Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0126

Verordening (EU) 2019/126 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 tot oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad

PE/62/2018/REV/1

OJ L 30, 31.1.2019, p. 58–73 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/126/oj

31.1.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 30/58


VERORDENING (EU) 2019/126 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 januari 2019

tot oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 153, lid 2, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk („EU-OSHA”) werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad (3) om de verbetering van het arbeidsmilieu te bevorderen met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, door middel van acties ter ontwikkeling en verspreiding van de kennis op dat gebied.

(2)

Sinds het in 1994 is opgericht, speelt het EU-OSHA een belangrijke ondersteunende rol bij de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk in de hele Unie. Tegelijkertijd hebben ontwikkelingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en technologische ontwikkelingen plaatsgevonden. De terminologie die wordt gebruikt om de doelstellingen en taken van het EU OSHA te beschrijven, moet bijgevolg worden aangepast om deze ontwikkelingen weer te geven.

(3)

Verordening (EG) nr. 2062/94 is meermaals gewijzigd. Aangezien verdere wijzigingen nodig zijn, moet die verordening omwille van de duidelijkheid worden ingetrokken en vervangen.

(4)

De regels waaraan het EU-OSHA is onderworpen, dienen voor zover mogelijk en rekening houdend met de tripartiete aard ervan te worden vastgesteld in overeenstemming met de beginselen van de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012.

(5)

Aangezien de drie tripartiete agentschappen, dat wil zeggen het EU-OSHA, de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsvoorwaarden (Eurofound) en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop), thema's behandelen die verband houden met de arbeidsmarkt, werkomgeving, beroepsonderwijs en -opleiding en vaardigheden, is een nauwe samenwerking tussen deze agentschappen nodig. Bij zijn werkzaamheden moet het EU-OSHA daarom de werkzaamheden van Eurofound en het Cedefop aanvullen wanneer zij alle drie soortgelijke interessegebieden hebben, en tegelijk de instrumenten die goed werken, zoals memoranda van overeenstemming, bevorderen. Het EU-OSHA moet manieren om efficiëntie en synergieën te verbeteren, benutten en bij zijn activiteiten overlapping met de activiteiten van Eurofound en het Cedefop en die van de Commissie vermijden. Daarnaast moet het EU-OSHA, waar mogelijk, streven naar efficiënte samenwerking met de interne onderzoeksinstanties van Unie-instellingen en externe gespecialiseerde instanties.

(6)

Bij de evaluatie van het EU-OSHA moet de Commissie de voornaamste belanghebbenden raadplegen, waaronder leden van de raad van bestuur en leden van het Europees Parlement.

(7)

Het tripartiete karakter van het EU-OSHA, Eurofound en het Cedefop is een zeer waardevol voorbeeld van een globale benadering op basis van een sociale dialoog tussen de sociale partners en de nationale en Unieautoriteiten, die uitermate belangrijk is voor het vinden van gezamenlijke en duurzame oplossingen voor sociale en economische vraagstukken.

(8)

Wanneer in deze verordening wordt verwezen naar veiligheid en gezondheid op het werk, wordt daaronder zowel de fysieke als de mentale gezondheid verstaan.

(9)

Om het besluitvormingsproces in het EU-OSHA te stroomlijnen en met het oog op meer efficiëntie en effectiviteit, moet een bestuur met twee bestuurslagen worden ingesteld. Daartoe moeten de lidstaten, de nationale werkgevers- en werknemersorganisaties en de Commissie worden vertegenwoordigd in een raad van bestuur, die beschikt over de noodzakelijke bevoegdheden, onder meer om de begroting vast te stellen en het programmeringsdocument goed te keuren. In het programmeringsdocument, waarin het meerjarige werkprogramma en het jaarlijkse werkprogramma van het EU-OSHA staan, moet de raad van bestuur de strategische prioriteiten van de activiteiten van het EU-OSHA vaststellen. Bovendien moeten de door de raad van bestuur vastgestelde regels voor de voorkoming en beheersing van belangenconflicten maatregelen omvatten om mogelijke risico's in een vroeg stadium op te sporen.

(10)

Voor de goede werking van het EU-OSHA moeten de lidstaten, de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties en de Commissie ervoor zorgen dat personen die worden aangesteld in de raad van bestuur, beschikken over de nodige kennis op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk met het oog op het nemen van strategische beslissingen en het houden van toezicht op de activiteiten van het EU-OSHA.

(11)

Er moet een uitvoerend comité worden ingesteld dat de vergaderingen van de raad van bestuur goed voorbereidt en de processen van besluitvorming en monitoring ervan ondersteunt. Indien dat in dringende gevallen noodzakelijk is, moet het uitvoerend comité, wanneer het de raad van bestuur assisteert, namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige besluiten kunnen nemen. De raad van bestuur moet het reglement van orde van het uitvoerend comité vaststellen.

(12)

De uitvoerend directeur moet verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het EU-OSHA overeenkomstig de strategische visie van de raad van bestuur, met inbegrip van het dagelijks bestuur alsook de financiële planning en het personeelsbeheer. De uitvoerend directeur moet de hem opgedragen bevoegdheden uitoefenen. Deze bevoegdheden moeten kunnen worden opgeschort in uitzonderlijke omstandigheden, zoals belangenconflicten of ernstige verwaarlozing van de verplichtingen uit hoofde van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie („het Statuut”).

(13)

Het gelijkheidsbeginsel is een fundamenteel beginsel van het Unierecht. Dit houdt in dat de gelijkheid van vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de raad van bestuur en het uitvoerend comité. Die doelstelling moet ook worden nagestreefd door de raad van bestuur met betrekking tot zijn voorzitter en vicevoorzitters samen, alsook door de groepen die de regeringen, de werkgevers- en werknemersorganisaties in de raad van bestuur vertegenwoordigen met betrekking tot de aanwijzing van plaatsvervangers om de vergaderingen van het uitvoerend comité bij te wonen.

