Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R1999

Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (Voor de EER relevante tekst.)

PE/55/2018/REV/1

OJ L 328, 21.12.2018, p. 1–77 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1999/oj

21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 328/1


VERORDENING (EU) 2018/1999 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2018

inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening bevat de noodzakelijke wettelijke basis voor een betrouwbare, inclusieve, kostenefficiënte, transparante en voorspelbare governance van de energie-unie en de klimaatactie (governancemechanisme), waardoor wordt gegarandeerd dat de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie voor 2030 en voor de lange termijn worden gehaald overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs van 2015 inzake klimaatverandering, die na afloop van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering is gesloten (de „Overeenkomst van Parijs”), door complementaire, coherente en ambitieuze inspanningen van de Unie en de lidstaten, terwijl de administratieve complexiteit beperkt wordt gehouden.

(2)

De energie-unie moet bestaan uit vijf dimensies: de continuïteit van de energievoorziening; de interne energiemarkt, energie-efficiëntie; decarbonisatie, en onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.

(3)

Het doel van een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kernelement is om de consumenten in de Unie, waaronder gezinnen en bedrijven, zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te geven en om onderzoek en innovatie te bevorderen door investeringen aan te trekken; dit vereist een fundamentele transformatie van het Europees energiesysteem. Een dergelijke transformatie hangt ook nauw samen met de noodzaak om de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren, en om het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen te bevorderen, met name door energie-efficiëntie en energiebesparingen te stimuleren en nieuwe en hernieuwbare vormen van energie te ontwikkelen. Dat doel kan alleen worden bereikt door gecoördineerd optreden waarbij wetgevende en niet-wetgevende maatregelen op Unie-, regionaal, nationaal en lokaal niveau worden gecombineerd.

(4)

Een volledig functionele en veerkrachtige energie-unie zou de Unie omvormen tot een toonaangevende regio voor innovatie, investeringen, groei en sociale en economische ontwikkeling, wat op zijn beurt een goed voorbeeld vormt van de onderlinge verwevenheid tussen het nastreven van hoge ambities op het vlak van de beperking van de klimaatverandering en maatregelen ter bevordering van innovatie, investeringen en groei.

(5)

Parallel met deze verordening heeft de Commissie een reeks initiatieven inzake sectoraal energiebeleid ontwikkeld en vastgesteld, met name op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, waaronder de energieprestaties van gebouwen, en marktontwerp. Deze initiatieven vormen een pakket onder het overkoepelende thema „energie-efficiëntie eerst”, het mondiale leiderschap van de Unie op het vlak van hernieuwbare energie, en een eerlijke deal voor energieconsumenten, onder meer door het tegengaan van energiearmoede en het bevorderen van eerlijke concurrentie op de interne markt.

(6)

In zijn conclusies van 23 en 24 oktober 2014 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan een kader voor klimaat en energie voor de Unie voor 2030, op basis van vier belangrijke streefcijfers op Unieniveau: een afname van de broeikasgasemissies in de gehele economie met ten minste 40 %, een indicatief streefcijfer voor een verbetering van de energie-efficiëntie van ten minste 27 % dat uiterlijk in 2020 moet worden herzien om te worden opgetrokken tot een niveau van 30 %, een aandeel van ten minste 27 % hernieuwbare energie in het verbruik binnen de Unie, en een interconnectiegraad van de elektriciteitsnetten van ten minste 15 %. De Europese Raad heeft gepreciseerd dat het streefcijfer voor hernieuwbare energie bindend is op het niveau van de Unie en moet worden bereikt door bijdragen van de lidstaten, geleid door de noodzaak om gezamenlijk het streefcijfer van de Unie te halen. Bij een herschikking van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) werd voor de Unie een nieuw, bindend streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 van ten minste 32 % ingevoerd, waarbij tevens is voorzien in een herziening om het streefcijfer op Unieniveau uiterlijk in 2023 op te trekken. Via wijzigingen van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) werd het streefcijfer op Unieniveau voor een verbetering van de energie-efficiëntie in 2030 vastgesteld op ten minste 32,5 %, waarbij tevens is voorzien in een herziening om de streefcijfers op Unieniveau op te trekken.

(7)

Het bindend streefcijfer om de broeikasgasemissies in de gehele economie van de Unie tegen 2030 met minstens 40 % te doen dalen in vergelijking met 1990 is tijdens de zitting van de Raad Milieu op 6 maart 2015 formeel goedgekeurd als de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten aan de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst van Parijs is door de Unie geratificeerd op 5 oktober 2016 (6) en is in werking getreden op 4 november 2016. Zij vervangt de aanpak die werd gevolgd in het Protocol van Kyoto uit 1997, dat door de Unie bij Beschikking 2002/358/EG van de Raad (7) werd goedgekeurd en niet zal worden voortgezet na 2020. Het systeem van de Unie voor monitoring en rapportering van emissies en verwijderingen moet dienovereenkomstig worden geactualiseerd.

(8)

Met de Overeenkomst van Parijs is de mondiale ambitie om de klimaatverandering te beperken gestegen en is er een doel op lange termijn vastgesteld dat strookt met de doelstelling om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ten opzichte van de pre-industriële niveaus ruim onder 2 °C te houden en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus.

(9)

In haar streven om de temperatuurdoelen van de Overeenkomst van Parijs te halen, moet de Unie zo snel mogelijk een balans proberen te bereiken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen en daarna zo nodig tot negatieve emissies proberen te komen.

(10)

Voor het klimaatsysteem zijn de cumulatieve totale antropogene emissies in de loop van de tijd van belang voor de totale concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. De Commissie moet een analyse maken van verscheidene scenario's voor de bijdrage van de Unie aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen, onder meer een scenario om de uitstoot van broeikasgassen binnen de Unie uiterlijk in 2050 tot nul te herleiden en daarna tot negatieve emissies te komen, en moet tevens onderzoeken wat de gevolgen van die scenario's zijn voor het resterende mondiale en Uniekoolstofbudget. De Commissie moet een analyse voorbereiden met het oog op een langetermijnstrategie van de Unie voor de bijdrage van de Unie aan de verbintenissen van de Overeenkomst van Parijs om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ten opzichte van de pre-industriële niveaus ruim onder 2 °C te houden en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus, met inbegrip van verschillende scenario's, waaronder een scenario om de uitstoot van broeikasgassen binnen de Unie uiterlijk in 2050 tot nul te herleiden en daarna tot negatieve emissies te komen en de gevolgen daarvan voor het mondiale en Uniekoolstofbudget.

(11)

De Unie heeft weliswaar beloofd om tegen 2030 ambitieuze broeikasgasemissiereducties te verwezenlijken, maar de klimaatverandering is een dreiging die de hele wereld aanbelangt. Daarom moeten de Unie en haar lidstaten samenwerken met hun internationale partners om ervoor te zorgen dat de graad van ambitie die alle partijen aan de dag leggen, strookt met de langetermijndoelen van de Overeenkomst van Parijs.

(12)

In zijn conclusies van 23 en 24 oktober 2014 is de Europese Raad ook overeengekomen dat er een betrouwbaar en transparant governancemechanisme zonder onnodige administratieve rompslomp en met voldoende flexibiliteit voor de lidstaten moet worden ontwikkeld dat ertoe moet bijdragen dat de Unie haar energiebeleidsdoelstellingen kan halen en tegelijk volledig recht kan doen aan de vrijheid van de lidstaten om zelf hun energiemix te bepalen. De Europese Raad benadrukte dat dit governancemechanisme moet berusten op bestaande bouwstenen, zoals nationale klimaatprogramma's en nationale plannen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en dat de planning en rapportering, waar deze nog gescheiden verlopen, moeten worden gestroomlijnd en gebundeld. De Europese Raad stemde er ook mee in de rol en de rechten van de consument, en de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te vergroten, onder meer dankzij een systematische monitoring van de kernindicatoren voor een betaalbaar, veilig, concurrerend, zeker en duurzaam energiesysteem, de coördinatie van nationaal klimaat- en energiebeleid te vergemakkelijken en regionale samenwerking tussen lidstaten te bevorderen.

(13)

In haar mededeling van 25 februari 2015 over een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering wijst de Commissie erop dat er behoefte is aan een geïntegreerd governancemechanisme om ervoor te zorgen dat de energiegerelateerde acties op Unie-, regionaal, nationaal en lokaal niveau stuk voor stuk bijdragen tot de doelstellingen van de energie-unie, hetgeen een verbreding van het toepassingsgebied van de governance inhoudt — verder dan het klimaat- en energiekader 2030 — naar alle vijf dimensies van de energie-unie.

(14)

In haar mededeling van 18 november 2015 over de stand van de energie-unie heeft de Commissie voorts gepreciseerd dat geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, die betrekking hebben op alle vijf dimensies van de energie-unie, noodzakelijke instrumenten zijn voor een meer strategische planning van het energie- en klimaatbeleid. De richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten over geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, die een onderdeel zijn van die mededeling, vormen de basis waarop de lidstaten nationale plannen beginnen op te stellen voor de periode 2021 tot en met 2030, en zetten de belangrijkste pijlers van het governancemechanisme uiteen. In de mededeling is ook gepreciseerd dat deze governance moet worden verankerd in het recht.

(15)

In zijn conclusies van 26 november 2015 over het governancestelsel van de energie-unie onderkent de Raad dat de governance van de energie-unie een essentieel instrument zal zijn bij het doelmatig en doeltreffend opzetten van de energie-unie en bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan. De Raad benadrukte dat het governancemechanisme moet worden gebaseerd op de beginselen van integratie van strategische planning en rapportering van de tenuitvoerlegging van het klimaat- en energiebeleid en op coördinatie tussen de actoren die op Unie-, regionaal en nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het energie- en klimaatbeleid. De Raad beklemtoonde ook dat het governancemechanisme ervoor moet zorgen dat de overeengekomen energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030 worden gehaald, en dat de collectieve vooruitgang van de Unie op weg naar de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen in de vijf dimensies van de energie-unie wordt gemonitord.

(16)

In de resolutie van het Europees Parlement van 15 december 2015 getiteld „Op weg naar een Europese energie-unie” verwachtte het Europees Parlement dat het governancemechanisme voor de energie-unie ambitieus, betrouwbaar, transparant en democratisch zou zijn, dat het Parlement er volledig aan zou deelnemen en dat dit bestuurskader ervoor zou zorgen dat de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 werden gehaald.

(17)

De Europese Raad heeft er herhaaldelijk op gewezen dat er dringend maatregelen moeten worden genomen om een minimumstreefcijfer van 10 % voor elektriciteitsinterconnecties te halen. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 23 en 24 oktober 2014 besloten dat de Commissie met steun van de lidstaten voortvarend maatregelen zal nemen om zo spoedig mogelijk een minimumstreefcijfer van 10 % voor elektriciteitsinterconnecties te halen, uiterlijk in 2020 voor ten minste de lidstaten die nog geen minimumniveau van integratie in de interne energiemarkt hebben bereikt. In de mededeling van de Commissie van 23 november 2017 over het versterken van de energienetten van Europa wordt de voortgang in de richting van het streefcijfer van 10 % interconnectie beoordeeld en worden manieren voorgesteld om het streefcijfer van 15 % interconnectie voor 2030 te operationaliseren.

(18)

Daarom moet het governancemechanisme er in de eerste plaats op gericht zijn de doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, en met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 wat betreft vermindering van broeikasgasemissies, energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiëntie. Die doelstellingen en streefcijfers vloeien voort uit het energiebeleid van de Unie en uit de noodzaak om de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren, en om het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen te bevorderen, zoals de EU-Verdragen voorschrijven. Geen enkele van deze onlosmakelijk verbonden doelstellingen is als secundair ten opzichte van de andere te beschouwen. Deze verordening is derhalve gekoppeld aan sectorale wetgeving ter uitvoering van de klimaat- en energiestreefcijfers voor 2030. Hoewel de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om beleidsmaatregelen te kiezen die het beste passen bij hun energiemix en voorkeuren, moet die flexibiliteit verenigbaar zijn met verdere marktintegratie, grotere concurrentie, de verwezenlijking van klimaat- en energiedoelstellingen en de geleidelijke omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie.

(19)

Voor een maatschappelijk aanvaardbare en rechtvaardige omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag noodzakelijk, zowel wat openbare als wat particuliere investeringen betreft, en zijn er stimuleringsmaatregelen nodig op alle beleidsgebieden, met aandacht voor burgers en regio's die nadelige gevolgen kunnen ondervinden van de omschakeling naar een koolstofarme economie. Om de broeikasgasemissies te doen dalen, moeten de efficiëntie en de innovatie van de Europese economie een boost krijgen; verwacht wordt dat deze daling met name zal leiden tot duurzame werkgelegenheid, onder meer in hightechsectoren, en tot een verbetering van de luchtkwaliteit en de volksgezondheid.

(20)

In het licht van de internationale toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs moeten de lidstaten verslag uitbrengen over de maatregelen die zij nemen om energiesubsidies geleidelijk af te bouwen, met name voor fossiele brandstoffen. In hun rapportering mogen de lidstaten ervoor kiezen zich te baseren op bestaande, internationaal gangbare definities van subsidies voor fossiele brandstoffen.

(21)

Aangezien broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen grotendeels afkomstig zijn uit dezelfde bronnen, kan beleid ter beperking van broeikasgassen ook voordelen hebben voor de volksgezondheid en de luchtkwaliteit, met name in stedelijke gebieden, waardoor op korte termijn sommige of alle kosten van de beperking van broeikasgasemissies kunnen worden gecompenseerd. Aangezien de gegevens die worden gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad (8) een belangrijke input vormen voor de opstelling van de broeikasgasinventaris en de nationale plannen, moet het belang van het verzamelen en rapporteren van consistente gegevens tussen Richtlijn (EU) 2016/2284 en de broeikasgasinventaris worden erkend.

(22)

Uit de ervaring die is opgedaan in het kader van de uitvoering van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) blijkt dat er behoefte is aan synergieën en samenhang met rapporteringsinstrumenten en andere wetgevingsinstrumenten, met name Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (10), Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (11), Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad (12) en Verordening (EG) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad (13). Het gebruik van samenhangende gegevens voor de rapportering van broeikasgasemissies is essentieel om de kwaliteit van emissierapportering te garanderen.

(23)

Overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving en in overeenstemming met een beleid ter bevordering van onderzoek, innovatie en investeringen moet het governancemechanisme leiden tot een aanzienlijke daling van de administratieve rompslomp en complexiteit voor de lidstaten en belanghebbende partijen, de Commissie en de andere instellingen van de Unie. Zij moet ook bijdragen tot de coherentie en toereikendheid van beleidslijnen en maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten met betrekking tot de omschakeling van het energiesysteem naar een duurzame koolstofarme economie.

(24)

De doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie moeten worden verwezenlijkt via een combinatie van initiatieven van de Unie en coherente nationale beleidslijnen in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat bevat eisen inzake planning, die nuttige instrumenten zijn om veranderingen teweeg te brengen op nationaal niveau. De invoering van deze eisen op verschillende tijdstippen heeft geleid tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsgebieden, ten nadele van de kostenefficiëntie. De huidige afzonderlijke planning, rapportering en monitoring op de gebieden klimaat en energie moeten daarom zoveel mogelijk worden gestroomlijnd en geïntegreerd.

(25)

De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten gelden voor een periode van tien jaar en moeten een overzicht bieden van het huidige energiesysteem en de beleidssituatie. Deze plannen moeten nationale doelstellingen bevatten voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, samen met bijbehorende beleidslijnen en maatregelen om deze doelstellingen te behalen; de plannen moeten gebaseerd zijn op analyses. In de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen voor de eerste periode van 2021 tot en met 2030 moet bijzondere aandacht worden besteed aan de 2030-streefcijfers voor vermindering van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectie van elektriciteit. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen consistent zijn met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties. In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen mogen de lidstaten voortbouwen op bestaande nationale strategieën of plannen. Voor het eerste ontwerp van nationaal energie- en klimaatplan en het eerste definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan zijn termijnen bepaald die verschillen van die voor volgende plannen, zodat de lidstaten voldoende tijd hebben om hun eerste plan voor te bereiden nadat deze verordening is vastgesteld. De lidstaten worden desalniettemin aangemoedigd hun eerste ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zo vroeg mogelijk in 2018 in te dienen om een goede voorbereiding mogelijk te maken, in het bijzonder met het oog de faciliterende dialoog die in 2018 moet plaatsvinden overeenkomstig Besluit 1/CP.21 van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC).

(26)

In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan moeten de lidstaten nagaan hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de energiediensten voor huishoudens die nodig zijn om in de desbetreffende nationale context een basislevensstandaard te garanderen, bestaand sociaal beleid en andere relevante maatregelen, alsook met de indicatieve richtsnoeren van de Commissie in verband met relevante indicatoren, waaronder geografische spreiding, gebaseerd op een gemeenschappelijke benadering van energiearmoede. Indien een lidstaat tot de conclusie komt dat er op zijn grondgebied een aanzienlijk aantal huishoudens met energiearmoede kampt, moet zijn plan een nationale indicatieve doelstelling bevatten om de energiearmoede terug te dringen.

(27)

Er moet een verplicht model voor de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen worden vastgesteld om te garanderen dat alle nationale plannen voldoende uitgebreid zijn en om de samenstelling en vergelijking van de nationale plannen te kunnen vergemakkelijken; dit model biedt de lidstaten ook voldoende flexibiliteit om de nationale plannen in detail uit te werken en ervoor te zorgen dat ze een weergave zijn van de nationale voorkeuren en specifieke omstandigheden.

(28)

De uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat heeft gevolgen voor het milieu. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden krijgt om deel te nemen aan en geraadpleegd te worden over de voorbereiding van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien van toepassing overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) van 25 juni 1998 (hierna het „Verdrag van Aarhus”). De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de sociale partners worden betrokken bij de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, en moeten er bij het vervullen van hun verplichtingen inzake openbare raadpleging naar streven de administratieve complexiteit binnen de perken te houden.

(29)

Overeenkomstig het Verdrag van Aarhus moeten de lidstaten er bij de openbare raadpleging naar streven gelijke deelname te garanderen en te waarborgen dat het publiek door openbare bekendmaking of met andere passende middelen, zoals elektronische media, in kennis wordt gesteld en dat het publiek inzage kan krijgen in alle betreffende documenten, en moeten ze ervoor zorgen dat er in verband met inspraak van het publiek praktische regelingen voorhanden zijn.

(30)

Elke lidstaat moet een permanente energiedialoog op verschillende niveaus tot stand brengen met lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders en andere relevante belanghebbenden om de verschillende overwogen opties voor het energie- en klimaatbeleid te bespreken. Het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en de langetermijnstrategie van de lidstaat moeten in het kader van die dialoog kunnen worden besproken. Deze dialoog kan plaatsvinden aan de hand van gelijk welke nationale structuur, zoals een website, een platform voor openbare raadpleging of een ander interactief communicatiemiddel.

(31)

Regionale samenwerking is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de energie-unie op doeltreffende en kostenoptimale wijze worden verwezenlijkt. De Commissie moet dergelijke samenwerking tussen de lidstaten faciliteren. De lidstaten moeten de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van andere lidstaten alvorens deze definitief worden vastgesteld, teneinde tegenstrijdigheden en mogelijke negatieve gevolgen voor andere lidstaten te vermijden en ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen collectief worden bereikt. Regionale samenwerking bij het opstellen en voltooien van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en bij de latere uitvoering daarvan is van essentieel belang om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de maatregelen te verbeteren en de marktintegratie en energiezekerheid te bevorderen.

(32)

Bij samenwerking in het kader van deze verordening moeten de lidstaten rekening houden met bestaande regionale samenwerkingsfora, zoals het interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP), het connectiviteitsinitiatief in Centraal- en Zuidoost-Europa (CESEC), de centraal-westelijke regionale energiemarkt (CWREM), het offshorenetwerkinitiatief van landen aan de noordelijke zeeën (NSCOGI), het Pentalateraal Energieforum, interconnecties voor Zuidwest-Europa en het Europees-mediterraan partnerschap. De lidstaten worden ertoe aangespoord om samen te werken met de ondertekenende partijen bij de Energiegemeenschap, met derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte en, indien zij dit passend achten, met andere relevante derde landen. Om marktintegratie, kostenefficiënt beleid, doeltreffende samenwerking, partnerschappen en overleg te bevorderen, kan de Commissie bovendien inventariseren welke mogelijkheden er nog zijn voor regionale samenwerking met betrekking tot een of meer van de vijf dimensies van de energie-unie overeenkomstig deze verordening, met een langetermijnvisie en op basis van de bestaande marktomstandigheden.

(33)

De Commissie kan gesprekken aanknopen met relevante derde landen om na te gaan of het mogelijk is de toepassing van bepalingen van deze verordening uit te breiden naar deze landen, met name de bepalingen in verband met regionale samenwerking.

(34)

De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten stabiel zijn om de transparantie en voorspelbaarheid van nationale beleidslijnen en maatregelen te waarborgen, teneinde te zorgen voor investeringszekerheid. Om de lidstaten de kans te geven zich aan te passen aan sterk gewijzigde omstandigheden, moeten de nationale plannen één keer tijdens de tienjarige periode worden geactualiseerd. Voor de plannen voor de periode van 2021 tot en met 2030 moeten de lidstaten hun plannen actualiseren tegen 30 juni 2024. Doelstellingen, streefcijfers en bijdragen mogen alleen worden gewijzigd als dit tot hogere ambities leidt, met name wat betreft de energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030. In het kader van deze actualiseringen moeten de lidstaten inspanningen leveren om eventuele negatieve gevolgen voor het milieu, die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering, te beperken.

(35)

Stabiele langetermijnstrategieën inzake broeikasgasemissiereductie zijn van cruciaal belang om bij te dragen tot economische transformatie, werkgelegenheid, groei en de verwezenlijking van bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, en om op billijke en kosteneffectieve wijze te werken aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs worden bovendien verzocht om uiterlijk in 2020 hun strategieën voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn (tegen het midden van deze eeuw) mee te delen. In dat verband heeft de Europese Raad de Commissie op 22 maart 2018 verzocht om uiterlijk in het eerste kwartaal van 2019 te komen met een voorstel voor een strategie inzake broeikasgasemissiereductie in de Unie op lange termijn in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, rekening houdend met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.

(36)

De lidstaten moeten langetermijnstrategieën met een perspectief van ten minste dertig jaar opstellen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de toezeggingen die de lidstaten zijn aangegaan in het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs, in verband met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus te houden en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus, alsook om de broeikasgasemissies op lange termijn te beperken en verwijderingen per put in alle sectoren te verbeteren overeenkomstig de doelstelling van de Unie. De lidstaten moeten hun strategieën op open en transparante wijze ontwikkelen en moeten ervoor zorgen dat het publiek daadwerkelijk gelegenheid tot inspraak krijgt bij de opstelling ervan. Hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de langetermijnstrategieën moeten onderling consistent zijn.

(37)

De sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) is sterk blootgesteld aan en zeer kwetsbaar voor de klimaatverandering. Tegelijkertijd beschikt de sector over een enorm potentieel om voor klimaatvoordelen op lange termijn te zorgen en een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de internationale en Unieklimaatdoelstellingen op lange termijn. Deze sector kan op verschillende manieren bijdragen tot de beperking van klimaatverandering, met name door emissiereducties te verwezenlijken, door putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden, en door biomaterialen te leveren die fossiele en koolstofintensieve materialen kunnen vervangen. Van essentieel belang zijn strategieën op lange termijn die als basis dienen voor duurzame investeringen gericht op het vergroten van doeltreffende koolstofvastlegging, duurzaam hulpbronnenbeheer en langdurige stabiliteit en aanpasbaarheid van koolstofreservoirs.

(38)

Bij de ontwikkeling van verdere interconnecties is het belangrijk een volledige beoordeling te maken van de kosten en baten, met inbegrip van alle technische, sociaal-economische en milieueffecten daarvan, zoals vereist krachtens Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad (15), en rekening te houden met de positieve externe effecten van interconnecties, zoals de integratie van hernieuwbare energiebronnen, continuïteit van de energievoorziening en toegenomen concurrentie op de interne markt.

(39)

De sectorale Uniewetgeving op het gebied van energie en klimaat bevat niet alleen eisen inzake planning, maar ook inzake rapportering; vele van die rapporteringseisen zijn geschikte instrumenten gebleken om veranderingen op nationaal niveau teweeg te brengen, in aanvulling op markthervormingen, maar zij zijn op uiteenlopende tijdstippen ingevoerd, wat geleid heeft tot overlappingen, kosteninefficiëntie en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsterreinen zoals beperking van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktintegratie. Om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak om te zorgen voor een goede follow-up van de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en anderzijds de noodzaak om de administratieve complexiteit te verminderen, moeten de lidstaten tweejaarlijkse voortgangsverslagen opstellen over de uitvoering van de actieplannen en andere ontwikkelingen in het energiesysteem. Sommige verslagen, met name uit hoofde van de rapporteringseisen op klimaatgebied die voortvloeien uit het UNFCCC en het Unierecht, moeten echter nog steeds op jaarbasis worden opgesteld.

(40)

De geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen van de lidstaten moeten een weerspiegeling vormen van de elementen die zijn uiteengezet in het model voor de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. Gezien het technische karakter van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslagen en het feit dat de eerste in 2023 moeten worden ingediend, moet een model voor deze verslagen worden opgesteld in latere uitvoeringshandelingen. De voortgangsverslagen moeten worden opgesteld om te zorgen voor transparantie ten aanzien van de Unie, andere lidstaten, regionale en lokale autoriteiten, marktdeelnemers met inbegrip van de consumenten, eventuele andere relevante belanghebbenden en het grote publiek. Ze moeten betrekking hebben op elk van de vijf dimensies van de energie-unie en, voor de eerste periode, tegelijk ook de nadruk leggen op de gebieden die onder de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 vallen.

(41)

Uit hoofde van het UNFCCC zijn de Unie en haar lidstaten verplicht om, op basis van vergelijkbare methoden die zijn overeengekomen door de Conferentie van de Partijen, nationale inventarislijsten van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen op te stellen, regelmatig te actualiseren, te publiceren en in te dienen bij de Conferentie van de Partijen. De inventarislijsten van broeikasgassen zijn essentieel om de vooruitgang te volgen bij de uitvoering van de dimensie „decarbonisatie” en om de naleving van de wetgevingshandelingen op klimaatgebied te beoordelen, met name Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (16) en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (17).

(42)

Overeenkomstig Besluit 1/CP.16 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC moeten nationale regelingen worden vastgesteld voor de raming van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen. De onderhavige verordening moet de vaststelling van deze nationale regelingen mogelijk maken.

(43)

Uit ervaring die is opgedaan met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 525/2013 is het belang gebleken van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van informatie. Voortbouwend op die ervaring moet deze verordening ervoor zorgen dat de lidstaten betrouwbare en consistente gegevens en aannames over alle vijf de dimensies gebruiken en uitgebreide informatie openbaar maken over de aannames, parameters en methodologieën die bij het opstellen van de definitieve scenario's en prognoses worden gebruikt, rekening houdend met statistische beperkingen, commercieel gevoelige gegevens en naleving van de voorschriften inzake gegevensbescherming, en verslag uitbrengen over hun beleidslijnen en maatregelen en over prognoses, als een essentieel onderdeel van de voortgangsverslagen. De informatie in die verslagen is van essentieel belang om de tijdige naleving van de verbintenissen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/842 aan te tonen. De toepassing en voortdurende verbetering van systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, gekoppeld aan betere begeleiding bij de rapportering, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot een aanhoudende versterking van de informatie die nodig is om de vooruitgang in de dimensie „decarbonisatie” te volgen.

(44)

Deze verordening moet ervoor zorgen dat de lidstaten verslag uitbrengen over hun aanpassing aan de klimaatverandering en financiële en technische steun en ondersteuning van de capaciteitsopbouw verstrekken aan ontwikkelingslanden, waardoor de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs gemakkelijker kunnen worden nagekomen. Informatie over nationale aanpassingsmaatregelen en steun is ook van belang in de context van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, vooral met betrekking tot de aanpassing aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de veiligheid van de energievoorziening van de Unie, zoals de beschikbaarheid van koelwater in elektriciteitscentrales en van biomassa voor energie, en informatie over steun die relevant is voor de externe dimensie van de energie-unie.

(45)

In de Overeenkomst van Parijs wordt bevestigd dat de partijen bij hun optreden om klimaatverandering tegen te gaan hun respectieve verplichtingen betreffende mensenrechten en gendergelijkheid dienen te eerbiedigen, te bevorderen en in aanmerking te nemen. Daarom moeten de lidstaten de aspecten mensenrechten en gendergelijkheid op adequate wijze opnemen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en hun langetermijnstrategieën. Door middel van hun tweejaarlijkse voortgangsverslagen moeten zij informatie verstrekken over de manier waarop de uitvoering van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bijdraagt aan het bevorderen van zowel de mensenrechten als gendergelijkheid.

(46)

Om de administratieve rompslomp voor de lidstaten en de Commissie te beperken, moet de Commissie een onlineplatform (e-platform) opzetten om de communicatie te vergemakkelijken, de samenwerking te bevorderen en openbare toegang tot informatie te faciliteren. Dat moet een tijdige indiening van verslagen en meer transparantie over de nationale rapportering in de hand werken. Het e-platform moet voortbouwen op bestaande rapporteringsprocessen, databanken en elektronische hulpmiddelen, deze aanvullen en er profijt van trekken, zoals die van het Europees Milieuagentschap, Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de ervaring die is opgedaan met het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie.

(47)

De Commissie moet ervoor zorgen dat de definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen online beschikbaar zijn voor het publiek. Zodra het e-platform operationeel is, moet de Commissie het gebruiken om de definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de actualiseringen daarvan, de langetermijnstrategieën en andere relevante informatie die in het kader van rapportering wordt verstrekt door de lidstaten, te hosten en openbaar te maken. In afwachting van een operationeel e-platform gebruikt de Commissie haar eigen websites om openbare onlinetoegang tot de definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te faciliteren.

