Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0880

Verordening (EU) 2019/880 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen

PE/82/2018/REV/1

OJ L 151, 7.6.2019, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/880/oj

7.6.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/1


VERORDENING (EU) 2019/880 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 april 2019

betreffende het binnenbrengen en de invoer van cultuurgoederen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het licht van de conclusies van de Raad van 12 februari 2016 over de bestrijding van terrorismefinanciering, de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 2016 inzake een actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering, en Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad (2), moeten gemeenschappelijke voorschriften voor de handel met derde landen worden vastgesteld om cultuurgoederen doeltreffend te beschermen tegen illegale handel, verlies of vernietiging, het culturele erfgoed van de mensheid in stand te houden, en de financiering van terrorisme en het witwassen van geld via de verkoop van geplunderd cultuurgoederen aan kopers in de Unie te voorkomen.

(2)

De uitbuiting van volkeren en gebieden, kan leiden tot illegale handel in cultuurgoederen, met name wanneer deze illegale handel zijn oorsprong heeft in een context van gewapende conflicten. Desbetreffend moet deze verordening de regionale en lokale kenmerken van volkeren en gebieden in aanmerking nemen, en niet de marktwaarde van cultuurgoederen.

(3)

Cultuurgoederen maken deel uit van het culturele erfgoed en hebben dikwijls een grote culturele, artistieke, historische en wetenschappelijke betekenis. Cultureel erfgoed is een van de hoekstenen van de beschaving: het heeft onder meer symbolische waarde en vormt een onderdeel van het cultureel geheugen van de mensheid. Het verrijkt het culturele leven van alle volkeren en verenigt mensen door gedeelde herinnering, kennis en ontwikkeling van beschaving. Cultureel erfgoed moet daarom worden beschermd tegen onrechtmatige toe-eigening en plundering. De plundering van archeologische vindplaatsen is van alle tijden, maar gebeurt nu op industriële schaal en is samen met de handel in illegaal opgegraven cultuurgoederen een ernstig misdrijf dat aanzienlijke schade veroorzaakt voor hen die er direct of indirect door worden getroffen. De illegale handel in cultuurgoederen draagt in veel gevallen bij tot een sterke culturele homogenisering of tot het gedwongen verlies van culturele identiteit, en de plundering van cultuurgoederen leidt onder meer tot het uiteenvallen van culturen. Zolang het mogelijk is om een lucratieve handel in illegaal opgegraven cultuurgoederen te drijven en daar voordeel uit te halen zonder noemenswaardig risico, zullen dit soort opgravingen en plunderingen gewoon doorgaan. Door de economische en artistieke waarde van cultuurgoederen bestaat er een grote vraag naar hen op de internationale markt. Het ontbreken van krachtige internationale wettelijke maatregelen en de ondoeltreffende handhaving van de maatregelen die wel bestaan leiden ertoe dat deze goederen in de schaduweconomie terecht komen. De Unie moet dan ook het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie van cultuurgoederen die illegaal uit derde landen zijn uitgevoerd, verbieden, waarbij de nadruk met name moet liggen op cultuurgoederen uit derde landen waar gewapende conflicten heersen, in het bijzonder cultuurgoederen die illegaal zijn verhandeld door terroristische of andere criminele organisaties. Hoewel zo’n algemeen verbod niet mag leiden tot systematische controles, moeten de lidstaten kunnen ingrijpen wanneer zij informatie krijgen inzake verdachte zendingen, en de nodige maatregelen kunnen nemen om illegaal uitgevoerde cultuurgoederen te onderscheppen.

(4)

Gelet op het feit dat de lidstaten uiteenlopende regels kennen voor de invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie, moeten met name maatregelen worden genomen om te garanderen dat een bepaald type invoer van cultuurgoederen wordt onderworpen aan uniforme controles bij binnenkomst in het douanegebied van de Unie, op basis van bestaande processen, procedures en administratieve instrumenten om tot een eenvormige uitvoering te komen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3).

(5)

De bescherming van cultuurgoederen die als nationaal bezit van de lidstaten zijn aangemerkt, is reeds geregeld in Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad (4) en Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad (5). De onderhavige verordening moet dan ook niet van toepassing zijn op cultuurgoederen die in het douanegebied van de EU zijn vervaardigd of daar zijn ontdekt. De bij deze verordening ingevoerde gemeenschappelijke voorschriften moeten de douanebehandeling regelen van cultuurgoederen van buiten de Unie die het douanegebied van de Unie binnenkomen. Voor de toepassing van deze verordening dient het relevante douanegebied het douanegebied van de Unie op het tijdstip van invoer te zijn.

(6)

De controlemaatregelen die moeten worden ingesteld met betrekking tot vrije zones en zogenaamde „vrijhavens” moeten een zo breed mogelijk toepassingsgebied hebben voor de betreffende douaneregelingen, teneinde te voorkomen dat deze verordening wordt omzeild doordat gebruik wordt gemaakt van die vrije zones, die mogelijk gebruikt kunnen worden voor de verdere proliferatie van illegale handel. Daarom moeten de controlemaatregelen niet alleen betrekking hebben op cultuurgoederen die in het vrije handelsverkeer worden gebracht, maar ook op cultuurgoederen die onder een bijzondere douaneregeling worden geplaatst. Dit toepassingsgebied mag evenwel niet verder reiken dan hetgeen wordt beoogd, namelijk te voorkomen dat illegaal uitgevoerde cultuurgoederen het douanegebied van de Unie binnenkomen. Zodoende mogen systematische controlemaatregelen niet gelden ten aanzien van douanevervoer, terwijl zij wel moeten gelden voor het in het vrije verkeer brengen en voor sommige van de bijzondere douaneregelingen waaronder goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen kunnen worden geplaatst.