(14)

Het EU-OSHA heeft een verbindingskantoor in Brussel. Het moet mogelijk blijven dat kantoor open te houden.

(15)

Er zijn al organisaties in de Unie en de lidstaten die dezelfde soort informatie en diensten verstrekken als het EU-OSHA. Om het werk dat die organisaties al geleverd hebben, optimaal te benutten op Unieniveau is het wenselijk het bestaande, goed functionerende netwerk dat door het EU-OSHA uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2062/94 is opgezet en dat de nationale knooppunten en de nationale tripartiete netwerken van de lidstaten omvat, te behouden. Het is tevens van belang dat het EU-OSHA zeer nauwe functionele banden onderhoudt met het bij Besluit van de Raad van 22 juli 2003 (4) opgerichte Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats om een goede coördinatie en synergie te waarborgen.

(16)

De financiële bepalingen en de bepalingen voor programmering en verslaglegging met betrekking tot EU-OSHA moeten worden bijgewerkt. In Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie (5) is bepaald dat het EU-OSHA evaluaties vooraf en achteraf moet uitvoeren voor alle programma's en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich brengen. Het EU-OSHA moet met die evaluaties rekening houden in zijn meerjarige en jaarlijkse programmering.

(17)

Teneinde zijn volledige zelfstandigheid en onafhankelijkheid te waarborgen en het in staat te stellen de taken die het op grond van deze verordening heeft naar behoren te verrichten en de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, dient aan het EU-OSHA een adequate eigen begroting te worden toegekend, waarbij de inkomsten hoofdzakelijk worden gevormd door een bijdrage uit de algemene begroting van de Unie. Met betrekking tot de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie, moet op het EU-OSHA de begrotingsprocedure van de Unie van toepassing zijn. De rekeningen van het EU-OSHA dienen door de Rekenkamer te worden gecontroleerd.

(18)

De voor de werking van het EU-OSHA vereiste vertaaldiensten dienen te worden verricht door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (Vertaalbureau). Het EU-OSHA moet met het Vertaalbureau samenwerken om indicatoren inzake kwaliteit, tijdigheid en vertrouwelijkheid vast te stellen, de behoeften en prioriteiten van het EU-OSHA duidelijk af te bakenen en transparante en objectieve procedures voor het vertaalproces in het leven te roepen.

(19)

De bepalingen inzake het personeel van EU-OSHA moeten worden afgestemd op het Statuut en op de bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad vastgestelde Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie („Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden”) (6).

(20)

Het EU-OSHA moet de nodige maatregelen nemen om de veilige behandeling en verwerking van vertrouwelijke informatie te waarborgen. Waar nodig moet het EU-OSHA beveiligingsvoorschriften vaststellen die gelijkwaardig zijn aan die van Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (7) en (EU, Euratom) 2015/444 (8) van de Commissie.

(21)

Er moet worden voorzien in overgangsbepalingen inzake de begroting en inzake de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en het personeel zodat de activiteiten van het EU-OSHA kunnen worden voortgezet in afwachting van de tenuitvoerlegging van deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOELSTELLINGEN EN TAKEN

Artikel 1

Oprichting en doelstellingen

1.   Het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (het EU-OSHA) wordt hierbij opgericht als een agentschap van de Unie.

2.   Het EU-OSHA heeft als doel de instellingen en organen van de Unie, de lidstaten, de sociale partners en andere actoren die actief zijn op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk te voorzien van technische, wetenschappelijke en economische informatie en gekwalificeerde deskundigheid die nuttig is op dat gebied, teneinde de arbeidsomgeving met betrekking tot de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te verbeteren.

Daartoe verbetert en verspreidt het EU-OSHA kennis, voorziet het in empirische gegevens en diensten, met inbegrip van wetenschappelijk onderbouwde conclusies, met het oog op beleidsvorming en faciliteert het de uitwisseling van kennis tussen de actoren op Unieniveau onderling en met nationale actoren.

Artikel 2

Taken

1.   Het EU-OSHA voert, met strikte inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, in verband met de in artikel 1, lid 2, vermelde beleidsterreinen de volgende taken uit:

a)

het verzamelen en analyseren van technische, wetenschappelijke en economische informatie over veiligheid en gezondheid op het werk in de lidstaten met het oog op:

i)

het in kaart brengen van risico's, goede praktijken, en bestaande nationale prioriteiten en programma's;

ii)

het leveren van de noodzakelijke inbreng voor de prioriteiten en programma's van de Unie, en

iii)

het verspreiden van die informatie aan de instellingen en organen van de Unie, de lidstaten, de sociale partners en andere belanghebbenden die actief zijn op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk;

b)

het verzamelen en analyseren van technische, wetenschappelijke en economische informatie over onderzoek op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en over andere onderzoeksactiviteiten waaraan aspecten vastzitten die verband houden met veiligheid en gezondheid op het werk, en het verspreiden van de resultaten van het onderzoek en de onderzoeksactiviteiten;

c)

het bevorderen en ondersteunen van samenwerking en uitwisseling van informatie en ervaring tussen de lidstaten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, met inbegrip van informatie over opleidingsprogramma's;

d)

het organiseren van conferenties en studiebijeenkomsten, alsmede van de uitwisseling van deskundigheid van de lidstaten op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk;

e)

het verstrekken aan de instellingen en organen van de Unie en de lidstaten van de beschikbare objectieve technische, wetenschappelijke en economische informatie en de gekwalificeerde deskundigheid die nodig zijn om een oordeelkundig en doeltreffend beleid ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te formuleren en uit te voeren, met name het verstrekken aan de Commissie van de technische, wetenschappelijke en economische informatie en gekwalificeerde deskundigheid die nodig zijn om de volgende van haar taken te vervullen: wetgevende en andere maatregelen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in kaart brengen, opstellen en beoordelen, met name wat betreft het effect van rechtshandelingen, hun aanpassing aan technische, wetenschappelijke en regelgevende vooruitgang, en hun praktische toepassing door bedrijven en in het bijzonder door micro-, en kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo's);