(48)

Wat betreft de gegevens die aan de Commissie moeten worden verstrekt via nationale planning en rapportering, mag de informatie van de lidstaten niet dezelfde zijn als de gegevens en statistieken die al beschikbaar zijn gesteld via Eurostat in de context van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (18), in dezelfde vorm als in het kader van de plannings- en rapporteringsvereisten die in deze verordening zijn neergelegd, en die nog steeds beschikbaar zijn bij de Commissie (Eurostat) met dezelfde waarden. De gerapporteerde gegevens en prognoses in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten, voor zover beschikbaar en passend wat de timing ervan betreft, voortbouwen op en samenhangend zijn met de gegevens van Eurostat en de methode die gebruikt wordt voor de rapportering van Europese statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.

(49)

Het is van cruciaal belang dat de Commissie de ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en, aan de hand van voortgangsverslagen, de tenuitvoerlegging daarvan beoordeelt, teneinde de collectieve doelstellingen van de strategie voor de energie-unie te verwezenlijken, met name de totstandbrenging van een volledig functionele en schokbestendige energie-unie. Voor de eerste periode van tien jaar heeft dit met name betrekking op de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie en de nationale bijdragen aan deze streefcijfers. Deze beoordeling dient om de twee jaar te worden uitgevoerd, en alleen indien nodig om het jaar, en dient te worden geconsolideerd in de verslagen van de Commissie over de stand van de energie-unie.

(50)

Met inachtneming van het initiatiefrecht van de Commissie, de gewone wetgevingsprocedure en het institutionele bevoegdheidsevenwicht moeten het Europees Parlement en de Raad jaarlijks nagaan welke vooruitgang er door de energie-unie is geboekt in verband met alle aspecten van het energie- en klimaatbeleid.

(51)

De Commissie moet het algemene effect van de beleidslijnen en maatregelen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op de werking van de klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie beoordelen, met name wat betreft de behoefte aan bijkomende beleidslijnen en maatregelen van de Unie in het licht van de noodzakelijke toename van broeikasgasemissiereducties en -verwijderingen in de Unie overeenkomstig de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.

(52)

De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2 en andere emissies, zoals stikstofoxiden, en door mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, voorziet Verordening (EU) nr. 525/2013 reeds in een geactualiseerde beoordeling van de niet-CO2-gerelateerde effecten van de luchtvaart op het mondiale klimaat. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten moet de Commissie tegen 1 januari 2020 met een geactualiseerde analyse komen van de niet-CO2-effecten van de luchtvaart, in voorkomend geval vergezeld van een voorstel over hoe deze effecten het best kunnen worden aangepakt.

(53)

Volgens de bestaande UNFCCC-richtsnoeren inzake broeikasgasrapportage wordt bij de berekening en de rapportage van methaanemissies uitgegaan van een aardopwarmingspotentieel (GWP) over een periode van honderd jaar. Gezien de hoge GWP-waarde en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan, waardoor het op korte en middellange termijn een aanzienlijk effect op het klimaat heeft, moet de Commissie een analyse verrichten van de implicaties voor de uitvoering van beleidslijnen en maatregelen die als doel hebben de effecten op korte en middellange termijn van methaanemissies op de broeikasgasemissies van de Unie te beperken. De Commissie moet beleidsopties overwegen om methaanemissies spoedig aan te pakken en moet een strategisch Unieplan voor methaan voorstellen als integraal onderdeel van de strategie van de Unie op lange termijn uit hoofde van deze verordening.

(54)

Om de samenhang tussen het nationale en Uniebeleid en de doelstellingen van de energie-unie te helpen garanderen, moet permanent overleg plaatsvinden tussen de Commissie en de lidstaten, en eventueel tussen de lidstaten onderling. In voorkomend geval moet de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten, onder meer ook over het ambitieniveau van de ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, over de verdere tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van de aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, en over andere nationale beleidslijnen en maatregelen die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de energie-unie. Hoewel aanbevelingen overeenkomstig artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet bindend zijn, dienen de lidstaten toch terdege rekening te houden met die aanbevelingen en in de daaropvolgende voortgangsverslagen toe te lichten hoe ze er gevolg aan hebben gegeven. Wat hernieuwbare energie betreft, moet de beoordeling van de Commissie worden gebaseerd op de objectieve criteria. Indien de Commissie een aanbeveling met betrekking tot het ontwerp van nationaal plan van een lidstaat uitbrengt, dient zij dat zo snel mogelijk te doen, omdat zij enerzijds bepaalde gekwantificeerde geplande bijdragen van alle lidstaten moet samentellen om de ambitie op Unieniveau te bepalen, en zij anderzijds de betrokken lidstaat voldoende tijd moet bieden om terdege rekening te houden met de aanbevelingen van de Commissie vóór de laatste hand wordt gelegd aan het nationaal plan en zij moet voorkomen dat het nationaal plan van de lidstaat vertraging oploopt.

(55)

De kosteneffectieve inzet van hernieuwbare energie is een van de essentiële objectieve criteria voor het beoordelen van de bijdragen van de lidstaten. De kostenstructuur van de inzet van hernieuwbare energie is complex en varieert aanzienlijk per lidstaat. De structuur omvat niet alleen de kosten van subsidieregelingen, maar ook onder andere de aansluitkosten van installaties, een systeemback-up, het beveiligen van het systeem en de kosten in verband met milieubeperkingen. Wanneer de lidstaten op basis van dat criterium worden vergeleken, moeten bijgevolg alle met de inzet verband houdende kosten bekend zijn, ongeacht of zij worden gedragen door de lidstaat, eindverbruikers of projectontwikkelaars. De aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot de ambities van de lidstaten op het gebied van hernieuwbare energie moeten gebaseerd zijn op een formule die wordt vastgesteld in deze verordening en gebaseerd is op objectieve criteria. Bijgevolg moet in de beoordeling van de ambitie van de lidstaten op het gebied van hernieuwbare energie worden aangegeven welke relatieve inspanning de lidstaten hebben geleverd, en moet er tevens rekening worden gehouden met relevante omstandigheden die van invloed zijn op de ontwikkeling van hernieuwbare energie. In de beoordeling moeten ook gegevens worden opgenomen die afkomstig zijn van onafhankelijke kwantitatieve of kwalitatieve gegevensbronnen.

(56)

Indien het ambitieniveau van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen of de actualiseringen daarvan niet volstaat om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en, tijdens de eerste periode, met name de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, dan moet de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie nemen om te garanderen dat die doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt (zij moet dus de ambities bijstellen). Indien de Unie onvoldoende vooruitgang zou boeken om die doelstellingen en streefcijfers te bereiken, moet de Commissie niet alleen aanbevelingen uitvaardigen, maar ook maatregelen voorstellen en haar bevoegdheden op het niveau van de Unie uitoefenen, of moeten de lidstaten aanvullende maatregelen nemen om te garanderen dat die doelstellingen en streefcijfers worden gehaald (het gebrek aan tastbare resultaten moet dus worden weggewerkt). Die maatregelen moeten ook rekening houden met de vroege inspanningen die door de lidstaten met betrekking tot hun streefcijfer voor hernieuwbare energie voor 2030 zijn geleverd door het verwezenlijken in of vóór 2020 van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen dat het bindende nationale streefcijfer van de lidstaat overschrijdt of door het boeken van snelle vooruitgang voor het behalen van het bindende nationale streefcijfer voor 2020 of bij de uitvoering van zijn bijdrage aan het bindende streefcijfer van de Unie van minstens 32 % hernieuwbare energie in 2030. Op het gebied van hernieuwbare energie kunnen dergelijke maatregelen ook betrekking hebben op vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten aan een Uniefinancieringsmechanisme voor hernieuwbare energie dat wordt beheerd door de Commissie en dat zal worden gebruikt om bij te dragen aan de meest kostenefficiënte projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de gehele Unie, zodat de lidstaten de mogelijkheid hebben tegen de laagst mogelijke kosten bij te dragen aan het halen van het streefcijfer van de Unie. De nationale streefcijfers van lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020 moeten dienstdoen als referentieaandeel hernieuwbare energie vanaf 2021 en moeten gedurende de hele periode worden gehandhaafd. Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen aanvullende maatregelen met name tot doel hebben de energie-efficiëntie van producten, gebouwen en vervoer te verbeteren.

(57)

De nationale streefcijfers van de lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020 die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (19) moeten fungeren als uitgangspunt voor hun nationale indicatieve traject voor de periode 2021 tot en met 2030, tenzij een lidstaat vrijwillig besluit een hoger uitgangspunt vast te stellen. Daarnaast moeten zij voor deze periode een verplicht referentieaandeel vormen dat tevens deel uitmaakt van Richtlijn (EU) 2018/2001. Dat betekent dat in die periode het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie van elke lidstaat niet lager mag liggen dan dit referentieaandeel.

(58)

Indien een lidstaat zijn referentieaandeel, gemeten over een periode van één jaar, niet handhaaft, moet deze lidstaat binnen één jaar extra maatregelen nemen om dit tekort ten opzichte van zijn referentiescenario goed te maken. Indien een lidstaat dergelijke noodzakelijke maatregelen daadwerkelijk heeft genomen en zijn verplichting om het tekort goed te maken is nagekomen, moet hij worden geacht te voldoen aan de verplichtingen van zijn referentiescenario vanaf het moment waarop het tekort in kwestie zich voordeed, zowel in het kader van deze verordening als in het kader van Richtlijn (EU) 2018/2001.

(59)

Om passende monitoring en vroegtijdige corrigerende maatregelen door de lidstaten en de Commissie mogelijk te maken en om „freeridergedrag” te voorkomen, moeten de indicatieve trajecten van alle lidstaten (en bijgevolg ook het indicatieve traject van de Unie) in 2022, 2025 en 2027 ten minste het niveau halen van bepaalde minimumpercentages van de totale voor 2030 beoogde toename van hernieuwbare energie, als bepaald in deze verordening. De Commissie zal de verwezenlijking van deze „referentiepunten” in 2022, 2025 en 2027 beoordelen op basis van onder meer de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat die de lidstaten moeten indienen. Wanneer een lidstaat resultaten voorlegt die onder het niveau van de referentiepunten van die lidstaat liggen, moet deze in zijn volgende voorgangsverslag toelichten hoe hij het tekort zal verhelpen. Indien de indicatieve referentiepunten van de Unie niet worden gehaald, moeten de lidstaten die achterblijven bij hun referentiepunten het tekort verhelpen met aanvullende maatregelen.

(60)

De Unie en haar lidstaten moeten ernaar streven de meest actuele informatie over hun broeikasgasemissies en -verwijderingen te verstrekken. Deze verordening moet het mogelijk maken dat die ramingen zo snel mogelijk kunnen worden opgesteld, op basis van statistische en andere gegevens, zoals, waar passend, op de ruimtevaartgebaseerde gegevens van het Copernicus-programma, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad (20) en die van andere satellietsystemen.

(61)

De benadering van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (21), met een jaarlijkse rapporteringsronde, moet worden voorgezet in Verordening (EU) 2018/842. Die benadering vereist een uitgebreide beoordeling van de broeikasgasinventarissen van de lidstaten om de naleving en, voor zover nodig, de uitvoering van corrigerende acties te kunnen beoordelen. De door de lidstaten ingediende broeikasgasinventarissen moeten op het niveau van de Unie worden bekeken om te garanderen dat de naleving van Verordening (EU) 2018/842 op geloofwaardige, consistente, transparante en tijdige wijze wordt beoordeeld.

(62)

De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken op alle gebieden die betrekking hebben op de uitvoering van de energie-unie; ook het Europees Parlement moet nauw betrokken worden wat aangelegenheden in verband met deze verordening betreft. Waar nodig moet de Commissie de lidstaten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, met name met betrekking tot de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en -klimaatplannen en bijbehorende capaciteitsopbouw, onder meer door het inzetten van interne middelen van interne modelleringscapaciteiten en, waar nodig, externe deskundigheid.

(63)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen rekening wordt gehouden met de meest recente landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester.

(64)

De lidstaten moeten het beginsel „energie-efficiëntie eerst” hanteren, hetgeen betekent dat ze voorafgaand aan het nemen van besluiten over energieplanning, -beleid en -investeringen moeten nagaan of kostenefficiënte en technisch, economisch en ecologisch verantwoorde alternatieve energie-efficiëntiemaatregelen een volwaardig of gedeeltelijk alternatief kunnen vormen voor de voorgenomen plannings-, beleids- en investeringsmaatregelen, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de respectieve besluiten. Dit houdt met name in dat energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een cruciaal aspect en een centrale overweging bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in de energie-infrastructuur van de Unie. Tot dergelijke kostenefficiënte alternatieven behoren onder meer maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken, met name door middel van kosteneffectieve besparingen op het eindgebruik van energie, vraagresponsinitiatieven en efficiëntere omzetting, transmissie en distributie van energie. De lidstaten moeten de verspreiding van dat beginsel ook aanmoedigen bij regionale en lokale overheden en in de particuliere sector.

(65)

Voor zover dit passend is en in overeenstemming is met zijn jaarlijks werkprogramma, moet het Europees Milieuagentschap de Commissie bijstaan bij de evaluatie-, monitoring- en rapporteringswerkzaamheden.

(66)

De bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU moet aan de Commissie worden overgedragen teneinde het algemene kader voor de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen (model) te wijzigen zodat het model wordt aangepast aan de wijzigingen van het Uniekader voor energie- en klimaatbeleid die rechtstreeks en specifiek verband houden met de bijdragen van de Unie in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs, rekening te houden met wijzigingen in het GWP en internationaal overeengekomen richtsnoeren voor inventarisering, inhoudelijke eisen vast te stellen voor het inventarisatiesysteem van de Unie en de registers op te zetten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (22). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. De Commissie moet, indien nodig, ook rekening houden met besluiten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.

(67)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, met name wat betreft de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat, de geïntegreerde rapportering over nationale aanpassingsacties, de financiële en technologische ondersteuning aan ontwikkelingslanden en veilingopbrengsten, de jaarlijkse rapportering over geschatte broeikasgasinventarissen, broeikasgasinventarissen en geboekte broeikasgasemissies en -verwijderingen, het Uniefinancieringsmechanisme voor hernieuwbare energie, de inventarisatiesystemen van de lidstaten, de evaluatie van de inventaris; de systemen van de Unie en de lidstaten voor beleidslijnen en maatregelen en prognoses, en rapportering over beleid, maatregelen en prognoses inzake broeikasgassen moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (23).

(68)

Om de uitvoeringsbevoegdheden als vastgesteld in deze verordening te kunnen uitoefenen, moet de Commissie in haar taken in het kader van deze verordening worden bijgestaan door het Comité klimaatverandering, dat een herinstelling is van het bestaande Comité klimaatverandering, opgericht uit hoofde van artikel 8 van Beschikking 93/389/EEG, artikel 9 van Beschikking nr. 280/2004/EG en artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525/2013, en door een Comité van de energie-unie. Om een samenhangend beleid te waarborgen en de synergieën tussen de sectoren te maximaliseren, moeten zowel de klimaatdeskundigen als de energiedeskundigen worden uitgenodigd op vergaderingen van beide comités bij de uitvoering van deze verordening.

(69)

De Commissie moet de toepassing van deze verordening in 2024 en vervolgens om de vijf jaar evalueren en wijzigingsvoorstellen doen indien dit nodig is om de goede toepassing en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te garanderen. Bij die evaluaties moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.

(70)

Deze verordening moet leiden tot de integratie, wijziging, vervanging en intrekking van bepaalde plannings-, rapporterings- en monitoringverplichtingen in sectorale energie- en klimaatwetgevingshandelingen van de Unie, teneinde te zorgen voor een gestroomlijnde en geïntegreerde benadering van planning, rapportering en monitoring. De volgende wetgevingshandelingen moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd:

Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (24);

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad (25);

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (26);

Verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad (27);

Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad (28);

Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad (29);

Richtlijn 2009/119/EG van de Raad (30);

Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad (31);

Richtlijn 2012/27/EU;

Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad (32);

Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad (33).

(71)

Om redenen van samenhang en rechtszekerheid mag niets in deze verordening de toepassing van de afwijkingen uit hoofde van het relevante sectorale Unierecht op het gebied van elektriciteit en elektriciteitsrisicoparaatheid beletten.

(72)

De bepalingen van Verordening (EU) nr. 525/2013 moeten ook volledig worden geïntegreerd in de onderhavige verordening. Bijgevolg moet Verordening (EU) nr. 525/2013 met ingang van 1 januari 2021 worden ingetrokken. Om er evenwel voor te zorgen dat Beschikking nr. 406/2009/EG verder wordt uitgevoerd uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013 en dat een aantal aspecten in verband met de tenuitvoerlegging van het Protocol van Kyoto verankerd blijven in de wetgeving, moeten sommige bepalingen van toepassing blijven na deze datum.

(73)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een governancemechanisme opgezet om:

a)

uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie en de verbintenissen op lange termijn van de Unie inzake broeikasgasemissies in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs te bereiken, en voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030 met name de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie te bereiken;

b)

samenwerking te stimuleren tussen de lidstaten, in voorkomend geval ook op regionaal niveau, bedoeld om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie te verwezenlijken;

c)

de tijdige uitvoering, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportering door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te waarborgen;

d)

bij te dragen tot meer regelgevingszekerheid en meer zekerheid voor investeerders en mee te zorgen voor een volledige benutting van mogelijkheden voor economische ontwikkeling, stimulering van investeringen, banencreatie en sociale samenhang.

Het governancemechanisme is gebaseerd op langetermijnstrategieën, op geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die betrekking hebben op perioden van tien jaar, beginnende met de periode van 2021 tot en met 2030, op de bijbehorende geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat, en op geïntegreerde regelingen voor monitoring door de Commissie. Het governancemechanisme garandeert dat het publiek daadwerkelijk gelegenheid tot inspraak krijgt bij de opstelling van die nationale plannen en die langetermijnstrategieën. Het omvat een gestructureerd, transparant, iteratief proces tussen de Commissie en de lidstaten met het oog op de voltooiing van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de uitvoering ervan, ook met betrekking tot regionale samenwerking, en de desbetreffende maatregelen van de Commissie.

2.   Deze verordening is van toepassing op de vijf dimensies van de energie-unie, die nauw met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken:

a)

de continuïteit van de energievoorziening;

b)

de interne energiemarkt;

c)

energie-efficiëntie;

d)

decarbonisatie, en

e)

onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.

Artikel 2

Definities

De volgende definities zijn van toepassing:

1)

„beleidslijnen en maatregelen”: alle instrumenten die ertoe bijdragen dat de doelstellingen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen worden bereikt en/of dat de verbintenissen uit hoofde van artikel 4, lid 2, onder a) en b), van het UNFCCC worden nagekomen, mogelijk met inbegrip van die welke niet in eerste instantie tot doel hebben de broeikasgasemissies te beperken of het energiesysteem te wijzigen;

2)

„bestaande beleidslijnen en maatregelen”: alle uitgevoerde beleidslijnen en maatregelen en vastgestelde beleidslijnen en maatregelen;

3)

„uitgevoerde beleidslijnen en maatregelen”: beleidslijnen en maatregelen waarvoor een of meer van de volgende voorwaarden is vervuld op de datum van indiening van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan of van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag: er is rechtstreeks toepasselijk Unierecht of nationaal recht van kracht, er zijn een of meer vrijwillige overeenkomsten vastgesteld, er zijn financiële middelen toegewezen, er zijn personele middelen vrijgemaakt;

4)

„vastgestelde beleidslijnen en maatregelen”: beleidslijnen en maatregelen waarvoor van overheidswege een officieel besluit is genomen op de datum van indiening van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan of van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag, en waarvoor er een duidelijke wil aanwezig is om tot uitvoering over te gaan;

5)

„geplande beleidslijnen en maatregelen”: opties die worden besproken en die een realistische kans maken om te worden goedgekeurd en uitgevoerd na de datum van indiening van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan of van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag;

6)

„systeem voor beleidslijnen en maatregelen en prognoses”: een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die zijn vastgelegd voor het rapporteren van beleidslijnen en maatregelen en prognoses over antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen en over het energiesysteem, zoals bepaald in artikel 39;

7)

„prognoses”: voorspellingen van antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put of ontwikkelingen van het energiesysteem, waaronder ten minste kwantitatieve ramingen voor een reeks van vier komende jaren eindigend op 0 of 5 onmiddellijk volgend op het rapporteringsjaar;

8)

„prognoses zonder maatregelen”: prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die alle effecten uitsluiten van alle beleidslijnen en maatregelen welke zijn gepland, vastgesteld of uitgevoerd na het jaar dat als beginjaar voor de desbetreffende prognose is gekozen;

9)

„prognoses met bestaande maatregelen”: prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen die de effecten op het gebied van de vermindering van broeikasgasemissies of ontwikkelingen van het energiesysteem omvatten van beleidslijnen en maatregelen die werden vastgesteld en uitgevoerd;

10)

„prognoses met aanvullende maatregelen”: prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen of ontwikkelingen van het energiesysteem die de effecten op het gebied van de vermindering van broeikasgasemissies omvatten van beleidslijnen en maatregelen die voor de beperking van de klimaatverandering of voor het bereiken van energiedoelstellingen zijn vastgesteld en uitgevoerd, alsmede van voor dat doel geplande beleidslijnen en maatregelen;

11)

„de 2030-streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie”: het Uniebrede bindende streefcijfer om de broeikasgasemissies in de hele economie van de Unie uiterlijk in 2030 met ten minste 40 % te doen dalen in vergelijking met 1990, het Uniebrede bindende streefcijfer om in 2030 ten minste 32 % hernieuwbare energie te verbruiken in de Unie, het Uniebrede centrale streefcijfer om de energie-efficiëntie in 2030 met ten minste 32,5 % te verbeteren, en het streefcijfer om in 2030 een elektriciteitsinterconnectie van ten minste 15 % te bereiken, en alle verdere streefcijfers in dit verband die door de Europese Raad of door het Europees Parlement en door de Raad voor het jaar 2030 worden overeengekomen;

12)

„nationaal inventarisatiesysteem”: een systeem van institutionele, juridische en procedurele regelingen die in een lidstaat zijn vastgesteld voor het ramen van de antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, en voor het rapporteren en archiveren van inventarisinformatie;

13)

„indicator”: een kwantitatieve of kwalitatieve factor of variabele die zorgt voor een beter begrip van de voortgang bij de uitvoering;

14)

„kernindicatoren”: de indicatoren voor de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de vijf dimensies van de energie-unie, zoals voorgesteld door de Commissie;

15)

„technische correcties”: aanpassingen aan de ramingen van de nationale broeikasgasinventarissen die in het kader van de evaluatie overeenkomstig artikel 38 worden uitgevoerd wanneer de ingediende inventarisgegevens onvolledig zijn of zijn opgesteld op een wijze die niet strookt met de desbetreffende internationale of Unieregels of richtsnoeren, en die de oorspronkelijk ingediende ramingen vervangen;

16)

„kwaliteitsborging”: een gepland systeem van beoordelingsprocedures om te waarborgen dat de kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens worden gehaald en de best mogelijke ramingen en informatie worden gerapporteerd teneinde de doeltreffendheid van het kwaliteitscontroleprogramma te ondersteunen en de lidstaten bij te staan;

17)

„kwaliteitscontrole”: een systeem van technische routineactiviteiten om de kwaliteit te meten en te controleren van de informatie en de ramingen die zijn verzameld teneinde de integriteit, de correctheid en de volledigheid van gegevens te waarborgen, fouten en leemten te identificeren en te verhelpen, gegevens en ander gebruikt materiaal te documenteren en te archiveren, en alle activiteiten inzake kwaliteitsborging te registreren;

18)

„energie-efficiëntie eerst”: dat in energieplanning en in besluiten over energiebeleid en -investeringen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met alternatieve, kostenefficiënte energie-efficiëntiemaatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken, met name door middel van kosteneffectieve besparingen op het eindgebruik van energie, vraagresponsinitiatieven en efficiëntere omzetting, transmissie en distributie van energie, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van die besluiten;

19)

„SET-plan”: het strategisch plan voor energietechnologie, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 15 september 2015, getiteld „Towards an Integrated Strategic Energy Technology (SET) Plan: Accelerating the European Energy System Transformation” (Naar een geïntegreerd strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan): een snellere omvorming van het Europese energiesysteem);

20)

„vroege inspanningen”:

a)

in de context van de beoordeling van een potentiële kloof tussen het streefcijfer van de Unie voor 2030 voor energie uit hernieuwbare bronnen en de collectieve bijdragen van de lidstaten, een verwezenlijking waarbij een lidstaat een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen haalt dat hoger is dan zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020 als vermeld in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2018/2001, dan wel vroegtijdig vooruitgang heeft geboekt bij de verwezenlijking van zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020;

b)

in de context van de aanbevelingen van de Commissie op basis van de beoordeling uit hoofde van artikel 29, lid 1, onder b), met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen, de vroegtijdige uitvoering door een lidstaat van zijn bijdrage aan het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 32 % hernieuwbare energie in 2030, gemeten ten opzichte van de nationale referentiepunten voor hernieuwbare energie van die lidstaat;

21)

„regionale samenwerking”: samenwerking tussen twee of meer lidstaten die betrokken zijn bij een partnerschap dat een of meer van de vijf dimensies van de energie-unie omvat;

22)

„energie uit hernieuwbare bronnen” of „hernieuwbare energie”: energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare energie in de zin van artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

23)

„bruto-eindverbruik van energie”: bruto-eindverbruik van energie in de zin van artikel 2, punt 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

24)

„steunregeling”: steunregeling in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

25)

„repowering”: repowering in de zin van artikel 2, punt 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

26)

„hernieuwbare-energiegemeenschap”: hernieuwbare-energiegemeenschap in de zin van artikel 2, punt 16, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

27)

„stadsverwarming” of „stadskoeling”: stadsverwarming of stadskoeling in de zin van artikel 2, punt 19, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

28)

„afvalstof”: afvalstof in de zin van artikel 2, punt 23, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

29)

„biomassa”: biomassa in de zin van artikel 2, punt 24, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

30)

„agrarische biomassa”: agrarische biomassa in de zin van artikel 2, punt 25, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

31)

„bosbiomassa”: bosbiomassa in de zin van artikel 2, punt 26, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

32)

„biomassabrandstoffen”: biomassabrandstoffen in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

33)

„biogas”: biogas in de zin van artikel 2, punt 28, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

34)

„vloeibare biomassa”: vloeibare biomassa in de zin van artikel 2, punt 32, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

35)

„biobrandstof”: biobrandstof in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

36)

„geavanceerde biobrandstoffen”: geavanceerde biobrandstoffen in de zin van artikel 2, punt 34, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

37)

„uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen”: uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen in de zin van artikel 2, punt 35, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

38)

„zetmeelrijke gewassen”: zetmeelrijke gewassen in de zin van artikel 2, punt 39, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

39)

„voedsel- en voedergewassen”: voedsel- en voedergewassen in de zin van artikel 2, punt 40, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

40)

„lignocellulosisch materiaal”: lignocellulosisch materiaal in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

41)

„procesresidu”: procesresidu in de zin van artikel 2, punt 43, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

42)

„primair energieverbruik”: primair energieverbruik in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2012/27/EU;

43)

„eindenergieverbruik”: eindenergieverbruik in de zin van artikel 2, punt 3, van Richtlijn 2012/27/EU;

44)

„energie-efficiëntie”: energie-efficiëntie in de zin van artikel 2, punt 4, van Richtlijn 2012/27/EU;

45)

„energiebesparingen”: energiebesparingen in de zin van artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2012/27/EU;

46)

„verbetering van de energie-efficiëntie”: verbetering van de energie-efficiëntie in de zin van artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2012/27/EU;

47)

„energiedienst”: energiedienst in de zin van artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2012/27/EU;

48)

„totale bruikbare vloeroppervlakte”: totale bruikbare vloeroppervlakte in de zin van artikel 2, punt 10, van Richtlijn 2012/27/EU;

49)

„energiebeheersysteem”: energiebeheersysteem in de zin van artikel 2, punt 11, van Richtlijn 2012/27/EU;

50)

„aan verplichtingen gebonden partij”: aan verplichtingen gebonden partij in de zin van artikel 2, punt 14, van Richtlijn 2012/27/EU;

51)

„uitvoerende overheidsinstantie”: uitvoerende overheidsinstantie in de zin van artikel 2, punt 17, van Richtlijn 2012/27/EU;

52)

„afzonderlijke actie”: afzonderlijke actie in de zin van artikel 2, punt 19, van Richtlijn 2012/27/EU;

53)

„energiedistributeur”: energiedistributeur in de zin van artikel 2, punt 20, van Richtlijn 2012/27/EU;

54)

„distributiesysteembeheerder”: distributiesysteembeheerder in de zin van artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/72/EG en artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/73/EG;

55)

„detailhandelaar in energie”: detailhandelaar in energie in de zin van artikel 2, punt 22, van Richtlijn 2012/27/EU;

56)

„aanbieder van energiediensten”: aanbieder van energiediensten in de zin van artikel 2, punt 24, van Richtlijn 2012/27/EU;

57)

„energieprestatiecontract”: energieprestatiecontract in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2012/27/EU;

58)

„warmtekrachtkoppeling”: warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 2, punt 30, van Richtlijn 2012/27/EU;

59)

„gebouw”: gebouw in de zin van artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2010/31/EU;

60)

„bijna-energieneutraal gebouw”: bijna-energieneutraal gebouw in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2010/31/EU;

61)

„warmtepomp”: warmtepomp in de zin van artikel 2, punt 18, van Richtlijn 2010/31/EU;

62)

„fossiele brandstof”: niet-hernieuwbare koolstofrijke energiebronnen zoals vaste brandstoffen, aardgas en olie.

HOOFDSTUK 2

Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

Artikel 3

Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

1.   Uiterlijk op 31 december 2019 en dan uiterlijk op 1 januari 2029 en vervolgens om de tien jaar dient elke lidstaat een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in bij de Commissie. De plannen bevatten de elementen die zijn vermeld in lid 2 van dit artikel en in bijlage I. Het eerste plan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030 en houdt rekening met het perspectief op langere termijn. De daaropvolgende plannen hebben betrekking op de tienjarige periode die onmiddellijk volgt op het einde van de door het vorige plan bestreken periode.

