voor het verrichten van kwetsbaarheidsbeoordelingen en een verslag daartoe op te stellen;

d)

de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert bij buitengrenssegmenten waaraan overeenkomstig artikel 34 een impactniveau “hoog” of “kritiek” is toegekend;

e)

bij te dragen tot het bevorderen van de toepassing van het acquis van de Unie inzake het beheer van de buitengrenzen en terugkeer, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten;

f)

waar nodig samen te werken met de grondrechtenfunctionaris teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij de werkzaamheden van het Agentschap, in overeenstemming met punt e), te bevorderen;

g)

de lidstaten waar mogelijk bijstand te verlenen bij het opstellen van hun noodplannen inzake grensbeheer;

h)

de communicatie tussen de betrokken lidstaat en het Agentschap te bevorderen en relevante informatie van het Agentschap te delen met de betrokken lidstaat, waaronder informatie over lopende operaties;

i)

regelmatig en rechtstreeks verslag uit te brengen aan de uitvoerend directeur over de situatie aan de buitengrenzen en het vermogen van de betrokken lidstaat om de situatie aan de buitengrenzen doeltreffend het hoofd te bieden; en over de uitvoering van terugkeeroperaties naar relevante derde landen;

j)

de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert ten aanzien van een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, als bedoeld in artikel 42;

k)

de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert op het gebied van terugkeer, en steun te verlenen aan het verzamelen van de informatie die het Agentschap nodig heeft om de in artikel 48 bedoelde activiteiten te verrichten.

4.   Indien de in lid 3, onder i), bedoelde verslaggeving van de verbindingsfunctionaris aanleiding geeft tot bezorgdheid over een of meer van deze aspecten die voor de betrokken lidstaat relevant zijn, wordt deze laatste onverwijld door de uitvoerend directeur daarvan op de hoogte gebracht.

5.   Voor de toepassing van lid 3 moet de verbindingsfunctionaris overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften inzake beveiliging en gegevensbescherming:

a)

informatie krijgen van het betreffende nationale coördinatiecentrum en van het relevante nationale situatiebeeld dat overeenkomstig artikel 25 is opgesteld;

b)

regelmatig contact onderhouden met de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer, met inbegrip van de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, alsook nationale autoriteiten die met terugkeer zijn belast, en het in artikel 13 bedoelde nationale contactpunt daarvan in kennis stellen.

6.   Het in lid 3, onder c), van dit artikel bedoelde verslag van de verbindingsfunctionaris maakt deel uit van de in artikel 32 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling. Het verslag wordt toegezonden aan de betrokken lidstaat.

7.   Bij de uitvoering van zijn taken aanvaardt de verbindingsfunctionaris uitsluitend instructies van het Agentschap.

Artikel 32

Kwetsbaarheidsbeoordeling

1.   Bij besluit van de raad van bestuur en op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur dat in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie is opgesteld, werkt het Agentschap een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode uit. Deze methode bevat objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen, de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen van lidstaten moeten worden uitgevoerd, en nadere bepalingen met het oog op een doeltreffend systeem waarmee de tenuitvoerlegging van de in lid 7 bedoelde aanbevelingen van de uitvoerend directeur kan worden gemonitord.

2.   Het Agentschap controleert en beoordeelt de beschikbaarheid van de technische uitrusting, de systemen, de vermogens, de middelen, de infrastructuur en adequaat geschoold en opgeleid personeel van de lidstaten die nodig zijn voor het grenstoezicht, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a). In dit verband beoordeelt het Agentschap de in artikel 9, lid 4, bedoelde nationale capaciteitenontwikkelingsplannen wat betreft de capaciteit om het grenstoezicht uit te oefenen, rekening houdend met het feit dat sommige nationale capaciteit gedeeltelijk kan worden gebruikt voor andere doeleinden dan grenstoezicht. Voor de toekomstige planning voert het Agentschap die controle en beoordeling uit als voorzorgsmaatregel op basis van de overeenkomstig artikel 29, lid 2, opgestelde risicoanalyses. Het Agentschap voert die controle en beoordeling ten minste eenmaal per jaar uit tenzij de uitvoerend directeur, op basis van risicoanalyses of een voorgaande kwetsbaarheidsbeoordeling, anders besluit. In elk geval wordt elke lidstaat ten minste om de drie jaar gecontroleerd en beoordeeld.

3.   Onverminderd artikel 9 verstrekken de lidstaten op verzoek van het Agentschap informatie over hun technische uitrusting en de personele en, voor zover mogelijk, financiële middelen die op nationaal niveau voor de uitvoering van het grenstoezicht beschikbaar zijn. De lidstaten verstrekken op verzoek van het Agentschap ook informatie over hun noodplannen inzake grensbeheer.

4.   Doel van de kwetsbaarheidsbeoordeling is dat het Agentschap een beoordeling verricht van het vermogen en de paraatheid van de lidstaten om de huidige en toekomstige uitdagingen aan de buitengrenzen het hoofd te bieden; dat het, met name voor lidstaten die specifieke en onevenredig grote uitdagingen ondervinden, mogelijke onmiddellijke gevolgen aan de buitengrenzen en latere gevolgen voor de werking van het Schengengebied in kaart brengt; dat het een beoordeling verricht van het vermogen van de lidstaten om bij te dragen tot het permanente korps en de pool van technische uitrusting, met inbegrip van de pool van uitrusting voor snelle reactie; en dat het de capaciteit van de lidstaten beoordeelt om steun te ontvangen van de Europese grens- en kustwacht overeenkomstig artikel 9, lid 3. Die beoordeling laat het Schengenevaluatiemechanisme onverlet.

5.   Bij de kwetsbaarheidsbeoordeling beoordeelt het Agentschap de kwalitatieve en kwantitatieve capaciteit van de lidstaten om alle grensbeheertaken uit te voeren, met inbegrip van hun vermogen om in te spelen op de komst van een groot aantal personen op hun grondgebied.

6.   De voorlopige resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling worden voorgelegd aan de betrokken lidstaten. De betrokken lidstaten kunnen opmerkingen formuleren over die beoordeling.

7.   Indien nodig doet de uitvoerend directeur in overleg met de betrokken lidstaat een aanbeveling met de maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen, en waarin tevens de termijn is aangegeven waarbinnen de maatregelen moeten worden genomen. De uitvoerend directeur nodigt de betrokken lidstaten uit om de nodige maatregelen te nemen op basis van een actieplan dat door de lidstaat, in overleg met de uitvoerend directeur, wordt opgesteld.

8.   De uitvoerend directeur baseert de aan de betrokken lidstaten aan te bevelen maatregelen op de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de risicoanalyse van het Agentschap, de opmerkingen van de betrokken lidstaat en de resultaten van het Schengenevaluatiemechanisme.

De aanbevolen maatregelen zijn gericht op het wegwerken van de in de beoordeling vastgestelde kwetsbaarheden opdat de lidstaten hun paraatheid ten aanzien van huidige en toekomstige problemen aan hun buitengrenzen zouden verhogen door het versterken of verbeteren van hun vermogens, technische uitrusting, systemen, middelen en noodplannen. De uitvoerend directeur kan de lidstaten de technische expertise van het Agentschap ter ondersteuning van de uitvoering van de aanbevolen maatregelen ter beschikking stellen.

9.   De uitvoerend directeur monitort de tenuitvoerlegging van de aanbevolen maatregelen aan de hand van regelmatige verslagen die de lidstaten moeten indienen op basis van de in lid 7 bedoelde actieplannen.

Als het risico bestaat dat een lidstaat de aanbevolen maatregel niet zal uitvoeren binnen de overeenkomstig lid 7 vastgestelde termijn, brengt de uitvoerend directeur onmiddellijk het lid van de raad van bestuur dat afkomstig is uit de betrokken lidstaat, en de Commissie op de hoogte. In overleg met het lid van de raad van bestuur van de betrokken lidstaat informeert de uitvoerend directeur bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat naar de reden voor de vertraging en biedt hij steun van het Agentschap aan bij de tenuitvoerlegging van de aanbevolen maatregel.

10.   Indien een lidstaat nalaat binnen de in lid 7 van dit artikel gestelde termijn de nodige maatregelen van de aanbeveling uit te voeren, legt de uitvoerend directeur de zaak voor aan de raad van bestuur en stelt hij de Commissie daarvan in kennis. Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur een besluit vast met de nodige maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen en de termijn waarbinnen die maatregelen moeten worden uitgevoerd. Het besluit van de raad van bestuur is voor de betrokken lidstaat bindend. Indien de lidstaat nalaat binnen de in dat besluit gestelde termijn de maatregelen uit te voeren, stelt de raad van bestuur de Raad en de Commissie daarvan in kennis en kunnen overeenkomstig artikel 42 verdere maatregelen worden genomen.

11.   De kwetsbaarheidsbeoordeling, met inbegrip van een uitvoerige beschrijving van de uitkomst van de kwetsbaarheidsbeoordeling, de door de lidstaten genomen maatregelen als reactie op de kwetsbaarheidsbeoordeling en de stand van de uitvoering van eventuele eerdere aanbevelingen, worden overeenkomstig artikel 92 regelmatig en ten minste eenmaal per jaar doorgegeven aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie.

Artikel 33

Synergieën tussen de kwetsbaarheidsbeoordeling en het Schengenevaluatiemechanisme

1.   Er wordt gezorgd voor een maximale synergie tussen de kwetsbaarheidsbeoordeling en het Schengenevaluatiemechanisme teneinde een verbeterd situatiebeeld van de werking van het Schengengebied te kunnen opstellen, zo veel mogelijk te vermijden dat de lidstaten dubbel werk doen, en te zorgen voor een beter gecoördineerd gebruik van de relevante financieringsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van het beheer van de buitengrenzen.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde doel treffen de Commissie en het Agentschap de nodige regelingen om regelmatig en tijdig alle informatie in verband met de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordelingen en de resultaten van de evaluaties in het kader van het Schengenevaluatiemechanisme op het gebied van grensbeheer op een beveiligde wijze met elkaar te delen. Deze regelingen om informatie met elkaar te delen hebben betrekking op de verslagen inzake kwetsbaarheidsbeoordelingen en de verslagen van Schengenevaluatiebezoeken en op de daaropvolgende aanbevelingen, de actieplannen en alle door de lidstaten verstrekte updates over de tenuitvoerlegging van de actieplannen.

3.   Voor de toepassing van het Schengenevaluatiemechanisme met betrekking tot het beheer van de buitengrenzen deelt de Commissie de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordelingen met alle leden van de Schengenevaluatieteams die betrokken zijn bij de evaluatie van de betrokken lidstaat. Dergelijke informatie wordt beschouwd als gevoelig in de zin van Verordening (EU) nr. 1053/2013 en wordt dienovereenkomstig behandeld.

4.   De in lid 2 bedoelde regelingen hebben onder meer betrekking op de resultaten van de evaluatie gedaan in het kader van het Schengenevaluatiemechanisme op het gebied van terugkeer, teneinde ervoor te zorgen dat het Agentschap zich volledig bewust is van de vastgestelde tekortkomingen en passende maatregelen kan voorstellen om de lidstaten op dit punt te ondersteunen.

Artikel 34

Toekenning van impactniveaus voor buitengrenssegmenten

1.   Op basis van de door het Agentschap uitgevoerde risicoanalyse en kwetsbaarheidsbeoordeling en in overeenstemming met de betrokken lidstaat kent het Agentschap aan elk buitengrenssegment een van de volgende impactniveaus toe of wijzigt het die niveaus:

a)

het impactniveau "laag" wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, geen significante gevolgen voor de grensbeveiliging hebben;

b)

het impactniveau “gemiddeld” wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, middelmatige gevolgen voor de grensbeveiliging hebben;

c)

het impactniveau “hoog” wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, significante gevolgen voor de grensbeveiliging hebben.

2.   Met het oog op een snelle aanpak van een crisissituatie aan een bepaald buitengrenssegment wanneer uit de risicoanalyse van het Agentschap blijkt dat incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het buitengrenssegment in kwestie, dermate ingrijpende gevolgen voor de grensbeveiliging hebben dat de werking van het Schengengebied erdoor in gevaar dreigt te komen, kent het Agentschap in overleg met de betrokken lidstaat aan dat buitengrenssegment tijdelijk een “kritiek” impactniveau toe.

3.   Indien de betrokken lidstaat en het Agentschap geen overeenstemming bereiken over de toekenning van een impactniveau aan een buitengrenssegment, blijft het voor dat grenssegment eerder vastgestelde impactniveau ongewijzigd.

4.   Het nationale coördinatiecentrum beoordeelt voortdurend in nauwe samenwerking met andere bevoegde nationale autoriteiten of het impactniveau van de buitengrenssegmenten moet worden gewijzigd, hierbij rekening houdend met de informatie in het nationaal situatiebeeld, en stelt het Agentschap daarvan in kennis.

5.   Het Agentschap duidt de aan de buitengrenssegmenten toegekende impactniveaus aan in het Europees situatiebeeld.

Artikel 35

Reactie overeenkomstig de impactniveaus

1.   De lidstaten zorgen er op de navolgende wijze voor dat het grenstoezicht op de buitengrenssegmenten in overeenstemming is met de vastgestelde impactniveaus:

a)

wanneer aan een buitengrenssegment het impactniveau “laag” is toegekend, organiseren de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de buitengrenzen, op basis van een risicoanalyse regelmatig grenstoezicht en zorgen zij ervoor dat er voldoende personeel en middelen beschikbaar worden gehouden voor het betrokken grenssegment;

b)

wanneer aan een buitengrenssegment het impactniveau “gemiddeld” is toegekend, nemen de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de buitengrenzen, de onder a) van dit lid genoemde maatregelen en zorgen zij er tevens voor dat passende grenstoezichtsmaatregelen worden uitgevoerd aan dat grenssegment; wanneer dergelijke grenstoezichtsmaatregelen worden genomen, wordt het nationale coördinatiecentrum daarvan in kennis gesteld; het nationale coördinatiecentrum coördineert de verstrekte ondersteuning overeenkomstig artikel 21, lid 3;

c)

wanneer aan een buitengrenssegment het impactniveau “hoog” is toegekend, nemen de betrokken lidstaten de onder punt b) van dit lid genoemde maatregelen en zorgen zij er tevens via het nationale coördinatiecentrum voor dat de nationale autoriteiten die aan dat buitengrenssegment actief zijn, de nodige ondersteuning krijgen en dat de grenstoezichtsmaatregelen worden aangescherpt; de betrokken lidstaat kan het Agentschap onder de in artikel 36 vastgestelde voorwaarden voor het initiëren van gezamenlijke acties of snelle grensinterventies om ondersteuning verzoeken;

d)

wanneer aan een buitengrenssegment het impactniveau “kritiek” is toegekend, stelt het Agentschap de Commissie daarvan in kennis; rekening houdend met de permanente ondersteuning door het Agentschap, neemt de uitvoerend directeur de onder c) van dit lid genoemde maatregelen en doet hij tevens een aanbeveling overeenkomstig artikel 41, lid 1; de betrokken lidstaat reageert op de aanbeveling overeenkomstig artikel 41, lid 2.

2.   Het nationale coördinatiecentrum informeert het Agentschap regelmatig over de krachtens lid 1, onder c), en d), op nationaal niveau genomen maatregelen.

3.   Wanneer het impactniveau “gemiddeld”, “hoog” of “kritiek” wordt toegekend aan een buitengrenssegment dat grenst aan een grenssegment van een andere lidstaat of van een derde land waarmee overeenkomsten zijn gesloten, regelingen zijn getroffen of regionale netwerken zijn opgezet, als bedoeld in de artikelen 72 en 73, treedt het nationale coördinatiecentrum in contact met het nationale coördinatiecentrum van de aangrenzende lidstaat of de bevoegde autoriteit van het aangrenzende derde land en streeft het ernaar samen met het Agentschap de nodige grensoverschrijdende maatregelen te coördineren.

4.   Het Agentschap evalueert samen met de betrokken lidstaten de vaststelling van de impactniveaus en de overeenkomstige maatregelen die op nationaal niveau en op het niveau van de Unie zijn genomen. Die evaluatie draagt bij tot de door het Agentschap overeenkomstig artikel 32 uit te voeren kwetsbaarheidsbeoordeling.

AFDELING 7

Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

Artikel 36

Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

1.   Een lidstaat kan het Agentschap om bijstand vragen bij de uitvoering van zijn verplichtingen inzake het toezicht op de buitengrenzen. Het Agentschap voert tevens maatregelen uit overeenkomstig de artikelen 41 en 42.

2.   Het Agentschap organiseert passende technische en operationele bijstand voor de ontvangende lidstaat en kan met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en internationale recht, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, een of meer van de volgende maatregelen nemen:

a)

coördinatie van gezamenlijke operaties ten behoeve van een of meer lidstaten en inzet van het permanente korps en van technische uitrusting;

b)

organisatie van snelle grensinterventies en inzet van het permanente korps en van technische uitrusting;

c)

coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met derde landen;

d)

inzet van het permanente korps in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, onder meer in hotspotgebieden, om technische en operationele bijstand te bieden, zo nodig ook bij terugkeeractiviteiten;

e)

in het kader van de in dit lid, onder a), b) en c), bedoelde operaties en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationale recht, verlening van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

f)

verlening van prioriteit aan de Fusion Services van Eurosur.

3.   Het Agentschap financiert of medefinanciert de in lid 2 bedoelde activiteiten uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

4.   Indien het Agentschap op grond van de situatie aan de buitengrenzen behoefte heeft aan aanzienlijk meer financiële middelen, stelt het het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 37

Gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies aan de buitengrenzen

1.   Een lidstaat kan het Agentschap verzoeken gezamenlijke operaties op te zetten voor het aanpakken van toekomstige uitdagingen, waaronder illegale immigratie, huidige of toekomstige dreigingen aan zijn buitengrenzen of grensoverschrijdende criminaliteit, of om uitgebreidere technische of operationele bijstand te verlenen, bij de uitvoering van zijn verplichtingen ten aanzien van toezicht op de buitengrenzen. Als onderdeel van een dergelijk verzoek kan een lidstaat ook de profielen van operationeel personeel aanwijzen dat nodig is voor de gezamenlijke operatie in kwestie, waaronder dat personeel dat uitvoerende bevoegdheden heeft, voor zover van toepassing.

2.   Op verzoek van een lidstaat die geconfronteerd wordt met een situatie van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in het bijzonder de toestroom op bepaalde punten aan de buitengrenzen van grote aantallen onderdanen van derde landen die trachten onrechtmatig het grondgebied van die lidstaat binnen te komen, kan het Agentschap voor een beperkte periode een snelle grensinterventie opzetten op het grondgebied van die ontvangende lidstaat.

3.   Voor de evaluatie, de goedkeuring en de coördinatie van voorstellen van lidstaten voor gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies is de uitvoerend directeur bevoegd. Voorafgaand aan gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies wordt een grondige, betrouwbare en actuele risicoanalyse verricht, zodat het Agentschap de prioriteit van de voorgestelde gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kan vaststellen, rekening houdend met de aan buitengrenssegmenten toegekende impactniveaus overeenkomstig artikel 34 en de beschikbaarheid van middelen.

4.   De doelstellingen van een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kunnen worden verwezenlijkt in het kader van een operatie met meerdere doelen. Die operaties kunnen zich uitstrekken tot kustwachttaken en het voorkomen van grensoverschrijdende criminaliteit, met nadruk op het bestrijden van migrantensmokkel of mensenhandel, en migratiebeheer, met nadruk op identificatie, registratie, debriefing en terugkeer.

Artikel 38

Operationeel plan voor gezamenlijke operaties

1.   Ter voorbereiding van een gezamenlijke operatie stelt de uitvoerend directeur in samenwerking met de ontvangende lidstaat een lijst van vereiste technische uitrusting, personeel en personeelsprofielen op, met inbegrip van dat personeel dat uitvoerende bevoegdheden heeft, indien van toepassing, die overeenkomstig artikel 82, lid 2, toestemming moeten krijgen. Die lijst wordt opgesteld rekening houdend met de middelen waarover de ontvangende lidstaat beschikt en het verzoek van de ontvangende lidstaat uit hoofde van artikel 37. Aan de hand van deze gegevens stelt het Agentschap een pakket samen van in het operationeel plan op te nemen activiteiten op het gebied van technische en operationele versterking en capaciteitsopbouw.

2.   De uitvoerend directeur stelt een operationeel plan op voor gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen. De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen in nauw en tijdig overleg met de deelnemende lidstaten het operationeel plan vast waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de gezamenlijke operatie worden opgenomen.

3.   Het operationeel plan is bindend voor het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten. Het bestrijkt alle aspecten die voor de uitvoering van de gezamenlijke operatie nodig worden geacht, met inbegrip van:

a)

een beschrijving van de situatie met de modus operandi en de doelstellingen van de inzet, met inbegrip van het operationele doel;

b)

de duur van de gezamenlijke operatie die naar verwachting nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken;

c)

het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie zal plaatsvinden;

d)

een beschrijving van de taken, met inbegrip van de taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn, verantwoordelijkheden, ook in verband met de eerbiediging van de grondrechten en de vereisten inzake gegevensbescherming, en speciale instructies voor de teams, onder meer over de vraag welke databanken in de ontvangende lidstaat mogen worden geraadpleegd en welke dienstwapens, munitie en uitrusting in de ontvangende lidstaat mogen worden gebruikt;

e)

de samenstelling van de teams en de inzet van ander relevant personeel;

f)

voorschriften inzake bevelvoering en aansturing, waaronder de naam en rang van de grenswachters van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de teamleden en het Agentschap, in het bijzonder van de grenswachters die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren, alsook de plaats van de teamleden in de bevelstructuur;

g)

de bij de gezamenlijke operatie in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;

h)

nauwkeurige bepalingen over onmiddellijke rapportage van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties;

i)

een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag, onder meer inzake de bescherming van de grondrechten, en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag;

j)

wat operaties op zee betreft, specifieke informatie betreffende de toepassing van de relevante rechtsbevoegdheid en het toepasselijke recht in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het nationaal, het internationaal en het Unierecht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping. In dit opzicht wordt het operationeel plan vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014;

k)

de nadere voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere organen en instanties van de Unie of internationale organisaties;

l)

algemene instructies over de wijze waarop de bescherming van de grondrechten moet worden gewaarborgd tijdens de operationele activiteiten van het Agentschap;

m)

procedures waarbij personen die internationale bescherming behoeven, slachtoffers van mensenhandel, niet-begeleide minderjarigen en personen in een kwetsbare situatie worden verwezen naar de bevoegde nationale autoriteiten die passende bijstand kunnen verlenen;

n)

procedures ter bepaling van een mechanisme voor de ontvangst en doorzending naar het Agentschap van klachten tegen elke persoon die deelneemt aan een operationele activiteit van het Agentschap, waaronder grenswachters of andere relevante personeelsleden van de ontvangende lidstaat en teamleden, over vermeende inbreuken op de grondrechten in het kader van hun deelname aan een operationele activiteit van het Agentschap;

o)

logistieke regelingen, waaronder informatie over de werkomstandigheden en de omgeving van de gebieden waar de gezamenlijke operatie moet plaatsvinden.

4.   Voor wijzigingen of aanpassingen van het operationeel plan is de instemming van de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat vereist, na raadpleging van de deelnemende lidstaten. Het Agentschap zendt onmiddellijk een afschrift van het gewijzigde of aangepaste operationeel plan aan de deelnemende lidstaten.

5.   Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op alle activiteiten van het Agentschap.

Artikel 39

Procedure voor het starten van een snelle grensinterventie

1.   Een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten, gaat vergezeld van een beschrijving van de situatie, de mogelijke doelen, de te verwachten behoeften en de benodigde personeelsprofielen, met inbegrip van dat personeel dat uitvoeringsbevoegdheden heeft, indien van toepassing. Indien nodig kan de uitvoerend directeur onmiddellijk deskundigen van het Agentschap sturen om de situatie aan de buitengrenzen van de betrokken lidstaat te beoordelen.

2.   De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur onmiddellijk in kennis van een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten.

3.   Bij de beslissing over het verzoek van een lidstaat houdt de uitvoerend directeur rekening met de resultaten van de door het Agentschap verrichte risicoanalyses, de analyselaag van het Europees situatiebeeld en de resultaten van de in artikel 32 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling, alsook alle andere relevante informatie die door de betrokken lidstaat of een andere lidstaat is verstrekt.

4.   De uitvoerend directeur onderzoekt onmiddellijk of overplaatsing mogelijk is van beschikbare teamleden binnen het permanente korps, met name statutair personeel en door de lidstaten naar het Agentschap gedetacheerd personeel dat aanwezig is in andere operationele gebieden. De uitvoerend directeur beoordeelt ook de extra behoeften voor de inzet van operationeel personeel overeenkomstig artikel 57 en, zodra het personeel binnen de vereiste profielen is uitgeput, voor de activering van de snel inzetbare reserve overeenkomstig artikel 58.

5.   De uitvoerend directeur neemt uiterlijk twee werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek een beslissing over het verzoek om een snelle grensinterventie te starten. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat en de raad van bestuur gelijktijdig schriftelijk in kennis van zijn beslissing. In deze beslissing worden de voornaamste redenen vermeld waarop zij is gebaseerd.

6.   Bij het nemen van de onder lid 5 van dit artikel bedoelde beslissing stelt de uitvoerend directeur de lidstaten in kennis van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 57 en, indien van toepassing, artikel 58, om extra operationeel personeel te verzoeken, met vermelding van de mogelijke personeelsaantallen en -profielen die door elke lidstaat moeten worden verstrekt.

7.   Indien de uitvoerend directeur beslist een snelle grensinterventie te starten, zet hij beschikbare grensbeheerteams van het permanente korps in, alsmede uitrusting uit de pool van technische uitrusting overeenkomstig artikel 64 en beslist hij zo nodig over de onmiddellijke versterking door een of meer grensbeheerteams overeenkomstig artikel 57.

8.   De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen samen onmiddellijk of in ieder geval uiterlijk drie werkdagen na de datum van de beslissing, een operationeel plan op als bedoeld in artikel 38, lid 2, en bereiken er overeenstemming over.

9.   Zodra over het operationeel plan overeenstemming is bereikt en het plan aan de lidstaten is verstrekt, zet de uitvoerend directeur onmiddellijk het beschikbare operationele personeel in door het overplaatsen van personeel uit een ander operationeel gebied of met andere taken.

10.   Naast de inzet van personeel overeenkomstig lid 9 deelt de uitvoerend directeur, indien dit noodzakelijk is met het oog op een onmiddellijke versterking van de grensbeheerteams die zijn overgeplaatst vanuit een ander gebied of na andere taken te hebben vervuld, elke lidstaat mee hoeveel extra personeelsleden met welke profielen er aanvullend moeten worden ingezet van de nationale lijsten voor een inzet voor een korte tijd als bedoeld in artikel 57.

11.   Indien zich een situatie voordoet waarin de in lid 5 van dit artikel bedoelde grensbeheerteams en het in lid 8 van dit artikel bedoelde personeel ontoereikend zijn, kan de uitvoerend directeur de snel inzetbare reserve activeren door elke lidstaat te verzoeken om de aantallen en profielen van het extra personeel dat moet worden ingezet overeenkomstig artikel 58.

12.   De in de leden 10 en 11 genoemde informatie wordt schriftelijk verstrekt aan de nationale contactpunten onder vermelding van de datum waarop de teams uit elke categorie zullen worden ingezet. Er wordt de nationale contactpunten tevens een kopie van het operationeel plan verstrekt.

13.   De lidstaten zien erop toe dat de personeelsaantallen en -profielen onmiddellijk ter beschikking van het Agentschap worden gesteld, om volledige inzetbaarheid te waarborgen overeenkomstig artikel 57 en, indien van toepassing, artikel 58.

14.   De eerste grensbeheerteams die worden overgeplaatst vanuit een ander gebied of na andere taken te hebben vervuld, worden ingezet uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming hebben bereikt over het operationeel plan. Extra grensbeheerteams worden indien nodig ingezet uiterlijk twaalf werkdagen na de datum waarop over het operationeel plan overeenstemming is bereikt.