f)

het opzetten van fora voor de uitwisseling van ervaringen en informatie tussen de regeringen, de sociale partners en belanghebbenden op nationaal niveau;

g)

het bijdragen aan de uitvoering van hervormingen en beleid op nationaal niveau, onder meer met empirische gegevens en analyses;

h)

het verzamelen en ter beschikking stellen van informatie over veiligheid en gezondheid van en aan derde landen en internationale organisaties;

i)

het verstrekken van technische, wetenschappelijke en economische informatie over de methoden en instrumenten om preventieactiviteiten te verwezenlijken, het in kaart brengen van goede praktijken en het bevorderen van preventieve maatregelen, met bijzondere aandacht voor de specifieke problemen van mkmo's, en wat de goede praktijken betreft, het focussen op met name praktijken die praktische instrumenten vormen, die kunnen worden gebruikt bij het opstellen van de beoordeling van de risico's voor de veiligheid en de gezondheid op het werk en bij het in kaart brengen van de maatregelen om die risico's aan te pakken;

j)

het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van strategieën en actieprogramma's van de Unie ter bevordering van de veiligheid en de gezondheid op het werk, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie;

k)

het overeenkomstig artikel 30 opstellen van een strategie voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties inzake aangelegenheden waarvoor het EU-OSHA bevoegd is;

l)

het opzetten van bewustmakings- en voorlichtingscampagnes en -acties rond thema's inzake veiligheid en gezondheid op het werk.

2.   Indien er nieuwe studies nodig zijn en voordat zij beleidsbeslissingen nemen houden de Unie-instellingen rekening met de expertise van het EU-OSHA en eventuele studies die het op het betrokken gebied reeds heeft uitgevoerd of die het kan uitvoeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9).

3.   Het EU-OSHA zorgt ervoor dat de verspreide informatie en de ter beschikking gestelde instrumenten op maat zijn gesneden van de gebruikers voor wie zij zijn bestemd. Daartoe werkt het EU-OSHA overeenkomstig artikel 12, lid 2, nauw samen met de in artikel 12, lid 1, bedoelde nationale knooppunten.

4.   Het EU-OSHA kan samenwerkingsovereenkomsten sluiten met andere relevante agentschappen van de Unie om de onderlinge samenwerking te verbeteren en te bevorderen.

5.   Bij de uitvoering van zijn taken onderhoudt het EU-OSHA een nauwe dialoog voornamelijk met gespecialiseerde instanties, zowel publieke als private, nationale als internationale, met overheden, met academische instellingen en onderzoeksinstanties en werkgevers- en werknemersorganisaties, alsook met nationale tripartiete organen, waar deze bestaan. Zonder daarbij afbreuk te doen aan zijn doelstellingen en ambities, werkt het EU-OSHA samen met andere agentschappen van de Unie, met name Eurofound en Cedefop, bevordert het synergie en complementariteit met hun activiteiten en voorkomt het dubbel werk.

HOOFDSTUK II

ORGANISATIE VAN HET EU-OSHA

Artikel 3

Administratieve en bestuurlijke structuur

De administratieve en bestuurlijke structuur van het EU-OSHA omvat:

a)

een raad van bestuur;

b)

een uitvoerend comité;

c)

een uitvoerend directeur;

d)

een netwerk.

AFDELING 1

Raad van bestuur

Artikel 4

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit:

a)

een lid per lidstaat dat de regering van die lidstaat vertegenwoordigt;

b)

een lid per lidstaat dat de werkgeversorganisaties van die lidstaat vertegenwoordigt;

c)

een lid per lidstaat dat de werknemersorganisaties van die lidstaat vertegenwoordigt;

d)

drie leden die de Commissie vertegenwoordigen;

e)

een door het Europees Parlement benoemde onafhankelijke deskundige.

Elk van de onder a) tot en met d) bedoelde leden is stemgerechtigd.

De onder a), b) en c) bedoelde leden worden door de Raad benoemd uit de gewone en de plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats.

De onder a) bedoelde leden worden op voordracht van de lidstaten benoemd. De onder b) en c) bedoelde leden worden op voordracht van de woordvoerders van de respectieve groepen in het Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats benoemd.

De in de vierde alinea bedoelde voordrachten worden aan de Raad voorgelegd en ter informatie naar de Commissie gestuurd.

De onder d) bedoelde leden worden door de Commissie benoemd.

De onder e) bedoelde deskundige wordt door de bevoegde commissie van het Europees Parlement benoemd.

2.   Ieder lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid indien het afwezig is. De plaatsvervangers worden benoemd overeenkomstig lid 1.

3.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden voorgedragen en benoemd op grond van hun kennis op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, met inachtneming van hun relevante vaardigheden zoals bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden en deskundigheid op gebied van de kerntaken van het EU-OSHA, om een doeltreffende toezichthoudende rol te vervullen. Alle partijen in de raad van bestuur trachten het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te waarborgen. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de raad van bestuur.

4.   Elk lid en elke plaatsvervanger ondertekent bij ambtsaanvaarding een schriftelijke verklaring dat betrokkene niet in een situatie van belangenconflict verkeert. Elk lid en elke plaatsvervanger actualiseert zijn verklaring wanneer zich een verandering in de omstandigheden betreffende het belangenconflict voordoet. Het EU-OSHA publiceert de verklaringen en de geactualiseerde versies op zijn website.

5.   De leden en de plaatsvervangers worden voor vier jaar benoemd. Die termijn kan worden verlengd. Na afloop van hun ambtstermijn of in het geval van aftreden blijven de leden van de raad van bestuur en de plaatsvervangers tot hun herbenoeming of vervanging in functie.