2.   De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bestaan uit de volgende delen:

a)

een overzicht van de procedure voor de vaststelling van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, bestaande uit een samenvatting, een beschrijving van de openbare raadpleging en betrokkenheid van belanghebbenden en de resultaten daarvan, en de regionale samenwerking met andere lidstaten bij de voorbereiding van het plan, zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 12 van deze verordening en in deel 1, afdeling A, punt 1, van bijlage I bij deze verordening;

b)

een beschrijving van nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen in verband met de dimensies van de energie-unie, als vermeld in artikel 4 en in bijlage I;

c)

een beschrijving van de geplande beleidslijnen en maatregelen in verband met de onder b) bedoelde overeenkomstige doelstellingen, streefcijfers en bijdragen, alsook een algemeen overzicht van de investering die nodig is om de overeenkomstige doelstellingen, streefcijfers en bijdragen te bereiken;

d)

een beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de vijf dimensies van de energie-unie, ook met betrekking tot het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, alsmede prognoses met betrekking tot de onder b) bedoelde doelstellingen, met reeds bestaande beleidslijnen en maatregelen;

e)

indien van toepassing, een beschrijving van de regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen en hinderpalen voor de verwezenlijking van de doelstellingen, streefcijfers of bijdragen met betrekking tot hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

f)

een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen om de onder b) bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, waarbij ook wordt nagegaan of ze stroken met de langetermijndoelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie in het kader van de Overeenkomst van Parijs en met de in artikel 15 bedoelde langetermijnstrategieën;

g)

een algemene beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen op het concurrentievermogen in verband met de vijf dimensies van de energie-unie;

h)

een bijlage, opgesteld overeenkomstig de in bijlage III bij deze verordening vastgestelde eisen en structuur, waarin is uiteengezet welke methoden en beleidsmaatregelen de lidstaat toepast om de overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU en bijlage V bij die richtlijn vereiste energiebesparingen te verwezenlijken.

3.   Met betrekking tot hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen handelen de lidstaten als volgt:

a)

zij beperken de administratieve complexiteit en de kosten voor alle relevante belanghebbenden;

b)

zij houden rekening met de onderlinge verbanden tussen de vijf dimensies van de energie-unie, in het bijzonder met het beginsel „energie-efficiëntie eerst”;

c)

zij gebruiken waar relevant robuuste en consistente gegevens en aannames voor alle vijf dimensies;

d)

zij gaan na hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de energiediensten voor huishoudens die nodig zijn om in de desbetreffende nationale context een basislevensstandaard te garanderen, met bestaand sociaal beleid en andere relevante maatregelen, alsook met de indicatieve richtsnoeren van de Commissie in verband met relevante indicatoren voor energiearmoede.

Indien een lidstaat op grond van de eerste alinea, onder d), en op basis van een beoordeling van verifieerbare gegevens tot de conclusie komt dat er op zijn grondgebied een aanzienlijk aantal huishoudens met energiearmoede kampt, neemt deze lidstaat in zijn plan een nationale indicatieve doelstelling op om de energiearmoede terug te dringen. De lidstaten in kwestie schetsen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen de beleidslijnen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede, indien deze voorhanden zijn, met inbegrip van sociale beleidsmaatregelen en andere relevante nationale programma's.

4.   Elke lidstaat maakt zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan dat hij krachtens dit artikel bij de Commissie heeft ingediend openbaar.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I, deel 1, afdeling A, punten 2.1.1 en 3.1.1, en afdeling B, punten 4.1 en 4.2.1, en deel 2, punt 3, teneinde deze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie die rechtstreeks en specifiek verband houden met de bijdragen van de Unie uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.

Artikel 4

Nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor de vijf dimensies van de energie-unie

In zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan stelt elke lidstaat de volgende in punt 2 van in afdeling A van bijlage I gespecificeerde hoofddoelstellingen, streefcijfers en bijdragen vast:

a)

voor de dimensie „decarbonisatie”:

1)

met betrekking tot de emissies en verwijderingen van broeikasgassen en teneinde bij te dragen tot het behalen van het streefcijfer voor de vermindering van de broeikasgasemissies in de gehele economie van de Unie:

i)

het bindend nationaal streefcijfer voor broeikasgasemissies en de jaarlijkse bindende nationale grenzen van de lidstaat op grond van Verordening (EU) 2018/842;

ii)

de verbintenissen van de lidstaat uit hoofde van Verordening (EU) 2018/841;

iii)

andere doelstellingen en streefcijfers, met inbegrip van sectorale streefcijfers en aanpassingsdoelstellingen, voor zover van toepassing om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie en de verbintenissen van de Unie op lange termijn inzake broeikasgasemissies in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs te bereiken;

2)

met betrekking tot hernieuwbare energie:

teneinde het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 32 % hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, zoals vermeld in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2018/2001, een bijdrage tot dit streefcijfer in termen van het aandeel hernieuwbare energie van de lidstaat in het bruto-eindverbruik van energie in 2030, met een indicatief traject voor die bijdrage vanaf 2021. Uiterlijk in 2022 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 18 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030. Uiterlijk in 2025 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 43 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030. Uiterlijk in 2027 bereikt het indicatieve traject een referentiepunt van ten minste 65 % van de totale verhoging van het aandeel hernieuwbare energie tussen het bindende nationale streefcijfer van die lidstaat voor 2020 en de bijdrage van de lidstaat aan het streefcijfer voor 2030.

Uiterlijk in 2030 bereikt het indicatieve traject ten minste de geplande bijdrage van de lidstaat. Indien een lidstaat verwacht dat hij zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020 zal overtreffen, kan het indicatieve traject aanvangen bij het niveau dat hij verwacht te bereiken. De gecumuleerde indicatieve trajecten van de lidstaten komen opgeteld uit op de referentiepunten van de Unie in 2022, 2025 en 2027, en op het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 32 % hernieuwbare energie in 2030. Ongeacht zijn bijdrage aan het streefcijfer van de Unie en het indicatieve traject voor de toepassing van deze verordening, staat het een lidstaat vrij in zijn nationale beleid hogere ambities op te nemen;

b)

voor de dimensie „energie-efficiëntie”:

1)

de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage tot het bereiken van de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie van ten minste 32,5 % in 2030, zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2012/27/EU, op basis van het primair energieverbruik of eindenergieverbruik, de besparing van primaire energie of eindenergie, of energie-intensiteit.

De lidstaten drukken hun bijdrage uit in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2030, met een indicatief traject voor die bijdrage vanaf 2021. Zij lichten hun onderliggende methodologie en de omrekeningsfactoren toe;

2)

de cumulatieve besparing van eindenergieverbruik die in de periode 2021-2030 moet worden bereikt volgens artikel 7, lid 1, onder b), van Richtlijn 2012/27/EU over verplichtingen tot energiebesparing;

3)

de indicatieve mijlpalen van de langetermijnstrategie voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en niet voor bewoning bestemde gebouwen (zowel publieke als particuliere), het stappenplan met nationaal vastgestelde meetbare vooruitgangsindicatoren, een op feitelijke gegevens gebaseerde raming van de verwachte energiebesparing en van de voordelen in ruimere zin, en de bijdragen tot de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, in overeenstemming met artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU;

4)

de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd of het equivalent aan jaarlijkse energiebesparingen dat van 2021 tot en met 2030 moet worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU over de voorbeeldfunctie van gebouwen van overheidsinstanties;

c)

voor de dimensie „energiezekerheid”:

1)

nationale doelstellingen met betrekking tot:

het vergroten van de diversificatie van energiebronnen en de voorziening uit derde landen, eventueel met het oog op het verminderen van de afhankelijkheid van de invoer van energie;

het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, en

het aanpakken van een onderbroken of beperkt aanbod van een energiebron, met het oog op een grotere schokbestendigheid van regionale en nationale energiesystemen, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten worden verwezenlijkt;

d)

voor de dimensie „interne energiemarkt”:

1)

het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 % in 2030, middels een strategie waarbij het niveau vanaf 2021 wordt vastgesteld in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaten, rekening houdend met het interconnectiestreefcijfer van 10 % in 2020 en de indicatoren voor de urgentie van de maatregelen op basis van prijsverschillen op de wholesalemarkt, de nominale transmissiecapaciteit van interconnectoren in verhouding tot hun piekbelasting en tot de geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie als vastgesteld in bijlage I, deel 1, afdeling A, punt 2.4.1. Elke nieuwe interconnector wordt onderworpen aan een sociaal-economische en ecologische kosten-batenanalyse en wordt alleen geïmplementeerd indien de potentiële voordelen opwegen tegen de kosten;

2)

de belangrijkste projecten voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur en, wanneer relevant, projecten voor de modernisering daarvan, die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in de vijf dimensies van de energie-unie;

3)

nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals: het vergroten van de flexibiliteit van het systeem, met name door middel van beleidslijnen en maatregelen in verband met marktgebaseerde prijsvorming overeenkomstig het toepasselijk recht; marktintegratie en koppeling, gericht op de verhoging van de verhandelbare capaciteit van bestaande interconnectoren, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, gedistribueerde opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt, en andere nationale doelstellingen met betrekking tot de interne energiemarkt als vermeld in bijlage I, deel 1, afdeling A, punt 2.4.3;

e)

voor de dimensie „onderzoek, innovatie en concurrentievermogen”:

1)

nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers voor openbaar en, indien beschikbaar, particulier onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie, in voorkomend geval met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt, conform de prioriteiten van de strategie voor de energie-unie en, waar relevant, het SET-plan. Bij het bepalen van zijn doelstellingen, streefcijfers en bijdragen kan de lidstaat voortbouwen op bestaande nationale strategieën of plannen die verenigbaar zijn met het Unierecht;

2)

wanneer beschikbaar, nationale doelstellingen voor 2050 met betrekking tot de bevordering van technologieën op het gebied van schone energie.

Artikel 5

Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied van hernieuwbare energie vast te stellen

1.   In het kader van zijn bijdrage voor zijn aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen, overeenkomstig artikel 4, onder a), punt 2, houdt elke lidstaat rekening met al het volgende:

a)

de in Richtlijn (EU) 2018/2001 bedoelde maatregelen;

b)

de maatregelen die zijn genomen om het krachtens Richtlijn 2012/27/EU vastgestelde energie-efficiëntiestreefcijfer te bereiken;

c)

eventuele andere bestaande maatregelen om hernieuwbare energie in de lidstaat en, waar relevant, op het niveau van de Unie te bevorderen;

d)

het bindende nationale streefcijfer voor 2020 voor energie uit hernieuwbare bronnen in zijn bruto-eindverbruik van energie als vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2018/2001;

e)

eventuele relevante omstandigheden die van invloed zijn op de uitrol van hernieuwbare energie, zoals:

i)

billijke verdeling van de uitrol in de gehele Unie;

ii)

economische omstandigheden en economisch potentieel, waaronder het bbp per hoofd van de bevolking;

iii)

potentieel voor kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energie;

iv)

geografische, ecologische en natuurlijke handicaps, met inbegrip van gebieden en regio's die geen interconnectie hebben met het elektriciteitsnet;

v)

het niveau van elektriciteitsinterconnectie tussen de lidstaten;

vi)

andere relevante omstandigheden, met name vroege inspanningen.

Met betrekking tot de eerste alinea, onder e), vermeldt elke lidstaat in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan welke relevante omstandigheden die van invloed zijn op de uitrol van hernieuwbare energie hij in aanmerking heeft genomen.

2.   De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun bijdragen ertoe leidt dat in 2030 ten minste 32 % van het bruto-eindverbruik van energie op het niveau van de Unie betrekking heeft op energie die afkomstig is uit hernieuwbare bronnen.

Artikel 6

Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied van energie-efficiëntie vast te stellen

1.   In het kader van zijn indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en voor het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder b), punt 1, houdt elke lidstaat er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2020, overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2012/27/EU, niet meer mag bedragen dan 1 483 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer mag bedragen dan 1 273 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 956 Mtoe eindenergie.

Bovendien houdt elke lidstaat rekening met:

a)

de in Richtlijn 2012/27/EU bedoelde maatregelen;

b)

andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaat en op Unieniveau te bevorderen.

2.   In het kader van zijn in lid 1 bedoelde bijdrage kan elke lidstaat rekening houden met nationale omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:

a)

het resterende kosteneffectieve energiebesparingspotentieel;

b)

de ontwikkeling en de prognose van het bruto binnenlands product;

c)

wijzigingen in de in- en uitvoer van energie;

d)

wijzigingen in de energiemix en de ontwikkeling van het afvangen en opslaan van kooldioxide, en

e)

vroegtijdige maatregelen.

Wat de eerste alinea betreft, vermeldt elke lidstaat in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan met welke eventuele relevante omstandigheden die van invloed zijn op het primaire en het eindverbruik van energie hij rekening heeft gehouden.

Artikel 7

Nationale beleidslijnen en maatregelen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie

De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met bijlage I, in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan de belangrijkste bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen om met name de in het nationale plan uiteengezette doelstellingen te bereiken, in voorkomend geval met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor regionale samenwerking en passende financiering op nationaal en regionaal niveau, onder meer door het inzetten van Unieprogramma's en -instrumenten.

De lidstaten zorgen voor een algemeen overzicht van de investeringen die nodig zijn om de in het nationale plan vastgestelde doelstellingen, streefcijfers en bijdragen te bereiken, samen met een algemene beoordeling betreffende de bronnen van die investeringen.

Artikel 8

Analytische basis van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

1.   De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met de structuur en het formaat in bijlage I, de huidige situatie voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, met inbegrip van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen op het ogenblik van de indiening van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan of op basis van de laatste beschikbare informatie. De lidstaten stellen ook gemotiveerde prognoses op voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, ten minste voor de duur van dat plan, die naar verwachting zullen voortvloeien uit bestaande beleidslijnen en maatregelen. De lidstaten spannen zich in om, indien passend en mogelijk, voor de vijf dimensies ook prognoses voor de langere termijn, tot na de duur van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, op te stellen.

2.   In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan beschrijven de lidstaten, op nationaal en in voorkomend geval regionaal niveau, hun evaluatie van:

a)

de effecten op de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen voor de duur van het plan en voor een periode van tien jaar volgend op het laatste jaar waarop het plan betrekking heeft, in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen als bedoeld in lid 1;

b)

het macro-economisch effect en, voor zover mogelijk, het sociaal effect en het effect op de gezondheid, het milieu en vaardigheden van de geplande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen, zoals vermeld in artikel 7 en verder gespecificeerd in bijlage I, gedurende de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen als bedoeld in lid 1 van dit artikel. De methodologie die wordt gebruikt om die effecten te evalueren wordt openbaar gemaakt;

c)

de interacties tussen bestaande beleidslijnen en maatregelen of groepen van maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande beleidslijnen en maatregelen of groepen van maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen of groepen maatregelen in andere dimensies voor de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030. Prognoses betreffende de continuïteit van de bevoorrading, infrastructuur en marktintegratie moeten worden gekoppeld aan robuuste energie-efficiëntiescenario's;

d)

de wijze waarop bestaande beleidslijnen en maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen de investeringen zullen aantrekken die nodig zijn voor de uitvoering ervan.

3.   De lidstaten maken uitgebreide informatie openbaar over de aannames, parameters en methodologieën die bij het opstellen van de definitieve scenario's en prognoses worden gebruikt, rekening houdend met statistische beperkingen, commercieel gevoelige gegevens en naleving van de voorschriften inzake gegevensbescherming.

Artikel 9

Ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

1.   Uiterlijk op 31 december 2018 en dan uiterlijk op 1 januari 2028 en vervolgens om de tien jaar stelt elke lidstaat een ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op, overeenkomstig artikel 3, lid 1, en bijlage I, en dient dit in bij de Commissie.

2.   Overeenkomstig artikel 34 en uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de uiterste termijn voor het indienen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen beoordeelt de Commissie de ontwerpen van die geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en kan ze aan de lidstaten landspecifieke aanbevelingen doen. In deze aanbevelingen kan met name het volgende aan bod komen:

a)

het ambitieniveau van de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen met het oog op de collectieve verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-unie en met name de 2030-streefcijfers van de Unie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, alsook het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, als bedoeld in artikel 4, onder d), waarbij terdege rekening wordt gehouden met relevante omstandigheden die van invloed zijn op de uitrol van hernieuwbare energie en het energieverbruik, zoals door de betrokken lidstaat vermeld in het ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, alsook met de in bijlage I, deel 1, afdeling A, punt 2.4.1, vastgestelde indicatoren voor de urgentie van de maatregelen voor interconnectiviteit;

b)

beleidslijnen en maatregelen die verband houden met de doelstellingen op het niveau van de lidstaat en de Unie, en andere beleidslijnen en maatregelen met potentiële grensoverschrijdende gevolgen;

c)

eventuele aanvullende beleidslijnen en maatregelen die mogelijk vereist zijn in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen;

d)

wisselwerkingen tussen en samenhang van bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen die zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan binnen één dimensie en tussen verschillende dimensies van de energie-unie.

3.   In zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan houdt elke lidstaat terdege rekening met eventuele aanbevelingen van de Commissie. Een lidstaat die besluit geen gevolg te geven aan een aanbeveling of een aanzienlijk deel daarvan, moet dit motiveren en zijn redenen openbaar maken.

4.   In verband met de in artikel 10 bedoelde openbare raadpleging maakt elke lidstaat zijn ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen openbaar.

Artikel 10

Openbare raadpleging

Onverminderd eventuele andere Unierechtelijke vereisten, moet elke lidstaat ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium effectieve kansen krijgt om deel te nemen aan de opstelling van het ontwerp van geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan — wat betreft de plannen voor de periode 2021-2030, bij de opstelling van het definitieve plan ruim voordat het wordt aangenomen — en aan de opstelling van de in artikel 15 bedoelde langetermijnstrategieën. Elke lidstaat voegt bij indiening van dergelijke documenten bij de Commissie een samenvatting van de standpunten of voorlopige standpunten van het publiek toe. Voor zover Richtlijn 2001/42/EG van toepassing is, wordt overleg over het ontwerp in overeenstemming met die richtlijn geacht te voldoen aan de verplichtingen tot raadpleging van het publiek uit hoofde van de onderhavige verordening.

Elke lidstaat zorgt ervoor dat het publiek wordt geïnformeerd. Elke lidstaat stelt redelijke tijdschema's vast die het publiek voldoende tijd gunnen om zich op de hoogte te stellen, deel te nemen en zijn standpunten uit te drukken.

Bij de uitvoering van dit artikel beperkt elke lidstaat de administratieve complexiteit.

Artikel 11

Klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus

Elke lidstaat zet overeenkomstig nationale regels een klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus op, waarin lokale overheden, maatschappelijke organisaties, de bedrijfswereld, investeerders en andere betrokken partijen en het brede publiek actief kunnen participeren en de verschillende mogelijke scenario's, ook op lange termijn, voor het energie- en klimaatbeleid kunnen bespreken, en de vooruitgang kunnen beoordelen, tenzij de lidstaat al een structuur heeft ingevoerd die datzelfde doel heeft. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen kunnen in het kader van deze dialoog worden besproken.

Artikel 12

Regionale samenwerking

1.   De lidstaten werken samen, rekening houdend met alle bestaande en potentiële vormen van regionale samenwerking, om op doeltreffende wijze de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te bereiken.

2.   Geruime tijd vóór hij zijn ontwerp van geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bij de Commissie indient overeenkomstig artikel 9, lid 1 — wat betreft de plannen voor de periode 2021-2030, bij de opstelling van het definitieve plan, ruim voordat dit wordt aangenomen — identificeert elke lidstaat de mogelijkheden voor regionale samenwerking en raadpleegt hij naburige lidstaten, onder meer in regionale-samenwerkingsfora. Indien de lidstaat die het plan opstelt dit gepast acht, mag hij andere lidstaten of derde landen die belangstelling hebben getoond, raadplegen. Insulaire lidstaten zonder interconnectie op het gebied van energie met andere lidstaten, plegen dergelijk overleg met de naburige lidstaten met zeegrenzen. De geraadpleegde lidstaten moeten een redelijke termijn krijgen om te reageren. Elke lidstaat vermeldt in zijn ontwerp van geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan — wat betreft de plannen voor de periode 2021-2030, in zijn definitief nationaal energie- en klimaatplan — ten minste de voorlopige resultaten van dergelijk regionaal overleg, in voorkomend geval met inbegrip van de wijze waarop rekening is gehouden met de opmerkingen van de geraadpleegde lidstaten of derde landen.

3.   De lidstaten kunnen op vrijwillige basis deelnemen aan een gezamenlijke uitwerking van onderdelen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en voortgangsverslagen, onder meer in regionale-samenwerkingsfora. Als zij dit doen, vervangt het resultaat de equivalente delen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en voortgangsverslagen. Op verzoek van twee of meer lidstaten faciliteert de Commissie die exercitie.

4.   Om marktintegratie en kostenefficiënte beleidslijnen en maatregelen te faciliteren, presenteren de lidstaten, in de periode tussen de uiterste termijn voor de indiening van hun ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en die voor indiening van hun definitieve plannen, de relevante delen van het ontwerp van hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in relevante regionale-samenwerkingsfora, met het oog op de definitieve vaststelling van die plannen. De Commissie vergemakkelijkt, waar nodig, deze samenwerking en dit overleg tussen de lidstaten, en als zij mogelijkheden voor verdere regionale samenwerking vaststelt, kan zij indicatieve richtsnoeren verstrekken aan de lidstaten om een doeltreffend samenwerkings- en overlegproces te bevorderen.

5.   De lidstaten nemen de opmerkingen van andere lidstaten uit hoofde van de leden 2 en 3 in overweging in hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, en leggen in die plannen uit hoe deze opmerkingen in overweging zijn genomen.

6.   Met het oog op de toepassing van lid 1 blijven de lidstaten op regionaal niveau samenwerken, waar passend in regionale-samenwerkingsfora, bij de tenuitvoerlegging van de relevante beleidslijnen en maatregelen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.

7.   De lidstaten kunnen ook overwegen samen te werken met leden van de Energiegemeenschap en derde landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte.

8.   Voor zover de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing zijn, wordt grensoverschrijdende raadpleging over het ontwerp overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn geacht ook aan de verplichtingen op het gebied van regionale samenwerking krachtens deze verordening te voldoen, op voorwaarde dat ook aan de bepalingen van dit artikel is voldaan.

Artikel 13

Beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

Op basis van de krachtens de artikelen 3 en 14 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan evalueert de Commissie met name of:

a)

de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste periode van tien jaar met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030;

b)

de plannen voldoen aan de vereisten van de artikelen 3 tot en met 12 en de lidstaten terdege rekening hebben gehouden met de aanbevelingen van de Commissie op grond van artikel 34.

Artikel 14

Actualisering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

1.   Uiterlijk op 30 juni 2023, daarna uiterlijk op 1 januari 2033, en daarna om de tien jaar, dient elke lidstaat bij de Commissie een ontwerp in van de actualisering van het laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zoals bedoeld in artikel 3, of licht hij toe aan de Commissie waarom het plan niet hoeft te worden geactualiseerd.

2.   Uiterlijk op 30 juni 2024, daarna uiterlijk op 1 januari 2034, en daarna om de tien jaar, dient elke lidstaat bij de Commissie een actualisering in van zijn laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, tenzij hij overeenkomstig lid 1 heeft toegelicht waarom het plan niet hoeft te worden geactualiseerd.

3.   Bij de in lid 2 bedoelde actualisering wijzigt elke lidstaat zijn nationale doelstelling, streefcijfer of bijdrage voor elke van de gekwantificeerde Uniedoelstellingen, -streefcijfers of -bijdragen vermeld in artikel 4, onder a), punt 1, om het ambitieniveau te verhogen in vergelijking met zijn laatst aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan. In de in lid 2 bedoelde actualisering wijzigt elke lidstaat zijn nationale doelstelling, streefcijfer of bijdrage voor elke van de gekwantificeerde Uniedoelstellingen, -streefcijfers of -bijdragen vermeld in artikel 4, onder a), punt 2, en onder b), enkel om het ambitieniveau te behouden of te verhogen in vergelijking met het laatst aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.

4.   De lidstaten trachten eventuele negatieve effecten op het milieu die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 25, te beperken in hun geactualiseerde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.

5.   In hun in lid 2 bedoelde actualiseringen houden de lidstaten rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees Semester en met de verplichtingen die uit de Overeenkomst van Parijs voortvloeien.

6.   De procedures van artikel 9, lid 2, artikel 10 en artikel 12 zijn van toepassing op de opstelling en evaluatie van de geactualiseerde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.

7.   Dit artikel geldt onverminderd het recht van de lidstaten om te allen tijde wijzigingen of aanpassingen aan te brengen in de nationale beleidsmaatregelen die zijn opgenomen of vermeld in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, op voorwaarde dat die wijzigingen en aanpassingen zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag.

HOOFDSTUK 3

Langetermijnstrategieën

Artikel 15

Langetermijnstrategieën

1.   Uiterlijk op 1 januari 2020, daarna uiterlijk op 1 januari 2029, en daarna om de tien jaar stelt elke lidstaat zijn langetermijnstrategie op, met een perspectief van minstens dertig jaar, en dient deze in bij de Commissie. De lidstaten actualiseren deze strategieën waar nodig om de vijf jaar.

2.   Met het oog op de verwezenlijking van de in lid 3 bedoelde algemene klimaatdoelstellingen komt de Commissie uiterlijk op 1 april 2019 met een voorstel voor een langetermijnstrategie van de Unie voor de reductie van de broeikasgasemissies, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, rekening houdend met de ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten. De in dit lid bedoelde langetermijnstrategie omvat een analyse die ten minste het volgende behelst:

a)

verschillende scenario's voor de bijdrage van de Unie aan de verwezenlijking van de in lid 3 bepaalde doelstellingen, waaronder een scenario om de netto-uitstoot van broeikasgassen binnen de Unie uiterlijk in 2050 tot nul te herleiden en daarna tot negatieve emissies te komen;

b)

de gevolgen van de onder a) bedoelde scenario's voor het resterende mondiale koolstofbudget en het koolstofbudget van de Unie als bijdrage aan de discussie over kosteneffectiviteit, efficiëntie en billijkheid van de broeikasgasemmisiereducties.

3.   De langetermijnstrategieën van de lidstaten en van de Unie dragen bij tot:

a)

de naleving van de verbintenissen van de Unie en de lidstaten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs om de antropogene broeikasgasemissies te beperken, de verwijderingen per put te verbeteren en voor een verbeterde koolstofvastlegging te zorgen;

b)

de verwezenlijking van de doelstelling uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en om te streven naar een maximale stijging van 1,5 °C boven het pre-industriële niveau;

c)

de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren, overeenkomstig de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change — IPCC) noodzakelijke geachte reducties, de broeikasgasemissies van de Unie op kosteneffectieve wijze te verminderen en de verwijderingen per put te verbeteren met het oog op de temperatuurdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, teneinde in de Unie zo snel mogelijk een evenwicht te verwezenlijken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, en — waar mogelijk — daarna tot negatieve emissies te komen;

d)

een zeer energie-efficiënt en sterk op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem in de Unie.

4.   De langetermijnstrategieën van de lidstaten bevatten de elementen die in bijlage IV bepaald zijn. Daarnaast hebben de langetermijnstrategieën van de lidstaten en van de Unie betrekking op:

a)

de totale vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put;

b)

de vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put in individuele sectoren, waaronder elektriciteit, industrie, vervoer, de sectoren verwarming en koeling en de bouwsector (residentieel en tertiair), landbouw, afval en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);

c)

de verwachte vooruitgang bij de overgang naar een economie met geringe emissies van broeikasgassen, met inbegrip van broeikasgasintensiteit, CO2-intensiteit van het bruto binnenlands product, daaraan gerelateerde schattingen van langetermijninvesteringen, en strategieën voor gerelateerd onderzoek en gerelateerde ontwikkeling en innovatie;

d)

in de mate van het mogelijke, de verwachte sociaal-economische gevolgen van de decarbonisatiemaatregelen, met inbegrip van onder meer aspecten in verband met de macro-economische en maatschappelijke ontwikkeling, gezondheidsrisico's en -voordelen, en milieubescherming;

e)

links naar andere nationale langetermijndoelstellingen, planning en andere beleidslijnen, maatregelen en investeringen.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage IV, teneinde deze bijlage aan te passen aan de ontwikkelingen in de langetermijnstrategie van de Unie en in het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie die rechtstreeks en specifiek verband houden met de relevante besluiten die uit hoofde van het UNFCCC en, in het bijzonder, de Overeenkomst van Parijs genomen zijn.

6.   De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zijn consistent met de in dit artikel bedoelde langetermijnstrategieën.

7.   De lidstaten en de Commissie informeren het publiek en maken hun langetermijnstrategieën en de actualiseringen ervan onverwijld toegankelijk, onder meer via het in artikel 28 bedoelde e-platform. De lidstaten en de Commissie maken relevante gegevens over de eindresultaten toegankelijk voor het publiek, rekening houdend met commercieel gevoelige informatie en met inachtneming van de gegevensbeschermingsregelgeving.

8.   De Commissie helpt de lidstaten bij de opstelling van hun langetermijnstrategieën door informatie te verstrekken over de stand van de onderliggende wetenschappelijke kennis en door mogelijkheden te bieden om kennis en beste praktijken te delen, waaronder, indien relevant, richtsnoeren die lidstaten kunnen gebruiken in de opstellings- en tenuitvoerleggingsfase van hun strategieën.

9.   De Commissie beoordeelt of de nationale langetermijnstrategieën volstaan om collectief de in artikel 1 bepaalde streefcijfers en doelstellingen van de energie-unie te halen, en verstrekt informatie over een eventueel collectief tekort.

Artikel 16

Strategisch plan voor methaan

Gezien het hoge aardopwarmingspotentieel en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan, verricht de Commissie een analyse van de implicaties voor de uitvoering van beleidslijnen en maatregelen die als doel hebben de effecten op korte en middellange termijn van methaanemissies op de broeikasgasemissies van de Unie te beperken. De Commissie overweegt beleidsopties, op passende wijze rekening houdend met de doelstellingen van de circulaire economie, om methaanemissies spoedig aan te pakken, en stelt een strategisch Unieplan voor methaan voor als integraal onderdeel van de strategie van de Unie op lange termijn als bedoeld in artikel 15.

HOOFDSTUK 4

Rapportering

Afdeling 1

Tweejarige voortgangsverslagen en follow-up daarvan

Artikel 17

Geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat

1.   Onverminderd artikel 26 brengt elke lidstaat uiterlijk op 15 maart 2023, en vervolgens om de twee jaar aan de Commissie verslag uit over de stand van de tenuitvoerlegging van zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan door middel van een geïntegreerd nationaal voortgangsverslag inzake energie en klimaat dat betrekking heeft op alle vijf dimensies van de energie-unie.