15.   Wanneer een snelle grensinterventie zal plaatsvinden, onderzoekt de uitvoerend directeur in overleg met de raad van bestuur onmiddellijk de prioriteiten ten aanzien van de lopende en geplande gezamenlijke operaties van het Agentschap aan andere buitengrenzen, teneinde te voorzien in een eventuele herverdeling van de middelen ten gunste van de gebieden aan de buitengrenzen waar een versterkte inzet het meest nodig is.

Artikel 40

Ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.   Indien een lidstaat zich in bepaalde hotspotgebieden aan zijn buitengrenzen geconfronteerd ziet met onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke, gemengde instroom van migranten, kan die lidstaat verzoeken om technische en operationele ondersteuning door ondersteuningsteams voor migratiebeheer, bestaande uit deskundigen van de betrokken organen en instanties van de Unie, die overeenkomstig hun mandaat opereren.

De betrokken lidstaat dient een verzoek om versterking en een raming van zijn behoeften in bij de Commissie. Op basis van die behoeftenraming verstuurt de Commissie het verzoek, waar passend, aan het Agentschap, EASO, Europol en andere bevoegde organen en instanties van de Unie.

2.   De bevoegde organen en instanties van de Unie onderzoeken overeenkomstig hun respectieve mandaat het verzoek van een lidstaat om versterking en de raming van zijn behoeften, met het oog op de vaststelling van een breed versterkingspakket bestaande uit diverse door de bevoegde organen en instanties van de Unie gecoördineerde activiteiten, waarover met de betrokken lidstaat overeenstemming moet worden bereikt. Dit proces wordt gecoördineerd door de Commissie.

3.   De Commissie stelt, in samenwerking met de lidstaat van ontvangst en de relevante organen en instanties van de Unie in overeenstemming met hun respectieve mandaten, de voorwaarden vast voor de samenwerking in het hotspotgebied en zij is verantwoordelijk voor de coördinatie van de activiteiten van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer.

4.   De technische en operationele versterking die met volledige eerbiediging van de grondrechten wordt geboden door het permanente korps in het kader van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, kan het volgende omvatten:

a)

het bieden van ondersteuning, met volledige inachtneming van de grondrechten, bij het screenen van onderdanen van derde landen die aan de buitengrenzen aankomen, wat mede inhoudt de identificatie, registratie en debriefing van die onderdanen van derde landen en, indien de lidstaat daarom verzoekt, het nemen van hun vingerafdrukken, en het verstrekken van informatie over het doel van deze procedures;

b)

verstrekking van initiële informatie aan personen die internationale bescherming wensen aan te vragen, en de doorverwijzing van deze personen naar de bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaat of naar de deskundigen van EASO;

c)

technische en operationele bijstand op het gebied van terugkeer overeenkomstig artikel 48, met inbegrip van de voorbereiding en organisatie van terugkeeroperaties;

d)

nodige technische uitrusting.

5.   De ondersteuningsteams voor migratiebeheer bestaan, indien nodig, onder meer uit medewerkers met expertise op het gebied van kinderbescherming, mensenhandel, bescherming tegen vervolging op grond van geslacht, of grondrechten.

Artikel 41

Voorgestelde maatregelen aan de buitengrenzen

1.   De uitvoerend directeur doet, op basis van de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling of wanneer een impactniveau “kritiek” is toegekend aan een of meer buitengrenssegmenten, en rekening houdend met de relevante elementen van de noodplannen van de lidstaat, de risicoanalyse door het Agentschap en de analyselaag van het Europees situatiebeeld, een aanbeveling aan de betrokken lidstaat om het Agentschap te verzoeken gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere relevante maatregelen van het Agentschap als omschreven in artikel 36 te starten, uit te voeren of aan te passen.

2.   De betrokken lidstaat reageert binnen zes werkdagen op de in lid 1 genoemde aanbeveling van de uitvoerend directeur. Een lidstaat die afwijzend reageert op de aanbeveling, motiveert zijn reactie. De uitvoerend directeur deelt de raad van bestuur en de Commissie onverwijld de aanbevolen maatregelen en de motivering van de afwijzende reactie mee, zodat kan worden beoordeeld of overeenkomstig artikel 42 dringend optreden vereist is.

Artikel 42

Situaties aan de buitengrenzen die dringend optreden vereisen

1.   Wanneer toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen omdat:

a)

een lidstaat nalaat de nodige maatregelen uit te voeren overeenkomstig een besluit van de raad van bestuur als bedoeld in artikel 32, lid 10, of

b)

een lidstaat geconfronteerd wordt met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen en de lidstaat het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht op grond van artikel 37, 39 of 40, of niet de nodige stappen onderneemt om op te treden op grond van die artikelen of artikel 41;

kan de Raad, op basis van een voorstel van de Commissie, onverwijld door middel van een uitvoeringshandeling een besluit nemen tot vaststelling van de door het Agentschap uit te voeren maatregelen die deze risico’s moeten beperken, waarbij de betrokken lidstaat wordt verplicht medewerking te verlenen aan het Agentschap bij de uitvoering van die maatregelen. De Commissie raadpleegt het Agentschap voordat zij een voorstel indient.

2.   Wanneer zich een situatie voordoet die dringend optreden vereist, wordt het Europees Parlement daarvan onverwijld in kennis gesteld, alsmede van alle verdere maatregelen en besluiten die in antwoord daarop worden genomen.

3.   Om het risico dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang komt, te beperken, bepaalt het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad dat het Agentschap een of meer van de volgende maatregelen neemt:

a)

organisatie en coördinatie van snelle grensinterventies en inzet van het permanente korps, met inbegrip van teams uit de snel inzetbare reserve;

b)

inzet van het permanente korps in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, met name in hotspotgebieden;

c)

coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met derde landen;

d)

inzet van technische uitrusting;

e)

organisatie van terugkeerinterventies.

4.   Binnen twee werkdagen na de datum waarop het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad is vastgesteld,

a)

bepaalt de uitvoerend directeur welke actie moet worden ondernomen voor de praktische uitvoering van de bij dat besluit vastgestelde maatregelen, alsmede welke technische uitrusting en hoeveel operationele personeelsleden met welk profiel nodig zijn om de doelstellingen van dat besluit te verwezenlijken;

b)

stelt de uitvoerend directeur een ontwerp van het operationeel plan op en dient dat bij de betrokken lidstaten in.

5.   De uitvoerend directeur en de betrokken lidstaat bereiken overeenstemming over het in lid 4, onder b), bedoelde operationeel plan binnen drie werkdagen na de datum van indiening.

6.   Voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad zet het Agentschap onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de vaststelling van het operationeel plan, het noodzakelijke operationele personeel van het permanente korps in. Extra teams worden indien nodig ingezet in een tweede fase, uiterlijk twaalf werkdagen na de vaststelling van het operationeel plan.

7.   Het Agentschap en de lidstaten zenden onverwijld, en in elk geval binnen 10 werkdagen na de vaststelling van het operationeel plan, de nodige technische uitrusting en bevoegd personeel naar de plaats van bestemming voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad.

Aanvullende technische uitrusting wordt, voor zover nodig, ingezet in een tweede fase, overeenkomstig artikel 64.

8.   De betrokken lidstaat leeft het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad na. Met het oog daarop verleent die lidstaat onmiddellijk zijn medewerking aan het Agentschap en onderneemt hij de nodige actie voor het faciliteren van de uitvoering van dat besluit en de praktische uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in dat besluit en in het operationeel plan dat met de uitvoerend directeur is overeengekomen, met name door de in de artikelen 43, 82 en 83 bedoelde verplichtingen uit te voeren.

9.   Overeenkomstig artikel 57 en, waar van toepassing, artikel 39, stellen de lidstaten het operationele personeel ter beschikking dat de uitvoerend directeur overeenkomstig lid 4 van dit artikel nodig acht.

10.   De Commissie ziet toe op de uitvoering van de maatregelen die zijn vastgesteld in het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad en de daartoe door het Agentschap getroffen maatregelen. Indien de betrokken lidstaat het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit van de Raad niet binnen 30 dagen naleeft en de medewerking met het Agentschap overeenkomstig lid 8 van dit artikel niet verleent, kan de Commissie de procedure van artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 inleiden.

Artikel 43

Instructies aan de teams

1.   Gedurende de inzet van grensbeheerteams, terugkeerteams en ondersteuningsteams voor migratiebeheer, geeft de ontvangende lidstaat of, indien er sprake is van samenwerking met een derde land overeenkomstig een statusovereenkomst, het betreffende derde land, instructies aan de teams overeenkomstig het operationeel plan.

2.   Het Agentschap kan via zijn coördinerend functionaris zijn standpunten met betrekking tot aan de teams gegeven instructies kenbaar maken aan de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat houdt rekening met die standpunten en geeft er, voor zover mogelijk, gevolg aan.

3.   In gevallen waarin de aan de teams gegeven instructies niet in overeenstemming zijn met het operationeel plan, meldt de coördinerende functionaris dit onmiddellijk aan de uitvoerend directeur, die indien nodig overeenkomstig artikel 46, lid 3, maatregelen kan nemen.

4.   De teamleden eerbiedigen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden ten volle de grondrechten, waaronder de toegang tot asielprocedures, en de menselijke waardigheid, en zij besteden bijzondere aandacht aan kwetsbare personen. De maatregelen die zij nemen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden, staan in verhouding tot het doel van die maatregelen. Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden discrimineren zij op geen enkele grond, zoals geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, in overeenstemming met artikel 21 van het Handvest.

5.   De teamleden die niet tot het statutaire personeel behoren, blijven onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst. De lidstaat van herkomst voorziet in de nodige disciplinaire of andere maatregelen overeenkomstig zijn nationale recht inzake tijdens operationele activiteiten van het Agentschap gedane schendingen van grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming.

6.   Statutair personeel dat wordt ingezet als teamleden zijn onderworpen aan disciplinaire maatregelen die zijn bepaald in het Statuut en de Regeling en aan de disciplinaire maatregelen die zijn vastgesteld in het in artikel 55, lid 5, onder a), bedoelde toezichtmechanisme.

Artikel 44

Coördinerend functionaris

1.   Het Agentschap zorgt voor de operationele uitvoering van alle organisatorische aspecten van de gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle grensinterventies, waaronder de aanwezigheid van het statutaire personeel.

2.   Onverminderd artikel 60 stelt de uitvoerend directeur uit het statutair personeel een of meer deskundigen aan die als coördinerend functionaris worden ingezet bij elke gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie. De uitvoerend directeur deelt de ontvangende lidstaat mee wie is aangesteld.

3.   De coördinerend functionaris treedt namens het Agentschap op inzake alle aspecten van de inzet van de teams. De coördinerende functionarissen bevorderen de samenwerking en de coördinatie tussen de ontvangende en de deelnemende lidstaten. De coördinerend functionaris wordt bijgestaan en geadviseerd door ten minste één toezichthouder voor de grondrechten. De coördinerend functionaris heeft met name tot taak:

a)

op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de teamleden, en hun namens het Agentschap bijstand te verlenen bij alle kwesties in verband met de omstandigheden van de inzet in de teams;

b)

toe te zien op de correcte uitvoering van het operationeel plan, waaronder, in samenwerking met de toezichthouders voor de grondrechten, met betrekking tot de bescherming van de grondrechten, en daarover aan de uitvoerend directeur verslag uit te brengen;

c)

namens het Agentschap op te treden inzake alle aspecten van de inzet van de teams en aan het Agentschap verslag uit te brengen over al deze aspecten;

d)

aan de uitvoerend directeur melding te doen wanneer de instructies van de ontvangende lidstaat aan de teams niet in overeenstemming zijn met het operationeel plan, met name wat de grondrechten betreft, en in voorkomend geval voor te stellen dat de uitvoerend directeur de mogelijkheid overweegt een beslissing overeenkomstig artikel 46 te nemen.

4.   In het kader van gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies mag de uitvoerend directeur de coördinerend functionaris toestaan hulp te bieden bij het oplossen van onenigheid over de uitvoering van het operationeel plan en de inzet van de teams.

Artikel 45

Kosten

1.   Het Agentschap draagt het volledige bedrag van de volgende kosten die door de lidstaten worden gemaakt voor het ter beschikking stellen van hun personeel dat voor een korte tijd vanuit het permanente korps wordt ingezet als teamleden in de lidstaten en in derde landen overeenkomstig artikel 57 of in de lidstaten door middel van de snel inzetbare reserve overeenkomstig artikel 58:

a)

kosten om te reizen van de lidstaat van herkomst naar de ontvangende lidstaat, van de ontvangende lidstaat naar de lidstaat van herkomst, binnen de ontvangende lidstaat met het oog op de inzet of overplaatsing binnen die ontvangende lidstaat of naar een andere ontvangende lidstaat, en voor de inzet naar, en de herplaatsingen binnen of naar, een ander derde land;

b)

vaccinatiekosten;

c)

kosten voor bijzondere verzekeringen;

d)

kosten voor gezondheidszorg, met inbegrip van kosten in verband met psychologische bijstand;

e)

dagvergoedingen, inclusief verblijfskostenvergoedingen.

2.   De raad van bestuur stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, gedetailleerde regels vast met betrekking tot de terugbetaling van de kosten van het personeel dat overeenkomstig de artikelen 57 en 58 voor een korte tijd wordt ingezet, en werkt die regels indien nodig bij. Om ervoor te zorgen dat het toepasselijke juridisch kader wordt nageleefd, dient de uitvoerend directeur dit voorstel in na ontvangst van het positieve advies van de Commissie. Die gedetailleerde regels worden zo veel mogelijk gebaseerd op vereenvoudigde kostenopties overeenkomstig artikel 125, lid 1, onder c), d) en e), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046. Voor zover relevant zorgt de raad van bestuur voor de samenhang met de regels die gelden voor de dienstreisvergoedingen van statutair personeel.

Artikel 46

Beslissingen tot schorsing of beëindiging of niet aanvangen van activiteiten

1.   De uitvoerend directeur beëindigt eender welke activiteit van het Agentschap wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van die activiteiten. Voorafgaand aan die beëindiging stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaat op de hoogte.

2.   De lidstaten die deelnemen aan een operationele activiteit van het Agentschap, kunnen de uitvoerend directeur verzoeken die operationele activiteit te beëindigen. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur in kennis van een dergelijk verzoek.

3.   De uitvoerend directeur kan, na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, de financiering van een activiteit intrekken of de activiteit schorsen of beëindigen als de ontvangende lidstaat het operationeel plan niet eerbiedigt.

4.   De uitvoerend directeur beslist, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris en na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, tot intrekking van de financiering of tot gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van eender welke activiteit van het Agentschap wanneer hij van oordeel is dat er in verband met de betrokken activiteit sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming, die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren.

5.   De uitvoerend directeur beslist, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris, geen activiteit van het Agentschap aan te vangen indien hij van oordeel is dat er reeds vanaf het begin van de activiteit ernstige redenen zijn om deze te schorsen of te beëindigen, omdat deze activiteit zou kunnen leiden tot ernstige schendingen van de grondrechten of van internationale beschermingsverplichtingen. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat op de hoogte van die beslissing.

6.   De in lid 4 en lid 5 bedoelde beslissingen worden op naar behoren gemotiveerde gronden genomen. Bij het nemen van deze beslissingen houdt de uitvoerend directeur rekening met relevante informatie, zoals het aantal en de inhoud van de geregistreerde klachten die niet door een nationale bevoegde autoriteit zijn opgelost, rapporten over ernstige incidenten, verslagen van coördinerend functionarissen, relevante internationale organisaties, en instellingen, organen en instanties van de Unie op de onder deze verordening vallende gebieden. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur in kennis van dergelijke beslissingen en motiveert ze.

7.   Indien de uitvoerend directeur beslist tot schorsing of beëindiging van de inzet, door het Agentschap, van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, deelt hij die beslissing mee aan de andere bevoegde organen en instanties die actief zijn in het hotspotgebied.

Artikel 47

Evaluatie van activiteiten

De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van alle operationele activiteiten van het Agentschap. Hij geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van deze activiteiten door aan de raad van bestuur, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige activiteiten, en neemt deze analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap. De uitvoerend directeur zorgt ervoor dat het Agentschap bij toekomstige operaties rekening houdt met de analyse van deze resultaten.

AFDELING 8

Maatregelen van het Agentschap op het gebied van terugkeer

Artikel 48

Terugkeer

1.   Zonder in te gaan op de gegrondheid van terugkeerbesluiten, die uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten blijven vallen, heeft het Agentschap wat de terugkeer betreft, met inachtneming van de grondrechten, de algemene beginselen van het recht van de Unie en het internationaal recht, waaronder internationale bescherming, eerbiediging van het beginsel van non-refoulement en kinderrechten de volgende taken:

a)

technische en operationele bijstand aan lidstaten verlenen op het gebied van terugkeer, waaronder bij

i)

het verzamelen van informatie die nodig is voor het uitvaardigen van terugkeerbesluiten, de identificatie van onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan terugkeerprocedures en andere activiteiten van de lidstaten die verband houden met de fase voorafgaand aan de terugkeer, de reis zelf en de fase na aankomst en na terugkeer, om tot een geïntegreerd systeem voor het beheer van terugkeer te komen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in samenwerking met relevante autoriteiten van derde landen en andere relevante belanghebbenden;

ii)

het verkrijgen van reisdocumenten, onder meer via consulaire samenwerking, zonder informatie bekend te maken over het feit dat een verzoek om internationale bescherming is gedaan of enige andere informatie die niet noodzakelijk is voor de terugkeer;

iii)

de organisatie en coördinatie van terugkeeroperaties en het bieden van ondersteuning in verband met vrijwillige terugkeer in samenwerking met de lidstaten;

iv)

de begeleide vrijwillige terugkeer vanuit de lidstaten, door bijstand te verlenen aan de terugkeerder in de fasen voorafgaand aan de terugkeer, de reis zelf en de fase na aankomst en na terugkeer en daarbij rekening te houden met de behoeften van kwetsbare personen;

b)

technische en operationele bijstand verlenen aan lidstaten die geconfronteerd worden met problemen op het gebied van hun terugkeersystemen;

c)

in overleg met de grondrechtenfunctionaris een niet-bindend referentiemodel ontwikkelen voor nationale IT-systemen voor terugkeercasemanagement dat beschrijft hoe dergelijke systemen moeten worden gestructureerd, alsmede de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen bij de ontwikkeling van dergelijke systemen die compatibel zijn met het model;

d)

zorgen voor het beheer en de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd platform voor terugkeerbeheer en een infrastructuur voor communicatie die het mogelijk maakt de terugkeerbeheersystemen van de lidstaten met het platform te verbinden ten behoeve van gegevens- en informatie-uitwisseling, inclusief de geautomatiseerde uitwisseling van statistische gegevens, en de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen bij de aansluiting op de communicatie-infrastructuur;

e)

activiteiten organiseren, bevorderen en coördineren die de uitwisseling van informatie en de inventarisering en bundeling van beste praktijken inzake terugkeer tussen de lidstaten mogelijk maken;

f)

de in dit hoofdstuk bedoelde operaties, interventies en activiteiten, met inbegrip van de vergoeding van de kosten voor de nodige aanpassing van de nationale IT-systemen voor terugkeercasemanagement met het oog op een veilige communicatie met het geïntegreerd platform voor terugkeerbeheer, uit zijn begroting financieren of medefinancieren volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.   De in lid 1, onder b), bedoelde technische en operationele bijstand omvat activiteiten om de lidstaten te helpen via de bevoegde nationale autoriteiten terugkeerprocedures uit te voeren, met name:

a)

tolkdiensten;

b)

praktische informatie, met inbegrip van de analyse daarvan, en aanbevelingen door het Agentschap met betrekking tot derde landen van terugkeer die relevant zijn voor de uitvoering van deze verordening, zo nodig in samenwerking met andere organen en instanties van de Unie, met name EASO;

c)

advies over de uitvoering en het beheer van terugkeerprocedures overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG;

d)

advies over en bijstand bij door de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG en het internationaal recht genomen maatregelen die nodig zijn om te garanderen dat terugkeerders beschikbaar zijn voor terugkeer en om te vermijden dat terugkeerders onderduiken, alsook advies over en bijstand bij alternatieven voor detentie;

e)

uitrusting, middelen en deskundigheid met het oog op de uitvoering van terugkeerbesluiten en de identificatie van onderdanen van derde landen.

3.   Het Agentschap tracht synergieën tot stand te brengen en door de Unie gefinancierde netwerken en programma’s op het gebied van terugkeer aan elkaar te koppelen, in nauwe samenwerking met de Commissie en met ondersteuning van betrokken belanghebbenden, waaronder het Europees migratienetwerk.

Artikel 49

Systemen voor informatie-uitwisseling en beheer van terugkeer

1.   Het Agentschap zorgt overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder d), voor het beheer en de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd platform voor terugkeerbeheer, voor het verwerken van informatie, met inbegrip van door de terugkeerbeheersystemen van de lidstaten doorgegeven persoonsgegevens, die het Agentschap nodig heeft om technische en operationele bijstand te verlenen. De persoonsgegevens bevatten alleen biografische gegevens of passagierslijsten. Persoonsgegevens worden alleen doorgegeven indien zij noodzakelijk zijn voor het verlenen van bijstand door het Agentschap bij de coördinatie of organisatie van terugkeeroperaties naar derde landen, ongeacht het vervoermiddel. Deze persoonsgegevens worden pas aan het platform doorgegeven zodra het besluit om een terugkeeroperatie te starten is genomen en ze worden gewist zodra de operatie is beëindigd.

Biografische gegevens worden alleen aan het platform doorgegeven wanneer de teamleden er geen toegang toe hebben overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad (39).

Het platform kan ook door het Agentschap worden gebruikt voor de veilige doorgifte van biografische of biometrische gegevens, met inbegrip van alle soorten documenten die kunnen worden beschouwd als bewijs of voorlopig bewijs van de nationaliteit van onderdanen van derde landen ten aanzien van wie een terugkeerbesluit is genomen, indien de overdracht van dergelijke persoonsgegevens noodzakelijk is met het oog op bijstandsverlening door het Agentschap op verzoek van een lidstaat bij het bevestigen van de identiteit en nationaliteit van onderdanen van derde landen in individuele gevallen. Deze gegevens worden niet op het platform opgeslagen en worden onmiddellijk na ontvangstbevestiging gewist.

2.   Het Agentschap zorgt voor de ontwikkeling, de installatie en het beheer van informatiesystemen en softwareapplicaties die het mogelijk maken om informatie uit te wisselen binnen de Europese grens- en kustwacht met het oog op terugkeer en om persoonsgegevens uit te wisselen.

3.   Persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 86, 87, 88 en 91, al naargelang van het geval.

Artikel 50

Terugkeeroperaties

1.   Zonder in te gaan op de gegrondheid van terugkeerbesluiten, die uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten blijven vallen, verleent het Agentschap aan de lidstaten technische en operationele bijstand en zorgt het voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties, onder meer door voor dergelijke operaties vliegtuigen te charteren of terugkeer met een lijnvlucht of met andere vervoermiddelen te organiseren. Het Agentschap kan op eigen initiatief en met instemming van de betreffende lidstaat terugkeeroperaties coördineren of organiseren.

2.   De lidstaten verstrekken met gebruikmaking van het in artikel 49, lid 1, bedoelde platform operationele gegevens inzake terugkeer die het Agentschap nodig heeft voor de beoordeling van de behoeften op het gebied van terugkeer en stellen het Agentschap elke maand op de hoogte van hun indicatieve planning wat betreft het aantal terugkeerders en de derde landen van terugkeer, zowel ten aanzien van relevante nationale terugkeeroperaties, als ten aanzien van de bijstand of coördinatie die zij nodig hebben van het Agentschap. Het Agentschap stelt een voortschrijdend operationeel plan op om de lidstaten die daarom verzoeken de nodige operationele bijstand en versterking te bieden, waaronder door technische uitrusting, en het houdt dat plan bij. Het Agentschap kan, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van een lidstaat, in het voortschrijdend operationeel plan de data en bestemmingen opnemen van terugkeeroperaties die het op basis van een behoefteanalyse nodig acht. De raad van bestuur beslist op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur over de modus operandi van het voortschrijdend operationeel plan. De betrokken lidstaat bevestigt het Agentschap dat voor alle terugkeerders die onder een door het Agentschap georganiseerde of gecoördineerde terugkeeroperatie vallen, een uitvoerbaar terugkeerbesluit geldt.

Wanneer teamleden worden ingezet, raadplegen zij vóór de terugkeer van een terugkeerder het Schengeninformatiesysteem om na te gaan of het terugkeerbesluit in verband met die terugkeerder werd opgeschort dan wel of de uitvoering van het terugkeerbesluit is uitgesteld.

Het voortschrijdend operationeel plan bevat de voor de uitvoering van een terugkeeroperatie noodzakelijke elementen, inclusief de elementen betreffende de eerbiediging van de grondrechten, en verwijst onder andere naar de desbetreffende gedragscodes en procedures voor toezicht, rapportage en het klachtenmechanisme.

3.   Het Agentschap kan technische en operationele bijstand aan de lidstaten verlenen en kan eveneens, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van de deelnemende lidstaten, zorgen voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties waarvoor de vervoermiddelen en de begeleiders voor terugkeer ter beschikking worden gesteld door een derde land van terugkeer (“terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald”). De deelnemende lidstaten en het Agentschap zorgen ervoor dat de eerbiediging van de grondrechten, het beginsel van non-refoulement, het evenredige gebruik van dwangmaatregelen en de waardigheid van de terugkeerder gedurende de volledige terugkeeroperatie zijn gegarandeerd. Ten minste één vertegenwoordiger van een lidstaat en één toezichthouder voor gedwongen terugkeer van de bij artikel 51 ingestelde pool of van het toezichtsysteem van de deelnemende lidstaat zijn aanwezig gedurende de volledige terugkeeroperatie tot aankomst in het derde land van terugkeer.

4.   De uitvoerend directeur stelt onverwijld een terugkeerplan op voor de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald. De uitvoerend directeur en elke deelnemende lidstaat bereiken overeenstemming over het plan waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de terugkeeroperatie waarbij personen worden opgehaald, zijn opgenomen, rekening houdend met de gevolgen voor de grondrechten en de risico’s van dergelijke operaties. Voor wijzigingen of aanpassingen van dit plan is de instemming van de in lid 3 en in dit lid bedoelde partijen vereist.

Het terugkeerplan voor de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald, is bindend voor het Agentschap en elke deelnemende lidstaat. Het bestrijkt alle aspecten van het uitvoeren van terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald.

5.   Op elke door het Agentschap georganiseerde of gecoördineerde terugkeeroperatie wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG. Het toezicht op gedwongen terugkeeroperaties wordt verricht door de toezichthouder voor gedwongen terugkeer op basis van objectieve en transparante criteria en bestrijkt de hele terugkeeroperatie, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de terugkeerders in het derde land van terugkeer. De toezichthouder voor gedwongen terugkeer legt een verslag over elke gedwongen terugkeeroperatie over aan de uitvoerend directeur, de grondrechtenfunctionaris en de bevoegde nationale autoriteiten van alle lidstaten die bij de desbetreffende operatie zijn betrokken. Indien noodzakelijk wordt passende follow-up verricht door de uitvoerend directeur respectievelijk de bevoegde nationale autoriteiten.

6.   Indien het Agentschap zich zorgen maakt over de eerbiediging van de grondrechten in een fase van een terugkeeroperatie, deelt het deze bezorgdheid mee aan de deelnemende lidstaten en de Commissie.

7.   De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van de terugkeeroperaties en verstrekt het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de raad van bestuur om de zes maanden een gedetailleerd evaluatieverslag over alle terugkeeroperaties die tijdens het voorgaande semester zijn uitgevoerd, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige terugkeeroperaties. De uitvoerend directeur neemt die analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap.

8.   Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeeroperaties uit zijn begroting, volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling, en geeft daarbij prioriteit aan terugkeeroperaties die door meer dan één lidstaat of vanuit hotspotgebieden worden uitgevoerd.

Artikel 51

Pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer

1.   Het Agentschap stelt, na naar behoren rekening te hebben gehouden met het advies van de grondrechtenfunctionaris, uit de bevoegde organen van de lidstaten een pool samen van toezichthouders voor gedwongen terugkeer die overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG toezicht op de gedwongen terugkeer uitoefenen en overeenkomstig artikel 62 van deze verordening zijn opgeleid.