6.   In de raad van bestuur vormen de vertegenwoordigers van de regeringen, van de werkgeversorganisaties en van de werknemersorganisaties ieder een afzonderlijke groep. Elke groep wijst een coördinator aan om de besprekingen in de groep en tussen de groepen efficiënter te maken. De coördinatoren van de groep werkgevers en van de groep werknemers zijn vertegenwoordigers van hun respectieve Europese organisaties en kunnen worden aangewezen uit de benoemde leden van de raad van bestuur. Coördinatoren die geen benoemde leden van de raad van bestuur overeenkomstig lid 1 zijn, wonen de vergaderingen van de raad van bestuur zonder stemrecht bij.

Artikel 5

Functies van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur:

a)

zorgt voor de strategische aansturing van de activiteiten van het EU-OSHA;

b)

stelt ieder jaar met een tweederdemeerderheid van de stemgerechtigde leden en in overeenstemming met artikel 6 het programmeringsdocument van het EU-OSHA vast, waarin het meerjarige werkprogramma van het EU-OSHA en het jaarlijkse werkprogramma voor het volgende jaar zijn opgenomen;

c)

stelt met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het EU-OSHA vast en oefent overeenkomstig hoofdstuk III andere functies met betrekking tot die begroting uit;

d)

keurt een geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag van het EU-OSHA goed en dient dit elk jaar uiterlijk op 1 juli samen met zijn beoordeling van de activiteiten van het EU-OSHA in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer en maakt het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag openbaar;

e)

stelt overeenkomstig artikel 17 de financiële regels vast die van toepassing zijn op het EU-OSHA;

f)

stelt een fraudebestrijdingsstrategie vast die evenredig is met de frauderisico's en houdt daarbij rekening met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

g)

stelt regels vast voor de voorkoming en beheersing van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden en onafhankelijke deskundigen, alsmede gedetacheerde nationale deskundigen en ander personeel dat niet in dienst is van het EU-OSHA, als bedoeld in artikel 20;

h)

stelt communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij op basis van een behoeftenanalyse, en brengt dit tot uiting in het programmeringsdocument van het EU-OSHA;

i)

stelt zijn reglement van orde vast;

j)

oefent overeenkomstig lid 2 met betrekking tot het personeel van het EU-OSHA de bevoegdheden uit die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag („de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”);

k)

stelt passende uitvoeringsregels ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;

l)

benoemt de uitvoerend directeur en verlengt in voorkomend geval zijn ambtstermijn of ontheft hem uit zijn functie overeenkomstig artikel 19;

m)

benoemt een rekenplichtige, die onderworpen is aan het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, en die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

n)

stelt het reglement van orde van het uitvoerend comité vast;

o)

zorgt voor een passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en evaluaties en uit de onderzoeken van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF);

p)

geeft machtiging tot het opstellen van samenwerkingsregelingen met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties overeenkomstig artikel 30.

2.   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een beslissing die is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden vastlegt voor de opschorting van deze gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

Indien uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die de uitvoerend directeur op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk opschorten. In dat geval delegeert de raad van bestuur die bevoegdheden voor beperkte tijd aan een van de vertegenwoordigers van de Commissie, die hij aanstelt, of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 6

Meerjarige en jaarlijkse programmering

1.   Elk jaar stelt de uitvoerend directeur overeenkomstig artikel 11, lid 5, onder e), van deze verordening een ontwerp van programmeringsdocument op dat een meerjarig en een jaarlijks werkprogramma bevat overeenkomstig artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013.

2.   De uitvoerend directeur legt het in lid 1 bedoelde ontwerp van programmeringsdocument voor aan de raad van bestuur. Het ontwerp van programmeringsdocument wordt, na goedkeuring door de raad van bestuur, elk jaar uiterlijk op 31 januari voorgelegd aan de Commissie, het Europees Parlement en de Raad. De uitvoerend directeur legt alle daarna bijgewerkte versies van dat document voor overeenkomstig dezelfde procedure. De raad van bestuur stelt het programmeringsdocument vast, rekening houdend met het advies van de Commissie.

Het programmeringsdocument wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.

3.   Het meerjarige werkprogramma omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van de doelstellingen, beoogde resultaten en prestatie-indicatoren, waarbij overlappingen met de programmering van andere agentschappen worden voorkomen. Het behelst ook de programmering van de middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen. In het programma wordt ook een strategie opgenomen voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties overeenkomstig artikel 30, de met deze strategie verbonden acties en een vermelding van de bijbehorende middelen.

4.   Het jaarlijkse werkprogramma is consistent met het in lid 3 bedoelde meerjarige werkprogramma en bevat:

a)

gedetailleerde doelstellingen en de beoogde resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren;

b)

een beschrijving van de te financieren acties, met inbegrip van geplande maatregelen om de efficiëntie te verbeteren;

c)

een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen overeenkomstig de beginselen van Activity Based Budgeting en Activity Based Management;

d)

mogelijke acties voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties overeenkomstig artikel 30.

Het vermeldt duidelijk de acties die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

5.   De raad van bestuur past het vastgestelde jaarlijkse werkprogramma aan wanneer het EU-OSHA een nieuwe activiteit toegewezen krijgt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-wezenlijke wijzigingen door te voeren in het jaarlijkse werkprogramma.

Iedere materiële wijziging van het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld overeenkomstig dezelfde procedure als die welke voor het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt.

6.   Deze programmering van de middelen wordt jaarlijks bijgewerkt. De strategische programmering wordt in voorkomend geval geactualiseerd, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 28 bedoelde evaluatie.

Wanneer het EU-OSHA een nieuwe activiteit toegewezen krijgt met het oog op de vervulling van de in artikel 2 vermelde taken, wordt daarmee rekening gehouden in zijn programmering van financiële en andere middelen, onverminderd de bevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad (de „begrotingsautoriteit”).