2.   Het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag heeft betrekking op de volgende elementen:

a)

informatie over de geboekte vooruitgang bij het behalen van de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen die zijn uiteengezet in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, en bij de financiering en tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen die nodig waren om ze te behalen, met inbegrip van een beoordeling van daadwerkelijk gebeurde investeringen ten opzichte van initieel geplande investeringen;

b)

in voorkomend geval, informatie over de voortgang bij het opzetten van de in artikel 11 bedoelde dialoog;

c)

de informatie waarnaar wordt verwezen in de artikelen 20 tot en met 25 en, in voorkomend geval, actualiseringen van beleidslijnen en maatregelen, overeenkomstig deze artikelen;

d)

informatie over de aanpassing overeenkomstig artikel 4, onder a), punt 1;

e)

voor zover mogelijk kwantificering van het effect van het beleid en de maatregelen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op luchtkwaliteit en emissies van luchtverontreinigende stoffen.

De Unie en de lidstaten dienen bij het secretariaat van het UNFCCC tweejaarlijkse verslagen in overeenkomstig Besluit 2/CP.17 van de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC en nationale mededelingen overeenkomstig artikel 12 van het UNFCCC.

3.   Het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag omvat de informatie uit de in artikel 26, lid 3, bedoelde jaarverslagen, en de informatie over beleidslijnen, maatregelen en prognoses met betrekking tot antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put uit de in artikel 18 bedoelde verslagen.

4.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder b), bedoelde Comité voor de energie-unie, uitvoeringshandelingen vast waarin de structuur, het formaat, de technische details en het proces voor de in leden 1 en 2 van dit artikel vermelde informatie zijn uiteengezet.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   De frequentie en omvang van de informatie en actualiseringen als bedoeld in lid 2, onder c), moeten worden afgewogen tegen de noodzaak om voldoende zekerheid te bieden aan investeerders.

6.   Wanneer de Commissie aanbevelingen heeft opgesteld overeenkomstig artikel 32, lid 1 of 2, neemt de betrokken lidstaat in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag informatie op over de beleidslijnen en maatregelen die hij heeft vastgesteld of die hij voornemens is vast te stellen en uit te voeren om tegemoet te komen aan die aanbevelingen. Indien van toepassing omvat die informatie een gedetailleerd tijdschema voor de tenuitvoerlegging.

Indien de betrokken lidstaat besluit geen gevolg te geven aan een aanbeveling of een aanzienlijk deel daarvan, moet hij dit motiveren.

7.   De lidstaten stellen de op grond van dit artikel bij de Commissie ingediende verslagen ter beschikking van het publiek.

Artikel 18

Geïntegreerde rapportering over broeikasgasbeleidslijnen en -maatregelen en over prognoses

1.   Uiterlijk op 15 maart 2021 en daarna om de twee jaar verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over:

a)

hun nationale beleidslijnen en maatregelen of groep maatregelen als omschreven in bijlage VI, en

b)

hun nationale prognoses van antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put, georganiseerd per gas of groep van gassen (fluorkoolwaterstoffen en perfluorkoolstoffen) die zijn opgesomd in deel 2 van bijlage V. De nationale prognoses houden rekening met eventuele beleidslijnen en maatregelen die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld en omvatten de in bijlage VII uiteengezette informatie.

2.   De lidstaten brengen verslag uit over de recentste beschikbare prognoses. Indien een lidstaat om de twee jaar uiterlijk op 15 maart geen volledige prognoses indient, en de Commissie heeft vastgesteld dat de via de kwaliteitsborgings- of kwaliteitscontroleprocedures van de Commissie opgespoorde hiaten in de ramingen niet door de lidstaat in kwestie kunnen worden opgevuld, kan de Commissie, in overleg met de betrokken lidstaat, ramingen maken zoals vereist voor het opstellen van prognoses voor de Unie.

3.   Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van alle inhoudelijke wijzigingen van de uit hoofde van lid 1 verstrekte informatie tijdens het eerste jaar van de rapporteringsperiode, uiterlijk op 15 maart van het jaar volgend op het vorige verslag.

4.   De lidstaten publiceren, in elektronische vorm, hun nationale prognoses overeenkomstig lid 1 en elke relevante raming van de kosten en effecten van de nationale beleidslijnen en maatregelen betreffende de tenuitvoerlegging van beleid van de Unie dat relevant is voor de beperking van broeikasgasemissies, samen met alle relevante ondersteunende technische rapporten. Deze prognoses en beoordelingen dienen beschrijvingen te omvatten van de gebruikte modellen en methodologische benaderingen, definities en onderliggende aannames.

Artikel 19

Geïntegreerde rapportering over nationale aanpassingsacties, financiële en technologische ondersteuning aan ontwikkelingslanden en veilingopbrengsten

1.   Uiterlijk op 15 maart 2021, en vervolgens om de twee jaar, verstrekken de lidstaten informatie aan de Commissie over hun nationale plannen en strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering, waarin is uiteengezet welke maatregelen zij hebben uitgevoerd en gepland om de aanpassing aan de klimaatverandering te vergemakkelijken, met inbegrip van de in deel 1 van bijlage VIII gespecificeerde informatie, in overeenstemming met de rapporteringsvoorschriften die zijn overeengekomen in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.

2.   Uiterlijk op 31 juli 2021 en daarna om het jaar (jaar X) verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over het gebruik van de opbrengsten uit de emissierechtenveiling van de lidstaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, en artikel 3 quinquies, lid 1 of 2, van Richtlijn 2003/87/EG, met inbegrip van de in deel 3 van bijlage VIII vermelde informatie.

3.   Uiterlijk op 30 september 2021 en vervolgens ieder jaar (jaar X) brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over de steun aan ontwikkelingslanden, met inbegrip van de in deel 2 van bijlage VIII vermelde informatie, en in overeenstemming met de toepasselijke rapporteringsvoorschriften die zijn overeengekomen in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.

4.   De lidstaten stellen de op grond van dit artikel bij de Commissie ingediende rapporten ter beschikking van het publiek, met uitzondering van de in deel 2, onder b), van bijlage VIII vermelde informatie.

5.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast ter vastlegging van de structuur, het formaat en de indieningsprocedure voor de rapportering door de lidstaten van informatie uit hoofde van dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 20

Geïntegreerde rapportering over hernieuwbare energie

In hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat nemen de lidstaten informatie op over:

a)

de tenuitvoerlegging van de volgende trajecten en doelstellingen:

1)

het indicatieve nationale traject voor het algemene aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030;

2)

de geraamde trajecten voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer;

3)

de geraamde trajecten voor elke technologie voor hernieuwbare energie om de algemene en sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te verwezenlijken, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie per technologie en sector in Mtoe en de geplande totale geïnstalleerde capaciteit per technologie en sector in MW;

4)

de trajecten voor de vraag naar bio-energie, uitgesplitst tussen de vraag naar verwarming, elektriciteit en vervoer, en voor de levering van biomassa, per grondstof en herkomst (waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse productie en invoer). Voor bosbiomassa afkomstig van bossen, een beoordeling van de bron en de gevolgen voor de emissieput van de LULUCF;

5)

indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, met inbegrip van sectorale trajecten en doelstellingen op lange termijn (zoals het aandeel van elektriciteit uit biomassa zonder productie van warmte, het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, hernieuwbare energie geproduceerd door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie), energie opgewekt uit slib dat bij afvalwaterzuivering wordt gewonnen;

b)

de uitvoering van de volgende beleidslijnen en maatregelen:

1)

uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de nationale bijdrage aan het bindende 2030-streefcijfer voor hernieuwbare energie op het niveau van de Unie, zoals vermeld in artikel 4, onder a), punt 2, van deze verordening, met inbegrip van sector- en technologiespecifieke maatregelen, met een specifieke evaluatie van de uitvoering van maatregelen die zijn vastgesteld in de artikelen 23 tot en met 28 van Richtlijn (EU) 2018/2001;

2)

indien beschikbaar, specifieke maatregelen voor regionale samenwerking;

3)

onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU, specifieke maatregelen voor financiële steun, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, voor de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer;

4)

indien van toepassing, de beoordeling van de steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, die de lidstaten moeten uitvoeren uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

5)

specifieke maatregelen om te voldoen aan de vereisten van de artikelen 15 tot en met 18 van Richtlijn (EU) 2018/2001;

6)

indien van toepassing, specifieke maatregelen om de behoefte aan capaciteit die altijd moet draaien — die kan leiden tot een vermindering van energie uit hernieuwbare bronnen — te beoordelen, transparant te maken en te verminderen;

7)

een samenvatting van de beleidslijnen en maatregelen van het stimulerend kader die de lidstaten uit hoofde van artikel 21, lid 6, en artikel 22, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 moeten invoeren om de ontwikkeling van consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen te bevorderen en te vergemakkelijken;

8)

maatregelen ter bevordering van het gebruik van energie uit biomassa, in het bijzonder de exploitatie van nieuwe biomassabronnen, waarbij rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van biomassa, met inbegrip van duurzame-biomassapotentieel, alsmede maatregelen voor de duurzaamheid van geproduceerde en gebruikte biomassa;

9)

bestaande maatregelen om het aandeel hernieuwbare energie te vergroten in de sectoren verwarming en koeling en transport;

10)

beleidslijnen en maatregelen die het gebruik van afnameovereenkomsten voor stroom bevorderen;

c)

zoals uiteengezet in deel 1 van bijlage IX.

Artikel 21

Geïntegreerde rapportering over energie-efficiëntie

In hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat nemen de lidstaten informatie op over:

a)

de tenuitvoerlegging van de volgende nationale trajecten, doelstellingen en streefcijfers:

1)

het indicatieve traject voor het jaarlijkse primaire en eindverbruik van energie tussen 2021 en 2030, als de nationale energiebesparingsbijdrage tot het behalen van het 2030-streefcijfer op het niveau van de Unie, met inbegrip van de onderliggende methodologie;

2)

de indicatieve mijlpalen van de langetermijnstrategie voor de renovatie van het nationale bestand van woningen en niet voor bewoning bestemde gebouwen (zowel publieke als particuliere), en de bijdragen tot de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, in overeenstemming met artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU;

3)

indien van toepassing, een actualisering van andere in het nationale plan uiteengezette nationale doelstellingen;

b)

de uitvoering van de volgende beleidslijnen en maatregelen:

1)

uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen, maatregelen en programma's ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en andere in artikel 6 bedoelde doelstellingen, inclusief de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren, maatregelen om gebruik te maken van het energie-efficiëntiepotentieel van de gas- en elektriciteitsinfrastructuur en andere maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie;

2)

indien van toepassing, marktgebaseerde instrumenten die aanzetten tot verbetering van de energie-efficiëntie, met inbegrip van, maar niet beperkt tot energiebelastingen, -heffingen en -vergoedingen;

3)

nationale verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve maatregelen overeenkomstig de artikelen 7 bis en 7 ter van Richtlijn 2012/27/EU en overeenkomstig bijlage III bij deze verordening;

4)

langetermijnstrategieën voor renovatie overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU;

5)

beleidslijnen en maatregelen voor de bevordering van energiediensten in de openbare sector en maatregelen voor het wegnemen van regelgevende en niet-regelgevende obstakels die verhinderen dat energieprestatiecontracten en andere dienstenmodellen met betrekking tot energie-efficiëntie ingang vinden;

6)

regionale samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie, indien van toepassing;

7)

onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU, financiële maatregelen, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op het gebied van energie-efficiëntie op nationaal niveau, indien van toepassing;

c)

zoals uiteengezet in deel 2 van bijlage IX.

Artikel 22

Geïntegreerde rapportering over de energievoorzieningszekerheid

In hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat nemen de lidstaten informatie op over de tenuitvoerlegging van:

a)

nationale doelstellingen voor de diversificatie van energiebronnen en leveranciers;

b)

indien van toepassing, nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen;

c)

nationale doelstellingen voor de ontwikkeling van het vermogen om het hoofd te bieden aan een beperking of onderbreking van het aanbod van een energiebron, met inbegrip van gas en elektriciteit;

d)

nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, met name door de inzet van binnenlandse energiebronnen, vraagrespons en energieopslag;

e)

uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de onder a) tot en met d) bedoelde doelstellingen;

f)

regionale samenwerking bij de tenuitvoerlegging van de onder a) tot en met d) bedoelde doelstellingen en beleidslijnen;

g)

onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU, financiële maatregelen, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op dit gebied op nationaal niveau, indien van toepassing.

Artikel 23

Geïntegreerde rapportering over de interne energiemarkt

1.   In hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat nemen de lidstaten informatie op over de tenuitvoerlegging van de volgende doelstellingen en maatregelen:

a)

het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 % in 2030, de indicatoren als vastgesteld in bijlage I, deel 1, afdeling A, punt 2.4.1, en de maatregelen voor de uitvoering van de strategie om dit niveau te bereiken, inclusief de maatregelen in verband met het verlenen van vergunningen;

b)

de belangrijkste projecten voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in de vijf dimensies van de energie-unie;

c)

indien van toepassing, belangrijke geplande infrastructuurprojecten, met uitzondering van projecten van gemeenschappelijk belang, waaronder infrastructuurprojecten waarbij derde landen betrokken zijn, en, in de mate van het mogelijke, een algemene beoordeling van de verenigbaarheid ervan met, en de bijdrage ervan aan, de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie;

d)

nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals het vergroten van de flexibiliteit van het systeem en de marktintegratie en -koppeling, met als doel de verhoging van de verhandelbare capaciteit van bestaande interconnectoren, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, verspreide opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtimeprijssignalen;

e)

indien van toepassing, nationale doelstellingen en maatregelen met betrekking tot de niet-discriminerende bijdrage van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten;

f)

indien van toepassing, nationale doelstellingen en maatregelen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters;

g)

maatregelen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem;

h)

uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de onder a) tot en met g) bedoelde doelstellingen;

i)

regionale samenwerking bij de tenuitvoerlegging van de onder a) tot en met h) bedoelde doelstellingen en beleidslijnen;

j)

onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU, financiële maatregelen op nationaal niveau, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op het gebied van de interne energiemarkt, met inbegrip van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit, indien van toepassing;

k)

maatregelen ter vergroting van de flexibiliteit van het energiesysteem, met betrekking tot de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van de uitrol van intradaymarktkoppeling en grensoverschrijdende vereffeningsmarkten.

2.   De informatie die door de lidstaten overeenkomstig lid 1 wordt verstrekt, moet samenhangend zijn met en, in voorkomend geval, gebaseerd zijn op het verslag van de nationale regelgevende instanties zoals bedoeld in artikel 37, lid 1, onder e), van Richtlijn 2009/72/EG en artikel 41, lid 1, onder e), van Richtlijn 2009/73/EG.

Artikel 24

Geïntegreerde rapportering over energiearmoede

Wanneer artikel 3, lid 3, onder d), tweede alinea, van toepassing is, neemt de betrokken lidstaat in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag de volgende elementen op:

a)

informatie over de voortgang ten aanzien van de nationale indicatieve doelstelling om het aantal huishoudens in energiearmoede terug te dringen, en

b)

kwantitatieve informatie over het aantal huishoudens in energiearmoede en, indien beschikbaar, informatie over beleidslijnen en maatregelen om energiearmoede terug te dringen.

De Commissie deelt de gegevens die de lidstaten op grond van dit artikel meedelen met de Europese Waarnemingspost voor energiearmoede.

Artikel 25

Geïntegreerde rapportering over onderzoek, innovatie en concurrentievermogen

In hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat nemen de lidstaten informatie op over de tenuitvoerlegging van de volgende doelstellingen en maatregelen:

a)

indien van toepassing, nationale doelstellingen en beleidslijnen die de doelstellingen en beleidslijnen van het SET-plan vertalen naar een nationale context;

b)

nationale doelstellingen met betrekking tot de totale publieke en, indien beschikbaar, private uitgaven voor onderzoek en innovatie op het gebied van technologieën voor schone energie, en met betrekking tot de kosten van dergelijke technologieën en de ontwikkeling van de prestaties ervan;

c)

voor zover passend, nationale doelstellingen, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers voor 2050, voor de uitrol van technologieën voor het koolstofvrij maken van energie- en koolstofintensieve industriesectoren en, indien van toepassing, voor de uitrol van de daarmee samenhangende infrastructuur voor vervoer, gebruik en opslag van koolstof;

d)

nationale doelstellingen voor de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen;

e)

uitgevoerde, vastgestelde en geplande beleidslijnen en maatregelen ter verwezenlijking van de onder b) en c) bedoelde doelstellingen;

f)

samenwerking met andere lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen en beleidslijnen als bedoeld onder b), c) en d), met inbegrip van de coördinatie van beleidslijnen en maatregelen in het kader van het SET-plan, zoals de onderlinge afstemming van onderzoeksprogramma's en gemeenschappelijke programma's;

g)

financieringsmaatregelen, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van financiële middelen van de Unie, op dit gebied op nationaal niveau, indien van toepassing.

Afdeling 2

Jaarlijkse rapportering

Artikel 26

Jaarlijkse rapportering

1.   Uiterlijk op 15 maart 2021 en daarna om het jaar (jaar X) verstrekken de lidstaten aan de Commissie:

a)

de in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2009/119/EG bedoelde informatie;

b)

de in bijlage IX, punt 3, van Richtlijn 2013/30/EU bedoelde informatie, in overeenstemming met artikel 25 van die richtlijn.

2.   Uiterlijk op 31 juli 2021 en daarna elk jaar (jaar X) rapporteren de lidstaten de geschatte broeikasgasinventarissen voor het jaar X–1 aan de Commissie.

Met het oog op de toepassing van dit lid maakt de Commissie jaarlijks, op basis van de geschatte broeikasgasinventarissen van de lidstaten of, indien een lidstaat zijn geschatte inventaris uiterlijk op die datum niet heeft ingediend, op basis van haar eigen ramingen, een geschatte broeikasgasinventaris van de Unie op. Uiterlijk op 30 september van elk jaar maakt de Commissie deze informatie openbaar.

3.   Vanaf 2023 stellen de lidstaten uiterlijk op 15 maart van elk jaar (jaar X) de definitieve gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris en uiterlijk op 15 januari van elk jaar de voorlopige gegevens op, met inbegrip van de in bijlage V vermelde broeikasgassen en inventarisgegevens, en dienen zij deze in bij de Commissie. Het verslag over de definitieve gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris omvat ook een volledig en actueel nationaal inventarisatieverslag. Binnen drie maanden na ontvangst van de verslagen stelt de Commissie de informatie bedoeld in bijlage V, deel 1, onder n), beschikbaar voor het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering.

4.   De lidstaten dienen uiterlijk op 15 april van elk jaar bij het secretariaat van het UNFCCC nationale inventarissen in met de definitieve gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris die overeenkomstig lid 3 bij de Commissie zijn ingediend. De Commissie stelt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks een broeikasgasinventaris van de Unie en een verslag betreffende de broeikasgasinventarisatie van de Unie op en dient deze uiterlijk op 15 april van elk jaar in bij het secretariaat van het UNFCCC.

5.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 15 januari van de jaren 2027 en 2032 in kennis van de voorlopige nationale inventarisgegevens en uiterlijk op 15 maart van de jaren 2027 en 2032 van de definitieve nationale inventarisgegevens die zij hebben opgegeven in hun LULUCF-boekhouding met het oog op de nalevingsverslagen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/841.

6.   De Commissie is overeenkomstig artikel 43 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

deel 2 van bijlage V te wijzigen door stoffen toe te voegen aan of te schrappen van de lijst van broeikasgassen, in overeenstemming met besluiten ter zake die zijn vastgesteld door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs;

b)

deze verordening aan te vullen door waarden voor het aardopwarmingsvermogen vast te stellen en richtsnoeren voor inventarisering te specificeren die van toepassing zijn in overeenstemming met de betrokken besluiten die zijn aangenomen door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs.

7.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast waarin de structuur, de technische bijzonderheden, het formaat en de processen zijn vastgesteld die de lidstaten in acht moeten nemen bij de indiening van geschatte broeikasgasinventarissen overeenkomstig lid 2 van dit artikel, broeikasgasinventarissen overeenkomstig lid 3 van dit artikel en geboekte broeikasgasemissies en -verwijderingen overeenkomstig de artikelen 5 en 14 van Verordening (EU) 2018/841.

Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke uitvoeringshandelingen doet, houdt zij rekening met de tijdschema's van het UNFCCC of de Overeenkomst van Parijs voor de monitoring en rapportering van deze informatie en de desbetreffende besluiten die door de organen van de UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs zijn aangenomen om ervoor te zorgen dat de Unie haar rapporteringsverplichtingen als partij bij het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs nakomt. Deze uitvoeringshandelingen omvatten ook het tijdpad voor de samenwerking en de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten wanneer zij het rapport over de broeikasgasinventaris van de Unie opstellen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 27

Rapportering over de streefcijfers 2020

Uiterlijk op 30 april 2022 brengt elke lidstaat aan de Commissie verslag uit over de verwezenlijking van zijn overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU vastgestelde nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 door het verstrekken van de gegevens vermeld in deel 2 van bijlage IX bij deze verordening, en over de verwezenlijking van de totale nationale streefcijfers voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020, zoals vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2009/28/EG in de versie zoals van kracht op 31 december 2020, door de volgende informatie te verstrekken:

a)

het aandeel per sector (elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer) en het totale aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in 2020;

b)

de maatregelen die zijn genomen om de nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie voor 2020 te halen, met inbegrip van maatregelen met betrekking tot steunregelingen, garanties van oorsprong en vereenvoudiging van de administratieve procedures;

c)

het aandeel van energie uit biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in het energieverbruik in de vervoersector;

d)

het aandeel energie uit biobrandstoffen en biogas voor vervoer die worden geproduceerd uit grondstoffen en van andere brandstoffen die zijn vermeld in deel A van bijlage IX bij Richtlijn 2009/28/EG in de versie zoals van kracht op 31 december 2020 in het energieverbruik in het vervoer.

Afdeling 3

Rapporteringsplatform

Artikel 28

E-platform

1.   De Commissie zet een onlineplatform (e-platform) op om de communicatie tussen de Commissie en de lidstaten te vergemakkelijken, de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen en het publiek toegang te geven tot informatie.

2.   De lidstaten maken gebruik van het e-platform om de in dit hoofdstuk vermelde verslagen bij de Commissie in te dienen, zodra dit platform operationeel is.

3.   Het e-platform wordt uiterlijk op 1 januari 2020 functioneel. De Commissie gebruikt het e-platform om het publiek gemakkelijker online toegang te geven tot de in dit hoofdstuk bedoelde verslagen, de definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de geactualiseerde versies daarvan, en de in artikel 15 bedoelde strategieën op lange termijn, met inachtneming van commercieel gevoelige informatie en de gegevensbeschermingsvoorschriften.

HOOFDSTUK 5

Geaggregeerde beoordeling van de voortgang en de beleidsrespons om te garanderen dat de doelstellingen van de Unie worden verwezenlijkt — monitoring door de Commissie

Artikel 29

Beoordeling van de vooruitgang

1.   Uiterlijk op 31 oktober 2021 en daarna om de twee jaar evalueert de Commissie, met name op grond van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat, andere krachtens deze verordening verstrekte informatie, de indicatoren en, voor zover beschikbaar, Europese statistieken en gegevens:

a)

de vooruitgang op Unieniveau bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de energie-unie, waaronder voor de eerste periode van tien jaar de 2030-streefcijfers van de Unie voor energie en klimaat, met name om te vermijden dat er een tekort ontstaat ten opzichte van de 2030-streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;

b)

de vooruitgang die elke lidstaat maakt bij het bereiken van zijn doelstellingen, streefcijfers en bijdragen en bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan;

c)

de algemene impact van de luchtvaart op het mondiale klimaat, met name als gevolg van niet-CO2-emissies of niet-CO2-effecten op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 26 ingediende emissiegegevens, en verbetert zij deze beoordeling, in voorkomend geval, in het licht van de wetenschappelijke vooruitgang en luchtverkeersgegevens;

d)

het algemene effect van de beleidslijnen en maatregelen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op de werking van de klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie;

e)

het algemene effect van de beleidslijnen en maatregelen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op de werking van het systeem voor de handel in emissierechten van de Unie (EU-ETS) en op het evenwicht tussen vraag en aanbod van de emissierechten op de Europese koolstofmarkt.

2.   Op het gebied van hernieuwbare energie evalueert de Commissie, als onderdeel van haar in lid 1 bedoelde evaluatie, de geboekte vooruitgang met betrekking tot het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van de Unie aan de hand van een indicatief Unietraject dat begint bij 20 % in 2020, referentiepunten bereikt van minstens 18 % in 2022, 43 % in 2025 en 65 % in 2027 van de totale verhoging van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen tussen het Uniestreefcijfer voor 2020 inzake hernieuwbare energie en het Uniestreefcijfer voor 2030 inzake hernieuwbare energie en oploopt tot het Uniestreefcijfer voor 2030 inzake hernieuwbare energie van minstens 32 %.

3.   Op het gebied van energie-efficiëntie evalueert de Commissie, als onderdeel van haar in lid 1 bedoelde evaluatie, de vooruitgang op weg naar een collectief verbruik op het niveau van de Unie van hoogstens 1 273 Mtoe primaire energie en 956 Mtoe eindenergie in 2030, in overeenstemming met artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2012/27/EU.

De Commissie voert deze evaluatie stapsgewijs uit:

a)

zij gaat na of de mijlpaal op het niveau van de Unie van hoogstens 1 483 Mtoe primaire energie en hoogstens 1 086 Mtoe eindenergie in 2020 is bereikt;

b)

zij beoordeelt of de vooruitgang van de lidstaten erop wijst dat de Unie als geheel op schema ligt om het in de eerste alinea vermelde niveau van energieverbruik in 2030 te bereiken, rekening houdend met de evaluatie van de informatie die de lidstaten hebben verstrekt in hun geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat;

c)

zij maakt gebruik van de resultaten van modelberekeningen betreffende toekomstige ontwikkelingen op het gebied van energieverbruik op het niveau van de Unie en de lidstaten, en van andere aanvullende analyses;

d)

in overeenstemming met artikel 6, lid 2, houdt zij terdege rekening met relevante omstandigheden die van invloed zijn op het primair en eindenergieverbruik, zoals opgegeven door de lidstaten in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.

4.   Op het gebied van de interne energiemarkt en als onderdeel van haar in lid 1 bedoelde evaluatie beoordeelt de Commissie de voortgang die is gemaakt in de richting van het niveau van elektriciteitsinterconnectie dat de lidstaat als streefdoel heeft vastgesteld voor 2030.

5.   Uiterlijk op 31 oktober 2021, en vervolgens om het jaar, beoordeelt de Commissie, met name op basis van de krachtens deze verordening verstrekte informatie, of de Unie en haar lidstaten voldoende vooruitgang hebben geboekt om te voldoen aan de volgende vereisten:

a)

de verbintenissen in het kader van artikel 4 van het UNFCCC en artikel 3 van de Overeenkomst van Parijs, zoals uiteengezet in besluiten die zijn vastgesteld door de Conferentie van de partijen bij het UNFCCC of door de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs;

b)

de verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 4 van Verordening (EU) 2018/842 en artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841;

c)

de doelstellingen die zijn vastgesteld in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-unie en voor de eerste termijn van tien jaar met het oog op het behalen van de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat.

6.   In haar evaluatie houdt de Commissie rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van het Europees Semester.

7.   De Commissie brengt verslag uit van haar evaluatie overeenkomstig dit artikel in het kader van het verslag over de stand van de energie-unie, zoals bedoeld in artikel 35.

Artikel 30

Inconsistenties met overkoepelende doelstellingen van de energie-unie en streefcijfers in het kader van Verordening (EU) 2018/842

1.   Op grond van de evaluatie uit hoofde van artikel 29 doet de Commissie aanbevelingen aan een lidstaat op grond van artikel 34 als de beleidsontwikkelingen in die lidstaat niet sporen met de overkoepelende doelstellingen van de energie-unie.

2.   Een lidstaat die voornemens is gebruik te maken van de flexibiliteit op grond van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/842 vermeldt in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn, de mate van het voorgenomen gebruik en de geplande beleidslijnen en maatregelen om te voldoen aan de vereisten uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 voor de periode van 2021 tot en met 2030.

Artikel 31

Reactie op onvoldoende ambitieuze geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen

1.   Indien de Commissie op basis van haar beoordeling van de ontwerpen van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen uit hoofde van artikel 9 of haar beoordeling van de ontwerpen van actualiseringen van de definitieve plannen uit hoofde van artikel 14, in het kader van het iteratieve proces, concludeert dat de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen van de lidstaten niet volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie en met name, voor de eerste periode van tien jaar, het bindende Uniestreefcijfer voor 2030 inzake hernieuwbare energie en het Uniestreefcijfer voor 2030 inzake energie-efficiëntie te halen, moet zij — wat het Uniestreefcijfer inzake hernieuwbare energie betreft — en kan zij — wat de andere doelstellingen van de energie-unie betreft — aan de lidstaten waarvan zij de bijdragen onvoldoende acht, aanbevelingen doen om hun ambitie te verhogen, teneinde een voldoende hoog niveau van collectieve ambitie te waarborgen.

2.   Als er op het gebied van hernieuwbare energie een kloof ontstaat tussen de collectieve bijdragen van de lidstaten en het streefcijfer van de Unie voor 2030, verricht de Commissie een beoordeling op basis van de formule zoals bepaald in bijlage II, die is gebaseerd op de in artikel 5, lid 1, eerste alinea, onder e), i) tot en met v), opgenomen objectieve criteria, en houdt zij hierbij terdege rekening met alle door de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 5, lid 1, tweede alinea, aangegeven relevante omstandigheden die van invloed zijn op de uitrol van hernieuwbare energie.

Als er op het gebied van energie-efficiëntie een kloof ontstaat tussen de som van de nationale bijdragen en het streefcijfer van de Unie voor 2030, verricht de Commissie in het bijzonder een beoordeling van de relevante in artikel 6, lid 2, opgenomen omstandigheden, de door de lidstaten in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen verstrekte informatie, de resultaten van modelberekeningen betreffende toekomstige ontwikkelingen op het gebied van energieverbruik en andere aanvullende analyses, naargelang van het geval.