2.   De raad van bestuur bepaalt op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur het profiel van en het aantal toezichthouders voor gedwongen terugkeer die aan deze pool ter beschikking moeten worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in hun profiel en totale aantallen.

De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk tot de pool bij te dragen door toezichthouders voor gedwongen terugkeer die aan het vastgestelde profiel beantwoorden, aan te wijzen, onverminderd de onafhankelijkheid van deze toezichthouders op grond van het nationale recht, indien het nationale recht daarin voorziet. Het Agentschap draagt eveneens met zijn in artikel 110 bedoelde toezichthouders voor de grondrechten bij tot de pool. In de pool worden toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming opgenomen.

3.   De bijdrage van de lidstaten wat betreft toezichthouders voor gedwongen terugkeer voor terugkeeroperaties en -interventies voor het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten op verzoek van het Agentschap de toezichthouders voor gedwongen terugkeer ter beschikking voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de voorgenomen inzet ingediend, of vijf werkdagen als er sprake is van een snelle terugkeerinterventie.

4.   Het Agentschap stelt de toezichthouders voor gedwongen terugkeer op verzoek ter beschikking aan deelnemende lidstaten om namens deze lidstaten de correcte uitvoering van de gehele terugkeeroperatie en terugkeerinterventies tijdens de duur ervan te monitoren. Het stelt toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming beschikbaar voor alle terugkeeroperaties waar kinderen bij zijn betrokken.

5.   De toezichthouders voor gedwongen terugkeer blijven gedurende een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst. Statutair personeel dat als toezichthouder voor gedwongen terugkeer wordt ingezet, is onderworpen aan de disciplinaire maatregelen waarin het Statuut en de Regeling voorziet.

Artikel 52

Terugkeerteams

1.   Het Agentschap kan, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, terugkeerteams inzetten. Het Agentschap kan dergelijke terugkeerteams inzetten tijdens terugkeerinterventies, in het kader van teams voor migratiebeheer of voor zover dat nodig is om aanvullende technische en operationele bijstand op het gebied van terugkeer te verlenen. Zo nodig bestaan terugkeerteams uit functionarissen met specifieke deskundigheid op het gebied van kinderbescherming.

2.   Artikel 40, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 43, 44 en 45 zijn van overeenkomstige toepassing op de terugkeerteams.

Artikel 53

Terugkeerinterventies

1.   Wanneer een lidstaat met druk wordt geconfronteerd bij de uitvoering van de verplichting om terugkeerders te doen terugkeren, levert het Agentschap, ofwel op eigen initiatief met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, passende technische en operationele bijstand in de vorm van een terugkeerinterventie. Deze interventie kan bestaan uit de inzet van terugkeerteams in de ontvangende lidstaat om bijstand te verlenen bij de uitvoering van terugkeerprocedures en uit de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

Artikel 50 is ook van toepassing op terugkeeroperaties die door het Agentschap worden georganiseerd of gecoördineerd in het kader van terugkeerinterventies.

2.   Indien een lidstaat met specifieke en onevenredig grote uitdagingen wordt geconfronteerd bij de uitvoering van zijn verplichtingen om terugkeerders te doen terugkeren, levert het Agentschap, ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, passende technische en operationele bijstand in de vorm van een snelle terugkeerinterventie. Een snelle terugkeerinterventie kan bestaan uit de snelle inzet van terugkeerteams in de ontvangende lidstaat om bijstand te verlenen bij de uitvoering van terugkeerprocedures en uit de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

3.   De uitvoerend directeur stelt, in het kader van een terugkeerinterventie, in onderlinge overeenstemming met de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten onverwijld een operationeel plan op. De bepalingen van artikel 38 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.   De uitvoerend directeur neemt zo snel mogelijk een besluit over het operationeel plan, en in het in lid 2 bedoelde geval binnen vijf werkdagen. Het besluit wordt onmiddellijk schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken lidstaten en de raad van bestuur.

5.   Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeerinterventies uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

AFDELING 9

Capaciteiten

Artikel 54

Permanent korps van de Europese grens- en kustwacht

1.   Tot het Agentschap behoort een permanent korps van de Europese grens- en kustwacht met de in de bijlage I bepaalde capaciteit. Dit permanente korps is samengesteld uit de volgende vier categorieën operationeel personeel, in overeenstemming met het in bijlage I opgenomen schema van per jaar ter beschikking te stellen aantallen:

a)

categorie 1: statutair personeel dat wordt ingezet als teamleden in operationele gebieden overeenkomstig artikel 55, alsmede personeel dat verantwoordelijk is voor de werking van de centrale Etias-eenheid;

b)

categorie 2: personeel dat door de lidstaten voor lange termijn bij het Agentschap wordt gedetacheerd als onderdeel van het permanente korps, overeenkomstig artikel 56;

c)

categorie 3: personeel dat klaarstaat om door de lidstaten ter beschikking te worden gesteld van het Agentschap om voor een korte tijd te worden ingezet als onderdeel van het permanente korps, overeenkomstig artikel 57, en

d)

categorie 4: de snel inzetbare reserve, die bestaat uit operationeel personeel van de lidstaten dat klaarstaat om te worden ingezet overeenkomstig artikel 58 ten behoeve van snelle grensinterventies als bedoeld in artikel 39.

2.   Het Agentschap zet leden van het permanente korps in als leden van de grensbeheerteams, de ondersteuningsteams voor migratiebeheer en de terugkeerteams in het kader van gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, terugkeerinterventies of enige andere relevante operationele activiteit in de lidstaten of in derde landen. Deze activiteit wordt alleen uitgevoerd met toestemming van de betrokken lidstaat of het betrokken derde land. Het werkelijke aantal personeelsleden dat wordt ingezet vanuit het permanente korps is afhankelijk van de operationele behoeften.

De inzet van het permanente korps vormt een aanvulling op de inspanningen die worden ondernomen door de lidstaten.

3.   Bij het verlenen van ondersteuning aan de lidstaten kunnen de leden van het permanente korps die als teamleden worden ingezet, grenstoezicht of terugkeertaken verrichten, met inbegrip van taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn zoals omschreven in de desbetreffende nationale wetgeving of, in het geval van statutair personeel, voor de taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn overeenkomstig artikel 55, lid 7.

De leden van het permanente korps voldoen aan de vereisten inzake specifieke opleiding en vakbekwaamheid als bepaald in de derde alinea van artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2016/399 of andere relevante instrumenten.

4.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, rekening houdend met de risicoanalyse van het Agentschap, de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling en de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid, en voortbouwend op de personeelsaantallen en -profielen die het Agentschap via zijn statutaire personeelsleden en lopende detacheringen ter beschikking heeft, neemt de raad van bestuur jaarlijks uiterlijk op 31 maart een beslissing over:

a)

de vaststelling van de profielen en vereisten voor operationele personeelsleden;

b)

het aantal operationele personeelsleden per specifiek profiel van categorie 1, 2 en 3 dat in het volgende jaar zal worden ingedeeld in een team, op basis van de operationele behoeften die worden verwacht voor het volgende jaar;

c)

de nadere vaststelling van de bijdragen beschreven in bijlage II en bijlage III door het bepalen van de specifieke aantallen en profielen, per lidstaat, van personeelsleden die overeenkomstig artikel 56 bij het Agentschap moeten worden gedetacheerd en overeenkomstig artikel 57 moeten worden aangewezen voor het volgende jaar;

d)

de nadere vaststelling van de bijdragen beschreven in bijlage IV door het bepalen van de specifieke aantallen en profielen, per lidstaat, van personeelsleden die in het kader van de snel inzetbare reserve voor het volgende jaar ter beschikking moeten worden gesteld voor snelle grensinterventies overeenkomstig de artikelen 39 en 58;

e)

het bepalen van een indicatieve meerjarenplanning van de profielen voor de daaropvolgende jaren om de langetermijnplanning voor de bijdragen van de lidstaten en de aanwerving van het statutaire personeel te vergemakkelijken.

5.   De technici voor de overeenkomstig artikel 64 verstrekte technische uitrusting worden meegeteld als deel van de bijdragen voor het inzetten van personeel voor een korte tijd die de lidstaten op grond van artikel 57 leveren voor het volgende jaar. Met het oog op de voorbereiding van de desbetreffende beslissing van de raad van bestuur als bedoeld in lid 4 van dit artikel, stelt de betrokken lidstaat het Agentschap uiterlijk eind januari van elk jaar in kennis van zijn voornemen om de technische uitrusting met de bijbehorende technici in te zetten.

6.   Voor de toepassing van artikel 73 worden door het Agentschap commando- en controlestructuren ontwikkeld en opgezet voor een doeltreffende inzet van het permanente korps op het grondgebied van derde landen.

7.   Het Agentschap mag voldoende statutair personeel, tot 4 % van het totale personeel van het permanente korps als beschreven in bijlage I, aannemen als ondersteunend of toezichthoudend personeel voor de oprichting van het permanente korps, de planning en het beheer van de operaties van het korps en de aankoop van de eigen uitrusting van het Agentschap.

8.   Het in lid 7 bedoelde personeel, alsmede het personeel dat verantwoordelijk is voor de werking van de centrale Etias-eenheid, wordt niet ingezet als teamleden, maar wordt niettemin meegeteld als personeel van categorie I voor de toepassing van bijlage I.

Artikel 55

Statutair personeel in het permanente korps

1.   Het Agentschap draagt statutaire personeelsleden (categorie 1) bij aan het permanente korps die moeten worden ingezet in operationele gebieden als teamleden met de taken en bevoegdheden bepaald in artikel 82, waaronder de taak om de eigen uitrusting van het Agentschap te exploiteren.

2.   Bij het aanwerven van personeel ziet het Agentschap erop toe dat uitsluitend kandidaten worden geselecteerd die blijk geven van een hoog niveau van professionalisme, die hoge ethische waarden in acht nemen en die over de juiste taalvaardigheden beschikken.

3.   Overeenkomstig artikel 62, lid 2, volgen de statutaire personeelsleden die als teamlid zullen worden ingezet, na hun aanwerving de nodige opleiding inzake grensbewaking of terugkeer, inclusief met betrekking tot de grondrechten, al naargelang de overeenkomstig artikel 54, lid 4, door de raad van bestuur besliste personeelsprofielen, rekening houdend met hun eerder verworven kwalificaties en beroepservaring op de gebieden in kwestie.

De in de eerste alinea bedoelde opleiding past in het kader van specifieke opleidingsprogramma’s die door het Agentschap zijn opgezet en die, op basis van overeenkomsten met geselecteerde lidstaten, worden uitgevoerd in hun gespecialiseerde instellingen voor opleiding en onderwijs, met inbegrip van de onderwijsinstellingen in de lidstaten die partner zijn van het Agentschap. Voor alle personeelsleden wordt na hun aanwerving een adequaat opleidingstraject opgesteld teneinde te garanderen dat zij altijd beschikken over de beroepskwalificaties om grensbewakingstaken of taken in verband met terugkeer te verrichten. Opleidingstrajecten worden regelmatig geactualiseerd. De kosten van de opleiding worden volledig gedragen door het Agentschap.

Statutair personeel dat fungeert als technici die de eigen uitrusting van het Agentschap bedienen, hoeven geen volledige opleiding inzake grensbewaking of terugkeer te volgen.

4.   Het Agentschap draagt er zorg voor dat zijn statutaire personeelsleden gedurende hun hele dienstverband hun taken als teamlid uitvoeren met inachtneming van de hoogste normen en met volledige eerbiediging van de grondrechten.

5.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur neemt de raad van bestuur de volgende maatregelen:

a)

hij stelt een passend toezichtmechanisme in om toezicht te houden op de toepassing van de bepalingen inzake het gebruik van geweld door het statutaire personeel van het Agentschap, met inbegrip van regels inzake rapportage en specifieke maatregelen, waaronder disciplinaire maatregelen, met betrekking tot het gebruik van geweld tijdens inzetten;

b)

hij stelt regels vast op grond waarvan de uitvoerend directeur statutair personeel toestaat om wapens te dragen en te gebruiken overeenkomstig artikel 82 en bijlage V, met inbegrip van verplichte samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten, met name de lidstaat waarvan de betrokkene onderdaan is, de lidstaat van verblijf en de lidstaat van de initiële opleiding. Deze regels hebben ook betrekking op de wijze waarop de uitvoerend directeur ervoor zorgt dat het statutair personeel blijft voldoen aan de voorwaarden voor het geven van dergelijke toelatingen, in het bijzonder wat de omgang met wapens betreft, inclusief regelmatige schiettests;

c)

hij stelt specifieke regels vast ter facilitering van de opslag van wapens, munitie en andere uitrusting in beveiligde ruimten en het vervoer ervan naar het operationele gebied.

Wat de onder a) van de eerste alinea van dit lid bedoelde regels betreft, brengt de Commissie, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut, een advies uit over de naleving van het Statuut en de Regeling. De grondrechtenfunctionaris wordt geraadpleegd over het voorstel van de uitvoerend directeur met betrekking tot die regels.

6.   Andere personeelsleden van het Agentschap die niet over de nodige kwalificaties beschikken om grensbewakingstaken of taken in verband met terugkeer uit te voeren, worden tijdens gezamenlijke operaties slechts ingezet voor coördinatietaken, toezicht op de grondrechten en aanverwante taken. Zij maken geen deel uit van de teams.

7.   Het statutaire personeel dat wordt ingezet als teamleden is in staat, overeenkomstig artikel 82, de volgende taken uit te voeren waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn, overeenkomstig de opgestelde personeelsprofielen en relevante opleidingen:

a)

verifiëren van de identiteit en de nationaliteit van personen, met inbegrip van het raadplegen van relevante Unie- en nationale databanken;

b)

toestaan van toegang als de in artikel 6 van de in Verordening (EU) 2016/399 vastgelegde toegangsvoorwaarden zijn vervuld;

c)

weigeren van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399;

d)

afstempelen van reisdocumenten overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2016/399;

e)

afgeven of weigeren van visa aan de grens overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (40), en invoeren van de relevante gegevens in het Visuminformatiesysteem;

f)

grensbewaking, met inbegrip van patrouilles tussen grensdoorlaatposten, om onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en maatregelen te nemen tegen personen die de grens illegaal hebben overschreden, met inbegrip van onderschepping of aanhouding;

g)

registreren van vingerafdrukken van personen die zijn aangehouden in verband met illegale buitengrensoverschrijding in Eurodac overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad (41);

h)

contacten leggen met derde landen met het oog op de identificatie van en de verkrijging van reisdocumenten voor onderdanen van derde landen die moeten terugkeren;

i)

begeleiden van onderdanen van derde landen die vallen onder een procedure van gedwongen terugkeer.

Artikel 56

Deelname van de lidstaten aan het permanente korps via langetermijndetacheringen

1.   De lidstaten dragen bij tot het permanente korps t door operationele personeel als teamleden (categorie 2) te detacheren naar het Agentschap. De duur van individuele detacheringen bedraagt 24 maanden. Met instemming van de lidstaat van herkomst en het Agentschap kan een individuele detachering eenmaal met 12 of 24 maanden worden verlengd. Om de uitvoering van het in artikel 61 bedoelde systeem voor financiële steun te vergemakkelijken, gaan detacheringen in de regel van start aan het begin van een kalenderjaar.

2.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat hij ononderbroken operationeel personeel bijdraagt als gedetacheerde teamleden overeenkomstig bijlage II. De betaling van kosten van het uit hoofde van dit artikel ingezette personeel geschiedt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 95, lid 6.

3.   De operationele personeelsleden die bij het Agentschap worden gedetacheerd, hebben de taken en bevoegdheden van de teamleden overeenkomstig artikel 82. De lidstaat die operationele personeelsleden heeft gedetacheerd, wordt als hun lidstaat van herkomst beschouwd. Gedurende hun detachering beslist de uitvoerend directeur over de plaats(en) en de duur van de inzet van gedetacheerde teamleden, al naargelang de operationele behoeften. Het Agentschap zorgt voor de permanente opleiding van het operationele personeel tijdens zijn detachering.

4.   Elke lidstaat wijst uiterlijk op 30 juni van elk jaar onder zijn operationeel personeel de kandidaten aan voor detachering, in overeenstemming met de specifieke personeelsaantallen en -profielen die door de raad van bestuur voor het volgende jaar zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 54, lid 4. Het Agentschap gaat na of de door de lidstaten voorgestelde operationele personeelsleden beantwoorden aan de vastgestelde profielen en beschikken over de nodige taalvaardigheid. Uiterlijk op 15 september van elk jaar aanvaardt het Agentschap de voorgestelde kandidaten of, wanneer niet is voldaan aan de vereiste profielen of wanneer er sprake is van een ontoereikende taalvaardigheid, wangedrag of een inbreuk op de toepasselijke voorschriften tijdens een eerdere inzet, weigert het de betrokken kandidaten en vraagt het de lidstaat een andere kandidaat voor detachering voor te stellen.

5.   Wanneer een individueel operationeel personeelslid, door overmacht, niet kan worden gedetacheerd of niet langer gedetacheerd kan blijven, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat dat personeelslid vervangen wordt door een ander operationeel personeelslid met het vereiste profiel.

Artikel 57

Deelname van de lidstaten aan het permanente korps door het inzetten van personeel voor een korte tijd

1.   Naast de detacheringen uit hoofde van artikel 56 dragen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar bij tot het permanente korps door grenswachters en andere relevante personeelsleden aan te wijzen voor de voorlopige nationale lijst van operationeel personeel dat voor een korte tijd kan worden ingezet (categorie 3), in overeenstemming met de in bijlage III vermelde bijdragen en met de specifieke aantallen van personeelsprofielen die door de raad van bestuur voor het volgende jaar zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 54, lid 4. De voorlopige nationale lijsten van aangewezen operationele personeelsleden worden meegedeeld aan het Agentschap. De definitieve samenstelling van de jaarlijkse lijst wordt aan het Agentschap bevestigd na afloop van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen, uiterlijk op 1 december van het jaar in kwestie.

2.   Elke lidstaat ziet erop toe dat de aangewezen operationele personeelsleden op verzoek van het Agentschap beschikbaar zijn, in overeenstemming met de in dit artikel beschreven regelingen. Elk personeelslid is gedurende ten hoogste vier maanden in een kalenderjaar beschikbaar. De lidstaten kunnen echter besluiten een individueel personeelslid langer dan vier maanden in te zetten. Deze verlenging wordt beschouwd als een afzonderlijke bijdrage van deze lidstaat voor hetzelfde profiel of een ander vereist profiel indien het personeelslid de nodige vaardigheden bezit. De betaling van de kosten van het uit hoofde van dit artikel ingezette personeel geschiedt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 45, lid 2.

3.   De operationele personeelsleden die op grond van dit artikel worden ingezet, hebben de taken en bevoegdheden van de teamleden overeenkomstig artikel 82.

4.   Het Agentschap kan nagaan of de operationele personeelsleden die door de lidstaten zijn aangewezen om voor een korte tijd te worden ingezet, beantwoorden aan de vastgestelde personeelsprofielen en beschikken over de nodige taalvaardigheid. Het Agentschap weigert aangewezen operationeel personeel als er sprake is van een ontoereikende taalvaardigheid, wangedrag of een inbreuk op de toepasselijke voorschriften tijdens een eerdere inzet. Het Agentschap weigert aangewezen operationeel personeel als niet is voldaan aan het vereiste profiel, tenzij het operationele personeelslid in kwestie in aanmerking komt voor een ander profiel dat aan die lidstaat is toegewezen. Bij een weigering van een personeelslid door het Agentschap zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat dat personeelslid vervangen wordt door een ander operationeel personeelslid dat het vereiste profiel heeft.

5.   Uiterlijk op 31 juli van elk jaar verzoekt het Agentschap de lidstaten om hun bijdrage aan specifieke individuele operationele personeelsleden voor de inzet als onderdeel van gezamenlijke operaties voor het volgende jaar, volgens de vereiste aantallen en profielen. De perioden waarin individuele personeelsleden worden ingezet, worden bepaald in de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en de overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten.

6.   Volgend op de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen stellen de lidstaten evenwel operationeel personeel van de in lid 1 bedoelde nationale lijsten ter beschikking voor specifieke inzetten volgens de aantallen en profielen die in het verzoek van het Agentschap zijn gespecificeerd.

7.   Wanneer een individueel operationeel personeelslid door overmacht niet kan worden ingezet overeenkomstig de overeenkomsten, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat dat personeelslid vervangen wordt door een ander op de lijst staand personeelslid met het vereiste profiel.

8.   Als een grotere inzet van personeel nodig is voor de versterking van een lopende gezamenlijke operatie of om een snelle grensinterventie of een nieuwe gezamenlijke operatie op te zetten die niet is vermeld in het desbetreffende jaarlijkse werkprogramma, noch in de overeenkomstige resultaten van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen, wordt de inzet gedaan binnen de grenzen beschreven in bijlage III. De uitvoerend directeur brengt de lidstaten onverwijld op de hoogte van de extra behoeften door een voorstel te doen over de door elke lidstaat te verstrekken aantallen en profielen van operationele personeelsleden. Zodra tussen de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming is bereikt over een gewijzigd operationeel plan of, waar van toepassing, een nieuw operationeel plan, doet de uitvoerend directeur een formeel verzoek met betrekking tot aantallen en profielen van operationele personeelsleden. De teamleden worden vanuit elke lidstaat binnen twintig werkdagen na dat formele verzoek ingezet, onverminderd artikel 39.

9.   Wanneer uit de risicoanalyse of, indien beschikbaar, uit een kwetsbaarheidsbeoordeling blijkt dat een lidstaat geconfronteerd wordt met een situatie waardoor de uitvoering van zijn nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt, draagt die lidstaat bij met operationeel personeel overeenkomstig de verzoeken bedoeld in lid 5 of lid 8 van dit artikel. Deze bijdragen mogen cumulatief echter niet groter zijn dan de helft van de bijdrage van die lidstaat voor het jaar in kwestie als vastgelegd in bijlage III. Een lidstaat die zich beroept op een dergelijke buitengewone omstandigheid, verstrekt het Agentschap schriftelijk een uitgebreide motivering en informatie over deze omstandigheid; de inhoud daarvan wordt opgenomen in het in artikel 65 bedoelde verslag.

10.   De duur van de inzet voor een specifieke operatie wordt vastgesteld door de lidstaat van herkomst, maar is in ieder geval niet korter dan 30 dagen tenzij de operatie waarvan de inzet deel uitmaakt, minder dan 30 dagen duurt.

11.   De technici die zijn meegeteld voor de bijdragen van de lidstaten overeenkomstig artikel 54, lid 5, worden uitsluitend ingezet op basis van de overeenkomsten die het gevolg zijn van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen voor de overeenkomstige technische uitrustingsartikelen bedoeld in artikel 64, lid 9.

Als afwijking van lid 1 van dit artikel nemen de lidstaten de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technici pas op in hun jaarlijkse lijsten na de afsluiting van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen. De lidstaten kunnen de jaarlijkse lijsten in kwestie aanpassen als het technische team in de loop van het jaar in kwestie verandert. De lidstaten stellen het Agentschap hiervan in kennis.

De in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie heeft geen betrekking op de vaardigheden met betrekking tot de bediening van de technische apparatuur.

Teamleden die uitsluitend technische taken hebben, worden op jaarlijkse nationale lijsten uitsluitend aangeduid met hun functie.

De duur van de inzet van technici wordt bepaald overeenkomstig artikel 64.

Artikel 58

Deelname van de lidstaten aan het permanente korps via de snel inzetbare reserve

1.   De lidstaten dragen operationeel personeel bij aan het permanente korps door middel van een snel inzetbare reserve (categorie 4) die wordt geactiveerd voor snelle grensinterventies overeenkomstig artikel 37, lid 2, en artikel 39, op voorwaarde dat voor de snelle grensinterventie in kwestie reeds ten volle gebruik is gemaakt van het operationeel personeel in de categorieën 1, 2 en 3.

2.   Elke lidstaat draagt er zorg voor dat het operationele personeel beschikbaar is in de aantallen, en met de overeenkomstige profielen, die door de raad van bestuur voor het volgende jaar zijn vastgelegd als bedoeld in artikel 54, lid 4, op verzoek van het Agentschap binnen de grenzen beschreven in bijlage IV en overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde regelingen. Elk operationeel personeelslid is gedurende ten hoogste vier maanden in een kalenderjaar beschikbaar.

3.   De specifieke inzet voor snelle grensinterventies in het kader van de snel inzetbare reserve vindt plaats overeenkomstig artikel 39, leden 11 en 13.

Artikel 59

Evaluatie van het permanente korps

1.   Uiterlijk op 31 december 2023 dient de Commissie, met name op basis van de in artikel 62, lid 10, en artikel 65 bedoelde verslagen, bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatie in van de totale grootte en de samenstelling van het permanente korps, inclusief de omvang van bijdragen aan het permanente korps die zijn geleverd door afzonderlijke lidstaten, alsmede van de deskundigheid en vakbekwaamheid van het permanente korps van de opleiding die het krijgt. Bij de evaluatie wordt ook onderzocht of het nodig is de snel inzetbare reserve als onderdeel van het permanente korps te behouden.

In de evaluatie wordt een beschrijving gegeven van en rekening gehouden met de bestaande en potentiële operationele behoeften van het permanente korps met betrekking tot de capaciteiten op het gebied van snelle reactie, significante omstandigheden die van invloed zijn op de capaciteit van lidstaten om bij te dragen aan het permanente korps en de ontwikkeling van het statutaire personeel wat betreft de bijdrage van het Agentschap aan het permanente korps.

2.   Uiterlijk op 29 februari 2024 dient de Commissie indien nodig passende voorstellen in tot wijziging van de bijlagen I, II, III, en IV. Als de Commissie geen voorstel indient, geeft zij de reden daarvoor op.

Artikel 60

Steunpunten

1.   Indien de ontvangende lidstaat daarmee instemt of indien deze mogelijkheid expliciet is opgenomen in de statusovereenkomst die is gesloten met het ontvangende derde land, kan het Agentschap op het grondgebied van die lidstaat of dat derde land steunpunten opzetten met het oog op een vlottere en betere coördinatie van operationele activiteiten, onder meer op het gebied van terugkeer, die het Agentschap in die lidstaat, in de aangrenzende regio of in dat derde land organiseert, en met het oog op een doeltreffend beheer van de personele en technische middelen van het Agentschap. De steunpunten worden opgezet volgens operationele behoeften voor de periode die het Agentschap nodig heeft om in die lidstaat, in de betrokken aangrenzende regio of in het betrokken derde land belangrijke operationele activiteiten te verrichten. Die periode kan indien nodig worden verlengd.

Voordat een steunpunt wordt opgezet, worden alle gevolgen voor de begroting zorgvuldig beoordeeld en berekend en worden de desbetreffende bedragen van tevoren in de begroting opgenomen.

2.   Het Agentschap en de ontvangende lidstaat of het ontvangende derde land waar het steunpunt is opgezet, treffen de nodige regelingen teneinde de best mogelijke voorwaarden tot stand te brengen voor het verrichten van de taken die aan het steunpunt zijn toegewezen. De standplaats van het bij de steunpunten werkzame personeel wordt bepaald in overeenstemming met artikel 95, lid 2.