Artikel 7

Voorzitter van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest als volgt een voorzitter en drie vicevoorzitters:

a)

één uit de groep leden die de regeringen van de lidstaten vertegenwoordigt;

b)

één uit de groep leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigt;

c)

één uit de groep leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigt, en

d)

één uit de groep leden die de Commissie vertegenwoordigt.

De voorzitter en vicevoorzitters worden door stemgerechtigde leden van de raad van bestuur gekozen met een tweederdemeerderheid.

2.   De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitters bedraagt één jaar. Hun ambtstermijn kan worden verlengd. Indien hun lidmaatschap van de raad van bestuur tijdens hun ambtstermijn eindigt, loopt hun ambtstermijn op dezelfde datum automatisch af.

Artikel 8

Vergaderingen van de raad van bestuur

1.   De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.

2.   De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste één gewone vergadering per jaar. Daarnaast komt de raad bijeen op initiatief van de voorzitter of op verzoek van de Commissie of van ten minste één derde van zijn leden.

4.   De raad van bestuur kan eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen. Vertegenwoordigers van landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (de EER-overeenkomst) kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur als waarnemers bijwonen indien de EER-overeenkomst voorziet in hun deelname aan de activiteiten van het EU-OSHA.

5.   Het EU-OSHA vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.

Artikel 9

Stemprocedure in de raad van bestuur

1.   Onverminderd artikel 5, lid 1, onder b) en c), artikel 7, lid 1, tweede alinea, en artikel 19, lid 7, neemt de raad van bestuur beslissingen met een meerderheid van stemgerechtigde leden.

Voor besluiten in het kader van het jaarlijkse werkprogramma die budgettaire gevolgen hebben voor de nationale knooppunten, is evenwel ook de instemming van een meerderheid van leden van de groep vertegenwoordigers van de regeringen vereist.

2.   Elk stemgerechtigd lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid mag zijn plaatsvervanger diens stemrecht uitoefenen.

3.   De voorzitter neemt aan de stemming deel.

4.   De uitvoerend directeur neemt aan de beraadslagingen deel, maar heeft geen stemrecht.

5.   In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name betreffende de gevallen waarin een lid mag handelen namens een ander lid.

AFDELING 2

Uitvoerend comité

Artikel 10

Uitvoerend comité

1.   De raad van bestuur wordt bijgestaan door een uitvoerend comité.

2.   Het uitvoerend comité:

a)

stelt de besluiten op die ter goedkeuring aan de raad van bestuur worden voorgelegd;

b)

zorgt samen met de raad van bestuur voor een passende follow-up van de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en evaluaties alsmede uit de onderzoeken van OLAF;

c)

adviseert waar nodig de uitvoerend directeur, onverminderd diens verantwoordelijkheden als omschreven in artikel 11, bij de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur om het toezicht op het administratief en begrotingsbeheer te versterken.

3.   Indien dat in dringende gevallen noodzakelijk is, kan het uitvoerend comité namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige beslissingen nemen, ook over de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag, overeenkomstig de in artikel 5, lid 2, bedoelde voorwaarden, en over begrotingskwesties.

4.   Het uitvoerend comité bestaat uit de voorzitter van de raad van bestuur, de drie vicevoorzitters, de coördinatoren van de drie in artikel 4, lid 6, vermelde groepen en een vertegenwoordiger van de Commissie. Elke in artikel 4, lid 6, vermelde groep mag ten hoogste twee plaatsvervangers aanwijzen om de vergaderingen van het uitvoerend comité bij te wonen indien een door de betrokken groep benoemd lid afwezig is. De voorzitter van de raad van bestuur is ook de voorzitter van het uitvoerend comité. De uitvoerend directeur neemt deel aan de vergaderingen van het uitvoerend comité, maar heeft geen stemrecht.

5.   De ambtstermijn van de leden van het uitvoerend comité bedraagt twee jaar. Die termijn kan worden verlengd. De ambtstermijn van een lid van het uitvoerend comité eindigt wanneer hun lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt.

6.   Het uitvoerend comité komt driemaal per jaar bijeen. Daarnaast komt het uitvoerend comité bijeen op initiatief van de voorzitter of op verzoek van zijn leden. Na iedere vergadering doen de coördinatoren van de in artikel 4, lid 6, vermelde drie groepen alles wat in hun vermogen ligt om de leden van hun groep tijdig en op transparante wijze op de hoogte te stellen van de inhoud van de discussie.

AFDELING 3

Uitvoerend directeur

Artikel 11

Verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor het beheer van het EU-OSHA overeenkomstig de strategische visie van de raad van bestuur en legt verantwoording af aan de raad van bestuur.

2.   Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, de raad van bestuur en het uitvoerend comité is de uitvoerend directeur onafhankelijk bij de uitvoering van zijn taken en vraagt of aanvaardt hij geen instructies van een regering of enige andere instantie.

3.   De uitvoerend directeur brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement over de uitvoering van zijn taken. De Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn taken.

4.   De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het EU-OSHA.

5.   De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die bij deze verordening aan het EU-OSHA zijn toegekend. De uitvoerend directeur is in het bijzonder belast met:

a)

de dagelijkse leiding van het EU-OSHA, onder meer de uitoefening van de hem opgedragen bevoegdheid voor personeel, overeenkomstig artikel 5, lid 2;

b)

de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur;

c)

het nemen van beslissingen op het gebied van het personeelsbeheer overeenkomstig de in artikel 5, lid 2, bedoelde beslissing;

d)

het rekening houden met de behoeften in verband met de activiteiten van het EU-OSHA en een gezond begrotingsbeheer, het nemen van beslissingen over de interne structuren van het EU-OSHA en, waar nodig, de wijziging ervan;

e)

het opstellen van het programmeringsdocument en het indienen ervan bij de raad van bestuur na raadpleging van de Commissie;

f)

het uitvoeren van het programmeringsdocument en het uitbrengen van verslag over de uitvoering ervan aan de raad van bestuur;

g)