Onverminderd de andere bepalingen van dit artikel, en enkel om na te gaan of er een kloof is tussen de gezamenlijke bijdragen van de lidstaten en het streefcijfer van de Unie voor 2030, gaat de Commissie in haar beoordeling uit van een nationale bijdrage van de lidstaten die hun ontwerp van geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan niet hebben ingediend zoals op grond van artikel 9, lid 1, vereist is.

Op het gebied van hernieuwbare energie, houdt de Commissie voor deze veronderstelling rekening met het bindend nationaal streefcijfer voor 2020 van de lidstaat, zoals bepaald in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2018/2001, de resultaten van modelberekeningen met betrekking tot de ontwikkeling van hernieuwbare energie en de resultaten van de in bijlage II bij deze verordening bepaalde formule. Op het gebied van energie-efficiëntie houdt zij rekening met modelberekeningen in verband met toekomstige ontwikkelingen op het gebied van energieverbruik en andere aanvullende analyses, naargelang van het geval.

Bij haar beoordeling van de bijdragen op het gebied van hernieuwbare energie, op basis van de in bijlage II bepaalde formule, houdt de Commissie rekening met eventuele negatieve gevolgen voor de energievoorzieningszekerheid en de netstabiliteit in kleine of geïsoleerde energiesystemen of in de systemen van de lidstaten ten aanzien waarvan er aanzienlijke implicaties kunnen zijn als gevolg van een gewijzigd synchroon gebied.

Bij haar beoordeling van de bijdragen op het gebied van energie-efficiëntie, houdt de Commissie rekening met de eventuele gevolgen voor de elektriciteitstransmissiesystemen en de netstabiliteit in lidstaten waar er aanzienlijke implicaties kunnen zijn als gevolg van een gewijzigd synchroon gebied.

3.   Indien de Commissie op basis van de evaluatie van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan overeenkomstig artikel 14 concludeert dat de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen of de actualiseringen daarvan niet volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, en in het bijzonder, voor de eerste periode van tien jaar, de 2030-streefcijfers van de Unie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, stelt zij op het niveau van de Unie maatregelen voor en oefent zij haar bevoegdheden op EU-niveau uit om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt. Wat hernieuwbare energie betreft, houden dergelijke maatregelen rekening met het ambitieniveau van de bijdragen tot het 2030-streefcijfer van de Unie die de lidstaten in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan hebben uiteengezet.

Artikel 32

Reactie op onvoldoende vooruitgang onvoldoende vooruitgang inzake de doelstellingen en streefcijfers van de Unie op het gebied van energie en klimaat

1.   Indien de Commissie op basis van haar evaluatie overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder b), concludeert dat een lidstaat onvoldoende vooruitgang boekt bij de verwezenlijking van zijn doelstellingen, streefcijfers en bijdragen, zijn referentiepunten voor hernieuwbare energie, of bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal klimaat- en energieplan, doet zij aanbevelingen aan de betrokken lidstaat op grond van artikel 34.

In haar aanbevelingen op het gebied van hernieuwbare energie houdt de Commissie rekening met de door de lidstaat aangegeven relevante omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 1, tweede alinea. De Commissie houdt ook rekening met projecten op het gebied van hernieuwbare energie ten aanzien waarvan een definitief investeringsbesluit is genomen, op voorwaarde dat die projecten operationeel worden in de periode 2021 tot en met 2030 en een aanzienlijke invloed hebben op de nationale bijdrage van de lidstaat.

In haar aanbevelingen op het gebied van energie-efficiëntie houdt de Commissie terdege rekening met de in artikel 6, lid 1, onder a) en b), opgenomen objectieve criteria en de door de lidstaat aangegeven relevante nationale omstandigheden in de zin van artikel 6, lid 2.

2.   Indien de Commissie, op basis van de globale evaluatie van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 29, lid 1, onder a), en ondersteund door andere informatiebronnen, concludeert dat de Unie het risico loopt de doelstellingen van de energie-unie niet te halen, en met name, voor de eerste periode van tien jaar, het streefcijfer van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030, kan zij aanbevelingen doen aan alle lidstaten overeenkomstig artikel 34 om een dergelijk risico te beperken.

Op het gebied van hernieuwbare energie beoordeelt de Commissie of de in lid 3 bedoelde nationale maatregelen volstaan om de streefcijfers van de Unie voor hernieuwbare energie te halen. Wanneer de nationale maatregelen ontoereikend zijn, stelt de Commissie in voorkomend geval maatregelen voor en maakt zij gebruik van haar bevoegdheden op het niveau van de Unie in aanvulling op de aanbevelingen om te garanderen dat met name het 2030-streefcijfer van de Unie voor hernieuwbare energie wordt bereikt.

Op het gebied van energie-efficiëntie stelt de Commissie in voorkomend geval maatregelen voor en maakt zij gebruik van haar bevoegdheden op het niveau van de Unie in aanvulling op de aanbevelingen om te garanderen dat met name het 2030-streefcijfer van de Unie voor energie-efficiëntie wordt bereikt.

Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen deze aanvullende maatregelen met name leiden tot de verbetering van de energie-efficiëntie van:

a)

producten, uit hoofde van Richtlijn 2009/125/EU van het Europees Parlement en de Raad (34) en Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad (35);

b)

gebouwen, uit hoofde van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU, en

c)

vervoer.

3.   Indien de Commissie op het gebied van hernieuwbare energie concludeert, op basis van haar beoordeling uit hoofde van artikel 29, leden 1 en 2, dat een of meer van de referentiepunten van het indicatieve Unietraject als bedoeld in artikel 29, lid 2, in 2022, 2025 of 2027 niet worden behaald, zorgen de lidstaten die een of meer van hun in artikel 4, onder a), punt 2, bedoelde nationale referentiepunten in 2022, 2025 of 2027 niet hebben behaald, ervoor dat aanvullende maatregelen worden genomen binnen het jaar na ontvangst van de beoordeling van de Commissie om het tekort ten opzichte van hun nationale referentiepunt te dichten, zoals

a)

nationale maatregelen om de inzet van hernieuwbare energie te vergroten;

b)

de aanpassing van het aandeel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling, bedoeld in artikel 23, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

c)

de aanpassing van het aandeel van hernieuwbare energie in de vervoerssector, bedoeld in artikel 25, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

d)

een vrijwillige financiële bijdrage tot het financieringsmechanisme voor hernieuwbare energie, op het niveau van de Unie, dat bijdraagt tot projecten voor hernieuwbare energie onder direct of indirect beheer van de Commissie, als bedoeld in artikel 33;

e)

gebruik van samenwerkingsmechanismen zoals vastgesteld in Richtlijn (EU) 2018/2001.

Bij dergelijke maatregelen wordt rekening gehouden met de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde overwegingen van de Commissie. De betrokken lidstaten nemen deze maatregelen op in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag.

4.   Vanaf 1 januari 2021 ligt het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in elke lidstaat niet lager dan een referentieaandeel dat overeenstemt met zijn verplichte nationale totale streefcijfer voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 als vermeld in artikel 3, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Indien een lidstaat zijn referentieaandeel als gemeten over een periode van één jaar niet handhaaft, neemt de betrokken lidstaat binnen één jaar extra maatregelen in de zin van lid 3, eerste alinea, onder a) tot en met e), van dit artikel, die volstaan om het tekort binnen één jaar te verhelpen.

De lidstaten die de verplichting nakomen om het tekort ten opzichte van het referentieaandeel goed te maken, worden gedurende de hele periode waarin het tekort zich voordeed, geacht te voldoen aan de verplichtingen die zijn beschreven in de eerste alinea van dit lid en in artikel 3, lid 4 van Richtlijn (EU) 2018/2001.

Voor de toepassing van lid 3, eerste alinea, onder d), van dit artikel kunnen de lidstaten gebruikmaken van hun inkomsten uit jaarlijkse emissierechten op grond van Richtlijn 2003/87/EG.

5.   Indien het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van een lidstaat lager is dan een of meer van zijn nationale referentiepunten in 2022, 2025 of 2027, als bedoeld in artikel 4, onder a), punt 2, licht de lidstaat in zijn volgende geïntegreerde verslag dat hij overeenkomstig artikel 17 bij de Commissie indient, toe hoe hij het tekort ten opzichte van zijn nationale referentiepunten zal dichten.

6.   Indien de Commissie op basis van haar uiterlijk in 2022, 2025 en 2027 uitgevoerde evaluatie krachtens artikel 29, leden 1 en 3, onverminderd andere maatregelen op het niveau van de Unie uit hoofde van de derde alinea van lid 2 van dit artikel, concludeert dat de geboekte vooruitgang niet volstaat om de in de eerste alinea van artikel 29, lid 3, vermelde collectieve streefcijfers van de Unie inzake energie-efficiëntie te halen, stelt zij maatregelen voor en maakt zij gebruik van haar bevoegdheden op het niveau van de Unie, ter aanvulling van die welke zijn vastgesteld in Richtlijn 2010/31/EU en Richtlijn 2012/27/EU, om te garanderen dat de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie voor 2030 worden gehaald.

7.   Elke betrokken lidstaat als bedoeld in lid 3 van dit artikel beschrijft in het kader van zijn volgende voortgangsverslag als bedoeld in artikel 17 tot in de details de aanvullende uitgevoerde, vastgestelde en geplande maatregelen.

8.   Indien de Commissie, op het gebied van interconnectie, in het jaar 2025 op basis van haar beoordeling uit hoofde van artikel 29, leden 1 en 4, concludeert dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt, werkt zij met de betrokken lidstaten samen om de vastgestelde toestand uiterlijk in het jaar 2026 te verhelpen.

Artikel 33

Financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie

1.   De Commissie zet uiterlijk op 1 januari 2021 het in artikel 32, lid 3, onder d), bedoelde financieringsmechanisme van de Unie voor hernieuwbare energie op om steun te bieden voor nieuwe projecten voor hernieuwbare energie in de Unie met als doel een tekort ten opzichte van het indicatieve Unietraject te dichten. De steun kan onder meer worden verleend in de vorm van een premie die in aanvulling op de marktprijzen wordt betaald en wordt toegewezen aan projecten die meedingen naar de laagste kosten of premie.

2.   Onverminderd lid 1 van dit artikel draagt het financieringsmechanisme bij aan het stimulerend kader overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001 met het oog op de ondersteuning van de inzet van hernieuwbare energie in de Unie ongeacht tekorten ten opzichte van het indicatieve Unietraject. Daartoe:

a)

kunnen de in artikel 32 bedoelde betalingen van lidstaten aangevuld worden met andere bronnen, zoals Uniemiddelen, bijdragen van de privésector of aanvullende betalingen van lidstaten om bij te dragen aan het behalen van de Uniestreefcijfers;

b)

kan het financieringsmechanisme, onder andere, bijstand verlenen in de vorm van leningen met een lage rentevoet, subsidies of een mengvorm van beide, en kan het steun bieden aan, onder andere, gezamenlijke projecten tussen lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de deelname van lidstaten aan gezamenlijke projecten met derde landen als bedoeld in artikel 11 van die richtlijn.

3.   De lidstaten behouden het recht te beslissen of en, zo ja, onder welke voorwaarden zij op hun grondgebied gevestigde installaties toestaan steun uit het financieringsmechanisme te ontvangen.

4.   De Commissie kan, met assistentie van het in artikel 44, lid 1, onder b), bedoelde Comité voor de energie-unie, uitvoeringshandelingen vaststellen met de noodzakelijke bepalingen voor het tot stand brengen en functioneren van het financieringsmechanisme, met name:

a)

de methode voor het berekenen van het maximumbedrag van de premie voor elke aanbesteding;

b)

de toe te passen vorm van de aanbesteding, waaronder de leveringsvoorwaarden en bijbehorende sancties;

c)

de methode voor het berekenen van de bijdragen van de lidstaten en de resulterende statistische voordelen voor de bijdragende lidstaten;

d)

de minimumvereisten voor de deelname van lidstaten, gezien de noodzaak zowel te zorgen voor de continuïteit van het mechanisme door een voldoende lange looptijd van de bijdrage van de lidstaten, als te voorzien in zo veel mogelijk flexibiliteit voor de deelname van lidstaten.

e)

de bepalingen die de deelneming en/of de goedkeuring van de gastheerstaten waarborgen en, indien nodig, de bepalingen betreffende de aanvullende lasten voor systeemkosten.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Elk jaar wordt de hernieuwbare energie die wordt opgewekt door via het financieringsmechanisme gefinancierde installaties statistisch toegeschreven aan de deelnemende lidstaten, in overeenstemming met hun bijdrage. De door het financieringsmechanisme ondersteunde projecten die met andere bronnen dan de bijdragen van de lidstaten worden gefinancierd, tellen niet mee voor de nationale bijdragen van de lidstaten, maar wel voor het bindende Uniestreefcijfer overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001.

Artikel 34

Aanbevelingen van de Commissie aan de lidstaten

1.   Indien nodig doet de Commissie aanbevelingen aan de lidstaten om te garanderen dat de doelstellingen van de energie-unie worden gehaald. De Commissie maakt dergelijke aanbevelingen onverwijld openbaar.

2.   Wanneer in deze verordening verwezen wordt naar dit artikel zijn de volgende beginselen van toepassing:

a)

de betrokken lidstaat houdt terdege rekening met de aanbeveling in een geest van solidariteit tussen de lidstaten en de Unie en tussen de lidstaten onderling;

b)

in zijn geïntegreerde nationale voortgangsverslag inzake energie en klimaat dat is opgesteld in het jaar volgend op het jaar dat de aanbeveling werd gedaan, zet de lidstaat uiteen hoe hij terdege rekening heeft gehouden met de aanbeveling. Een lidstaat die besluit geen gevolg te geven aan een aanbeveling of een aanzienlijk deel daarvan, moet dit motiveren;

c)

de aanbevelingen moeten complementair zijn met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van het Europees Semester.

Artikel 35

Verslag over de stand van de energie-unie

1.   Uiterlijk op 31 oktober van elk jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de stand van de energie-unie.

2.   Dit verslag over de stand van de energie-unie omvat de volgende elementen:

a)

de overeenkomstig artikel 29 uitgevoerde evaluatie;

b)

in voorkomend geval, aanbevelingen overeenkomstig artikel 34;

c)

het verslag over de werking van de koolstofmarkt als bedoeld in artikel 10, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG, met inbegrip van informatie over de toepassing van die Richtlijn overeenkomstig artikel 21, lid 2, ervan;

d)

tweejaarlijks, vanaf 2023, een verslag over de duurzaamheid van bio-energie in de Unie, met de informatie bedoeld in bijlage X;

e)

tweejaarlijks, een verslag over vrijwillige regelingen waarvoor de Commissie een besluit heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, met de informatie bedoeld in bijlage XI bij deze verordening;

f)

een algemeen voortgangsverslag betreffende de toepassing van Richtlijn 2009/72/EG;

g)

een algemeen voortgangsverslag betreffende de toepassing van Richtlijn 2009/73/EG, overeenkomstig artikel 52 van die richtlijn;

h)

een algemeen voortgangsverslag over de verplichtingsregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen voor energie-efficiëntie, als bedoeld in de artikelen 7 bis en 7 ter van Richtlijn 2012/27/EU;

i)

tweejaarlijks, een algemeen voortgangsverslag over de renovatie van het nationale bestand van woningen en niet voor bewoning bestemde gebouwen, zowel publieke als particuliere, in lijn met de stappenplannen voor de langetermijnrenovatiestrategieën die elke lidstaat overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU moet opstellen;

j)

vierjaarlijks, een algemeen voortgangsverslag over de toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen in de lidstaten, overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Richtlijn 2010/31/EU;

k)

een algemeen voortgangsverslag over de vooruitgang die de lidstaten hebben geboekt bij de totstandbrenging van een volledige en operationele energiemarkt;

l)

de effectieve brandstofkwaliteit in de verschillende lidstaten en de geografische spreiding van brandstoffen met een maximumzwavelgehalte van 10 mg/kg, teneinde een overzicht te geven van de gegevens inzake brandstofkwaliteit in de verschillende lidstaten, zoals gerapporteerd krachtens Richtlijn 98/70/EG;

m)

een voortgangsverslag over het concurrentievermogen;

n)

de vooruitgang van de lidstaten met betrekking tot de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen;

o)

andere kwesties die van belang zijn voor de uitvoering van de energie-unie, met inbegrip van openbare en particuliere steun;

p)

uiterlijk op 31 oktober 2019, en vervolgens om de vier jaar een beoordeling van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/31/EG.

Artikel 36

Monitoring van het governancemechanisme

In het kader van de in artikel 35 bedoelde stand van de energie-unie, informeert de Commissie het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. Het Europees Parlement en de Raad gaan jaarlijks na welke vooruitgang er door de energie-unie is geboekt in verband met alle aspecten van het energie- en klimaatbeleid.

HOOFDSTUK 6

Systemen van de Unie en de lidstaten inzake broeikasgasemissies en verwijderingen per put

Artikel 37

Inventarisatiesystemen van de Unie en de lidstaten

1.   Uiterlijk op 1 januari 2021 zorgen de lidstaten voor de vaststelling, werking en permanente verbetering van nationale inventarisatiesystemen om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in deel 2 van bijlage V en om de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen te garanderen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten toegang hebben tot de informatie in bijlage XII bij deze verordening, gebruikmaken van rapporteringssystemen die zijn opgezet overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 517/2014 ter verbetering van de raming van fluorgassen in de nationale broeikasgasinventarissen, en in staat zijn de jaarlijkse overeenstemmingscontroles uit te voeren zoals bedoeld onder i) en j), van deel 1 van bijlage V bij deze verordening.

3.   Er wordt een inventarisatiesysteem van de Unie opgezet om te zorgen voor de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van nationale inventarissen met betrekking tot de broeikasgasinventaris van de Unie. De Commissie is belast met het beheer, het onderhoud en de voortdurende verbetering van dat systeem, wat onder meer inhoudt dat zij een kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprogramma vaststelt, kwaliteitsdoelstellingen en een kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleplan voor de inventarisatie opstelt, procedures ontwikkelt voor het vervolledigen van emissieramingen teneinde de inventaris van de Unie uit hoofde van lid 5 van dit artikel op te maken, en de in artikel 38 bedoelde evaluaties uitvoert.

4.   De Commissie voert een initiële controle uit van de nauwkeurigheid van de voorlopige gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris, die de lidstaten krachtens artikel 26, lid 3, moeten indienen. Zij zendt de resultaten van deze controle binnen zes weken na de termijn voor indiening van de gegevens naar de lidstaten. De lidstaten geven uiterlijk op 15 maart antwoord op eventuele naar aanleiding van de initiële controle gestelde vragen ter zake, samen met de indiening van de definitieve inventaris voor het jaar X–2.

5.   Indien een lidstaat verzuimt uiterlijk op 15 maart de inventarisgegevens die vereist zijn voor het opmaken van de inventaris van de Unie in te dienen, kan de Commissie ramingen uitvoeren om de door de lidstaat ingediende gegevens te vervolledigen, in overleg en nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat. De Commissie maakt hiervoor gebruik van de richtsnoeren voor het opstellen van de nationale broeikasgasinventarissen.

6.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast met regels betreffende de structuur, het formaat en de indieningsprocedure van de informatie betreffende nationale inventarisatiesystemen en eisen betreffende de opzet, het gebruik en de werking van inventarisatiesystemen van de lidstaten.

Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke uitvoeringshandelingen doet, houdt zij rekening met de desbetreffende besluiten die zijn aangenomen door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

7.   De Commissie stelt in aanvulling op deze verordening overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast met regels inzake de eisen betreffende de opzet, het gebruik en de werking van het inventarisatiesysteem van de Unie. Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke gedelegeerde handelingen doet, houdt zij rekening met de desbetreffende besluiten die zijn aangenomen door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs.

Artikel 38

Evaluatie van de inventaris

1.   In 2027 en 2032 voert de Commissie een algehele evaluatie uit van de nationale inventarisgegevens die overeenkomstig artikel 26, lid 4, van deze verordening door de lidstaten zijn ingediend, met het oog op het bewaken van de vermindering of beperking van broeikasgassen op grond van de artikelen 4, 9 en 10, van Verordening (EU) 2018/842 en de vermindering van emissies en toename van verwijderingen per put ingevolge de artikelen 4 en 14 van Verordening (EU) 2018/841 en alle andere streefcijfers voor de vermindering of beperking van broeikasgassen die in het Unierecht zijn vastgesteld. De lidstaten nemen ten volle deel aan dit proces.

2.   De in lid 1 bedoelde algehele evaluatie omvat:

a)

controles om de transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van de ingediende informatie na te gaan;

b)

controles om de gevallen te identificeren waarin de inventarisgegevens zijn opgesteld op een wijze die niet strookt met de richtsnoeren van het UNFCCC of de voorschriften van de Unie;

c)

controles om de gevallen te identificeren waarin de LULUCF-boekhouding is uitgevoerd op een wijze die niet strookt met de richtsnoeren van het UNFCCC of de voorschriften van de Unie, en

d)

indien van toepassing, de berekening van de daaruit voortvloeiende noodzakelijke technische correcties, in overleg met de lidstaten.

3.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast om het tijdschema en de procedure voor het uitvoeren van de algehele evaluatie te bepalen, met inbegrip van de in punt 2 van dit artikel uiteengezette taken, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de lidstaten worden geraadpleegd betreffende de conclusies van de evaluaties.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Na voltooiing van de evaluatie stelt de Commissie aan de hand van een uitvoeringshandeling voor de desbetreffende jaren de totale som vast van de emissies die voortvloeien uit de gecorrigeerde inventarisgegevens voor elke lidstaat, opgesplitst tussen emissiegegevens die relevant zijn voor artikel 9 van Verordening (EU) 2018/842 en de emissiegegevens bedoeld in deel 1, onder c), van bijlage V bij deze verordening, en bepaalt zij de totale som van de emissies en verwijderingen die relevant zijn voor artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841.

5.   De gegevens die vier maanden na de datum van publicatie van een uitvoeringshandeling overeenkomstig lid 4 van dit artikel voor elke lidstaat zijn ingeschreven in de registers die zijn opgezet krachtens artikel 15 van Verordening (EU) 2018/841 worden gebruikt om de naleving van artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 te controleren, met inbegrip van wijzigingen van die gegevens die voortvloeien uit het feit dat de lidstaat in kwestie gebruik maakt van de bij artikel 11 van Verordening (EU) 2018/841 geboden flexibiliteit.

6.   De gegevens die twee maanden na de in punt 5 van dit artikel bedoelde controle van de naleving van Verordening (EU) 2018/841 voor elke lidstaat zijn ingeschreven in de registers die zijn opgezet krachtens artikel 12 van Verordening (EU) 2018/842, worden gebruikt voor de nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2018/842 voor de jaren 2021 en 2026. De nalevingscontrole overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2018/842 voor elk van de jaren 2022 tot en met 2025 en 2027 tot en met 2030 wordt één maand na de datum van de nalevingscontrole voor het voorgaande jaar verricht. Deze controle heeft ook betrekking op wijzigingen van die gegevens die voortvloeien uit het feit dat de betrokken lidstaat gebruikmaakt van de flexibiliteit waarin voorzien wordt bij de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening (EU) 2018/842.

Artikel 39

Systemen van de Unie en de lidstaten voor beleidslijnen en maatregelen en prognoses

1.   Uiterlijk op 1 januari 2021 beheren de lidstaten en de Commissie respectievelijk nationale en Uniesystemen voor de rapportering van beleidsinitiatieven en maatregelen en voor de rapportering van prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, en zorgen zij voor de voortdurende verbetering van deze systemen. Deze systemen omvatten de toepasselijke institutionele, juridische en procedurele regelingen die binnen een lidstaat en de Unie zijn vastgesteld om het beleid te evalueren en prognoses op te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen.

2.   De lidstaten en de Commissie streven ernaar de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid te waarborgen van de informatie die is gerapporteerd over hun beleidslijnen en maatregelen en de prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, als bedoeld in artikel 18, met name het gebruik en de toepassing van gegevens, methoden en modellen, en de uitvoering van activiteiten op het gebied van kwaliteitsborging en kwaliteitscontrole en gevoeligheidsanalyse.

3.   De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast waarin de structuur, het formaat en het indieningsproces zijn vastgesteld voor informatie over de systemen van de lidstaten en de Unie voor beleidslijnen en maatregelen en prognoses, als bedoeld in punten 1 en 2 van dit artikel en artikel 18.

Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke uitvoeringshandelingen doet, houdt zij rekening met de relevante besluiten die zijn vastgesteld door de organen van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs, met inbegrip van internationaal overeengekomen rapporteringseisen en tijdschema's voor de monitoring en rapportering van die informatie.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 40

Opzet en werking van registers

1.   De Unie en de lidstaten zorgen voor het opzetten en bijhouden van registers om de nationaal bepaalde bijdragen overeenkomstig artikel 4, lid 13, van de Overeenkomst van Parijs en internationaal overgedragen beperkingsresultaten overeenkomstig artikel 6 van die overeenkomst nauwkeurig in rekening te brengen.

2.   De Unie en haar lidstaten mogen hun registers samen met een of meer andere lidstaten in een geconsolideerd systeem bijhouden.

3.   De gegevens in de in lid 1 van dit artikel genoemde registers worden meegedeeld aan de krachtens artikel 20 van Richtlijn 2003/87/EG aangewezen centrale administrateur.

4.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door de in punt 1 van dit artikel bedoelde registers op te zetten, en om de relevante besluiten van de organen van het UNFCCC of de Overeenkomst van Parijs technisch ten uitvoer te leggen aan de hand van de registers van de Unie en de lidstaten, in overeenstemming met lid 1 van dit artikel.

HOOFDSTUK 7

Samenwerking en steun

Artikel 41

Samenwerking tussen de lidstaten en de Unie

1.   De lidstaten moeten volledig samenwerken en onderling en met de Unie overleg plegen over hun werkzaamheden die verband houden met de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, met name:

a)

het proces voor het opstellen, vaststellen, aanmelden en beoordelen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen op grond van de artikelen 9 tot en met 13;

b)

het proces voor het opstellen, vaststellen, aanmelden en beoordelen van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat op grond van artikel 17 en voor de jaarlijkse rapportering op grond van artikel 26;

c)

het proces met betrekking tot de aanbevelingen van de Commissie en de opvolging van die aanbevelingen overeenkomstig artikel 9, leden 2 en 3, artikel 17, lid 6, artikel 30, lid 1, artikel 31, lid 1, en artikel 32, leden 1 en 2;

d)

het opmaken van de broeikasgasinventaris van de Unie en het opstellen van het broeikasgasinventarisatierapport van de Unie, overeenkomstig artikel 26, lid 4;

e)

het opstellen van de nationale mededeling van de Unie overeenkomstig artikel 12 van het UNFCCC en het tweejaarlijkse rapport van de Unie overeenkomstig Besluit 2/CP.17 van de instanties van het UNFCCC of latere door die instanties vastgestelde relevante besluiten;

f)

de beoordelings- en nalevingsprocedures in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs overeenkomstig elk toepasselijk besluit krachtens het UNFCCC en de procedure van de Unie ter beoordeling van de broeikasgasinventarissen van de lidstaten als vermeld in artikel 38;

g)

aanpassingen naar aanleiding van het in artikel 38 bedoelde evaluatieproces of andere wijzigingen in de inventarissen en inventarisrapporten die bij het secretariaat van het UNFCCC zijn ingediend of moeten worden ingediend;

h)

het opstellen van de geschatte broeikasgasinventaris van de Unie, overeenkomstig artikel 26, lid 2.

2.   De Commissie kan technische ondersteuning bieden aan de lidstaten in verband met de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, op verzoek van een lidstaat.

Artikel 42

De rol van het Europees Milieuagentschap

Overeenkomstig zijn jaarlijks werkprogramma staat het Europees Milieuagentschap de Commissie bij in haar werkzaamheden met betrekking tot de dimensies koolstofarm maken en energie-efficiëntie, teneinde te voldoen aan de artikelen 15 tot en met 21, 26, 28, 29, 35, 37, 38, 39 en 41. Dit omvat bijstand bij:

a)

het verzamelen van de door de lidstaten gerapporteerde informatie over beleidslijnen en maatregelen en prognoses;

b)

het uitvoeren van kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprocedures met betrekking tot de door de lidstaten gerapporteerde informatie over prognoses en beleidslijnen en maatregelen;

c)

het maken van ramingen of het aanvullen van ramingen waarover de Commissie beschikt, voor gegevens over prognoses die niet werden gerapporteerd door de lidstaten;

d)

het samenstellen van gegevens, indien beschikbaar uit Europese statistieken en passend qua timing, die vereist zijn voor het door de Commissie opgestelde verslag over de stand van de energie-unie aan het Europees Parlement en aan de Raad;

e)

het verspreiden van de op grond van deze verordening verzamelde informatie, met inbegrip van het onderhouden en bijwerken van een databank met de beleidslijnen en maatregelen van de lidstaten inzake mitigatie van de klimaatverandering en het Europees klimaataanpassingsplatform met betrekking tot effecten, kwetsbare punten en aanpassing aan de klimaatverandering;

f)

het uitvoeren van kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprocedures bij het opmaken van de broeikasgasinventaris van de Unie;

g)

het opmaken van de broeikasgasinventaris van de Unie en het opstellen van het broeikasgasinventarisatierapport van de Unie;

h)

het maken van ramingen voor gegevens die niet werden gerapporteerd in de nationale broeikasgasinventarissen;

i)

de uitvoering van de in artikel 38 bedoelde evaluatie;

j)

het opmaken van de geschatte broeikasgasinventaris van de Unie.

HOOFDSTUK 8

Slotbepalingen

Artikel 43

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 5, artikel 15, lid 5, artikel 26, lid 6, artikel 37, lid 7, en artikel 40, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 december 2018 [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 5, artikel 15, lid 5, artikel 26, lid 6, artikel 37, lid 7, en artikel 40, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 5, artikel 15, lid 5, artikel 26, lid 6, artikel 37, lid 7, en artikel 40, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 44

Comités

1.   De Commissie wordt bijgestaan door:

a)

een Comité klimaatverandering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 19, lid 5, artikel 26, lid 7, artikel 37, lid 6, artikel 38, lid 3, en artikel 39, lid 3, en

b)

een Comité van de energie-unie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 17, lid 4, en artikel 33, lid 4.