(7)

Veel derde landen en de meeste lidstaten zijn vertrouwd met de definities die worden gebruikt in de op 14 november 1970 te Parijs ondertekende Unesco-Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen („de Unesco-Overeenkomst van 1970”), waar een groot aantal lidstaten partij bij is, en in het op 24 juni 1995 te Rome ondertekende Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen. Daarom zijn de in deze verordening gebruikte definities gebaseerd op die definities.

(8)

De vraag of de uitvoer legaal of illegaal is, moet eerst en vooral worden bepaald aan de hand van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land waar de cultuurgoederen zijn vervaardigd of ontdekt. Om de legale handel in cultuurgoederen niet onnodig te belemmeren, moet een persoon die deze goederen in het douanegebied van de Unie wil invoeren in bepaalde gevallen bij uitzondering worden toegestaan aan te tonen dat deze goederen op legale wijze zijn uitgevoerd uit een ander derde land waar de goederen zich bevonden voordat zij naar het grondgebied van de Unie werden gebracht. Deze uitzondering geldt in gevallen waarin niet op betrouwbare wijze kan worden bepaald in welk land de cultuurgoederen zijn vervaardigd of ontdekt, of indien de uitvoer van de cultuurgoederen heeft plaatsgevonden voordat de Unesco-Overeenkomst van 1970 in werking trad, namelijk op 24 april 1972. Om te voorkomen dat deze verordening wordt omzeild door illegaal uitgevoerde cultuurgoederen eenvoudigweg naar een ander derde land te zenden voordat zij in de Unie worden ingevoerd, moeten bovengenoemde uitzonderingen gelden wanneer de cultuurgoederen zich gedurende een periode van meer dan vijf jaar in een derde land hebben bevonden voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, wederuitvoer of overscheping of overlading. Indien deze voorwaarden voor meer dan één land zijn vervuld, dient het laatste land waar de goederen zich hebben bevonden voordat zij in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht, in aanmerking te worden genomen.

(9)

Artikel 5 van de Unesco-Overeenkomst van 1970 roept de verdragsluitende staten op tot het instellen van een of meer nationale diensten voor de bescherming van de cultuurgoederen tegen illegale invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht. Voldoende deskundig personeel moet aan deze nationale diensten worden verbonden om deze bescherming in overeenstemming met dat Verdrag te waarborgen en die diensten moeten tevens de nodige actieve samenwerking tussen de bevoegde diensten van de lidstaten die partij zijn bij de overeenkomst op het gebied van veiligheid en bestrijding van de onrechtmatige invoer van cultuurgoederen, met name in gebieden waar een gewapend conflict heerst, mogelijk maken.

(10)

Om geen buitensporige belemmeringen op te werpen voor de handel in cultuurgoederen over de buitengrenzen van de Unie moet deze verordening uitsluitend gelden voor cultuurgoederen vanaf een bepaalde ouderdom, die bij deze verordening wordt vastgesteld. Voorts is het passend een financiële drempel vast te leggen teneinde cultuurgoederen van lagere waarde uit te sluiten van de toepassing van de voorwaarden en procedures voor de invoer ervan in het douanegebied van de Unie. Die drempels zullen ervoor zorgen dat de maatregelen van deze verordening van toepassing zullen zijn op deze cultuurgoederen die het meest waarschijnlijke doelwit zijn aan plunderaars in conflictgebieden, zonder dat hierdoor andere goederen worden uitgesloten waarop ook controle noodzakelijk is ter bescherming van het cultureel erfgoed.

(11)

In het kader van de supranationale beoordeling van de risico’s van witwasserij en terrorismefinanciering voor de interne markt is de illegale handel in geplunderde cultuurgoederen aangemerkt als een mogelijke bron van terrorismefinanciering en witwasactiviteiten.

(12)

Aangezien bepaalde categorieën van cultuurgoederen, namelijk archeologische voorwerpen en delen van monumenten, bij uitstek kwetsbaar zijn voor aan plundering en vernietiging, lijkt het noodzakelijk te voorzien in een systeem van verscherpt toezicht voordat zij worden toegelaten het douanegebied van de Unie binnen te komen. In het kader van een dergelijk systeem moet worden verlangd dat een door de bevoegde dienst van een lidstaat afgegeven invoervergunning voor de cultuurgoederen wordt overgelegd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht in de Unie, of onder een bijzondere douaneregeling, met uitzondering van douanevervoer, worden geplaatst. Personen die een dergelijke invoervergunning aanvragen, moeten kunnen aantonen dat de cultuurgoederen legaal zijn uitgevoerd uit het land waar ze zijn vervaardigd of ontdekt, aan de hand van bewijsstukken zoals uitvoercertificaten of eigendomsbewijzen, facturen, verkoopovereenkomsten, verzekeringsdocumenten, vervoersdocumenten en expertiserapporten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten op basis van volledige en zorgvuldig ingevulde aanvragen zonder onnodige vertraging over de afgifte van een vergunning beslissen. Alle invoervergunningen moeten worden opgeslagen in een elektronisch systeem.