3.   De steunpunten hebben, waar van toepassing, de volgende taken:

a)

operationele en logistieke steun verlenen en zorgen voor de coördinatie van de activiteiten van het Agentschap in de betrokken operationele gebieden;

b)

de lidstaat of het derde land operationele steun verlenen in de betrokken operationele gebieden;

c)

de activiteiten van de teams van het Agentschap monitoren en regelmatig verslag uitbrengen aan de zetel van het Agentschap;

d)

met de ontvangende lidstaat of het ontvangende derde land samenwerken bij alle kwesties die verband houden met de praktische uitvoering van de door het Agentschap in die lidstaat of dat derde land georganiseerde operationele activiteiten, met inbegrip van eventuele extra kwesties die zich tijdens deze activiteiten hebben voorgedaan;

e)

de in artikel 44 bedoelde coördinerende functionaris ondersteunen bij zijn samenwerking met de deelnemende lidstaten inzake alle kwesties die verband houden met hun bijdrage aan de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten en, indien nodig, contact onderhouden met de zetel van het Agentschap;

f)

de coördinerende functionaris en de toezichthouders voor de grondrechten die zijn aangewezen om een operationele activiteit te monitoren, ondersteunen bij het faciliteren, indien nodig, van de coördinatie en communicatie tussen de teams van het Agentschap en de relevante autoriteiten van de ontvangende lidstaat of het ontvangende derde land, alsmede hiermee verband houdende taken;

g)

logistieke steun organiseren in verband met de inzet van de teamleden en de inzet en het gebruik van technische uitrusting;

h)

alle andere logistieke steun verlenen in verband met het operationele gebied waarvoor een bepaald steunpunt verantwoordelijk is, teneinde de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten vlot te laten verlopen;

i)

de verbindingsfunctionaris van het Agentschap steunen, onverminderd zijn taken en functies bedoeld in artikel 31, bij de identificatie van bestaande of toekomstige problemen voor het grensbeheer van het gebied waarvoor een bepaald steunpunt verantwoordelijk is of voor de uitvoering van het acquis inzake terugkeer, en regelmatig verslag uitbrengen aan de zetel van het Agentschap;

j)

zorgen voor een doeltreffend beheer van de eigen apparatuur van het Agentschap op de door zijn activiteiten bestreken gebieden, met inbegrip van de mogelijke registratie en het onderhoud op lange termijn van die apparatuur en de nodige logistieke ondersteuning.

4.   Elk steunpunt wordt beheerd door een door de uitvoerend directeur als hoofd van een steunpunt aangestelde vertegenwoordiger van het Agentschap. De persoon die als hoofd van het steunpunt is aangesteld, houdt toezicht op de algemene werkzaamheden ervan en treedt op als enig aanspreekpunt voor de zetel van het Agentschap.

5.   De raad van bestuur beslist, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, over de oprichting, de samenstelling, de bestaansduur en, indien nodig, de verlenging van de bestaansduur van de werking van een steunpunt en houdt daarbij rekening met het advies van de Commissie en de instemming van de ontvangende lidstaat of van het ontvangende derde land.

6.   De ontvangende lidstaat verleent het Agentschap de nodige bijstand om de operationele capaciteit te waarborgen.

7.   De uitvoerend directeur brengt op kwartaalbasis verslag uit aan de raad van bestuur over de activiteiten van de steunpunten. De activiteiten van de steunpunten worden beschreven in een afzonderlijk deel van het jaarlijkse activiteitenverslag.

Artikel 61

Financiële steun voor de uitbouw van het permanente korps

1.   De lidstaten hebben recht op jaarlijkse, niet aan kosten gekoppelde financiering om de uitbouw van het personeelsbestand te ondersteunen en zo hun bijdragen, beschreven in de bijlagen II, III en IV, aan het permanente korps te verzekeren in overeenstemming met artikel 125, lid 1, onder a), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046. Die financiering wordt betaald na het einde van het desbetreffende jaar en mits de voorwaarden van de leden 3 en 4 van dit artikel zijn vervuld. De financiering is gebaseerd op een in lid 2 van dit artikel bepaalde referentiebedrag en bedraagt, indien van toepassing:

a)

100 % van het referentiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal personeelsleden die voor het jaar N+ 2 zijn aangewezen voor detachering overeenkomstig bijlage II;

b)

37 % van het referentiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal personeelsleden die daadwerkelijk worden ingezet, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 57 binnen de grenzen bepaald in bijlage IV, en overeenkomstig artikel 58 binnen de grenzen bepaald in bijlage IV;

c)

een eenmalige betaling van 50 % van het referentiebedrag vermenigvuldigd met het aantal operationele personeelsleden dat door het Agentschap is aangeworven als statutair personeel; deze eenmalige betaling is van toepassing op personeel dat afkomstig is van nationale diensten en dat op het moment van aanwerving door het Agentschap niet langer dan 15 jaar in actieve dienst is.

2.   Het referentiebedrag is gelijkwaardig aan het jaarlijks basissalaris van een arbeidscontractant in functiegroep III, graad 8, stap 1, vastgesteld in overeenkomstig artikel 93 van de Regeling en waarop de in de desbetreffende lidstaat geldende correctiecoëfficiënt wordt toegepast.

3.   De jaarlijkse betaling van het in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde bedrag wordt slechts verschuldigd op voorwaarde dat de lidstaten gedurende de periode in kwestie hun respectieve personeelsbestand aan nationale grenswachters dienovereenkomstig verhogen via de indienstname van nieuwe personeelsleden. De voor rapportering relevante informatie wordt aan het Agentschap verstrekt tijdens de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en wordt geverifieerd in het kader van de kwetsbaarheidsbeoordeling in het daaropvolgende jaar. Het in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde bedrag dat jaarlijks wordt betaald, is volledig verschuldigd in verhouding tot het aantal personeelsleden dat daadwerkelijk wordt ingezet gedurende een al dan niet aaneengesloten periode van vier maanden overeenkomstig artikel 57 binnen de in bijlage III vastgestelde grens en overeenkomstig artikel 58 binnen de in bijlage IV vastgestelde grens. Voor de effectieve inzet als bedoeld in lid 1, onder b), van dit artikel worden de betalingen pro rata berekend met een referentieperiode van vier maanden.

Na indiening van een specifiek en met redenen omkleed verzoek door de bijdragende lidstaat kent het Agentschap een voorschot op de jaarlijkse betaling van de in lid 1, onder a) en b), van dit artikel bedoelde bedragen toe in overeenstemming met de in lid 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling.

4.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast met de gedetailleerde regels voor de jaarlijkse betaling en het toezicht op de in lid 3 van dit artikel bepaalde voorwaarden. Deze regels omvatten de regeling voor voorschotten bij naleving van de in lid 3 van dit artikel genoemde voorwaarden, alsmede de regeling voor pro-rataberekeningen, met inbegrip inzake gevallen waarin de inzet van technici uitzonderlijk de in bijlage III vastgestelde maximale nationale bijdragen zou overschrijden. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 122, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Bij de uitvoering van de financiële steun uit hoofde van dit artikel zorgen het Agentschap en de lidstaten ervoor dat de beginselen van medefinanciering en geen dubbele financiering in acht worden genomen.

Artikel 62

Opleiding

1.   Het Agentschap ontwikkelt specifieke opleidingsinstrumenten, met inbegrip van specifieke opleidingen voor de bescherming van kinderen en andere personen in kwetsbare situaties, in voorkomend geval rekening houdend met de in artikel 9, lid 8, bedoelde capaciteitenroutekaart en in samenwerking met de passende opleidingsentiteiten van de lidstaten en, in voorkomend geval, het EASO, het FRA, eu-LISA en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol). Bij de inhoud van de opleiding wordt rekening gehouden met relevante onderzoeksresultaten en beste praktijken. Het Agentschap verstrekt gespecialiseerde opleidingen aan grenswachters, specialisten inzake terugkeer, begeleiders voor terugkeer, toezichthouders voor gedwongen terugkeer en andere relevante personeelsleden die lid zijn van het permanente korps, alsmede toezichthouders voor gedwongen terugkeer en toezichthouders voor de grondrechten, aangepast aan hun taken en bevoegdheden. Het Agentschap houdt regelmatig oefeningen met die grenswachters en andere teamleden, overeenkomstig het in het jaarlijks werkprogramma van het Agentschap opgenomen schema voor gespecialiseerde opleidingen.

2.   Het Agentschap ziet erop toe dat, naast de opleiding als bedoeld in artikel 55, lid 3, alle statutaire personeelsleden die zullen worden ingezet als teamleden, een passende opleiding hebben gekregen in het relevante Unie- en internationale recht, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming, richtsnoeren voor het identificeren van personen die bescherming vragen en voor het doorverwijzen van deze personen naar de juiste procedures, richtsnoeren voor het tegemoet komen aan de bijzondere behoeften van kinderen, met inbegrip van niet-begeleide minderjarigen, slachtoffers van mensenhandel, personen die dringende medische hulp nodig hebben en andere bijzonder kwetsbare personen en, indien het de bedoeling is dat zij deelnemen aan operaties op zee, opsporing en redding, alvorens zij voor het eerst worden ingezet voor operationele activiteiten die door het Agentschap worden georganiseerd.

Deze opleiding omvat ook het gebruik van geweld overeenkomstig bijlage V.

3.   Voor het in lid 2 omschreven doeleinde biedt het Agentschap, op basis van overeenkomsten met geselecteerde lidstaten, de nodige opleidingsprogramma’s aan in de gespecialiseerde opleidings- en onderwijsinstellingen van die lidstaten, met inbegrip van de onderwijsinstellingen in de lidstaten die partner zijn van het Agentschap. Het Agentschap ziet erop toe dat de opleiding de gemeenschappelijke basisinhoud volgt, geharmoniseerd is en het wederzijds begrip en een gemeenschappelijke cultuur bevordert op basis van de in de Verdragen verankerde waarden. De kosten van de opleiding worden volledig gedragen door het Agentschap.

Het Agentschap kan, na goedkeuring door de raad van bestuur, een opleidingscentrum van het Agentschap opzetten dat de opname van een gemeenschappelijke Europese cultuur in de aangeboden opleiding verder zal faciliteren.

4.   Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om te garanderen dat alle personeelsleden van de lidstaten die deelnemen aan de teams van het permanente korps de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde opleiding hebben gekregen.

5.   Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om ervoor te zorgen dat personeel dat aan het permanente korps of de in artikel 51 vermelde pool is toegewezen en dat betrokken is bij taken die verband houden met terugkeer, een opleiding krijgt. Het Agentschap ziet erop toe dat statutair personeel en alle personeelsleden die deelnemen aan terugkeeroperaties of terugkeerinterventies een opleiding heeft gekregen in relevante Unie- en internationale wetgeving, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming en doorverwijzing van kwetsbare personen, alvorens zij deelnemen aan operationele activiteiten die door het Agentschap worden georganiseerd.

6.   Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters opstellen, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau aan instructeurs van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming en het relevante zeerecht; voorts stelt het een gemeenschappelijk curriculum op voor de opleiding van personeel dat betrokken is bij taken die verband houden met terugkeer. De gemeenschappelijk basisinhoud heeft tot doel de hoogste normen en beste praktijken te bevorderen bij de tenuitvoerlegging van het Unierecht inzake grensbeheer en terugkeer. Het Agentschap stelt de gemeenschappelijke basisinhoud op na raadpleging van het in artikel 108 bedoelde adviesforum (het “adviesforum”) en de grondrechtenfunctionaris. De lidstaten nemen de gemeenschappelijke basisinhoud op in de opleidingen die zij verstrekken aan hun nationale grenswachters en aan de personeelsleden die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer.

7.   Het Agentschap biedt aan functionarissen van de bevoegde diensten van de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen ook aanvullende opleidingen en seminars aan over thema’s die verband houden met het toezicht aan de buitengrenzen en de terugkeer van onderdanen van derde landen.

8.   Het Agentschap kan, in samenwerking met lidstaten en derde landen, opleidingsactiviteiten organiseren op het grondgebied van deze lidstaten en derde landen.

9.   Het Agentschap zet uitwisselingsprogramma’s op die aan zijn teams deelnemende grenswachters en aan de terugkeerinterventieteams deelnemende personeelsleden de mogelijkheid bieden om samen te werken met grenswachters en personeelsleden die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer in een andere lidstaat, en aldus specifieke kennis of knowhow op te doen uit ervaringen en goede praktijken in het buitenland.

10.   Het Agentschap zet een mechanisme voor interne kwaliteitscontrole op en ontwikkelt dit verder om erop toe te zien dat statutaire personeel, met name het statutaire personeel dat deelneemt aan de operationele activiteiten van het Agentschap, beschikt over een hoog niveau van opleiding, deskundigheid en vakbekwaamheid. Op basis van de uitvoering van het mechanisme voor kwaliteitscontrole stelt het Agentschap een jaarlijks evaluatieverslag op dat wordt gevoegd bij het jaarlijkse activiteitenverslag.

Artikel 63

Aanschaf of leasing van technische uitrusting

1.   Het Agentschap kan, zelf of in mede-eigendom met een lidstaat, overgaan tot de aanschaf of leasing van technische uitrusting die wordt gebruikt tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle grensinterventies, activiteiten op het gebied van terugkeer, met inbegrip van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer of technische bijstandsprojecten, overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.   De raad van bestuur stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, een uitgebreide meerjarige strategie op met betrekking tot de wijze waarop de interne technische capaciteiten van het Agentschap moeten worden ontwikkeld, rekening houdende met de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van de in artikel 9, lid 8, bedoelde capaciteitenroutekaart, voor zover beschikbaar, en de begrotingsmiddelen die hiervoor zijn vrijgemaakt in het meerjarig financieel kader. Om de naleving te garanderen van de toepasselijke juridische, financiële en beleidskaders, formuleert de uitvoerend directeur het voorstel pas na ontvangst van het positieve advies van de Commissie.

De meerjarige strategie gaat vergezeld van een gedetailleerd tenuitvoerleggingsplan waarin termijnen voor aanschaf of leasing, aankoopplanning en risicobeheer zijn gespecificeerd. Als de raad van bestuur bij de opstelling van de strategie en het plan beslist het advies van de Commissie niet te volgen, verstrekt het Agentschap de Commissie een motivering daarvoor. Na de vaststelling van de meerjarige strategie maakt het tenuitvoerleggingsplan deel uit van de meerjarige programmeringscomponent van het in artikel 100, lid 2, onder k), vermelde enkelvoudig programmeringsdocument.

3.   Het Agentschap kan technische uitrusting aanschaffen op basis van een besluit van de uitvoerend directeur, in overleg met de raad van bestuur overeenkomstig de toepasselijke aanbestedingsregels. Voor elke aanschaf of leasing van uitrusting die aanzienlijke kosten met zich meebrengt voor het Agentschap, wordt een grondige behoeftenanalyse en kosten-batenanalyse uitgevoerd. Alle uitgaven in verband met een dergelijke aanschaf of leasing worden opgenomen in de begroting van het Agentschap vastgesteld door de raad van bestuur.

4.   Als het Agentschap belangrijke technische uitrusting aanschaft of leaset, zoals vliegtuigen, dienstvoertuigen of schepen, gelden de volgende voorwaarden:

a)

in het geval van aanschaf door het Agentschap of mede-eigendom komt het Agentschap met één lidstaat overeen dat die lidstaat zorgt voor de registratie van de uitrusting als materiaal voor overheidsactiviteiten overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die lidstaat, inclusief de voorrechten en immuniteiten voor deze technische uitrusting krachtens het internationaal recht;

b)

in het geval van leasing, wordt de uitrusting geregistreerd in een lidstaat.

5.   Op basis van een door het Agentschap opgestelde en door de raad van bestuur goedgekeurde modelovereenkomst bereiken de lidstaat van registratie en het Agentschap overeenstemming over de voorwaarden voor de operabiliteit van de uitrusting. In het geval van materieel waarvan het Agentschap mede-eigenaar is, hebben de voorwaarden ook betrekking op de perioden waarin het materieel volledig ter beschikking van het Agentschap staat; in de voorwaarden is bepaald hoe dat materieel moet worden gebruikt, met inbegrip van specifieke bepalingen inzake snelle inzetbaarheid tijdens snelle grensinterventies en de financiering van dat materieel.

6.   Als het Agentschap niet over het vereiste gekwalificeerde statutaire personeel beschikt, stelt de lidstaat van registratie of de leverancier van de technische uitrusting de nodige deskundigen en technici ter beschikking om de technische uitrusting op wettelijke en veilige wijze te bedienen, overeenkomstig de in lid 5 van dit artikel bedoelde modelovereenkomst en volgens een planning op basis van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten bedoeld in artikel 64, lid 9. In dat geval wordt technische uitrusting die volledige eigendom is van het Agentschap op verzoek ter beschikking gesteld van het Agentschap en kan de lidstaat van registratie zich niet beroepen op de in artikel 64, lid 9, vermelde buitengewone omstandigheid.

Wanneer een lidstaat wordt verzocht technische uitrusting en personeel ter beschikking te stellen, houdt het Agentschap rekening met de bijzondere operationele uitdagingen waarvoor die lidstaat zich op het tijdstip van het verzoek geplaatst ziet.

Artikel 64

Pool van technische uitrusting

1.   Het Agentschap zorgt voor het opzetten en bijhouden van centrale registers van uitrusting in een pool van technische uitrusting die bestaat uit aan de lidstaten of aan het Agentschap toebehorende uitrusting en aan de lidstaten en het Agentschap in mede-eigendom toebehorende uitrusting voor zijn operationele activiteiten.

2.   Uitrusting die uitsluitend eigendom is van het Agentschap moet op elk ogenblik volledig voor inzet beschikbaar zijn.

3.   Uitrusting waarvan het Agentschap voor meer dan 50 % mede-eigenaar is, is ook voor inzet beschikbaar overeenkomstig een overeenkomst tussen een lidstaat en het Agentschap, gesloten overeenkomstig artikel 63, lid 5.

4.   Het Agentschap ziet toe op de compatibiliteit en interoperabiliteit van de uitrusting in de pool van technische uitrusting.

5.   Voor de toepassing van lid 4 stelt het Agentschap in nauw overleg met de lidstaten en de Commissie technische normen op voor de inzet van uitrusting bij de activiteiten van het Agentschap, indien nodig. Uitrusting die door het Agentschap wordt aangeschaft, alleen of in mede-eigendom, en uitrusting die eigendom is van de lidstaten en die in de pool van technische uitrusting is opgenomen, voldoet aan deze normen.

6.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur beslist de raad van bestuur, rekening houdend met de risicoanalyse van het Agentschap en de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordelingen, uiterlijk op 31 maart van elk jaar over de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen die vereist is om te voldoen aan de behoeften van het Agentschap in het daaropvolgende jaar, met name voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, het inzetten van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies en terugkeeractiviteiten, met inbegrip van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies. De eigen uitrusting van het Agentschap maakt deel uit van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen. Bij dat besluit worden de regels vastgesteld met betrekking tot de inzet van technische uitrusting voor operationele activiteiten.

Als de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen niet blijkt te volstaan om het voor die activiteiten overeengekomen operationeel plan uit te voeren, herziet het Agentschap deze minimumhoeveelheid op basis van gemotiveerde behoeften en een overeenkomst met de lidstaten.

7.   De pool van technische uitrusting bevat de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen die het Agentschap voor elk type uitrusting heeft vastgesteld. De uitrusting in de pool van technische uitrusting wordt ingezet tijdens gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, proefprojecten, snelle grensinterventies en terugkeeroperaties of -interventies.

8.   De pool van technische uitrusting omvat een pool van uitrusting voor snelle reactie, met een beperkte hoeveelheid uitrustingsartikelen die nodig zijn voor eventuele snelle grensinterventies. De bijdragen van de lidstaten tot de pool van uitrusting voor snelle reactie worden gepland overeenkomstig de in lid 9 van dit artikel bedoelde jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten. Met betrekking tot de uitrusting op de lijst van uitrusting in deze pool kunnen de lidstaten zich niet beroepen op de in lid 9 van dit artikel bedoelde buitengewone omstandigheid.

De uitrusting op deze lijst wordt door de betrokken lidstaat zo snel mogelijk, samen met de nodige deskundigen en technici, verstuurd naar de plaats waar zij wordt ingezet en in geen geval later dan tien dagen na de datum waarop overeenstemming is bereikt over het operationeel plan.

Het Agentschap draagt bij tot deze pool met uitrusting die ter beschikking staat van het Agentschap, zoals vermeld in artikel 63, lid 1.

9.   De lidstaten dragen bij tot de pool van technische uitrusting. De bijdrage van de lidstaten tot de pool en de inzet van de technische uitrusting voor specifieke operaties wordt gepland op basis van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Overeenkomstig die overeenkomsten, en in de mate dat de uitrusting deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een bepaald jaar, stellen de lidstaten hun technische uitrusting beschikbaar voor inzet op verzoek van het Agentschap, tenzij ze worden geconfronteerd met een buitengewone omstandigheid die een aanzienlijke invloed heeft op hun vermogen om zich van hun nationale taken te kwijten. Als een lidstaat zich beroept op een dergelijke buitengewone omstandigheid verstrekt zij het Agentschap schriftelijk een uitgebreide motivering en informatie over deze omstandigheid; de inhoud daarvan wordt opgenomen in het in artikel 65, lid 1 bedoelde verslag. Het Agentschap dient zijn verzoek minstens 45 dagen vóór de geplande inzet in in het geval van belangrijke technische uitrusting, en minstens 30 dagen vóór de geplande inzet in het geval van andere uitrusting. De bijdragen aan de pool van technische uitrusting worden jaarlijks opnieuw bekeken.

10.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur beslist de raad van bestuur jaarlijks over de regels met betrekking tot technische uitrusting, met inbegrip van de vereiste totale minimumhoeveelheden van elk type technische uitrusting, de voorwaarden voor de inzet ervan, de vergoeding van kosten en de beperkte hoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een pool van uitrusting voor snelle reactie. Om begrotingsredenen wordt die beslissing uiterlijk op 31 maart van elk jaar door de raad van bestuur genomen.

11.   Wanneer een snelle grensinterventie plaatsvindt, is artikel 39, lid 15, dienovereenkomstig van toepassing.

12.   Wanneer zich een onverwachte behoefte aan technische uitrusting voor een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie voordoet nadat de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen is vastgesteld en deze behoefte niet kan worden ingevuld met uitrusting uit de pool van technische uitrusting of de pool van uitrusting voor snelle reactie, stellen de lidstaten, voor zover mogelijk en op ad-hocbasis, op verzoek van het Agentschap de nodige technische uitrusting ter beschikking.

13.   De uitvoerend directeur brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over de samenstelling en inzet van uitrusting die deel uitmaakt van de pool van technische uitrusting. Wanneer de vereiste minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen in de pool niet is bereikt, stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur hier onverwijld van in kennis. De raad van bestuur beslist met spoed welke technische uitrusting prioritair moet worden ingezet, en neemt passende maatregelen om het tekort weg te werken. De raad van bestuur stelt de Commissie in kennis van het tekort en van de stappen die hij heeft genomen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis, alsook van haar eigen beoordeling.

14.   Alle vervoersmiddelen en operationele uitrusting die zijn aangekocht in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad (42) of, voor zover relevant, om het even welke andere toekomstige specifieke financiering van de Unie die ter beschikking van de lidstaten is gesteld met als duidelijke doelstelling de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten, worden door de lidstaten geregistreerd in de pool van technische uitrusting. Die technische uitrusting maakt deel uit van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een bepaald jaar.

De technische uitrusting waarvoor medefinanciering is verstrekt in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid of door om het even welke andere toekomstige specifieke financiering van de Unie als gespecificeerd in de eerste alinea van dit lid wordt door de lidstaten voor inzet aan het Agentschap beschikbaar gesteld op verzoek van het Agentschap in het kader van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen. Elk uitrustingsartikel wordt beschikbaar gesteld voor een periode van maximaal vier maanden, volgens de planning in de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen. De lidstaten kunnen besluiten een uitrustingsartikel langer dan vier maanden in te zetten. In het geval van een in artikel 39 of 42 van deze verordening bedoelde operationele activiteit, mogen de lidstaten zich niet beroepen op de in lid 9 van het onderhavige artikel bedoelde buitengewone omstandigheid.

15.   Het Agentschap beheert het register van de pool van technische uitrusting als volgt:

a)

indeling per type uitrusting en type operatie;

b)

indeling per eigenaar (lidstaat, agentschap, andere);

c)

totale hoeveelheden vereiste uitrustingsartikelen;

d)

personeelsvereisten, indien van toepassing;

e)

andere informatie, zoals registratiegegevens, vervoers- en onderhoudsvoorschriften, toepasselijke nationale exportregelingen, technische instructies of andere informatie die relevant is voor het passend gebruik van de uitrusting;

f)

een vermelding of de uitrusting met middelen van de Unie is gefinancierd.

16.   Het Agentschap financiert voor 100 % de inzet van technische uitrusting die deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen die door een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar ter beschikking wordt gesteld. De in aanmerking komende kosten van de inzet van technische uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen wordt tot 100 % medegefinancierd, rekening houdende met de specifieke omstandigheden van de lidstaten die deze technische uitrusting inzetten.

Artikel 65

Rapportering over de capaciteiten van het Agentschap

1.   Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur een jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de artikelen 51, 55, 56, 57, 58, 63 en 64 (“jaarverslag over de tenuitvoerlegging”) vast en dient dit in bij het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie.

2.   Dit jaarverslag over de tenuitvoerlegging bevat met name:

a)

het aantal personeelsleden dat elke lidstaat heeft toegezegd aan het permanente korps, inclusief via de snel inzetbare reserve, en aan de pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer;

b)

het aantal statutaire personeelsleden dat het Agentschap heeft toegezegd aan het permanente korps;

c)

het aantal personeelsleden dat in het afgelopen jaar daadwerkelijk is ingezet vanuit het permanente korps, door iedere lidstaat en het Agentschap, opgesplitst per profiel;

d)

de hoeveelheid technische uitrustingsartikelen die elke lidstaat en het Agentschap heeft toegezegd aan de pool van technische uitrusting;

e)

de hoeveelheid technische uitrustingsartikelen uit de pool van technische uitrusting die elke lidstaat en het Agentschap in het afgelopen jaar heeft ingezet;

f)

toezeggingen aan en inzet uit de pool van uitrusting voor snelle reactie;

g)

de ontwikkeling van de eigen menselijke en technische capaciteiten van het Agentschap.

3.   Het jaarverslag over de tenuitvoerlegging bevat een lijst van de lidstaten die zich in het afgelopen jaar hebben beroepen op de in artikel 57, lid 9, en artikel 64, lid 9, bedoelde buitengewone omstandigheid, met vermelding van de door de betrokken lidstaat opgegeven redenen en informatie.

4.   Om redenen van transparantie wordt de raad van bestuur elk trimester door de uitvoerend directeur in kennis gesteld van de in lid 2 opgesomde elementen met betrekking tot het lopende jaar.

Artikel 66

Onderzoek en innovatie

1.   Het Agentschap houdt proactief toezicht op en levert een bijdrage tot onderzoeks- en innovatieactiviteiten die relevant zijn voor het Europees geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van het gebruik van geavanceerde technologie op het gebied van grenstoezicht, rekening houdende met de in artikel 9, lid 8, vermelde capaciteitenroutekaart. Het Agentschap verstrekt de resultaten van dat onderzoek aan het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie, overeenkomstig artikel 92. Het mag die resultaten gebruiken in gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies.

2.   Rekening houdende met de capaciteitenroutekaart als bedoeld in artikel 9, lid 8, verleent het Agentschap bijstand aan de lidstaten en de Commissie bij het identificeren van belangrijke onderzoeksthema’s. Het Agentschap verleent bijstand aan de lidstaten en de Commissie bij het opstellen en uitvoeren van de relevante kaderprogramma’s van de Unie voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten.

3.   Het Agentschap voert de delen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie uit die betrekking hebben op grensbeveiliging. Daartoe heeft het Agentschap, voor zover de Commissie de relevante bevoegdheden aan het Agentschap heeft gedelegeerd, de volgende taken:

a)

het beheer van sommige fasen van de tenuitvoerlegging van het programma en sommige fasen in de levensloop van specifieke projecten, op basis van de door de Commissie vastgestelde relevante werkprogramma’s;

b)

de vaststelling van de instrumenten tot uitvoering van de begroting, zowel aan de ontvangsten- als de uitgavenzijde, en de uitvoering van alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het programma;

c)

de verlening van steun voor de tenuitvoerlegging van het programma.

4.   Het Agentschap mag proefprojecten met betrekking tot onder deze verordening vallende thema’s plannen en uitvoeren.

5.   Het Agentschap verstrekt publieke informatie over zijn onderzoeksprojecten, met inbegrip van demonstratieprojecten, de betrokken samenwerkingspartners en de projectbegroting.

AFDELING 10

Het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias)

Artikel 67

Centrale Etias-eenheid

Het Agentschap zorgt voor de oprichting en werking van een centrale Etias-eenheid, zoals bepaald in artikel 7 van Verordening (EU) 2018/1240.