2.   Deze comités zijn comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

3.   Het Comité klimaatverandering als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel vervangt het comité dat is ingesteld bij artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525/2013.

4.   Wanneer een van de comités als bedoeld in lid 1 horizontale vraagstukken en gemeenschappelijke acties in overweging neemt, stelt het het andere in lid 1 bedoelde comité daar overeenkomstig van in kennis, om een samenhangend beleid te waarborgen en de synergieën tussen de sectoren te maximaliseren.

5.   Elke lidstaat wijst zijn vertegenwoordiger(s) voor het Comité klimaatverandering en het Comité van de energie-unie aan. De vertegenwoordigers van elk comité worden uitgenodigd voor de vergaderingen van het andere comité.

6.   Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 45

Evaluatie

Binnen zes maanden na elke algemene inventarisatie in het kader van artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, de bijdrage ervan tot de governance van de energie-unie, de bijdrage ervan aan de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de voortgang op weg naar het verwezenlijken van de klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en aanvullende doelstellingen van de energie-unie en de overeenstemming van de in deze verordening vervatte plannings-, rapporterings- en monitoringbepalingen met andere wetgeving van de Unie of toekomstige besluiten met betrekking tot het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs. De verslagen van de Commissie kunnen, indien nodig, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 46

Wijzigingen van Richtlijn 94/22/EG

Richtlijn 94/22/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 8, lid 2, wordt geschrapt.

2)

Artikel 9 wordt geschrapt.

Artikel 47

Wijzigingen van Richtlijn 98/70/EG

Richtlijn 98/70/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 7 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1, derde alinea, wordt punt a) vervangen door:

„a)

het totale volume van iedere soort geleverde brandstof of energie, en”;

b)

in lid 2 wordt de aanhef vervangen door:

„2.   De lidstaten verlangen van de leveranciers dat zij tegen 31 december 2020 zo geleidelijk mogelijk de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof of energie met 10 % verminderen ten opzichte van de in bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad vastgestelde uitgangswaarde voor brandstoffen. Deze vermindering behelst:”.

2)

Artikel 8, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De Commissie draagt er zorg voor dat de ingevolge lid 3 te verstrekken informatie terstond en met de daarvoor geëigende middelen beschikbaar wordt gesteld.”.

Artikel 48

Wijzigingen van Richtlijn 2009/31/EG

Richtlijn 2009/31/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 27, lid 1, wordt vervangen door:

„Elke vier jaar brengen de lidstaten bij de Commissie verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn, onder meer over het in artikel 25, lid 1, onder b), bedoelde register. Het eerste verslag wordt de Commissie uiterlijk op 30 juni 2011 toegezonden. Het verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst die of een schema dat door de Commissie in de vorm van uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Ten minste zes maanden vóór de einddatum voor indiening van het verslag wordt de vragenlijst of het schema aan de lidstaten toegezonden.”.

2)

Artikel 38, lid 1, wordt geschrapt.

Artikel 49

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 663/2009

Verordening (EG) nr. 663/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 27 worden de leden 1 en 3 geschrapt.

2)

Artikel 28 wordt geschrapt.

Artikel 50

Wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2009

Artikel 29 van Verordening (EG) nr. 715/2009 wordt geschrapt.

Artikel 51

Wijzigingen van Richtlijn 2009/73/EG

Richtlijn 2009/73/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5 wordt geschrapt.

2)

Artikel 52 wordt vervangen door:

„Artikel 52

Rapportering

De Commissie monitort en evalueert de toepassing van deze richtlijn en dient een algemeen voortgangsverslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad, als bijlage bij het in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*1) bedoelde verslag over de stand van de energie-unie.

(*1)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).”."

Artikel 52

Wijziging van Richtlijn 2009/119/EG van de Raad

In artikel 6 van Richtlijn 2009/119/EG wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Elke lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar een samenvatting van het in lid 1 bedoelde register, waarin ten minste de veiligheidsvoorraden zijn aangegeven die in die lidstaat op de laatste dag van het vorige kalenderjaar aanwezig waren, met inbegrip van de hoeveelheden en de aard ervan.”.

Artikel 53

Wijzigingen van Richtlijn 2010/31/EU

Richtlijn 2010/31/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de aanhef vervangen door:

„1.   Elke lidstaat stelt een langetermijnrenovatiestrategie vast om ertoe bij te dragen dat vóór het einde van 2050 het nationale bestand van zowel openbare als particuliere al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen tot een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand is gerenoveerd en de kosteneffectieve transformatie van bestaande gebouwen in bijna-energieneutrale gebouwen wordt bevorderd. Elke langetermijnrenovatiestrategie omvat:”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„8.   De langetermijnrenovatiestrategie van elke lidstaat wordt bij de Commissie ingediend als onderdeel van de definitieve versie van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*2). In afwijking van artikel 3, lid 1, van die verordening wordt de eerste langetermijnrenovatiestrategie krachtens lid 1 van dit artikel uiterlijk op 10 maart 2020 bij de Commissie ingediend.

(*2)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).”."

2)

In artikel 5, lid 2, tweede alinea, wordt de zin „Dit verslag mag worden opgenomen in de in artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2006/32/EG bedoelde actieplannen voor energie-efficiëntie” geschrapt.

3)

Artikel 9, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De Commissie brengt om de vier jaar verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van de lidstaten bij het bevorderen van de toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen, als onderdeel van haar in artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1999 vermelde verslag over de stand van de energie-unie. Op basis van dat verslag werkt zij, indien nodig, een actieplan uit en stelt aanbevelingen en maatregelen voor overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1999 om het aantal van dergelijke gebouwen te doen toenemen en moedigt zij beste praktijken aan voor de kosteneffectieve transformatie van bestaande gebouwen tot bijna-energieneutrale gebouwen.”.

4)

In artikel 10 worden de leden 2 en 3 geschrapt.

5)

In artikel 14, lid 3, wordt de derde alinea vervangen door:

„Dit verslag wordt bij de Commissie ingediend als onderdeel van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999.”.

6)

In artikel 15, lid 3, wordt de derde alinea vervangen door:

„Dit verslag wordt bij de Commissie ingediend als onderdeel van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999.”.

Artikel 54

Wijzigingen van Richtlijn 2012/27/EU

Richtlijn 2012/27/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt geschrapt.

2)

In artikel 18, lid 1, wordt punt e) geschrapt.

3)

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 3, 4 en 11 worden geschrapt;

b)

lid 2 wordt geschrapt.

4)

Bijlage XIV wordt geschrapt.

Artikel 55

Wijziging van Richtlijn 2013/30/EU

In artikel 25 van Richtlijn 2013/30/EU wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Als onderdeel van de jaarlijkse rapportering, als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*3), rapporteren de lidstaten jaarlijks de in bijlage IX, punt 3, vermelde informatie aan de Commissie.

Artikel 56

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2015/652

Richtlijn (EU) 2015/652 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Uiterlijk op 31 december van elk jaar verschaffen de lidstaten de Commissie gegevens betreffende het voorgaande kalenderjaar over de inachtneming van artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG, zoals vastgesteld in bijlage III bij deze richtlijn.”.

2)

In bijlage I, deel 2, worden de punten 1, onder h), 2, 3, 4 en 7 geschrapt.

3)

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 wordt vervangen door:

„1.

De lidstaten rapporteren de in punt 3 vermelde gegevens. Die gegevens moeten voor alle in elke lidstaat in de handel gebrachte brandstoffen en energie worden gerapporteerd. Wanneer verschillende biobrandstoffen bij de fossiele brandstoffen worden gemengd, moeten de gegevens voor elke biobrandstof worden opgegeven.”;

b)

in punt 3 worden de punten e) en f) geschrapt.

4)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende modellen voor de rapportering van informatie ten behoeve van de samenhang van de gerapporteerde gegevens worden geschrapt:

Oorsprong — Enkele leveranciers

Oorsprong — Gemeenschappelijke leveranciers

Plaats van aankoop

b)

in de opmerkingen bij het model worden de punten 8 en 9 geschrapt.

Artikel 57

Intrekking

Verordening (EU) nr. 525/2013 wordt, met inachtneming van de in artikel 58 van deze verordening vastgestelde overgangsbepalingen, ingetrokken met ingang van 1 januari 2021, met uitzondering van artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 525/2013, dat met ingang van 24 december2018 [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] wordt ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XIII.

Artikel 58

Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 57 van deze verordening, blijven artikel 7 en artikel 17, lid 1, onder a) en d), van Verordening (EU) nr. 525/2013 van toepassing op de verslagen met de gegevens die op grond van die artikelen vereist zijn voor de jaren 2018, 2019 en 2020.

Artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing wat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto betreft.

Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de evaluaties van de broeikasgasinventarisatiegegevens voor de jaren 2018, 2019 en 2020.

Artikel 22 van Verordening (EU) nr. 525/2013 blijft van toepassing op de indiening van het verslag dat uit hoofde van dat artikel is vereist.

Om redenen van samenhang en rechtszekerheid mag niets in deze verordening de toepassing van de afwijkingen uit hoofde van de relevante sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van elektriciteit en elektriciteitsrisicoparaatheid beletten.

Artikel 59

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 40, artikel 53, punten 2, 3 en 4, artikel 54, punt 3, onder a), en punt 4, en artikel 55 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 december 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

J. BOGNER-STRAUSS


(1)  PB C 246 van 28.7.2017, blz. 34.

(2)  PB C 342 van 12.10.2017, blz. 111.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 december 2018.

(4)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(5)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(6)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(7)  Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (PB L 130 van 15.5.2002, blz. 1).

(8)  Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(10)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(11)  Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

(12)  Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

(14)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

(15)  Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

(16)  Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).

(17)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

(19)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (zie bladzijde 82 van dit Publicatieblad).

(20)  Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).

(21)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(22)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(23)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(24)  Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruikmaken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3).

(25)  Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).

(26)  Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114).

(27)  Verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 31).

(28)  Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).

(29)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).

(30)  Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (PB L 265 van 9.10.2009, blz. 9).

(31)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(32)  Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

(33)  Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad van 20 april 2015 tot vaststelling van berekeningsmethoden en rapportageverplichtingen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof (PB L 107 van 25.4.2015, blz. 26).

(34)  Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(35)  Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).


BIJLAGE I

ALGEMEEN KADER VOOR DE GEÏNTEGREERDE NATIONALE ENERGIE- EN KLIMAATPLANNEN

Deel 1

Algemeen kader

AFDELING A: NATIONAAL PLAN

1.   OVERZICHT EN PROCEDURE VOOR DE VASTSTELLING VAN HET PLAN

1.1.   Samenvatting

i.

Politieke, economische, ecologische en maatschappelijke context van het plan

ii.

Strategie met betrekking tot de vijf dimensies van de energie-unie

iii.

Overzichtstabel met de belangrijkste doelstellingen, beleidslijnen en maatregelen van het plan

1.2.   Overzicht van de huidige beleidscontext

i.

Energiesysteem op nationaal en Unieniveau en beleidscontext van het nationaal plan

ii.

Beschrijving van de huidige beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat, met betrekking tot de vijf dimensies van de energie-unie

iii.

De belangrijkste aspecten van grensoverschrijdend belang

iv.

Administratieve structuur van het nationale energie- en klimaatbeleid

1.3.   Raadpleging en betrokkenheid van de nationale en Unie-instanties en het resultaat daarvan

i.

Betrokkenheid van het nationaal parlement

ii.

Betrokkenheid van de lokale en regionale overheden

iii.

Raadpleging van belanghebbenden, waaronder de sociale partners, en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en het grote publiek

iv.

Raadpleging van andere lidstaten

v.

Iteratief proces met de Europese Commissie

1.4.   Regionale samenwerking bij de opstelling van het plan

i.

Elementen die het voorwerp uitmaken van een samen met andere lidstaten doorlopen of gecoördineerd planningsproces

ii.

Toelichting van de wijze waarop de resultaten van die regionale samenwerking zijn meegenomen in het plan

2.   NATIONALE DOELSTELLINGEN EN STREEFCIJFERS

2.1.   Dimensie decarbonisatie

2.1.1.   Broeikasgasemissies en -verwijderingen (1)

i.

De elementen bedoeld in artikel 4, onder a), punt 1

ii.

Indien van toepassing, andere nationale doelstellingen en streefcijfers die samenhangend zijn met de Overeenkomst van Parijs en de bestaande langetermijnstrategieën. Indien van toepassing voor de bijdrage aan de algemene verplichting van de Unie inzake broeikasgasemissiereductie, andere doelstellingen en streefcijfers, m.i.v. sectorale doelstellingen en adaptatiedoelstellingen, indien beschikbaar

2.1.2.   Hernieuwbare energie

i.

De elementen bedoeld in artikel 4, onder a), punt 2

ii.

Geraamde trajecten voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer

iii.

Geraamde trajecten voor elke hernieuwbare-energietechnologie die de lidstaten willen gebruiken om de algemene en de sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te halen, m.i.v. het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie in Mtoe per technologie en per sector en de totale geïnstalleerde capaciteit (gedeeld door de nieuwe capaciteit en capaciteitsverhoging) per technologie en sector in MW

iv.

Geraamde trajecten voor de vraag naar bio-energie, uitgesplitst tussen verwarming, elektriciteit en vervoer, en voor het aanbod van biomassa, uitgesplitst op basis van grondstof en oorsprong (binnenlandse productie vs. invoer). Voor bosbiomassa, een beoordeling van de bron ervan en de impact op de LULUCF-emissieput

v.

Indien van toepassing, andere nationale trajecten en doelstellingen, ook op lange termijn of per sector (b.v. het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming, het gebruik van hernieuwbare energie in gebouwen, hernieuwbare energie die is geproduceerd door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, en energie opgewekt uit slib dat bij afvalwaterzuivering wordt gewonnen)

2.2.   Dimensie energie-efficiëntie

i.

De elementen bedoeld in artikel 4, onder b)

ii.

De indicatieve mijlpalen voor 2030, 2040 en 2050, de nationaal vastgestelde meetbare vooruitgangsindicatoren, een op feitelijke gegevens gebaseerde raming van de verwachte energiebesparing en van de voordelen in ruimere zin, en hun bijdragen tot de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie zoals vermeld in de stappenplannen voor de langetermijnrenovatiestrategieën van het nationale bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen, zowel openbare als particuliere, overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU

iii.

Indien van toepassing, andere nationale doelstellingen, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers of -strategieën en sectorale streefcijfers, en nationale doelstellingen op gebieden zoals energie-efficiëntie in de vervoerssector en op het gebied van verwarming en koeling

2.3.   Dimensie energiezekerheid

i.

De elementen bedoeld in artikel 4, onder c)

ii.

Nationale doelstellingen met betrekking tot het verhogen van: de diversificatie van energiebronnen en van leveranciers uit derde landen met het oog op het vergroten van de veerkracht van de regionale en nationale energiesystemen

iii.

Indien van toepassing, nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen met het oog op het vergroten van de weerbaarheid van de regionale en nationale energiesystemen

iv.

Nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, met name door de inzet van binnenlandse energiebronnen, vraagrespons en energieopslag

2.4.   Dimensie interne energiemarkt

2.4.1.   Elektriciteitsinterconnectie

i.

Het niveau van elektriciteitsinterconnectie dat de lidstaat in 2030 beoogt, met betrekking tot het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 % in 2030, middels een strategie waarbij het niveau vanaf 2021 wordt vastgesteld in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaten, rekening houdend met het interconnectiestreefcijfer van 10 % in 2020 en de onderstaande indicatoren voor de urgentie van de maatregelen:

1)

prijsverschillen op de wholesalemarkt die de indicatieve drempelwaarde van 2 EUR/MWh tussen lidstaten, regio's of biedzones overschrijden;

2)

een nominale transmissiecapaciteit van interconnectoren van minder dan 30 % van de piekbelasting;

3)

een nominale transmissiecapaciteit van interconnectoren van minder dan 30 % van de geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare energie.

Elke nieuwe interconnector wordt onderworpen aan een sociaaleconomische en ecologische kosten-batenanalyse en mag alleen worden geïmplementeerd indien de potentiële voordelen opwegen tegen de kosten.

2.4.2.   Infrastructuur voor energietransmissie

i.

De belangrijkste projecten voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur, en — wanneer relevant — projecten voor de modernisering daarvan, die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen en streefcijfers in de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie

ii.

Indien van toepassing, de belangrijkste infrastructuurprojecten, met uitzondering van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB's) (2)

2.4.3.   Marktintegratie

i.

Nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals het vergroten van de flexibiliteit van het systeem, met name met betrekking tot de bevordering van competitief bepaalde elektriciteitsprijzen in overeenstemming met de relevante sectorale wetgeving, marktintegratie en koppeling, gericht op de verhoging van de verhandelbare capaciteit van bestaande interconnectoren, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, gedistribueerde opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt

ii.

Indien van toepassing, nationale doelstellingen met betrekking tot de niet-discriminerende participatie van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt

iii.

Indien van toepassing, nationale doelstellingen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters

iv.

Nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem, alsook voor de flexibiliteit van het energiesysteem op het gebied van de productie van hernieuwbare energie, m.i.v. een tijdschema waarbinnen de doelstellingen moeten worden gehaald

v.

Indien van toepassing, nationale doelstellingen inzake consumentenbescherming en het concurrentievermogen van de kleinhandel in de energiesector

2.4.4.   Energiearmoede

Indien van toepassing, nationale doelstellingen met betrekking tot energiearmoede, met inbegrip van een tijdschema waarbinnen de doelstellingen moeten worden gehaald

2.5.   Dimensie onderzoek, innovatie en concurrentievermogen

i.

Nationale doelstellingen en streefcijfers voor de openbare en, indien beschikbaar, particuliere financiering van onderzoek en innovatie in verband met de energie-unie, waaronder, in voorkomend geval, een termijn waarbinnen de doelstellingen moeten worden verwezenlijkt

ii.

Indien beschikbaar, nationale doelstellingen met betrekking tot de bevordering van technologieën op het gebied van schone energie, en desgevallend, nationale doelstellingen, waaronder langetermijndoelstellingen (2050) voor de uitrol van koolstofarme technologieën, o.a. voor het koolstofvrij maken van de energie- en koolstofintensieve industriesectoren en, indien van toepassing, voor de daarmee samenhangende infrastructuur voor het transport en de opslag van koolstof

iii.

Indien van toepassing, nationale doelstellingen met betrekking tot het concurrentievermogen

3.   BELEIDSLIJNEN EN MAATREGELEN

3.1.   Dimensie decarbonisatie

3.1.1.   Broeikasgasemissies en -verwijderingen

i.

Beleidsinitiatieven en maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van Verordening (EU) 2018/842 vastgestelde doelstellingen, als bedoeld in punt 2.1.1 en beleidsinitiatieven en maatregelen voor de naleving van Verordening (EU) 2018/841, voor alle belangrijke emissiesectoren en sectoren waar de verwijdering moet worden opgevoerd, in het licht van de langetermijndoelstelling om te evolueren naar een lage-emissie-economie met een evenwicht tussen emissies en verwijderingen conform de Overeenkomst van Parijs

ii.

Indien relevant, regionale samenwerking op dit gebied

iii.

Onverminderd de toepasselijkheid van de regels inzake staatssteun, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, waaronder steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen, indien van toepassing

3.1.2.   Hernieuwbare energie

i.

Beleid en de maatregelen ter verwezenlijking van de nationale bijdrage aan het bindende streefcijfer van de Unie voor 2030 op het gebied van hernieuwbare energie en de trajecten bedoeld in artikel 4, onder a), punt 2, en, indien van toepassing of beschikbaar, de elementen bedoeld in punt 2.1.2 van deze bijlage, met inbegrip van sector- en technologiespecifieke maatregelen (3)

ii.

Indien relevant, specifieke maatregelen voor regionale samenwerking, alsmede, optioneel, de geraamde extra productie van energie uit hernieuwbare bronnen die zou kunnen worden overgedragen aan andere lidstaten om de nationale bijdrage en trajecten zoals bedoeld in punt 2.1.2 te halen

iii.

Specifieke maatregelen voor financiële steun, indien van toepassing, met inbegrip van steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen, ter bevordering van de productie en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming en koeling, alsmede vervoer

iv.

Indien van toepassing, de beoordeling van de steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, die de lidstaten moeten uitvoeren uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001

v.

Specifieke maatregelen voor de invoering van een of meer contactpunten, het stroomlijnen van administratieve procedures, het verstrekken van informatie en opleiding, en de bevordering van het gebruik van afnameovereenkomsten voor stroom

Een samenvatting van de beleidslijnen en maatregelen van het stimulerend kader die de lidstaten uit hoofde van artikel 21, lid 6, en artikel 22, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 moeten invoeren om de ontwikkeling van de consumptie van zelfgeproduceerde energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen te bevorderen en te vergemakkelijken

vi.

Beoordeling van de behoefte aan de bouw van nieuwe infrastructuur voor stadsverwarming en -koeling op basis van hernieuwbare bronnen

vii.

Indien van toepassing, specifieke maatregelen ter bevordering van het gebruik van energie uit biomassa, in het bijzonder de exploitatie van nieuwe biomassabronnen, rekening houdend met:

de beschikbaarheid van biomassa, waaronder duurzame biomassa: zowel binnenlands potentieel als invoer uit derde landen

gebruik van biomassa in andere sectoren (land- en bosbouw); alsmede maatregelen voor de duurzaamheid van de productie en het gebruik van biomassa

3.1.3.   Andere elementen van de dimensie

i.

Indien van toepassing, de nationale beleidsinitiatieven en maatregelen die een impact hebben op de EU-ETS-sector en beoordeling van de complementariteit en de gevolgen voor het EU-ETS

ii.

Beleidsinitiatieven en maatregelen ter verwezenlijking van andere nationale doelstellingen, indien van toepassing

iii.

Beleidsinitiatieven en maatregelen om de omslag te maken naar emissiearme mobiliteit (m.i.v. de elektrificatie van het vervoer)

iv.

Indien van toepassing, nationale beleidslijnen, tijdschema's en maatregelen voor de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen

3.2.   Dimensie energie-efficiëntie

Geplande beleidslijnen, maatregelen en programma's ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen 2030 en andere in punt 2.2 bedoelde doelstellingen, m.i.v. de geplande maatregelen en instrumenten (ook van financiële aard) ter verbetering van de energieprestaties van gebouwen, met name wat betreft het volgende:

i.

Verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve beleidsmaatregelen in het kader van de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, van Richtlijn 2012/27/EU en vast te stellen overeenkomstig bijlage III bij deze verordening

ii.

Langetermijnrenovatiestrategie ter ondersteuning van de renovatie van het nationale bestand van woningen en niet voor bewoning bestemde gebouwen (zowel publieke als particuliere) (4), m.i.v. beleid, maatregelen en acties ter stimulering van kosteneffectieve ingrijpende renovaties en beleidslijnen en acties gericht op de slechtst presterende segmenten van het nationale gebouwenbestand, overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU

iii.

Beleid en maatregelen ter bevordering van energiediensten in de publieke sector en maatregelen voor het wegnemen van regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen voor het gebruik van energieprestatiecontracten en andere modellen voor energie-efficiëntiediensten (5)

iv.

Andere geplande beleidslijnen, maatregelen en programma's ter verwezenlijking van de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen 2030 en andere in punt 2.2 bedoelde doelstellingen (bv. het promoten van de voorbeeldfunctie van openbare gebouwen en energie-efficiënte overheidsaankopen, het promoten van energie-audits en energiemanagementsystemen (6), het opleiden en informeren van consumenten (7) en andere maatregelen om energie-efficiëntie te promoten (8))

v.

Indien van toepassing, een beschrijving van de beleidslijnen en maatregelen om de rol van lokale energiegemeenschappen bij de uitvoering van de in de punten i, ii, iii en iv genoemde beleidslijnen en maatregelen te bevorderen

vi.

Beschrijving van de maatregelen ter ontwikkeling van maatregelen om het energie-efficiëntiepotentieel van gas- en elektriciteitsinfrastructuur te benutten (9)

vii.

Eventuele regionale samenwerking op dit gebied

viii.

Financiële maatregelen op dit gebied op nationaal niveau, waaronder steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen

3.3.   Dimensie energiezekerheid (10)

i.

Het beleid en de maatregelen met betrekking tot de elementen in punt 2.3 (11)

ii.

Regionale samenwerking op dit gebied

iii.

Indien van toepassing, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, m.i.v. steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen

3.4.   Dimensie interne energiemarkt (12)

3.4.1.   Elektriciteitsinfrastructuur

i.

Beleid en maatregelen om het beoogde niveau van interconnectiviteit van artikel 4, onder d), tot stand te brengen

ii.

Regionale samenwerking op dit gebied (13)

iii.

Indien van toepassing, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, m.i.v. steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen

3.4.2.   Infrastructuur voor energietransmissie

i.

Het beleid en de maatregelen met betrekking tot de elementen in punt 2.4.2, met inbegrip van eventuele specifieke maatregelen ter uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang (PGB's) en andere belangrijke infrastructuurprojecten

ii.

Regionale samenwerking op dit gebied (14)

iii.

Indien van toepassing, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, m.i.v. steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen

3.4.3.   Marktintegratie

i.

Het beleid en de maatregelen met betrekking tot de elementen in punt 2.4.3

ii.

Maatregelen om het energiesysteem flexibeler te maken ten aanzien van de productie van hernieuwbare energie, zoals slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, gedistribueerde opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, m.i.v. de uitrol van intraday-marktkoppeling en grensoverschrijdende balanceringsmarkten

iii.

Indien van toepassing, maatregelen ter waarborging van de niet-discriminerende participatie van energie uit hernieuwbare bronnen, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten

iv.

Het beleid en de maatregelen ter bescherming van de consument, met name van kwetsbare en, indien van toepassing, energiearme consumenten, en ter verbetering van het concurrentievermogen en de concurrentiedruk op de energiemarkt

v.

Beschrijving van maatregelen om vraagrespons mogelijk te maken en te ontwikkelen, m.i.v. maatregelen die een dynamische prijsstelling (15) ondersteunen

3.4.4.   Energiearmoede

i.

Indien van toepassing, beleid en de maatregelen ter verwezenlijking van de doelstellingen van punt 2.4.4

3.5.   Dimensie onderzoek, innovatie en concurrentievermogen

i.

Het beleid en de maatregelen met betrekking tot de elementen in punt 2.5

ii.

Indien van toepassing, samenwerking met andere lidstaten op dit gebied, waaronder, in voorkomend geval, informatie over de manier waarop de beleidslijnen en doelstellingen van het SET-plan in een nationale context worden vertaald

iii.

Indien van toepassing, financieringsmaatregelen op dit gebied op nationaal niveau, m.i.v. steun van de Unie en het gebruik van Uniefondsen

AFDELING B: ANALYTISCHE BASIS (16)

4.   HUIDIGE SITUATIE EN PROGNOSES MET BESTAANDE MAATREGELEN EN BELEIDSLIJNEN (17)(18)

4.1.   Verwachte evolutie van de belangrijkste externe factoren met een impact op het energiesysteem en de ontwikkeling van de broeikasgasemissies

i.

Macro-economische prognoses (stijging van het bbp en bevolkingsgroei)

ii.

Sectorale veranderingen die naar verwachting een impact zullen hebben op het energiesysteem en de broeikasgasemissies

iii.

Mondiale energietrends, internationale prijzen voor fossiele brandstoffen, de EU-ETS-koolstofprijs

iv.

Evolutie van de technologiekosten

4.2.   Dimensie decarbonisatie

4.2.1.   Broeikasgasemissies en -verwijderingen

i.

Trends in de lopende broeikasgasemissies en -verwijderingen in de EU-ETS-sectoren, de sectoren die een inspanning moeten leveren, de LULUCF-sectoren en de verschillende energiesectoren

ii.

Prognoses van de sectorale ontwikkelingen met bestaande beleidslijnen en maatregelen van de lidstaten en de Unie tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030)

4.2.2.   Hernieuwbare energie

i.

Aandeel van hernieuwbare energie in het bruto eindverbruik van energie en in verschillende sectoren (verwarming en koeling, elektriciteit en vervoer) en per technologie in elk van die sectoren

ii.

Indicatieve prognoses van de ontwikkelingen op basis van het bestaande beleid voor het jaar 2030 (met een vooruitzicht voor het jaar 2040)

4.3.   Dimensie energie-efficiëntie

i.

Huidige primaire en eindenergieverbruik in de economie en per sector (waaronder industrie, woningen, diensten en vervoer)

ii.

Huidige potentieel voor de toepassing van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling (19)

iii.

Prognoses met betrekking tot bestaande energie-efficiëntie-initiatieven, -maatregelen en -programma's, als beschreven in punt 1.2, ii), voor het primair en eindenergieverbruik voor elke sector tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030) (20)

iv.

Kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestaties die voortvloeien uit nationale berekeningen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2010/31/EU

4.4.   Dimensie energiezekerheid

i.

De huidige energiemix, binnenlandse energiebronnen en afhankelijkheid van invoer, m.i.v. relevante risico's

ii.

Prognoses van de ontwikkelingen met de bestaande beleidslijnen en maatregelen tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030)

4.5.   Dimensie interne energiemarkt

4.5.1.   Elektriciteitsinterconnectie

i.

Huidige interconnectieniveau en de belangrijkste interconnectoren (21)

ii.

Prognoses van de vereiste interconnectieversterking (m.i.v. het jaar 2030) (22)

4.5.2.   Infrastructuur voor energietransmissie

i.

De belangrijkste kenmerken van de bestaande transmissie-infrastructuur voor elektriciteit en gas (23)

ii.

Prognoses van de vereiste netuitbreidingen tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030) (24)

4.5.3.   Elektriciteits- en gasmarkten, energieprijzen

i.

Huidige situatie van de elektriciteits- en gasmarkten, m.i.v. de energieprijzen

ii.

Prognoses van de ontwikkelingen met de bestaande beleidslijnen en maatregelen tot ten minste 2040 (m.i.v. het jaar 2030)

4.6.   Dimensie onderzoek, innovatie en concurrentievermogen

i.

Huidige situatie van de sector koolstofarme technologieën en, in de mate van het mogelijke, de positie ervan op de wereldmarkt (deze analyse moet worden verricht op Unieniveau of op mondiaal niveau)

ii.

Huidige niveau van de openbare en, indien beschikbaar, particuliere uitgaven voor onderzoek en innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën, huidige aantal octrooien en huidige aantal onderzoekers

iii.