(13)

Een icoon is een afbeelding van een religieuze figuur of een religieuze gebeurtenis. Zij kan op verschillende dragers en in verschillende formaten zijn geproduceerd, en kan zowel monumentaal als draagbaar zijn. In gevallen waarin zij ooit deel heeft uitgemaakt van bijvoorbeeld het interieur van een kerk, een klooster, een kapel, hetzij als zelfstandig object, hetzij als deel van het architectonisch meubilair, bijvoorbeeld een iconostase of een icoonhouder, is zij een essentieel en onlosmakelijk element van goddelijke erediensten en van liturgisch leven, en moet zij worden beschouwd als integrerend deel van een religieus monument dat niet in zijn geheel bewaard is gebleven. Ook in gevallen waarin niet bekend is van welk specifiek monument de icoon een onderdeel is geweest, maar waar wel bewijs is dat de icoon ooit integraal deel heeft uitgemaakt van een monument, in het bijzonder als er tekenen of elementen aanwezig zijn die erop wijzen dat zij ooit deel heeft uitgemaakt van een iconostase of een icoonhouder, moet de icoon geclassificeerd worden onder de in de bijlage genoemde categorie „delen van artistieke of historische monumenten of archeologische vindplaatsen die niet in hun geheel bewaard zijn gebleven”.

(14)

Gelet op de bijzondere aard van cultuurgoederen, spelen de douaneautoriteiten een zeer belangrijke rol, omdat zij in staat moeten zijn om, indien nodig, aanvullende informatie van de aangever te verlangen en de cultuurgoederen te analyseren door fysieke inspectie.

(15)

Voor categorieën van cultuurgoederen waarvoor geen invoervergunning is vereist bij de invoer, moeten de personen die dergelijke goederen in het douanegebied van de Unie willen invoeren, aan de hand van een verklaring bevestigen en de verantwoordelijkheid op zich nemen dat deze goederen legaal zijn uitgevoerd uit het derde land, en zij moeten voldoende informatie over deze cultuurgoederen verstrekken opdat de douaneautoriteiten deze kunnen identificeren. Om de procedure te vergemakkelijken en rechtszekerheid te bieden, moet de informatie over het cultuurgoed worden verstrekt door het gebruik van een gestandaardiseerd document. Het Object ID (de door de Unesco aanbevolen standaard) zou gebruikt kunnen worden om de goederen te omschrijven. De houder van de goederen dient die gegevens in een elektronisch systeem te registreren om identificatie door de douaneautoriteiten te vergemakkelijken en risicoanalyse en gerichte controles mogelijk te maken, alsmede om zo de cultuurgoederen traceerbaar te maken nadat zij op de interne markt zijn gebracht.

(16)

In het kader van de EU-éénloketomgeving voor de douane heeft de Commissie tot taak een centraal elektronisch systeem op te zetten voor het indienen van aanvragen voor invoervergunningen en voor importeursverklaringen, alsmede voor de opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten van de lidstaten, vooral betreffende invoervergunningen en importeursverklaringen.

(17)

De gegevensverwerking in het kader van deze verordening moet ook persoonsgegevens kunnen behelzen en die verwerking moet overeenkomstig het Unierecht worden uitgevoerd. De lidstaten en de Commissie mogen persoonsgegevens uitsluitend verwerken met het oog op de doelstellingen van deze verordening of in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen of vervolgen van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties, met inbegrip van het beschermen tegen en het voorkomen van gevaren voor de openbare veiligheid. Elke verzameling, openbaarmaking, doorzending, verstrekking en andersoortige verwerking van persoonsgegevens binnen het toepassingsgebied van deze verordening moet onderworpen zijn aan de voorschriften van de Verordeningen (EU) 2016/679 (6) en (EU) 2018/1725 (7) van het Europees Parlement en de Raad. De verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze verordening moet tevens in overeenstemming zijn met het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven zoals erkend in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa, alsook met het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens die worden gewaarborgd in respectievelijk de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(18)

Voor cultuurgoederen die niet zijn vervaardigd of ontdekt in het douanegebied van de Unie, maar die als Uniegoederen zijn uitgevoerd, hoeft geen invoervergunning of importeursverklaring te worden overgelegd indien ze worden teruggezonden naar dat douanegebied als terugkerende goederen in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013.

(19)

Tijdelijke invoer van cultuurgoederen voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden of met het oog op beheer en behoud, restauratie, tentoonstelling, digitalisering, podiumkunsten, onderzoek door academische instellingen of samenwerking tussen musea of soortgelijke instellingen, is evenmin onderworpen aan de overlegging van een invoervergunning of een importeursverklaring.

(20)

De opslag van cultuurgoederen uit landen waar een gewapend conflict heerst of een natuurramp heeft plaatsgevonden, met het uitsluitende doel om deze op een veilige plaats te laten bewaren en ze te behouden door of onder het toezicht van een overheidsinstantie hoeft geen invoervergunning of importeursverklaring te worden overgelegd.

(21)

Om de presentatie van cultuurgoederen op commerciële kunstbeurzen te vergemakkelijken, is geen invoervergunning vereist indien deze goederen onder de regeling van tijdelijke invoer in de zin van artikel 250 van Verordening (EU) nr. 952/2013 vallen en indien een importeursverklaring is verstrekt in plaats van de invoervergunning. Het overleggen van een invoervergunning moet echter wel worden vereist indien deze cultuurgoederen na afloop van een kunstbeurs in de Unie blijven.