AFDELING 11

Samenwerking

Artikel 68

Samenwerking van het Agentschap met de instellingen, organen en instanties van de Unie en met internationale organisaties

1.   Het Agentschap werkt samen met de instellingen, organen en instanties van de Unie en mag samenwerken met internationale organisaties, binnen hun respectieve rechtskaders, en maakt gebruik van bestaande informatie, middelen en systemen die beschikbaar zijn in het kader van Eurosur.

Overeenkomstig de eerste alinea werkt het Agentschap met name samen met:

a)

de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO);

b)

Europol;

c)

het EASO;

d)

het FRA;

e)

Eurojust;

f)

het Satellietcentrum van de Europese Unie;

g)

het EMSA en het EFCA;

h)

eu-LISA;

i)

het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (European Union Aviation Safety Agency — EASA) en de netwerkbeheerder van het Europese netwerk voor het luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network — EATMN).

j)

GVDB-missies en operaties, in overeenstemming met hun opdrachten, met het oog op het waarborgen van het volgende:

i)

de bevordering van normen inzake Europees geïntegreerd grensbeheer,

ii)

situationeel bewustzijn en risicoanalyse.

Het Agentschap kan ook samenwerken met de volgende internationale organisaties die relevant zijn voor zijn taken, binnen hun respectieve rechtskaders:

a)

de Verenigde Naties via hun bevoegde bureaus, agentschappen, organisaties en andere entiteiten, met name het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de Internationale Organisatie voor Migratie, het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie;

b)

de International Criminal Police Organization (Interpol);

c)

de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa;

d)

de Raad van Europa en de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa;

e)

het Maritiem Analyse- en Operatiecentrum op het gebied van verdovende middelen (MAOC-N).

2.   De in lid 1 bedoelde samenwerking geschiedt in het kader van werkafspraken met de in lid 1 vermelde entiteiten. Deze werkafspraken worden vooraf door de Commissie goedgekeurd. Het Agentschap brengt het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van deze afspraken.

3.   Wat de behandeling van gerubriceerde informatie betreft, wordt in de in lid 2 bedoelde afspraken bepaald dat het betrokken orgaan of de betrokken instantie van de Unie of de betrokken internationale organisatie voldoet aan beveiligingsregels en -normen die gelijkwaardig zijn aan die welke door het Agentschap worden toegepast. Voorafgaand aan de sluiting van een werkafspraak vindt een beoordelingsbezoek plaats; de Commissie wordt in kennis gesteld van de resultaten van dit bezoek.

4.   Hoewel dit buiten het bestek van deze verordening valt, werkt het Agentschap samen met de Commissie, en, voor zover relevant, met de lidstaten en de EDEO op douanegebied, met inbegrip van het domein risicobeheer, als deze activiteiten elkaar ondersteunen. Deze samenwerking laat de bestaande bevoegdheden van de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de lidstaten onverlet.

5.   De in lid 1 bedoelde instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties maken alleen binnen de grenzen van hun bevoegdheden gebruik van de van het Agentschap ontvangen informatie, en op voorwaarde dat zij de grondrechten, met inbegrip van de eisen inzake gegevensbescherming, respecteren.

Voor elke verzending van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens aan andere instellingen, organen en instanties van de Unie op grond van artikel 87, lid 1, onder c) en d), zijn specifieke werkafspraken inzake de uitwisseling van persoonsgegevens nodig.

De in de tweede alinea bedoelde werkafspraken omvatten een bepaling die waarborgt dat persoonsgegevens die door het Agentschap aan de instellingen, organen en instanties van de Unie worden toegezonden, alleen voor een ander doeleinde mogen worden verwerkt indien dat door het Agentschap is toegestaan en verenigbaar is met het oorspronkelijke doel waarvoor de gegevens door het Agentschap zijn verzameld en toegezonden. Die instellingen, organen en instanties van de Unie houden schriftelijke gegevens bij over een beoordeling van de verenigbaarheid per geval.

Elke overdracht van persoonsgegevens door het Agentschap aan internationale organisaties op grond van artikel 87, lid 1, onder c), voldoet aan de gegevensbeschermingsbepalingen vastgelegd in afdeling 2 van hoofdstuk IV.

Het Agentschap zorgt er met name voor dat elke werkafspraak met internationale organisaties met betrekking tot de uitwisseling van persoonsgegevens op grond van artikel 87, lid 1, onder c), in overeenstemming is met hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/1725 en afhankelijk is van de toestemming van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, als daar in die verordening in is voorzien.

Het Agentschap zorgt ervoor dat persoonsgegevens die worden overgedragen aan internationale organisaties alleen worden verwerkt voor de doeleinden van de overdracht ervan.

6.   Informatie tussen het Agentschap en de instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties bedoeld in lid 1 wordt uitgewisseld via het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk of via andere geaccrediteerde systemen voor gegevensuitwisseling die voldoen aan de criteria van beschikbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit.

Artikel 69

Europese samenwerking met betrekking tot kustwachttaken

1.   Onverminderd Eurosur steunt het Agentschap, in samenwerking met het EFCA en het EMSA, de nationale autoriteiten bij het uitvoeren van kustwachttaken op nationaal niveau en het niveau van de Unie en, indien van toepassing, op internationaal niveau, door:

a)

informatie die beschikbaar is in systemen voor de rapportage van vaartuigen en andere informatiesystemen die door die agentschappen zijn opgezet of kunnen worden geraadpleegd, overeenkomstig hun respectieve rechtsgronden uit te wisselen, samen te voegen en te analyseren, onverminderd de eigendom van gegevens door lidstaten;

b)

surveillance- en communicatiediensten te verstrekken op basis van state-of-theart technologie, met inbegrip van infrastructuur in de ruimte en op de grond en sensoren die op om het even welk soort platform zijn gemonteerd;

c)

capaciteit op te bouwen door richtsnoeren en aanbevelingen op te stellen, goede praktijken vast te stellen, opleidingen te verstrekken en personeel uit te wisselen;

d)

de uitwisseling van informatie en de samenwerking met betrekking tot kustwachttaken te verbeteren, onder meer door operationele uitdagingen en ontluikende risico’s op maritiem gebied te analyseren;

e)

capaciteit te delen door operaties met meerdere doelen te plannen en uit te voeren en door materieel en andere capaciteiten te delen, voor zover deze activiteiten door die agentschappen worden gecoördineerd en zijn goedgekeurd door de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten.

2.   De precieze vormen van samenwerking inzake kustwachttaken tussen het Agentschap, het EFCA en het EMSA worden vastgelegd in werkafspraken, overeenkomstig hun respectieve opdrachten en de voor die agentschappen geldende financiële regeling. Een dergelijke regeling wordt goedgekeurd door de raad van bestuur van het Agentschap, de raad van bestuur van het EFCA en de raad van bestuur van het EMSA. Het Agentschap, het EFCA en het EMSA gebruiken in het kader van hun samenwerking ontvangen informatie uitsluitend binnen de grenzen van hun rechtskader en met inachtneming van de grondrechten, met inbegrip van de voorschriften inzake gegevensbescherming.

3.   De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, het Agentschap, het EFCA en het EMSA een praktische handleiding inzake Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken ter beschikking. Die handleiding bevat richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken voor informatie-uitwisseling. De Commissie stelt de handleiding vast in de vorm van een aanbeveling.

Artikel 70

Samenwerking met Ierland en het Verenigd Koninkrijk

1.   Het Agentschap bevordert de operationele samenwerking van de lidstaten met Ierland en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot specifieke activiteiten.

2.   Voor de toepassing van Eurosur kunnen de informatie-uitwisseling en samenwerking met Ierland en het Verenigd Koninkrijk gebeuren op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen respectievelijk Ierland of het Verenigd Koninkrijk en een of meer aangrenzende lidstaten of via op die overeenkomsten gebaseerde regionale netwerken. De nationale coördinatiecentra zijn de contactpunten voor de informatie-uitwisseling met de overeenkomstige autoriteiten van Ierland en van het Verenigd Koninkrijk in het kader van Eurosur.

3.   De in lid 2 bedoelde overeenkomsten hebben uitsluitend betrekking op de uitwisseling van de volgende informatie tussen een nationaal coördinatiecentrum en de overeenkomstige autoriteit van Ierland of het Verenigd Koninkrijk:

a)

informatie die is opgenomen in het nationale situatiebeeld van een lidstaat, voor zover deze informatie aan het Agentschap is doorgegeven met het oog op het Europees situatiebeeld;

b)

door Ierland of door het Verenigd Koninkrijk verzamelde informatie die relevant is voor het Europees situatiebeeld;

c)

informatie zoals bedoeld in artikel 25, lid 5.

4.   Informatie die in het kader van Eurosur is verstrekt door het Agentschap of door een lidstaat die geen partij is bij een in lid 2 bedoelde overeenkomst, wordt niet gedeeld met Ierland of het Verenigd Koninkrijk zonder de voorafgaande toestemming van het Agentschap of die lidstaat. De lidstaten en het Agentschap zijn gebonden door de weigering om die informatie uit te wisselen met Ierland of het Verenigd Koninkrijk.

5.   Het is verboden in het kader van dit artikel uitgewisselde informatie verder door te zenden of anderszins mee te delen aan andere derde landen of derden.

6.   De in lid 2 bedoelde overeenkomsten bevatten bepalingen betreffende de financiële kosten die voortvloeien uit de deelname van Ierland of het Verenigd Koninkrijk aan de uitvoering van die overeenkomsten.

7.   De door het Agentschap op grond van artikel 10, lid 1, onder n), o) en p), te verlenen ondersteuning omvat de organisatie van terugkeeroperaties van de lidstaten waaraan ook Ierland of het Verenigd Koninkrijk deelnemen.

8.   De toepassing van deze verordening op de grenzen van Gibraltar wordt opgeschort totdat een akkoord is bereikt over de werkingssfeer van de maatregelen met betrekking tot de overschrijding van de buitengrenzen door personen.

Artikel 71

Samenwerking met derde landen

1.   Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder g), werken de lidstaten en het Agentschap samen met derde landen met het oog op het Europees geïntegreerd grensbeheer en migratiebeleid.

2.   Op basis van de overeenkomstig artikel 8, lid 4, uiteengezette beleidsprioriteiten verleent het Agentschap technische en operationele bijstand aan derde landen in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, ook wat de bescherming van de grondrechten en van persoonsgegevens en het beginsel van non-refoulement betreft.

3.   Het Agentschap en de lidstaten nemen het recht van de Unie in acht, met inbegrip van normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren, ook wanneer de samenwerking met derde landen op het grondgebied van die derde landen plaatsvindt.

4.   Het aangaan van samenwerking met derde landen dient de bevordering van de normen inzake het geïntegreerd grensbeheer.

Artikel 72

Samenwerking tussen lidstaten en derde landen

1.   De lidstaten kunnen op operationeel niveau samenwerken met één of meer derde landen op de gebieden die vallen onder deze verordening. Die samenwerking kan informatie-uitwisseling omvatten en kan plaatsvinden op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of andere soorten van regelingen of via op die overeenkomsten gebaseerde regionale netwerken.

2.   De lidstaten kunnen in de in lid 1 van dit artikel bedoelde bilaterale en multilaterale overeenkomsten bepalingen opnemen betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking ten behoeve van Eurosur, overeenkomstig artikel 75 en artikel 89.

3.   De in lid 1 bedoelde bilaterale en multilaterale overeenkomsten en andere soorten regelingen zijn in overeenstemming met het Unierecht en internationaal recht betreffende grondrechten en internationale bescherming, waaronder het Handvest, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, het Protocol van 1967 bij dat verdrag, en in het bijzonder het beginsel van non-refoulement. Bij de toepassing van deze overeenkomsten en regelingen beoordelen de lidstaten voortdurend de algemene situatie in het derde land beoordelen en houden zij daar voortdurend rekening mee; en nemen zij artikel 8 in acht.

Artikel 73

Samenwerking tussen het Agentschap en derde landen

1.   Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn voor onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in de mate die samenwerking nodig is om zijn taken te vervullen. Het Agentschap leeft het Unierecht na, met inbegrip van de normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren, ook wanneer de samenwerking met derde landen op het grondgebied van die derde landen plaatsvindt.

2.   Wanneer het samenwerkt met de autoriteiten van derde landen, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, treedt het Agentschap op in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, onder meer op het gebied van de bescherming van de grondrechten en persoonsgegevens, het beginsel van non-refoulement, het verbod op willekeurige opsluiting en het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, met de steun van en in samenwerking met delegaties van de Unie en, voor zover relevant, GVDB-missies en -operaties overeenkomstig artikel 68, lid 1, tweede alinea, onder j).

3.   Als de omstandigheden vereisen dat grensbeheerteams van het permanente korps worden ingezet in een derde land waar de teamleden uitvoerende bevoegdheden zullen uitoefenen, wordt tussen de Unie en het desbetreffende derde land op grond van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een statusovereenkomst gesloten, die is opgesteld op basis van de in artikel 76, lid 1, bedoelde modelstatusovereenkomst. De statusovereenkomst bestrijkt alle aspecten die noodzakelijk zijn om de acties uit te voeren. In die overeenkomst worden met name de reikwijdte van de operatie, bepalingen inzake civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid en de taken en bevoegdheden van de teamleden omschreven, alsmede de maatregelen met betrekking tot het opzetten van een steunpunt en praktische maatregelen in verband met de eerbiediging van de grondrechten. De statusovereenkomst zorgt ervoor dat tijdens deze operaties de grondrechten volledig worden geëerbiedigd en omvat een klachtenmechanisme. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wordt geraadpleegd over de bepalingen van de statusovereenkomst die betrekking hebben op de overdracht van gegevens, als deze bepalingen substantieel afwijken van de modelstatusovereenkomst.

4.   Het Agentschap treedt, waar van toepassing, ook op in het kader van met de in lid 1 van dit artikel bedoelde autoriteiten gemaakte werkafspraken overeenkomstig het recht en beleid van de Unie, in overeenstemming met artikel 76, lid 4.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde werkafspraken specificeren het toepassingsgebied, de aard en het doel van de samenwerking en houden verband met het beheer van operationele samenwerking. Dergelijke werkafspraken kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de uitwisseling van gevoelige niet-gerubriceerde informatie en samenwerking in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 74, lid 3.

Het Agentschap zorgt ervoor dat derde landen aan wie informatie wordt overgedragen die informatie alleen verwerken voor de doeleinden waarvoor de informatie werd overgedragen. Alle werkafspraken met betrekking tot de uitwisseling van gerubriceerde informatie worden gesloten overeenkomstig artikel 76, lid 4, van deze verordening. Het Agentschap vraagt voorafgaande goedkeuring van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming indien die werkafspraken voorzien in de overdracht van persoonsgegevens en indien hierin is voorzien in Verordening (EU) 2018/1725.

5.   Het Agentschap draagt bij tot de uitvoering van het externe beleid van de Unie inzake terugkeer en overname in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, en met betrekking tot terreinen die onder deze verordening vallen.

6.   Het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten voor steun aan, en voor activiteiten met betrekking tot, derde landen. Het kan het initiatief nemen voor en financiële bijstand verlenen aan projecten voor technische bijstand in derde landen met betrekking tot aangelegenheden die onder deze verordening vallen, overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling. Deze projecten worden opgenomen in het in artikel 102 bedoelde enkelvoudig programmeringsdocument.

7.   Het Agentschap stelt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel verrichte activiteiten en meer bepaald van de activiteiten in verband met technische en operationele bijstand op het gebied van grensbeheer en terugkeer in derde landen en de inzet van verbindingsfunctionarissen, en verstrekt hen gedetailleerde informatie over de eerbiediging van de grondrechten. Het Agentschap maakt de overeenkomsten, werkafspraken, proefprojecten en technische bijstandsprojecten met derde landen openbaar overeenkomstig artikel 114, lid 2.

8.   Het Agentschap neemt in zijn jaarverslagen een beoordeling van de samenwerking met derde landen op.

Artikel 74

Technische en operationele bijstand die door het Agentschap aan derde landen wordt verleend

1.   Het Agentschap kan de operationele samenwerking tussen lidstaten en derde landen coördineren en technische en operationele bijstand verlenen aan derde landen in het kader van het Europees geïntegreerd grensbeheer.

2.   Het Agentschap mag acties in verband met het Europees geïntegreerd grensbeheer van een derde land uitvoeren op het grondgebied, op voorwaarde dat het derde land daarmee instemt.

3.   Operaties op het grondgebied van een derde land worden opgenomen in het door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 102, aangenomen jaarlijkse werkprogramma en worden uitgevoerd op basis van een operationeel plan waarover overeenstemming is bereikt tussen het Agentschap en het desbetreffende derde land, en in overleg met de deelnemende lidstaten. Ingeval een lidstaat of lidstaten buren zijn van het derde land of grenzen aan het operationele gebied van het derde land, is het operationeel plan, alsmede alle wijzigingen hierin, afhankelijk van de instemming hiermee van die lidsta(a)t(en). De artikelen 38, 43, 46, 47 en 54 tot en met 57 zijn van overeenkomstige toepassing op de inzet in derde landen.

4.   De uitvoerend directeur zorgt voor de veiligheid van het personeel dat in derde landen wordt ingezet.

Voor de toepassing van de eerste alinea stellen de lidstaten de uitvoerend directeur in kennis van elk bezwaar met betrekking tot de veiligheid van hun onderdanen, mochten deze op het grondgebied van bepaalde derde landen worden ingezet.

Wanneer de veiligheid van een in derde landen ingezet personeelslid niet kan worden gegarandeerd, neemt de uitvoerend directeur passende maatregelen door de overeenkomstige aspecten van de technische en operationele bijstand die het Agentschap aan dat derde land verleent, te schorsen of te beëindigen.

5.   Onverminderd de inzet van de leden van het permanente korps overeenkomstig de artikelen 54 tot en met 58 geschiedt de deelname van lidstaten aan operaties op het grondgebied van derde landen op vrijwillige basis.

Naast het desbetreffende in artikel 57, lid 9, en lid 4 van dit artikel bedoelde mechanisme, kan een lidstaat, wanneer de veiligheid van zijn deelnemende personeel niet tot zijn volle tevredenheid kan worden gegarandeerd, afzien van zijn bijdrage aan de operatie in het derde land in kwestie. Indien een lidstaat zich beroept op een dergelijke buitengewone omstandigheid, verstrekt deze lidstaat het Agentschap schriftelijk een uitgebreide motivering en informatie over deze omstandigheid, waarvan de inhoud wordt opgenomen in het in artikel 65 bedoelde verslag. Die motivering en informatie wordt verstrekt tijdens de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen of uiterlijk 21 dagen voor de inzet De inzet van personeel dat overeenkomstig artikel 56 wordt gedetacheerd, is onderworpen aan de toestemming van de lidstaat van herkomst die wordt meegedeeld na kennisgeving door het Agentschap en uiterlijk 21 dagen voor de inzet.

6.   Operationeel plannen als bedoeld in lid 3kunnen bepalingen bevatten betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking ten behoeve van Eurosur, in overeenstemming met de artikelen 75 en 89.

Artikel 75

Informatie-uitwisseling met derde landen in het kader van Eurosur

1.   De nationale coördinatiecentra van de lidstaten en, voor zover relevant, het Agentschap zijn de contactpunten voor informatie-uitwisseling en samenwerking met derde landen ten behoeve van Eurosur.

2.   De bepalingen betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking ten behoeve van Eurosur, vervat in de bilaterale en multilaterale akkoorden bedoeld in artikel 72, lid 2, hebben betrekking op:

a)

de specifieke situatiebeelden die met derde landen worden gedeeld;

b)

de van derde landen afkomstige gegevens die kunnen worden gedeeld in het Europees situatiebeeld en de procedures voor de uitwisseling van deze gegevens;

c)

de procedures en voorwaarden voor het verstrekken van Fusion Services van Eurosur aan de autoriteiten van derde landen;

d)

de nadere regels betreffende samenwerking en informatie-uitwisseling met waarnemers van derde landen voor Eurosur-doeleinden.

3.   Informatie die in het kader van Eurosur is verstrekt door het Agentschap of door een lidstaat die geen partij is bij een in artikel 72, lid 1, bedoelde overeenkomst, wordt niet gedeeld met een derde land dat geen partij is bij die overeenkomst zonder de voorafgaande toestemming van het Agentschap of die lidstaat. De lidstaten en het Agentschap zijn gebonden door de weigering om die informatie te delen met het betrokken derde land.

Artikel 76

Rol van de Commissie met betrekking tot samenwerking met derde landen

1.   De Commissie stelt na overleg met de lidstaten, het Agentschap, het FRA en de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming een modelstatusovereenkomst op voor acties op het grondgebied van derde landen.

2.   In samenwerking met de lidstaten en het Agentschap stelt de Commissie modelbepalingen op voor de uitwisseling van informatie in het kader van Eurosur overeenkomstig artikel 70, lid 2, en artikel 72, lid 2.

Na raadpleging van het Agentschap en andere relevante organen of instanties van de Unie, waaronder het FRA en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, stelt de Commissie een model op voor de in artikel 73, lid 4, bedoelde werkafspraken. Dit model omvat bepalingen met betrekking tot de grondrechten en waarborgen op het gebied van gegevensbescherming met betrekking tot praktische maatregelen.

3.   Alvorens een nieuwe in artikel 72, lid 1, bedoelde bilaterale of multilaterale overeenkomst wordt gesloten, melden de betrokken lidstaten de ontwerpbepalingen ervan inzake grensbeheer en terugkeer aan bij de Commissie.

De betrokken lidstaten melden de bepalingen inzake grensbeheer en terugkeer van dergelijke bestaande en nieuwe bilaterale en multilaterale overeenkomsten aan bij de Commissie, die de Raad en het Agentschap daarover informeert.

4.   Alvorens werkafspraken tussen het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van derde landen worden goedgekeurd door de raad van bestuur, meldt het Agentschap deze aan bij de Commissie, die zijn voorafgaande goedkeuring moet verlenen. Het Agentschap verstrekt het Europees Parlement, voordat een dergelijke werkafspraak wordt gemaakt, gedetailleerde informatie over de partijen bij de werkafspraak en de beoogde inhoud ervan.

5.   Het Agentschap meldt de in artikel 74, lid 3, bedoelde operationele plannen aan bij de Commissie. Elk besluit om verbindingsfunctionarissen in te zetten in derde landen, overeenkomstig artikel 77, vereist voorafgaand advies van de Commissie. Het Europees Parlement wordt van deze activiteiten onverwijld en volledig op de hoogte gehouden.

Artikel 77

Verbindingsfunctionarissen in derde landen

1.   Het Agentschap kan deskundigen van zijn statutair personeelsbestand en andere deskundigen als verbindingsfunctionarissen in derde landen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van immigratieverbindingsfunctionarissen en veiligheidsdeskundigen van de Unie en van de lidstaten, waaronder het netwerk dat op grond van Verordening (EU) 2019/1240 is ingesteld. Bij besluit van de raad van bestuur kan het Agentschap de specifieke profielen van verbindingsfunctionarissen opstellen, al naargelang de operationele behoeften in het betrokken derde land.

2.   In het kader van het beleid inzake het externe optreden van de Unie wordt bij de inzet van verbindingsfunctionarissen prioriteit gegeven aan de derde landen die volgens een risicoanalyse een land van herkomst of doorreis voor illegale immigratie zijn. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap verbindingsfunctionarissen ontvangen die door deze derde landen ter beschikking zijn gesteld. De raad van bestuur stelt jaarlijks op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur de lijst met prioriteiten vast. De inzet van verbindingsfunctionarissen wordt door de raad van bestuur goedgekeurd, na advies van de Commissie.

3.   De taken van de verbindingsfunctionarissen van het Agentschap omvatten het leggen en onderhouden van contacten met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot het voorkomen en bestrijden van illegale immigratie en tot de terugkeer van terugkeerders, onder meer door technische bijstand te verlenen voor het identificeren van onderdanen van derde landen en het verkrijgen van reisdocumenten. Die taken worden uitgevoerd met inachtneming van het recht van de Unie en eerbiedigen de grondrechten De activiteiten van die verbindingsfunctionarissen van het Agentschap worden nauwgezet gecoördineerd met die van de delegaties van de Unie, die van de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1240 en, voor zover relevant, die van GVDB-missies en -operaties zoals uiteengezet in artikel 68, lid 1, tweede alinea, onder j). Zij hebben hun kantoren waar mogelijk in dezelfde gebouwen als de delegaties van de Unie.

4.   In derde landen waar het Agentschap geen verbindingsfunctionarissen voor terugkeer inzet, kan het Agentschap een lidstaat ondersteunen bij de inzet van een verbindingsfunctionaris voor terugkeer, met het oog op het verlenen van bijstand aan de lidstaten en bij de activiteiten van het Agentschap, overeenkomstig artikel 48.

Artikel 78

Waarnemers die deelnemen aan de activiteiten van het Agentschap

1.   Met instemming van de betrokken lidstaten kan het Agentschap waarnemers van instellingen, organen en instanties van de Unie of van internationale organisaties en GVDB-missies en in artikel 68, lid 1, tweede alinea, onder j), bedoelde operaties uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, met name aan gezamenlijke operaties en proefprojecten, risicoanalyses en opleidingen, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid en beveiliging van die activiteiten. De deelname van deze waarnemers aan risicoanalyses en opleidingen is afhankelijk van de instemming van de betrokken lidstaten. Wat gezamenlijke operaties en proefprojecten betreft, is de deelname van waarnemers afhankelijk van de instemming van de ontvangende lidstaat. Het operationeel plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, worden zij op passende wijze opgeleid door het Agentschap.

2.   Met instemming van de betrokken lidstaten kan het Agentschap waarnemers van derde landen uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten aan de buitengrenzen, terugkeeroperaties, terugkeerinterventies en opleidingen, als bedoeld in artikel 62, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot een betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten of op de veiligheid van onderdanen van derde landen. Het operationeel plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, worden zij op passende wijze opgeleid door het Agentschap. Zij worden ook verplicht om tijdens hun deelname aan de activiteiten de gedragscode van het Agentschap na te leven.

3.   Het Agentschap zorgt ervoor dat de aanwezigheid van waarnemers geen risico’s met zich meebrengt in verband met de eerbiediging van de grondrechten.

HOOFDSTUK III

VALSE EN AUTHENTIEKE DOCUMENTEN ONLINE (FADO)

Artikel 79

Het Agentschap neemt het overeenkomstig Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ opgezette systeem Valse documenten en authentieke documenten online (“FADO”) over en beheert het.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1

Algemene regels

Artikel 80

Bescherming van de grondrechten en een grondrechtenstrategie

1.   Overeenkomstig het relevante recht van de Unie waarborgt de Europese grens- en kustwacht bij het uitoefenen van zijn taken op grond van deze verordening de bescherming van de grondrechten, met name het Handvest en het relevante internationale recht, waaronder het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het protocol van 1967 bij dit Verdrag, het Verdrag inzake de rechten van het kind en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement.

Daartoe stelt het Agentschap, met de bijdrage van en onder voorbehoud van goedkeuring door de grondrechtenfunctionaris, een grondrechtenstrategie en een grondrechtenactieplan op, waaronder een doeltreffend mechanisme om erop toe te zien dat bij alle activiteiten van het Agentschap de grondrechten worden geëerbiedigd, voert deze strategie uit en werkt dat plan nader uit.

2.   De Europese grens- en kustwacht waarborgt bij het uitoefenen van zijn taken datgeen enkele persoon, in strijd met het beginsel van non-refoulement, wordt gedwongen te ontschepen in, binnen te reizen in, wordt geleid naar of op een andere wijze wordt overgedragen aan of teruggeleid naar de autoriteiten van een land waar hij onder andere een ernstig risico loopt om aan de doodstraf, foltering, vervolging of een andere onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing te worden onderworpen, of waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit, seksuele geaardheid, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, of waar hij het risico loopt op uitzetting, verwijdering, uitlevering of terugkeer naar een ander land in strijd met het beginsel van non-refoulement.

3.   De Europese grens- en kustwacht houdt bij het uitoefenen van zijn taken rekening met de bijzondere behoeften van kinderen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, slachtoffers van mensenhandel, personen die medische bijstand behoeven, personen die internationale bescherming behoeven, personen die op zee in nood verkeren en andere personen in een bijzonder kwetsbare situatie, en komt binnen zijn mandaat tegemoet aan deze behoeften. De Europese grens- en kustwacht besteedt bij al zijn activiteiten bijzondere aandacht aan de kinderrechten en garandeert dat de belangen van kinderen worden geëerbiedigd.