Uitsplitsing van de huidige prijselementen die de drie voornaamste prijscomponenten vormen (energie, netwerk, belastingen/heffingen)

iv.

Beschrijving van de energiesubsidies, waaronder die voor fossiele brandstoffen

5.   EFFECTBEOORDELING VAN GEPLANDE BELEIDSLIJNEN EN MAATREGELEN (25)

5.1.   Gevolgen van de in deel 3 beschreven geplande beleidslijnen en maatregelen op het vlak van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en -verwijderingen, m.i.v. vergelijkingen met prognoses met bestaande initiatieven en maatregelen (als beschreven in deel 4).

i.

Prognoses van de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en -verwijderingen, alsmede, indien relevant, van de emissies van luchtverontreinigende stoffen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2284 in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen tot ten minste tien jaar na de looptijd van het plan (m.i.v. het laatste jaar van de looptijd van het plan), m.i.v. relevante Uniebeleidslijnen en -maatregelen

ii.

Beoordeling van de beleidsinteracties (tussen bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande beleidslijnen en maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen van verschillende dimensies) minstens tot het laatste jaar van de looptijd van het plan, met name om een duidelijk inzicht te krijgen in de effecten van energie-efficiëntie-/energiebesparingsbeleid op de omvang van het energiesysteem en om het risico van mislukte investeringen in energieopwekking te voorkomen

iii.

Beoordeling van interacties tussen bestaande beleidslijnen en maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen, en tussen die beleidslijnen en maatregelen en de klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie

5.2.   Macro-economisch beleid, en voor zover doenlijk, gezondheidsbeleid, milieu-, werkgelegenheids- en onderwijsbeleid, vaardigheden en sociale effecten, waaronder de aspecten van „billijke transitie” (in termen van kosten en baten en kosteneffectiviteit), van de geplande beleidslijnen en maatregelen als beschreven in deel 3, ten minste tot en met het laatste jaar van de looptijd van het plan, met inbegrip van een vergelijking met prognoses op basis van bestaande maatregelen en beleidslijnen

5.3.   Overzicht van de noodzakelijke investeringen

i.

bestaande investeringsstromen en toekomstige geplande investeringen met betrekking tot de geplande beleidslijnen en maatregelen

ii.

risicofactoren van de betreffende sector of markt of belemmeringen op nationaal of regionaal gebied

iii.

analyse van aanvullende financiële overheidssteun of overheidsmiddelen om de in punt ii vastgestelde tekortkomingen te verhelpen

5.4.   Gevolgen van de in deel 3 beschreven geplande beleidslijnen en maatregelen voor andere lidstaten en regionale samenwerking ten minste tot en met het laatste jaar van de looptijd van het plan, m.i.v. een vergelijking met prognoses op basis van bestaande maatregelen en beleidslijnen

i.

Effect op het energiesysteem in naburige en andere lidstaten in de regio, voor zover mogelijk

ii.

Gevolgen voor de energieprijzen, nutsvoorzieningen en de integratie van de energiemarkt

iii.

Indien relevant, gevolgen voor de regionale samenwerking

Deel 2

Lijst van de in deel B van het nationaal plan te vermelden parameters en variabelen (26) (27) (28) (29)

De volgende parameters, variabelen, energiebalansen en indicatoren moeten worden gerapporteerd in afdeling B „analytische basis” van de nationale plannen, indien gebruikt:

1.   Algemene parameters en variabelen

1)

Bevolking [miljoen]

2)

bbp [miljoen euro]

3)

Bruto toegevoegde waarde per sector (m.i.v. de belangrijkste industrie-, bouw-, diensten- en landbouwsectoren) [miljoen euro]

4)

Aantal huishoudens [duizend]

5)

Grootte van de huishoudens [inwoners/huishouden]

6)

Beschikbaar inkomen van de huishoudens [euro]

7)

Aantal afgelegde passagierskilometers: alle vervoerswijzen, d.w.z. ingedeeld in wegvervoer (auto's en bussen, indien mogelijk opgesplitst), spoor, luchtvaart en binnenvaart (indien relevant) [miljoen pkm]

8)

Tonkilometers goederenvervoer: alle vervoerswijzen, m.u.v. de internationale zeevaart, d.w.z opgesplitst tussen weg, spoor, luchtvaart, binnenlandse scheepvaart (binnenvaart en zeevaart) [miljoen tkm]

9)

Internationale invoerprijzen voor olie, gas en steenkool [EUR/GJ of euro/toe] — op basis van de aanbevelingen van de Commissie

10)

EU-ETS-koolstofprijs [EUR/emissierecht] — op basis van de aanbevelingen van de Commissie

11)

Aannames inzake de wisselkoersen met euro en dollar (indien van toepassing) [euro/valuta en USD/valuta]

12)

Aantal graaddagen (HDD)

13)

Aantal koeldagen (CDD)

14)

Aannames inzake de technologiekosten die zijn gebruikt bij de modellering van de voornaamste relevante technologieën

2.   Energiebalansen en indicatoren

2.1.   Energievoorziening

1)

Binnenlandse productie per brandstoftype (alle energieproducten die in significante hoeveelheden worden geproduceerd) [ktoe]

2)

Netto-invoer per brandstoftype (m.i.v. elektriciteit, ingedeeld naar intra- en extra- netto-invoer naar de Unie) [ktoe]

3)

Afhankelijkheid van invoer uit derde landen [%]

4)

Belangrijkste invoerbronnen (landen) voor de voornaamste energiedragers (m.i.v. gas en elektriciteit)

5)

Bruto binnenlands verbruik per brandstoftype bron (m.i.v. vaste brandstoffen, alle energieproducten, steenkool, ruwe olie en aardolieproducten, aardgas, nucleaire energie, elektriciteit, afgeleide warmte, hernieuwbare energie, afval) [ktoe]

2.2.   Elektriciteit en warmte

1)

Bruto-elektriciteitsproductie [GWh]

2)

Bruto-elektriciteitsproductie per brandstof (alle energieproducten) [GWh]

3)

Aandeel van warmtekrachtkoppeling in de totale productie van warmte en elektriciteit [%]

4)

Capaciteit van elektriciteitsproductie per bron, m.i.v. buitengebruikstellingen en nieuwe investeringen [MW]

5)

Warmte uit thermische energieopwekking

6)

Warmte uit warmtekrachtkoppelingcentrales, m.i.v. industriële afvalwarmte

7)

Grensoverschrijdende interconnectiecapaciteit voor gas en elektriciteit [definitie voor elektriciteit conform de resultaten van de lopende besprekingen over de grondslag voor de beoogde 15 % interconnectie] en de verwachte benuttingsgraad daarvan

2.3.   Transformatiesector

1)

Brandstofinput voor thermische energieopwekking (m.i.v. vaste brandstoffen, olie, gas) [ktoe]

2)

Brandstof voor andere omzettingsprocessen [ktoe]

2.4.   Energieverbruik

1)

Primair en eindenergieverbruik [ktoe]

2)

Eindenergieverbruik per sector (m.i.v. industrie, huishoudens, tertiaire sector, landbouw en vervoer (indien mogelijk, opgesplitst tussen passagiers- en goederenvervoer)) [ktoe]

3)

Eindenergieverbruik per brandstof (alle energieproducten) [ktoe]

4)

Niet-energetisch eindverbruik [ktoe];

5)

Primaire energie-intensiteit van de economie als geheel (primair energieverbruik per bbp-punt) [toe/euro]

6)

Eindenergie-intensiteit per sector (m.i.v. industrie, huishoudens, tertiaire sector, landbouw en vervoer (indien mogelijk, opgesplitst tussen passagiers- en goederenvervoer))

2.5.   Prijzen

1)

Elektriciteitsprijzen per sector (huishoudens, industrie, tertiaire sector)

2)

Nationale retailprijzen van brandstoffen (m.i.v. belastingen, per bron en per sector) [euro/ktoe]

2.6.   Investeringen

Kosten van investeringen in sectoren voor omzetting, levering, transmissie en distributie van energie

2.7.   Hernieuwbare energie

1)

Het bruto eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen, en het aandeel van hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie per sector (elektriciteit, verwarming en koeling, vervoer) en per techniek

2)

Elektriciteits- en warmtewinning uit hernieuwbare energie in gebouwen, met inbegrip van, indien beschikbaar, gedifferentieerde gegevens over de energie die is geproduceerd, geconsumeerd en in het net wordt geïnjecteerd door fotovoltaïsche systemen en thermale zonne-energiesystemen, biomassa, warmtepompen, geothermische systemen, alsmede alle andere gedecentraliseerde systemen voor hernieuwbare energie

3)

Indien van toepassing, andere nationale trajecten, m.i.v. trajecten op lange termijn of trajecten met betrekking tot een bepaalde sector, het aandeel van geavanceerde en biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen, het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming, en de geproduceerde hernieuwbare energie in steden en hernieuwbare-energiegemeenschappen.

3.   Aan de broeikasgasemissies en -verwijderingen gerelateerde indicatoren

1)

Broeikasgasemissies per beleidsterrein (EU-ETS-sectoren, de sectoren die een inspanning moeten leveren en de LULUCF-sectoren)

2)

Broeikasgasemissies per IPCC-sector en gas (in voorkomend geval opgesplitst in EU-ETS en de sectoren die een inspanning moeten leveren) [tCO2eq]

3)

Koolstofintensiteit van de economie als geheel [tCO2eq/GDP]

4)

CO2-uitstootgerelateerde indicatoren:

a)

Broeikasgasintensiteit van binnenlandse elektriciteits- en warmteopwekking [tCO2eq/MWh]

b)

Broeikasgasintensiteit van eindenergieverbruik voor elke sector [tCO2eq/toe]

5)

Niet-CO2-uitstootgerelateerde parameters:

a)

Veebestand: melkkoeien [1 000 stuks], ander vee dan melkvee [1 000 stuks], schapen [1 000 stuks], varkens [1 000 stuks], pluimvee [1 000 stuks]

b)

Toevoer van stikstof uit kunstmest [kt stikstof]

c)

Toevoer van stikstof uit mest [kt stikstof]

d)

Stikstof vastgelegd door stikstofbindende gewassen [kt stikstof]

e)

Stikstof in weer in de bodem ingebrachte gewasresten [kt stikstof]

f)

Oppervlakte beteelde organische bodems [hectare]

g)

Productie van vast stedelijk afval (VSA)

h)

Gestort vast stedelijk afval (VSA)

i)

Aandeel van CH4-terugwinning in de totale CH4-productie van afvalstortplaatsen [%]


(1)  De samenhang met de langetermijnstrategieën moet worden gewaarborgd overeenkomstig artikel 15.

(2)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

(3)  Bij het plannen van die maatregelen houden de lidstaten rekening met het einde van de levensduur van bestaande installaties en de mogelijkheden voor capaciteitsverhoging.

(4)  Overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU.

(5)  Overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2012/27/EU.

(6)  Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU.

(7)  Overeenkomstig de artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2012/27/EU.

(8)  Overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2012/27/EU.

(9)  Overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Richtlijn 2012/27/EU.

(10)  Het beleid en de maatregelen moeten sporen met het beginsel „energie-efficiëntie eerst”.

(11)  De samenhang moet worden gewaarborgd met de preventieve actieplannen op grond van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1), en ook met de risicoparaatheidsplannen op grond van Verordening (EU) 2018/2001 [als voorgesteld bij COM(2016) 862 inzake de risicoparaatheid in de elektriciteitssector en tot intrekking van Richtlijn 2005/89/EG].

(12)  Het beleid en de maatregelen moeten sporen met het beginsel „energie-efficiëntie eerst”.

(13)  Andere dan de regionale groepen voor PGB's die zijn ingesteld bij Verordening (EU) nr. 347/2013.

(14)  Andere dan de regionale groepen voor PGB's die zijn ingesteld bij Verordening (EU) nr. 347/2013.

(15)  Overeenkomstig artikel 15, lid 8, van Richtlijn 2012/27/EU.

(16)  Zie deel 2 voor een gedetailleerde lijst van parameters en variabelen die in deel B van het plan moeten worden vermeld.

(17)  De huidige situatie is een weergave van de situatie op de datum van indiening van het nationale plan (of de laatste beschikbare datum). Bestaande beleidslijnen en maatregelen omvatten de reeds uitgevoerde en vastgestelde beleidslijnen en maatregelen. Aangenomen beleidslijnen en maatregelen zijn die waarover de regering op de indieningsdatum van het nationale plan reeds een officiële beslissing heeft genomen en die het voorwerp uitmaken van een duidelijke uitvoeringsverbintenis. Uitgevoerde beleidslijnen en maatregelen zijn die waarvoor op de datum van indiening van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan of het geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag één of meer van de volgende situaties van toepassing zijn: er is rechtstreeks toepasselijke Europese wetgeving of nationale wetgeving van kracht, er zijn één of meer vrijwillige overeenkomsten vastgesteld, er zijn financiële middelen toegewezen, de nodige personele middelen zijn vrijgemaakt.

(18)  De externe factoren kunnen worden geselecteerd op basis van de aannames in het EU-referentiescenario 2016 of andere daaropvolgende beleidsscenario's voor dezelfde variabelen. Bovendien kunnen de specifieke resultaten van het EU-referentiescenario 2016 voor de lidstaten en de resultaten van de daaropvolgende beleidsscenario's eveneens een nuttige bron van informatie zijn bij de ontwikkeling van de nationale prognoses op basis van bestaande beleidslijnen, maatregelen en effectbeoordelingen.

(19)  Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU.

(20)  Dit referentiescenario voor ongewijzigd beleid vormt de basis voor de doelstelling 2030 inzake het primair en eindenergieverbruik als beschreven in punt 2.3 en de omrekeningsfactoren.

(21)  Met betrekking tot de overzichten van de bestaande infrastructuur door de transmissiesysteembeheerders (TSB's).

(22)  Met verwijzing naar nationale netontwikkelingsplannen en regionale investeringsplannen van de TSB's.

(23)  Met betrekking tot de overzichten van de bestaande infrastructuur door de TSB's.

(24)  Met verwijzing naar nationale netontwikkelingsplannen en regionale investeringsplannen van de TSB's.

(25)  Geplande beleidslijnen en maatregelen zijn opties waarover overleg wordt gepleegd en die een realistische kans maken om te worden goedgekeurd en uitgevoerd na de datum van indiening van het nationaal plan. De resulterende voorspellingen overeenkomstig punt 5.1, punt i, omvatten dan ook niet alleen ingevoerde en vastgestelde beleidslijnen en maatregelen (prognoses met bestaande beleidslijnen en maatregelen), maar ook geplande beleidslijnen en maatregelen.

(26)  Voor het plan voor de periode 2021-2030: Voor elke parameter/variabele in de lijst worden in de delen 4 en 5 de tendensen voor de jaren 2005-2040 (desgevallend 2005-2050), m.i.v. het jaar 2030, in intervallen van vijf jaar opgenomen. Er wordt aangegeven of de parameter is bepaald op basis van exogene aannames, dan wel modelresultaten.

(27)  Voor zover mogelijk bouwen de gerapporteerde gegevens en prognoses voort op en zijn zij consistent met de gegevens van EUROSTAT en de methode die wordt gebruikt voor de rapportering van Europese statistieken in de desbetreffende sectorale wetgeving, aangezien de Europese statistieken de belangrijkste bron van statistische gegevens zijn voor rapportage en toezicht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek.

(28)  Opmerking: alle prognoses moeten worden uitgevoerd op basis van constante prijzen (met 2016 als referentiejaar).

(29)  De Commissie zal aanbevelingen opstellen met betrekking tot de belangrijkste parameters voor prognoses, ten minste voor de invoerprijzen van olie, gas en steenkool en voor de koolstoftarieven binnen het emissiehandelssysteem van de EU.


BIJLAGE II

NATIONALE BIJDRAGEN VOOR HET AANDEEL ENERGIE UIT HERNIEUWBARE BRONNEN IN HET BRUTO-EINDVERBRUIK VAN ENERGIE IN 2030

1.

De volgende indicatieve formule vertegenwoordigt de in artikel 5, lid 1, onder e), i) tot en met v), opgesomde objectieve criteria, elk uitgedrukt in procentpunten:

a)

het bindende nationale streefcijfer van de lidstaat voor 2020, als vastgesteld in de derde kolom van de tabel in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2018/2001;

b)

een forfaitaire bijdrage (CFlat);

c)

een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage (CGDP);

d)

een op het potentieel gebaseerde bijdrage (CPotential);

e)

een bijdrage waarin de interconnectiegraad van de lidstaat in aanmerking is genomen (CInterco).

2.

CFlat is hetzelfde bedrag voor elke lidstaat. De som van de CFlat-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de EU-streefcijfers voor 2030 en 2020.

3.

De CGDP-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het bbp per hoofd van de bevolking van Eurostat ten opzichte van het EU-gemiddelde over de periode 2013-2017, uitgedrukt in koopkracht, waarbij de index voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het EU-gemiddelde bedraagt. De som van de CGDP-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de EU-streefcijfers voor 2030 en 2020.

4.

De CPotential-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van het verschil tussen het aandeel hernieuwbare energiebronnen (HEB) van een lidstaat in 2030 zoals blijkt uit het Primes-scenario en het nationale bindende streefcijfer van die lidstaat voor 2020. De som van de CPotential-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.

5.

De CInterco-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het aandeel elektriciteitsinterconnecties ten opzichte van het EU-gemiddelde in 2017, gemeten aan de hand van de nettotransmissiecapaciteit over de totale geïnstalleerde productiecapaciteit, waarbij de index van het aandeel interconnecties voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het Uniegemiddelde bedraagt. De som van de CInterco-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 10 % aan het verschil tussen de Uniestreefcijfers voor 2030 en 2020.

BIJLAGE III

KENNISGEVING VAN DE MAATREGELEN VAN DE LIDSTATEN EN DE METHODEN VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN ARTIKEL 7 VAN RICHTLIJN 2012/27/EU

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de voorgestelde gedetailleerde methodologie overeenkomstig punt 5 van bijlage V bij Richtlijn 2012/27/EU voor de uitvoering van de verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve beleidsmaatregelen als bedoeld in artikel 7 bis, artikel 7 ter en artikel 20, lid 6, van die richtlijn.

1.   De berekening van de energiebesparing die moet worden bereikt over de volledige periode van 1 januari 2021 t.e.m. 31 december 2030, waaruit blijkt hoe de volgende elementen in aanmerking worden genomen:

a)

het jaarlijkse eindverbruik van energie, gemiddelde voor de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019 [in ktoe];

b)

de totale cumulatieve besparing van eindenergieverbruik [in ktoe] die moet worden bereikt overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Richtlijn 2012/27/EU;

c)

gegevens die worden gebruikt voor de berekening van het eindverbruik van energie en bronnen van deze gegevens, met een motivering voor het gebruik van andere statistische bronnen en eventuele verschillen van de daaruit voortvloeiende hoeveelheden (indien andere bronnen dan Eurostat worden gebruikt);

2.   De lidstaten die besluiten een van de mogelijkheden uit hoofde van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2012/27/EU te gebruiken, melden ook hun berekening van de energiebesparing die moet worden bereikt over de volledige periode van 1 januari 2021 t.e.m. 31 december 2030, waaruit blijkt hoe de volgende elementen in aanmerking worden genomen:

a)

hun eigen jaarlijkse besparingspercentage;

b)

hun eigen berekeningsgrondslag en energie voor vervoer, geheel of gedeeltelijk, die buiten de berekening wordt gehouden [in ktoe];

c)

berekende cumulatieve energiebesparingen in de volledige periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 (voor de toepassing van de opties als bedoeld onder b) tot en met g) van artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU) [in ktoe];

d)

toepassing van opties als bedoeld onder b) tot en met g) van artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU:

i)

eindverbruik van energie voor industriële activiteiten [in ktoe] opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, buiten de berekening gehouden, overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder b), van Richtlijn 2012/27/EU;

ii)

hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die in de sectoren omzetting, distributie en transport van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, zijn bereikt overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder c), van Richtlijn 2012/27/EU;

iii)

hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die zijn uitgevoerd sedert 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder d), van Richtlijn 2012/27/EU;

iv)

hoeveelheid energiebesparingen [in ktoe] die voortvloeien uit beleidsmaatregelen, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die beleidsmaatregelen resulteren in individuele acties die worden ondernomen tussen 1 januari 2018 en 31 december 2020 en een besparing opleveren na 31 december 2020, overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder e), van Richtlijn 2012/27/EU;

v)

hoeveelheid energie [in ktoe] die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder f), van Richtlijn 2012/27/EU

vi)

hoeveelheid energiebesparing [in ktoe] die de cumulatieve energiebesparingen overstijgt die vereist zijn in de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2020, welke de lidstaten meetellen voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2030, overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder g), van Richtlijn 2012/27/EU;

e)

totale cumulatieve energiebesparingen (na de toepassing van de opties als bedoeld onder b) tot en met g) van artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU).

3.   Beleidsmaatregelen met het oog op het bereiken van de vereiste energiebesparing als bedoeld in artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU:

3.1.   Verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis van Richtlijn 2012/27/EU:

a)

beschrijving van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie;

b)

verwachte cumulatieve en jaarlijkse besparingen en looptijd van de verplichtingsperiode(s);

c)

de aan verplichtingen gebonden partijen en hun verantwoordelijkheden;

d)

de doelsectoren;

e)

de subsidiabele acties in het kader van de maatregel;

f)

informatie over de toepassing van onderstaande bepalingen van Richtlijn 2012/27/EU:

i)

indien van toepassing, specifieke acties, aandeel van de besparingen dat overeenkomstig artikel 7, lid 11, moet worden bereikt in huishoudens die met energiearmoede kampen;

ii)

energiebesparingen die zijn behaald door energieleveranciers of andere derde partijen, overeenkomstig artikel 7 bis, lid 6, onder a);

iii)

„bankieren en lenen” overeenkomstig artikel 7 bis, lid 6, onder b);

g)

informatie over de handel in energiebesparingen (indien van toepassing).

3.2.   Alternatieve maatregelen als bedoeld in artikel 7 ter en artikel 20, lid 6, van Richtlijn 2012/27/EU (exclusief belastingen):

a)

aard van de beleidsmaatregel;

b)

korte beschrijving van de beleidsmaatregel m.i.v. de ontwerpkenmerken van elke aangemelde beleidsmaatregel;

c)

verwachte totale cumulatieve en jaarlijkse besparing per maatregel en/of de omvang van de energiebesparingen t.o.v. alle intermediaire perioden;

d)

Uitvoerende overheidsinstanties, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en hun verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de beleidsmaatregel(en);

e)

de doelsectoren;

f)

de subsidiabele acties in het kader van de maatregel;

g)

indien van toepassing, specifieke beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties tegen energiearmoede.

3.3.   Informatie over belastingmaatregelen:

a)

korte beschrijving van de belastingmaatregel;

b)

de looptijd van de belastingmaatregel;

c)

de uitvoerende overheidsinstantie;

d)

verwacht cumulatief en jaarlijks bedrag van de besparing per maatregel;

e)

de doelsectoren en het segment van belastingplichtigen;

f)

berekeningsmethode, met vermelding van de gebruikte prijselasticiteiten en de manier waarop die zijn vastgesteld, overeenkomstig punt 4 van bijlage V bij Richtlijn 2012/27/EU.

4.   Berekeningsmethode voor maatregelen die zijn aangemeld op grond van de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6), van Richtlijn 2012/27/EU (met uitzondering van belastingmaatregelen):

a)

gebruikte meetmethoden als bedoeld in punt 1 van bijlage V bij Richtlijn 2012/27/EU;

b)

methode waarmee de energiebesparing (primaire of eindenergiebesparing) wordt uitgedrukt;

c)

de looptijd van maatregelen, het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt en de aanpak om rekening te houden met de duur van de besparingen;

d)

korte beschrijving van de berekeningsmethode, met inbegrip van de manier waarop de additionaliteit en het relatief belang van de besparingen worden gewaarborgd en welke methoden en benchmarks worden gebruikt voor verwachte of gewogen besparingen;

e)

informatie over de wijze waarop mogelijke overlappingen tussen maatregelen en individuele acties worden aangepakt om te voorkomen dat energiebesparingen dubbel worden geteld;

f)

indien van toepassing, klimaatverschillen en gebruikte methode.

5.   Toezicht en controle

a)

korte beschrijving van het toezichts- en verificatiesysteem en van het verificatieproces;

b)

de uitvoerende overheidsinstantie en haar belangrijkste taken in het kader van het toezichts- en verificatiesysteem in verband met de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie of andere maatregelen;

c)

de onafhankelijkheid van het toezicht op en de controle van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen;

d)

een statistisch significant aandeel van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en het aandeel en de criteria die zijn gebruikt om een representatieve steekproef te definiëren en te selecteren;

e)

rapportageverplichtingen voor de aan verplichtingen gebonden partijen (besparingen die zijn behaald door elke aan verplichtingen gebonden partij, of elke subcategorie van een aan verplichtingen gebonden partij, en het totaal in het kader van de regeling);

f)

bekendmaking van de (jaarlijkse) behaalde energiebesparing in het kader van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie en alternatieve maatregelen;

g)

informatie over het recht van de lidstaten met betrekking tot bij niet-naleving op te leggen boetes;

h)

informatie over geplande beleidsmaatregelen voor het geval dat de vooruitgang niet bevredigend is.


BIJLAGE IV

ALGEMEEN KADER VOOR LANGETERMIJNSTRATEGIEËN

1.   OVERZICHT EN PROCEDURE VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE STRATEGIEËN

1.1.   Samenvatting

1.2.   Juridische en beleidscontext

1.3.   Openbare raadpleging

2.   INHOUD

2.1.   TOTALE BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIE EN VERBETERINGEN VAN VERWIJDERINGEN PER PUT

2.1.1.   Verwachte emissiereducties en verbeteringen van verwijderingen tegen 2050

2.1.2.   Nationaal streefcijfer voor 2030 en daarna, indien beschikbaar, en indicatieve mijlpalen voor 2040 en 2050

2.1.3.   Aanpassingsbeleidslijnen en -maatregelen

2.2.   HERNIEUWBARE ENERGIE

2.2.1   Voor zover mogelijk, het geraamde waarschijnlijke aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie tegen 2050

2.3.   ENERGIE-EFFICIËNTIE

2.3.1.   Voor zover mogelijk, het geraamde waarschijnlijke energieverbruik tegen 2050

2.4.   SECTORSPECIFIEKE INHOUD

2.4.1.   Energiesysteem

2.4.1.1.   Geplande of waarschijnlijke toekomstige emissietrajecten of bereik

2.4.1.2.   Algemene beschrijving van de belangrijkste drijvende factoren achter energie-efficiëntie, flexibiliteit aan de vraagzijde en energieverbruik en de ontwikkeling daarvan vanaf 2021 en daarna

2.4.2.   Industrie

2.4.2.1.   Verwachte emissiereducties per sector en energievragen

2.4.2.2.   Algemeen overzicht van de beleidslijnen, bestaande plannen en maatregelen voor decarbonisatie, zoals beschreven in bijlage I, deel 1, afdeling A, punt 2.1.

2.4.3.   Vervoer

2.4.3.1.   Verwachte emissies en energiebronnen per vervoerstype (bv. auto's en bestelwagens, vrachtwagens, scheepvaart, luchtvaart, spoor)

2.4.3.2.   Decarbonisatieopties

2.4.4.   Landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF)

2.4.4.1.   Voor zover mogelijk, verwachte emissies per bron en per afzonderlijk broeikasgas

2.4.4.2.   Overwogen emissiereductieopties

2.4.4.3.   Verbanden met landbouw- en plattelandsontwikkelingsbeleid

3.   FINANCIERING

3.1.   Ramingen van de benodigde investeringen

3.2.   Beleidslijnen en maatregelen voor gerelateerd(e) onderzoek, ontwikkeling en innovatie

4.   EFFECTBEOORDELING VAN DE SOCIAALECONOMISCHE ASPECTEN

5.   BIJLAGEN (indien nodig)

5.1.   Gegevens van modelleringen (m.i.v. aannames) en/of analyses, indicatoren enz.


BIJLAGE V

INVENTARISATIE VAN INFORMATIE INZAKE BROEIKASGASSEN

Deel 1

Informatie die moet worden opgenomen in de in artikel 26, lid 3, bedoelde verslagen:

a)

hun antropogene emissies van de in deel 2 van deze bijlage genoemde broeikasgassen en de antropogene emissies van broeikasgassen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2018/842 voor het jaar X–2;

b)

gegevens over hun antropogene emissies van koolmonoxide (CO), zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en vluchtige organische stoffen (VOS), in samenhang met de gegevens die reeds zijn gerapporteerd overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn (EU) 2016/2284 voor het jaar X–2;

c)

hun antropogene emissies van broeikasgassen per bron en de verwijderingen van CO2 per put als gevolg van LULUCF, voor het jaar X–2, overeenkomstig de in deel 3 van deze bijlage omschreven methode. Deze gegevens zijn eveneens relevant voor het verslag over de naleving op grond van artikel 14 van Verordening (EU) 2018/841;

d)

de wijzigingen in de onder a), b) en c) genoemde informatie voor de jaren tussen het desbetreffende referentiejaar of de desbetreffende referentieperiode en het jaar X–3, met opgave van de redenen voor die wijzigingen;

e)

de in deel 4 van deze bijlage genoemde informatie betreffende de indicatoren, voor het jaar X–2;

f)

beknopte informatie over uitgevoerde overdrachten overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2018/842 en artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) 2018/841 voor het jaar X–1;

g)

informatie over de stappen die zijn genomen om de ramingen van de inventarislijsten te verbeteren, in het bijzonder voor de onderdelen van de inventaris waarvoor, naar aanleiding van de beoordelingen door deskundigen, bijstellingen of aanbevelingen zijn gedaan;

h)

de werkelijke of geschatte toewijzing van de geverifieerde emissies die exploitanten van installaties krachtens Richtlijn 2003/87/EG hebben gerapporteerd aan de broncategorieën van de nationale broeikasgasinventaris en voor het jaar X–2 de verhouding van die geverifieerde emissies tot de totale gerapporteerde broeikasgasemissies in die broncategorieën;

i)

indien relevant, de resultaten van de controles die zijn uitgevoerd met betrekking tot de consistentie van de voor het jaar X–2 in de broeikasgasinventarissen gerapporteerde emissies met de geverifieerde emissies die zijn gerapporteerd krachtens Richtlijn 2003/87/EG;

j)

indien relevant, de resultaten van de controles die zijn uitgevoerd met betrekking tot de consistentie van de gegevens voor de raming voor het jaar X–2 van emissies ter voorbereiding van de broeikasgasinventarissen met:

i)

de gegevens die zijn gebruikt voor het opstellen van inventarissen van luchtverontreinigende stoffen krachtens Richtlijn (EU) 2016/2284;

ii)

de gegevens die zijn gerapporteerd conform artikel 19, lid 1, van en bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 517/2014;

iii)

de energiegegevens die zijn gerapporteerd krachtens artikel 4 van en bijlage B bij Verordening (EG) nr. 1099/2008;

k)

een beschrijving van eventuele veranderingen in het nationale inventarisatiesysteem;

l)

een beschrijving van eventuele veranderingen in het nationale register;

m)

informatie over hun kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprogramma's, een algemene onzekerheidsevaluatie, een algemene volledigheidsbeoordeling en alle andere elementen van het nationaal broeikasgasinventarisatierapport die noodzakelijk zijn voor het opstellen van het broeikasgasinventarisatierapport van de Unie;

n)

informatie over de eventuele voornemens van de lidstaat om gebruik te maken van de flexibele instrumenten in artikel 5, leden 4 en 5, en artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) 2018/842 en over het gebruik van de opbrengsten op grond van artikel 5, lid 6, van die verordening.