(22)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor de vaststelling van nadere regelingen voor: cultuurgoederen die terugkerende goederen zijn, de tijdelijke toelating van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie en de bewaring ervan, de modellen voor aanvragen en formulieren van invoervergunningen, alsook voor importeursverklaringen en bijgaande documenten, en nadere procedureregels voor de indiening en de verwerking daarvan. Aan de Commissie moeten ook uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om voorzieningen te treffen voor het opzetten van een elektronisch systeem voor het indienen van aanvragen voor invoervergunningen en importeursverklaringen en voor de opslag en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(23)

Ter wille van een doeltreffende coördinatie en ter voorkoming van dubbel werk bij het organiseren van opleidingen, activiteiten inzake capaciteitsopbouw en bewustwordingscampagnes, alsmede met het oog op het verstrekken van opdrachten voor onderzoek en de ontwikkeling van normen moeten de Commissie en de lidstaten in voorkomend geval samenwerken met internationale organisaties en organen, zoals Unesco, Interpol, Europol, de Werelddouaneorganisatie, het Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (International Centre for the Preservation and Restoration of Cultural Property — ICCROM), en de Internationale Museumraad (International Council of Museums — ICOM).

(24)

Ter ondersteuning van de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze verordening en als basis voor de toekomstige beoordeling ervan, moeten relevante gegevens over handelsstromen van cultuurgoederen elektronisch worden verzameld en door de lidstaten en de Commissie worden uitgewisseld. In het belang van transparantie en publieke controle dient zo veel mogelijk informatie openbaar te worden gemaakt. Het toezicht op de handelsstromen van cultuurgoederen kan niet efficiënt worden verricht louter op basis van de waarde of het gewicht van de goederen. Het is van wezenlijk belang dat elektronisch informatie wordt verzameld over het aantal aangegeven voorwerpen. Aangezien de gecombineerde nomenclatuur geen bijzondere maatstaf voor cultuurgoederen bevat, dient te worden vereist dat het aantal voorwerpen wordt aangegeven.

(25)

Met de EU-strategie en het actieplan voor douanerisicobeheer wordt onder meer gestreefd naar een versterking van de capaciteiten van de douaneautoriteiten, zodat deze beter kunnen reageren indien zich risico’s voor cultuurgoederen voordoen. Er moet gebruik worden gemaakt van het bij Verordening (EU) nr. 952/2013 ingestelde gemeenschappelijk kader voor risicobeheer, en tussen de douaneautoriteiten moet relevante informatie over risico’s worden uitgewisseld.

(26)

Om te kunnen profiteren van de deskundigheid van internationale organisaties en organen die actief zijn op het gebied van cultuurzaken, alsook van hun ervaringen met de illegale handel in cultuurgoederen, moeten hun aanbevelingen en richtsnoeren in aanmerking worden genomen in het gemeenschappelijk kader voor risicobeheer bij het bepalen van risico’s voor cultuurgoederen. Met name de rode lijsten van de ICOM moeten als richtsnoer dienen voor het in kaart brengen van de derde landen wier erfgoed het meest gevaar loopt en van de uit die landen uitgevoerde voorwerpen die vaker in de illegale handel terecht zouden kunnen komen.

(27)

Er moeten op kopers van cultuurgoederen gerichte bewustwordingscampagnes met betrekking tot het risico op illegale handel worden opgezet, en de marktdeelnemers moeten worden geholpen om deze verordening goed te begrijpen en toe te passen. De lidstaten dienen voor de verspreiding van deze informatie hun nationale contactpunten en andere voorlichtingsdiensten in te zetten.

(28)

De Commissie moet ervoor zorgen dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen adequate technische assistentie krijgen en dat zij gemakkelijk aan de informatie kunnen komen die zij nodig hebben om deze verordening efficiënt uit te voeren. In de Unie gevestigde kleine en middelgrote ondernemingen die cultuurgoederen invoeren, moeten daarom gebruik kunnen maken van bestaande en toekomstige Unieprogramma’s ter ondersteuning van het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen.

(29)

Om de naleving van deze verordening aan te moedigen en ontwijking ervan te ontmoedigen, moeten de lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor niet-naleving vaststellen en deze aan de Commissie meedelen. Door de lidstaten vastgestelde sancties op overtredingen van deze verordening moeten in de gehele Unie een vergelijkbaar afschrikkend effect hebben.

(30)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de douaneautoriteiten en de bevoegde autoriteiten het eens zijn over maatregelen krachtens artikel 198 van Verordening (EU) nr. 952/2013. De nadere regelingen van die maatregelen moeten zijn onderworpen aan nationaal recht.

(31)

De Commissie dient onverwijld de uitvoeringsbepalingen van deze verordening vast te stellen, vooral die met betrekking tot de passende elektronische, gestandaardiseerde formulieren die moeten worden gebruikt om een invoervergunning aan te vragen of een importeursverklaring op te stellen, en zo spoedig mogelijk daarna het elektronische systeem op te zetten. De toepassing van de bepalingen inzake invoervergunningen en importeursverklaringen moet dienovereenkomstig worden uitgesteld.