4.   Het Agentschap houdt bij het uitoefenen van zijn taken in zijn betrekkingen met lidstaten en zijn samenwerking met derde landen rekening met de verslagen van het in artikel 108 bedoelde adviesforum en van de grondrechtenfunctionaris.

Artikel 81

Gedragscode

1.   Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op die van toepassing is op alle door het Agentschap gecoördineerde grenstoezichtoperaties en op alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtsstaat en eerbiediging van de grondrechten, met bijzondere nadruk op kwetsbare personen, waaronder kinderen, niet-begeleide minderjarigen en andere personen in een kwetsbare situatie, en op personen die internationale bescherming vragen.

2.   Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op voor terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, die geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde of georganiseerde terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures beschreven die de organisatie van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies moeten vereenvoudigen, en waarborgen dat de terugkeer op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten verloopt, meer bepaald van de beginselen van de menselijke waardigheid, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

3.   In de gedragscode voor terugkeer wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem op te zetten voor het toezicht op gedwongen terugkeer, en aan de grondrechtenstrategie.

Artikel 82

Taken en bevoegdheden van de teamleden

1.   De ingezette teamleden van het permanente korps zijn in staat taken te verrichten en bevoegdheden uit te oefenen die nodig zijn voor grenstoezicht en terugkeer en voor het verwezenlijken van de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 656/2014 en Verordening (EU) 2016/399 en Richtlijn 2008/115/EG.

2.   De verrichting van de taken en de uitoefening van bevoegdheden door teamleden, met name die waarvoor uitvoerende bevoegdheden nodig zijn, zijn afhankelijk van de toestemming van de ontvangende lidstaat op zijn grondgebied en het toepasselijke Unie-, nationaal of internationaal recht, met name Verordening (EU) nr. 656/2014, zoals omschreven in het operationeel plan als bedoeld in artikel 38.

3.   Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden zorgen de teamleden ervoor dat de grondrechten volledig worden geëerbiedigd en nemen zij het recht van de Unie en het internationale recht in acht, alsook het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

4.   Onverminderd artikel 95, lid 1, met betrekking tot statutair personeel verrichten de teamleden uitsluitend taken en oefenen zij uitsluitend bevoegdheden uit op instructie van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters of personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken van de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat mag de teamleden toestaan namens hem op te treden.

5.   De ontvangende lidstaat kan het Agentschap via de coördinerend functionaris in kennis stellen van incidenten in verband met de niet-naleving van het operationeel plan door teamleden, onder meer met betrekking tot de grondrechten, met het oog op een mogelijke follow-up, waaronder eventueel disciplinaire maatregelen.

6.   Statutaire personeelsleden die teamleden zijn, dragen het uniform van het permanent korps tijdens de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden. Teamleden die door de lidstaten voor lange tijd zijn gedetacheerd of voor korte tijd zijn ingezet dragen hun eigen uniform bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid worden in het in artikel 54, lid 4, onder a), bedoelde besluit van de raad van bestuur de profielen vastgesteld waarvoor de verplichting om een uniform te dragen niet geldt vanwege de specifieke aard van de operationele activiteit.

Alle teamleden dragen op hun uniform een zichtbaar kenmerk dat persoonlijke identificatie mogelijk maakt en een blauwe armband met het insigne van de Unie en van het Agentschap, waardoor zij als deelnemer aan een gezamenlijke operatie, een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, een proefproject, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie kunnen worden geïdentificeerd. Om zich tegenover de nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat te kunnen identificeren, hebben teamleden altijd een accreditatiedocument bij zich, dat zij op verzoek tonen.

Het ontwerp en de specificaties voor de uniformen van het statutair personeel worden bepaald in een besluit van de raad van bestuur, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur dat wordt gedaan na ontvangst van het advies van de Commissie.

7.   Voor personeel dat bij het Agentschap is gedetacheerd of voor korte tijd vanuit een lidstaat is ingezet, is de nationale wetgeving van de lidstaat van herkomst van toepassing op de mogelijkheid om dienstwapens, munitie en uitrusting te dragen en te gebruiken.

Het kader en de gedetailleerde regels van dit artikel en bijlage V zijn van toepassing op de mogelijkheid van statutaire personeelsleden die als teamleden worden ingezet om dienstwapens, munitie en uitrusting te dragen en te gebruiken.

Voor de tenuitvoerlegging van dit lid kan de uitvoerend directeur leden van het statutair personeel toestaan overeenkomstig de door de raad van bestuur vastgestelde regels, in overeenstemming met artikel 55, lid 5, onder b), wapens te dragen en te gebruiken.

8.   Aan teamleden, met inbegrip van statutair personeel, wordt het voor de relevante profielen door de ontvangende lidstaat toegestaan om tijdens de inzet taken uit te voeren waarvoor het gebruik van geweld vereist is, met inbegrip van het dragen en gebruiken van dienstwapens, munitie en uitrusting, mits de lidstaat van herkomst of, in het geval van statutair personeel, van het Agentschap, daarmee instemt. Bij het gebruik van geweld, met inbegrip van het dragen en gebruiken van dienstwapens, munitie en uitrusting, wordt het nationaal recht van de ontvangende lidstaat nageleefd en zijn grenswachters van de ontvangende lidstaat aanwezig. De ontvangende lidstaat kan, indien de lidstaat van herkomst of, voor zover van toepassing, het Agentschap daarmee instemt, teamleden de toestemming geven om op zijn grondgebied in afwezigheid van de grenswachters van de ontvangende lidstaat geweld te gebruiken.

De ontvangende lidstaat kan bepaalde dienstwapendracht, munitie en uitrusting verbieden op voorwaarde dat zijn eigen wetgeving voorziet in dezelfde verbodsbepalingen voor eigen grenswachters of personeelsleden wanneer die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer. Alvorens de teamleden worden ingezet, laat de ontvangende lidstaat het Agentschap weten welke dienstwapens, munitie en uitrusting zijn toegestaan en in welke omstandigheden zij mogen worden gebruikt. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van de lidstaten.

9.   Dienstwapens, munitie en uitrusting mogen worden gebruikt in geval van wettige zelfverdediging en wettige verdediging van teamleden of andere personen, met inachtneming van het nationale recht van de ontvangende lidstaat, in overeenstemming met de relevante beginselen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het Handvest.

10.   Voor de toepassing van deze verordening staat de ontvangende lidstaat teamleden toe Uniedatabanken te raadplegen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de operationele doelstellingen, als vastgesteld in het operationeel plan inzake grenscontroles, grensbewaking en terugkeer via hun nationale interfaces of een andere vorm van toegang waarin is voorzien in de rechtshandelingen van de Unie waarbij dergelijke databanken worden ingesteld, voor zover van toepassing. De ontvangende lidstaat kan teamleden toestaan zijn nationale databanken te raadplegen als dat nodig is voor hetzelfde doel. De lidstaten zorgen ervoor dat zij op doeltreffende en doelmatige wijze toegang verstrekken tot deze databanken. Teamleden raadplegen uitsluitend de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden. Alvorens de teamleden worden ingezet, deelt de ontvangende lidstaat het Agentschap mee welke nationale en databanken van de Unie mogen worden geraadpleegd. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van alle lidstaten die aan de inzet deelnemen.

De raadpleging gebeurt met inachtneming van het recht van de Unie op het gebied van gegevensbescherming en het nationale recht van de ontvangende lidstaat op het gebied van gegevensbescherming.

11.   Beslissingen tot weigering van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399 en beslissingen tot weigering van visa aan de grens overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EG) nr. 810/2009 worden uitsluitend door grenswachters van de ontvangende lidstaat genomen of door teamleden als zij van de ontvangende lidstaat de toestemming hebben gekregen om namens deze laatste op te treden.

Artikel 83

Accreditatiedocument

1.   In samenwerking met de ontvangende lidstaat geeft het Agentschap een document in de officiële taal van de ontvangende lidstaat en een andere officiële taal van de instellingen van de Unie af aan de teamleden, waarmee zij zich kunnen identificeren en aantonen dat zij het recht hebben de in artikel 82 vermelde taken uit te voeren en bevoegdheden uit te oefenen. Op dit document worden de volgende gegevens van elk teamlid vermeld:

a)

naam en nationaliteit;

b)

rang of functie;

c)

een recente digitale foto, en

d)

taken die tijdens de inzet mogen worden uitgevoerd.

2.   Na afloop van elke gezamenlijke operatie, inzet als ondersteuningsteam voor migratiebeheer, proefproject, snelle grensinterventie, terugkeeroperatie of terugkeerinterventie wordt het document teruggegeven aan het Agentschap.

Artikel 84

Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de teamleden

1.   Wanneer teamleden actief zijn in een ontvangende lidstaat, is die lidstaat, onverminderd artikel 95, overeenkomstig zijn nationale recht aansprakelijk voor alle schade die tijdens de operaties door de teamleden wordt veroorzaakt.

2.   Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van door de lidstaten gedetacheerde of ingezette teamleden, kan de ontvangende lidstaat de lidstaat van herkomst verzoeken de bedragen aan hem terug te betalen die de ontvangende lidstaat namens de lidstaat van herkomst aan de schadelijders of personen die het recht hebben deze bedragen namens hen te ontvangen, heeft uitgekeerd.

Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag door statutair personeel, kan de ontvangende lidstaat het Agentschap verzoeken om terugbetaling aan hem van de bedragen die de ontvangende lidstaat aan de schadelijders of personen die het recht hebben deze bedragen namens hen te ontvangen, heeft uitgekeerd. Dit doet geen afbreuk aan eventuele vorderingen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “Hof van Justitie”) tegen het Agentschap overeenkomstig artikel 98.

3.   Onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden doet elke lidstaat afstand van al zijn vorderingen tegen de ontvangende lidstaat of elke andere lidstaat met betrekking tot de door hem geleden schade, tenzij de schade door grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag is veroorzaakt.

4.   Geschillen tussen lidstaten, of tussen een lidstaat en het Agentschap, in verband met de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel die niet kunnen worden beslecht door onderlinge onderhandelingen, worden door de betrokkenen aan het Hof van Justitie voorgelegd.

5.   Behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag worden kosten voor schade aan de uitrusting van het Agentschap worden gedekt door het Agentschap, onverminderd de uitoefening van zijn rechten tegenover derden.

Artikel 85

Strafrechtelijke aansprakelijkheid van de teamleden

Onverminderd artikel 95 worden tijdens een gezamenlijke operatie, proefproject, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, een snelle grensinterventie, terugkeeroperatie of terugkeerinterventie teamleden op het grondgebied van de ontvangende lidstaat, met inbegrip van het statutair personeel van het Agentschap, op dezelfde wijze behandeld als functionarissen van de ontvangende lidstaat voor wat betreft alle eventuele strafbare feiten die tegen hen of door hen worden gepleegd.

AFDELING 2

Verwerking van persoonsgegevens door het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Artikel 86

Algemene regels inzake de verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap

1.   Het Agentschap past bij de verwerking van persoonsgegevens Verordening (EU) 2018/1725 toe.

2.   De raad van bestuur stelt interne regels vast voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door het Agentschap, waaronder regels betreffende de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap.

Het Agentschap kan, in overeenstemming met artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725, interne regels vaststellen om de toepassing van de artikelen 14 tot en met 22, 35 en 36 van die verordening te beperken. Voor de uitvoering van zijn taken op het gebied van terugkeer mag het Agentschap in het bijzonder interne regels vaststellen om de toepassing van die bepalingen per geval te beperken zolang als de toepassing van die bepalingen de terugkeerprocedure in gevaar zou kunnen brengen. Dergelijke beperkingen eerbiedigen de geest van de grondrechten en de fundamentele vrijheden, zijn noodzakelijk voor en evenredig aan de nagestreefde doelstellingen en bevatten in voorkomend geval specifieke bepalingen als bedoeld in artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725.

3.   Het Agentschap mag de persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 49, 88 en 89 overdragen aan een derde land of een internationale organisatie overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/1725, voor zover die overdracht nodig is voor de uitvoering van de taken van het Agentschap. Het Agentschap zorgt ervoor dat persoonsgegevens die worden overgedragen aan een derde land of een internationale organisatie alleen worden verwerkt voor het doel waarvoor zij werden verstrekt. Het Agentschap geeft op het moment van overdracht van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie aan of er algemene of specifieke toegangs- of gebruiksbeperkingen voor deze gegevens gelden, ook met betrekking tot het overdragen, wissen of vernietigen. Wanneer na de overdracht van persoonsgegevens duidelijk wordt dat dergelijke beperkingen nodig zijn, stelt het Agentschap het derde land of de internationale organisatie daar dienovereenkomstig van in kennis. Het Agentschap ziet erop toe dat het betrokken derde land of de betrokken internationale organisatie zich aan deze beperkingen houdt.

4.   Overdrachten van persoonsgegevens aan derde landen doen geen afbreuk aan de rechten van aanvragers, en van begunstigden, van internationale bescherming, met name wat betreft non-refoulement, en het verbod op het bekendmaken of verkrijgen van informatie als uiteengezet in artikel 30 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (43).

5.   De lidstaten en het Agentschap zorgen er in voorkomend geval voor dat informatie die aan derde landen wordt overgedragen of bekendgemaakt op grond van deze verordening niet verder wordt doorgezonden aan andere derde landen of andere derden. In elke overeenkomst of regeling die wordt aangegaan met een derde land die voorziet in de uitwisseling van informatie, worden bepalingen daartoe opgenomen.

Artikel 87

Doelen van de verwerking van persoonsgegevens

1.   Het Agentschap mag persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de volgende doelen:

a)

het uitvoeren van zijn taken die erin bestaan gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies te organiseren en te coördineren en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 40;

b)

het uitvoeren van zijn taken voor de ondersteuning van lidstaten en derde landen bij activiteiten voorafgaand aan de terugkeer en terugkeeractiviteiten, voor de werking van terugkeerbeheersystemen, voor de coördinatie of organisatie van terugkeeroperaties en voor het verstrekken van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen overeenkomstig artikel 48;

c)

het faciliteren van de informatie-uitwisseling met lidstaten, de Commissie, de EDEO en de volgende organen en instanties van de Unie en internationale organisaties: het EASO, het Satellietcentrum van de Europese Unie, het EFCA, het EMSA, het EASA en de netwerkbeheerder voor netwerkfuncties van het EATMN, overeenkomstig artikel 88;

d)

het faciliteren van de informatie-uitwisseling met de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten, Europol en Eurojust, overeenkomstig artikel 90;

e)

het uitvoeren van risicoanalyses, overeenkomstig artikel 29;

f)

het uitvoeren van zijn taken in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 89;

g)

het beheren van het FADO-systeem, overeenkomstig artikel 79;

h)

administratieve taken.

2.   Lidstaten en hun rechtshandhavingsinstanties, de Commissie, de EDEO, en de organen en instanties van de Unie en internationale organisaties bedoeld in lid 1, onder c) en d), die persoonsgegevens verstrekken aan het Agentschap, leggen het doel of de doelen vast waarvoor deze gegevens worden verwerkt zoals bedoeld in lid 1. Het Agentschap kan alleen per geval besluiten dergelijke persoonsgegevens te verwerken voor een ander doel dat eveneens onder lid 1 valt, nadat het heeft geoordeeld dat deze verwerking verenigbaar is met het oorspronkelijke doel waarvoor de gegevens werden verzameld en indien degene die de gegevens heeft verstrekt toestemming heeft gegeven. Het Agentschap houdt schriftelijke gegevens bij van de verenigbaarheidsbeoordelingen per geval.

3.   Het Agentschap, de lidstaten en hun rechtshandhavingsinstanties, de Commissie, de EDEO, en de organen en instanties van de Unie en internationale organisaties bedoeld in lid 1, onder c) en d), kunnen op het moment van de verstrekking van persoonsgegevens algemene of specifieke beperkingen voor de toegang tot of het gebruik van die gegevens stellen, ook met betrekking tot het overdragen, wissen of vernietigen van die gegevens. Wanneer na de overdracht van persoonsgegevens duidelijk wordt dat dergelijke beperkingen nodig zijn, stellen zij de ontvangers daar dienovereenkomstig van in kennis. De ontvangers houden zich aan deze beperkingen.

Artikel 88

Verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld tijdens gezamenlijke operaties, terugkeeroperaties, terugkeerinterventies, proefprojecten, snelle grensinterventies en de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.   Voorafgaand aan elke gezamenlijke operatie, terugkeeroperatie, terugkeerinterventie, proefproject, snelle grensinterventie of inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, stellen het Agentschap en de ontvangende lidstaat op transparante wijze de verantwoordelijkheden vast voor de naleving van de verplichtingen op het gebied van gegevensbescherming. Wanneer het doel en de wijze van verwerking gezamenlijk door het Agentschap en de ontvangende lidstaat worden vastgesteld, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken door het maken van een onderlinge regeling.

Voor de doeleinden bedoeld in artikel 87, lid 1, onder a), b), c), e) en f), verwerkt het Agentschap enkel de volgende persoonsgegevens die door de lidstaten, teamleden, het eigen personeel van het Agentschap of het EASO in de context van gezamenlijke operaties, terugkeeroperaties, terugkeerinterventies, proefprojecten, snelle grensinterventies en de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer zijn verzameld en aan het Agentschap zijn doorgestuurd:

a)

de persoonsgegevens van personen die de buitengrenzen zonder toestemming overschrijden;

b)

persoonsgegevens die nodig zijn om de identiteit en de nationaliteit van onderdanen van derde landen te bevestigen in het kader van de terugkeeractiviteiten, met inbegrip van passagierslijsten;

c)

kentekennummers, identificatienummers van voertuigen, telefoonnummers of identificatienummers van schepen en luchtvaartuigen, die verband houden met de onder a) genoemde personen en die nodig zijn voor het analyseren van routes en methoden die voor illegale immigratie worden gebruikt.

2.   In de volgende gevallen mag het Agentschap de in lid 1 bedoelde persoonsgegevens verwerken:

a)

wanneer de doorgifte van die gegevens aan de autoriteiten van de relevante lidstaten die bevoegd zijn voor grenstoezicht, migratie, asiel of terugkeer, of aan relevante organen en instanties van de Unie nodig is opdat deze autoriteiten of organen en instanties van de Unie hun taken zouden kunnen vervullen overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht;

b)

wanneer doorgifte van die gegevens aan de autoriteiten van relevante lidstaten, relevante organen en instanties van de Unie, derde landen van terugkeer of internationale organisaties nodig is om onderdanen van derde landen te identificeren, reisdocumenten te verkrijgen en terugkeer mogelijk te maken of te ondersteunen;

c)

wanneer dat nodig is voor de voorbereiding van risicoanalyses.

Artikel 89

Verwerking van persoonsgegevens in het kader van Eurosur

1.   Indien het nationale situatiebeeld vereist dat persoonsgegevens worden verwerkt, gebeurt dat overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en, in voorkomend geval, Richtlijn (EU) 2016/680. Elke lidstaat wijst de autoriteit aan die moet worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679 of artikel 3, punt 8, van Richtlijn (EU) 2016/680, al naargelang van het geval, en die de centrale verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van persoonsgegevens door die lidstaat. Elke lidstaat deelt de gegevens van die autoriteit mee aan de Commissie.

2.   Identificatienummers van schepen en luchtvaartuigen zijn de enige persoonsgegevens waartoe toegang mag worden gegeven in de Europese situatiebeelden en specifieke situatiebeelden en de Fusion Services van Eurosur.

3.   Wanneer de verwerking van gegevens in Eurosur bij wijze van uitzondering de verwerking van andere persoonsgegevens dan identificatienummers van schepen en luchtvaartuigen vereist, wordt een dergelijke verwerking strikt beperkt tot hetgeen voor de toepassing van Eurosur overeenkomstig artikel 18 noodzakelijk is.

4.   Elke uitwisseling van persoonsgegevens met derde landen in het kader van Eurosur wordt strikt beperkt tot hetgeen voor de toepassing van deze verordening noodzakelijk is. Hiertoe wordt overgegaan overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/1725 door het Agentschap, hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679, hoofdstuk V van Richtlijn (EU) 2016/680, al naargelang het geval, en de toepasselijke nationale bepalingen betreffende gegevensbescherming die die richtlijn omzetten, door de lidstaten.

5.   Elke informatie-uitwisseling overeenkomstig artikel 72, lid 2, artikel 73, lid 3, en artikel 74, lid 3, waarbij een derde land gegevens ontvangt die zouden kunnen worden gebruikt voor het identificeren van personen of groepen van personen wier verzoek om internationale bescherming in behandeling is of die een ernstig risico lopen om aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen of andere schendingen van grondrechten te worden onderworpen, is verboden.

6.   De lidstaten en het Agentschap houden gegevens bij van de verwerkingsactiviteiten overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 24 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 31 van Verordening (EU) 2018/1725, al naargelang het geval.

Artikel 90

Verwerking van operationele persoonsgegevens

1.   Wanneer het Agentschap bij het uitoefenen van zijn taken uit hoofde van artikel 10, lid 1, onder a), van de onderhavige verordening, persoonsgegevens verwerkt die het heeft verzameld tijdens het monitoren van migratiestromen, het verrichten van risicoanalyses of tijdens zijn werkzaamheden met het oog op de identificatie van verdachten van grensoverschrijdende criminaliteit, verwerkt het deze persoonsgegevens overeenkomstig hoofdstuk IX van Verordening (EU) 2018/1725. Voor dit doel verwerkte persoonsgegevens, met inbegrip van kentekennummers, identificatienummers van voertuigen, telefoonnummers en identificatienummers van schepen of luchtvaartuigen die verband houden met deze personen, hebben betrekking op natuurlijke personen —die op een redelijke grond door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, Europol, Eurojust of het Agentschap worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende criminaliteit. Deze persoonsgegevens kunnen persoonsgegevens van slachtoffers of getuigen bevatten indien die persoonsgegevens een aanvulling vormen op de overeenkomstig dit artikel door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens van verdachten.

2.   Het Agentschap wisselt enkel persoonsgegevens als bedoeld in lid 1 van dit artikel uit met:

a)

Europol of Eurojust indien zij strikt noodzakelijk voor de uitvoering van hun respectieve mandaten en in overeenstemming met artikel 68 zijn;

b)

de bevoegde ordehandhavingsautoriteiten van de lidstaten indien zij strikt noodzakelijk zijn voor die autoriteiten met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van ernstige grensoverschrijdende criminaliteit.

Artikel 91

Bewaring van gegevens

1.   Het Agentschap wist persoonsgegevens zodra deze zijn doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, andere organen en instanties van de Unie, met name het EASO, overgedragen aan derde landen of internationale organisaties, of gebruikt voor de voorbereiding van risicoanalyses. Ze mogen in geen geval langer dan 90 dagen na de datum waarop de gegevens zijn verzameld, worden bewaard. De gegevens worden geanonimiseerd in de uitkomsten van de risicoanalyses.

2.   Persoonsgegevens die worden verwerkt met het oog op de uitvoering van met terugkeer verband houdende taken, worden gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld, is verwezenlijkt, en niet later dan 30 dagen na de beëindiging van de met terugkeer verband houdende taken.

3.   Voor de toepassing van artikel 90 verwerkte operationele persoonsgegevens worden gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld, door het Agentschap is verwezenlijkt. Het Agentschap evalueert voortdurend de noodzaak van de opslag van dergelijke gegevens, met name de persoonsgegevens van slachtoffers en getuigen. Het Agentschap evalueert de noodzaak van de opslag van dergelijke gegevens in elk geval uiterlijk drie maanden na het begin van de eerste verwerking van die gegevens, en vervolgens om de zes maanden. Het Agentschap neemt uitsluitend een besluit over de verlenging van de opslag van persoonsgegevens — met name de persoonsgegevens van slachtoffers en getuigen — tot de volgende evaluatie indien deze opslag nog steeds noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van het Agentschap uit hoofde van artikel 90.

4.   Dit artikel is niet van toepassing op persoonsgegevens die in het kader van het FADO-systeem zijn verzameld.

Artikel 92

Beveiligingsregels voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.   Het Agentschap stelt eigen beveiligingsregels vast die gebaseerd zijn op de beginselen en regels die zijn vastgelegd in de beveiligingsregels van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, zoals bepalingen betreffende dergelijke uitwisselingen met derde landen, en de verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals uiteengezet in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (44) en (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (45). De Commissie moet voorafgaande goedkeuring verlenen voor alle administratieve regelingen inzake de uitwisseling van gerubriceerde informatie met de relevante autoriteiten van een derde land of, bij gebrek aan een dergelijke regeling, alle uitzonderlijke ad-hocvrijgaven van EUCI aan dergelijke autoriteiten.

2.   De raad van bestuur stelt de beveiligingsregels van het Agentschap vast na goedkeuring door de Commissie. Bij de beoordeling van de voorgestelde beveiligingsregels ziet de Commissie toe op de verenigbaarheid ervan met de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444.

3.   De rubricering belet niet dat informatie beschikbaar wordt gesteld aan het Europees Parlement. De overdracht en behandeling van de informatie en documenten die overeenkomstig deze verordening aan het Europees Parlement worden toegestuurd, moeten voldoen aan de voorschriften betreffende het doorzenden en behandelen van gerubriceerde informatie die van toepassing zijn tussen het Europees Parlement en de Commissie.

AFDELING 3

Algemeen kader en organisatie van het Agentschap

Artikel 93

Rechtsstatus en locatie

1.   Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   In elk van de lidstaten geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die aan rechtspersonen krachtens de wetgeving in de betreffende lidstaat wordt verleend. Het Agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

3.   Het is onafhankelijk met betrekking tot de uitvoering van zijn technische en operationele opdracht.

4.   Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

5.   De zetel van het Agentschap bevindt zich in Warschau, Polen.

Artikel 94

Zetelovereenkomst

1.   De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat waar de zetel is gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen faciliteiten, alsook de specifieke voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de plaatsvervangende uitvoerend directeurs, de leden van de raad van bestuur, het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft.

2.   De zetelovereenkomst wordt gesloten na goedkeuring door de raad van bestuur.

3.   De lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft, biedt optimale voorwaarden voor de goede werking van het Agentschap, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

Artikel 95

Personeel

1.   Het Statuut, de Regeling en de voorschriften die in overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ten behoeve van de uitvoering van dat Statuut en die Regeling, zijn van toepassing op het statutaire personeel.

2.   De standplaats bevindt zich in principe in de lidstaat waar de zetel van het Agentschap is gevestigd.

3.   Statutaire personeelsleden die onder de Regeling vallen, worden in principe in eerste instantie in dienst genomen voor een vaste periode van vijf jaar. Hun contracten kunnen in principe slechts een keer worden verlengd, voor een vaste periode van maximaal vijf jaar. Na de eerste verlenging kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd.

4.   Voor de toepassing van artikel 31 en artikel 44 kan alleen een statutair personeelslid op wie het Statuut of titel II van de Regeling van toepassing is, worden aangesteld als verbindingsfunctionarissen of coördinerende functionarissen. Voor de toepassing van artikel 55 kan alleen statutair personeel op wie het Statuut of de Regeling van toepassing is, worden ingezet als teamleden.

5.   De raad van bestuur stelt, in overeenstemming met de Commissie, regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut.

6.   Op voorwaarde dat de Commissie voorafgaande goedkeuring heeft gegeven, stelt de raad van bestuur regels vast met betrekking tot personeel van lidstaten dat bij het Agentschap wordt gedetacheerd overeenkomstig artikel 56; indien nodig worden deze regels door de raad van bestuur geactualiseerd. Deze regels omvatten met name de financiële regelingen voor deze detacheringen, inclusief verzekering, en opleiding. Deze regels houden rekening met het feit dat het personeel wordt gedetacheerd om te worden ingezet als teamleden en de bij artikel 83 voorziene taken en bevoegdheden krijgt. Deze regels bevatten eveneens bepalingen inzake de voorwaarden voor inzet. Voor zover relevant streeft de raad van bestuur naar samenhang met de regels die gelden voor de vergoeding van dienstreizen van statutair personeel.

Artikel 96

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie dat als bijlage is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en aan het VWEU is van toepassing op het Agentschap en zijn statutair personeel.