Een lidstaat kan de Commissie om afwijking van punt c) van de eerste alinea verzoeken teneinde een andere dan de in deel 3 van deze bijlage gespecificeerde methode toe te passen indien de vereiste verbetering van de methode niet tijdig kan worden bereikt om in de broeikasgasinventarissen voor de periode van 2021 tot en met 2030 in aanmerking te worden genomen, of indien de verbeterde methode onevenredig hoge kosten zou meebrengen in vergelijking met de baten van de toepassing van die methode voor een betere boekhouding van emissies en verwijderingen wegens het geringe belang van de emissies en verwijderingen door de betrokken koolstofreservoirs. De lidstaten die gebruik willen maken van deze afwijking, dienen bij de Commissie uiterlijk op 31 december 2020 een met redenen omkleed verzoek in, waarbij zij de termijn waarin de verbeterde methode zou kunnen worden toegepast, de voorgestelde alternatieve methode, of beide, aangeven, samen met een beoordeling van de potentiële effecten op de nauwkeurigheid van de boekhouding. De Commissie kan om aanvullende informatie verzoeken, die binnen een specifieke redelijke termijn moet worden ingediend. Wanneer de Commissie het verzoek gegrond acht, staat zij de afwijking toe. Indien de Commissie het verzoek afwijst, motiveert zij haar besluit.

Deel 2

De broeikasgassen die onder de voorgestelde verordening vallen zijn:

 

Koolstofdioxide (CO2)

 

Methaan (CH4)

 

Distikstofoxide (N2O)

 

Zwavelhexafluoride (SF6)

 

Stikstoftrifluoride (NF3)

Fluorkoolwaterstoffen (HFK's):

HFC-23 CHF3

HFC-32 CH2F2

HFC-41 CH3F

HFC-125 CHF2CF3

HFC-134 CHF2CHF2

HFC-134a CH2FCF3

HFC-143 CH2FCHF2

HFC-143a CH3CF3

HFC-152 CH2FCH2F

HFC-152a CH3CHF2

HFC-161 CH3CH2F

HFC-227ea CF3CHFCF3

HFC-236cb CF3CF2CH2F

HFC-236ea CF3CHFCHF2

HFC-236fa CF3CH2CF3

HFC-245fa CHF2CH2CF3

HFC-245ca CH2FCF2CHF2

HFC-365mfc CH3CF2CH2CF3

HFC-43-10mee CF3CHFCHFCF2CF3 of (C5H2F10)

Perfluorkoolwaterstoffen (PFK's):

PFK-14, perfluormethaan, CF4

PFK-116, perfluorethaan, C2F6

PFK-218, perfluorpropaan, C3F8

PFC-318, Perfluorocyclobutaan, c-C4F8

Perfluorocyclobutaan, c-C3F6

PFK-3-1-10, perfluorbutaan, C4F10

PFK-4-1-12, perfluorpentaan, C5F12

PFK-5-1-14, perfluorohexaan, C6F14

PFK-9-1-18, C10F18

Deel 3

Methoden voor monitoring en rapportage binnen de LULUCF-sector

Geografisch uitdrukkelijke gegevens inzake de conversie van landgebruik overeenkomstig de door de IPCC in 2006 opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen.

Een methode van niveau 1 overeenkomstig de door de IPCC in 2006 opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen.

Bij emissies en verwijderingen voor een koolstofreservoir dat goed is voor ten minste 25 tot 30 % van de emissies of verwijderingen in een categorie bron of put die in het nationale inventarisatiesysteem van een lidstaat als prioriteit is aangeduid omdat de raming ervan een significante invloed heeft op de totale inventaris aan broeikasgassen van een land wat betreft het absolute emissie- en verwijderingsniveau, op de tendens in emissies en verwijderingen of op de onzekerheid inzake emissies en verwijderingen in de categorieën landgebruik, een methode van ten minste niveau 2 overeenkomstig de door de IPCC in 2006 opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen.

De lidstaten worden aangemoedigd om een methode van niveau 3 toe te passen overeenkomstig de door de IPCC in 2006 opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen.

Deel 4

Lijst van indicatoren

Naam indicator

Indicator

TRANSFORMATIE B0

Specifieke CO2-emissie door elektriciteitscentrales (publiek en zelfopwekkers), t/TJ

CO2-emissie door publieke en zelfopwekkende thermische energiecentrales, kt gedeeld door alle producten — output door publieke en zelfopwekkende thermische energiecentrales, PJ

TRANSFORMATIE E0

Specifieke CO2-emissie door installaties van zelfopwekkers, t/TJ

CO2-emissie door zelfopwekkers, kiloton gedeeld door alle door thermische elektriciteitscentrales van de publieke sector geleverde producten, PJ gaan opwekken

INDUSTRIE A1.1

Totale CO2-intensiteit van de ijzer- en staalindustrie, t/miljoen EUR

Totale CO2-emissie door de ijzer- en staalindustrie, kiloton gedeeld door de bruto toegevoegde waarde — ijzer- en staalindustrie

INDUSTRIE A1.2

Energiegerelateerde CO2-intensiteit van de chemische industrie, t/miljoen EUR

Energiegerelateerde CO2-emissie door de chemische industrie, kiloton gedeeld door de bruto toegevoegde waarde — chemische industrie

INDUSTRIE A1.3

Energiegerelateerde CO2-intensiteit van de sector glas, aardewerk en bouwmaterialen, t/miljoen EUR

Energiegerelateerde CO2-emissie door de sector glas, aardewerk en bouwmaterialen, kiloton gedeeld door de bruto toegevoegde waarde — sector glas, aardewerk en bouwmaterialen

INDUSTRIE A1.4

Energiegerelateerde CO2-intensiteit van de voedings- en genotmiddelenindustrie, t/miljoen EUR

Energiegerelateerde CO2-emissie door de voedings- en genotmiddelenindustrie, kt gedeeld door de bruto toegevoegde waarde — voedings- en genotmiddelenindustrie, miljoen EUR (EC95)

INDUSTRIE A1.5

Energiegerelateerde CO2-intensiteit van de papierindustrie en de grafische sector, t/miljoen euro

Energiegerelateerde CO2-emissies van de papierindustrie en de grafische sector, kiloton — bruto toegevoegde waarde — papierindustrie en de grafische sector, miljoen EUR (EC95)

HUISHOUDENS A0

Specifieke CO2-emissie door huishoudens voor ruimteverwarming, t/m2

CO2-emissie door huishoudens voor ruimteverwarming gedeeld door de oppervlakte van permanent bewoonde woningen, miljoen m2

DIENSTEN B0

Specifieke CO2-emissie door de commerciële en institutionele sector voor ruimteverwarming, kg/m2

CO2-emissie door ruimteverwarming in de commerciële en institutionele sector, kiloton gedeeld door de oppervlakte van gebouwen voor diensten, miljoen m2

VERVOER B0

Specifieke dieselgerelateerde CO2-emissie door personenauto's, g/100 km

VERVOER B0

Specifieke benzinegerelateerde CO2-emissie door personenauto's, g/100 km


BIJLAGE VI

INFORMATIE OVER BELEIDSLIJNEN EN MAATREGELEN INZAKE DE UITSTOOT VAN BROEIKASGASSEN

In de verslagen van de lidstaten als bedoeld in artikel 18 op te nemen informatie:

a)

een beschrijving van hun nationale systeem voor de rapportage van beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen maatregelen, en voor de rapportage van prognoses van antropogene emissies per bron en de verwijderingen per put van broeikasgassen overeenkomstig artikel 39, lid 1, of informatie over eventuele wijzigingen in dat systeem ingeval een dergelijke beschrijving al is ingediend;

b)

de actualiseringen met betrekking tot hun langetermijnstrategieën als bedoeld in artikel 15 en de vooruitgang met de uitvoering van deze strategieën;

c)

informatie over de nationale beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen van maatregelen, en over de uitvoering van de beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen van maatregelen, van de Unie ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijdering per put, gepresenteerd per sector en ingedeeld volgens gas of groep van gassen (HFK's en PFK's) zoals genoemd in de lijst in deel 2 van bijlage V. In deze informatie worden toepasselijke en relevante nationale of EU-beleidsinitiatieven vermeld; zij omvat tevens:

i)

de doelstelling van het beleidsinitiatief of van de maatregel en een korte beschrijving van het beleidsinitiatief of de maatregel;

ii)

het type beleidsinstrument;

iii)

de stand van de uitvoering van het beleidsinitiatief of van de maatregel of groep van maatregelen;

iv)

indicatoren die worden gebruikt om de geboekte vooruitgang te monitoren en te evalueren;

v)

indien beschikbaar, de kwantitatieve ramingen van de effecten op emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, opgedeeld in:

de resultaten van beoordelingen vooraf van de effecten van een beleidsinitiatief of maatregel, of groepen van beleidsinitiatieven of maatregelen inzake de mitigatie van de klimaatverandering. Ramingen worden verstrekt voor een reeks van vier komende jaren eindigend op 0 of 5 onmiddellijk volgend op het rapportagejaar, met een onderscheid tussen de emissies van broeikasgassen die onder Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) 2018/842 en Verordening (EU) 2018/841 vallen;

de resultaten van beoordelingen achteraf van de effecten van een beleidsinitiatief of maatregel, of groepen van beleidsinitiatieven of maatregelen, inzake de mitigatie van de klimaatverandering, indien beschikbaar, met een onderscheid tussen de emissies van broeikasgassen die onder Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) 2018/842 en Verordening (EU) 2018/841 vallen;

vi)

beschikbare ramingen van de verwachte kosten en baten van beleidsinitiatieven en maatregelen en ramingen van de gerealiseerde kosten en baten van beleidsinitiatieven en maatregelen;

vii)

alle bestaande verwijzingen naar de beoordelingen van de kosten en effecten van nationale beleidsinitiatieven en maatregelen, naar informatie over de uitvoering van Unie-beleidsinitiatieven of -maatregelen ter beperking of vermindering van de emissies van broeikasgassen per bron of ter intensivering van de verwijderingen per put en naar de technische verslagen die daaraan ten grondslag liggen;

viii)

een beoordeling van de mate waarin het beleid of de maatregel bijdraagt tot de verwezenlijking van de langetermijnstrategie als bedoeld in artikel 15;

d)

informatie over geplande aanvullende nationale beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen van maatregelen, die zijn bedoeld om de broeikasgasemissies verder te beperken dan hun verbintenissen in het kader van Verordening (EU) 2018/842 en Verordening (EU) 2018/841;

e)

informatie over de relaties tussen de verschillende beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen van maatregelen, als gerapporteerd op grond van punt c) en de wijze waarop die beleidsinitiatieven en maatregelen, of groepen van maatregelen, bijdragen tot de verschillende prognosescenario's.


BIJLAGE VII

INFORMATIE OVER PROGNOSES OP HET GEBIED VAN DE UITSTOOT VAN BROEIKASGASSEN

In de verslagen van de lidstaten als bedoeld in artikel 18 op te nemen informatie:

a)

prognoses zonder maatregelen indien beschikbaar, prognoses met bestaande maatregelen, en, indien beschikbaar, prognoses met aanvullende maatregelen;

b)

de totale prognoses van broeikasgassen en afzonderlijke ramingen voor de geschatte broeikasgasemissies voor de emissiebronnen die onder Richtlijn 2003/87/EG en Verordening (EU) 2018/842 vallen en de verwachte emissies per bron en de verwijderingen per put als bedoeld in Verordening (EU) 2018/841;

c)

de effecten van de overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder a), bepaalde beleidsinitiatieven en maatregelen. Indien deze beleidsinitiatieven en maatregelen niet zijn opgenomen, wordt dit duidelijk vermeld en toegelicht;

d)

de resultaten van de gevoeligheidsanalyse met betrekking tot de prognoses en informatie over de gebruikte modellen en parameters;

e)

alle relevante verwijzingen naar de beoordeling en de technische rapporten waarop de prognoses als bedoeld in artikel 18, lid 4, zijn gestoeld.


BIJLAGE VIII

INFORMATIE OVER NATIONALE ADAPTATIEMAATREGELEN, FINANCIËLE EN TECHNOLOGISCHE ONDERSTEUNING VOOR ONTWIKKELINGSLANDEN EN VEILINGOPBRENGSTEN

Deel 1

Rapportage over adaptatiemaatregelen

In de verslagen als bedoeld in artikel 19, lid 1, op te nemen informatie:

a)

de belangrijkste doelstellingen en het institutioneel kader voor adaptatie;

b)

voorspellingen inzake klimaatverandering, waaronder extreme weersomstandigheden, de effecten van klimaatverandering, evaluatie van de kwetsbaarheid van het klimaat en de belangrijkste klimaatrisico's;

c)

het adaptatievermogen;

d)

de adaptatieplannen en -strategieën;

e)

toezicht- en evaluatiekader;

f)

de bij de tenuitvoerlegging geboekte vooruitgang, m.i.v. goede praktijken en veranderingen op het gebied van governance.

Deel 2

Rapportage over steun aan ontwikkelingslanden

In de verslagen als bedoeld in artikel 19, lid 3, op te nemen informatie:

a)

informatie over financiële ondersteuning die is vastgelegd en voor het jaar X–1 aan ontwikkelingslanden is toegekend, met:

i)

kwantitatieve informatie over openbare en door de lidstaat bijeengebrachte financiële middelen. De informatie over geldstromen is gebaseerd op de zogenaamde „Rio-indicatoren” voor ondersteuning van adaptatie aan en mitigatie van klimaatverandering en andere traceersystemen die door de OESO-commissie voor ontwikkelingsbijstand zijn ingevoerd;

ii)

degelijke methodologische informatie over de methode die voor de berekening van de kwantitatieve informatie is gebruikt, m.i.v. een toelichting van de methoden voor de kwantificering van hun gegevens en, indien relevant, andere informatie over de definities en methodes die zijn gebruikt voor de bepaling van de cijfers, met name voor de gerapporteerde informatie over gemobiliseerde geldstromen;

iii)

de beschikbare informatie over activiteiten van de lidstaat op het gebied van door de overheid gefinancierde projecten voor de overdracht van technologie en capaciteitsopbouw voor ontwikkelingslanden in het kader van het UNFCCC, m.i.v. de vraag of de overgedragen technologie of capaciteitsopbouw werd aangewend voor de adaptatie aan of mitigatie van de effecten van de klimaatverandering, het ontvangende land, indien mogelijk de omvang van de verstrekte steun en de aard van de overgedragen technologie of het project voor capaciteitsopbouw;

b)

beschikbare informatie voor het jaar X en de volgende jaren over de geplande toekenning van steun, m.i.v. informatie over geplande activiteiten op het gebied van door de overheid gefinancierde projecten voor de overdracht van technologie of capaciteitsopbouw voor ontwikkelingslanden in het kader van het UNFCCC en inzake over te dragen technologieën en projecten voor capaciteitsopbouw, m.i.v. de vraag of de overgedragen technologie of capaciteitsopbouw bedoeld is voor de adaptatie aan of mitigatie van de effecten van de klimaatverandering, het ontvangende land, indien mogelijk de omvang van de te verstrekken steun en de aard van de overgedragen technologie of het project voor capaciteitsopbouw.

Deel 3

Rapportage van veilingopbrengsten

In de verslagen als bedoeld in artikel 19, lid 2, op te nemen informatie:

a)

informatie over het gebruik tijdens het jaar X–1 van de opbrengsten die de lidstaat haalt uit veilingen van emissierechten overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, m.i.v. informatie over opbrengsten die zijn gebruikt voor een of meer van de in artikel 10, lid 3, van die richtlijn bepaalde doelstellingen, of het equivalent van die opbrengst in financiële waarde, en de uit hoofde van genoemd artikel getroffen maatregelen;

b)

informatie over het gebruik, zoals bepaald door de lidstaat, van alle opbrengst uit de veiling door de lidstaat van luchtvaartemissierechten overeenkomstig artikel 3 quinquies, lid 1 of 2, van Richtlijn 2003/87/EG; deze informatie wordt verschaft overeenkomstig artikel 3 quinquies, lid 4, van die richtlijn;

Veilingopbrengsten die niet zijn vrijgegeven op het moment dat een lidstaat een rapport bij de Commissie indient krachtens artikel 19, lid 2, worden gekwantificeerd en vermeld in rapporten voor volgende jaren.


BIJLAGE IX

AANVULLENDE RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN

Deel 1

Aanvullende rapportageverplichtingen op het gebied van hernieuwbare energie

Tenzij anders vermeld, wordt op grond van artikel 20, onder c), de volgende informatie vermeld:

a)

de werking van het systeem van garanties van oorsprong voor elektriciteit, gas en verwarming en koeling op basis van hernieuwbare bronnen, de afgifte en het verval van garanties van oorsprong en het daaruit voortvloeiende jaarlijkse nationale verbruik van hernieuwbare energie, alsook de maatregelen die zijn genomen om de betrouwbaarheid en fraudebestendigheid van het systeem te waarborgen;

b)

hoeveelheden biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vervoersbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, gerecycleerde koolwaterstofbrandstoffen en hernieuwbare elektriciteit verbruikt in de vervoersector en, in voorkomend geval, hun prestatie op het gebied van vermindering van broeikasgassen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen brandstoffen, geproduceerd uit diverse soorten voedsel- en voedergewassen en elk type grondstof vermeld in bijlage IX bij Richtlijn (EU) 2018/2001;

c)

de ontwikkelingen op het gebied van de beschikbaarheid, de oorsprong en het gebruik van biomassa voor energiedoeleinden;

d)

wijzigingen in de grondstofprijzen en het landgebruik in de lidstaat ten gevolge van het toegenomen gebruik van biomassa en andere vormen van energie uit hernieuwbare bronnen;

e)

de geraamde extra productie van energie uit hernieuwbare bronnen die kan worden overgedragen aan andere lidstaten, zodat deze voldoen aan artikel 3, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de nationale bijdragen en trajecten bereiken als bedoeld in artikel 4, onder a), punt 2, van deze verordening;

f)

indien van toepassing, de geraamde vraag naar energie uit hernieuwbare bronnen waaraan tot 2030 moet worden voldaan met andere middelen dan binnenlandse productie, m.i.v. ingevoerde biomassagrondstoffen;

g)

de technologische ontwikkeling en het gebruik van biobrandstoffen uit grondstoffen die zijn vermeld in bijlage IX bij Richtlijn (EU) 2018/2001;

h)

indien beschikbaar, de verwachte impact van de productie of het gebruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstof uit biomassa op de biodiversiteit, de watervoorraden, de waterkwaliteit en -beschikbaarheid, de lucht- en bodemkwaliteit in de lidstaat;

i)

geconstateerde fraudegevallen in de controleketen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstof uit biomassa;

j)

informatie over de wijze van raming van het aandeel biologisch afbreekbaar afval in het voor de energieproductie gebruikte afval en over de stappen die zijn genomen om dergelijke ramingen te verbeteren en te verifiëren;

k)

elektriciteits- en warmtewinning uit hernieuwbare energie in gebouwen, met inbegrip van de gedifferentieerde gegevens over de energie die is geproduceerd, geconsumeerd en in het net wordt geïnjecteerd door fotovoltaïsche systemen en thermale zonne-energiesystemen, biomassa, warmtepompen, geothermische systemen of door andere gedecentraliseerde hernieuwbare systemen;

l)

indien van toepassing, het aandeel van hernieuwbare energie in stadsverwarming en hernieuwbare energie die is geproduceerd door steden en hernieuwbare-energiegemeenschappen;

m)

de primaire levering van vaste biomassa (in 1 000 m3, behalve met betrekking tot punt 1, onder b), iii), waarvoor de hoeveelheid zal worden uitgedrukt in ton):

1)

bosbiomassa die wordt gebruikt voor het opwekken van energie (binnenlandse productie, en invoer):

a)

primaire biomassa uit bossen die rechtstreeks worden gebruikt voor energieproductie:

i)

indien beschikbaar, takken en boomkruinen (vrijwillige rapportering);

ii)

indien van toepassing, stronken (vrijwillige rapportering);

iii)

rondhout (opgesplitst in industrieel rondhout en rondhout als brandstof);

b)

indien van toepassing, bijproducten van de houtverwerkende sector die rechtstreeks worden gebruikt voor energie:

i)

indien van toepassing, bast

ii)

houtsnippers, spaanders en andere houtdeeltjes

iii)

indien van toepassing, zwart residuloog en ruwe tallolie

c)

indien beschikbaar, rechtstreeks gebruik van postconsumptiehout voor de productie van energie

d)

brandstof op basis van verwerkt hout, geproduceerd uit grondstoffen die niet onder a), b) en c) van dit punt vallen:

i)

indien van toepassing, houtskool

ii)

houtpellets en houtbriketten

2)

indien beschikbaar, agrarische biomassa die wordt gebruikt voor het opwekken van energie (binnenlandse productie, invoer en uitvoer):

a)

energiegewassen voor elektriciteit of warmte (met inbegrip van hakhout met korte omlooptijd)

b)

residuen van landbouwproducten voor elektriciteit of warmte

3)

indien beschikbaar, biomassa van organisch afval die wordt gebruikt voor het opwekken van energie (binnenlandse productie, invoer en uitvoer):

a)

organische fractie van industrieel afval

b)

organische fractie van stedelijk afval

c)

afvalslib

n)

eindenergieverbruik van vaste biomassa (hoeveelheid vaste biomassa voor energieproductie in de volgende sectoren):

1)

sector energie

a)

elektriciteit

b)

warmtekrachtkoppeling

c)

warmte

2)

intern industrie (verbruikte en zelf opgewekte elektriciteit, WKK en warmte)

3)

rechtstreeks huishoudelijk eindverbruik

4)

ander

Deel 2

Aanvullende rapportageverplichtingen op het gebied van energie-efficiëntie

Op het gebied van energie-efficiëntie wordt op grond van artikel 21, onder c), de volgende bijkomende informatie vermeld:

a)

belangrijke wetgevende en niet-wetgevende beleidsinitiatieven, financieringsmaatregelen en programma's die worden uitgevoerd in de jaren X–2 en X–1 (X is het jaar waarin het rapport moet worden ingediend) met het oog op het behalen van de doelstellingen als bedoeld in artikel 4, onder b), ter bevordering van de markten voor energiedienstverlening, het verbeteren van de energieprestaties van gebouwen, maatregelen ter benutting van het energie-efficiëntiepotentieel van gas- en elektriciteitsinfrastructuur en van verwarming en koeling, betere kwalificaties en informatie en andere maatregelen om energie-efficiëntie te promoten;

b)

de totale energiebesparing die is behaald middels artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU in de jaren X–3 en X–2, alsook

c)

de hoeveelheid energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen voor de verlichting van energiearmoede overeenkomstig artikel 7, lid 11, van Richtlijn 2012/27/EU;

d)

indien van toepassing, de hoeveelheid energiebesparingen bereikt overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder c), van Richtlijn 2012/27/EU;

e)

de vorderingen in elke sector en de redenen waarom het energieverbruik in de jaren X–3 en X–2 stabiel is gebleven of gestegen ten opzichte van het eindenergieverbruik in alle energieverbruikende sectoren;

f)

de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid en die op 1 januari van de jaren X–2 en X–1 niet voldeden aan de energieprestatie-eisen als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU;

g)

de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de lidstaat en die zijn gerenoveerd in de jaren X–3 en X–2 als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, of de in artikel 5, lid 6, bedoelde hoeveelheid energiebesparing die is verwezenlijkt in gebouwen welke eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid en die in aanmerking komen;

h)

het aantal uitgevoerde energieaudits in de jaren X–3 en X–2. Ter aanvulling het geschatte aantal grote bedrijven op hun grondgebied waarop artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU van toepassing is en het aantal in bedrijven uitgevoerde energieaudits in bedrijven in de jaren X–3 en X–2;

i)

toegepaste nationale primaire-energiefactor voor elektriciteit en een rechtvaardiging indien deze verschilt van de standaardcoëfficiënt in voetnoot 3 van bijlage IV bij Richtlijn 2012/27/EU;

j)

aantal en vloeroppervlakte van de nieuwe en gerenoveerde bijna-energieneutrale gebouwen in de jaren X–2 en X–1 als vermeld in artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU, indien nodig op basis van statistische steekproeven;

k)

link naar de website waar de lijst of de interface van aanbieders van energiediensten als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c), van Richtlijn 2012/27/EU kan worden geraadpleegd.


BIJLAGE X

VERSLAG OVER DE DUURZAAMHEID VAN BIO-ENERGIE IN DE UNIE

In het verslag over de duurzaamheid van bio-energie uit biomassa dat de Commissie overeenkomstig artikel 35, lid 2, onder d), om de twee jaar dient op te stellen, samen met het verslag over de stand van de energie-unie, wordt de volgende informatie vermeld:

a)

de relatieve milieukosten en -baten van de verschillende biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstoffen uit biomassa, de gevolgen van het EU-invoerbeleid voor die kosten en baten, de gevolgen voor de continuïteit van de energievoorziening en de manier waarop een evenwicht kan worden bereikt tussen binnenlandse productie en invoer;

b)

het effect van de productie en het gebruik van biomassa op de duurzaamheid in de Unie en in derde landen, waaronder de gevolgen voor de biodiversiteit;

c)

gegevens en analyse van de huidige en toekomstige beschikbaarheid van en de vraag naar duurzame biomassa, m.i.v. de gevolgen van de toegenomen vraag naar biomassa op de sectoren die er gebruik van maken;

d)

de technologische ontwikkeling en het gebruik van biobrandstoffen uit grondstoffen die zijn vermeld in bijlage IX bij Richtlijn (EU) 2018/2001, en een beoordeling van de beschikbaarheid van de grondstoffen en concurrentie van de hulpbronnen, waarbij rekening is gehouden met de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG;

e)

informatie over en een analyse van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten inzake indirecte verandering in het landgebruik met betrekking tot alle productieketens, samen met een beoordeling van de vraag of de onzekerheidsmarge in de analyses die ten grondslag liggen aan de ramingen van door indirecte veranderingen in het landgebruik veroorzaakte emissies kan worden verkleind, en of de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, kunnen worden meegenomen;

f)

ten aanzien van zowel derde landen als lidstaten die een belangrijke bron zijn voor in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en brandstoffen uit biomassa, informatie over nationale maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies die zijn vastgesteld in artikel 29, leden 2 tot en met 7 en 10, van Richtlijn (EU) 2018/2001, voor de bescherming van bodem, water en lucht, en

g)

geaggregeerde gegevens uit de databank bedoeld in artikel 28, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/2001.

Bij de rapportage over de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen maakt de Commissie gebruik van de door de lidstaten overeenkomstig deel 1, onder b), van bijlage IX bij deze verordening gerapporteerde hoeveelheden m.i.v. de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse bedoeld in bijlage VIII bij Richtlijn (EU) 2018/2001. De Commissie maakt de gegevens over de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk. Bovendien evalueert zij of en hoe de ramingen voor directe emissiereductie zouden veranderen als de substitutiemethode zou worden gebruikt bij het in aanmerking nemen van bijproducten.


BIJLAGE XI

VRIJWILLIGE REGELINGEN WAARVOOR DE COMMISSIE EEN BESLUIT HEEFT VASTGESTELD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 30, LID 4, VAN RICHTLIJN (EU) 2018/2001

Het verslag over vrijwillige regelingen waarvoor de Commissie een besluit heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 30, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/2001, moet op grond van artikel 35, lid 2, onder e), van deze verordening tweejaarlijks worden ingediend, samen met het verslag over de stand van de energie-unie, en bevat de beoordeling door de Commissie van, ten minste, de volgende aspecten:

a)

de onafhankelijkheid, vorm en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de optimale praktijken van de sector;

b)

de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van de regeling;

c)

de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van de regeling, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

d)

de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van het systeem en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

e)

de algehele robuustheid van de regeling, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

f)

indien beschikbaar, marktactualisaties van het systeem, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

g)

het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een systeem dat nagaat of de door het systeem aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijk systeem is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoedelijke fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

h)

opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

i)

criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

j)

voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen;

k)

mogelijkheden om de bevordering van optimale praktijken te vergemakkelijken of te verbeteren.


BIJLAGE XII

NATIONALE INVENTARISATIESYSTEMEN

De in artikel 37 bedoelde informatie omvat onder meer het volgende:

a)

gegevens en methoden gerapporteerd voor activiteiten en installaties in het kader van Richtlijn 2003/87/EG voor de opstelling van nationale broeikasgasinventarissen teneinde te zorgen voor consistentie van de gerapporteerde broeikasgasemissies in het kader van het EU-ETS en in de nationale broeikasgasinventarissen;

b)

de gegevens die zijn verzameld via de krachtens artikel 20 van Verordening (EU) nr. 517/2014 opgezette rapportagesystemen voor fluorgassen in de relevante sectoren voor het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

c)

emissies, onderliggende gegevens en methodieken die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 166/2006 zijn gerapporteerd met het oog op het opstellen van nationale broeikasgasinventarissen;

d)

de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2008 gerapporteerde gegevens;

e)

gegevens d