het voorbereiden van het geconsolideerd jaarverslag over de activiteiten van het EU-OSHA en het ter goedkeuring indienen ervan bij de raad van bestuur;

h)

het opzetten van een effectief toezichtsysteem, zodat de in artikel 28 bedoelde regelmatige evaluaties kunnen worden uitgevoerd, en van een rapportagesysteem waarin de resultaten van die evaluaties worden samengevat;

i)

het opstellen van een ontwerp van financiële voorschriften voor het EU-OSHA;

j)

het opstellen van de ontwerpraming van ontvangsten en uitgaven van het EU-OSHA, als onderdeel van het programmeringsdocument van het EU-OSHA, en het uitvoeren van de begroting van het EU-OSHA;

k)

het opstellen van een actieplan voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook van onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en het uitbrengen van verslag over de geboekte vooruitgang, twee keer per jaar aan de Commissie en op regelmatige tijdstippen aan de raad van bestuur en het uitvoerend comité;

l)

het trachten te zorgen voor genderevenwicht binnen het EU-OSHA;

m)

de bescherming van de financiële belangen van de Unie door toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen; waar nodig legt hij ook doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties op;

n)

het opstellen van een fraudebestrijdingsstrategie voor het EU-OSHA en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;

o)

indien nodig samenwerking met andere Europese agentschappen, en het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten met die agentschappen.

6.   Het is ook de verantwoordelijkheid van de uitvoerend directeur te beslissen of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het EU-OSHA noodzakelijk is een verbindingskantoor in Brussel op te richten om de samenwerking van het EU-OSHA met de betrokken instellingen van de Unie te bevorderen. Die beslissing moet vooraf worden goedgekeurd door de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat. In die beslissing wordt het toepassingsgebied gespecificeerd van de activiteiten die door dat verbindingskantoor moeten worden uitgevoerd, op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het EU-OSHA worden vermeden.

AFDELING 4

Netwerk

Artikel 12

Netwerk

1.   Het EU-OSHA zet een netwerk op bestaande uit:

a)

de voornaamste componenten van de nationale informatienetwerken, waaronder de nationale werkgevers- en werknemersorganisaties, overeenkomstig het nationale recht of nationale gebruiken;

b)

de nationale knooppunten.

2.   De lidstaten delen het EU-OSHA regelmatig mee wat de voornaamste componenten van hun nationale informatienetwerken op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk zijn, alsmede welke instellingen volgens hen aan de werkzaamheden van het EU-OSHA zouden kunnen bijdragen, waarbij zij er rekening mee houden dat hun grondgebied zo volledig mogelijk moet worden bestreken.

De nationale instanties of een door de lidstaat als nationaal knooppunt aangewezen nationale instelling dragen zorg voor de coördinatie en het doorsturen van de op nationaal niveau bijeengebrachte informatie naar het EU-OSHA, in het kader van een overeenkomst tussen ieder knooppunt en het EU-OSHA op basis van het door het EU-OSHA goedgekeurde werkprogramma.

De nationale instanties of een nationale instelling raadplegen de nationale werkgevers- en werknemersorganisaties en houden rekening met hun standpunt overeenkomstig het nationaal recht of de nationale gebruiken.

3.   De thema's van bijzonder belang worden vermeld in het jaarlijkse werkprogramma van het EU-OSHA.

HOOFDSTUK III

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 13

Begroting

1.   Voor elk begrotingsjaar worden alle ontvangsten en uitgaven van het EU-OSHA geraamd en vervolgens in de begroting van het EU-OSHA opgenomen. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar.

2.   De ontvangsten en uitgaven van het EU-OSHA moeten in evenwicht zijn.

3.   Onverminderd andere middelen bestaan de ontvangsten van het EU-OSHA uit:

a)

een in de algemene begroting van de Unie opgenomen bijdrage van de Unie;

b)

eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten;

c)

vergoedingen voor publicaties en andere door het EU-OSHA verrichte diensten;

d)

eventuele bijdragen van derde landen die aan de werkzaamheden van het EU-OSHA deelnemen op grond van artikel 30.

4.   De uitgaven van het EU-OSHA omvatten de bezoldiging van het personeel, uitgaven voor administratie en infrastructuur en werkingskosten.

Artikel 14

Vaststelling van de begroting

1.   Elk jaar stelt de uitvoerend directeur een voorlopige ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het EU-OSHA voor het volgende begrotingsjaar, waarin de personeelsformatie is opgenomen, en zendt hij deze naar de raad van bestuur.

De voorlopige ontwerpraming stoelt op de doelstellingen en verwachte resultaten van het jaarlijkse programmeringsdocument zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, en houdt rekening met de financiële middelen die nodig zijn voor het verwezenlijken van die doelstellingen en verwachte resultaten, in overeenstemming met het beginsel van resultaatgericht begroten.

2.   Op basis van de voorlopige ontwerpraming stelt de raad van bestuur een ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het EU-OSHA voor het volgende begrotingsjaar vast en zendt hij deze uiterlijk op 31 januari van elk jaar aan de Commissie toe.

3.   De Commissie zendt de ontwerpraming, samen met het ontwerp van algemene begroting van de Unie, toe aan de begrotingsautoriteit. De ontwerpraming wordt tevens beschikbaar gesteld aan het EU-OSHA.

4.   Op basis van de ontwerpraming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij voor de personeelsformatie nodig acht en de bijdrage ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

5.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten goed voor de bijdrage uit de algemene begroting van de Unie aan het EU-OSHA.

6.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor het EU-OSHA vast.

7.   De begroting van het EU-OSHA wordt door de raad van bestuur vastgesteld. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast. Wijzigingen van de begroting van het EU-OSHA, met inbegrip van de personeelsformatie, worden volgens dezelfde procedure vastgesteld.

8.   Op bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het EU-OSHA, is Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van toepassing.