(32)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, is het voor de verwezenlijking van de basisdoelstellingen van deze verordening nodig en passend regels vast te stellen betreffende de voorwaarden en procedures voor de invoer van cultuurgoederen in het douanegebied van de Unie. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet verder dan wat nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden de voorwaarden voor het binnenbrengen en de voorwaarden en procedures voor de invoer van cultuurgoederen vastgesteld, met het oog op het beschermen van het culturele erfgoed van de mensheid en het voorkomen van de illegale handel in cultuurgoederen, in het bijzonder wanneer deze illegale handel zou kunnen bijdragen aan de financiering van terrorisme.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op cultuurgoederen die in het douanegebied van de Unie werden vervaardigd of ontdekt.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „cultuurgoederen”: ieder voorwerp dat van belang is voor de archeologie, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de kunst of de wetenschap zoals opgenomen in de bijlage;

2)   „binnenbrengen van cultuurgoederen”: iedere binnenkomst in het douanegebied van de Unie van cultuurgoederen die zijn onderworpen aan douanetoezicht of douanecontrole in het douanegebied van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013;

3)   „invoer van cultuurgoederen”:

a)

in het vrije verkeer brengen van cultuurgoederen als bedoeld in artikel 201 van Verordening (EU) nr. 952/2013, of

b)

de plaatsing van cultuurgoederen onder een van de volgende categorieën van bijzondere regelingen als bedoeld in artikel 210 van Verordening (EU) nr. 952/2013:

i)

opslag, inhoudende douane-entrepot en vrije zones;

ii)

specifieke bestemming, inhoudende tijdelijke invoer en bijzondere bestemming;

iii)

actieve veredeling;

4)   „houder van de goederen”: de houder van de goederen als bedoeld in artikel 5, punt 34, van Verordening (EU) nr. 952/2013;

5)   „bevoegde autoriteiten”: de overheidsinstanties die door de lidstaten zijn aangewezen om invoervergunningen af te geven.

Artikel 3

Binnenbrengen en invoeren van cultuurgoederen

1.   Het binnenbrengen van in deel A van de bijlage bedoelde cultuurgoederen die in strijd met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land waar de cultuurgoederen zijn ontdekt of vervaardigd, buiten het grondgebied van dat land zijn gebracht, wordt verboden.

De douaneautoriteiten en de bevoegde autoriteiten nemen passende maatregelen wanneer een poging wordt ondernomen om de in de eerste alinea bedoelde cultuurgoederen binnen te brengen.

2.   Het binnenbrengen van in de delen B en C van de bijlage opgenomen cultuurgoederen is slechts toegestaan na het verstrekken van:

a)

een overeenkomstig artikel 4 afgegeven invoervergunning, of

b)

een overeenkomstig artikel 5 ingediende importeursverklaring.

3.   De in lid 2 van dit artikel bedoelde invoervergunning of importeursverklaring wordt in overeenstemming met artikel 163 van Verordening (EU) nr. 952/2013 aan de douaneautoriteiten verstrekt. Indien de cultuurgoederen onder de regeling vrije zones worden geplaatst, verstrekt de houder van de goederen de invoervergunning of de importeursverklaring bij het aanbrengen van de goederen in overeenstemming met artikel 245, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 952/2013.

4.   Lid 2 van dit artikel is niet van toepassing op:

a)

cultuurgoederen die terugkerende goederen zijn in de zin van artikel 203 van Verordening (EU) nr. 952/2013;

b)

de invoer van cultuurgoederen die uitsluitend bedoeld is om hun bewaring door of onder het toezicht van een overheidsinstantie te waarborgen, met het voornemen om deze cultuurgoederen terug te geven indien de situatie dat toestaat;

c)

de tijdelijke invoer van cultuurgoederen, in de zin van artikel 250 van Verordening (EU) nr. 952/2013, in het douanegebied van de Unie voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden of met het oog op beheer en behoud, restauratie, tentoonstelling, digitalisering, podiumkunsten, onderzoek door academische instellingen of samenwerking tussen musea of soortgelijke instellingen.

5.   Een invoervergunningen is niet vereist voor cultuurgoederen die onder de regeling tijdelijke invoer in de zin van artikel 250 van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn geplaatst, wanneer dergelijke goederen zullen worden gepresenteerd op commerciële kunstbeurzen. In dergelijke gevallen wordt een importeursverklaring verstrekt overeenkomstig de procedure van artikel 5 van onderhavige verordening.

Indien die cultuurgoederen vervolgens echter onder een andere douaneregeling als bedoeld in artikel 2, lid 3, van deze verordening worden geplaatst, wordt een overeenkomstig artikel 4 van deze verordening afgegeven invoervergunning vereist.

6.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regelingen vast voor de cultuurgoederen die terugkerende goederen zijn, voor de invoer van cultuurgoederen met het oog op hun bewaring en voor de tijdelijke invoer van cultuurgoederen als bedoeld in de leden 4 en 5 van dit artikel. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

7.   Lid 2 van dit artikel doet niet af aan andere, door de Unie in overeenstemming met artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde maatregelen.

8.   Indien een douaneaangifte wordt ingediend om in de delen B en C van de bijlage opgenomen cultuurgoederen in te voeren, wordt het aantal voorwerpen vermeld volgens de in die bijlage bedoelde bijzondere maatstaf. Indien de cultuurgoederen onder de regeling vrije zones worden geplaatst, geeft de houder van de goederen het aantal voorwerpen aan bij het aanbrengen van de goederen in overeenstemming met artikel 245, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 952/2013.

Artikel 4

Invoervergunning

1.   Voor de invoer van andere dan de in artikel 3, leden 4 en 5, bedoelde cultuurgoederen die in deel B van de bijlage zijn opgenomen, is een invoervergunning vereist. Die invoervergunning wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de cultuurgoederen voor het eerst onder een van de in artikel 2, punt 3, bedoelde douaneregelingen zijn geplaatst.

2.   Invoervergunningen die overeenkomstig dit artikel zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, zijn in de hele Unie geldig.

3.   Een overeenkomstig dit artikel afgegeven invoervergunning wordt niet beschouwd als bewijs van de legale herkomst of eigendom van de desbetreffende cultuurgoederen.