Artikel 97

Aansprakelijkheid

1.   Onverminderd de artikelen 84 en 85 is het Agentschap aansprakelijk voor alle activiteiten die het overeenkomstig deze verordening verricht.

2.   De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.

3.   Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Agentschap gesloten overeenkomst.

4.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn diensten of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade, ook in verband met het gebruik van uitvoerende bevoegdheden.

5.   Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

6.   De persoonlijke aansprakelijkheid van het statutaire personeel jegens het Agentschap wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut en de Regeling.

Artikel 98

Beroep bij het Hof van Justitie

1.   Bij het Hof van Justitie kan een beroep worden ingesteld voor de nietigverklaring van handelingen van het Agentschap die rechtsgevolgen ten aanzien van derden beogen, overeenkomstig artikel 263 VWEU, en voor het nalaten te handelen, overeenkomstig artikel 265 VWEU, wegens niet-contractuele aansprakelijkheid voor door het Agentschap veroorzaakte schade en, krachtens een arbitragebeding, wegens de contractuele aansprakelijkheid voor schade als gevolg van handelingen van het Agentschap, overeenkomstig artikel 340 VWEU.

2.   Het Agentschap treft de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de arresten van het Hof van Justitie.

Artikel 99

Administratieve en managementstructuur van het Agentschap

De administratieve en managementstructuur van het Agentschap bestaat uit:

a)

een raad van bestuur;

b)

een uitvoerend directeur;

c)

plaatsvervangende uitvoerend directeurs, en

d)

een grondrechtenfunctionaris;

Een adviesforum staat het Agentschap bij als adviserend orgaan.

Artikel 100

Functies van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur is verantwoordelijk voor het nemen van de strategische beslissingen van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening.

2.   De raad van bestuur:

a)

benoemt de uitvoerend directeur op basis van een voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 107;

b)

benoemt de plaatsvervangende uitvoerend directeurs op basis van een voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 107;

c)

neemt beslissingen om steunpunten op te richten of de bestaansduur van de werking ervan te verlengen overeenkomstig artikel 60, lid 5, met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden;

d)

neemt de beslissing om een kwetsbaarheidsbeoordeling uit te voeren, overeenkomstig artikel 32, leden 1 en 10; de beslissingen inzake maatregelen overeenkomstig artikel 32, lid 10, worden vastgesteld met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden;

e)

neemt beslissingen over de lijst van informatie en gegevens die verplicht met het Agentschap moeten worden uitgewisseld door de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer, met inbegrip van de kustwachters voor zover zij taken inzake grenstoezicht uitoefenen, alsook de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor terugkeer, teneinde het Agentschap in staat te stellen zijn taken uit te voeren, onverminderd de verplichtingen waarin deze verordening voorziet, met name in artikel 49 en de artikelen 86 tot en met 89;

f)

neemt beslissingen over de opstelling van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel, overeenkomstig artikel 29, lid 1;

g)

neemt beslissingen over de wijze en de voorwaarden waarop verbindingsfunctionarissen in de lidstaten kunnen worden ingezet, overeenkomstig artikel 31, lid 2;

h)

stelt een technische en operationele strategie voor Europees geïntegreerd grensbeheer vast, overeenkomstig artikel 8, lid 5;

i)

neemt beslissingen over de profielen en het aantal operationele personeelsleden voor grensbeheer en migratie in het permanente korps, overeenkomstig artikel 54, lid 4;

j)

stelt een jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap in het voorgaande jaar vast en zendt dit uiterlijk op 1 juli van elk jaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

k)

stelt ieder jaar vóór 30 november, rekening houdend met het advies van de Commissie, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden een enkelvoudig programmeringsdocument vast, dat onder meer de meerjarige programmering van het Agentschap en zijn werkprogramma voor het komende jaar bevat, en zendt dit toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

l)

stelt procedures vast voor besluiten van de uitvoerend directeur in verband met de technische en operationele taken van het Agentschap;

m)

stelt met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het Agentschap vast en voert andere functies uit met betrekking tot de begroting van het Agentschap, op grond van afdeling 4 van dit hoofdstuk;

n)

treedt als tuchtinstantie op ten aanzien van de uitvoerend directeur en, in onderling overleg met de uitvoerend directeur, ten aanzien van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs;

o)

stelt zijn reglement van orde vast;

p)

bepaalt de organisatorische structuur van het Agentschap en stelt het personeelsbeleid van het Agentschap vast;

q)

stelt een fraudebestrijdingsstrategie vast die evenredig is met de frauderisico’s en houdt daarbij rekening met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

r)

stelt interne regels vast voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;

s)

oefent, overeenkomstig lid 8, ten aanzien van het statutair personeel de bevoegdheden uit die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag en die de Regeling toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag (hierna “de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag” genoemd);

t)

stelt regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut;

u)

zorgt voor passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en beoordelingen en uit de onderzoeken van het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

v)

stelt de in artikel 10, lid 2, tweede alinea, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij;

w)

benoemt overeenkomstig het Statuut en de Regeling een rekenplichtige die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

x)

stelt een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode vast, met inbegrip van objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen en de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen moeten worden uitgevoerd;

y)

neemt een beslissing over een intensievere beoordeling en controle van een lidstaat, als bedoeld in artikel 32, lid 2;

z)

benoemt een grondrechtenfunctionaris en een plaatsvervangend grondrechtenfunctionaris overeenkomstig artikel 109;

aa)

stelt bijzondere regels vast om de onafhankelijkheid van de grondrechtenfunctionaris bij de uitvoering van zijn taken te waarborgen;

ab)

keurt de werkafspraken met derde landen goed;

ac)

stelt, na voorafgaande goedkeuring van de Commissie, de beveiligingsregels van het Agentschap vast voor wat de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde EU-informatie betreft, zoals vermeld in artikel 91;

ad)

benoemt, met inachtneming van het Statuut en de Regeling, een beveiligingsfunctionaris die verantwoordelijk is voor de beveiliging binnen het Agentschap, met inbegrip van de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie;

ae)

neemt beslissingen over andere onderwerpen waarin deze verordening voorziet.

Het onder j) bedoelde jaarlijks activiteitenverslag wordt openbaar gemaakt.

3.   Voorstellen voor de in lid 2 bedoelde besluiten van de raad van bestuur met betrekking tot specifieke activiteiten van het Agentschap aan of in de onmiddellijke nabijheid van de buitengrenzen van een specifieke lidstaat of met betrekking tot werkafspraken met derde landen als bedoeld in artikel 73, lid 4, vereisen dat het lid van de raad van bestuur dat die specifieke lidstaat respectievelijk de aan dat derde land grenzende lidstaat vertegenwoordigt voor aanneming van de betrokken voorstellen stemt.

4.   De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling van het operationele beheer van de buitengrenzen en opleiding, waaronder onderzoeksactiviteiten.

5.   Mocht Ierland of het Verenigd Koninkrijk verzoeken om deel te mogen nemen aan specifieke activiteiten, neemt de raad van bestuur hierover een besluit.

De raad van bestuur besluit per geval. In zijn besluiten houdt de raad van bestuur rekening met de vraag of de deelname van Ierland of het Verenigd Koninkrijk bijdraagt tot het welslagen van de betrokken activiteit. De besluiten bepalen de financiële bijdrage van Ierland of het Verenigd Koninkrijk aan de activiteit waarvoor het verzoek tot deelname is ingediend.

6.   De raad van bestuur doet het Europees Parlement en de Raad (“de begrotingsautoriteit”) jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de door het Agentschap uitgevoerde evaluatieprocedures toekomen.

7.   De raad van bestuur kan een uitvoerende raad opzetten die bestaat uit maximaal vier vertegenwoordigers van de raad van bestuur, daaronder begrepen de voorzitter, en een vertegenwoordiger van de Commissie, die de raad van bestuur en de uitvoerend directeur helpt bij de voorbereiding van de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten, programma’s en activiteiten, en zo nodig in spoedeisende gevallen namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige en dringende besluiten neemt. De uitvoerende raad neemt geen besluiten waarvoor meerderheid van twee derde in de raad van bestuur nodig is. De raad van bestuur kan bepaalde welomschreven taken delegeren aan de uitvoerende raad, met name wanneer de doeltreffendheid van het Agentschap daardoor verbetert. Een dergelijke delegatie aan de uitvoerende raad is niet toegestaan voor taken die verband houden met besluiten waarvoor een meerderheid van twee derde in de raad van bestuur nodig is.

8.   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat gebaseerd is op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden uiteenzet voor de schorsing van deze bevoegdheidsdelegatie. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk schorsen. Hij kan deze bevoegdheden dan zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander statutair personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 101

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   Onverminderd lid 3 bestaat de raad van bestuur uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie, die allen stemgerechtigd zijn. Daartoe benoemt iedere lidstaat een lid van de raad van bestuur alsmede een plaatsvervanger die het lid tijdens zijn afwezigheid vertegenwoordigt. De Commissie benoemt twee leden en twee plaatsvervangers. De duur van de ambtstermijn bedraagt vier jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.

2.   De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van hun relevante, uitgebreide ervaring en deskundigheid op het gebied van operationele samenwerking bij grensbeheer en terugkeer, en hun relevante vaardigheden op het gebied van management, bestuur en begroting. De lidstaten en de Commissie streven naar een evenwichtige gendervertegenwoordiging in de raad van bestuur.

3.   De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis nemen deel aan het Agentschap. Zij hebben ieder één vertegenwoordiger en één plaatsvervanger in de raad van bestuur. De regelingen die krachtens de desbetreffende bepalingen van hun associatieovereenkomsten zijn uitgewerkt en die de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van deze landen aan de werkzaamheden van het Agentschap vastleggen, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel, zijn van toepassing.

Artikel 102

Meerjarenprogrammering en jaarlijkse werkprogramma’s

1.   Uiterlijk op 30 november van elk jaar stelt de raad van bestuur een enkelvoudig programmeringsdocument vast dat onder meer de meerjarenprogrammering van het Agentschap en het jaarlijkse werkprogramma voor het komende jaar bevat, op basis van een ontwerptekst van de uitvoerend directeur, die wordt bekrachtigd door de raad van bestuur. Het enkelvoudig programmeringsdocument wordt vastgesteld met inachtneming van een positief advies van de Commissie en, wat betreft de meerjarige programmering, na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad. Als de raad van bestuur besluit geen rekening te houden met elementen van het advies van de Commissie, motiveert het dit grondig. De verplichting om een grondige motivering te verstrekken geldt ook voor de door het Europees Parlement en de Raad tijdens de raadpleging aan de orde gestelde punten. De raad van bestuur doet het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het document onverwijld toekomen.

2.   Het in lid 1 bedoelde document is definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting. Het wordt, waar nodig, dienovereenkomstig aangepast.

3.   In overeenstemming met de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid voor Europees geïntegreerd grensbeheer omvat de meerjarenprogrammering een beschrijving van de algemene strategische programmering voor de middellange en lange termijn, die het volgende bevat: doelstellingen, beoogde resultaten, prestatie-indicatoren en planning van middelen, inclusief de meerjarenbegroting, de personele middelen en de ontwikkeling van de eigen capaciteiten van het Agentschap, met inbegrip van een indicatieve meerjarenplanning van de personeelsprofielen voor het permanente korps. In de meerjarenprogrammering worden de strategische interventiegebieden vastgesteld en welke stappen moeten worden genomen om de doelstellingen te bereiken. De meerjarenprogrammering omvat strategische acties voor de uitvoering van de grondrechtenstrategie als bedoeld in artikel 80, lid 1, en een strategie voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties, evenals de acties in verband met deze strategie.

4.   De meerjarenprogrammering wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma’s en wordt, waar nodig, bijgewerkt op basis van de resultaten van een op grond van artikel 121 uitgevoerde evaluatie. De conclusies van deze evaluaties komen, waar nodig, ook tot uitdrukking in het jaarlijkse werkprogramma voor het komende jaar.

5.   Het jaarlijkse werkprogramma omvat een beschrijving van de te financieren activiteiten, met gedetailleerde doelstellingen en verwachte resultaten, waaronder prestatie-indicatoren. Het geeft voorts een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurde begroting en activiteitsgestuurd beheer. Het jaarlijkse werkprogramma is consistent met de meerjarenprogrammering. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

6.   De vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma geschiedt in overeenstemming met het wetgevingsprogramma van de Unie op de relevante gebieden van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer.

7.   Indien het Agentschap na de vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma een nieuwe taak krijgt toegewezen, wijzigt de raad van bestuur het jaarlijkse werkprogramma.

8.   Iedere wezenlijke wijziging van het jaarlijkse werkprogramma, in het bijzonder een wijziging die aanleiding geeft tot een herverdeling van meer dan 2 % van de jaarlijkse begrotingsmiddelen, wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die welke voor de vaststelling van het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-essentiële wijzigingen in het jaarlijkse werkprogramma door te voeren.

Artikel 103

voorzitterschap van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter en vicevoorzitter worden door de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur met een meerderheid van twee derde gekozen. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.

2.   De ambtstermijn van de voorzitter en van de vicevoorzitter loopt af wanneer hun lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt. Met inachtneming van deze bepaling bedraagt de duur van de ambtstermijn van de voorzitter of de vicevoorzitter vier jaar. Deze ambtstermijnen kunnen eenmaal worden verlengd.

Artikel 104

Vergaderingen van de raad van bestuur

1.   De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen.

2.   De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad van bestuur bijeen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van de leden van de raad van bestuur. Indien noodzakelijk kan de raad van bestuur gezamenlijke vergaderingen houden met de raden van bestuur van EASO en Europol.

4.   Ierland wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

5.   Het Verenigd Koninkrijk wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur die plaatsvinden vóór de datum waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50, lid 3, TEU.

6.   Vertegenwoordigers van EASO en Europol worden uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur. Een vertegenwoordiger van het FRA wordt uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de raad van bestuur waar punten die relevant zijn voor de bescherming van de grondrechten op de agenda staan.

7.   De voorzitter van de raad van bestuur kan tevens een deskundige van het Europees Parlement uitnodigen om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur. De raad van bestuur kan ook vertegenwoordigers van andere relevante instellingen, organen en instanties van de Unie uitnodigen. De raad van bestuur kan, overeenkomstig zijn reglement van orde, andere personen wier mening van belang kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

8.   De leden van de raad van bestuur kunnen zich, met inachtneming van de bepalingen van het reglement van orde van de raad van bestuur, laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

9.   Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt verzorgd door het Agentschap.

Artikel 105

Stemming

1.   Onverminderd artikel 100, lid 2, onder c), d), k) en m), artikel 103, lid 1, en artikel 107, leden 2 en 4, neemt de raad van bestuur zijn besluiten bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden.

2.   Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid heeft zijn plaatsvervanger het recht zijn stemrecht uit te oefenen. De uitvoerend directeur stemt niet.

3.   De stemprocedure is nader geregeld in het reglement van orde. Het reglement bepaalt onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, en bevat ook eventuele quorumvoorschriften.

4.   De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis hebben beperkt stemrecht overeenkomstig hun respectieve afspraken. Om de geassocieerde landen de mogelijkheid te bieden hun stemrecht uit te oefenen, specifieert het Agentschap in de agenda de punten waarvoor beperkt stemrecht is verleend.

Artikel 106

Functies en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

1.   Het Agentschap wordt geleid door zijn uitvoerend directeur, die volledig onafhankelijk is in de uitoefening van zijn taken. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de instellingen van de Unie en de raad van bestuur vraagt noch aanvaardt de uitvoerend directeur instructies van een regering of andere instantie.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken om verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken uitvoert. Dit omvat verslaglegging over de activiteiten van het Agentschap, de uitvoering van en het toezicht op de grondrechtenstrategie, het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap over het voorgaande jaar, het werkprogramma voor het komende jaar en het meerjarenplan van het Agentschap en over andere onderwerpen die verband houden met de activiteiten van het Agentschap. De uitvoerend directeur legt desgevraagd een verklaring af voor het Europees Parlement en beantwoordt schriftelijk alle vragen van leden van het Europees Parlement binnen een termijn van 15 kalenderdagen na ontvangst van een dergelijke vraag. De uitvoerend directeur brengt op gezette tijden verslag uit aan de passende instanties en commissies van het Europees Parlement.

3.   Behalve wanneer in deze verordening specifieke termijnen zijn vastgesteld, zorgt de uitvoerend directeur ervoor dat de verslagen zo spoedig mogelijk en in elk geval zes maanden na afloop van de verslagperiode worden toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, tenzij de uitvoerend directeur een vertraging naar behoren schriftelijk motiveert.

4.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van de door de raad van bestuur genomen strategische besluiten en voor het nemen van besluiten in verband met de operationele activiteiten van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening. De uitvoerend directeur heeft de volgende functies en bevoegdheden:

a)

de door de raad van bestuur goedgekeurde strategische besluiten, programma’s en activiteiten voorstellen, voorbereiden en uitvoeren binnen de grenzen die in deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan, en in enig toepasselijk recht zijn uiteengezet;

b)

alle noodzakelijke stappen nemen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het dagelijks bestuur en functioneren van het Agentschap te waarborgen overeenkomstig deze verordening;

c)

elk jaar het ontwerp van het enkelvoudig programmeringsdocument voorbereiden en ter bekrachtiging aan de raad van bestuur voorleggen alvorens dat ontwerp, uiterlijk op 31 januari, naar het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt gestuurd;

d)

ieder jaar het jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap voorbereiden en aan de raad van bestuur voorleggen;

e)

in het kader van het enkelvoudig programmeringsinstrument een ontwerpraming opstellen van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op grond van artikel 115, lid 3, en de begroting uitvoeren op grond van artikel 116, lid 1;

f)

zijn bevoegdheden aan andere statutaire personeelsleden delegeren volgens de regels die overeenkomstig artikel 100, lid 2, onder o), moeten worden vastgesteld;

g)

een aanbeveling vaststellen over maatregelen overeenkomstig artikel 32, lid 7, met inbegrip van besluiten waarbij wordt voorgesteld dat de lidstaten gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere acties als bedoeld in artikel 36, lid 2, starten of uitvoeren;

h)

de voorstellen van de lidstaten voor gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies, overeenkomstig artikel 37, lid 3, evalueren, goedkeuren en coördineren;

i)

de verzoeken van de lidstaten tot gezamenlijke terugkeeroperaties of terugkeerinterventies, overeenkomstig de artikelen 50 en 53, evalueren, goedkeuren en coördineren;

j)

de uitvoering van de in de artikel 38, artikel 42 en artikel 53, lid 3, bedoelde operationele plannen waarborgen;

k)

de uitvoering van het in artikel 42, lid 1, bedoelde besluit van de Raad waarborgen;

l)

de financiering van activiteiten intrekken, overeenkomstig artikel 46;

m)

voorafgaand aan elke operationele activiteit van het Agentschap beoordelen of er sprake is van schendingen van de grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren overeenkomstig artikel 46, leden 4 en 5;

n)

de resultaten van activiteiten evalueren, overeenkomstig artikel 47;

o)

overeenkomstig de behoeften van het Agentschap de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen vaststellen, in het bijzonder voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies, terugkeerinterventies en terugkeeroperaties, overeenkomstig artikel 64, lid 6;

p)

de oprichting van steunpunten of de verlenging van de bestaansduur van de werking ervan voorstellen, overeenkomstig artikel 60, lid 5;

q)

de hoofden van de steunpunten benoemen, overeenkomstig artikel 60, lid 4;

r)

een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van interne en externe auditverslagen en evaluaties alsmede van de onderzoeken van OLAF, en tweemaal per jaar aan de Commissie en regelmatig aan de raad van bestuur verslag uitbrengen over de voortgang;

s)

de financiële belangen van de Unie beschermen aan de hand van de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten door middel van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties;

t)

een fraudebestrijdingsstrategie van het Agentschap opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur.

5.   De uitvoerend directeur legt aan de raad van bestuur verantwoording af over zijn werkzaamheden.

6.   De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het Agentschap.

Artikel 107

Benoeming van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangende uitvoerend directeurs

1.   De Commissie stelt op basis van een lijst minstens drie kandidaten voor de post van uitvoerend directeur en voor de post van iedere plaatsvervangende uitvoerend directeur voor, na bekendmaking van de post in het Publicatieblad van de Europese Unie en in voorkomend geval in de pers of via het internet.

2.   De uitvoerend directeur wordt, op basis van een in lid 1 bepaald voorstel van de Commissie, benoemd door de raad van bestuur op grond van zijn verdiensten en zijn met bewijsstukken gestaafde sterke bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, met inbegrip van zijn ruime relevante ervaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. Vóór de benoeming wordt de door de Commissie voorgestelde kandidaten verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en de vragen van de commissieleden te beantwoorden.

Na deze verklaring neemt het Europees Parlement een advies aan waarin het zijn mening en voorkeur voor een kandidaat geeft.

De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur, waarbij rekening wordt gehouden met deze mening. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden.

Als de raad van bestuur besluit een andere kandidaat te benoemen dan de kandidaat voor wie het Europees Parlement zijn voorkeur had uitgesproken, laat de raad van bestuur het Europees Parlement en de Raad schriftelijk weten hoe met het advies van het Europees Parlement rekening werd gehouden.

De raad van bestuur is bevoegd om de uitvoerend directeur te ontslaan, op basis van een voorstel van de Commissie.

3.   De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs. Aan elke plaatsvervangende uitvoerend directeur wordt een specifiek bevoegdheidsdomein toegewezen. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, neemt een van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs zijn plaats in.

4.   De plaatsvervangende uitvoerend directeurs worden, op basis van een voorstel van de Commissie als bedoeld in lid 1, door de raad van bestuur benoemd op grond van hun verdiensten en passende bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, en rekening houdend met hun relevante beroepservaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. De uitvoerend directeur wordt betrokken bij het selectieproces. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden.

De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de plaatsvervangende uitvoerend directeurs te ontslaan, overeenkomstig de in de eerste alinea omschreven procedure.

5.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van deze termijn voert de Commissie een evaluatie uit waarbij rekening wordt gehouden met de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap.

6.   Op grond van een voorstel van de Commissie dat rekening houdt met de in lid 5 bedoelde evaluatie, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen, met ten hoogste vijf jaar.

7.   De ambtstermijn van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs bedraagt vijf jaar. De raad van bestuur kan deze ambtstermijn, op voorstel van de Commissie, eenmaal verlengen met een periode van ten hoogste vijf jaar.

8.   De uitvoerend directeur en de plaatsvervangende uitvoerend directeurs worden in dienst genomen als tijdelijke functionarissen van het Agentschap op grond van artikel 2, onder a), van de Regeling.

Artikel 108

Adviesforum

1.   Het Agentschap richt een adviesforum op dat het Agentschap bijstaat door het verstrekken van onafhankelijk advies op het gebied van grondrechten. De uitvoerend directeur en de raad van bestuur kunnen, in coördinatie met de grondrechtenfunctionaris, het adviesforum raadplegen over elk onderwerp dat verband houdt met de grondrechten.

2.   Het Agentschap nodigt het EASO, het FRA, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en andere relevante organisaties uit om deel te nemen aan het adviesforum. Op basis van een voorstel van de grondrechtenfunctionaris dat is gedaan na raadpleging van de uitvoerend directeur, besluit de raad van bestuur over de samenstelling en over de nadere voorwaarden betreffende het toezenden van informatie aan het adviesforum. Het adviesforum stelt, na raadpleging van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur, zijn werkmethoden vast en stelt zijn werkprogramma op.

3.   Het adviesforum wordt geraadpleegd over de verdere ontwikkelingen en uitvoering van de grondrechtenstrategie, de werking van het klachtenmechanisme, de gedragscodes en de gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleidingen. Het Agentschap stelt het adviesforum op de hoogte van het gevolg dat aan zijn aanbevelingen wordt gegeven.

4.   Het adviesforum stelt een jaarverslag van zijn activiteiten op. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

5.   Onverminderd de bevoegdheden van de grondrechtenfunctionaris heeft het adviesforum tijdig en op doeltreffende wijze effectieve toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten, hetgeen onder meer inhoudt dat het een bezoek ter plaatse kan brengen aan gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies, op voorwaarde dat de ontvangende lidstaat of het derde land daarmee instemt, al naargelang het geval, aan hotspotgebieden en aan terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, ook in derde landen. Indien de ontvangende lidstaat niet instemt met een bezoek ter plaatse door het adviesforum aan een gezamenlijke operatie of aan snelle grensinterventie die op zijn grondgebied wordt uitgevoerd, verstrekt de ontvangende lidstaat het Agentschap schriftelijk naar behoren gemotiveerde redenen daarvoor.

Artikel 109

Grondrechtenfunctionaris

1.   De raad van bestuur benoemt een grondrechtenfunctionaris op basis van een lijst van drie kandidaten, na overleg met het adviesforum. De grondrechtenfunctionaris beschikt over de nodige kwalificaties, deskundige kennis en professionele ervaring op het gebied van grondrechten.

2.   De grondrechtenfunctionaris voert de volgende taken uit:

a)

bijdragen aan de grondrechtenstrategie van het Agentschap en het bijbehorende actieplan, onder andere door aanbevelingen te doen voor de verbetering ervan;

b)

monitoren van de eerbiediging van de grondrechten door het Agentschap, onder andere door onderzoeken uit te voeren naar een of meer van zijn activiteiten;

c)

bevorderen van de eerbiediging van de grondrechten door het Agentschap;

d)

het Agentschap adviseren over een of meer van zijn activiteiten als de grondrechtenfunctionaris dat nodig acht of op verzoek, zonder dat die activiteiten vertraging oplopen;

e)

adviezen verstrekken over de opgestelde operationeel plannen die zijn opgesteld voor de operationele activiteiten van het Agentschap, over proefprojecten en over projecten voor technische bijstand in derde landen;

f)

adviezen verstrekken over werkafspraken;

g)

ter plaatse bezoeken van gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, proefprojecten, inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, of terugkeeroperaties/terugkeerinterventies, zo ook in derde landen;

h)

het secretariaat leveren voor het adviesforum;

i)

de uitvoerend directeur informeren over mogelijke schendingen van grondrechten tijdens activiteiten van het Agentschap;

j)

het selecteren en managen van de toezichthouders voor de grondrechten.

k)

de uitvoering van eventuele andere taken, indien deze verordening daarin voorziet.

Het onder punt h) van de eerste alinea bedoelde secretariaat krijgt rechtstreeks instructies van het consultatief forum.

3.   Voor de toepassing van lid 2, eerste alinea, onder j), doet de grondrechtenfunctionaris met name het volgende:

a)

het aanstellen van de toezichthouders voor de grondrechten,

b)

het toewijzen van toezichthouders voor de grondrechten aan operaties en activiteiten als bepaald in artikel 110, lid 3;

c)

het aanwijzen van toezichthouders voor de grondrechten als toezichthouders voor gedwongen terugkeer van de bij artikel 51 ingestelde pool,

d)

het waarborgen dat toezichthouders voor de grondrechten een passende opleiding krijgen,

e)

de verslaglegging aan de uitvoerend directeur over mogelijke schendingen van de grondrechten die aan hem gemeld zijn door de toezichthouders voor de grondrechten als dat nodig wordt geacht door de grondrechtenfunctionaris.

De uitvoerend directeur antwoordt de grondrechtenfunctionaris op welke manier zorgelijke kwesties betreffende mogelijke schendingen van de grondrechten zoals bedoeld onder e) van de eerste alinea zijn aangepakt.

De grondrechtenfunctionaris kan elke van de taken die bepaald zijn in lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met i), en onder k), overdragen aan een van de toezichthouders voor de grondrechten.

4.   De raad van bestuur stelt speciale regels vast betreffende de grondrechtenfunctionaris om te garanderen dat de grondrechtenfunctionaris en zijn personeel onafhankelijk is in de uitvoering van hun taken. De grondrechtenfunctionaris rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur en werkt samen met het adviesforum. De raad van bestuur ziet erop toe dat de aanbevelingen van de grondrechtenfunctionaris worden opgevolgd. Daarnaast publiceert de grondrechtenfunctionaris jaarverslagen over zijn activiteiten en over de mate waarin het Agentschap de grondrechten eerbiedigt bij al zijn activiteiten. Deze verslagen bevatten informatie over het klachtenmechanisme en de uitvoering van de grondrechtenstrategie.