Artikel 15

Uitvoering van de begroting

1.   De uitvoerend directeur voert de begroting van het EU-OSHA uit.

2.   De uitvoerend directeur zendt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures toe.

Artikel 16

Indiening van de rekeningen en kwijting

1.   De rekenplichtige van het EU-OSHA zendt de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar (jaar N) uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar (jaar N + 1) aan de rekenplichtige van de Commissie en de Rekenkamer toe.

2.   Het EU-OSHA zendt uiterlijk op 31 maart van het jaar N + 1 een verslag over het budgettair en financieel beheer voor het jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

3.   De rekenplichtige van de Commissie zendt de voorlopige rekeningen van het EU-OSHA voor het jaar N, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, uiterlijk op 31 maart van het jaar N + 1 aan de Rekenkamer toe.

4.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het EU-OSHA voor het jaar N krachtens artikel 246 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, maakt de rekenplichtige de definitieve rekeningen van het EU-OSHA voor dat jaar op. De uitvoerend directeur legt deze voor advies voor aan de raad van bestuur.

5.   De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het EU-OSHA voor jaar N.

6.   De rekenplichtige van het EU-OSHA dient uiterlijk op 1 juli van het jaar N + 1 de definitieve rekeningen voor het jaar N samen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7.   De definitieve rekeningen voor het jaar N worden uiterlijk op 15 november van het jaar N + 1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

8.   De uitvoerend directeur geeft de Rekenkamer uiterlijk op 30 september van het jaar N + 1 antwoord op de opmerkingen die de Rekenkamer in haar jaarverslag heeft gemaakt. De uitvoerend directeur zendt het antwoord tevens toe aan de raad van bestuur.

9.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het jaar N, overeenkomstig artikel 109, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013.

10.   Vóór 15 mei van het jaar N + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar N.

Artikel 17

Financiële regels

De financiële regels die van toepassing zijn op het EU-OSHA, worden vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze regels wijken niet af van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 tenzij dit in verband met de werking van het EU-OSHA specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

HOOFDSTUK IV

PERSONEEL

Artikel 18

Algemene bepalingen

1.   Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de voorschriften die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ter uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van het EU-OSHA.

2.   Overeenkomstig artikel 110 van het Statuut stelt de raad van bestuur passende bepalingen vast voor de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 19

Uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur is een personeelslid en wordt aangeworven als tijdelijk functionaris van het EU-OSHA uit hoofde van artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

2.   De uitvoerend directeur wordt na een open en transparante selectieprocedure door de raad van bestuur benoemd uit een lijst van door de Commissie voorgestelde kandidaten.

De geselecteerde kandidaat wordt verzocht voor het Europees Parlement een verklaring te komen afleggen en vragen van de parlementsleden te beantwoorden. Deze gedachtewisseling mag de benoeming niet onnodig vertragen.

Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de uitvoerend directeur wordt het EU-OSHA vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.

3.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Vóór het einde van die termijn voert de Commissie een beoordeling uit waarin rekening wordt gehouden met de evaluatie van de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten en de toekomstige taken en uitdagingen van het EU-OSHA.

4.   Rekening houdend met de in lid 3 bedoelde beoordeling kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar.

5.   Indien de ambtstermijn van een uitvoerend directeur is verlengd, mag hij na afloop van de volledige termijn niet deelnemen aan een nieuwe selectieprocedure voor hetzelfde ambt.

6.   De uitvoerend directeur kan uitsluitend uit zijn ambt worden ontheven bij besluit van de raad van bestuur. In zijn besluit houdt de raad van bestuur rekening met de in lid 3 bedoelde beoordeling van de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten door de Commissie.

7.   De raad van bestuur neemt besluiten over de benoeming van de uitvoerend directeur, de verlenging van diens ambtstermijn en de ontheffing van de uitvoerend directeur uit zijn functie met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.

Artikel 20

Gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden

1.   Het EU-OSHA kan gebruikmaken van gedetacheerde nationale deskundigen of ander personeel dat niet in dienst is van het EU-OSHA.

2.   Bij besluit van de raad van bestuur worden de voorschriften vastgesteld voor de detachering van nationale deskundigen bij het EU-OSHA.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 21

Rechtspositie

1.   Het EU-OSHA is een agentschap van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   Het EU-OSHA beschikt in alle lidstaten over de ruimste handelingsbevoegdheid die uit hoofde van het nationaal recht aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

3.   Het EU-OSHA heeft zijn zetel in Bilbao.

4.   Overeenkomstig artikel 11, lid 6, kan het EU-OSHA een verbindingskantoor in Brussel oprichten om zijn samenwerking met de betrokken instellingen van de Unie te bevorderen.

Artikel 22

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op het EU-OSHA en zijn personeel.

Artikel 23

Talenregeling

1.   De bepalingen van Verordening nr. 1 van de Raad (10) zijn van toepassing op het EU-OSHA.

2.   De voor het functioneren van het EU-OSHA vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau.

Artikel 24

Transparantie en gegevensbescherming

1.   Het EU-OSHA verricht zijn werkzaamheden met een hoge mate van transparantie.

2.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11) is van toepassing op de documenten die in het bezit zijn van het EU-OSHA.

3.   De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering de gedetailleerde regels ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.

4.   Op de verwerking van persoonsgegevens door het EU-OSHA is Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (12) van toepassing. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de eerste vergadering maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door het EU-OSHA, onder meer betreffende de benoeming van de functionaris voor gegevensbescherming. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Artikel 25

Fraudebestrijding

1.   Om de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13) te vereenvoudigen, treedt het EU-OSHA uiterlijk op 21 augustus 2019 toe tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (14) en stelt het op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende voorschriften vast voor al zijn werknemers.

2.   De Rekenkamer is bevoegd om bij alle subsidieontvangers, contractanten en subcontractanten die van het EU-OSHA Uniemiddelen hebben ontvangen, controles te verrichten, zowel op basis van documenten als door middel van inspecties ter plaatse.