4.   De houder van de goederen vraagt via het in artikel 8 bedoelde elektronische systeem een invoervergunning aan bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit van de lidstaat. Bij de aanvraag worden alle bewijsstukken en gegevens gevoegd ten bewijze van het feit dat de cultuurgoederen in kwestie zijn uitgevoerd uit het land waar zij zijn vervaardigd of ontdekt in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land, of ten bewijze van het feit dat er geen dergelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bestonden op het moment waarop de goederen buiten het grondgebied van dat land zijn gebracht.

In afwijking van de eerste alinea kan de aanvraag in plaats daarvan vergezeld gaan van alle bewijsstukken en gegevens ten bewijze van het feit dat de desbetreffende cultuurgoederen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het laatste land waar zij zich gedurende een periode van meer dan vijf jaar hebben bevonden voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, wederuitvoer of overscheping of overlading, in onderstaande gevallen:

a)

het land waar de cultuurgoederen zijn vervaardigd of ontdekt, kan niet op betrouwbare wijze worden bepaald, of

b)

de cultuurgoederen zijn buiten het land waar zij zijn vervaardigd of ontdekt vóór 24 april 1972, gebracht.

5.   Bewijs dat de desbetreffende cultuurgoederen overeenkomstig lid 4 zijn uitgevoerd, wordt verstrekt in de vorm van uitvoercertificaten of uitvoervergunningen wanneer het betrokken land dergelijke documenten voor de uitvoer van cultuurgoederen op het moment van de uitvoer heeft vastgesteld.

6.   De bevoegde autoriteit controleert of de aanvraag volledig is. Zij verzoekt de aanvrager binnen 21 dagen na ontvangst van de aanvraag om alle ontbrekende of aanvullende gegevens of documenten in te dienen.

7.   Binnen 90 dagen na de ontvangst van de volledige aanvraag onderzoekt de bevoegde autoriteit de aanvraag en beslist zij om de invoervergunning af te geven of de aanvraag af te wijzen.

De bevoegde autoriteit wijst een aanvraag af indien:

a)

zij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de cultuurgoederen in strijd met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land waar zij zijn vervaardigd of ontdekt, buiten het grondgebied van dat land zijn gebracht;

b)

het in lid 4 vereiste bewijs niet wordt verstrekt;

c)

zij informatie of redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de houder van de goederen deze niet op rechtmatige wijze heeft verkregen, of

d)

zij ervan in kennis is gesteld dat er nog claims over de teruggave van de cultuurgoederen lopen die zijn ingediend door de autoriteiten van het land waar ze zijn vervaardigd of ontdekt.

8.   Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt het in lid 7 bedoelde bestuurlijke besluit samen met een motivering en informatie over de beroepsprocedure, onverwijld aan de aanvrager meegedeeld.

9.   Indien een invoervergunning wordt aangevraagd met betrekking tot cultuurgoederen waarvoor eerder een dergelijke aanvraag werd afgewezen, stelt de aanvrager de bevoegde autoriteit waarbij de aanvraag wordt ingediend van deze eerdere afwijzing in kennis.

10.   Indien een lidstaat een aanvraag afwijst, worden deze afwijzing alsmede de gronden waarop zij is gebaseerd via het in artikel 8 bedoelde elektronische systeem aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld.

11.   De lidstaten wijzen onverwijld de autoriteiten aan die bevoegd zijn om invoervergunningen af te geven overeenkomstig dit artikel. De lidstaten delen de gegevens van de bevoegde autoriteiten en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.

De Commissie maakt de gegevens van de bevoegde autoriteiten en elke wijziging daarin bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

12.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model en het formaat voor de aanvraag van een invoervergunning en eventuele bewijsstukken ter staving van de legale herkomst van de desbetreffende cultuurgoederen vast, alsmede de procedureregels voor de indiening en de verwerking van die aanvraag. Bij het bepalen van die elementen streeft Commissie naar een uniforme toepassing van de procedures inzake invoervergunningen door de bevoegde autoriteiten. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 5

Importeursverklaring

1.   Het invoeren van de in deel C van de bijlage opgenomen vereist een importeursverklaring die door de houder van de goederen wordt ingediend via het in artikel 8 bedoelde elektronische systeem.

2.   De importeursverklaring bestaat uit:

a)

een door de houder van de goederen ondertekende verklaring dat de cultuurgoederen uit het land waar zij zijn vervaardigd of ontdekt zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land op het moment waarop zij buiten zijn grondgebied zijn gebracht, en

b)

een gestandaardiseerd document waarin de cultuurgoederen in kwestie voldoende nauwkeurig zijn beschreven om door de autoriteiten te kunnen worden geïdentificeerd en om een risicoanalyse en gerichte controles van te verrichten.

In afwijking van punt a) van de eerste alinea kan de verklaring in plaats daarvan luiden dat de desbetreffende cultuurgoederen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het laatste land waar zij zich gedurende een periode van meer dan vijf jaar hebben bevonden voor andere doeleinden dan tijdelijk gebruik, doorvoer, wederuitvoer, overscheping of overlading, in onderstaande gevallen:

a)

het land waar de cultuurgoederen zijn vervaardigd of ontdekt, kan niet op betrouwbare wijze worden bepaald, of

b)

de cultuurgoederen zijn buiten het land waar zij zijn vervaardigd of ontdekt vóór 24 april 1972, gebracht.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het gestandaardiseerde model en het formaat voor de importeursverklaring vast, alsmede de procedureregels voor de indiening ervan en wijst de eventuele bewijsstukken aan ter staving van de legale herkomst van de desbetreffende cultuurgoederen die in het bezit van de houder van de goederen dienen te zijn, en de regels voor de verwerking van die verklaring. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 6

Bevoegde douanekantoren

De lidstaten kunnen het aantal douanekantoren dat bevoegd is om zich bezig te houden met de invoer van onder deze verordening vallende cultuurgoederen, beperken. Wanneer de lidstaten een dergelijke beperking toepassen, delen zij de gegevens van die kantoren en elke wijziging daarin mee aan de Commissie.