5.   Het Agentschap ziet erop toe dat de grondrechtenfunctionaris in staat is autonoom te handelen en onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken. De grondrechtenfunctionaris beschikt over toereikende en passende personele en financiële middelen, die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken.

Het personeel van de grondrechtenfunctionaris wordt geselecteerd door de grondrechtenfunctionaris en rapporteert alleen aan hem.

6.   De grondrechtenfunctionaris wordt bijgestaan door een plaatsvervangend grondrechtenfunctionaris. De raad van bestuur benoemt de plaatsvervangende grondrechtenfunctionaris uit een lijst van ten minste drie kandidaten, die wordt ingediend door de grondrechtenfunctionaris. De plaatsvervangende grondrechtenfunctionaris beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten en is onafhankelijk bij de uitvoering van zijn taken. Indien de grondrechtenfunctionaris afwezig of verhinderd is, neemt de plaatsvervangend grondrechtenfunctionaris de taken en bevoegdheden van de grondrechtenfunctionaris over.

7.   De grondrechtenfunctionaris heeft toegang tot alle informatie inzake de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap.

Artikel 110

Toezichthouders voor de grondrechten

1.   Toezichthouders voor de grondrechten, die in dienst zijn als statutaire personeelsleden, beoordelen constant of de grondrechten in operationele activiteiten worden nageleefd, verlenen advies en bijstand te op dit vlak en dragen bij aan de bevordering van de grondrechten als onderdeel van Europees geïntegreerde grensbeheer.

2.   De toezichthouders voor de grondrechten hebben de volgende taken:

a)

zij houden toezicht op de naleving van de grondrechten en verlenen advies en bijstand bij de voorbereiding, de uitvoering en evaluatie van de operationele activiteiten van het Agentschap waarvan het toezicht hun is toegewezen door de grondrechtenfunctionaris;

b)

zij treden op als toezichthouders voor gedwongen terugkeer;

c)

zij dragen bij tot de opleidingsactiviteiten van het Agentschap op het vlak van grondrechten als bedoeld in artikel 62, onder andere door opleidingen te verzorgen over grondrechten.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea, doen de toezichthouders voor de grondrechten met name het volgende:

a)

de voorbereiding van operationeel plannen volgen en daarover verslag uitbrengen aan de grondrechtenfunctionaris zodat hij zijn taken als bepaald in artikel 109, lid 2, onder e), kan uitvoeren;

b)

bezoeken afleggen, ook op lange termijn, aan de plaatsen waar operationele activiteiten plaatsvinden;

c)

samenwerken en overleg plegen met coördinerend functionaris als voorzien in artikel 44 en hem advies en bijstand verlenen;

d)

de coördinerend functionaris informeren en verslag uitbrengen aan de grondrechtenfunctionaris over eventuele punten van zorg in verband met de mogelijke schending van de grondrechten bij de operationele activiteiten van het Agentschap, en

e)

dragen bij tot de evaluatie van activiteiten als bedoeld in artikel 47.

3.   Onverminderd lid 4 wijst de grondrechtenfunctionaris ten minste één toezichthouder voor de grondrechten aan elke operatie. De grondrechtenfunctionaris mag ook een toezichthouder voor de grondrechten aanwijzen om toezicht te houden op elke andere operationele activiteit die hij van belang acht.

Toezichthouders voor de grondrechten hebben toegang tot alle gebieden waar de operationele activiteit van het Agentschap plaatsvindt en tot alle bijbehorende documenten die van belang zijn voor de uitvoering van die activiteit.

4.   Toezichthouders voor de grondrechten kunnen door de grondrechtenfunctionaris worden aangewezen als toezichthouders voor gedwongen terugkeer van de in artikel 51 bedoelde pool. Als toezichthouders voor de grondrechten optreden als toezichthouders voor gedwongen terugkeer, zijn artikel 50, lid 5, en artikel 51 van overeenkomstige toepassing.

5.   De toezichthouders voor de grondrechten worden benoemd door de grondrechtenfunctionaris en vallen onder zijn hiërarchisch toezicht. Zij oefenen hun taken onafhankelijk uit. Als ze aanwezig zijn in operationeel gebied, dragen zij een insigne op grond waarvan zij duidelijk kunnen worden geïdentificeerd als toezichthouders voor de grondrechten.

6.   Het Agentschap ziet erop toe dat er uiterlijk op 5 december 2020 ten minste veertig toezichthouders voor de grondrechten worden aangeworven door het Agentschap. Op jaarbasis wordt door de uitvoerend directeur, in overleg met de grondrechtenfunctionaris, bekeken of het aantal toezichthouders voor de grondrechten verhoogd moet worden. Na deze beoordeling doet de uitvoerend directeur indien nodig een voorstel aan de raad van bestuur om het aantal toezichthouders voor de grondrechten voor het volgende jaar afhankelijk van de operationele behoeften te verhogen.

7.   Na hun aanwerving doorlopen toezichthouders voor de grondrechten een intensieve opleiding over grondrechten waarbij rekening wordt gehouden met eerder verworven kwalificaties en professionele ervaring op de desbetreffende terreinen. Het Agentschap draagt er zorg voor dat toezichthouders voor de grondrechten bij de uitoefening van hun taken de hoogste normen hanteren. Voor elke toezichthouder voor de grondrechten wordt een adequaat opleidingstraject opgesteld waarmee hun voortdurende professionele ontwikkeling wordt gegarandeerd zodat zij hun rol als toezichthouder voor de grondrechten kunnen verrichten.

Artikel 111

Klachtenmechanisme

1.   Het Agentschap neemt in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris de nodige maatregelen om overeenkomstig dit artikel een onafhankelijk en doeltreffend klachtenmechanisme in te stellen en verder te ontwikkelen teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te monitoren en te waarborgen.

2.   Iedere persoon die rechtstreeks de gevolgen ondervindt van de acties of het gebrek daaraan van het personeel dat betrokken is bij een gezamenlijke operatie, proefproject, snelle grensinterventie, de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, een terugkeeroperatie, terugkeerinterventie of een operationele actie van het Agentschap in een derde land, en van mening is dat met deze acties of het gebrek daaraan zijn grondrechten zijn geschonden, of iedere partij die een dergelijke persoon vertegenwoordigt, kan schriftelijk een klacht indienen bij het Agentschap.

3.   Alleen klachten die voldoende gemotiveerd zijn en verband houden met concrete schendingen van de grondrechten zijn ontvankelijk.

4.   De grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. Daartoe onderzoekt de grondrechtenfunctionaris de ontvankelijkheid van een klacht, registreert hij ontvankelijke klachten, zendt hij alle geregistreerde klachten door aan de uitvoerend directeur, zendt klachten betreffende teamleden door aan de lidstaat van herkomst, met inbegrip van de desbetreffende autoriteit of instantie die bevoegd is voor grondrechten in een lidstaat om in overeenstemming met haar mandaat verdere stappen te ondernemen. De grondrechtenfunctionaris registreert en waarborgt ook de follow-up door het Agentschap of die lidstaat.

5.   Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur worden de klagers, wanneer hun klacht ontvankelijk is, ervan in kennis gesteld dat de klacht is geregistreerd, dat een beoordeling is gestart en dat zij een antwoord mogen verwachten zodra dit beschikbaar is. Als een klacht naar de nationale autoriteiten of organen wordt doorgestuurd, worden hun contactgegevens aan de klager meegedeeld. Als een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de klager in kennis gesteld van de redenen daarvoor en wordt hij, indien mogelijk, gewezen op verdere mogelijkheden om verhaal te zoeken.

Het Agentschap voorziet in een passende procedure indien een klacht niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard.

Elk besluit wordt schriftelijk en onderbouwd overgelegd. De grondrechtenfunctionaris herbeoordeelt de klacht indien de klager nieuwe bewijsstukken overlegt in gevallen waarin de klacht als niet-ontvankelijk of ongegrond was verklaard.

6.   Wanneer een klacht met betrekking tot een personeelslid van het Agentschap wordt geregistreerd, beveelt de grondrechtenfunctionaris de uitvoerend directeur een passende follow-up aan, met inbegrip van disciplinaire maatregelen en, indien nodig, het inleiden van burgerrechtelijke of strafrechtelijke procedures in overeenstemming met deze verordening en het nationaal recht. De uitvoerend directeur zorgt voor passende follow-up en brengt binnen een bepaalde termijn, en vervolgens, indien nodig, op regelmatige tijdstippen, aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen, de tenuitvoerlegging van disciplinaire maatregelen en de follow-up die het Agentschap aan de klacht heeft gegeven.

Wanneer een klacht betrekking heeft op gegevensbescherming, raadpleegt de uitvoerend directeur de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap alvorens over de klacht te beslissen. De grondrechtenfunctionaris en de functionaris voor gegevensbescherming stellen een schriftelijk memorandum van overeenstemming op met daarin hun taakverdeling en samenwerking met betrekking tot ontvangen klachten.

7.   In het geval van een geregistreerde klacht met betrekking tot een teamlid van een ontvangende lidstaat of een andere deelnemende lidstaat, daaronder ook begrepen een gedetacheerd teamlid of een gedetacheerde nationale deskundige, zorgt de lidstaat van herkomst voor passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, het inleiden van burgerrechtelijke of strafrechtelijke procedures, waar nodig, en andere maatregelen overeenkomstig het nationaal recht. De betrokken lidstaat brengt binnen een bepaalde termijn en vervolgens, indien nodig, op regelmatige tijdstippen aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die aan de klacht zijn gegeven. Het Agentschap volgt de kwestie op wanneer van de betrokken lidstaat geen verslag is ontvangen.

Als de lidstaat in kwestie binnen de gestelde termijn niets van zich laat horen of een onduidelijk antwoord geeft, stelt de grondrechtenfunctionaris de uitvoerend directeur en de raad van bestuur hiervan op de hoogte.

8.   Wanneer wordt vastgesteld dat een teamlid de grondrechten of internationale verplichtingen op het gebied van bescherming heeft geschonden, verzoekt het Agentschap de lidstaat dat lid onmiddellijk uit te sluiten van de activiteiten van het Agentschap of het permanente korps.

9.   Overeenkomstig artikel 109, lid 4, neemt de grondrechtenfunctionaris in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme, met inbegrip van specifieke verwijzingen naar de bevindingen van het Agentschap en de lidstaten en de follow-up die aan de klachten is gegeven.

10.   De grondrechtenfunctionaris stelt, in overeenstemming met de leden 1 tot en met 9, na raadpleging van het adviesforum een standaardformulier voor klachten op, waarin wordt gevraagd naar nauwkeurige en specifieke informatie met betrekking tot de vermeende schending van de grondrechten. Zo nodig stelt de grondrechtenfunctionaris aanvullende gedetailleerde regels op. De grondrechtenfunctionaris dient het formulier en de eventuele aanvullende gedetailleerde regels in bij de uitvoerend directeur en de raad van bestuur.

Het Agentschap zorgt ervoor dat informatie over de mogelijkheid en de procedure om een klacht in te dienen, gemakkelijk beschikbaar is, ook voor kwetsbare personen. Het standaardklachtenformulier wordt beschikbaar gesteld op de website van het Agentschap en op papier tijdens alle activiteiten van het Agentschap, in talen die onderdanen van derde landen begrijpen of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat ze die begrijpen. Het standaardklachtenformulier is goed toegankelijk, ook op mobiele apparaten. Het Agentschap zorgt ervoor dat aan klagers nader advies en verdere bijstand wordt verleend met betrekking tot de klachtenprocedure. De grondrechtenfunctionaris onderzoekt klachten ook wanneer deze niet via het standaardformulier zijn ingediend.

11.   Alle persoonsgegevens die in een klacht worden vermeld, worden door het Agentschap, met inbegrip van de grondrechtenfunctionaris, behandeld en verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 en door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680.

Als een klager een klacht indient, wordt hij verondersteld in te stemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens door het Agentschap en de grondrechtenfunctionaris in de zin van artikel 5, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2018/1725.

Om de belangen van klagers te waarborgen, worden klachten vertrouwelijk behandeld door de grondrechtenfunctionaris, in overeenstemming met het nationale en het Unierecht, tenzij de klager expliciet afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling. Wanneer een klager afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling, wordt aangenomen dat hij ermee instemt dat de grondrechtenfunctionaris of het Agentschap in het kader van de klacht zijn identiteit bekendmaakt aan de bevoegde autoriteiten of organen, indien nodig.

Artikel 112

Samenwerking tussen parlementen

1.   Teneinde tegemoet te komen aan de specifieke samenstelling van de Europese grens- en kustwacht, aangezien die bestaat uit nationale autoriteiten en het Agentschap, en met het oog op de doeltreffende uitvoering van de controletaken van het Europees Parlement ten opzichte van het Agentschap en van de nationale parlementen ten opzichte van hun respectieve nationale autoriteiten, zoals bepaald in de Verdragen respectievelijk het nationale recht, kunnen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van artikel 9 van Protocol 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU en het VWEU, samenwerken.

2.   Op uitnodiging van het Europees Parlement en de nationale parlementen die in verband met lid 1, bij elkaar komen, wonen de uitvoerend directeur en de voorzitter van de raad van bestuur deze vergaderingen bij.

3.   Het Agentschap stuurt zijn jaarlijkse activiteitenverslag door aan de nationale parlementen.

Artikel 113

Talenregeling

1.   Verordening nr. 1 (46) vastgestelde is van toepassing op het Agentschap.

2.   Onverminderd de besluiten die op grond van artikel 342 VWEU worden genomen, worden het jaarlijkse activiteitenverslag en werkprogramma in alle officiële talen van de Unie opgesteld.

3.   De voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 114

Transparantie en communicatie

1.   Bij de behandeling van verzoeken om toegang tot documenten in zijn bezit past het Agentschap Verordening (EG) nr. 1049/2001 toe.

2.   Het Agentschap communiceert op eigen initiatief over de aangelegenheden die binnen de werkingssfeer van zijn taken vallen. Het maakt relevante informatie, inclusief het jaarlijkse activiteitenverslag, het jaarlijkse werkprogramma, de gedragscode, strategische risicoanalyses, en uitgebreide informatie over beëindigde en lopende gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, proefprojecten, technische bijstandsprojecten met derde landen, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, terugkeeroperaties of terugkeerinterventies, waaronder in derde landen, en werkafspraken openbaar en draagt er, onverminderd artikel 92, met name zorg voor dat het publiek en alle belanghebbende partijen snel objectieve, gedetailleerde, nauwkeurige, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werk ontvangen. Daarbij geeft het geen operationele gegevens prijs die, eenmaal openbaar, het bereiken van de doelstellingen van de operaties in gevaar zouden brengen.

3.   De raad van bestuur stelt de praktische regelingen voor de toepassing van de leden 1 en 2 vast.

4.   Elke natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht zich schriftelijk in een van de officiële talen van de Unie tot het Agentschap te richten. Hij heeft het recht een antwoord in dezelfde taal te ontvangen.

5.   Tegen de beslissingen die het Agentschap op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 neemt, kan een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, volgens de respectievelijk in de artikelen 228 en 263 VWEU bepaalde voorwaarden.

AFDELING 4

Financiële eisen

Artikel 115

Begroting

1.   De ontvangsten van het Agentschap bestaan, onverminderd andere soorten ontvangsten, uit:

a)

een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgevoerde bijdrage van de Unie;

b)

een bijdrage van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, als vastgelegd in de respectieve regelingen ter specificering van hun financiële bijdrage;

c)

financiering van de Unie in de vorm van bijdrageovereenkomsten of ad-hocsubsidies in overeenstemming met de in artikel 120 bedoelde financiële regeling van het Agentschap en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie;

d)

vergoedingen voor geleverde diensten;

e)

eventuele vrijwillige bijdragen van de lidstaten.

2.   De uitgaven van het Agentschap bestaan uit administratieve, infrastructuur-, operationele en personele kosten.

3.   De uitvoerend directeur stelt een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin een personeelsformatie is opgenomen, en zendt deze toe aan de raad van bestuur.

4.   De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.

5.   De raad van bestuur keurt op basis van de door de uitvoerend directeur opgestelde ontwerpraming een voorlopige ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap goed, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie. De raad van bestuur zendt deze samen met het ontwerp van het enkelvoudig programmeringsdocument elk jaar uiterlijk op 31 januari toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

6.   De raad van bestuur zendt de definitieve ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie, samen met het voorlopige werkprogramma elk jaar uiterlijk op 31 maart toe aan de Commissie.

7.   De raming wordt samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij de begrotingsautoriteit.

8.   Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het bedrag van de bijdrage ten laste van de algemene begroting op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

9.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het Agentschap goed.

10.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Agentschap vast.

11.   De raad van bestuur stelt de begroting van het Agentschap vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

12.   Voor elke wijziging van de begroting, met inbegrip van de personeelsformatie, wordt dezelfde procedure gevolgd.

13.   De bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 (47) van de Commissie zijn van toepassing op alle bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het Agentschap.

14.   Met het oog op de financiering van de inzet van snelle grensinterventies en terugkeerinterventies behelst de door de raad van bestuur vastgestelde begroting van het Agentschap een financiële operationele reserve van ten minste 2 % van de gezamenlijk toewijzing voor gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen en operationele activiteiten op het gebied van terugkeer. Aan het einde van elke maand kan de uitvoerend directeur beslissen één twaalfde van deze operationele reserve toe te wijzen aan andere operationele activiteiten van het Agentschap. In dat geval stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur daarvan in kennis.

15.   Vastleggingskredieten in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

Artikel 116

Uitvoering van en controle op de begroting

1.   De uitvoerend directeur legt de begroting van het Agentschap ten uitvoer.

2.   Uiterlijk op 1 maart van begrotingsjaar N + 1 dient de rekenplichtige van het Agentschap de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar N in bij de rekenplichtige van de Commissie en bij de Rekenkamer. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 245 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.

3.   Het Agentschap zendt uiterlijk 31 maart van het jaar N + 1 een verslag over het budgettair en financieel beheer voor het jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

4.   De rekenplichtige van de Commissie zendt de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor jaar N, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, uiterlijk op 31 maart van jaar N + 1 aan de Rekenkamer toe.

5.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor jaar N, uit hoofde van artikel 246 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, stelt de uitvoerend directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap op en legt hij deze voor advies aan de raad van bestuur voor.

6.   De raad van bestuur brengt een advies uit over de definitieve rekeningen van het Agentschap voor jaar N.

7.   Uiterlijk 1 juli van het jaar N + 1 dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

8.   De definitieve rekeningen voor jaar N worden uiterlijk op 15 november van jaar N + 1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

9.   De uitvoerend directeur dient uiterlijk op 30 september van jaar N + 1 een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. Hij zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur.

10.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor jaar N, overeenkomstig artikel 261, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.

11.   Vóór 15 mei van jaar N + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van jaar N.

Artikel 117

Fraudebestrijding

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverminderd van toepassing. Het Agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord onmiddellijk passende regels op die van toepassing zijn op alle personeelsleden van het Agentschap.

2.   De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het Agentschap EU-middelen hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als ter plaatse.

3.   OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (48) administratieve onderzoeken verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of een subsidiebesluit of een door het Agentschap gefinancierd contract, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

4.   Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het EOM overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371

5.   Onverminderd de leden 1 tot en met 4 bevatten werkafspraken met derde landen en met internationale organisaties, subsidieovereenkomsten, subsidiebesluiten en contracten van het Agentschap bepalingen die de Rekenkamer, OLAF en het EOM uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten.

Artikel 118

Voorkoming van belangenconflicten

Het Agentschap stelt interne voorschriften vast waarin bepaald is dat leden van zijn organen en personeelsleden gedurende hun dienst of ambtstermijn situaties moeten vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij dergelijke situaties moeten rapporteren.

Het Agentschap zorgt voor transparantie met betrekking tot belangenvertegenwoordiging door middel van een transparantieregister en door al zijn vergaderingen met derde belanghebbenden bekend te maken. Het transparantieregister bevat alle vergaderingen en contacten tussen derde belanghebbenden en de uitvoerend directeur, de plaatsvervangende uitvoerend directeurs en afdelingshoofden over kwesties met betrekking tot aanbestedingen en inschrijvingen voor diensten, uitrusting of uitbestede projecten en studies. Het Agentschap registreert alle vergaderingen van zijn personeelsleden met derde belanghebbenden over kwesties met betrekking tot aanbestedingen en inschrijvingen voor diensten, uitrusting of uitbestede projecten en studies.

Artikel 119

Administratieve onderzoeken

Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van het Agentschap onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.

Artikel 120

Financiële bepaling

De financiële regeling die van toepassing is op het Agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling wijkt niet af van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, tenzij dit in verband met de werking van het Agentschap specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend. In dit kader stelt de raad van bestuur specifieke financiële regels vast die van toepassing zijn op de activiteiten van het Agentschap met betrekking tot samenwerking met derde landen op het gebied van terugkeer.

Artikel 121

Evaluatie

1.   Onverminderd artikel 59 voert de Commissie uiterlijk op 5 december 2023 en daarna om de vier jaar een evaluatie van deze verordening uit. Tijdens deze evaluatie wordt met name het volgende beoordeeld:

a)

de door het Agentschap bereikte resultaten, in het licht van de doelstellingen, de opdracht, de middelen en de taken van het Agentschap;

b)

het effect, de effectiviteit en de efficiëntie van de activiteiten en werkmethoden van het Agentschap in het licht van de doelstellingen, de opdracht en de taken van het Agentschap;

c)

samenwerking tussen de agentschappen op Europees niveau, waaronder de tenuitvoerlegging van Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken;

d)

de vraag of de opdracht van het Agentschap eventueel moet worden gewijzigd;

e)

de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen;

f)

de werking van het permanente korps en, na de tweede evaluatie, de samenstelling ervan en het totale aantal werknemers.

g)

het opleidingsniveau, gespecialiseerde expertise en mate van professionaliteit van het permanente korps

De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest en ander relevant Unierecht bij de toepassing van de verordening is nageleefd.

2.   In de evaluatie wordt ook de aantrekkelijkheid van het Agentschap als werknemer voor de aanwerving van statutair personeel beoordeeld met het oog op het garanderen van de kwaliteit van de kandidaten en geografisch evenwicht.

3.   Bij de uitvoering van de evaluatie vraagt de Commissie input van belanghebbenden, waaronder het adviesforum en het FRA.

4.   De Commissie zendt de evaluatieverslagen samen met haar conclusies over de verslagen toe aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur. De raad van bestuur kan aan de Commissie aanbevelingen over wijzigingen van deze verordening doen. De evaluatieverslagen en de conclusies over het verslag worden openbaar gemaakt. De lidstaten en het Agentschap verstrekken de Commissie de nodige informatie om de evaluatieverslagen op te stellen. De evaluatieverslagen gaan indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

5.   Het Agentschap dient uiterlijk op 1 december 2021 en vervolgens om de twee jaar een verslag over het functioneren van Eurosur in bij het Europees Parlement en de Raad.

De lidstaten verstrekken het Agentschap alle informatie die nodig is om deze verslagen op te stellen.

6.   In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie stelt de Commissie een algemene evaluatie van Eurosur op, die indien nodig vergezeld gaat van passende voorstellen om de werking ervan te verbeteren.

De lidstaten en het Agentschap verstrekken de Commissie de informatie die nodig is om de evaluatie uit te voeren.

Bij de uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde algemene evaluatie vraagt de Commissie input van belanghebbenden, waaronder het adviesforum en het FRA.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 122

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité (“het Europees comité voor de grens- en kustwacht”). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 123

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1.   Verordening (EU) nr. 1052/2013 wordt ingetrokken, met uitzondering van artikel 9, leden 3, 5 en 7 tot en met 10, en artikel 10, leden 5 en 7, die worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling genoemd in artikel 24, lid 3, van deze verordening.

2.   Verordening (EU) 2016/1624 wordt ingetrokken, met uitzondering van de artikelen 20, 30 en 31, die met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken.

3.   Inzet overeenkomstig de artikelen 54 tot en met 58 vindt plaats vanaf 1 januari 2021.

4.   Voor inzet in 2021 worden de in artikel 54, lid 4, en artikel 64, lid 6, bedoelde besluiten uiterlijk op 31 maart 2020 vastgesteld door de raad van bestuur.

5.   Ter ondersteuning van de ontwikkeling van het personeel om de bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zeker te stellen, hebben de lidstaten het recht om overeenkomstig artikel 61, lid 1, onder a), in het jaar 2020 financiering te ontvangen. De aantallen in bijlage II voor het jaar 2022 worden gebruikt als referentie voor het juiste financieringsniveau in 2020.

6.   Teneinde op doeltreffende wijze bij te dragen aan de eerste inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en het opzetten van de centrale Etias-eenheid met het vereiste aantal statutair personeel, treft het Agentschap de nodige voorbereidingen, waaronder aanwerving en opleiding, vanaf 4 december 2019 en in overeenstemming met de begrotingsregels.

7.   De lidstaten kunnen op vrijwillige basis aan Eurosur informatie verstrekken in verband met grenscontroles en bewaking van de luchtgrenzen tot 5 december 2021.

8.   Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI bij deze verordening.

Artikel 124

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Artikel 79 is van toepassing vanaf de datum van de werkelijke transfer van het in dit artikel bedoelde systeem.

3.   Voor zover artikel 12, lid 3, artikel 70 en artikel 100, lid 5, betrekking hebben op de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, zijn ze van toepassing tot de dag waarop de Verdragen ophouden van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, VEU of, mits een terugtrekkingsakkoord gesloten met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU, uiterlijk op die datum in werking is getreden, tot het einde van de in dat terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 13 november 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 62.

(2)  PB C 168 van 16.5.2019, blz. 74.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2019.

(4)  Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).

(8)  Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 11).

(9)  Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17).

(10)  Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende de instelling van een evaluatiemechanisme voor de controle van en het toezicht op de toepassing van het Schengenacquis en houdende intrekking van het Besluit van 16 september 1998 tot oprichting van de Permanente Schengenbeoordelings- en toepassingscommissie (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 27).

(11)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(12)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(13)  Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van 3 december 1998 door de Raad aangenomen op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de invoering van een Europees beeldopslagsysteem (FADO) (PB L 333 van 9.12.1998, blz. 4).

(14)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(15)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(16)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(17)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(18)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(19)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(20)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(21)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(22)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(23)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(24)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(25)  PB L 188 van 20.7.2007, blz. 19.

(26)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(27)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(28)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(29)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(30)  PB L 243 van 16.9.2010, blz. 4.

(31)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(32)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(33)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(34)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(35)  Verordening (EU) 2019/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de oprichting van een Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 88).

(36)  Beschikking 2008/381/EG van de Raad van 14 mei 2008 betreffende het opzetten van een Europees migratienetwerk (PB L 131 van 21.5.2008, blz. 7).

(37)  Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L 236 van 19.9.2018, blz. 1).

(38)  Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

(39)  Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PB L 312 van 7.12.2018, blz. 1).

(40)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(41)  Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van “Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).

(42)  Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143).

(43)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(44)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(45)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(46)  Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).

(47)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1).

(48)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).


BIJLAGE I

Capaciteit van het permanente korps per jaar en categorie overeenkomstig artikel 54

Categorie

Jaar

Categorie 1

Statutair personeel

Categorie 2

Operationeel personeel voor langetermijndetachering

Categorie 3

Operationeel personeel dat voor korte tijd wordt ingezet

Categorie 4

Snel inzetbare reserve

Totaal voor het permanente korps

2021

1 000

400

3 600

1 500

6 500

2022

1 000

500

3 500

1 500

6 500

2023

1 500

500

4 000

1 500

7 500

2024

1 500

750

4 250

1 500

8 000

2025

2 000

1 000

5 000

0

8 000

2026

2 500

1 250

5 250

0

9 000

2027 en later

3 000

1 500

5 500

0

10 000


BIJLAGE II

Door de lidstaten ter beschikking te stellen jaarlijkse bijdragen aan het permanente korps via langetermijndetachering van personeel overeenkomstig artikel 56

Land/Jaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027 en later

België

8

10

10

15

20

25

30

Bulgarije

11

13

13

20

27

33

40

Tsjechië

5

7

7

10

13

17

20

Denemarken

8

10

10

15

19

24

29

Duitsland

61

73

73

110

152

187

225

Estland

5

6

6

9

12

15

18