3.   OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (15) onderzoeken verrichten, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een door het EU-OSHA gefinancierde overeenkomst.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 omvatten de samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het EU-OSHA bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke controles en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

Artikel 26

Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

Indien nodig stelt het EU-OSHA beveiligingsvoorschriften vast die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, als vermeld in Besluit (EU, Euratom) 2015/443 en Besluit (EU, Euratom) 2015/444. De beveiligingsvoorschriften van het EU-OSHA hebben onder meer en indien nodig betrekking op bepalingen voor de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie.

Artikel 27

Aansprakelijkheid

1.   De contractuele aansprakelijkheid van het EU-OSHA wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de betrokken overeenkomst.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) is bevoegd uitspraak te doen krachtens arbitrageclausules in door het EU-OSHA gesloten overeenkomsten.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het EU-OSHA in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn diensten of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.

4.   Het Hof van Justitie is bevoegd met betrekking tot de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.   De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het EU-OSHA wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 28

Evaluatie

1.   Overeenkomstig artikel 29, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 verricht het EU-OSHA evaluaties vooraf en achteraf van deze programma's en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich brengen.

2.   Uiterlijk tegen 21 februari 2024 en daarna om de vijf jaar zorgt de Commissie ervoor dat in overeenstemming met de richtsnoeren van de Commissie een evaluatie wordt uitgevoerd om de prestaties van het EU-OSHA te toetsen aan zijn doelstellingen, mandaat en taken. Bij zijn evaluatie raadpleegt de Commissie leden van de raad van bestuur en de andere belangrijke betrokken partijen. Deze evaluatie richt zich in het bijzonder op de vraag of het mandaat van het EU-OSHA moet worden gewijzigd, en op de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen.

3.   De Commissie brengt bij het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur verslag uit van de bevindingen van haar evaluatie. De bevindingen van de evaluatie worden openbaar gemaakt.

Artikel 29

Administratieve onderzoeken

Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van het EU-OSHA onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.

Artikel 30

Samenwerking met derde landen en internationale organisaties

1.   Voor zover noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en onverminderd de respectieve bevoegdheden van de lidstaten en de instellingen van de Unie, kan het EU-OSHA samenwerken met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties.

Daartoe mag het EU-OSHA, onder voorbehoud van machtiging door de raad van bestuur en na goedkeuring door de Commissie, werkregelingen treffen met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties. Deze regelingen scheppen geen wettelijke verplichtingen voor de Unie of de lidstaten.

2.   Het EU-OSHA staat open voor deelname van derde landen die met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.

Krachtens de desbetreffende bepalingen van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten worden regelingen opgesteld voor met name de aard, de omvang en de werkwijze van de deelname van de betrokken derde landen aan de werkzaamheden van het EU-OSHA, met inbegrip van bepalingen betreffende de deelname aan initiatieven van het EU-OSHA, de financiële bijdragen en het personeel. Wat personeelszaken betreft, voldoen deze regelingen in elk geval aan het Statuut.

3.   De raad van bestuur stelt een strategie op voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties inzake aangelegenheden waarvoor het EU-OSHA bevoegd is.

Artikel 31

Zetelovereenkomst en voorwaarden voor de werking

1.   De regelingen betreffende de huisvesting van het EU-OSHA in de lidstaat van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaat van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de werknemers en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het EU-OSHA en de lidstaat waar de zetel is gevestigd.

2.   De lidstaat van vestiging van EU-OSHA biedt de noodzakelijke voorwaarden voor de werking van het EU-OSHA, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en goede vervoersverbindingen.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 32

Overgangsbepalingen in verband met de raad van bestuur

De leden van de op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2062/94 opgerichte raad van bestuur blijven in functie en oefenen de functies van de in artikel 5 van deze verordening bedoelde raad van bestuur uit tot de benoeming van de leden van de raad van bestuur en van de onafhankelijke deskundige krachtens artikel 4, lid 1, van deze verordening.

Artikel 33

Overgangsbepalingen in verband met het personeel

1.   De directeur van het EU-OSHA die is benoemd op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2062/94, vervult voor de resterende duur van zijn ambtstermijn de taken van de uitvoerend directeur als bepaald in artikel 11 van deze verordening. De andere voorwaarden in zijn arbeidsovereenkomst blijven ongewijzigd.

2.   Indien er op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening een selectie- en benoemingsprocedure voor de uitvoerend directeur loopt, is artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2062/94 van toepassing tot die procedure afgelopen is.

3.   Deze verordening heeft geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen van personeel dat op grond van Verordening (EG) nr. 2062/94 in dienst is genomen. Hun arbeidsovereenkomsten kunnen krachtens deze verordening worden verlengd overeenkomstig het Statuut en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Elk verbindingskantoor dat het EU-OSHA heeft op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening, wordt behouden.

Artikel 34

Overgangsbepalingen inzake de begroting

De kwijtingsprocedure met betrekking tot de begrotingen die zijn goedgekeurd op grond van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2062/94 wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 14 van die verordening.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2062/94 wordt ingetrokken en alle verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 36

Het van kracht blijven van door de raad van bestuur vastgestelde interne voorschriften

De door de raad van bestuur op grond van Verordening (EG) nr. 2062/94 vastgestelde interne voorschriften blijven van kracht na 20 februari 2019, tenzij de raad van bestuur bij de uitvoering van deze verordening anders bepaalt.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 januari 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  PB C 209 van 30.6.2017, blz. 49.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 december 2018.

(3)  Verordening (EG) nr. 2062/94 van de Raad van 18 juli 1994 tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (PB L 216 van 20.8.1994, blz. 1).

(4)  Besluit van de Raad van 22 juli 2003 tot oprichting van een Raadgevend Comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (PB C 218 van 13.9.2003, blz. 1).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).

(6)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(7)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(8)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(10)  Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).

(11)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(12)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(13)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(14)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(15)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).


Top