De Commissie maakt de gegevens van de bevoegde douanekantoren en elke wijziging daarin bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Administratieve samenwerking

Met het oog op de uitvoering van deze verordening garanderen de lidstaten samenwerking tussen hun douaneautoriteiten en de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 4.

Artikel 8

Gebruik van een elektronisch systeem

1.   De opslag en de uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten van de lidstaten, vooral betreffende invoervergunningen en importeursverklaringen, wordt door middel van een gecentraliseerd elektronisch systeem verricht.

In geval van een tijdelijke storing van het elektronische systeem mogen tijdelijk andere middelen voor de opslag en uitwisseling van gegevens worden gebruikt.

2.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het volgende vast:

a)

voorzieningen voor de uitrol, het gebruik en het onderhoud van het in lid 1 bedoelde elektronische systeem;

b)

nadere voorschriften voor de indiening, verwerking, opslag en uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten van de lidstaten via het elektronische systeem of via andere middelen als bedoeld in lid 1.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure uiterlijk 28 juni 2021 vastgesteld.

Artikel 9

Opzetten van een elektronisch systeem

De Commissie zet het in artikel 8 bedoelde elektronische systeem op. Het elektronisch systeem zal uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van de eerste in artikel 8, lid 2, bedoelde uitvoeringshandelingen operationeel zijn.

Artikel 10

Bescherming van persoonsgegevens en bewaartermijnen

1.   De douaneautoriteiten en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten treden op als verantwoordelijken voor de verwerking van de persoonsgegevens die krachtens de artikelen 4, 5 en 8 zijn verkregen.

2.   De verwerking van persoonsgegevens op basis van deze verordening mag uitsluitend voor het in artikel 1, lid 1, bepaalde doel worden verricht.

3.   De overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 8 verkregen persoonsgegevens zijn uitsluitend toegankelijk voor naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten en worden op passende wijze beschermd tegen ongeoorloofde toegang of verstrekking. De gegevens worden niet openbaar gemaakt of verstrekt zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de autoriteit die de gegevens oorspronkelijk heeft verkregen. Dergelijke toestemming is evenwel niet vereist wanneer de autoriteiten er overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen in de lidstaat in kwestie, met name in het kader van gerechtelijke procedures, toe gehouden zijn deze gegevens openbaar te maken of te verstrekken.

4.   De autoriteiten bewaren de op grond van de artikelen 4, 5 of 8 verkregen persoonsgegevens gedurende een periode van 20 jaar met ingang van de datum waarop de gegevens zijn verkregen. Bij afloop van deze termijn worden deze persoonsgegevens gewist.

Artikel 11

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Uiterlijk 28 december 2020 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de regels inzake de sancties die van toepassing zijn op het binnenbrengen van cultuurgoederen in strijd met artikel 3, lid 1, en van de aanverwante maatregelen.

Uiterlijk 28 juni 2025 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de regels inzake de sancties die van toepassing zijn op andere inbreuken op deze verordening, met name valse verklaringen en het verstrekken van valse informatie, en van de desbetreffende maatregelen.

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen van deze regels.

Artikel 12

Samenwerking met derde landen

In aangelegenheden die onder haar activiteiten vallen en voor zover zulks nodig is voor de uitvoering van haar taken uit hoofde van deze verordening, kan de Commissie in samenwerking met lidstaten opleidingen en activiteiten organiseren inzake capaciteitsopbouw voor derde landen.

Artikel 13

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 8 van Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar deze paragraaf wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 14

Rapportage en evaluatie

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie informatie over de uitvoering van deze verordening.

Te dien einde zendt de Commissie de lidstaten relevante vragenlijsten toe. De lidstaten hebben na ontvangst van de vragenlijst zes maanden tijd om de gevraagde informatie aan de Commissie te verstrekken.

2.   Binnen drie jaar na de datum waarop deze verordening in haar geheel van toepassing is geworden en vervolgens om de vijf jaar legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag over de uitvoering van deze verordening voor. Dat verslag wordt openbaar gemaakt en bevat onder meer relevante statistische informatie op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, waaronder het aantal afgegeven invoervergunningen, het aantal afgewezen aanvragen en het aantal ingediende importeursverklaringen. In het verslag wordt tevens aandacht besteed aan de praktische uitvoering, inclusief de gevolgen voor marktdeelnemers in de Unie en, in het bijzonder, kleine en middelgrote ondernemingen.

3.   Uiterlijk 28 juni 2020 en vervolgens om de twaalf maanden tot het in artikel 9 bedoelde elektronische systeem is opgezet, legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de vooruitgang die is geboekt inzake de vaststelling van de in artikel 8, lid 2, bedoelde uitvoeringshandelingen en inzake het opzetten van het in artikel 9 bedoelde elektronische systeem.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Toepassing

1.   Deze verordening is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan.

2.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel:

a)

is artikel 3, lid 1, van toepassing met ingang van 28 december 2020;

b)

zijn artikel 3, leden 2 tot en met 5, 7 en 8, artikel 4, leden 1 tot en met 10, artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 8, lid 1, van toepassing vanaf de datum waarop het in artikel 8 bedoelde elektronische systeem operationeel wordt of uiterlijk met ingang van 28 juni 2025. De Commissie maakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend op welke datum aan de voorwaarden van dit lid is voldaan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 17 april 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 9 april 2019.

(2)  Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).

(3)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PB L 39 van 10.2.2009, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(8)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


BIJLAGE

Deel A.   Cultuurgoederen die onder artikel 3, lid 1, vallen

a)

zeldzame verzamelingen en exemplaren van fauna, flora, mineralen en anatomie, en voorwerpen van paleontologisch belang;

b)

goederen die betrekking hebben op de geschiedenis, met inbegrip van de geschiedenis van wetenschap en technologie en de krijgs- en maatschappijgeschiedenis, alsmede op het leven van nationale leiders, denkers, wetenschapsbeoefenaars en kunstenaars en op gebeurtenissen van nationaal belang;

c)

voorwerpen afkomstig van archeologische opgravingen (zowel rechtmatige als illegale) of van archeologische vondsten op het land of in zee;

d)

delen van artistieke of historische monumenten of archeologische vindplaatsen die niet in hun geheel bewaard zijn gebleven (1);

e)

antieke voorwerpen ouder dan honderd jaar, zoals inscripties, munten en gegraveerde zegels;

f)

voorwerpen van etnologisch belang;

g)

voorwerpen van artistiek belang, zoals:

i)

afbeeldingen, schilderijen en tekeningen die geheel met de hand zijn vervaardigd, op welke ondergrond en van welke materialen ook (met uitzondering van producten van industriële vormgeving en met de hand versierde fabrieksgoederen);

ii)

oorspronkelijke beelden en oorspronkelijk beeldhouwwerk, van welk materiaal ook;

iii)

oorspronkelijke gravures, prenten en lithografieën;

iv)

oorspronkelijke assemblages en montages van welk materiaal ook;

h)

zeldzame manuscripten en wiegendrukken;

i)

oude boeken, documenten en publicaties van bijzonder belang (historisch, artistiek, wetenschappelijk, letterkundig enz.), afzonderlijk of in verzamelingen;

j)

postzegels, belastingzegels en soortgelijke zegels, afzonderlijk of in verzamelingen;

k)

archieven, met inbegrip van geluids-, foto- en filmarchieven;

l)

meubelen en meubelstukken van meer dan honderd jaar oud en oude muziekinstrumenten.

Deel B.   Cultuurgoederen die onder artikel 4 vallen

Categorieën van cultuurgoederen volgens deel A

Hoofdstuk, post of onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur (GN)

Minimale ouderdomsdrempel

Minimale financiële drempel (douanewaarde)

Bijzondere maatstaf

c)

voorwerpen afkomstig van archeologische opgravingen (zowel rechtmatige als illegale) of van archeologische vondsten op het land of in zee;

ex 9705 ; ex 9706

Ouder dan 250 jaar

Ongeacht hun waarde

Aantal stuks (p/st)

d)

delen van artistieke of historische monumenten of archeologische vindplaatsen die niet in hun geheel bewaard zijn gebleven (2);

ex 9705 ; ex 9706

Ouder dan 250 jaar

Ongeacht hun waarde

Aantal stuks (p/st)

Deel C.   Cultuurgoederen die onder artikel 5 vallen

Categorieën van cultuurgoederen volgens deel A

Hoofdstuk, post of onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur (GN)

Minimale ouderdomsdrempel

Minimale financiële drempel (douanewaarde)

Bijzondere maatstaf

a)

zeldzame verzamelingen en exemplaren van fauna, flora, mineralen en anatomie, en voorwerpen van paleontologisch belang;

ex 9705

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

b)

goederen die betrekking hebben op de geschiedenis, met inbegrip van de geschiedenis van wetenschap en technologie en de krijgs- en maatschappijgeschiedenis, alsmede op het leven van nationale leiders, denkers, wetenschapsbeoefenaars en kunstenaars en op gebeurtenissen van nationaal belang;

ex 9705

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

e)

antieke voorwerpen, zoals inscripties, munten en gegraveerde zegels;

ex 9706

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

f)

voorwerpen van etnologisch belang;

ex 9705

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

g)

voorwerpen van artistiek belang, zoals:

 

 

 

 

i)

afbeeldingen, schilderijen en tekeningen die geheel met de hand zijn gemaakt, op welke ondergrond en van welke materialen ook (met uitzondering van producten van industriële vormgeving en met de hand versierde fabrieksgoederen);

ex 9701

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

ii)

oorspronkelijke beelden en oorspronkelijk beeldhouwwerk, van welk materiaal ook;

ex 9703

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

iii)

oorspronkelijke gravures, prenten en lithografieën;

ex 9702

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

iv)

oorspronkelijke assemblages en montages van welk materiaal ook;

ex 9701

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

h)

zeldzame manuscripten en wiegendrukken;

ex 9702 ; ex 9706

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)

i)

oude boeken, documenten en publicaties van bijzonder belang (historisch, artistiek, wetenschappelijk, letterkundig enz.), afzonderlijk of in verzamelingen.

ex 9705 ; ex 9706

Ouder dan 200 jaar

18 000  EUR of meer per stuk

Aantal stuks (p/st)


(1)  Liturgische iconen en beelden, zelfs als zelfstandige voorwerpen, moeten worden beschouwd als culturele goederen die tot deze categorie behoren.

(2)  Liturgische iconen en beelden, zelfs als zelfstandige voorwerpen, moeten worden beschouwd als culturele goederen die tot deze categorie behoren.


Top